3-303/1

3-303/1

Belgische Senaat

ZITTING 2003-2004

5 NOVEMBER 2003


Wetsvoorstel tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat de erkenning van de afstamming betreft

(Ingediend door de heer Michel Guilbert)


TOELICHTING


Dit wetsvoorstel neemt de tekst over van een voorstel dat reeds op 9 oktober 2001 in de Kamer van volksvertegenwoordigers werd ingediend (stuk Kamer, nr. 50-1433/1 ­ 2001/2002).

Het strekt tot een uitbreiding van de wijze waarop de afstamming kan worden vastgesteld, waardoor een persoon van een al dan niet ander geslacht dan de ouder, als ouder wordt erkend. Het voorstel hervormt dus de regeling volgens welke de artikelen 319 tot 321 van het Burgerlijk Wetboek de afstamming regelen.

De meeste bepalingen die de afstamming regelen, werden hervormd bij de wet van 31 maart 1987 (die de discriminatie tussen wettige en onwettige kinderen opheft). Die hervorming heeft destijds evenwel geen aanleiding gegeven tot enige reflectie over nieuw samengestelde gezinnen, en inzonderheid over homokoppels.

Momenteel biedt artikel 319 van het Burgerlijk Wetboek een man (lees : de biologische vader) de mogelijkheid een kind te erkennen van wie de afstamming niet vaststaat. Die beperkende voorwaarde onderstelt dus dat de erkenning van de afstamming niet openstaat voor de vrouwelijke partner van een moeder. Erkenning van een kind door de mannelijke partner van de vader is momenteel evenmin mogelijk.

Wij wensen, via de erkenning, voor het niet-ontvoogde minderjarige kind dat slechts over één afstammingslijn beschikt, in een tweede afstammingslijn te voorzien. De volgende gevallen komen daarvoor in aanmerking : het minderjarige kind dat niet door een van beide biologische ouders is erkend (niet-erkend kind, IVF met onbekende donor), alsmede het minderjarige kind dat door één enkele persoon is erkend. Die afstamming kan uiteraard maar worden vastgesteld zo de biologische ouder daarmee instemt.

Daarom stellen wij voor een nieuwe invulling te geven aan het begrip « duo-ouder ». Op juridisch vlak moeten die nieuwe ouders worden beschouwd als een categorie gelijk aan die van de biologische ouder. Tegen hen kan geen enkele discriminatie op het vlak van hun rechten en verplichtingen spelen.

Die duo-ouder die het kind liefdevol verzorgt en opvoedt, zal, na het overlijden van de biologische ouder, het kind dus kunnen grootbrengen, onder een soortgelijke, voor om het even welke ouder geldende fiscale regeling zijn goederen aan het kind kunnen nalaten, bij echtscheiding ouderlijk gezag als mede-ouder kunnen verkrijgen, ... Hij zal tevens voor het onderhoud en de opvoeding van het kind moeten zorgen. Die mogelijkheid om een tussen het kind en zijn tweede, niet-biologische ouder bestaande band definitief te verankeren, wettelijk te onderbouwen en een onlosmakelijk karakter te geven, lijkt ons garant te staan om het kind de grootste rechtszekerheid en de grootste mate van familiale geborgenheid te bieden.

In het Burgerlijk Wetboek voegen wij geen enkele nieuwe bepaling in. Het nieuw ingevulde begrip « duo-ouder » moet wel in diverse bepalingen van datzelfde Wetboek worden ingevoegd. Dankzij die wijzigingen zal de toepassingssfeer van de erkenning van de afstamming tot homokoppels kunnen worden uitgebreid. Bovendien staat die mogelijkheid tot afstamming open voor alle kinderen van het koppel die verstoken zijn van een tweede afstammingslijn. Voormelde mogelijkheid zal onder meer effecten sorteren in de volgende domeinen : de geboorte-akten, de naamgeving, de uit de afstamming voortvloeiende verplichtingen, de erkenning van de afstamming, het ouderlijk gezag, de minderjarigheid, de voogdij en de ontvoogding.

Dankzij die diverse wijzigingen kunnen de rechten en verplichtingen worden vastgesteld van elk van de partijen, met name de biologische ouder, de duo-ouder en het kind. Het betreft dezelfde rechten en verplichtingen die toepasselijk zijn op alle ouders van wie de afstamming werd vastgesteld. Zo zal de duo-ouder in de geboorte-akte van het kind kunnen worden ingeschreven en zal het kind de naam van die duo-ouder kunnen dragen. Evenzo zullen de uit de afstamming voortvloeiende verplichtingen van toepassing zijn op de duo-ouder (net als de biologische ouder zal op hem de verplichting rusten het kind te huisvesten, te onderhouden, er toezicht op uit te oefenen en een opleiding te verstrekken) De met het ouderlijk gezag samenhangende rechten en verplichtingen zijn van toepassing; naar analogie moet voor de biologische ouder of de duo-ouder het recht op de keuze van een bewindvoerder gelden. Op het kind rust een onderhoudsplicht ten opzichte van zijn biologische ouder en zijn duo-ouder. Het is noodzakelijk het begrip « duo-ouder » onder de toepassingssfeer van de erkenning van de afstamming te laten vallen teneinde homokoppels in staat te stellen daar toegang toe te krijgen.

Luidens het vigerende artikel 319 van het Burgerlijk Wetboek kan de erkenning alleen door een man geschieden. Wij wensen de procedure voor de erkenning van een kind evenwel open te stellen voor de partner die hetzelfde geslacht heeft als de ouder. Op grond van artikel 319 (nieuw) van het Burgerlijk Wetboek, krijgt de partner die hetzelfde geslacht heeft als de ouder, de mogelijkheid om het kind van laatstgenoemde te erkennen. Er worden aantal nieuwe voorwaarden inzake de erkenning door een tweede, niet-biologische ouder ingevoegd : beide ouders moeten minstens twee jaar samenwonen, het kind moet minstens twee jaar oud zijn behalve wanneer de samenwoning vastgesteld op het tijdstip van de conceptie, het kind moet jonger zijn dan 18 jaar.

Michel GUILBERT.

WETSVOORSTEL


Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2

In boek I, titel VII, van het Burgerlijk Wetboek, wordt het opschrift van hoofdstuk II vervangen als volgt :

« Vaststelling van de afstamming van vaderszijde of van een duo-ouder ».

Art. 3

De paragrafen 1 tot 3 van het bij de wet van 31 maart 1987 vervangen artikel 319 van hetzelfde Wetboek, worden vervangen door de volgende bepalingen :

« § 1. Wanneer het vaderschap niet vaststaat krachtens artikel 315 of 317, kan de vader het kind erkennen.

§ 1bis. Wanneer de afstamming van slechts één persoon vaststaat, kan een tweede persoon ­ al dan niet van het andere geslacht ­ als duo-ouder het kind erkennen. Voor die erkenning hoeft geen biologische band met de duomoeder of -vader te bestaan.

De in het eerste lid bedoelde erkenning kan evenwel alleen plaatsvinden indien :

1º de persoon van wie de afstamming reeds vaststaat en de duo-ouder op het tijdstip van de erkenning reeds ten minste twee jaar samenwonen;

2º het kind ten minste twee jaar oud is, behalve wanneer de persoon van wie de afstamming reeds vaststaat en de duo-ouder reeds samenwoonden op het tijdstip waarop het kind is verwekt;

3º het kind de leeftijd van achttien jaar niet heeft bereikt.

Voor de toepassing van dit Wetboek wordt de duo-ouder volledig met een vader of moeder gelijkgesteld.

§ 2. De erkenning van het meerderjarige of van het minderjarige ontvoogde kind is evenwel alleen ontvankelijk zo het kind daarin vooraf toestemt.

§ 3. Betreft het een minderjarig, niet ontvoogd kind, dan is de erkenning alleen ontvankelijk zo de persoon van wie de afstamming reeds vaststaat, daarin vooraf toestemt.

Daarenboven is de voorafgaande toestemming van het kind vereist zo het de volle leeftijd van vijftien jaar heeft bereikt.

Ontbreken die toestemmingen, dan wendt de persoon die het kind wenst te erkennen, zich bij eenvoudig verzoekschrift tot de vrederechter van de plaats waar het kind zijn woonplaats heeft. De eiser en de personen wier toestemming vereist is, worden opgeroepen om in raadkamer te verschijnen. Zo de vrederechter de partijen met elkaar kan verzoenen, neemt hij de noodzakelijke toestemmingen in ontvangst. Zo niet, verwijst hij de zaak door naar de rechtbank van eerste aanleg.

De rechtbank hoort de partijen en het openbaar ministerie. Behoudens het in § 1bis bedoelde geval, verwerpt hij het verzoek zo het bewijs is geleverd dat de eiser niet de vader is. Wordt dat bewijs niet geleverd, dan beslist hij, rekening houdend met de belangen van het kind, of tot de erkenning kan worden overgegaan. »

Art. 4

Artikel 329 van hetzelfde Wetboek, vervangen door de wet van 31 maart 1987, wordt vervangen door de volgende bepaling :

« Art. 329. ­ Zo, behoudens het in artikel 319, § 1bis bedoelde geval, een kind wordt erkend door meer dan een persoon van hetzelfde geslacht, heeft alleen de eerste erkenning gevolg zolang ze niet is vernietigd. »

Art. 5

Het eerste lid van artikel 330, § 2, van hetzelfde Wetboek, vervangen door de wet van 31 maart 1987, wordt vervangen door de volgende bepaling :

« Behoudens het in artikel 319, § 1bis, bedoelde geval, wordt de erkenning tenietgedaan indien door alle wettelijke middelen wordt bewezen dat degene die het kind heeft erkend niet zijn vader of moeder is. »

23 oktober 2003.

Michel GUILBERT.