2-255

2-255

Sénat de Belgique

Annales

SAMEDI 21 DÉCEMBRE 2002 - SÉANCE DU MATIN

(Suite)

Discussion générale

De heer Guy Moens (SP.A), rapporteur voor het onderdeel Financiën en Economische Aangelegenheden. - De bespreking van een programmawet is naar jaarlijkse gewoonte een onderdeel van onze eindejaarscocktail. Telkens weer zegt de regering dat de programmawet een minimum minimorum moet zijn, omdat ze de voorkeur geeft aan afzonderlijke wetten voor de verschillende thema's. Toch zien we elk jaar weer dat de programmawet neerkomt op een politiek evenwicht met uiteenlopende maatregelen die niet rechtstreeks met de uitvoering van de begroting hebben te maken. Dat is een spijtige traditie en het is dit jaar niet anders. Deze programmawet bevat zelfs meer artikelen dan vorige programmawetten. Dat grote aantal heeft het de diensten van de Senaat trouwens niet eenvoudig gemaakt. Niet alleen ik, maar alle andere rapporteurs zijn de diensten dan ook dankbaar voor de manier waarop ze het vele werk op heel korte tijd tot een goed einde hebben gebracht.

De commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden vergaderde op 4, 10, 11, 12, 14, 17 en 20 december. De commissie heeft, zoals overigens toegestaan door het reglement, de algemene bespreking aangevat nog voor de stemming over het ontwerp in de Kamer had plaatsgevonden. Na de stemming in de Kamer hebben zowel de leden van de meerderheid als van de oppositie de teksten grondig besproken.

De eerste minister die in onze commissie zijn maatregelen kwam toelichten was minister Daems, bevoegd voor Telecommunicatie, Overheidsbedrijven en Participaties en belast met Middenstand. De artikelen 2 tot 82 slaan op het sociaal statuut van de zelfstandigen, de materie waarvoor hij dus bevoegd is. Hij stelde een viertal reeksen maatregelen voor. De eerste reeks betreft de wijziging van het bijdragesysteem in de sociale zekerheid voor de zelfstandigen. Tot nog toe werden de inkomens van de zelfstandigen met terugwerkende kracht gebruteerd en geïndexeerd en werd daarop een geplafonneerde bijdragevoet toegepast. Iedereen vond dat systeem veel te ingewikkeld. De minister heeft een nieuw systeem voorgesteld waardoor de inkomsten gemakkelijker te achterhalen zullen zijn en gemakkelijker te bepalen. De percentages voor de sociale bijdragen zullen iets hoger liggen, maar ze zullen worden toegepast op een lager bedrag, zodat de bijdragen ongeveer op hetzelfde niveau behouden blijven.

Die maatregel zal iedereen wel toejuichen.

Het tweede onderdeel behandelt het statuut van de medewerkende echtgenoot. De minister heeft ook in die materie geprobeerd een concrete stap in de goede richting te doen. De oppositie noemt die stap natuurlijk te klein, maar dat is hij zeker niet voor de betrokkenen: de medewerkende echtgenoot die uit eigen hoofde geen rechten in de sociale zekerheid kon opbouwen, kan dat voortaan wel voor het pensioen en de ZIV-uitkeringen voor arbeidsongeschiktheid, waardoor hij of zij in feite al in zekere mate een eigen statuut van onderworpene aan de sociale zekerheid verwerft. Daarvoor worden er natuurlijk sociale bijdragen in hoofde van die medewerkende echtgenoot geheven. Dat gebeurt volgens het gekende systeem van de splitting, waarbij het inkomen van de zelfstandigen - in het geval van een zelfstandige en een medewerkende echtgenoot - gesplit wordt volgens de regel 70/30. Waarschijnlijk was hier meer mogelijk, maar dat wordt een zaak voor de toekomst. Met de nieuwe regeringsmaatregel verwerft alleszins een groot aantal zelfstandigen die tot dusver alleen afgeleide rechten hadden, voortaan rechten in eigen hoofde, wat een goede zaak is.

Het derde onderdeel bevat maatregelen om inzake het pensioen van de zelfstandigen de discriminatie weg te werken waardoor zelfstandigen die vervroegd met pensioen gingen hun pensioen sterk verminderd zagen. De vermindering wordt, gezien de budgettaire beperkingen, weliswaar niet volledig afgeschaft, maar het is wel de bedoeling daar in verschillende stappen gespreid over meerdere jaren toe te komen. Op termijn is het de bedoeling het systeem van de werknemers en dat van de zelfstandigen helemaal op elkaar afstemmen.

Een vierde onderdeel betreft het vrij aanvullend pensioen voor de zelfstandigen. De belangrijkste maatregel op dat stuk is een vorm van liberalisering: waar nu alles via de pensioenfondsen moest passeren, kan voortaan elke verzekeraar in het systeem instappen. Door de liberalisering van de markt hoopt de minister dat het aantal zelfstandigen dat gebruik maakt van het vrij aanvullend pensioen aanzienlijk zal stijgen. De minister heeft die aanvullende pensioenen nog aantrekkelijker gemaakt door ze als rente aan de fiscaliteit te onderwerpen. Vermits die pensioenen meestal erg klein zijn, vallen ze onder het niveau waarop belasting wordt geheven, waardoor ze de facto vrijgesteld worden van belasting. Indien die pensioenen niet als rente maar als kapitaal zouden worden belast, zou een aanslagvoet van 16,5 procent van toepassing moeten zijn. Dat heeft de regering willen vermijden.

De discussie over al die maatregelen werd vooral door de collega's Thijs en Steverlynck aangevoerd, waarbij iedereen aangenaam verrast werd door de grondige kennis van de heer Steverlynck van het regime van de zelfstandigen. Als de CD&V ooit aan een regering deelneemt die een minister van Middenstand nodig acht, dan komt hij daar zeker voor in aanmerking. (Geroep bij VLD en CD&V) Hij heeft een compleet tableau van maatregelen geborsteld die in de sector van de zelfstandigen nodig zijn en gewezen op de vele hiaten. Aan de andere kant benadrukte hij dat de bestaande organisaties van de zelfstandigen en de bestaande eigen pensioenfondsen en verzekeringskassen voor de zelfstandigen wezenlijke elementen blijven. Hij vindt het ook belangrijk dat de zelfstandigen, in tegenstelling tot de werknemers, niet verplicht zijn in een bepaalde regime te treden. De heer Steverlynck deed de minister verschillende suggesties aan de hand om het statuut nog meer te verfijnen. Over de vermindering van het pensioen bij vervroegde uittreding heeft hij zelfs nog veel meer gezegd dan de minister.

Inzake de gezondheidszorg pleitte de heer Steverlynck zelfs voor een verplichte verzekering voor de kleine risico's. Of dat te maken heeft met het feit dat de verzekeringskas waar hij dicht bij aanleunt, grote verliezen boekt, weet ik niet. In ieder geval stelde hij een volledige gelijkschakeling van de zelfstandigen en de werknemers op dat vlak voor.

Voorts pleitte hij ook voor een systeem van progressieve werkhervatting bij arbeidsongeschiktheid, zoals dat al bestaat voor de werknemers. Hij stelde ook voor dat de zelfstandige nog een hospitalisatieverzekering zou kunnen afsluiten na de leeftijd van 55 jaar.

De minister heeft toegegeven dat die voorstellen een stap in de goede richting zijn, maar dat er onvoldoende budgettaire middelen zijn om ze meteen uit te voeren. Dat geldt ook voor zijn voorstel omtrent de Tante Julia-leningen waarbij leningen die familieleden aan een startende zelfstandige toekennen een fiscaal gunstregime genieten.

Mevrouw Thijs heeft vooral de politieke zijde van de maatregelen belicht. Ze heeft gesteld dat de groep van de zelfstandigen de enige bevolkingsgroep is die de nadelen van de economische crisis ten volle ondervindt. De regering neemt volgens haar onvoldoende maatregelen om de inkomensvermindering van de zelfstandigen op te vangen. De regering heeft geantwoord dat zij alle budgettaire mogelijkheden aanwendt om de nadelen van de economische toestand voor de zelfstandigen op te vangen.

De tweede minister die in de commissie aan de beurt kwam was minister Reynders. Hij moest maar enkele artikelen toelichten. Een daarvan betreft de controle van bedrijven waarvan het boekjaar niet samenvalt met het burgerlijk jaar. Tot nu toe bleef de fiscale controle op die bedrijven beperkt. Een slimme ondernemer die zijn boekhouding niet liet gelijklopen met het burgerlijk jaar, kon voor een paar maanden ontsnappen aan de controle op het inkomen. De minister antwoordde dat er voortaan controle zal zijn op volledige boekjaren.

Dan kwam minister Picqué aan de beurt die bevoegd is voor het Wetenschappelijk Onderzoek en dus ook voor het Afrika Studie- en Documentatiecentrum (ASDOC) en het Studie- en Documentatiecentrum Oorlog en Hedendaagse Maatschappij (SOMA). Dat worden nu autonome overheidsinstellingen. Het ASDOC behoort voortaan tot het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika, wat logisch is.

Het Studie- en documentatiecentrum Oorlog en Hedendaagse maatschappij gaat met al zijn rechten en verplichtingen en personeelsleden naar het Algemeen Rijksarchief. Dat zorgt voor een concentratie van bevoegdheden.

De heer Roelants du Vivier vroeg of het ook in de toekomst nog mogelijk zal zijn om aan die instellingen schenkingen te doen. De minister antwoordde daarop bevestigend.

Nadien kwam de heer Deleuze de maatregelen ter bevordering van de groene energie toelichten. Eigenlijk gaat het over de bekrachtiging van koninklijke besluiten die al langer waren opgesteld.

De minister legde ons een bijzonder enigmatisch artikel voor waarbij door de netbeheerder de te genereren inkomsten zouden kunnen worden overgedragen aan de gemeenten. De federale overheid kan de gemeenten natuurlijke geen subsidies toekennen, maar wanneer de gemeenten nieuwe bevoegdheden zouden krijgen of nieuwe rechten ter beschikking zouden stellen van de netbeheerder, zouden ze daarvoor op de ene of de andere manier een vergoeding kunnen krijgen. De minister bleef in het vage over de precieze cijfers, wat te begrijpen is, want de Raad van State heeft aangemaand tot voorzichtigheid. We denken in ieder geval dat dit de mogelijkheid biedt om een heffing in te voeren op de inkomsten van de beheerder van een net van meer dan 70 kilovolt, ter compensatie van het inkomstenverlies van de gemeenten als gevolg van de afschaffing van hun vertegenwoordiging in de intercommunales.

Er werden daarover veel vragen gesteld, onder meer door senator Geens. Ik heb wel de indruk dat de staatssecretaris hier een geste gedaan heeft om de gemeenten tegemoet te komen.

Dan luisterden we opnieuw naar minister Daems die in zijn hoedanigheid van minister van Overheidsbedrijven enkele artikelen toelichtte.

Hij had het eerst over de relatie tussen de Nationale Loterij en het internet. De minister heeft voor de Lotto een monopolie gegeven om te voorkomen dat anderen het internet zouden gebruiken om spelen te lanceren. Het is echter ook de bedoeling dat Lotto het internet uitsluitend zou gebruiken om de spelers informatie te geven over de bestaande spelen. De resultaten van de trekkingen zouden bijvoorbeeld langs het internet worden bekendgemaakt.

De minister verschafte ten tweede informatie over De Post. In de programmawet staan maatregelen die het openbreken van de postmarkt moeten milderen. Zo geniet De Post tot in 2005 een BTW-vrijstelling. Na 2005 zal De Post zich moeten afstemmen op de algemeen geldende Europese richtlijnen, die toch ook nog gunsttarieven inhouden voor postbedrijven.

De minister van Mobiliteit en Vervoer gaf daarna een uiteenzetting over de belangrijke initiatieven die zij in de programmawet heeft laten inschrijven. Het belangrijkste initiatief is natuurlijk de overname van de schuld van de NMBS door de Staat.

Als de NMBS die schuld zou moeten blijven dragen, zou dat zware gevolgen hebben voor de maatschappij in het kader van de concurrentie met het buitenland. In de ons omringende landen werd de investeringsschuld al sinds 1992 door de Staat overgenomen. In België was dat niet het geval. Nu verwacht wordt dat onze staatsschuld beneden de 100 procent van het BBP zal dalen, acht de minister het aangewezen de historische schuld over te nemen. Daardoor zal de vermindering van het schuldpercentage natuurlijk worden afgeremd. De minister maakte zich echter sterk dat België zich die operatie gemakkelijk kan veroorloven.

Andere artikelen betreffen de regeling voor een subsidiëring van de akoestische isolatie van de woningen waarvan de bewoners met geluidshinder van vliegtuigen te kampen hebben. Daarover moet de minister met de regio's Vlaanderen en Brussel onderhandelen. De minister is echter optimistisch over het resultaat van die onderhandelingen.

Tijdens de belangrijke discussie over de schuld van de NMBS, heeft de heer Thissen vragen gesteld over de omvang van de schuld en de timing van de overname ervan. Amendementen werden ingediend die uiting geven aan die bezorgdheid.

Daarna kregen we weer minister Picqué op bezoek in verband met zijn bevoegdheden die te maken hebben met het NIS. Het NIS krijgt Europese subsidies voor zijn inspanningen ten bate van Europa. Die werden echter in de algemene rijksmiddelen opgenomen. Daarom wordt nu een fonds opgericht waardoor de subsidies rechtstreeks naar het NIS zullen gaan.

Als minister bevoegd voor het prijsbeleid en de zekerheid van de consument, heeft minister Piqué nieuwe richtlijnen over de timesharing in de wet ingeschreven. Volgens de bestaande wetgeving moeten de contracten minimaal drie jaar lopen, met als gevolg dat contracten voor 35 maanden werden aangeboden om de wet te omzeilen. Daardoor kon de consument niet genieten van de bescherming van de wet. Dat misbruik wordt door de artikelen in de programmawet afgeschaft.

Mevrouw de Bethune heeft daarna een heel lange uiteenzetting gehouden, onder meer over een aantal belastingverminderingen die ze voorstelt in verband met adoptie en in verband met maatregelen ten bate van de kinderen in de samenleving. Het grootste gedeelte van haar betoog was echter gewijd aan een nieuwe vorm van rapportering aan het parlement.

Volgens mevrouw de Bethune moet elke begroting voortaan een gendernota bevatten. Die verplichting zou zelfs in de wet op de rijkscomptabiliteit moeten worden ingeschreven. Uit die gendernota zou moeten blijken dat elke post van de begroting op gelijke wijze ten goede komt aan vrouwen en mannen. Tijdens de discussie die zich daarrond heeft ontwikkeld, hebben vele leden, ook van de meerderheid, mevrouw de Bethune belangrijke vragen gesteld. Omdat ze vindt dat er nog te weinig gendergelijkheid is, heeft ze dan verschillende amendementen ingediend die de emancipatiestrijd van de vrouw steunen.

Er werden nog veel andere amendementen ingediend en besproken, maar op vraag van de minister heeft de meerderheid die verworpen.

Het geheel van dit onderdeel werd uiteindelijk aangenomen met acht stemmen voor bij één onthouding.

Mevrouw Fatma Pehlivan (SP.A), corapporteur voor het onderdeel Sociale Zaken. - Ik zal verslag uitbrengen over het delen van het verslag die betrekking hebben op de bevoegdheden van regeringscommissaris Van Gool en van de ministers Tavernier, Onkelinx en Vande Lanotte.

Mevrouw Van Gool, regeringscommissaris toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Pensioenen, verklaarde dat hoofdstuk 6 van titel II van het ontwerp een reeks wijzigingen bevat op het vlak van de tegemoetkomingen aan personen met een handicap. Ze verwees in hoofdzaak naar de memorie van toelichting bij het wetsontwerp, waarin de verschillende aanpassingen van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan gehandicapten punt per punt worden besproken.

Onder meer wordt de terminologie aangepast in die zin dat voortaan niet meer wordt gesproken over `gehandicapten' maar wel over `personen met een handicap'. Tevens wordt de hele wetgeving gemoderniseerd met het oog op de nieuwe samenlevingsvormen en de participatie van personen met een handicap aan het maatschappelijk leven. Zo worden de termen `personen met personen ten laste', `alleenstaande' en `samenwonende' niet langer gebruikt omdat ze vandaag meestal op een oneigenlijke manier worden gebruikt. Er komt indeling in categorieën. Ook de term `huishouden' wordt voortaan gehanteerd om te bepalen op welke tegemoetkoming iemand recht heeft.

Belangrijk is bovendien dat de basisbedragen voor de tegemoetkomingen in de wet zelf worden verankerd en dat ze aldus een meer stabiel karakter krijgen.

De heer Tavernier, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu, gaf de volgende toelichting bij titel III van het ontwerp.

Hoofdstuk 1 wijzigt de wet van 25 maart 1964 op de geneesmiddelen teneinde ze in overeenstemming te brengen met de Europese regels inzake de bescherming van de personen die hun medewerking verlenen aan klinische proeven.

Hoofdstuk 2 bevat bepalingen over de oprichting van het Federaal Kenniscentrum voor de gezondheidszorg. De bedoeling hiervan is om de gegevens inzake gezondheidszorg, die op verschillende plaatsen ter beschikking zijn, zoals het RIZIV en het ministerie van Volksgezondheid, samen te brengen om aldus een beter gezondheidsbeleid te kunnen ontwikkelen. De minister stipt aan dat in dit hoofdstuk de nodige aandacht gaat naar de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Zo wordt bepaald welke gegevens worden verzameld en wie hiertoe toegang heeft.

Hoofdstuk 3 past de wet aan die de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten heeft goedgekeurd. Zo wordt het mogelijk bij koninklijk besluit een retributie op te leggen voor elke aanvraag van vergunning of certificaat.

Hoofdstuk 4 ten slotte wijzigt de wetgeving op het Federaal Agentschap voor de veiligheid van de voedselketen, zowel wat het personeel betreft als inzake de werkingsmiddelen, meer bepaald de financiering van het begrotingsfonds.

De minister vestigde er de aandacht op dat het hoofdstuk dat betrekking heeft op de producten die in de apotheken kunnen worden verkocht, werd geschrapt uit het wetsontwerp zoals het in de Kamer van volksvertegenwoordigers werd ingediend, zodat over dit aspect overleg kan worden gepleegd met de verschillende organisaties die op het terrein actief zijn. De heer Barbeaux wees erop dat een regeling dringend noodzakelijk is teneinde te vermijden dat de apothekers te veel onder commerciële druk optreden.

Voor de amendementen ingediend door mevrouw De Schamphelaere en de heren D'Hooghe en Barbeaux, verwijs ik naar het schriftelijk verslag.

Deel IV van de programmawet handelt over werkgelegenheid. Hoofdstuk 1 gaat over het Rosetta-plan voor zelfstandigen. Dit omvat een steunplan en een lening voor jonge niet-werkende werkzoekenden die zich als zelfstandige willen vestigen. De regering geeft het Participatiefonds de nodige financiële middelen, zodat het de opdrachten die het in het kader van het Rosetta-plan voor zelfstandigen heeft gekregen, kan vervullen.

Voor de bepalingen inzake de Nationale Loterij, de sociale Maribel en de startbaanovereenkomsten in de openbare sector verwijs ik naar het schriftelijk verslag.

Ik zal wel dieper ingaan op het stuk over het outplacement. De artikelen 318 tot 322, hoofdstuk 5, hebben de opheffing en de wijziging tot doel van hoofdstuk V van de wet van 5 september 2001 tot verbetering van de werkgelegenheidsgraad van de werknemers. Hierbij werd een recht op outplacement ingevoerd voor werknemers van 45 jaar en ouder die worden ontslagen. De CAO nr. 82 van de Nationale Arbeidsraad van 10 juli 2002 legde de uitvoeringsbepalingen vast van deze nieuwe verplichting ten laste van de werkgevers. Er moest echter een aanpassing komen van de procedure die men moest toepassen als de werkgever verzuimde om zelf of via een sectoraal systeem aan zijn verplichting te voldoen.

Hoofdstuk 6 heeft betrekking op het Fonds ter bevordering van de kwaliteit van de arbeidsomstandigheden. Er wordt gepreciseerd dat een subsidie voor de verbetering van de arbeidsvoorwaarden voor ervaren werknemers kan worden gecumuleerd met een vermindering van de sociale zekerheidsbijdragen.

Hoofdstuk 7 heeft tot doel de tewerkstellingsmaatregelen te harmoniseren, te vereenvoudigen en te coördineren. Er bestaan thans immers tal van maatregelen, die door verschillende wettelijke en verordenende bepalingen worden geregeld.

Krachtens het wetsontwerp kan de werkgever die een werknemer in dienst neemt structurele verminderingen genieten, alsook één van de vijf doelgroepenverminderingen. De minister vatte de maatregelen als volgt samen.

De structurele lastenverlaging wordt sterk vereenvoudigd, zodat het onderscheid tussen bedienden en arbeiders wegvalt en alleen nog de loongrens bepalend is om aanspraak te maken op het supplement lage lonen. Concreet betekent dit dat de huidige acht berekeningsformules worden teruggebracht tot twee.

De dertien verschillende berekeningstechnieken van de doelgroepenvermindering worden teruggebracht tot twee forfaitaire bedragen, namelijk 400 euro en 1.000 euro.

De negentien banenplannen voor doelgroepen worden teruggebracht tot vijf banenplannen. Volgens de minister is dit een zeer verregaande vereenvoudiging en ze hoopt dat dit ook een werkgelegenheidseffect zal hebben. Doordat men tussen de bomen opnieuw het bos ziet, zal er ook meer gebruik worden gemaakt van de doelgroepenmaatregelen.

Voor de amendementen van de Heer Barbeaux en de heer Vandenberghe verwijs ik naar het schriftelijk verslag.

Ten slotte bevat het ontwerp een titel V omtrent maatschappelijke participatie. De heer Johan Vande Lanotte, vice-eerste minister en minister van Begroting, Maatschappelijke Integratie en Sociale Economie, verklaarde dat artikel 379 van het ontwerp een antwoord moet geven op de vraag welk OCMW bevoegd is voor personen zonder domicilie. Er werd gekozen voor een veel minder zware procedure dan in het verleden, want het OCMW van de gemeente waar de betrokkene zijn feitelijke verblijfplaats heeft, wordt bevoegd. Bij problemen moeten het OCMW en de administratie van Maatschappelijke Integratie onderling een oplossing zoeken. De betrokkene zelf kan echter snel zijn steun ontvangen.

De artikelen 380 en 381 betreffen de situatie van asielzoekers in open centra. Er wordt een duidelijke reglementering opgesteld die de OCMW's, ook van kleine gemeenten, in staat stelt zich zonder bijkomende financiële lasten te schikken naar de wet.

Voor de overige aanpassingen die door de minister uiteengezet werden, verwijs ik naar het schriftelijk verslag.

De heer Barbeaux wees op de negatieve reactie van de Vereniging van steden en gemeenten op de door de minister voorgestelde wijzigingen aan de OCMW-wet, meer bepaald met betrekking tot de omkering van de bewijslast die nu zal worden ingevoerd. Het OCMW zal nu moeten bewijzen dat het niet moet worden bestraft als er niet minstens 5% kandidaat-politieke vluchtelingen op het grondgebied van de gemeente zijn gevestigd en het geen Lokaal Opvanginitiatief (LOI) heeft opgestart.

De heer Vande Lanotte, vice-eerste minister en minister van Begroting, Maatschappelijke Integratie en Sociale Economie, antwoordde dat er onlangs een vergadering heeft plaatsgevonden met de Vereniging van steden en gemeenten waarop de Vereniging heeft ingestemd met de voorliggende bepalingen. Hij verbaasde zich erover dat dezelfde vereniging op zo korte tijd een totaal tegengesteld standpunt inneemt en het 30-tal gemeenten verdedigt die tot nu toe de wet niet respecteren. De overige 559 gemeenten doen dat wel. De heer Barbeaux heeft het amendement ingetrokken dat hij had ingediend.

Voor de overige amendementen van de heer Barbeaux en mevrouw De Schamphelaere verwijs ik naar het schriftelijk verslag

Tot zover een korte samenvatting van de besprekingen in de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.

Het gedeelte over de maatregelen die betrekking hebben op de bevoegdheden van minister Vandenbroucke, wordt door de heer Barbeaux uiteengezet. Ik denk dat hij ook het verloop van de stemming zal weergeven.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Drieënhalf jaar zijn verstreken sinds ons een nieuwe tijdrekening werd aangekondigd. We kennen de jaren vóór en de jaren ná Verhofstadt en zijn dus nu in het jaar drieënhalf aanbeland. We worden dus steeds jonger. De nieuwe tijdrekening was de concretisering van de nieuwe aanpak, de nieuwe politieke cultuur, het nieuwe politieke debat. We zouden niet meer naar het verleden verwijzen en enkel nog de ogen richten op verre horizonten en een bloeiende toekomst. Er zou een nieuwe bestuurscultuur aanbreken en de kloof met de burger zou worden gedicht. Paginagrote advertenties schreeuwden dat we eindelijk een burgerdemocratie kregen, een debat voor iedereen. Het moest gedaan zijn met die politieke spelletjes, er zou echt gediscussieerd worden over politieke keuzes.

De regering gebruikte daarbij het beeld van de brug en dat is belangrijk. De regering zou de brug zijn, niet van Vilvoorde, maar de brug naar de 21ste eeuw, de brug naar de modelstaat en we zouden opnieuw een plaats krijgen op het internationale forum. Dit wil zeggen dat de verantwoordelijken voor de federale voorlichtingsdienst onmiddellijk aan de dijk werden gezet en er nieuwe communicatoren werden aangeworven om in binnen- en buitenland een grote voorlichtingscampagne te voeren ten voordele van België. Misschien is het een teken aan de wand dat uitgerekend deze programmawet, drieënhalf jaar later, deze federale voorlichtingsdienst ontbindt.

De brug naar de 21ste eeuw is echter niet het succes geworden dat de regering aankondigde. In feite heeft de regering twee bruggen aangelegd: de Brug der Zuchten en de Pont d'Avignon. Wat men ook zegt, nooit is een programmawet zo misbruikt om allerlei besluiten van de regering, die over bepaalde punten verdeeld is, door het parlement te jagen en de verziekte politieke sfeer in het land te verbergen. De `parlementaire' behandeling die deze programmawet kreeg, bewijst duidelijk dat de legislatuur een lijdensweg wordt, voor de bevolking, in elk geval voor de senatoren en heel zeker voor de senatoren van de meerderheid. Dit tekent treffend het beleid als een Brug der Zuchten, naar de befaamde Ponte dei Sospiri in Venetië. Personen die door de rechtbank waren veroordeeld, werden onder deze brug door naar de cellen in het Dogepaleis gebracht, met veel gezucht en geweeklaag.

Hebben we de voorbije weken en dagen in Kamer en Senaat iets anders opgemerkt dan zuchten en weeklagen?

Veroordeeld tot een debat dat de meerderheid niet wil aangaan, beschouwen de meeste meerderheidssenatoren zich als de gevangene van een regering die geen echte ruimte laat voor een parlementaire discussie. Ik vraag me af hoe men daarover verantwoording zal afleggen bij de kiezer. Hebben we de programmawet behandeld? Heel zeker. Hebben we echt een inspanning gedaan om rustig een tweede lezing te houden over deze meer dan 500 artikelen, om ze kritisch te bekijken en waar nodig de noodzakelijke verbeteringen aan te brengen? Dit was niet het geval, zwijgend en zuchtend hebben de leden van de meerderheid de behandeling van deze artikelen in de commissies bijgewoond. De crisis van de parlementaire democratie kwam de voorbije week op een hoogtepunt. Dat zal de afstand tussen de meerderheid en de parlementaire instellingen en tussen de politiek en de burger niet verkleinen. De premier verbergt het niet.

Ten aanzien van de Senaat passen de regering en de meerderheid de tactiek toe van de verschroeide aarde. In de Senaat wordt niet gediscussieerd. De senatoren zijn terminale parlementsleden en worden ook als zodanig behandeld. Na de voetmat is de Senaat de dweil van de regering geworden. De meerderheidsenatoren, vooral deze van Agalev en Ecolo, hebben een grote debatcultuur, maar hier in de Senaat gedragen ze zich als lammetjes aan een kerststal. Dat is het verschil tussen woord en parlementaire daad.

Zoals vele perscommentatoren vandaag opmerken, mag de symboliek van het parlement niet herleid worden tot een druk op het ja of neen knopje of tot een formeel steriel debat tussen meerderheid en oppositie.

In zijn uiteenzetting van 1919 `Politiek als beroep' zegt Max Weber terecht: `Politiek is een langzaam boren in hard hout, het vergt hartstocht en perspectief.' Waar was die hartstocht en waar was dat perspectief bij de behandeling van een dergelijke wet? In feite hadden we ons dat kunnen besparen. Het volstaat het parlementair jaar te openen en de parlementsleden voor de rest van het jaar met vakantie te sturen.

De open-debatcultuur van paarsgroen heeft wel een zeer eigen interpretatie gekregen. Als ik het goed begrijp komt de visie van de eerste minister hierop neer: iedereen heeft recht op mijn eigen mening. Dat is de nieuwe debatcultuur in het land en deze programmawet is daar een nieuwe illustratie van. Het gaat trouwens steeds verder. Bij elke programmawet heb ik erop gewezen, maar elke keer stelde ik vast dat hoe meer nadruk we daarop legden, hoe meer artikelen werden ingediend. In de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden heb ik dit een staaltje van rioolwetgeving genoemd. Er zitten ongetwijfeld goede brokken in - die vind je ook in een riool - maar we stoten in diverse hoofdstukken vooral ook op ondoordachte en juridisch-legistiek schabouwelijke ontwerpen. De Senaat wordt herleid tot de cloaca maxima, de grote riool.

De regering heeft tijdens deze legislatuur voor meer dan 80 procent van haar ontwerpen de urgentie gevraagd. Ze vergoelijkt dat door te verwijzen naar vorige regeringen die zogenaamd niet anders handelden. Maar bijvoorbeeld de regering-Dehaene deed dat maar voor dertig procent van haar ontwerpen. Tachtig of dertig procent, viervijfde of minder dan een derde, dat is een heel verschil. De spoedbehandeling maakt een zinvolle en afgewogen bespreking en zeker amendering totaal onmogelijk.

De regering gaat zover dat ze, zelfs wanneer ze erkent dat een ontwerp fouten bevat die moeten worden gecorrigeerd, steevast antwoordt dat dit nu niet kan. De drukkers werken vandaag niet, het kost te veel, er is altijd wel een reden waarom de fout niet onmiddellijk kan worden verbeterd. De regering belooft dan steevast later een wetsontwerp in te dienen om de bepalingen van de programmawet waar fouten in voorkomen, te corrigeren. Zo iets kunnen we niet ernstig nemen, vooral omdat zoiets het grondwettelijk amenderingsrecht aan de parlementsleden ontneem. We mogen nog wel verbeteringen aanbrengen, maar niet meer bij wijze van een amendement, want dat is afgeschaft.

In deze programmawet neemt de regering zelfs een aantal essentiële waarborgen niet meer in acht. Ik heb het dan niet enkel over de betwistbare regeling voor de kinderbijslag of het kenniscentrum, maar ook over de vele delegaties aan de Koning zonder enige afdoende motivatie of wettelijke beperking. Dit heeft alles te maken met de beproefde communicatietechniek die deze regering zo lief is en waarmee ze telkens opnieuw een regeling aankondigt, terwijl ze die eigenlijk nog moet uitwerken. Ook met deze programmawet keuren we zo'n aankondigingswet goed: er staan een hele reeks maatregelen in, waarvan de technisch-juridische uitwerking opnieuw aan de regering wordt toevertrouwd. Zij neemt later, in een moeilijk compromis, de nodige uitvoeringsbesluiten op basis van dikwijls blanco bevoegdheidsoverdrachten van het parlement aan de regering.

Het is gekend: hoe meer staatsraden er worden ingericht, hoe minder gewicht de adviezen van de Raad van State krijgen. Ook tijdens deze legislatuur zijn er weer tal van staatsraden benoemd. Omdat de Raad van State zogezegd overbelast is, breidt de regering de personeelsformatie ervan uit, maar met de adviezen die de Raad uitbrengt houdt ze geen rekening. Ook over deze programmawet heeft de regering tal van adviezen van de Raad van State naast zich neergelegd. Toch moet het gezegd: bij grote maatschappelijke debatten doet ze dat niet, zoals bijvoorbeeld dat over de vinkenvangst. Dan houdt ze wel rekening met het advies van de Raad van State, want dat probleem vindt ze blijkbaar veel belangrijker dan deze programmawet.

De wijze waarop de regering de Senaat onafgebroken heeft behandeld is een uitdrukking van de zienswijze over de invulling van de parlementaire taak. Onder de huidige regering is geen plaats voor parlementsleden met dossierkennis, die op een ernstige manier aan politiek willen doen. Bij de samenstelling van de kieslijsten wordt aan het nieuwe profiel van de regering tegemoet gekomen: ze bevatten coureurs, voetballers, boksers, vinkenzetters, dat zijn de dames en heren die in het Parlement worden verwacht. Die weten niet wat een wet is. Zij zullen de laatste democratische resistentie van de parlementaire democratie breken. Degenen die in het parlement de grondwettelijke taak ernstig nemen, worden beschouwd als lastposten en worden meewarig bekeken. Zij hebben de tekenen des tijds niet begrepen: het leven is één grote ontspanningsamenleving, een vermakelijkheidsmaatschappij. Een parlementslid moet in dat kader optreden. Aan hem wordt vriendelijk gevraagd niet te ernstig te zijn, geen echte politieke argumenten te gebruiken, niet met enige visie te beoordelen, maar te kijken naar het mooie plaatje. De echte wetgevende discussie heeft geen kans. Daardoor zal de kloof tussen de burgers en het Parlement steeds dieper worden. Hoe kan het Parlement zijn taak vervullen als het samengesteld is uit voetballers, eierfeeën en Teletubbies?

Ik citeer staatsman Guy Verhofstadt in De weg naar de politieke vernieuwing, 1992: `België heeft nood aan een andere politieke stijl. België heet nog wel een democratie, maar er zijn nog nauwelijks politici die zich gedragen zoals het in een democratie hoort. De regering is voortdurend onderhevig aan discussies en ruzies, waarbij sommigen alle deontologische regels met voeten treden, om dan nog maar te zwijgen van die politici die er stelselmatig genoegen in scheppen de meest elementaire regels van hoffelijkheid en beleefdheid aan hun laars te lappen.' Het is een juiste, zeer actuele vastelling. Dikwijls wordt men ingehaald door wat men in het verleden heeft geschreven. Dit citaat bewijst het.

De opdracht van een parlement en de rol die de wet speelt, is de eerste brug, de brug naar de toekomst, de brug der democratische zuchten. De tweede brug is de pont d'Avignon: Sur le pont d'Avignon, on y danse. Dat is de sleutel van paarsgroen. Om de slechteriken die nog over de inhoud van de politiek zouden durven discussiëren te verjagen, worden de samenleving en het Parlement omgevormd tot een permanente Club-Med-activiteit. Degenen die een probleem aankaarten zijn in die visie de verzuurden.

Zij die willen spreken over het probleem Irak, de mogelijke problemen als gevolg van de uitbreiding van de Europese Unie, de uitspraak van de Procureur des Konings te Brussel als zou de invloed van de georganiseerde criminaliteit in ons land nog nooit zo groot zijn geweest als vandaag en er haast niets tegen kan worden ondernomen, zijn de zeurpieten. Zij hebben er niets van begrepen. Op een dansfeest wordt toch ook geen requiem gespeeld! Dat is de paarsgroene cultuur.

De programmawet die we vandaag bespreken bevat natuurlijk goede maatregelen, maar het probleem is dat ze niet aansluiten bij de begroting en dat er bijgevolg geen echte programmawet is. Er is in de Belgische geschiedenis nog nooit een programmawet met 511 artikelen goedgekeurd. De visie van Max Weber ontbreekt en de programmawet is geen hefboom om aan de problemen van vandaag het hoofd te bieden.

Het Congres van Wenen danste ook om de moeilijkheden te vergeten! De werkelijkheid is minder kleurrijk dan bij het aantreden van de regering Verhofstadt werd voorgesteld.

De nationale economie vat binnenkort het derde jaar van zwakke groei aan. In de zomer voorspelde de eerste minister nog een groei van 3 procent, terwijl het VBO vorige week nog slechts 1,3 procent in het vooruitzicht stelde. Niemand verwacht een echte verbetering vóór 2004, ook niet voor de arbeidsmarkt.

In Duitsland, waar het grootste deel van onze export naartoe gaat, en in Nederland is de economische groei de jongste drie maanden dramatisch gedaald, met grote gevolgen voor onze export. De export, een belangrijke factor voor onze economische groei, zal stilvallen of zeker achteruitgaan.

Het jaar 2003 zal niet beter zijn voor de Belgische economie en de werkloosheid. In november 2002 lag het aantal niet werkende werkzoekenden, 16.700 eenheden, hoger dan drie jaar geleden. Er is zelfs 18% meer jeugdwerkloosheid dan een jaar geleden. De regering nam wel maatregelen om de werkloosheidsvallen te verminderen, maar intussen maakte de RVA bekend dat er nog nauwelijks controles op de werkwilligheid worden uitgevoerd, wat nochtans een efficiëntere en goedkopere wijze van activering kan zijn.

De faillissementen in 2001 en 2002 kostten aan 50.000 mensen hun job. In de eerste elf maanden van 2002 waren er trouwens 6.605 faillissementen. De collectieve ontslagen in de ondernemingen volgen elkaar op. In 2002 waren er al 10.000. Werden de arbeidsmarkt en de economie voldoende voorbereid op de toekomst? Waar is de actieve welvaartstaat? Ik heb er de jongste maanden niet veel meer over gehoord. Ik noteer wel een stijging van de werkloosheid in het algemeen en een blijvende toename van het globale aantal bruggepensioneerden en oudere werklozen.

Op de VBO-Lissabonindex die aan de hand van 42 indicatoren tracht aan te geven in welke mate de Europese landen de Lissabondoelstellingen verwezenlijken, haalt ons land slechts 38%.

De competitiviteit van het bedrijfsleven is volgens de meest recente gegevens van het Instituut voor Nationale Rekeningen de jongste twee jaar in tegenstelling tot de jaren 1996-2000 aangetast. Op twee jaar tijd zakte België negen plaatsen in de rangschikking van het World Economic Forum. Zelfs bedrijven als Alcatel en Philips Hasselt gaan weg, wat erop wijst dat onze kennisfunctie in de gevarenzone zit. Tegenover de periode 1990-1994 daalde het investeringsvolume uit de Verenigde Staten met 80%.

De directeurs van zeven toonaangevende sectoren van industrieel Vlaanderen stelden op 7 december jongstleden in het magazine Vacature: `De overheid werkt niet mee!'

De KMO - conjunctuurbarometer zakte begin december net onder de gezondheidsgrens, maar ook al laat de verkoopstitel van deze programmawet dit uitschijnen wordt er geen zuurstof gegeven aan onze ondernemers. Collega Steverlynck komt hierop straks nog terug.

Het aantal starters in de regio Vlaanderen is spectaculair gedaald en dat is een zeer negatieve indicatie van het ondernemersklimaat.

De malaise bij de landbouwers is enorm. Wie zich op het platteland begeeft, kan vaststellen welke ontmoediging er heerst bij onze landbouwers. De regering heeft immers een fundamenteel onevenwicht geschapen tussen economie en ecologie.

Dan zwijg ik nog over de vrije beroepen. Vooraleer zij de straat opgaan, moet er al veel mislopen. Vandaag echter voeren de vrije beroepen in verschillende sectoren systematisch actie.

De fiscale en parafiscale druk zijn tussen 1999 en 2002 niet beduidend gedaald. Dat geldt trouwens ook voor de druk op de inkomens uit arbeid.

De sociale lasten verminderden even sterk onder deze regering als onder de vorige. De regering past in feite enkel de door Dehaene besliste verminderingen toe, maar dan wel volgens een totaal verkeerde timing. Lasten moeten worden verminderd bij laagconjunctuur om de economie aan te zwengelen. De regering heeft ze echter verlaagd in een periode van hoogconjunctuur, zodat zij natuurlijk onmiddellijk werden omgezet in loonstijgingen, met alle gevolgen van dien voor de competitiviteit van onze ondernemingen.

Dezelfde slappe houding vinden wij terug in het begrotingsbeleid, zoals ik in de commissie uitvoerig heb uiteengezet. De budgettaire marges zijn voor de volgende jaren al opgebruikt en eigenlijk doet de regering aan schuldfinanciering.

Bij het lezen van de verantwoording voor de zogenaamde begroting moest ik onwillekeurig denken aan een merkwaardig hoofdstuk uit het werk van Thomas van Aquino met de titel De opzettelijke onwetendheid.

Met opzet wil men onwetend blijven, omdat die onwetendheid nuttig is om een standpunt te verdedigen waarvan geweten is dat het bij nader onderzoek onjuist zal blijken. De paarsgroene opzettelijke onwetendheid werd goed geïllustreerd door de rel over de criminaliteitscijfers. Toen de regering tijdens het debat in de Kamer over de criminaliteit in moeilijkheden kwam, kwam de eerste minister plots met de zogenaamd echte criminaliteitscijfers voor de dag. In de heisa die daarop volgde bleek dat de cijfers van de eerste minister niet overeenstemden met de nationale statistieken ter zake. Het kwam overigens tot een incident met de politiediensten die geen exacte cijfers zouden hebben doorgegeven. De toekomst zal uitwijzen wie gelijk had. Ik stel inmiddels vast dat het jaarverslag betreffende de georganiseerde criminaliteit niet is ingediend.

Wie alles goed analyseert, stelt vast dat de opzettelijke onwetendheid één van de krachtlijnen is van het paarsgroene beleid. Een en ander komt natuurlijk tot uiting in de begroting.

Deze regering had nochtans het voordeel dat ze op een goede startpositie kon rekenen. Natuurlijk is er de internationale economische crisis en waren er de gevolgen van 11 september.

Eigenlijk hadden we gehoopt op een programmawet die overeenstemt met het taalgebruik van de paarsgroene meerderheid, met de modelstaat, met het This is Belgium-gevoel. De programmawet die ons wordt voorgelegd, stemt daar niet mee overeen.

De regering meent het fileprobleem te kunnen oplossen door een strengere aanpak van de snelheidsovertredingen.

De energievoorziening en de prijs ervoor staan onder druk door de beslissingen in verband met kernenergie.

De hervorming van de justitie is verzand. De administratieve vereenvoudiging - 25% minder regels! - wordt gerealiseerd in een programmawet van 511 artikelen. Dat is een uitstekend voorbeeld van het falen van de regering.

Op het vlak van migratie- en asielbeleid hebben zich de jongste weken een aantal incidenten voorgedaan, die niet bijdragen tot een oplossing van de problemen.

Over de politiehervorming en de moeilijkheden in verband met de financiering ervan zal een andere spreker het hebben.

De indicator van het consumentenvertrouwen van de Nationale Bank daalt gestaag sedert mei 2002. De burger geeft in zijn koopgedrag blijk van zijn gebrek aan vertrouwen.

Vandaag, op een ogenblik dat er opnieuw een internationale crisis dreigt en ook de veiligheidsproblemen in ons land niet mogen worden onderschat, moet de Senaat zich buigen over een programmawet over de meest verscheiden punten, samengevoegd wegens het gebrek aan samenhang binnen de regering. Deze programmawet kan worden beschouwd als een afscheid van een bepaalde vorm van politiek. Dat afscheid wordt het best geïllustreerd door de afschaffing van het Belgisch Staatsblad. Niemand schijnt zich daar druk over te maken. Sedert 1831 is het de staatscourant, die elke dag verslag uitbrengt over het officiële publieke leven en waarin de Wet met een grote W wordt gepubliceerd. Het Belgisch Staatsblad is nu dood. Allerlei regels werden omgevormd tot wetten. Men vindt het zelfs niet meer nodig de schijn te redden en de kwaliteit van de wetten te garanderen door middel van hun publicatie in het Staatsblad. Door de afschaffing van het Staatsblad wordt de burger nog dichter bij de politiek gebracht. Die maatregel is typerend voor de houding ten opzichte van de burgers. Het Staatsblad had een essentiële bindende rol voor alle burgers. De wet heeft vandaag geen hoofdletter meer, de wetten zijn regeringsbeslissingen met allerhande implicaties.

Deze regering zou een brug slaan naar de toekomst. Het is tegelijk een Brug der Zuchten en de Pont d'Avignon geworden. De regering stelt een programmawet voor zonder coherente visie, waarbij in hoofdzaak maatregelen worden aangekondigd, maar nog niet worden uitgevoerd.

De regering staat inderdaad op een brug naar de 21ste eeuw, overmoedig voor een bungee-sprong in het ongewisse. De rek is er echter uit en dan zijn dergelijke sprongen gevaarlijk. In de programmawet vinden we geen brug naar de toekomst, geen brug met visie of perspectief. Daarom zal de CD&V-fractie tegen deze wet stemmen.

(M. Jean-Marie Happart, vice-président, prend place au fauteuil présidentiel.)

M. Michel Barbeaux (CDH), corapporteur pour le volet Affaires sociales. - Mme Pehlivan a rédigé un très bon rapport des travaux de la commission des Affaires sociales sur les articles proposés par les ministres Tavernier, Onkelinx et Vande Lanotte. En tant que corapporteur, je ferai un bref résumé des interventions et des propositions faites par le ministre des Affaires sociales et des Pensions, M. Vandenbroucke. Pour le développement des amendements, je renverrai au rapport écrit.

Les articles 83 et 84 introduisent une modification du financement du Fonds des équipements socio-collectifs. Suite aux avis du Conseil d'État rendus en 2000, le projet de loi prévoit que, dorénavant, le financement des structures d'accueil extrascolaires et d'urgence, de garde d'enfants malades et d'accueil flexible, se fera par le paiement d'un montant forfaitaire correspondant à une intervention dans les coûts d'accueil au profit d'enfants bénéficiaires d'allocations familiales de travailleurs salariés. Les enfants précédemment pris en considération tels les enfants de frontaliers, d'indépendants ou de ceux qui bénéficient d'allocations familiales garanties sont donc exclus. Le Roi est compétent pour définir la date d'entrée en vigueur et les mesures transitoires.

Lors de la discussion des amendements déposés pour modifier cette partie de la loi-programme, le ministre des Affaires sociales a déclaré que la mise en oeuvre de ces nouvelles dispositions légales serait décidée en concertation avec les communautés et que l'objectif des dispositions transitoires était d'éviter que des membres du personnel des structures d'accueil soient licenciés, en raison du financement forfaitaire suite au manque de moyens financiers. Plusieurs amendements ont été déposés à ces articles.

Les articles 85 à 88 modifient fondamentalement le régime des allocations familiales majorées pour enfants atteints d'une affection. La réforme porte sur les trois points suivants. Premièrement, tout enfant atteint d'une affection, qu'il s'agisse de maladie chronique ou d'un handicap, est visé par la loi. Deuxièmement, on abandonne le seuil fatidique des 66% d'incapacité, tout en maintenant le régime antérieur pour les cas décidés avant la réforme. Troisièmement, les conséquences de l'affection sont mesurées selon trois piliers : l'incapacité physique et mentale de l'enfant, son degré d'activité et de participation et la charge familiale que l'affection provoque.

Pour des raisons administratives et budgétaires, le projet de loi ne prévoit l'application de la loi que pour les enfants de moins de sept ans, dans un premier temps. Plusieurs amendements ont été déposés à ces articles, notamment en vue de supprimer la limite des sept ans.

Les articles 89 à 108 prévoient diverses mesures concernant des adaptations relatives à l'octroi des allocations familiales et ont pour but d'élargir le champ d'application de la législation relative aux allocations familiales, en particulier pour des enfants qui vivent des situations de précarité, notamment liées à un placement. Plusieurs amendements ont également été déposés à ces articles.

Les articles 109 à 114 complètent les lois précédentes concernant l'assujettissement des mandataires locaux.

Les articles 115 à 134 réorganisent la réglementation en matière d'allocations versées aux personnes handicapées. La plupart des modifications apportées à la loi relative aux allocations pour personnes handicapées visent à clarifier et à préciser les droits et le champ d'application de la législation relative aux allocations pour ces personnes. Plusieurs amendements ont été déposés à ces articles.

Un important chapitre de la loi-programme, les articles 170 à 185, est consacré à la création du statut social des artistes. Depuis 1969, selon l'arrêté royal du 28 novembre 1969, pris en application de la loi du 27 juin 1969, les artistes sont présumés travailler dans le cadre d'un lien de subordination, ce qui leur impose le statut de salarié.

Cependant, la mesure s'avère souvent inapplicable et les interprétations jurisprudentielles ont été divergentes, ce qui a rendu son application pratique irréalisable, soit parce qu'il est impossible de désigner l'employeur, soit parce que les artistes sont occupés pour une courte durée par des personnes qui ne peuvent ou ne veulent respecter leurs obligations patronales.

Le projet de loi précise les conditions de l'assujettissement à la sécurité sociale des travailleurs salariés. Le texte prévoit aussi la création d'une commission Artistes au sein de l'ONSS, chargée d'informer les artistes de leurs droits et de vérifier les conditions de l'assujettissement, notamment le critère de la réalité socioéconomique de l'artiste par rapport à son employeur. Le projet introduit, par ailleurs, un allégement des cotisations de sécurité sociale. Enfin, le projet de loi instaure une nouvelle forme de travail temporaire, adaptée aux prestations artistiques.

À l'occasion de l'examen de ces dispositions, M. Remans a fait remarquer qu'une catégorie d'artistes semblait toujours exclue du champ d'application de la loi, à savoir les modèles qui posent, notamment nus, dans les écoles des Beaux-Arts, modèles auxquels les dispositions du projet ne s'appliqueraient pas. Le ministre s'est dit d'accord pour examiner ce dossier de plus près. Plusieurs amendements ont été déposés aux articles qui prévoient ce statut social des artistes.

Les articles 190 et suivants visent à payer, directement à l'Office national de Sécurité sociale des administrations provinciales et locales ou ONSSAPL, les subventions en compensation des cotisations sociales qui sont à la charge des zones de police, pour les membres transférés des brigades territoriales de la police fédérale, par la technique des prélèvements sur les recettes TVA à compter de l'année budgétaire 2002.

Un débat entre le commissaire et le ministre a eu lieu quant à la concomitance de la mise en charge ultérieure à l'ONSS, du coût des pensions des anciens gendarmes par rapport à la diminution actuelle de la subvention de l'État. Ici aussi, plusieurs amendements ont été déposés.

Les articles 226 à 229 modifient la cotisation à charge de l'industrie pharmaceutique. Plusieurs amendements ont été déposés.

L'article 230 prévoit l'élargissement des interventions du Fonds de Solidarité en faveur des enfants âgés de moins de 16 ans dont les frais médicaux ne sont pas pris en charge par l'assurance soins de santé : montant minimum de 250 euros, maladies incurables, cancers, insuffisance rénale, maladies de longue durée, soins administrés à l'étranger pris en compte s'il n'y a pas de soins adéquats possibles dans un délai raisonnable en Belgique. Plusieurs amendements ont été déposés visant, notamment, à supprimer la limite d'âge de 16 ans. Le ministre a répondu qu'il était préférable, pour des raisons budgétaires et administratives, de maintenir cette limite d'âge.

Aux articles 243 à 245, quelques modifications sont apportées au financement du maximum à facturer - le MAF - à savoir l'ajout des médicaments de la catégorie C au MAF à partir du 1er janvier 2003. On y ajoute également l'alimentation parentérale, si la période est inférieure à un mois, pour les soins prodigués à domicile. Divers amendements ont été introduits à ces articles.

Dans la loi-programme nº 2, la loi bicamérale, les articles 4 à 10 organisent la protection sociale des gardiennes encadrées : droit, à titre personnel, à l'assurance soins de santé, incapacité de travail, accidents de travail et maladies professionnelles, allocations familiales et pension. En ce qui concerne l'inoccupation involontaire de ces gardiennes encadrées, celles-ci auront désormais droit à une indemnité de compensation partielle de la perte de revenus pour des circonstances indépendantes de la volonté de la gardienne.

Les articles 11 et suivants organisent la responsabilité des prescripteurs de soins. Plusieurs amendements ont été défendus et, pour le débat, je renvoie au rapport écrit.

Tous les amendements déposés ont été rejetés, majorité contre opposition, et les projets ont été approuvés de façon identique.

En conclusion, je voudrais ajouter que, lors de la discussion générale, plusieurs membres de l'opposition ont fait part de leur regret de voir une telle loi-programme contenant plus de 500 articles et des dispositions particulièrement importantes, soumise à un examen rapide et, donc, insatisfaisant en raison des délais imposés. Voilà le rapport que j'ai fait de la deuxième partie relative à la commission des Affaires sociales et complémentaire au rapport de Mme Pehlivan.

Je voudrais à présent développer la position du CDH sur le volet Affaires sociales, le plus volumineux de cette loi-programme. La loi-programme que nous examinons aujourd'hui est très importante et contient une série de modifications légales qui ont des répercussions, parfois fondamentales sur nos concitoyens. Ainsi en est-il du statut des artistes, du statut des gardiennes encadrées ou « accueillantes d'enfants », ou des dispositions modifiant le régime des allocations familiales majorées.

Même si je reconnais que le débat mené en commission était de qualité et que les membres du gouvernement ont répondu à l'ensemble des questions qui ont été posées, je garde un sentiment de frustration, l'impression de n'avoir pas tout à fait terminé le travail. Je voudrais reprendre deux exemples.

En ce qui concerne le statut des artistes, j'admets que la présentation du ministre était convaincante. Il n'est reste pas moins que nous continuons à recevoir, de la part d'associations et d'artistes, et pas seulement de la CGSP comme l'a dit le ministre Vandenbroucke en commission, des argumentaires nous demandant de rejeter les dispositions du projet de loi créant le statut des artistes en raison des effets pervers qu'elles pourraient entraîner. Si on nous avait donné le temps nécessaire, le travail parlementaire aurait gagné en qualité et en légitimité : nous aurions pu organiser, par exemple, une audition contradictoire entre ces artistes et le ministre.

Un autre exemple des conséquences néfastes de la précipitation dans laquelle nous avons dû examiner ce texte concerne l'article 263 du projet de loi. Cet article prévoit que le rapport d'activités annuel du Centre d'expertises est transmis à la seule Chambre des représentants. De même, la loi prévoit que seul un membre de la Chambre siégera dans ce Centre d'expertises et que le programme de celui-ci ne sera envoyé qu'à la Chambre - le Sénat, notre assemblée, a purement et simplement été oublié du texte du projet de loi par nos collègues de la Chambre !

En commission, nous avons tous reconnu le caractère inadmissible de ce texte et étions d'accord sur le fait qu'une seconde lecture aurait l'avantage de le corriger. Malheureusement, malgré cela, les amendements déposés à ce sujet ont été rejetés compte tenu de l'urgence dans laquelle le projet devait être voté. C'est d'autant plus regrettable que le Sénat est sans doute plus compétent que la Chambre, étant donné sa spécificité de chambre de réflexion, pour analyser le contenu du rapport du Centre d'expertises qui contiendra énormément de données, et pour formuler les recommandations les plus pertinentes possible. Il le fait d'ailleurs avec succès dans d'autres dossiers, notamment celui de la commission nationale d'évaluation de l'interruption de grossesse, à propos duquel nous avons eu plusieurs discussions en commission.

Bien sûr, nous avons pris note que le ministre de la Santé publique s'engageait à également communiquer le programme et le rapport à la Chambre, mais qui sera ministre de la Santé publique dans quelques mois ? Par ailleurs, le texte que nous allons voter ne prévoit qu'un seul représentant de la Chambre dans ce Centre d'expertises sur la santé, qui examinera l'ensemble de la problématique de la politique en matière de santé au niveau du pays, le Sénat en sera exclu. Je réintroduirai un amendement sur le sujet.

Je reconnais que le projet de loi contient une série de dispositions qui étaient attendues depuis plusieurs mois. Je pense notamment à la modification du régime des allocations familiales majorées pour les enfants malades. Les nouvelles dispositions amélioreront certainement le quotidien de nombreuses familles. Il faudra être attentif à l'évaluation qui sera réalisée en vue de la mise en oeuvre de ce nouveau système, afin de pouvoir mettre fin, dès que possible, au régime différencié entre les enfants de moins de sept ans et les autres.

Je pense aussi que la réussite de ce nouveau régime dépendra beaucoup des moyens qui seront mis en oeuvre pour la procédure d'évaluation de l'affection de l'enfant et des conséquences qu'elle provoque pour la famille. Cette évaluation qui va porter sur trois « piliers », l'incapacité physique et mentale de l'enfant, son degré d'activité et de participation et la charge familiale que l'affection provoque, est évidemment compliquée. Or, lorsque l'on connaît déjà les difficultés de l'évaluation telle qu'elle est pratiquée actuellement, on est en droit de s'inquiéter. J'insiste donc auprès du ministre pour que des moyens suffisants soient mis en oeuvre pour que cette évaluation soit faite de façon satisfaisante, dans le respect des parents et des enfants.

Une avancée législative a aussi été faite pour la protection sociale des gardiennes encadrées que l'on appelle désormais « accueillantes d'enfants » en Communauté française. Personne ne peut nier que les modifications proposées apportent une solution à un certain nombre de problèmes vécus par les gardiennes encadrées, qui ne pouvaient être assurées jusqu'à présent que des droits dérivés de leurs conjoints, avec toute la précarité que cela suppose en cas de difficulté au sein du couple.

Je pense cependant qu'il faut rester vigilant et ce, pour plusieurs raisons. Si le statut présente des avantages pour les gardiennes déjà en place, il reste cependant un statut partiel et je crains qu'il ne suscite pas de nouvelles vocations. On résout partiellement les problèmes des gardiennes mais on ne leur donne pas un statut professionnel à part entière. On risque aussi de voir des gardiennes abandonner leur fonction. En effet, certaines pourraient refuser ce statut parce qu'il implique malgré tout certaines formalités et qu'il aura aussi des conséquences sur le statut social et fiscal des ménages concernés. Une des motivations du statut étant d'augmenter le nombre de places d'accueil, les entrées et sorties de la profession devront être suivies. Et, même si cette évaluation relève davantage de la compétence des Communautés, le législateur fédéral devra éventuellement en tirer les conséquences.

J'appelle aussi à la vigilance quant à la méthode employée : la création de statuts qui dérogent aux principes généraux d'assujettissement en sélectionnant les prestations fragilise notre sécurité sociale. La multiplication de ces statuts hybrides n'est pas sans risque, sauf si l'on veut la fin de la sécurité sociale solidaire et fédérale.

Par cette loi programme, le gouvernement a essayé d'apporter des solutions à un certain nombre de groupes de personnes qui méritaient un traitement particulier. Je regrette que l'on en n'ait pas profité pour compléter cette panoplie législative par des dispositions corrigeant la réglementation relative à la GRAPA. C'est pourquoi j'ai déposé deux amendements en commission, que je voudrais aussi soumettre au vote en séance plénière.

Le premier concerne les membres des communautés religieuses qui, depuis l'entrée en vigueur de la loi relative à la garantie de revenu aux personnes âgées, appelée GRAPA, subissent une discrimination par rapport aux personnes hébergées en maison de repos. Pour l'application de cette législation, on fera désormais une différence entre les personnes hébergées en maison de repos, considérées comme isolées et qui pourront probablement bénéficier de la GRAPA, et les personnes membres de communautés religieuses, considérées comme « ménage de fait », et pour lesquelles tous les revenus seront cumulés et divisés par le nombre de personnes faisant partie de ces communautés.

Cela crée une discrimination par rapport à d'autres situations de vie en communauté telles que, par exemple, l'hébergement en maison de repos. Cela modifie aussi fondamentalement les choses par rapport aux personnes qui, jusqu'à l'entrée en vigueur de la GRAPA, pouvaient bénéficier du régime du revenu garanti aux personnes âgées et qui, de ce fait, étaient considérées comme personnes isolées. Certes, les droits acquis restent acquis mais, pour les personnes nouvellement pensionnées, il y a là une discrimination. Le travail effectué par les membres de ces communautés dans les hôpitaux, dans l'enseignement ou dans le secteur de l'enfance abandonnée - souvent à titre bénévole - ne justifie pas une telle discrimination.

Mon second amendement concernant la GRAPA vise à ne pas sanctionner les familles qui font le choix de vivre ensemble : personnes âgées et leurs enfants. En effet, la loi instaurant la garantie de revenus fait dépendre le droit aux prestations du montant de toutes les ressources existant au sein du ménage. Mon amendement, qui introduit un article 134ter dans la loi-programme, vise à exclure des revenus dont il est tenu compte pour l'octroi du droit à la GRAPA, les revenus des parents jusqu'au troisième degré, parents avec lesquels la personne âgée forme un ménage.

Cet amendement se justifie également pour des raisons pratiques. En effet, de nombreuses modifications peuvent intervenir dans la situation économique, sociale et familiale de l'entité dans laquelle vit l'intéressé. Celui-ci, ainsi que les personnes avec lesquelles il vit, bénéficieront d'une meilleure garantie de sécurité d'existence si la prestation n'est pas tributaire des revenus de tous les membres de la famille ou des personnes avec lesquelles il vit.

Les veufs et les veuves constituent une autre catégorie de personnes oubliées. Cette question a été débattue à plusieurs reprises au cours de cette législature, notamment en commission des Affaires sociales de la Chambre. Les veufs peuvent cumuler, jusqu'à un certain plafond, une pension de survie et le revenu de leur activité professionnelle. Dès lors qu'ils deviennent malades ou perdent leur emploi, ils doivent choisir entre la pension de survie et le revenu de remplacement ; cela entraîne immanquablement une perte de revenus, qui s'ajoute aux difficultés auxquelles ces personnes peuvent déjà être confrontées. Ces situations méritent aussi notre intérêt, raison pour laquelle je déposerai un amendement à ce sujet.

J'ai encore un autre regret par rapport à cette loi- programme. En effet, si elle prévoit d'apporter des solutions à court terme - ressemblant un peu à des cadeaux de Noël ou à des cadeaux aux électeurs - pour un certain nombre de situations difficiles, elle ne donne guère de garanties sur le long terme. Nous entendons par là les provisions à constituer pour faire face au coût du vieillissement.

L'Institut national de Statistiques (INS), et le Bureau du Plan ont tracé, à la fin de l'année 2001, les perspectives démographiques à l'horizon 2050. Les chiffres révèlent un vieillissement de la population couplé à une augmentation de l'espérance de vie - 84 ans pour les hommes et 89 ans pour les femmes - ainsi qu'une légère baisse de la natalité - 3% de moins - sur laquelle viendra se greffer une augmentation des décès.

Un des grands défis futurs est donc, sans conteste, le vieillissement de la population, dont l'impact sur les finances publiques s'élèverait à 3,1% du PIB, ce qui représente un coût supplémentaire de 8,2 milliards d'euros d'ici 2030. Il convient dès lors de mettre à profit la période nous séparant de l'échéance de 2010 pour nous constituer des réserves suffisantes, afin d'amortir au mieux le choc démographique annoncé.

Cette semaine encore, la Commission européenne attirait notre attention sur le fait que le gouvernement belge allait être contraint, à l'avenir, de débourser des sommes bien plus élevées qu'aujourd'hui pour assurer la viabilité des pensions et des soins de santé, lesquels augmentent avec l'âge. Pour éviter que « l'érosion de l'excédent budgétaire n'hypothèque le défi des pensions », il est important de donner aux citoyens la garantie qu'un montant minimum sera obligatoirement versé, année après année, pour alimenter le Fonds de vieillissement. Voici quelques jours, le professeur Pierre Pestieau, de l'Université de Liège, faisait remarquer que le Fonds de vieillissement mis en place représentait de bien maigres ressources si le but était d'assurer la viabilité du système des pensions.

Renvoyer la décision sur le montant annuel à affecter à l'évaluation du surplus budgétaire ou à l'excédent de sécurité sociale équivaut à laisser les contraintes à court terme prendre le pas sur les contraintes à long terme, au risque de ne pas fournir les efforts structurels nécessaires pour faire face aux coûts supplémentaires inhérents au vieillissement, coûts qui apparaîtront entre 2010 et 2030. Il semble, dès lors, impératif de définir des contraintes à long terme en ce qui concerne l'alimentation du Fonds de vieillissement et d'obliger ainsi les gouvernements successifs à s'y tenir en prévoyant un montant minimum à verser, quelle que soit la situation budgétaire du pays. C'est l'objet d'un amendement que je déposerai à nouveau en séance plénière.

En ce qui concerne les modifications légales apportées au maximum à facturer, je voudrais émettre deux réflexions. Tout d'abord, si l'on peut se réjouir du fait que le maximum à facturer intégrera les médicaments de la catégorie C, remboursés à 25%, on peut toutefois craindre que cette modification ne soit utilisée, aujourd'hui ou demain, pour pouvoir faire glisser des médicaments de la catégorie B vers la catégorie C, moins bien remboursée, ce qui augmenterait encore le caractère sélectif de la sécurité sociale.

En ce qui concerne l'alimentation entérale, je continue à penser que l'on crée une discrimination injustifiable. Pour le patient à domicile, les coûts de cette alimentation entérale sont pris en compte pour le calcul du MAF, alors que pour les patients hébergés dans des institutions qui dépendent, par exemple, de la Communauté ou de la Région, le coût de l'alimentation entérale n'entre pas dans le MAF, alors même que c'est le patient qui doit payer ces soins spécifiques, puisqu'ils ne sont pas couverts par un quelconque subside régional, alors qu'ils peuvent l'être si le patient en question est hébergé dans une institution hospitalière fédérale, un hôpital ou un hôpital psychiatrique, via le prix de journée.

Je terminerai en commentant deux amendements que j'ai redéposés en séance plénière. L'un concerne le taux de la cotisation de l'industrie pharmaceutique qui, selon le texte du projet de loi, sera réduit en 2003 par rapport aux années précédentes. Mon amendement vise à ramener ce pourcentage de 2 à 3%. Par rapport au secteur des soins de santé et aux prestataires de soins en particulier, il est anormal de faire un tel « cadeau » à l'industrie pharmaceutique, même si on demande également à cette industrie d'augmenter l'enveloppe provisoire, laquelle lui sera remboursée si cette enveloppe n'est pas dépassée.

Le dernier amendement déposé devant cette assemblée concerne l'article 319 du projet de loi. Celui-ci prévoit une dérogation à la prérogative des partenaires sociaux de fixer les montants de la contribution affectée au reclassement professionnel des travailleurs. La ministre de l'emploi ayant répondu en commission que l'intention du gouvernement était de suivre la proposition des partenaires sociaux, j'estime qu'il n'y a pas de raison de modifier la procédure actuelle qui prévoit que ce sont bien les partenaires sociaux qui sont compétents pour déterminer cette contribution. Il n'appartient pas au gouvernement d'ôter des prérogatives aux partenaires sociaux, ainsi que le prévoit le projet de loi.

De heer André Geens (VLD), rapporteur voor het onderdeel Buitenlandse Betrekkingen. - De commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging heeft enkele artikelen van het ontwerp van programmawet besproken. Uit respect voor de oppositie wens ik het verslag hier mondeling toe te lichten.

Artikel 457 heeft betrekking op Finexpo. Het werd in de Kamer door de commissie voor de Financiën en de Begroting behandeld, maar in de Senaat kwam het bij de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging terecht. Finexpo is een financieel instrument voor steun aan de export dat in sommige landen aanleiding geeft tot moeilijkheden wegens de hoge premies die de Delcrederedienst voor die landen aanrekent. Er werd beslist om een grote rentetoelage toe te kennen zodat de tussenkomsten van Finexpo terug interessant worden. Dit artikel heeft trouwens geen aanleiding gegeven tot discussies.

Discussie was er wel over het thema ontwikkelingssamenwerking. Artikel 458 bepaalt dat 0,7% van het bruto nationaal product tegen 2010 aan ontwikkelingssamenwerking moet worden besteed. De regering heeft dat altijd vooropgesteld en ze heeft het dan ook in deze programmawet opgenomen. Er werd gediscussieerd over de waarde en het afdwingbare karakter van deze bepaling.

Mevrouw Willame-Boonen betwijfelde dat deze bepaling ten uitvoer zal kunnen worden gelegd. Het gaat volgens haar om een vrijblijvend engagement. Mevrouw de Bethune wees op de geringe stijging van het budget voor ontwikkelingssamenwerking. Ze vroeg staatssecretaris Boutmans of hij wel over voldoende middelen beschikte om de dreigende hongersnood in Centraal- en Zuidelijk Afrika aan te pakken. De staatssecretaris antwoordde hierop bevestigend.

Er was een amendement om het budget voor ontwikkelingssamenwerking jaarlijks met 10% te verhogen. De staatssecretaris vond het geen goed idee om vandaag reeds een stijgingspercentage vast te leggen omdat ook met andere elementen rekening moet worden gehouden. Een ander amendement wilde de niet-gouvernementele organisaties in het beslissingsproces integreren. Hierop antwoordde de staatssecretaris dat de NGO's over voldoende mogelijkheden beschikken om hun standpunten kenbaar te maken. Het amendement werd dan ook verworpen.

De artikelen 460 en 462 betreffen de landsverdediging. Er was een discussie over een dertigtal stagiaires en beursstudenten uit Benin aan de Koninklijke Militaire School. Mevrouw de Bethune haalde haar stokpaardje, de genderproblematiek, boven en vroeg of daar ook vrouwen bij zijn. Het antwoord was zeer overtuigend positief. De minister heeft ons meegedeeld dat het leger in Benin heel wat vrouwen in zijn rangen telt en dat er dus ook vrouwelijke beursstudenten zijn.

De heer Kelchtermans diende een amendement in over het personeel van de NAVO, een punt dat vroeger al door collega Devolder naar voren is gebracht. Destijds gaf dat aanleiding tot een uitgebreide discussie in de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging. Nu werden nog eens alle argumenten bovengehaald om aan te tonen dat het amendement niet in een programmawet kon worden opgenomen. Wel werd een nieuw wetgevend initiatief aangekondigd.

Een paar bijkomende amendementen van mevrouw de Bethune werden eveneens door de commissie verworpen. Hiermee heb ik een min of meer objectief verslag gegeven van de commissiebesprekingen. Ik hoop ook de oppositie recht te hebben gedaan.

De heer Wim Verreycken (VL. BLOK). - `Een programmawet dient om de begroting uitvoerbaar te maken en om noodzakelijke dringende wijzigingen aan te brengen.' Toen ik in 1989 voor de allereerste maal geconfronteerd werd met een programmawet, werd mij dit antwoord gegeven, waarna de toenmalige oppositie in een geweldige lachbui uitbarstte en de minister toeriep dat hij poogde een schandalige vuilbakwet, een vergaarbakwet te verbloemen. Let wel, het ging toen om een programmawet met een minimaal aantal artikelen, helemaal niet te vergelijken met het gedrocht van vandaag. Geen kat vindt in deze vuilbakwet haar jongen terug. En toch, dezelfde partijen die toen, in 1989, de eerste minister met zijn minimale programmawet uitscholden, bevallen nu vol blijdschap van deze wet en de partij die toen - en ook de daaropvolgende jaren - de programmawet verdedigde, laat nu al haar duivels los om de wet te verketteren. Dat zegt eigenlijk alles over de wijze waarop in dit land aan politiek wordt gedaan. Hier wordt een meerderheidsrol gespeeld en hier wordt een oppositierol gespeeld, met de nadruk op gespeeld en echt kritische stemmen worden monddood gemaakt.

Het beste voorbeeld daarvan wordt vandaag geleverd door de VLD. Deze partij - hoofdarchitect van de programmawet - moet vaststellen dat haar jongeren België al lang hebben afgeschreven. Dezelfde jongeren brengen de VLD - dé verzamelplaats van de oude Belgique-à-papa-aanhangers - nu zelfs op een confederale koers. Onmiddellijk worden woordvoerders gevonden die deze voorzichtige confederale visie afzweren en afzwakken. De auteur van de bewuste visie kan er wel op rekenen dat hij ooit minister wordt, net zoals de jonge Guy Verhofstadt, die tegendraadse burgermanifesten schreef, om zich daarna gewillig door het systeem te laten omkopen.

Dezelfde VLD - getroffen door een acute aanval van flamingantisme - pleit zowaar voor de splitsing van ongeveer alles wat in België nog unitair is en plaatst een orgelpunt door de afschaffing van de faciliteiten te eisen. Dergelijke oproepen lijken wel klakkeloos overgenomen te zijn van de enige Vlaamse-onafhankelijkheidspartij, het Vlaams Blok.

Ondertussen keurde dezelfde partij goed dat in Brussel eentalig Franstalige rechters worden ingezet en dat met de programmawet tweetaligheidstoelagen worden ingevoerd die de tweetaligheid van de personen zullen vervangen door de tweetaligheid van de diensten. Waartoe dat kan leiden kunnen we vaststellen in sommige Brusselse ziekenhuizen waar één Nederlandstalige poetsvrouw voldoende is om te verklaren dat `de dienst' tweetalig is.

Deze regering dient een programmawet in zonder te raken aan de diefstal van Vlaamse middelen, aan de niet objectief verklaarbare transfers. Ik moet hier toch citeren uit het tweede Burgermanifest van de eerste minister: `In een echte federale staat beheert elk van de bestuursniveaus zelf zijn eigen belastingmateries. Vlaanderen moet zelf bevoegd worden voor inkomsten en uitgaven. Vlaanderen moet zijn eigen sociaal-economische politiek kunnen voeren en niet langer afgeremd worden door de PS die teert op de transfers van Noord naar Zuid. Vlaanderen zorgt voor 60% van het bruto binnenlands product, voor 60% van de particuliere tewerkstelling, voor 62,5% van de omzet, voor 68% van de uitvoer en voor 59% van de investeringen. Wij betalen in Vlaanderen 61,6% van de personenbelastingen. Hoe lang kunnen wij nog aanvaarden dat de economische ontwikkeling van zes miljoen Vlamingen wordt afgeremd? Vlaanderen - zegt Guy Verhofstadt in zijn wilde Burgermanifesten - betaalt 65% van de sociale zekerheidsbijdragen en ontvangt 57,9%. Wallonië betaalt 26% en ontvangt 32,7%.'

Enkele jaren na deze sterke taal, in de stijl van `hou me tegen of...', kreeg dezelfde Verhofstadt de kans om zijn visie waar te maken. Hij kon de vorige en ook deze programmawet aanwenden om alle abnormaliteiten die hij verketterde, uit de wereld te helpen. Maar om zijn premierwedde ongestoord te kunnen opstrijken moest hij samenwerken met de `onwillige Parti Socialiste die er alleen op uit is haar macht te bestendigen op een systeem waarvoor de Vlaamse belastingbetalers moeten opdraaien'. Hij moest samenwerken met `het FDF-PRL dat met zijn aanhoudende anti-Vlaamse agitatie het samenlevingsmodel ondergraaft'. Hij moest ten slotte ook samenwerken met het extreemlinkse Ecolo, dan vandaag ronduit gehaat wordt door alle regeringspartners. Wie dat niet gelooft moet zijn oor maar eens te luisteren leggen in de wandelgangen of een bureauvergadering bijwonen. De rebelse Verhofstadt van de Burgermanifesten realiseerde geen enkele van zijn ideeën eenmaal hij verantwoordelijkheid droeg. De programmawet, waarvoor hij als eerste minister de eindverantwoordelijkheid draagt maakte geen komaf met de snel-Belg-wet die honderdduizenden nieuwe kiezers voor de linkse partijen creëerde. De programmawet gaf aan de parketten geen mogelijkheid om de Belgische nationaliteit af te nemen van een Libanees die het Midden-Oostenconflict uitvecht in de straten van Borgerhout. De programmawet scherpt het snelrecht niet aan, waarmee tot nog toe niet één, niet twee, maar vijf hooligans werden opgepakt. Leve het snelrecht. De programmawet geeft geen aanzet tot een jeugdsanctierecht, omdat Wallonië dwarsligt.

Met andere woorden: de problemen waar de burger echt van wakker ligt, namelijk het veiligheidsprobleem en het vreemdelingenprobleem, worden veronachtzaamd. Maar al de projecten die de meerderheidspartijen nodig hebben om naar de kiezer te stappen, worden wél door de strot van het parlement geduwd.

Wij worden geconfronteerd met de vennootschapsregeling en daaraan gekoppeld de ecostraffen. Wij worden geconfronteerd met de Kruispuntbank en daaraan gekoppeld de verkeersveiligheid, waarbij kan worden vastgesteld dat de beide groene partijen in alle staten zijn omdat de bewuste koppeling met enkele dagen wordt uitgesteld. De groene woede past in de vrees dat deze regering zou kunnen opstappen vooraleer de fetisjwetsontwerpen zijn goedgekeurd. Minister Tavernier verklaarde aan de Financieel Economische Tijd: `Als de regering voortijdig aan onderling gekrakeel ten onder gaat, betaalt heel paarsgroen daarvoor de rekening.' En gezien de politieke identiteit van de minister, kan ik als vaststaand aannemen dat hij bedoelt `betaalt groen de rekening.'

Uiteraard zal in dat geval enkel de eigen groene houding daarvoor gezorgd hebben. De Vlaamse Groenen die zelf hun politieke lot onlosmakelijk verbinden aan de Waalse groenen, zullen de rekening gepresenteerd krijgen voor alle groene beleidsdaden. Dus ook op de misdadige concentratie van de nachtvluchten boven Vlaanderen, zeer bewust ingesteld door een Vlaamshatende groene Ecolominister. Deze programmawet stelt de isolatiecampagne een beetje bij, maar doet niets aan de verjaging van duizenden Vlamingen uit hun huizen. Een programmawet die niets doet om de minvermogenden in de nachtvluchtregio ter hulp te komen, die niet kunnen verhuizen, maar verplicht worden in hun kelder te gaan slapen, en dan nog met oorbeschermers, zelfs voor zuigelingen.

De Groenen aan beide zijden van de taalgrens zullen ook de rekening gepresenteerd krijgen voor het NMBS-dossier. Daarin zorgde de haat van de Ecolominister tegenover de heer Schouppe ervoor dat het fundamentele probleem onopgelost bleef. Deze programmawet moet in 2004 voor een schuldovername zorgen. Een schuld die - mede door het jarenlange immobilisme van de groene minister, geobsedeerd door haar strijd tegen één persoon - in 1999 nog 2,1 miljard Euro bedroeg om in 2001 reeds te zijn opgelopen tot 3,9 miljard Euro. Voor 2002 wordt de schuld reeds op 5 miljard Euro begroot, en tegen 2006 wordt gerekend met 12 miljard Euro. Onder dit groene spoorwegbeleid werd de schuld dus verzesvoudigd. De schuldovername wordt ondertussen door deze programmawet doorgeschoven naar de volgende legislatuur. Vraag het eens aan de Verhofstadt van de burgermanifesten, die zal u vertellen dat enkel een splitsing van de NMBS nog soelaas kan bieden. Maar dergelijke splitsing botst op een Waals veto, waaraan de Vlaamse Groenen zich gekoppeld hebben door te verklaren dat zij met Ecolo getrouwd blijven.

Het is mijn overtuiging dat deze programmawet door haar omvang én door de manier waarop ze ingrijpt in domeinen die niets te maken hebben met het doel van een programmawet, een politieke obsceniteit is, een poging om elk ernstig debat dat de pijnpunten van paarsgroen zou blootleggen, in de kiem te smoren. Deze programmawet is de sterkste illustratie die ik ooit hoorde van het gezegde `de vis verdrinken'.

Deze regering houdt de burger voor volslagen idioot. Met de bedoeling de eigen themata als verkiezingsinzet te verklaren, zetten de paarsgroene ruziemakers hun pionnen vooruit. Zij realiseren nog gauw enkele fetisjen via de programmawet en via de verschillende gekoppelde wetsontwerpen. En er is de moord door een gek in Borgerhout voor nodig om de media en de politieke wereld te dwingen aandacht te besteden aan de echte zorgen van de burger. Enkel het Vlaams Blok stelde vast dat in meerdere gemeenten, waaronder Borgerhout, enkel blanke bejaarden werden beroofd, dat enkel blanke kinderen werden afgeperst, dat zeer selectief enkel de uitstalramen van blanke handelaars werden ingegooid, dit tijdens een uiting van een zogenaamd spontane volkswoede. Enkel het Vlaams Blok stelde vast dat dit aantoonbare stramien wees op een geplande etnische zuivering. Het antwoord van de regering bestaat uit nog meer knuffelmaatregelen voor de allochtone bendes. Het antwoord van de regering bestaat uit een reeks ontwijkende antwoorden van een zwakke minister van Justitie. Het antwoord van de regering bestaat uit een programmawet die enkel de kleine partijpolitieke belangen van de meerderheidspartijen dient, maar die de burger in de kou laat staan.

Als laatste redmiddel om toch maar de aandacht van de burger af te leiden van het mismeesteren van de samenleving, grijpt de regering nu naar de koninklijke bliksemafleider. Een zekere prins `Roland', althans volgens de eerste minister, moest zich nu maar eens verloven, en ook nog trouwen voor de verkiezingen. Dit alles tot meerdere eer en glorie van ministers die zichzelf daardoor voor de camera's kunnen manoeuvreren. Het bevel vanuit de Wetstraat 16 werd onmiddellijk begrepen door de media, die uitgebreid uit de doeken deden dat een speciale ministerraad de verloving diende goed te keuren en aan de bevolking mee te delen. De verslaggeving daarover deed me heel sterk denken aan de tv-reeks `Schone Schijn', met Guy Verhofstadt in de rol van mevrouw Bucket-Bouquet. Hij kwam het verhaal vertellen dat hij de schijn diende hoog te houden met `Noem mij maar Bouquet in plaats van Bucket.' Uiteraard heb ik medelijden met de armlastige prins, die moet rondkomen met een schamele 11 miljoen oude Belgische franken per jaar, zonder de vele gebouwen- representatie- en onkostenboni mee te rekenen. Ik begrijp dat hij eindelijk van de straat moet raken en het verheugt me dat de Kamer een ontwerp ter verbetering van het statuut van landmeter behandelt, zodat de prins voortaan wat meer kan terugvallen op de inkomsten van zijn echtgenote. De man zal dan eindelijk echt van straat zijn en iedereen gelukkig, zijn ouders nog het meeste. Daarvoor kan ik allemaal wel begrip opbrengen, maar ik heb geen begrip voor moderne regeringsleiders die een dergelijk wansmakelijk glamour-en-glitternummertje ondersteunen, enkel om de aandacht van de burger af te leiden.

De aandacht moest worden afgeleid van het Sabenadrama, van het Philipsdrama, van het NMBS-drama, van het Islamfundamentalistische drama, van het schaamteloze opsouperen van de té kleine financiële ruimte die enkele jaren geleden leek te kunnen groeien. Daarvoor moet nu een prins opdraven.

De aandacht moet worden afgeleid van de wapenstunts van Michel, de onaangenaamste minister van Buitenlandse Zaken die we ooit kenden, van de Vlaamshatende strapatsen van Onkelinx en Durant, van de eeuwige goed-nieuwsshow van Verhofstadt die nog altijd niet begrijpt dat de `Tricolor' definitief gezonken is en enkel een gigantische vervuiling heeft nagelaten. Wij hebben dit wel al begrepen en pleiten voor onafhankelijkheid. Ook de VLD-jongeren pleiten nu voor een confederale staat. Als Verhofstadt zijn eigen burgermanifest naleest, zal hij het ook begrijpen: de `Tricolor' is vergaan.

Tot slot parafraseer ik collega Ceder: deze programmawet, deze politiek obscene vuilbakwet van paarsgroen is net zo betrouwbaar als een offerte van Noël Slangen. Foert!!!

M. le président. - Nous poursuivrons nos travaux cet après-midi à 14 h 30.

(La séance est levée à 12 h 30.)