2-227

2-227

Sénat de Belgique

Annales

VENDREDI 19 JUILLET 2002 - SÉANCE DU SOIR

(Suite)

Proposition de loi modifiant l'article 10 de la loi du 24 décembre 1996 relative à l'établissement et au recouvrement des taxes provinciales et communales (de Mme Anne-Marie Lizin, Doc. 2-570)

Discussion générale

M. le président. - Mme Cornet d'Elzius se réfère à son rapport écrit.

De heer Wim Verreycken (VL. BLOK). - Dit voorstel werd eerst naar de commissie voor de Financiën gestuurd. Dat was logisch, aangezien het over belastingen gaat. Die commissie diende echter te veel andere, echt belangrijke ontwerpen te behandelen. Hoewel het voorstel niet dringend is, verhuisde het toch plots naar de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden, waarvan de voorzitster toevallig ook de indienster van het voorstel is.

Ik meen dat de Raad van State beter ware geraadpleegd over het voorstel. Het dreigt immers ernstige bevoegdheidsconflicten te doen rijzen. Ik verwijs naar de toelichting, waarin wordt gezegd dat twee artikelen uit het Gerechtelijk Wetboek van toepassing moeten worden op de gemeentelijke en provinciale belastingen, net zoals voor de federale belastingen. Ik neem aan dat wij bevoegd zijn voor de federale belastingen, maar voor de andere begeven we ons op gevaarlijk terrein. Ook de rapporteur meende dat we beter de Raad van State hadden geraadpleegd. Dat werd door de gehaaste commissievoorzitster niet aanvaard.

Het oorspronkelijke voorstel had tot doel de bescherming van een klager tegen de administratie op te heffen. Ik diende een amendement in om toch een beschermingstermijn van drie maanden te geven. Dat werd niet aanvaard, maar gelukkig werd een amendement van mevrouw De Schamphelaere aanvaard. Dat voert een termijn van zes maanden in.

Het Vlaams Blok zal zich onthouden omdat de Senaat zich met dit voorstel mengt in aangelegenheden die hem niet aangaan. Wij willen de gemeenschappen en gewesten niet aan de leiband houden.

Mevrouw Mia De Schamphelaere (CD&V). - Ondanks het haastwerk dat deze week in de commissie voor de Binnenlandse Zaken is verricht, werd gelukkig toch geluisterd naar onze argumentatie en werd een amendement aangenomen zodat het recht om van de administratie een antwoord te krijgen, wordt vastgelegd binnen een termijn van zes maanden. Dit raakt een van de basisbeginselen van behoorlijk bestuur: burgers moeten van de administratie een antwoord kunnen verwachten op hun bezwaarschriften. Wanneer geen antwoord kan gegeven worden binnen een redelijke termijn, moet het bezwaar als aanvaard beschouwd worden.

Op dit moment geldt volgens de wet van 24 december 1996 dat bij afwezigheid van een beslissing van de administratie, het ingestelde bezwaarschrift gegrond wordt geacht, maar ook dat eveneens de artikelen 1385decies en undecies van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing zijn. Dit schept verwarring: ofwel wordt het bezwaar gegrond geacht bij ontstentenis van een bestuurlijke beslissing ofwel moet de verzoeker het geschil aan de rechtbanken voorleggen, maar niet beide tegelijk. Het voorstel stelde oorspronkelijk voor de regel waarbij de ontstentenis van een beslissing als instemming geldt, te laten vervallen.

Voor ons was dat niet de juiste oplossing omdat de burger altijd recht heeft op behandeling van zijn dossier door de administratie en wel binnen een redelijke termijn. De administratie mag uit haar eigen passiviteit geen rechten putten. Dit is een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. De wetgever moet dus bepalen dat bij ontstentenis van antwoord van de administratie het ingediende bezwaar geacht wordt gegrond te zijn. Ons inziens vloeide de interpretatiemoeilijkheid voort uit het feit dat er geen termijn van antwoord in de wet is vastgelegd. Ons amendement, dat unaniem door de commissie werd goedgekeurd, voorziet in die termijn van zes maanden.

-La discussion générale est close.