3-424/5

3-424/5

Belgische Senaat

ZITTING 2003-2004

15 DECEMBER 2003


Ontwerp van programmawet

Ontwerp van wet houdende diverse bepalingen


Evocatieprocedure


VERSLAG

NAMENS DE COMMISSIE VOOR DE JUSTITIE DOOR DE HEER PHILIPPE MAHOUX


I. INLEIDING

Het verslag van de commissie heeft zowel betrekking op het ontwerp van programmawet (stuk Senaat, nr. 3-424/1) als op het wetsontwerp houdende diverse bepalingen (stuk Senaat, nr. 3-425/1).

Het ontwerp van programmawet is een optioneel bicameraal wetsontwerp dat door de regering in de Kamer van volksvertegenwoordigers werd ingediend op 24 november 2003 (stuk Kamer, nr. 51-473/1) en in de Kamer werd aangenomen op 12 december 2003 met 78 tegen 34 stemmen bij 4 onthoudingen.

Het werd dezelfde dag overgezonden aan de Senaat en onmiddellijk geëvoceerd.

Het wetsontwerp houdende diverse bepalingen is een verplicht bicameraal wetsontwerp dat door de Regering in de Kamer van volksvertegenwoordigers werd ingediend op 24 november 2003 (stuk Kamer, nr. 51-474/1) en in de Kamer werd aangenomen op 12 december 2003, met 77 tegen 34 stemmen, bij 5 onthoudingen.

Het werd op 12 december 2003 overgezonden aan de Senaat.

Beide ontwerpen werden door de commissie besproken tijdens haar vergaderingen van 10 (in toepassing van artikel 27.1 van het Reglement) en 15 december 2003, in aanwezigheid van de minister van Justitie.

II. INLEIDENDE UITEENZETTING DOOR DE MINISTER VAN JUSTITIE

Het is ongewoon dat het deel « justitie » van een programmawet zoveel bepalingen telt, want een programmawet is per definitie niet het aangewezen wetgevende instrument om met belangrijke hervormingen van start te gaan.

Indien de minister niettemin aan dit deel « justitie » een zekere omvang wou geven, is dat zeker niet om over te gaan tot substantiële grondige wijzigingen, maar wel om de meest dringende zaken te verhelpen.

Sedert de minister bij het departement van justitie kwam, heeft zij talrijke ontmoetingen ingeleid met de actoren van de rechterlijke macht en dit met het doel om de redenen die aan de basis liggen van de spanningen in de gerechtelijke wereld beter af te bakenen.

De onderfinanciering van dit departement is al grotendeels een verklaring voor deze spanningen, maar het gebrek aan dialoog bleek eveneens een bron van onbehagen te zijn.

De minister heeft aldus eerst een budget verdedigd dat meer aangepast is aan de noden van de justitie en heeft, tijdens de laatste begrotingsbespreking, van de regering een verhoging verkregen van bijna 10 % vergeleken met het vorige budget.

Om de dialoog tussen de gerechtelijke actoren weer op gang te brengen, heeft de minister enerzijds daarna de heer Georges de Leval, professor aan de Universiteit van Luik en de heer Fred Erdman, belast met het leggen van alle noodzakelijke contacten met de magistratuur, maar ook met de balies, zodat ze kunnen meedelen welke hervormingsvoorstellen deze actoren gedaan hebben.

Anderzijds nodigde de minister twee Brusselse magistraten uit, mevrouw Karine Gérard, lid van de Hoge Raad voor de Justitie en raadsvrouw bij het hof van beroep te Brussel, en de heer Etienne Vandewalle, voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, om haar de meest dringende maatregelen voor te leggen die moeten worden genomen om van start te gaan met de terugdringing van de gerechtelijke achterstand te Brussel. Deze twee magistraten hebben haar een verslag overhandigd, dat werd opgesteld in nauwe samenwerking met de voornaamste Brusselse korpschefs en dat een inventaris is van de eerste wetgevende wijzigingen die moeten worden genomen.

Het deel « justitie » van de programmawet beantwoordt ruimschoots aan deze voorstellen.

De minister verklaart dus allereerst de intentie te hebben om gerichte maatregelen te nemen om « de meest dringende zaken te verhelpen » en daarna verder te gaan met het nadenken op langere termijn met alle korpschefs van de rechtsgebieden van het Rijk, zodat kan worden overgaan tot het opstellen van breder opgezette wetgevende teksten, zoals over de mobiliteit van de magistraten, de financiële responsabilisering van de korpschefs en de hervorming van de gerechtelijke procedure.

Bij de gerichte maatregelen die in het deel « justitie » voorzien zijn, horen ook maatregelen die voornamelijk materieel van aard zijn en die de tussenkomst van het Parlement niet noodzakelijk maken. Hierbij kan meer bepaald gedacht worden aan de informatisering van de rechtsgebieden, aan een betere inrichting van de lokalen die door het openbaar ministerie worden gebruikt, aan het aanstellen van een magistraat die belast is met de coördinatie van de zittingen waarvoor er gevangenen moeten worden vervoerd (dit om nutteloze zittingen te vermijden), en aan het aanstellen van een coördinator op het vlak van het personeelsbeheer, die de korpschefs zal bijstaan bij het beter leiden van het administratieve personeel met oog voor de behoeften van de rechtsgebieden.

De achterliggende gedachte is hierbij het tegelijk versterken van de menselijke en materiële middelen van de rechtsgebieden.

Tot slot werd er, in samenspraak met de Brusselse gerechtelijke overheden, beslist om regelmatig en in het kader van een verbintenisprotocol een regelmatige dialoog in te voeren. De doelstelling van dat protocol is het duidelijk definiëren van de verantwoordelijkheden van elkeen bij het wegwerken van de gerechtelijke achterstand en het instellen van een mechanisme voor de evaluatie van de aan weerskanten geleverde inspanningen. Het is de bedoeling van de minister om dit experiment uit te breiden tot andere gerechtelijke arrondissementen, waarbij uiteraard rekening gehouden wordt met de eigen specificiteit van deze arrondissementen.

Welke zijn de maatregelen die door de Staat worden genomen ?

De meeste van de voorgestelde maatregelen betreffen het versterken van de menselijke middelen van de rechtsgebieden en dit via toegevoegde rechters, referendarissen en parketjuristen. De andere bepalingen hebben betrekking op de vereenvoudiging van de gerechtelijke organisatie. Deze maatregelen zijn samengebracht in de eerste programmawet die voorgelegd wordt aan de beide Kamers (art. 77 van de Grondwet).

De parlementaire werkzaamheden in de Kamer hebben geleid tot een vruchtbare gedachtewisseling, ook met de oppositie, met het oog op de verbetering van de voorgestelde teksten of de indiening van nieuwe wetswijzigingen die beantwoorden aan de doelstellingen van dit deel over justitie.

I. De bepalingen in verband met de gerechtelijke organisatie

1. De bepalingen ter versterking van de menselijke middelen

Artikel 80, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek (artikel 77 van de Grondwet) ­ De specifieke mandaten van de werkende rechters, met inbegrip van de toegevoegde rechters.

Een eerste wijziging betreft artikel 80, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek dat, bij wijze van uitzondering, aan werkende rechters maar ook aan toegevoegde rechters toelaat om onder meer een specifiek mandaat als onderzoeksrechter uit te oefenen indien de behoeften van de dienst het rechtvaardigen.

Ter herinnering : de toegevoegde rechters werden in 1998 ingesteld door de wetgever, zodat ze onder meer kunnen deelnemen aan het inperken van de gerechtelijke achterstand. Deze magistraten zijn dus noodzakelijk in de gerechtelijke arrondissementen waar de achterstand bijzonder zorgwekkend is.

Deze toegevoegde rechters zijn echter veel meer dan magistraten die ter hulp geroepen worden om de gerechtelijke achterstand in te lopen. Door het feit dat ze ingedeeld zijn in het rechtsgebied van een hof van beroep kunnen deze magistraten veeleer beschouwd worden als « reservemagistraten » die om diverse redenen tussenbeide kunnen komen in een rechtsgebied, onder meer voor het vervangen van een zieke magistraat.

De voorgestelde wijziging is een antwoord op een probleem dat aan het einde van deze zomer aan het licht kwam. Sommige toegevoegde rechters, titularis van een specifiek mandaat, werden inderdaad in functie gehouden, terwijl de mogelijkheden tot hernieuwing van hun mandaat uitgeput waren. Sommigen waren dus reeds gedurende meer dan drie jaar titularis van een mandaat als onderzoeksrechter. Deze periode van drie jaar werd te kort geacht om gerechtelijke onderzoeken tot een goed einde te brengen. Daarom stellen we een mandaat voor een termijn van twee jaar voor, twee maal hernieuwbaar, dus een mandaat van zes jaar in totaal.

Dit voorstel geeft aan de korpschef ook de mogelijkheid om zijn rechtsgebied op een intelligente en professionele wijze te beheren, door gebruik te maken van de competenties en de ervaringen van elkeen.

Er werd eveneens een overgangsbepaling ingelast, met het oog op het specifiek regelen van de werkende en de toegevoegde rechters die momenteel titularis zijn van een specifiek mandaat.

Artikel 216bis van het Gerechtelijk Wetboek (artikel 77 van de Grondwet) ­ De toegevoegde rechters die voor een taalexamen slaagden.

Een tweede wijziging heeft nogmaals betrekking op de toegevoegde rechters en staat in verband met artikel 216bis, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek. Het is de bedoeling om aan een toegevoegde rechter die voor een taalexamen slaagde toe te laten te kunnen solliciteren voor een betrekking in het kader van het rechtsgebied waar hij zijn functie uitoefent. Krachtens het huidige artikel 216bis moet een rechter die benoemd wordt gedurende drie jaar ter plaatse blijven alvorens elders te kunnen solliciteren.

Deze vereiste is echter niet verenigbaar, onder meer met de situatie in de Brusselse rechtsgebieden. Het is inderdaad absoluut noodzakelijk dat het wettelijk kader van deze rechtsgebieden snel volledig ingevuld is. Maar gezien de taalvereisten is dit een probleem. Er wordt derhalve voorgesteld om af te wijken van deze regel voor de toegevoegde magistraten die slaagden voor een taalexamen, door hen toe te laten om het kader van een tweetalig rechtsgebied aan te vullen.

Artikelen 156ter en 206ter van het Gerechtelijk Wetboek (artikel 77 van de Grondwet) ­ De referendarissen en de parketjuristen.

Artikel 156ter van het Gerechtelijk Wetboek wordt gewijzigd om een meer omstandige aanwerving mogelijk te maken van de referendarissen en van de parketjuristen. Er werd inderdaad voorgesteld om de drempel te verhogen van 25 % naar 35 %. Deze wijziging heeft voornamelijk betrekking op het rechtsgebied van het hof van beroep te Brussel, waar de drempel van 25 % reeds werd bereikt. De andere gerechtelijke arrondissementen bereikten deze drempel nog niet, het nationale gemiddelde bedraagt ongeveer 17 %.

Deze medewerkers van de magistraten nemen efficiënt deel aan het terugdringen van de gerechtelijke achterstand, door de magistraten bij te staan bij het voorbereiden van de informatie en de uitspraken.

Deze verhoging van de drempel naar 35 % zal in elk geval met respect voor de budgettaire middelen moeten gebeuren en voor zover artikel 286 van het Gerechtelijk Wetboek wordt gerespecteerd. Omdat deze bepaling reeds geldt voor de parketjuristen en de referendarissen, wordt ze gewoon in artikel 156ter van hetzelfde wetboek herhaald.

Deze bepaling zou moeten toelaten om beter in te spelen op de noden van de gerechtelijke overheden die te maken krijgen met buitengewone omstandigheden, zoals een zeer belangrijke achterstand.

Er wordt eveneens een wijziging aangebracht aan artikel 206ter, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek, teneinde de toewijzing van een referendaris binnen een rechtsgebied te versoepelen en dit door het afschaffen van het inwinnen van het advies van de algemene vergadering van dit rechtsgebied. Het staat de voorzitter van het rechtsgebied dus vrij om alleen over deze toewijzing te beslissen.

Artikel 259octies, § 6, van het Gerechtelijk Wetboek (artikel 77 van de Grondwet) ­ Gerechtelijke stagiairs en de mogelijkheid om als plaatsvervangend rechter zitting te houden.

Deze bepaling is het gevolg van een amendement dat door CD&V neergelegd werd in de Kamer. Men wenste dat een gerechtelijke stagiair die reeds 33 maanden stage volbracht als plaatsvervangend rechter zou kunnen zetelen. De minister heeft echter voorgesteld dat deze mogelijkheid er komt na de gerechtelijke stage van 36 maanden voor de stagiairs die niet benoemd werden. Krachtens artikel 259octies, § 6, zesde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, kan de minister van Justitie inderdaad bij deze hypothese de duur van de stage verlengen met een periode van één maal of van twee maal zes maanden. Indien deze gerechtelijke stagiairs een functie als magistraat beogen, is het opportuun om hen toe te laten om als plaatsvervangend rechter zitting te houden.

2. De bepalingen betreffende een betere gerechtelijke organisatie

Zoals de minister voorheen reeds meedeelde, beogen meerdere bepalingen van het deel « justitie » een betere organisatie van de werking van de rechterlijke orde.

Wijziging van artikel 191 van het Gerechtelijk Wetboek (artikel 77 van de Grondwet) ­ De gerechtelijke stage.

Aldus hebben de wijzigingen van artikel 191 van het Gerechtelijk Wetboek tot doel om aan de gerechtelijke stagiairs toe te laten om zich toch nog kandidaat te stellen voor de functie van rechter. Deze mogelijkheid werd opgeheven door de wet van 3 mei 2003, terwijl dit niet de wil van de wetgever was. Deze bepaling herstelt deze weglating dus.

Wijzigingen van de artikelen 287, 340 en 346 van het Gerechtelijk Wetboek (artikel 77 van de Grondwet) ­ Mandaat van de korpschefs.

De wijzigingen van artikel 287 van het Gerechtelijk Wetboek beogen de versoepeling van het neerleggen van een beheersplan door de kandidaten voor een functie van korpschef, zodat elke kandidaat de mogelijkheid heeft om de situatie van het rechtsgebied waar hij solliciteert correct te kunnen analyseren.

De wijziging van de artikelen 340, § 3 en 346, § 2, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek vereenvoudigt de verplichtingen van de rechtsgebieden voor het opstellen van hun activiteitsverslagen. Deze verslagen zullen voortaan beperkt worden tot de activiteiten van het kalenderjaar (en niet meer tot het gerechtelijk jaar) en het neerleggen ervan zal met één maand kunnen worden uitgesteld.

Wijzigingen van de artikelen 202, 204, 316 en 390 van het Gerechtelijk Wetboek (artikelen 8, 9, 14 en 17 van de programmawet) ­ Rechters in handelszaken en in sociale zaken.

Meerdere wijzigingen hebben betrekking op de rechters in handelszaken en in sociale zaken.

Overeenkomstig artikel 202, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, moeten de benoemingen van de rechters in sociale zaken voor het gerechtelijk verlof gepubliceerd zijn.

Deze regel is uit organisatorisch standpunt gezien niet meer gerechtvaardigd. Er werd een amendement van de meerderheid, maar ook een van de oppositie, ingediend om dit lid te schrappen.

In dezelfde zin werd ook het tweede lid van artikel 204 van het Gerechtelijk Wethoek geschrapt.

De wijziging aangebracht in artikel 316, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek staat eveneens in verband met de wijzigingen aangebracht in de artikelen 202 en 204 van het Gerechtelijk Wetboek. Het is de bedoeling om aan de korpschefs toe te laten om hun dienstrooster aan te passen aan de hand van het vertrek en de aankomst van magistraten.

Tot slot wil de wijziging van artikel 390 van het Gerechtelijk Wetboek aan de rechters in sociale zaken en in handelszaken toelaten om zitting te houden als plaatsvervangend raadsheer na de wettelijke leeftijd van inruststelling, dat wil zeggen 67 jaar. Om deze wijziging werd door de rechterlijke wereld verzocht en dit wegens het gebrek aan kandidaten voor deze functies.

Het geheel van deze wijzigingen past binnen een « stapsgewijs » beleid. De programmawet is inderdaad niet het meest geschikt voor diepgaande hervormingen of voor « paleisrevoluties », maar deze wet zal zonder enige twijfel toelaten om nieuwe impulsen te geven aan de contacten van de minister met de rechterlijke wereld en om op langere termijn te werken, ditmaal aan de voornaamste oorzaken van de traagheid van de werking van het gerecht.

Wijziging van de artikelen 835 en 837 van het Gerechtelijk Wetboek (artikel 78 van de Grondwet) ­ De wrakingsprocedure.

Het proces-Cools gaf aanleiding tot talrijke vorderingen tot wraking, waarvan de meeste verworpen werden door het Hof van Cassatie, gemotiveerd door het feit dat ze wegens zuiver opschortende redenen werden ingediend. Het is inderdaad niet te dulden dat gerechtelijke procedures zwaar verstoord worden door het ongepast neerleggen van dergelijke vorderingen, afkomstig van personen die geen belang bij de zaak hebben. De verplichte inschakeling van een advocaat is dus noodzakelijk gebleken. Dat is reeds het geval voor de vordering tot onttrekking in burgerlijke zaken. Die advocaat moet bovendien ten minste tien jaar ervaring bij de balie hebben. Die eis moet onrechtmatige vorderingen tot wraking voorkomen.

De vordering tot wraking is onontvankelijk wanneer ze afkomstig is van een persoon die geen belanghebbende in de zaak is. Deze onontvankelijkheid moet niettemin vastgesteld worden door de rechtsmacht die aangewezen is om zich uit te spreken over de vordering.

Omdat de vordering tot wraking opschortend is volgens artikel 837, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, kan een derde dus het goede verloop van een rechtszaak in de war sturen, door een vordering tot wraking in te dienen tegen de rechter die met de zaak belast is.

Teneinde dergelijk misbruik te voorkomen, bepaalt het amendement dat de vordering tot wraking niet meer opschortend is indien afkomstig van een persoon de geen partij is bij de zaak. Het zal aan de rechter zijn die het voorwerp is van de vordering tot wraking om te oordelen of de vordering ingesteld is door een partij die bij de zaak betrokken is. Indien dat niet zo is, zal hij het onderzoek van de zaak verder zetten, zonder afbreuk te doen aan de toepassing van de andere bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de wraking. Men moet eveneens oog hebben voor de hypothese van een vordering tot wraking door het openbaar ministerie, wanneer die, zonder partij bij de zaak te zijn, handelt omdat de openbare orde in gevaar komt en dit krachtens artikel 138, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek. In dat geval worden de rechterlijke uitspraken en de handelingen geschorst.

Het luik « justitie » van de programmawet bevat eveneens een bepaald aantal verbeterende bepalingen die ofwel tot doel hebben om juridische leemten op te vullen, ofwel om de draagwijdte van bepaalde wettelijke bepalingen te verduidelijken. Deze bepalingen zijn enerzijds te vinden in de programmawet die onder de volledige beide Kamers valt (artikel 77 van de Grondwet), en anderzijds in de programmawet die onder de onvolledige beide Kamers valt (artikel 78 van de Grondwet).

II. Corrigerende bepalingen

1. Wijzigingen in de artikelen 497, 498, 501, 502 en 505 van het Gerechtelijk Wetboek (artikel 77 van de Grondwet).

De wijzigingen aangebracht in de artikelen 497, 498, 501, 502 en 505 van het Gerechtelijk Wetboek zijn gericht op de overeenstemming van deze artikelen met het arrest van het Arbitragehof van 28 januari 2003 betreffende de problematiek van de vorderingen ingesteld tegen de reglementen van de balies. Het Hof heeft immers een aantal van die bepalingen vernietigd. Het zal voortaan dus mogelijk zijn voor een derde die het bewijs levert dat hij over de vereiste kwaliteit en het belang beschikt krachtens de artikelen 17 en 18 van het Gerechtelijk Wetboek om een vordering in te stellen tegen de reglementen van de Ordres des barreaux francophones et germanophone en de Orde van Vlaamse balies.

2. Wijzigingen van artikel 508/5, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek (artikel 78 van de Grondwet) ­ Juridische eerstelijnsbijstand.

In artikel 508/5, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek is bepaald dat de persoon wier inkomsten in de zin van het koninklijk besluit van 10 juli 2001 voldoende zijn en die beroep doet op juridische eerstelijnsbijstand, een vaste bijdrage van 12,39 euro moet betalen om die bijstand te dekken.

De personen die over ontoereikende inkomsten beschikken, moeten aan de hand van bewijsstukken daarvan het bewijs leveren.

De vereiste bijdrage blijkt in de praktijk de doeltreffendheid van de juridische eerstelijnsbijstand af te remmen. Er is immers een duidelijke wanverhouding tussen enerzijds de tijd vereist voor de controle van de stukken die de aanvrager wier inkomsten onvoldoende zijn, moet overleggen om te worden vrijgesteld van die bijdrage en anderzijds de tijd nodig voor een eerste advies.

De wijziging van artikel 508/5, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek strekt ertoe die vaste bijdrage op te heffen teneinde de toegang tot het recht en tot de justitie te vergemakkelijken, zulks overeenkomstig de vraag van de balies en het regeerakkoord.

3. Wijziging van artikel 1409 van het Gerechtelijk Wetboek (artikel 78 van de Grondwet) ­ Het begrip kind ten laste.

Artikel 1409 van het Gerechtelijk Wetboek wordt aangevuld teneinde de Koning bij een in de ministerraad overlegd koninklijk besluit te machtigen de definitie vast te leggen van het begrip « kind ten laste », alsook de regels inzake de bewijsvoering van voornoemd gegeven te bepalen, daaronder begrepen de bewijskracht en de geldigheidsduur van de bewijzen evenals de procedureregels.

Deze machtiging is vereist omdat in verschillende fiscale en sociale wetgevingen gebruik wordt gemaakt van het begrip « kind ten laste », maar daaraan verschillende betekenissen worden gegeven. Deze machtiging moet voor 1 januari 2006 wettelijk worden bekrachtigd.

4. Wijzigingen aangebracht in de wet van 7 juli 2002 betreffende het tuchtrecht voor leden van de rechterlijke orde (artikel 77 van de Grondwet)

De wijzigingen aangebracht in de wet van 7 juli 2002 wat het tuchtrecht voor leden van de Rechterlijke Orde betreft, strekken ertoe de inwerkingtreding van de nieuwe tuchtregeling uit te stellen zodat onder meer de nieuwe Nationale Tuchtraad, samengesteld uit vertegenwoordigers van de verschillende leden van de rechterlijke orde, kan worden opgericht.

5. Wijzigingen van het Wetboek van strafvordering en van het Strafwetboek (artikel 78 van de Grondwet)

De eerste wijziging die in artikel 12bis van de Voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering is aangebracht, strekt ertoe het toepassingsgebied ervan beter af te bakenen. De extraterritoriale bevoegdheid van de Belgische gerechten kan eveneens voortvloeien uit een afgeleid rechtsinstrument van de Europese Unie, bijvoorbeeld uit een kaderbesluit.

De tweede wijziging vult een juridische leemte aan. Het is immers belangrijk nader te omschrijven dat artikel 12bis niet alleen moet worden toegepast op de in het Strafwetboek bepaalde misdrijven tegen het internationaal humanitair recht, maar ook tegen internationale misdrijven die op grond van een verdrag waardoor België gebonden is, strafbaar zijn gesteld.

De wijziging aangebracht in artikel 379 (oud artikel 322) van de programmawet (artikel 78 van de Grondwet) betreft de inwerkingtreding van artikel 3 van de wet van 13 maart 2003 tot invoeging van een artikel 10, 6º, in de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering. Op grond van de wet van 13 maart 2003 wordt de nieuwe regel waarin artikel 10, 6º, voorziet, slechts toegepast op de feiten die na de inwerkingtreding ervan zijn gepleegd.

Een dergelijke bepaling is evenwel niet verenigbaar met het gemene recht van de strafrechtspleging krachtens welk de procedure- en bevoegdheidswetten onmiddellijk van toepassing zijn en bijgevolg worden toegepast op de strafbare feiten die voor de inwerkingtreding ervan zijn gepleegd, voor zover daarover nog niet definitief is geoordeeld of zij niet verjaard zijn.

De wijziging van artikel 34 van het Strafwetboek ten slotte, die de strafrechtelijke ontzetting betreft, brengt nadere bepalingen aan inzake de begindatum ervan en conformeert zich aan de meer billijke rechtspraak van de Raad van State.

6. Wijziging van de wet van 3 mei 2003 en van artikel 488bis van het Burgerlijk Wetboek (artikel 78 van de Grondwet)

De doelstelling van deze wijzigingen betreffende de wetgeving van toepassing op de bescherming van de goederen van geesteszieke personen bestaat erin de Koning te machtigen het tarief te bepalen van de kosten voor de opneming van de verklaringen betreffende de aanwijzing van een voorlopig bewindvoerder in het Centraal Register der verklaringen.

7. Wijziging van de programmawet van 24 december 2002 (artikel 78 van de Grondwet) ­ Niet-begeleide minderjarigen.

Deze wijziging van de programmawet van 24 december 2002 betreft de niet-begeleide minderjarigen en voorziet in de opheffing van de erkenning van de rijksambtenaren wanneer zij voogd worden van niet-begeleide minderjarigen. Deze erkenning is immers niet nodig aangezien die ambtenaren onder het hiërarchisch gezag van een minister staan.Er werd niettemin via een amendement van de Regering verduidelijkt dat deze ambtenaren eveneens moeten beantwoorden aan de voorwaarden die voor de erkenning voorzien zijn.

8. Wijzigingen van de wet van 10 april 2003 tot regeling van de rechtspleging voor de militaire rechtscolleges (artikel 78 van de Grondwet)

De bepalingen tot wijziging van de wet van 10 april 2003 tot regeling van de rechtspleging voor de militaire rechtscolleges en tot aanpassing van verscheidene wettelijke bepalingen naar aanleiding van de afschaffing van de militaire rechtscolleges in vredestijd, strekken ertoe diverse nalatigheden in de wet van 10 april 2003 te herstellen, inzonderheid inzake de tenuitvoerlegging van de vonnissen en de arresten die door de militaire rechtscolleges zijn gewezen voor 1 januari 2004 en die na die datum ten uitvoer moeten worden gelegd.

9. Wijziging van de wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van ondernemingen, tot modemisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen (artikel 78 van de Grondwet)

Krachtens deze wijziging aangebracht in de wet van 16 januari 2003 worden de veroordelingen van de rechtspersonen voortaan meegedeeld aan de Kruispuntbank van ondernemingen, en niet langer aan de griffies van de rechtscolleges waar de statuten van deze rechtspersonen zijn neergelegd.

10. Wijziging van de wet van 17 april 2002 tot invoering van de werkstraf als autonome straf in correctionele zaken en in politiezaken (artikel 78 van de Grondwet)

In de wet van 17 april 2002 wordt een nieuwe overgangsmaatregel ingevoegd met betrekking tot de werkstraffen die zouden worden uitgesproken voor 1 mei 2004, maar nadien ten uitvoer moeten worden gelegd. Aangezien met deze mogelijkheid geen rekening was gehouden, moest in die juridische leemte worden voorzien gelet op de inwerkingtreding van de wet van 17 april 2002 die de werkstraf invoert als autonome straf in correctionele zaken en in politiezaken. Door een amendement van de meerderheid en van de oppositie, werd de toepassingssfeer van deze overgangsbepaling eveneens uitgebreid tot artikel 11 van de wet van 17 april 2002.

11. Wijziging van de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen (artikel 78 van de Grondwet)

De wijziging van de wet van 27 juni 1921 wordt doorgevoerd teneinde te voorkomen dat de oude VZW's tijdrovende opzoekingen moeten doen inzake de stichters die geen deel ervan meer uitmaken.

12. Wijziging van de wet van 25 ventôse jaar XI op het notarisambt (artikel 78 van de Grondwet)

De voorgenomen wijziging van artikel 92 van de wet van 25 ventôse jaar XI op het notarisambt strekt inzonderheid ertoe de werking van het directiecomité van de Nationale Kamer van notarissen te verbeteren.


Twee bepalingen die niet door de Commissie voor de Justitie van de Kamer werden onderzocht

1. Tenuitvoerlegging van de verordening van de Raad van 8 oktober 2001 betreffende het statuut van de Europese vennootschap (artikel 78 van de Grondwet)

Krachtens deze bepaling wordt de Koning gemachtigd tot de tenuitvoerlegging van de verordening van de Raad van 8 oktober 2001 betreffende het statuut van de Europese vennootschap, zulks door middel van een wettelijke bekrachtiging die voor 31 december 2005 moet worden doorgevoerd.

2. Wijziging van de wet van 24 december 1993 betreffende overheidsopdrachten (artikel 78 van de Grondwet)

De wijziging van de wet van 24 december 1993 betreffende overheidsopdrachten is vereist omdat België aanstalten maakt om het Burgerlijk Verdrag inzake corruptie, gedaan te Straatsburg op 4 november 1999, te bekrachtigen.

III. ALGEMENE BESPREKING

1. Wetsontwerp houdende diverse bepalingen (stuk Senaat, nr. 3-425/1)

Mevrouw Nyssens wijst erop dat de parlementaire techniek van de programmawet problemen doet rijzen. Zo'n wet is in feite een vergaarbak, met belangrijke bepalingen, die altijd op het einde van het jaar opduikt. De inhoud van het voorliggende ontwerp lijkt haar positief, maar de handelwijze is onaanvaardbaar. De timing moet anders worden georganiseerd. Spreekster verwijst naar het recht van andere landen dat precieze bepalingen bevat over de mogelijke inhoud van een programmawet.

Wat de inhoud van het ontwerp betreft, verheugt spreekster zich bijzonder over de bepalingen met betrekking tot de toegevoegde rechters. Zij verzet er zich hoegenaamd niet tegen dat de toegevoegde rechters tot de personeelsformatie zouden toetreden. Het spreekt vanzelf dat de onrustwekkende situatie in Brussel maatregelen vereist. Bovendien lijkt de voorliggende tekst haar tegemoet te komen aan de eisen van de toegevoegde rechters die niet beschouwd willen worden als te « losse » en bijkomstige rechters. Zij willen magistraat zijn in Brussel en daar het gerechtelijk systeem doen draaien.

Het aantal toegevoegde rechters wordt met deze tekst niet verhoogd. Het is enkel de bedoeling de overgang naar de personeelsformatie te vergemakkelijken.

Spreekster verwijst naar de algemene beleidsnota van de minister die meer structurele oplossingen aankondigde voor Brussel. Welke ontwerpen worden hierover concreet voorbereid ?

De minister bevestigt dat de tekst de overgang naar de personeelsformatie wil vergemakkelijken en de bijzondere mandaten stabieler wil maken.

Wat de meer structurele maatregelen betreft, meent de minister dat een algemene herstructurering van de gerechtelijke organisatie per arrondissement nodig is, vooral met het oog op een grotere verantwoordelijkheid en bevoegdheid van de korpschefs met betrekking tot het financiële en het personeelsbeheer. Momenteel zijn er 27 arrondissementen in België, wat veel is.

In Nederland zijn er bijvoorbeeld maar 19. Dat aantal heeft een volledig achterhaalde juridisch-historische grondslag. In gerechtelijke kringen is iedereen het met deze wijziging eens. De overheidsdiensten werken momenteel aan de bijkomende bevoegdheden van de korpschefs en aan de begeleiding van de korpschefs met betrekking tot het beheer. Er moet een statuut worden uitgewerkt voor de managers die de korpschefs zullen helpen, het statuut van de griffiers moet worden herzien, enz. De minister hoopt de resultaten van dat werk te kunnen zien in maart volgend jaar.

De minister besluit dat een meer structurele oplossing voor Brussel zal samenvallen met de herstructurering per arrondissement voor heel België.

Mevrouw Nyssens is het eens met de voorgenomen wijzigingen met betrekking tot de korpschefs, maar heeft nog geen duidelijk politiek standpunt wat de beperking van het aantal gerechtelijke arrondissementen betreft. Zij vindt dat er dan in elk geval moet worden voorzien in decentralisatie-antennes, vooral voor de meer uitgebreide arrondissementen (bijvoorbeeld Luxemburg).

Mevrouw Nyssens vindt de verhoging van het aantal referendarissen en parketjuristen een goede zaak. Dat de rechter meer assistenten krijgt om hem te helpen en zijn werklast te verminderen lijkt haar een goede oplossing, die overigens in andere landen (bijvoorbeeld in Nederland) wordt overgenomen.

Zou het ook niet wenselijk zijn om de overgang van die assistenten naar de magistratuur mogelijk te maken ? Voor de rechter is het toch ook niet vanzelfsprekend om assistenten te hebben die ouder en meer ervaren zijn dan hij (bijvoorbeeld de referendarissen bij het Hof van cassatie).

De minister kan zich vinden in de organisatie van die overgang.

Mevrouw Nyssens is het eens met de voorgestelde maatregelen met betrekking tot de rechters in sociale zaken en in handelszaken. Zij heeft echter nog een vraag over de inwerkingtreding van die maatregel. Wat gebeurt er met rechters die nu al ouder zijn dan 67 jaar ? Heeft de maatregel ook op hen betrekking ?

De minister antwoordt dat deze personen opnieuw zullen worden aangewezen.

Wat de wijziging betreft van de artikelen 497 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek, betreffende het aanpassen van die artikelen aan het arrest van het Arbitragehof van 28 januari 2003 over de problematiek van de rechtsmiddelen tegen de reglementen van de balies, vraagt mevrouw Nyssens of de minister de bedoeling heeft de rechtsmiddelen voor derden te beperken tot de bevoegdheidsoverschrijding en het niet voor derden open te stellen voor andere, bijvoorbeeld tuchtrechtelijke gronden. Is de draagwijdte van het arrest van het Arbitragehof niet ruimer ?

De minister verwijst naar artikel 502 van het Gerechtelijk Wetboek, dat voor de tuchtrechtelijke gronden geldt. Het Arbitragehof heeft de bepalingen die de rechtsmiddelen voor de procureur-generaal voorbehouden (artikel 611), vernietigd. Voortaan zal het voor een derde onder aanwijzing van de vereiste hoedanigheid en belang mogelijk zijn beroep in te stellen tegen de reglementen van de Orden van de balies.

De minister erkent dat de maatregelen die de overgang tussen de balie en de magistratuur moeten vergemakkelijken, zich niet in deze programmawet bevinden, aangezien hierover geen verzoek is gedaan. Niettemin meent ze dat deze mobiliteit gestimuleerd moet worden. Het lijkt haar interessant rechters te hebben met enige ervaring. Ze werkt aan een ontwerp in die zin tegen het eerste kwartaal van 2004.

De heer Mahoux verheugt zich over de voorgestelde maatregelen, waardoor de gerechtszaken sneller zullen kunnen worden afgehandeld, zodat de grote gerechtelijke achterstand kan worden verminderd.

Het klopt dat de voorgestelde maatregelen de indruk kunnen wekken dat de toegang tot de magistratuur vergemakkelijkt wordt. Men moet er evenwel op toezien dat men niet de indruk wekt dat die toegang al te gemakkelijk wordt, want het vertrouwen in de magistratuur moet in stand worden gehouden. Het is dus belangrijk dat er toelichting wordt gegeven bij de manier waarop men magistraat wordt en dat de betreffende examens eventueel worden herzien.

Een laatste opmerking van de heer Mahoux gaat over de rechtscolleges van de orden, die wat hem betreft uitzonderingsrechtbanken zijn. Het is belangrijk dat de rechten van de derden er goed in acht worden genomen.

De heer Willems betreurt dat, los van de techniek van de programmawet, de commissie niet echt de tijd heeft dieper in te gaan op de in het ontwerp vervatte belangrijke wijzigingen inzake Justitie.

Met betrekking tot de in de programmawet genomen opties, en meer bepaald betreffende de organisatie van de magistratuur, heeft spreker twee algemene vragen.

Een eerste vraag betreft de attesten die een aantal jaren geleden voor het eerst werden uitgereikt aan personen die slaagden in het toegangsexamen tot de magistratuur. Deze attesten hebben immers een beperkte geldigheidsduur, zodat de eerst uitgereikte volgend jaar zouden komen te vervallen. Heeft de minister reeds overwogen deze geldigheidsduur te verlengen ? Dit zou nuttig zijn, gezien de lage slaagpercentages in betreffend toegangsexamen.

Een tweede vraag betreft de mogelijkheden die aan de advocatuur worden geboden om over te stappen naar de magistratuur. Spreker heeft de indruk dat maatregelen die de brug voor advocaten met ervaring naar de magistratuur vergemakkelijken, in deze programmawet ontbreken.

Spreker vindt de in voorliggend ontwerp voorgestelde maatregelen positief, maar kan zich niet van de indruk ontdoen dat er keuzes werden gemaakt en een geheel aan maatregelen ontbreekt.

Mevrouw de T' Serclaes wijst erop dat het systeem van de toegang tot de magistratuur enkele jaren geleden werd gewijzigd, teneinde deze te depolitiseren en te objectiveren. Men moet er voor waken dat, bij het nemen van fragmentarische maatregelen, geen afbreuk wordt gedaan aan de objectiviteit van dit systeem. De maatregelen die voorheen werden genomen beoogden een betere kwaliteit van de aanwervingen en benoemingen binnen de magistratuur. Vorming van magistraten is niet overbodig. Het is belangrijk het beroep aantrekkelijker te maken.

De voorgestelde maatregelen zijn positief en kunnen de toestand verbeteren, maar het is belangrijk ook oplossingen uit te werken op lange termijn, in functie van een efficiënte werking van het gerecht.

De minister onderstreept dat het zeker niet de bedoeling is afbreuk te doen aan het ingestelde systeem van toegang en benoeming. De rol van de Hoge Raad voor de Justitie moet uiteraard blijven behouden. Enkel de voorwaarden voor benoeming zouden kunnen worden versoepeld.

Voor het overige stipt de minister aan dat de korpschefs ook in de parketten informatiesessies hebben georganiseerd, zodat meer personen zich echt aangetrokken zouden voelen tot het beroep van magistraat.

De heer Mahoux beaamt dat er momenteel een gebrek is aan magistraten. Men mag echter niet uit het oog verliezen dat de toestand over enkele jaren zou kunnen omslaan, zodat men dan met een overschot zou kunnen te kampen hebben. Het is dan ook belangrijk over precieze indicatoren te beschikken, zodat men op elk ogenblik van houding kan veranderen.

De minister verwijst naar de studies die zeer binnenkort zullen worden verricht over de werklast van de magistraten. Eerst zullen deze onderzoeken lopen in de parketten, maar de bedoeling is de studie achteraf ook uit te breiden naar de zittende magistratuur. Privé-firma's zullen aldus een beeld kunnen geven van het noodzakelijke kader, op basis van de reële werklast.

De heer Hugo Vandenberghe meent dat de gevolgde methode, die erin bestaat de voorliggende bepalingen in te voeren door middel van een programmawet, problematisch is.

Deze programmawet is buitengewoon omvangrijk en de erin vervatte bepalingen houden geenszins verband met budgettaire maatregelen.

Het komt er in wezen op neer dat men bepaalde problemen wil regelen zonder ware participatie van de tweede kamer. Door het systeem van de programmawet en de termijn waarbinnen deze dient te worden goedgekeurd, kan men spreken van een monocamerale behandeling.

Hierdoor wordt de essentiële taak van het parlement ontkend en wordt de besluitvorming enigszins « autocratisch ». Hetzelfde geldt voor kaderbesluiten waarvoor een dialoog met het Parlement zou moeten worden aangegaan.

Er is bovendien een bijkomende verschuiving. De programmawet evolueert niet alleen qua omvang, qua gebrek aan verhouding met het budget, maar ook met betrekking tot het opnemen van bepalingen die in wezen volmachtsbepalingen zijn.

Spreker verwijst terzake naar de bepaling over de Europese vennootschappen (art. 377 van het ontwerp nr. 3-424). Ook bijvoorbeeld de wijziging van het begrip « persoon ten laste » (art. 388 van het ontwerp nr. 3-424) zou in het Parlement worden besproken.

Het gaat hier om een « Gargantua »-wet. Wat er is in gestopt, is overmatig, zonder het rechtmatig karakter van de in rekening gebrachte belangen in vraag te willen stellen.

Het is dan ook evident dat het vertrouwen in de politiek verder daalt. Spreker verwijst naar de peiling van de eurobarometer op dat vlak, waaruit een afnemend vertrouwen blijkt, ten aanzien van de politieke partijen en het Parlement. Hoe kan men vertrouwen hebben in het Parlement als men de politieke visibiliteit van de essentiële taak van het parlement niet meer kan verzorgen ?

Bovendien is in dergelijke programmawet elke samenhang meestal zoek. Het feit dat iedere programmawet bepalingen van de vorige programmawet wijzigt is daar een duidelijk bewijs van.

Inhoudelijk heeft spreker opmerkingen met betrekking tot de maatregelen betreffende de werking van de Brusselse rechtbanken en het statuut van de toegevoegde rechters.

Telkens het debat over de problemen in Brussel wordt gevoerd, wordt de grond van de zaak steeds weer uitgesteld, en dit sedert de afgelopen 10 jaar.

Spreker verwijst naar zijn wetsvoorstel terzake met betrekking tot de functionele splitsing van de Brusselse rechtbank. Deze splitsing lijkt hem onvermijdelijk, met het oog op de betrachting van een goed werkende rechtbank. Ook de heer Maingain leek in recente uitspraken niet gekant tegen deze splitsing. De splitsing is trouwens ook probleemloos doorgevoerd op het vlak van de balies. Bovendien is een functionele splitsing noodzakelijk, omdat er een verschil bestaat tussen de Nederlandstalige en Franstalige rechtscultuur.

De heer Mahoux stemt niet in met deze laatste bemerking. Men kan wel de indruk hebben dat de uitspraak kan verschillen naargelang de taalrol, maar deze vaststelling lijkt hem wat overhaast. Spreker weet niet of er reeds analyses zijn gevoerd over de verschillen in rechtspraak tussen de verschillende arrondissementen of rechtsgebieden van de hoven van beroep.

Mevrouw de T'Serclaes meent dat dit debat hier niet op zijn plaats is. Bovendien moet ook het aantal Nederlandstalige en Franstalige zaken in aanmerking worden genomen.

De heer Hugo Vandenberghe behoudt het standpunt dat er verschillen bestaan tussen de Franstalige en de Nederlandstalige rechtscultuur.

In Brussel is er ook een probleem van toegankelijkheid van de rechtbank.

De minister verwijst naar de besprekingen die zullen worden gevoerd over de herstructurering van de arrondissementen. Daarbij zal men ook voor het probleem van het Brusselse gerecht een structurele oplossing pogen te vinden.

Voor het overige kan de heer Hugo Vandenberghe de technische verbeteringen die worden aangebracht door het voorliggende ontwerp wel bijtreden. Uiteraard zijn deze onvolledig.

Spreker legt, net als de heer Willems, de nadruk op de noodzaak van pluralisme in de samenstelling van de magistratuur, ook wat betreft de oorsprong van de beroepsloopbaan. Er moet een evenwicht zijn tussen magistraten van ambtelijke zijde, parketmagistraten en magistraten uit de advocatuur. Er bestaat een tendens van afzwakking van de mogelijkheid van advocaten om over te stappen naar de magistratuur. Ervaring is belangrijk; rechtspreken is niet enkel de wet kennen, maar ook het recht kennen.

Mevrouw Van dermeersch zegt zich zorgen te maken over de werkmethode, die er eens te meer op neerkomt dat men op het einde van het jaar hals over kop een programmawet moet behandelen met een groot aantal bepalingen, waarover de parlementariërs niet de gelegenheid krijgen een echt politiek debat te voeren.

Spreekster vreest dat deze werkwijze de kloof met de burger alleen nog maar zal vergroten.

Het is vragen om een blancovolmacht, en de democratische controle wordt tot een minimum teruggebracht.

Spreekster meent dat de inhoud van het ontwerp bespreken in deze omstandigheden volstrekt nutteloos is.

De heer Hugo Vandenberghe vraagt met betrekking tot artikel 3 van hoofdstuk I van het ontwerp, dat onderworpen is aan de verplicht bicamerale procedure, of deze bepaling zal worden ingevoegd in het Gerechtelijk Wetboek en zo ja, waar zij zal worden ingevoegd. Of zal dit artikel 3 van een afzonderlijke wet houdende diverse bepalingen (wetsontwerp nr. 3-425) blijven ?

De minister antwoordt dat dit artikel niet wordt ingevoegd in het Gerechtelijk Wetboek. Het is een overgangsbepaling met een beperkte toepassingssfeer, bestemd voor de werkende magistraten.

Vorige spreker merkt op dat een overgangsbepaling gewoonlijk wordt opgenomen in fine van het artikel waarop het betrekking heeft.

De hier voorgestelde techniek maakt de wet allerminst toegankelijker.

De minister antwoordt dat zij hierover specifieke informatie zal verspreiden. Het Gerechtelijk Wetboek zou nodeloos overladen worden als er overgangsbepalingen in worden opgenomen.

Vorige spreker erkent dit, maar blijft bij zijn standpunt.

Met betrekking tot het nieuwe hoofdstuk 6, artikel 11, vraagt hij welke « periodes » worden bedoeld.

De minister antwoordt dat de stagiair aan het einde van zijn stageperiode twee keer de mogelijkheid heeft zijn stage te verlengen met zes maanden. Gedurende die periodes kan de stagiair een rechter vervangen.

Spreker wenst eveneens te vernemen of de balie akkoord gaat met de tekst van de artikelen 20 en 21 tot vervanging van artikelen 501 en 502 van het Gerechtelijk Wetboek.

De minister bevestigt dat.

De heer Hugo Vandenberghe merkt op dat het tuchtrecht, waarop artikel 12 betrekking heeft, reeds vaak werd gewijzigd.

De heer Coveliers verwijst naar de recente Conventie voor vrije en intellectuele beroepen.

Zou er niet een basistuchtrecht kunnen worden uitgewerkt voor alle vrije beroepen, zoals ook het Hof van Cassatie heeft voorgesteld ? De Orde van geneesheren heeft daarover een voorstel gedaan.

De minister antwoordt dat er dan een orde zou moeten komen die alle beroepen groepeert. Eerst moet worden nagegaan hoe ver de oprichting van de ordes gevorderd is, en moeten de tuchtregelingen van de verschillende ordes worden vergeleken, vooraleer een meer algemeen reglement kan worden overwogen.

De heer Mahoux voegt eraan toe dat daarover een richtlijn in de maak is, die aandachtig gevolgd moet worden.

Spreker deelt het standpunt van de Europese Commissie niet dat bijvoorbeeld het beroep van advocaat gelijkgeschakeld kan worden met een commercieel beroep.

Mevrouw Nyssens vraagt welke problemen er precies zijn met de Nationale Tuchtraad en waardoor zij worden veroorzaakt.

De minister antwoordt dat er vijf grote problemen zijn :

1) de meeste korpsvergaderingen en algemene vergaderingen hebben geen verslag opgestuurd over de aanwijzing van magistraten. Meer dan de helft van de raden van de orde van advocaten heeft niet geantwoord, en slechts een enkele universiteit heeft een aanwijzingsverslag bezorgd;

2) de vorige minister van Justitie heeft geen griffier en secretaris aangewezen. Dat had moeten gebeuren voor 9 juli 2003, en het koninklijk besluit bevat geen bepalingen voor het geval er niemand wordt aangewezen;

3) sommige korpsvergaderingen hebben magistraten aangewezen die zich nooit kandidaat hebben gesteld. Dat is strijdig met de wet;

4) het aantal kandidaten is te klein om de raad te kunnen samenstellen. Er moeten nieuwe oproepen tot kandidaten worden gepubliceerd om voor de inwerkingtreding van de nieuwe procedure een loting te kunnen houden. Die oproep moest verschijnen voor 3 augustus 2003;

5) geen enkele termijn bepaald in het koninklijk besluit is nageleefd. Alle termijnen zijn verstreken.

De minister meent dat het koninklijk besluit moet worden herzien en de procedure moet worden versoepeld.

De heer Hugo Vandenberghe is tevreden dat de artikelen over de Hoge Raad voor de Justitie uit het ontwerp zijn geschrapt.

Voor de vernieuwing van die Raad is geen wetswijziging nodig.

2. Ontwerp van programmawet (stuk Senaat, nr. 3-424/1)

Wat de juridische bijstand en de latere stappen betreft, verduidelijkt de minister dat het koninklijk besluit terug is van de Raad van de State en dat het geheel in werking zal treden op 1 januari 2004.

Mevrouw Nyssens vraagt of er onder de onmiddellijke hervormingen van de minister ook een verhoging is van de middelen van het secretariaat van het Bureau voor juridische bijstand (BJB).

De minister bevestigt dit. Het budget wordt verhoogd tot 4,5 %, wat de werkingskosten van het BJB zal dekken.

De vorige spreekster vraagt in verband met artikel 377 van het ontwerp welk antwoord de minister heeft op het bezwaar van de Raad van State als zou deze bepaling ongrondwettig zijn wegens de bevoegdheidsoverdracht die ze inhoudt. Wat de wraking betreft, erkent spreekster dat er onmiddellijk gehandeld moest worden, zoals is gebleken uit de opeenvolgende incidenten die tijdens het proces-Cools opgedoken zijn en die schade berokkend hebben aan het imago van het gerecht.

Zij vraagt zich echter af waarom de ontwerpbepalingen niet verder reiken.

Waarom niet gewoon bepalen dat men partij moet zijn in het proces om een vordering tot wraking in te dienen, en waarom is die vordering schorsend wanneer zij uitgaat van een partij in het proces en niet schorsend wanneer zij uitgaat van een derde ?

Tijdens de vorige wijzigingen terzake had de Hoge Raad voor de Justitie een interessant advies uitgebracht over aan te brengen wijzigingen, die verder reiken dan wat hier wordt voorgesteld. Zij hadden onder andere betrekking op de bevoegde griffie : de Hoge Raad voor de Justitie stelde voor die bij de beroepsinstantie te plaatsen.

Waarom zou men bovendien, om ongepaste verzoeken te ontmoedigen, geen ontradende kosten kunnen opleggen, ook al zijn die minimaal ?

De minister antwoordt dat zulks zeer discriminerend zou zijn, omdat alleen personen die over voldoende middelen beschikken die procedure zouden gaan gebruiken.

Wellicht is een meer uitgebreide wijziging nodig, maar de voorbereiding ervan vergt tijd. Het gaat hier om een noodbepaling.

De definitie van het begrip persoon ten laste en de nadere regels voor de begeleiding zullen bij koninklijk besluit geregeld worden.

Zodra er een overeenkomst is tussen de parastatalen, de besturen en de kabinetten, zal een koninklijk besluit die definitie en de begeleidingsmaatregelen vastleggen, die vervolgens aan het Parlement voorgelegd zullen worden.

Mevrouw Nyssens stelt vast dat de programmawet eens te meer ook een bepaling bevat tot wijziging van artikel 12bis van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering.

De wijziging van artikel 34 van het Strafwetboek, vervat in ontwerpartikel 380, is uitermate verantwoord omdat dringend een aantal concrete gevallen moeten worden geregeld. Hoewel men daar begrip voor kan opbrengen, is het geen wenselijke wetgevingstechniek.

Wat de wijziging van het voorlopig bewind betreft (art. 382), is het juist dat de Koning de nog niet verschenen wet heeft getekend ?

De minister antwoordt dat beide wetten tegelijk zullen worden bekendgemaakt.

De vorige spreekster vindt het wetgevingstechnisch niet kunnen om een wet te wijzigen die nog niet is bekendgemaakt. Zij vraagt zich af wanneer de wet van 3 mei 2003 zal worden toegepast.

Zij kondigt ook aan dat zij een amendement zal indienen om in diezelfde wet het gebruik van de woorden « verwerping van een nalatenschap onder voorbehoud van boedelbeschrijving » te verbeteren.

De heer Mahoux meent dat die verbetering moet worden aangebracht via een wetsvoorstel.

De minister verduidelijkt dat het centraal register van de verklaringen via koninklijk besluit moet worden georganiseerd. Dat besluit moet een welbepaalde weg volgen en met name aan de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en aan de Raad van State worden voorgelegd.

Alleen de inwerkingtreding van de wetsbepalingen over het centrale register van de verklaringen wordt opgeschort. De wet zelf zal in werking treden de dag van zijn bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.

De bepalingen over het centrale register van de verklaringen zouden aan het eind van het gerechtelijk jaar in werking moeten treden.

Met betrekking tot de niet-begeleide minderjarigen wijst mevrouw Nyssens erop dat er in de memorie van toelichting melding wordt gemaakt van het feit dat de minister geen rekening heeft gehouden met het advies van de Raad van State.

De parlementsleden beschikken per definitie niet over het advies van de Raad van State over de ontwerpen van koninklijk besluit.

Spreekster zou graag weten welke inhoudelijke opmerkingen de Raad van State hierover heeft gemaakt.

De minister antwoordt dat in het ontwerp van koninklijk besluit een erkenningsprocedure was vastgesteld voor de rijksambtenaren die de rol van voogd op zich zouden nemen.

De Raad van State vond die erkenning niet nodig omdat ambtenaren sowieso een hiërarchische band hebben met de minister. De erkenning is dus uit de tekst geschrapt. In zijn advies over dit ontwerp wees de Raad van State erop dat dit een soort rechtsvaccüm deed ontstaan omdat niet duidelijk was of de ambtenaren aan dezelfde voorwaarden (met name van goed zedelijk gedrag) moesten voldoen als de andere voogden.

Met een door alle fracties gesteund amendement heeft de regering de tekst gewijzigd om te verduidelijken dat de aangewezen ambtenaren aan de erkenningsvoorwaarden moesten voldoen.

Mevrouw de T'Serclaes stelt vast dat het besluit nog steeds niet is bekendgemaakt. Zij vraagt zich ook af of de ambtenaren, die in hiërarchisch verband werken, onafhankelijk genoeg zijn om hun rol van voogd van de niet-begeleide minderjarigen voluit te spelen.

De minister antwoordt dat de wetgever minder dan een jaar geleden heeft beslist dat ambtenaren kunnen worden aangewezen als voogd. Zoals gezegd moeten die aangewezen ambtenaren aan dezelfde voorwaarden voldoen als de andere erkende voogden. Daarnaast moeten zij net als andere voogden werken in het belang van het kind. Zij zullen als voogd een functionele autonomie genieten. Spreekster benadrukt dat de voorgestelde oplossing niet nieuw is. Zij verwijst naar het statuut van de sociale bemiddelaars en de arbeidsinspecteurs die ook in hiërarchisch verband werken voor de administratieve aspecten van hun job maar die volledig onafhankelijk zijn bij de uitvoering van hun wettelijke opdrachten.

Wat de verenigingen zonder winstoogmerk betreft, maakt mevrouw Nyssens gebruik van de wijziging van de wet van 27 juni 1921 op de verenigingen zonder winstoogmerk om te wijzen op de verwarring die er in de praktijk is ontstaan aangaande de uitzonderingen op de verplichting voor die verenigingen om een dubbele boekhouding te voeren. Zij vraagt dat een lijst wordt opgesteld van verenigingen waarvoor deze uitzondering geldt.

De minister antwoordt dat de Commissie voor de boekhoudkundige normen een dergelijke lijst heeft. Het is mooeilijk om ze een document te publiceren, omdat het hierdoor wordt vastgelegd. Die lijst wordt evenwel voortdurend aangepast.

Met betrekking tot de wraking, is de heer Hugo Vandenberghe inhoudelijk niet gekant tegen de voorgestelde wijziging van de artikelen 835 en 837 van het Gerechtelijk Wetboek. Spreker verwijst echter naar de mening van verscheidene professoren over de talrijke incidenten in het proces-Cools in Luik. Die specialisten in strafrecht menen dat wanneer de vordering tot wraking kennelijk onontvankelijk is, de magistraat ze kan verwerpen zonder het verzoek over te zenden, naargelang van het geval, aan de procureurs des Konings, aan de procureur-generaal bij het Hof van Beroep of aan de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie.

De minister meldt dat dit een zeer betwist standpunt is en dat het de bedoeling van het ontwerp is elke verwarring op te heffen over de verplichting die de magistraat al dan niet heeft om een kennelijk ongegrond verzoek tot wraking over te zenden.

De heer Mahoux denkt dat het voorzichtiger is de discussie op te lossen met een wetswijziging, in plaats van het risico te lopen op voorzieningen in Cassatie.

De heer Hugo Vandenberghe meldt dat het Hof van Cassatie zich over deze materie reeds heeft uitgesproken in verscheidene arresten. In zijn arresten van 22 juni 1976, 3 mei 1997, 20 december 1997 en 27 november 1984 heeft het bevestigd dat de rechter wiens wraking wordt gevraagd, zich kan uitspreken over de ontvankelijkheid van de vordering. Hij kan het verzoek verwerpen wanneer hij meent dat het om een vertragingstactiek gaat die het goede verloop van het proces in het gedrang brengt (Cassatie, 20 februari 1987 en 26 november 1980).

Wat de bewijslast inzake beslag (artikel 1409 van het Gerechtelijk Wetboek) betreft, sluit de heer Hugo Vandenberghe zich aan bij de kritiek van mevrouw Nyssens over de zeer ruime volmachten die aan de Koning worden gegeven om de regels voor de bewijslast en de procedureregels voor beslag vast te leggen.

Hij meent dat de machtiging die aan de Koning wordt gegeven om vanaf 1 januari 2004 maatregelen te nemen die wettelijke bepalingen kunnen wijzigen, zelfs aangelegenheden die door de Grondwet uitdrukkelijk voor de wetgever zijn gereserveerd, te ver gaat. Bovendien merkt hij op dat die machtiging wordt gegeven in een wetsontwerp waarvoor de optioneel bicamerale procedure geldt. Bijgevolg is het niet mogelijk dat de Koning krachtens die bevoegdheidsdelegatie maatregelen neemt tot wijziging van wetten die onder de verplicht bicamerale procedure vallen.

De heer Hugo Vandenberghe vraagt wat het doel is van de wijziging van artikel 12bis van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering.

De minister antwoordt dat de doelstelling tweevoudig is. Bij de parlementaire voorbereiding van de wetswijziging van 2001 was gezegd dat de extraterritoriale bevoegdheid van de Belgische rechtscolleges, waarin artikel 12bis voorziet, ook gold wanneer die bevoegdheid voortvloeide uit een afgeleid rechtsinstrument van de Europese Unie. Om de wet duidelijker te maken, wordt door het ontwerp dit beginsel in de tekst van artikel 12bis opgenomen.

Tevens heeft de wet van 5 augustus 2003 er voor bepaalde gevallen van extraterritoriale bevoegdheid voor gezorgd dat de federale procureur als buffer optreedt. Artikel 12bis, § 2, bepaalt dat de federale procureur kan beslissen de strafvordering niet in te stellen wanneer het internationaal misdrijf geen ernstige schending van het internationaal humanitair recht is. Paragraaf 1 van hetzelfde artikel bepaalt als algemene regel dat de rechtscolleges extraterritoriaal bevoegd zijn om kennis te nemen van alle internationale misdrijven. In de praktijk heeft de combinatie van de paragrafen 1 en 2 tot gevolg dat de federale procureur alleen zal vervolgen indien het misdrijf een schending van het internationaal humanitair recht is. Het ontwerp stelt voor die technische vergissing te corrigeren door te bepalen dat de federaal procureur nagaat of de klacht handelt hetzij over een ernstige schending van het internationaal humanitair recht, hetzij over de schending van een andere internationale verdragsrechtelijke bepaling.

Mevrouw de T'Serclaes vraagt of de uitdrukking « regel van afgeleid recht van de Europese Unie », die in het 1º wordt gebruikt, correct is.

De minister antwoordt dat het primair recht, dat het basisrecht is van een internationale instelling, moet worden onderscheiden van het afgeleid recht, dat het recht is dat gecreëerd werd door de door het oprichtingsverdrag in het leven geroepen instellingen. Het 1º heeft momenteel betrekking op de kaderbesluiten van de Raad van de Europese Unie. Hier wordt een zo algemeen mogelijke formulering gebruikt, aangezien het mogelijk is dat, in de loop van de ontwikkeling van de Europese Unie, andere internationale instrumenten, afgeleid van het oprichtingsverdrag van de Unie, het licht zien.

Spreekster wijst trouwens op de volledige lijst van verdragen en kaderbesluiten die bij de bespreking in de Kamer is opgemaakt (zie bijlage bij het verslag, Stuk Kamer, nr. 51-0473/024, blz. 55). Deze lijst zal in een omzendbrief van het College van procureurs-generaal worden opgenomen en nadien geregeld bijgewerkt worden ten behoeve van de beroepsgebruikers.

Met betrekking tot het statuut van de Europese vennootschap stelt de heer Hugo Vandenberghe vast dat artikel 388 de Koning machtigt maatregelen te nemen tot tenuitvoerlegging van verordening (EG) nr. 2157/2001 van de Raad van 8 oktober 2001 betreffende het statuut van de Europese vennootschap. Hij begrijpt niet waarom de tenuitvoerlegging van deze verordening geen deel kan uitmaken van de klassieke parlementaire procedure.

De minister merkt op dat haar voorganger zijn ambtenaren en de Federatie van Notarissen de opdracht had gegeven de uitvoeringsbepalingen voor de verordening inzake de Europese vennootschap voor te bereiden. Dat heeft geleid tot verwarring, aangezien beide instanties tot uiteenlopende conclusies zijn gekomen. Aangezien er bovendien serieuze economische concurrentie ter zake zal komen, is het volgens de minister essentieel dat de Europese vennootschap in België zo snel mogelijk van start gaat.

De minister wenst de standpunten van haar dienst, van het Verbond van Belgische ondernemingen en van de Federatie van notarissen te verzoenen alvorens het uitvoeringsbesluit op te stellen.

De heer Hugo Vandenberghe betreurt dat de gekozen methode het Parlement buitenspel zet. De enige mogelijkheid om de tekst te amenderen is een apart wetsvoorstel in te dienen.

De minister is op de hoogte van de situatie. Volgens haar is de machtiging om wetgevend op te treden de enige manier om, binnen de opgelegde termijnen, te voldoen aan de verplichtingen die ons land heeft inzake de tenuitvoerlegging van de beschikking over de Europese vennootschap. De minister zal meteen het Parlement inlichten als de betrokken partijen een akkoord hebben bereikt en zal een gedachtewisseling houden over het ontwerp van uitvoeringsbesluit.

De heer Hugo Vandenberghe vraagt wat de bedoeling is van de aangebrachte wijziging in de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten.

De minister antwoordt dat de wet op de overheidsopdrachten voorziet in een forfaitaire schadevergoeding wanneer een daad van corruptie is gepleegd. Het Burgerlijk Verdrag inzake corruptie, gedaan te Straatsburg op 4 november 1999, voorziet in dergelijke gevallen in een volledige vergoeding van de schade. Dit ontwerp stelt voor de forfaitaire schadevergoeding bedoeld in artikel 5 van de wet van 24 december 1993 aan te vullen met een schadeloosstelling waardoor de schade volledig kan worden vergoed.

Tot slot vraagt de heer Hugo Vandenberghe waarom de wet van 25 ventôse jaar XI moet worden gewijzigd. Vragen de notarissen dat ?

De minister bevestigt dat de wetswijziging er komt op vraag van de notarissen aangezien de huidige samenstelling van het directiecomité van de Nationale Kamer praktische problemen veroorzaakt. Spreekster verwijst voorts naar de memorie van toelichting (stuk Kamer, 51-0473/1, blz. 188).

IV. ARTIKELSGEWIJZE BESPREKING

a) Ontwerp van wet houdende diverse bepalingen nr. 3-425/1

Artikelen 1 tot en met 3

Deze artikelen geven geen aanleiding tot opmerkingen en worden aangenomen met 9 stemmen bij 1 onthouding.

Artikel 4

Amendement nr. 1 van de heer Hugo Vandenberghe

De heer Hugo Vandenberghe dient amendement nr. 1 in, dat ertoe strekt in het voorgestelde artikel 4 de zinsnede vanaf « en wordt.. » te schrappen.

De auteur wijst erop dat in de definitieve versie van de programmawet de woorden « binnen de budgettaire middelen » worden toegevoegd (deze bepaling komt niet voor in het voorontwerp).

Ofwel verhoogt men effectief de middelen, en heeft dit artikel zin, ofwel zijn er geen of onvoldoende middelen voorzien, en heeft men te maken met een onwerkzame bepaling.

Wanneer men het aantal parketjuristen en referendarissen daadwerkelijk wil verhogen, hetgeen een meer dan begrijpelijke maatregel is, moet dan ook maar gezorgd worden voor het nodige budget.

Het amendement wordt verworpen met 9 stemmen tegen 1 stem.

Het artikel wordt aangenomen met 9 stemmen bij 1 onthouding.

Artikel 5

Dit artikel geeft geen aanleiding tot opmerkingen en wordt aangenomen met 9 stemmen bij 1 onthouding.

Artikelen 6 tot en met 9

Deze artikelen geven geen aanleiding tot opmerkingen en worden aangenomen met 10 stemmen bij 1 onthouding.

Artikel 10

Dit artikel geeft geen aanleiding tot opmerkingen en wordt aangenomen met 10 stemmen tegen 1 stem.

Artikelen 11 tot en met 18

In artikel 12, in de Franse tekst van het voorgestelde 2º dienen de woorden « projet de gestion » te worden vervangen door de woorden « plan de gestion ». Dit is inderdaad de correcte benaming sinds de wet van 3 mei 2003. De commissie stemt in met deze tekstverbetering.

Voor het overige geven deze artikelen geen aanleiding tot opmerkingen en worden zij aangenomen met 10 stemmen bij 1 onthouding.

Artikel 19

Amendement nr. 2 van de heer Hugo Vandenberghe

De heer Hugo Vandenberghe dient amendement nr. 2 in, dat ertoe strekt de voorgestelde zinsnede « zijn van toepassing op » te vervangen door de zinsnede « zijn na verloop van de in artikel 501, § 1 bedoelde termijn van drie maanden van toepassing op ».

De indiener van het amendement wijst erop dat de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie, op grond van artikel 501, § 1, een vordering tot nietigverklaring kan indienen binnen drie maanden na bekendmaking van het betreffende reglement in het Belgisch Staatsblad. Gezien de schorsende werking van deze vordering is het wenselijk om het reglement pas na verloop van de termijn om de vordering in te stellen van toepassing te verklaren op de advocaten. Zo wordt vermeden dat in de periode van drie maanden na publicatie in het Belgisch Staatsblad het reglement reeds van toepassing is met de « dreiging » van een latere vernietiging.

Het amendement wordt verworpen met 8 stemmen tegen 1 stem bij 1 onthouding.

Het artikel wordt aangenomen met 9 stemmen bij 2 onthoudingen.

Artikel 20

Amendement nr. 3 van de heer Hugo Vandenberghe

De heer Vandenberghe dient amendement nr. 3 in, dat ertoe strekt in voorgestelde eerste paragraaf, derde alinea, het woord « zoals » te schrappen en in de voorgestelde tweede paragraaf, het woord « opgeschort » te vervangen door het woord « geschorst ».

De indiener van het amendement wijst erop dat het hier om louter technische tekstverbeteringen gaat : het woord zoals is geheel overbodig, maar deze correctie werd reeds aangebracht in de tekst aangenomen door de commissies van de Kamer.

Wat betreft het woord « geschorst » meent spreker dat het een taalkundige verbetering betreft die beter de wil van de wetgever weergeeft, en de tekst in overeenstemming brengt met de Franse versie en juridisch-technisch correcter is.

Het is inderdaad beter te spreken van schorsende werking van de instelling van een vordering tot nietigverklaring door de procureur-generaal. A contrario dient dan aangenomen te worden dat een vordering tot nietigverklaring, ingesteld door een derde belanghebbende zoals bedoeld in al. 3 van § 1, geen schorsende werking heeft.

De commissie gaat akkoord om deze voorgestelde verbetering als tekstcorrectie te beschouwen.

Bijgevolg wordt het amendement ingetrokken.

Het artikel wordt aangenomen met 10 stemmen bij 1 onthouding.

Artikelen 21 tot en met 25

Deze artikelen geven geen aanleiding tot opmerkingen en worden aangenomen met 10 stemmen bij 1 onthouding.

Artikel 25bis (nieuw)

Amendementen nrs. 4 tot en met 6 van de heer Hugo Vandenberghe

De heer Hugo Vandenberghe dient een amendement in (stuk Senaat, nr. 3-425/2, amendement nr. 4), tot invoeging van een titel IIbis (nieuw) in het wetsontwerp.

Het voorgestelde artikel 25bis (nieuw) vervangt artikel 2 van de wet van 15 juli 1970 tot vaststelling van de personeelsformatie van de rechtbanken van koophandel en tot wijziging van de wet van 10 oktober 1967 houdende het Gerechtelijk Wetboek.

De indiener licht hierbij toe dat het doel van de nieuwe wetgeving op het gerechtelijk akkoord, namelijk zieke ondernemingen die nog te genezen zijn, opsporen en helpen, zeer positief is. De wet zorgde voor een belangrijke sensibilisering rond deze problematiek.

Om het doel van deze wet optimaal te bewerkstelligen, zou het aantal rechters in handelszaken verhoogd moeten worden.

Dit amendement wordt verworpen met 10 stemmen tegen 1 stem.

Hetzelfde lid dient op amendement nr. 4 een eerste subsidiair amendement in (stuk Senaat, nr. 3-425/2, amendement nr. 5), dat ertoe strekt hetzelfde artikel 2 van de wet van 15 juli 1970 aan te vullen met de volgende bepaling : « Bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad kan de Koning en voor zover de behoeften van de dienst het rechtvaardigen, op voordracht van de Hoge Raad voor de Justitie, het aantal rechters in handelszaken verhogen. »

Dezelfde indiener dient op amendement nr. 4 een tweede subsidiair amendement in (stuk Senaat, nr. 3-425/2, amendement nr. 6), tot vervanging van artikel 2 van de wet van 15 juli 1970 door een bepaling volgens welke het aantal rechters in handelszaken het tienvoud van het aantal beroepsrechters bedraagt.

De verantwoording van deze twee amendementen is dezelfde als deze van hoofdamendement nr. 4.

De amendementen nrs. 5 en 6 worden verworpen met 10 stemmen tegen 1 stem.

Artikel 26

Dit artikel geeft geen aanleiding tot bespreking. Het wordt aangenomen met 10 stemmen bij 1 onthouding.

b) Ontwerp van programmawet 3-424/1

Artikelen 375, 375bis (nieuw), 376, 376bis (nieuw) en 376ter nieuw

Amendementen nrs. 48 tot 52 van mevrouw Nyssens

Mevrouw Nyssens dient amendement nr. 48 in (stuk Senaat, nr. 3-424/2), strekkende om het in ontwerpartikel 375 voorgestelde artikel 835 van het Gerechtelijk Wetboek, betreffende de wraking, te vervangen.

Hetzelfde lid dient vier andere amendementen over hetzelfde onderwerp in :

­ amendement nr. 49 (stuk Senaat, nr. 3/424-2), dat in het wetsontwerp een artikel 375bis (nieuw) wil invoegen, teneinde artikel 836 van het Gerechtelijk Wetboek te wijzigen;

­ amendement nr. 50 (stuk Senaat, nr. 3/424-2), dat ontwerpartikel 376 wil vervangen, teneinde artikel 837 van het Gerechtelijk Wetboek te wijzigen;

­ amendement nr. 51 (stuk Senaat, nr. 3/424-2), dat in het wetsontwerp een artikel 376bis (nieuw) wil invoegen, teneinde artikel 838 van het Gerechtelijk Wetboek te wijzigen;

­ amendement nr. 52 (stuk Senaat, nr. 3/424-2), dat in het wetsontwerp een artikel 376ter (nieuw) wil invoegen, teneinde artikel 841 van het Gerechtelijk Wetboek te wijzigen;

De indienster van deze amendementen verduidelijkt dat zij voorstander is van een spoedmaatregel in de programmawet betreffende de wraking. Zij wenst echter dat de minister zich er duidelijk en formeel toe verbindt deze hele materie in de komende maanden opnieuw te behandelen in het kader van een wetsontwerp of -voorstel.

Spreekster herinnert eraan dat zij zelf een wetsvoorstel dienaangaande heeft ingediend (stuk Senaat, nr. 3-57/1), en dat de Hoge Raad voor de Justitie op 3 oktober 2001 een advies uitgebracht heeft over het wetsontwerp, thans de wet tot wijziging van sommige bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek, het Wetboek van strafvordering en het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, inzake onttrekking en wraking.

De bepaling in de programmawet biedt wel een aantal oplossingen, maar verschillende problemen wachten nog op een behandeling : eventueel recht tot inschrijving op de rol, betekening of kennisgeving van de beschikkingen terzake, plaats van indiening van de vordering tot wraking (griffie van het betreffende gerecht of van de instantie die de uitspraak moet doen), eventuele toezending van de beslissingen per fax, inhoud van de beslissing tot wraking, ...

Gelet op de verklaringen van de minister, en onder voorbehoud van een nieuwe behandeling van de problematiek zoals hierboven is aangegeven, trekt spreekster de amendementen nrs. 48 tot 52 terug.

Mevrouw de T'Serclaes steunt het verzoek van de vorige spreekster om het probleem van de wraking spoedig opnieuw aan de orde te stellen.

Amendement nr. 53 van de heer Hugo Vandenberghe

De heer Hugo Vandenberghe dient een amendement in (stuk Senaat, nr. 3-424/2, amendement nr. 53), om artikel 375 te doen vervallen.

De indiener verwijst naar zijn uiteenzetting in de algemene bespreking.

Er bestaat voldoende rechtspraak sinds 1976 die het probleem regelt. Het Hof van Cassatie heeft trouwens meermaals gesteld dat, indien het verzoek tot wraking kennelijk niet ontvankelijk is, de rechter zelf kan beslissen. Ook de minister zelf is van oordeel dat bij het wrakingsverzoek in het « proces-Cools » te Luik de voorzitter te voorzichtig geweest, en gerust zelf kon oordelen.

Bovendien lost het amendement niets ten gronde op door de ontvankelijkheid te laten afhangen van het indienen ervan door een advocaat met tien jaar balie-ervaring, gelet op het feit dat elkeen recht heeft op een advocaat. In laatste instantie zal dus steeds een advocaat zich verplicht zien het verzoek in te dienen. Fanatici zullen zich dus door deze bepaling niet laten afschrikken.

De minister verklaart dat zij inhoudelijk kan instemmen met verscheidene amendementen met betrekking tot de wraking. Zij meent echter dat deze voorstellen van wijziging niet in de programmawet thuishoren, die erop gericht is enkel dringende zaken te regelen. De in dit kader gedane suggesties zullen wel worden in acht genomen bij een globale herziening van de wraking.

Amendement nr. 53 wordt verworpen met 9 stemmen tegen 1 stem bij 1 onthouding.

Artikel 377

Amendement nr. 54 van de heer Hugo Vandenberghe

De heer Hugo Vandenberghe dient een amendement in (stuk Senaat, nr. 3/424/2, amendement nr. 54), dat ertoe strekt aan artikel 377 een aantal wijzigingen aan te brengen.

De indiener licht hierbij toe dat de wet waarbij onder andere artikel 1409, § 1, vierde lid en § 1bis, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek werd gewijzigd dateert van 24 maart 2000. Jarenlang is er gediscussieerd over het begrip « kind ten laste ». Reeds jaren is er studiewerk verricht rond de mogelijke problemen die er kunnen rijzen. In het belang van de kinderen en om de werkloosheidsval te beperken, is het aangewezen dat het koninklijk besluit op 1 juli 2004 inwerking treedt.

In de memorie van toelichting wordt bovendien niet tegemoet gekomen aan de opmerking van de Raad van State dat opdat er bijzondere machten kunnen worden opgedragen aan de Koning, er moet worden gepreciseerd welke de gerezen moeilijkheden zijn bij de toepassing van het koninklijk besluit van 8 april 2003 en in welk opzicht een machtiging aan de uitvoerende macht noodzakelijk is om ze weg te werken.

Men kan zich de vraag stellen in welke mate er sprake is van praktische noodzaak of van bijzondere omstandigheden om de bijzondere machtiging te verlenen aan de Koning. De wet dateert van 24 maart 2000 (het wetsvoorstel van Bea Cantillon dat hiertoe aanleiding gaf, dateert van de legislatuur 1995-1999 en is kamerbreed goedgekeurd). Uiteindelijk is er, na lange discussies, pas drie jaar later, op 8 april 2003, een KB verschenen (natuurlijk kort voor de verkiezingen) dat bovendien niet werkbaar blijkt en waarvan de inwerkingtreding bij koninklijk besluit van 23 juni met zes maanden is uitgesteld, tot 1 januari 2004. Men beweerde nog wat tijd nodig te hebben opdat de administratie en anderen zich zouden kunnen aanpassen aan de bepalingen van de wet (die nochtans als drie jaar gekend waren).

Amendement nr. 54 wordt verworpen met 9 stemmen tegen 1 stem bij 1 onthouding.

Artikelen 382bis (nieuw) tot 382septies (nieuw)

Amendementen nrs. 55 tot 60 van de heer Hugo Vandenberghe

De heer Hugo Vandenberghe dient zes amendementen in (Stuk Senaat, nr. 3-424/3, amendementen nrs. 55 tot 60), die tot doel hebben technische verbeteringen aan te brengen aan de wet van 3 mei 2003 tot wijziging van de wetgeving betreffende de bescherming van de goederen van de onbekwamen.

Amendement nr. 55 (artikel 382bis (nieuw)

Dit amendement stelt voor in artikel 2 van de wet van 3 mei 2003, dat artikel 488bis, e), vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek vervangt, het woord « betekend » te vervangen door de woorden « ter kennis gegeven bij toepassing van artikel 32 Gerechtelijk Wetboek ».

De griffier kan immers niet betekenen. Enkel de gerechtsdeurwaarder kan dit.

Amendement nr. 56 (artikel 382ter nieuw)

Dit amendement heeft tot doel in artikel 2 van dezelfde wet, dat artikel 488bis, b), van het Burgerlijk Wetboek vervangt, in § 5, tweede lid, 5, de volgende wijziging aan te brengen : « Het verzoekschrift moet worden ondertekend door de verzoeker of zijn advocaat en vergezeld zijn van een attest van woonplaats van de te beschermen persoon dat ten hoogste vijftien dagen oud is. Bij gebreke aan gekende woonplaats bepaalt de vrederechter de verblijfplaats van de te beschermen persoon op basis van de hem voorgelegde stukken, die bij het verzoekschrift worden gevoegd. »

De indiener verduidelijkt dat er geen wettelijke regeling is voor het afleveren van een attest van verblijfplaats. Vermits niemand tot het onmogelijke gehouden is, is het aangewezen te bepalen dat de verblijfplaats wordt bepaald door de vrederechter op basis van stukken. Een verklaring van de directeur van de instelling, de samenwonende, adres op poststukken, en dergelijke kunnen dergelijke stukken zijn.

Amendement nr. 57 (artikel 382quarter nieuw)

Dit amendement strekt er toe artikel 2 van dezelfde wet, dat artikel 488bis, b), van het Burgerlijk Wetboek vervangt, aan te vullen met een § 8, volgens dewelke de op basis van dit artikel door de vrederechter genomen beslissingen uitvoerbaar zijn bij voorraad.

Artikel 1034bis e.v. van het Gerechtelijk Wetboek zijn in § 6 van toepassing verklaard op het verzoekschrift. De uitspraak gebeurt dus in openbare zitting, en niet in raadkamer. Gevolg daarvan is dat deze beslissing ook niet uitvoerbaar is bij voorraad, aangezien artikel 1029 (uitspraak in raadkamer en uitvoerbaarheid bij voorraad) enkel mogelijk is voor eenzijdige verzoekschriften.

Overeenkomstig artikel 1398 van het Gerechtelijk Wetboek kan de vrederechter de voorlopige tenuitvoerlegging toestaan, maar is hij daartoe niet verplicht.

Het ware beter geweest deze uitvoerbaarheid bij voorraad wel toe te staan in het belang van de te beschermen persoon en zijn goederen.

Amendement nr. 58 (artikel 382quinquies nieuw)

Dit amendement stelt voor artikel 3 van dezelfde wet, dat artikel 488bis, c), van het Burgerlijk Wetboek vervangt, aan te vullen met een § 5, met dezelfde inhoud als de toevoeging voorgesteld bij amendement nr. 57.

De verantwoording is dezelfde als bij dit laatstgenoemde amendement.

Amendement nr. 59 (artikel 382sexies nieuw)

Dit amendement strekt ertoe in artikel 6 van dezelfde wet, dat artikel 488bis, f), van het Burgerlijk Wetboek vervangt, § 3, e) te vervangen.

Het gaat om een tekstverbetering : de aanvaarding onder voorrecht van boedelbeschrijving is niet meer vermeld. Nalatenschappen die toevallen aan onbekwaamverklaarden en minderjarigen kunnen enkel onder voorbehoud van boedelbeschrijving worden aanvaard. Anderzijds kan men niet als dusdanig « verwerpen onder voorrecht van boedelbeschrijving ». Indien de machtiging tot verwerping slechts toelaatbaar is na notariële boedelbeschrijving dan moet dit uitdrukkelijk worden bepaald.

Amendement nr. 60 (artikel 382septies nieuw)

Dit amendement heeft tot doel in artikel 6 van dezelfde wet, dat artikel 488bis, f), van het Burgerlijk Wetboek vervangt, het vierde lid van § 4 aan te vullen met de volgende zin : « De noodzakelijkheid van de vervreemding wordt beoordeeld door de vrederechter die daartoe de in het tweede lid bedoelde machtiging verleent. »

De indiener verklaart hierbij dat voor de vervreemding van souvenirs en andere persoonlijke voorwerpen de verwijzing naar § 3 ontbreekt, zoals voor de bescherming van de woning en de huisraad van de beschermde persoon.

De minister zegt dat zij deze amendementen als een signaal beschouwt dat in aanmerking genomen moet worden voor de verbetering van de tekst.

De amendementen nrs. 55 tot 60 worden verworpen met 8 tegen 2 stemmen, bij 1 onthouding.

Artikelen 384bis (nieuw) tot 384quater (nieuw)

Amendementen nrs. 61 tot 63 van de heer Hugo Vandenberghe

De heer Hugo Vandenberghe dient drie amendementen in (stuk Senaat, nr. 3-424/2, amendementen nrs. 61 tot 63), tot invoeging in het wetsontwerp van de nieuwe artikelen 384bis, 384ter en 384quater.

Amendement nr. 61 strekt er toe in artikel 33 van de wet van 1 augustus 1985 het getal « 62 000 » te vervangen door het getal « 75 000 ».

Dit amendement beoogt het maximale bedrag waarvoor wordt tegemoetgekomen, opgetrokken naar 75 000 euro. Deze verhoging is ingegeven door de commissie voor slachtofferhulp zelf en deze verhoging laat een betere differentiatie naar de slachtoffers toe. Bovendien blijkt dat de thans beschikbare middelen zeer aanzienlijk zijn. De reserves groeiden thans aan met 1 miljoen euro.

Amendement nr. 62 heeft tot doel artikel 36, tweede lid, van dezelfde wet aan te vullen met de volgende bepaling :

« Desgevallend kan aan dezelfde verzoeker voor hetzelfde schadegeval een tweede maal noodhulp worden toegekend, eveneens beperkt tot een bedrag van 7 500 EUR. Het totale bedrag van de toegekende noodhulp is echter beperkt tot een bedrag van 15 000 euro. »

Indien men meer moet kunnen toekennen, is het veeleer aangewezen om de Commissie de mogelijkheid te bieden om, nadat reeds een eerste keer een aanvraag tot het verkrijgen van noodhulp werd ingewilligd, nog een tweede maal tussen te komen. Dit bedrag is opnieuw beperkt tot 7 500 EUR zodat er dan tot maximaal 15 000 EUR als noodhulp kan worden toegekend.

Amendement nr. 63 stelt voor om in artikel 37 van de wet van 1 augustus 1985 dezelfde verbetering aan te brengen als deze voorgesteld bij amendement nr. 61. De verantwoording is dezelfde als bij het laatstgenoemde amendement.

De amendementen nrs. 61 tot 63 worden verworpen met 8 stemmen tegen 1 stem bij 1 onthouding.

Artikel 388

Amendement nr. 64 van de Heer Hugo Vandenberghe

De heer Hugo Vandenberghe dient een amendement in (stuk Senaat, nr. 3-425/2, amendement nr. 64, dat ertoe strekt artikel 388 te doen vervallen.

In de eerste plaats stelt de heer Hugo Vandenberghe dat het onaanvaardbaar is dat de uitvoering van een Europese verordening die reeds meer dan 2 jaar oud is plots moet geregeld worden in een programmawet, zogenaamd omdat er in Europa een « race » woedt om bij de eersten te zijn wat betreft de omzetting.

Het is bovendien des te meer onaanvaardbaar en een aanfluiting van de beginselen van de representatieve democratie dat dergelijke uitvoering wordt opgedragen aan de uitvoerende macht, zodat het Parlement buitenspel wordt gezet.

Uit vaste rechtspraak van de Raad van State en het Arbitragehof blijkt dat bijzondere machten aan de Koning enkel gelegitimeerd zijn indien aan een aantal stringente voorwaarden is voldaan.

Opdat de toekenning van bijzondere machten in overeenstemming zou zijn met artikel 105 van de Grondwet dienen volgende voorwaarden cumulatief te zijn vervuld :

a) bijzondere machten kunnen alleen worden verleend in uitzonderlijke omstandigheden of crisisomstandigheden. Het is de wetgever die moet oordelen of dit in casu het geval is;

b) de toekenning van bijzondere machten kan maar voor een beperkte periode gebeuren.

c) de aan de Koning toegekende machten moeten nauwkeurig omschreven zijn. De machtigingswet moet niet alleen de doelstellingen vermelden, maar ook precies aangeven wat de aangelegenheden zijn die kunnen worden geregeld. Dit moet de rechter er toe in staat stellen zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen;

d) de wetgever moet zowel de supranationale en internationale normen als de grondwettelijke en wettelijke bevoegdheidsregels in acht nemen. De bijzondere machten mogen evenmin betrekking hebben op aangelegenheden waarvan de regeling door de Grondwet aan de wetgever is voorbehouden.

Het is de grondwettelijke opdracht van het parlement de grondslagen van de Rechtstaat te vrijwaren. Het komt aldus het Parlement toe de machtigingsartikelen uitvoerig aan voormelde voorwaarden te toetsen.

De heer Zenner stelt vast dat artikel 388 aan de Koning de bevoegdheid verleent om maatregelen te nemen tot tenuitvoerlegging van verordening betreffende het statuut van de Europese vennootschap. Spreker is van mening dat de aanpassing van het Belgisch positief recht om daar de Europese vennootschap op evenwichtige wijze in onder te brengen, meer zal behelzen dan alleen de uitvoering van de Europese verordening. Hij denkt hier bijvoorbeeld aan aanpassingen in ons vennootschapsrecht, ons boekhoudkundig recht, of nog ons fiscaal recht. Hij vreest op dit vlak voor fiscale concurrentie tussen de verschillende lidstaten. Het fiscale aspect zal trouwens een doorslaggevende rol spelen bij de keuze van de vestigingsplaats van de hoofdzetel van Europese ondernemingen.

De minister bevestigt dat het om een complex dossier gaat en dat er in deze materie rivaliteit bestaat tussen de Europese lidstaten. Het is hoogst belangrijk dat ons land binnen de door de verordening opgelegde termijnen klaar is om de oprichting van Europese ondernemingen op ons grondgebied goed te onthalen. Omdat dit zo dringend is, wordt nu aan het Parlement gevraagd om de regering te machtigen om de uitvoeringsmaatregelen te nemen in verband met de verordening betreffende het statuut van de Europese vennootschap. Bijgevolg vraagt de minister het amendement te verwerpen.

Amendement nr. 64 van de heer Hugo Vandenberghe wordt verworpen met 10 stemmen tegen 1 stem bij 1 onthouding.

Artikel 394

Amendement nr. 65 van de heer Hugo Vandenberghe (JUS.018)

De heer Hugo Vandenberghe dient een amendement van technische aard in (stuk Senaat, nr. 3-425/2, amendement nr 65).

Dit amendement is van technische aard. Er moet worden vermeden dat er bij statutenwijzigingen van de VZW telkens opnieuw langdurig opzoekingswerk moet gebeuren.

Het amendement nr 65 van de heer Hugo Vandenberghe wordt verworpen met 9 stemmen tegen 1 stem bij 1 onthouding.

Artikel 394bis (nieuw)

Amendement nr. 66 van de heer Hugo Vandenberghe

De heer Hugo Vandenberghe dient een amendement in (stuk Senaat, nr. 3-425/2, amendement nr 66), dat ertoe strekt een artikel 394bis nieuw in te voegen in het ontwerp. De indiener stelt voor, in artikel 2, eerste lid, 2º van de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk (...), de woorden « en het adres van de zetel » te doen vervallen.

Volgens de indiener, is het niet wenselijk dat er bij elke adreswijziging van de VZW een statutenwijziging moet worden gepubliceerd.

Het amendement nr. 66 van de heer Hugo Vandenberghe wordt verworpen bij 9 stemmen tegen 1 stem bij 1 onthouding.

Artikel 394ter (nieuw)

Amendement nr. 67 van de heer Hugo Vandenberghe

De heer Hugo Vandenberghe dient een amendement in (stuk Senaat, nr. 3-425/2, amendement nr. 67), dat ertoe strekt een artikel 394ter (nieuw) in te voegen in het ontwerp. De indiener stelt voor, in artikel 27 van de VZW-wet een nieuw lid in te voegen tussen het tweede en het derde lid, luidende : « Een stichting is gehouden tot dezelfde beperkingen met betrekking tot het drijven van nijverheids- of handelszaken als die gelden voor VZW's in toepassing van artikel 1 van deze wet. »

De indiener stelt vast dat artikel 27 van de VZW-wet, die de definitie inhoudt van de stichting, geen bepaling bevat in verband met het drijven van nijverheids- of handelszaken zoals artikel 1 het doet voor de VZW's. Nochtans lijkt het de bedoeling van de wetgever dat ook stichtingen aan dezelfde beperkingen met betrekking tot het drijven van handel onderworpen zijn als VZW's zoals dit begrip voor de VZW's door de rechtspraak heel genuanceerd is tot stand gekomen. Spreker wil in elk geval vermijden dat oneerlijke concurrentie met handelszaken tot stand komt door stichtingen. Het blijkt namelijk dat VZW's die door de rechtbank veroordeeld zijn omdat zij handelszaken dreven nu trachten via een stichting hun handel voort te zetten.

Het amendement nr. 67 van de heer Hugo Vandenberghe wordt verworpen bij bij 9 stemmen tegen 1 stem bij 1 onthouding.

Artikel 394quater (nieuw)

Amendement nr. 68 van de heer Hugo Vandenberghe

Dit amendement strekt ertoe een artikel 394quater (nieuw) in te voegen in het ontwerp. De heer Hugo Vandenberghe stelt voor in artikel 17, § 4, van de VZW-wet een nieuw lid in te voegen, luidende :

« De boekhouding gehouden volgens de bijzondere regels voorgeschreven door de federale staat, een gewest of een gemeenschap door onderwijsinstellingen en ziekenhuizen en alle andere verenigingen voor wie meer dan 50 % van hun omzet overheidstoelagen zijn wordt in elk geval geacht minstens gelijkwaardig te zijn aan die bepaald op grond van deze wet »

Volgens de indiener is het feit dat de vereniging zelf moet oordelen of haar boekhouding in aanmerking komt voor de uitzondering bepaald in § 4 een grote anomalie in de nieuwe wet op de VZW's.

Iedereen is het er over eens dat het onzinnig zou zijn indien bijvoorbeeld scholen of ziekenhuizen die boekhoudregels moeten volgen die voorgeschreven zijn door de overheid, in het kader van deze wet met andere boekhoudregels worden geconfronteerd. De wetgever heeft echter nagelaten rechtszekerheid te creëren aangezien de term « minstens gelijkwaardig zijn » nergens gedefinieerd is. De indiener gaat er van uit dat, indien een overheid een boekhoudplan oplegt in het kader van een betoelaging, zo'n boekhoudingsplan dan van dergelijke kwaliteit is dat het als gelijkwaardig met wat bepaald is in de VZW-wet moet beschouwd worden. Met dit amendement wil hij voor een grote groep VZW's rechtszekerheid creëren.

Het amendement nr. 68 van de heer Hugo Vandenberghe wordt verworpen bij bij 9 stemmen tegen 1 stem bij 1 onthouding.

Artikel 398bis (nieuw)

Het amendement nr. 93 van de heer Hugo Vandenberghe wordt ingetrokken.

V. STEMMINGEN

a) Ontwerp van wet houdende diverse bepalingen (nr. 3-425/1)

De artikelen verwezen naar de commissie voor de Justitie in hun geheel worden aangenomen met 10 stemmen tegen 1 stem.

Bij eenparigheid van de 11 aanwezige leden wordt vertrouwen geschonken aan de rapporteur voor het opstellen van dit verslag.

b) Ontwerp van wet nr. 3-424/1

De artikelen verwezen naar de commissie voor de Justitie worden in hun geheel aangenomen met 9 stemmen tegen 1 stem bij 1 onthouding.

De 11 aanwezige leden schenken eenparig hun vertrouwen aan de rapporteur voor het opstellen van dit verslag.

VI. TEKSTCORRECTIES

De commissie brengt in het ontwerp van wet houdende diverse bepalingen (stuk Senaat, nr. 3-425/1) de volgende technische verbeteringen aan die geenszins de inhoud van de tekst wijzigen.

In artikel 12, in de Franse tekst van het 2), worden de woorden « projet de gestion » vervangen door de woorden « plan de gestion ».

In artikel 20, § 2, wordt het woord « opgeschort » vervangen door het woord « geschorst ».

De rapporteur, De voorzitter,
Philippe MAHOUX. Hugo VANDENBERGHE.