2-223

2-223

Sénat de Belgique

Annales

JEUDI 18 JUILLET 2002 - SÉANCE DE L'APRÈS-MIDI

(Suite)

Projet de loi-programme (Doc. 2-1248) (Procédure d'évocation)

Discussion générale

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Ik raad iedereen Mémoires van Saint-Simon te lezen waarin hij een sociologische analyse geeft van het politieke beleid van Lodewijk XIV. In dat boek beschrijft de auteur hoeveel nutteloze rituelen die de geloofwaardigheid van de besluitvorming beïnvloeden, in stand werden gehouden zonder dat zij die de rituelen uitvoerden, beseften dat ze nutteloze dingen deden. Dit wordt met veel mooie anekdotes geïllustreerd.

De vaststelling van Saint-Simon gaat op voor het Senaatsdebat over de programmawet. Dit debat is totaal nutteloos, ondanks het feit dat de meerderheid een unieke kans heeft. De voorbije jaren werden al onze opmerkingen en amendementen op de programmawetten, zelfs als ze betrekking hadden op kennelijke fouten, steeds van tafel geveegd met als alibi dat de Kamer in reces ging.

Welnu, de Kamer zal volgende week vergaderen. Het politieke argument van de meerderheid vervalt. De Kamerleden hebben vanmiddag beslist dat ze uitgeput zijn en dat ze 48 uur rust zullen nemen alvorens zaterdag de hervorming van de kieswet te bespreken. Als dan nog adviezen worden gevraagd aan de Raad van State, dan zal de Kamer einde juli nog bijeenkomen.

We hebben vandaag en morgen dus de mogelijkheid om amendementen aan te nemen. Het alibi vervalt en eindelijk kan worden gedebatteerd over de inhoud. In de commissie is een inhoudelijke discussie nooit mogelijk gebleken omdat de meerderheid daar alle mogelijke amendementen van de oppositie heeft verworpen. De meerderheid geeft hierbij aan dat de oppositie volgens haar maar twee soorten amendementen indient. De ene helft getuigt van onbekwaamheid; ze moeten worden verworpen omdat de oppositie niet weet waarover ze praat. De andere helft getuigt van systematisch kwade trouw. Dit lot was onze amendementen de afgelopen drie jaar bij de bespreking van de programmawet beschoren.

Ik roep de leden van de Senaat dan ook op om morgen bij de artikelsgewijze bespreking rekening te houden met de beloften die ze in 1999 aan hun kiezers hebben gedaan. Zo hebben de liberalen beloften gedaan over deregulering en wettelijke kwaliteit.

We krijgen met de programmawet vandaag echter nogmaals een mooi voorbeeld van wettelijke inflatie. Op economisch vlak is die gelukkig niet te hoog, op wettelijk vlak daarentegen wordt ze verzekerd.

Ik had verwacht dat de liberalen en de groenen zich zouden vinden in een groot nieuw bondgenootschap. De enen zijn immers voor deregulering en de anderen voor zuinigheid. We hadden dus eindelijk rustig grote beginselwetten kunnen bespreken.

De eminente leden van de meerderheid zouden toch Montesquieu in gedachten moeten houden, die ons voorhield dat `les lois inutiles affaiblissent les nécessaires.' Ze kunnen toch niet beweren dat de programmawetten die alle zes maanden ter stemming worden voorgelegd des lois nécessaires zijn. Ze zijn, naar het woord van Portalis, inutiles.

De regering begint met 145 artikelen en eindigt er met 207, een toename met ongeveer 25% die volgens ons wordt veroorzaakt door het gevoel van nutteloosheid van de leden van de meerderheid in Kamer en Senaat. Het fenomeen van nutteloosheid werd bestudeerd in de gedragspsychologie, maar hierop zullen mijn collega's desgevallend morgen dieper op ingaan.

De nieuwe Franse eerste minister Raffarin - niet `Raffarien', zoals sommigen hem noemen - zei in de regeringsverklaring van 3 juni: `La vie des Français est devenu bien compliquée et l'État n'a pas contribué à la simplifier avec des lois trop nombreuses, une intervention trop fréquente, des procédures trop complexes.' De nieuwe Franse president Chirac parafraseert met betrekking tot zijn programma als het ware Portalis: `Trop de loi tue la loi.' Hij klaagt aan `l'inflation normative paralysante qui pénalise les plus faibles et entrave l'esprit d'entreprise au seul bénéfice des spécialistes qui font écran entre les citoyens et le droit.'

Nutteloze activiteiten en wetten hebben enkel tot doel een scherm op te trekken tussen de burger en het leven. We mogen niet langer met een onbevangen blik naar het leven en de mensen kijken, we moeten ze met een ideologische blik bekijken. De natuur bestaat niet meer, de natuur is voor de kunstenaar en de dichter. Voor de politiek bestaat nog enkel de wet. En wij zijn verplicht voortdurend in het aanschijn te leven van de wetten waaraan de meerderheid permanent honderden artikelen toevoegt in een onleesbaar verhaal dat de burger koud laat. De wet die we vandaag behandelen heeft als belangrijkste kenmerk dat ze een reparatiewet is voor een wet die we zes maanden eerder goedkeurden en die op haar beurt een reparatiewet was voor een wet van zes maanden daarvoor. Wat een verspilling van energie en creativiteit. Wat een mentaliteit. Wat een grond voor onvrede bij de oppositie die een tempo opgelegd krijgt dat niet verzoenbaar is met degelijk parlementair werk in een reflectiekamer. Des faits inutiles, des lois inutiles, des manoeuvres inutiles, dat is vandaag de dominerende cultuur in de Senaat. Drie jaar lang zijn we daartegen ingegaan. We hebben voorstellen geformuleerd, amendementen ingediend, het ene al beter dan het andere, maar bij de bespreking van de programmawet heeft de meerderheid niet één amendement aanvaard. Esprit d'ouverture? Elke match draait uit op honderd-nul, al weet iedereen wel dat dit de realiteit niet weerspiegelt. Zo kom ik terug bij mijn uitgangspunt: Saint-Simon die inzag dat de rituelen niet meer aangepast waren aan de tijd en de problemen van de mensen. We zijn in een microkosmoscultuur beland, die wordt opgelegd door enkele propagandaofficieren, waarbij de parlementsleden hun representatieve rol niet langer spelen. Waarom altijd schermen met de gevaren van het populisme, als het parlement zelfs de kans niet krijgt om zijn rol te spelen. Een representatieve democratie veronderstelt een overleg en een besluitvorming in het licht van het algemeen welzijn. Dat sluit natuurlijk geen partijpolitieke standpunten uit. Alleen is de goede werking van de representatieve democratie een état d'esprit, een benadering gebaseerd op duurzaamheid. Waarom geen duurzame politieke verdedigen zoals sommigen de duurzame economie verdedigen? Hier elke week zoveel wetten moeten aanpassen en goedkeuren, die overigens niet toegankelijk zijn voor de burger, is alleszins niet verzoenbaar met duurzame politiek. De afstand tussen de burger en het politieke leven wordt alleen maar groter, het scherm tussen de politiek en het werkelijk leven - ik verwijs weer naar de Franse president Chirac - wordt steeds dikker.

Dat is het echte probleem van de ongeloofwaardigheid van de politiek; een gesloten microkosmos waarbij de politieke actie in hoofdzaak neerkomt op het stemmen van nutteloze en erg gecompliceerde wetten.

Met een regeringsprogramma dat alleen in hoofdletters geschreven was, wil de oppositie van de regering wel een ander antwoord krijgen dan `het was vroeger ook zo'. Dat is toch geen argument en bovendien had de regering een totaal nieuw beleid en een nieuwe bestuursstijl aangekondigd. De regering zou de sociaal-economische en politieke problemen anders aanpakken. Maar als we de regering met die beloften confronteren dan krijgen we nooit een inhoudelijk antwoord, maar worden we steevast afgewimpeld met `het was vroeger ook zo'. Waarom moest er dan een andere meerderheid komen?

De regering maakt zich politiek ongeloofwaardig en geeft zo de indruk dat we niet meer in een representatieve democratie leven, maar in een `karteldemocratie'. Een kartel van partijen zegt aan de kiezers dat het over heel wat punten fundamenteel van mening verschilt, maar dat het einde nabij is als ze voor een andere partijen durven te stemmen. Eenmaal aan de macht hebben de kartelpartijen maar één programmapunt: het behoud van de macht en daarvoor wordt het ene compromis na het andere gesloten.

De vorige regering kreeg van de pers meer dan eens het verwijt dat haar ministers pluchevast waren, dat ze geen rekening hielden met de publieke opinie. De pers vroeg meer politieke geloofwaardigheid, consequent politiek gedrag. Vandaag zien we dat er veel ergere dingen gebeuren dan toen. De regering geeft sommige fouten zelfs toe, maar ze trekt daar nooit conclusies uit. Zo een houding kan alleen maar het beeld van de karteldemocratie versterken.

Typisch voor die karteldemocratie is dat ze nooit een probleem heeft met de problemen van de mensen. De karteldemocratie heeft maar één probleem en dat is de oppositie. Van een regering die politieke vernieuwing wil, wordt verwacht dat ze de politiek dichter bij de mensen brengt. Dat kan door het herstel van het dualisme. Dat betekent een spanning die tot uiting komt in een democratisch debat tussen parlement en regering.

Dat zou een nieuwe debatcultuur zijn, maar de meerderheid maakt er iets totaal anders van, zij beperkt het debat tot de meerderheidspartijen. Alleen tussen de regeringspartijen wordt er nog gediscussieerd, zelfs in het openbaar. En als dat debat rond is komt de regering naar het parlement, waar de meerderheid nog maar een zaak te doen heeft: alle voorstellen van de oppositie verwerpen. Met de oppositie willen de meerderheidspartijen geen debat, want voor hen is die in de karteldemocratie van vandaag nog de enige tegenstrever. Dat is de essentie van de politieke cultuur die steeds arroganter vormen aanneemt en die - onderschat dat vooral niet - het ons steeds moeilijker maakt om te doen wat wij als oppositie vanuit democratisch oogpunt moeten doen. Elementen die voor ons evidenties waren in de werkzaamheden van de beide kamers, worden verlaten en ondergeschikt aan de eisen van deze karteldemocratie.

Daarom zullen ikzelf en andere leden van de CD&V-fractie morgen tijdens de bespreking van de programmawet alle deelaspecten - de buitenlandse politiek, de fiscaliteit, de sociaal-economische politiek, de politiehervorming, ... - nogmaals aan de orde stellen.

De algemene beschouwingen die ik vandaag heb uiteengezet zijn een oproep aan de senatoren van de meerderheid. Het is de laatste maal in deze legislatuur dat we in de maand juli een programmawet behandelen. De voorbije drie jaar hebben we bij gelijkaardige programmawetten telkens ernstige amendementen voorgesteld en opgeroepen tot een open debat. Vandaag en morgen kan deze meerderheid alsnog blijk geven van haar wil om in de geest en volgens de letter van de grondwet met ons de discussie te voeren over de problemen waar ons land voor staat. Ze kan blijk geven van een wil om goede wetgeving te maken, wat altijd de eerste taak is van een parlement en die de zin is van het mandaat van alle senatoren. Ze kan ook verder gaan in de vorm van democratie die ik heb beschreven. Ik ben er zeker van dat de dag komt- niemand weet wanneer- dat de publieke opinie daaraan een einde maakt.

De heer Wim Verreycken (VL. BLOK). - Voor de Vlaams Blok-fractie is deze programmawet een vuilbakwet, een vergaarbakwet die niets nieuws bevat. In de tien jaar dat ik senator ben, maak ik het nu al voor de zoveelste keer mee dat de meerderheid ons een dergelijke vuilbakwet in de maag duwt. Met andere woorden, de regering die alles anders ging doen, heeft daar niets aan veranderd.

Het eigenaardige aan deze vergaarbakwet is dat ze ook een reparatiewet moet worden voor wetten die wij, senatoren, niet mochten amenderen. Ik denk bijvoorbeeld aan de wet op de politiehervorming. In deze programmawet herken ik tal van artikelen die echte doorslagen zijn van amendementen die destijds werden afgewezen. De Senaat mocht toen geen amendement goedkeuren, maar vandaag brengt de regering in een programmawet hetzelfde verhaal als die amendementen, maar nu is ook dat verhaal te nemen of te laten. Dit bijzonder eigenaardige fenomeen toont aan dat de regering alleszins niet vies is van een nummertje tekst- en ideeënpikkerij, als het maar de eigen eer en glorie dient.

De Senaat is een loutere bekrachtigingsmachine in plaats van een denkmachine. Een goed voorbeeld daarvan is het wetsontwerp over de patiëntenrechten. Iedereen zegt dat dit een hoogst belangrijk onderwerp is, maar het moet wel op twee dagen door de Senaat worden gejaagd. Indien dit ontwerp echt zo belangrijk is, hebben we er meer tijd voor nodig. Voor sommige zaken moeten we nu eenmaal rustig, in een eerlijke debatcultuur, de tijd nemen. Het bevel om het ontwerp vlug door de Senaat te laten behandelen komt dan nog wel van een minister die zelfs de juridische bezwaren niet begrijpt indien ze geen telefoontje krijgt van haar premier of kan overleggen met iemand uit haar eigen fractie. Ik begrijp niet dat zo een onkunde in de Senaat wordt aanvaard. Volgend jaar zullen wij opnieuw een reparatiewet krijgen met wijzigingen aan de wet op de patiëntenrechten. Wij zullen die dan opnieuw moeten slikken, zonder er iets over te kunnen zeggen.

De programmawet wordt ook gebruikt om dingen door onze strot te duwen die in gewone omstandigheden niet haalbaar zijn. Ik denk bijvoorbeeld aan de invoering van het Engels in de militaire school. De minister zegt in de commissie dat dit enkel gebeurt voor het onderwijs in de luchtvaart en de informatica. Er speelt echter nog iets anders mee: het Engels is een toegankelijke taal voor alle vreemdelingen. In de programmawet kondigt de minister aan dat hij Europese vreemdelingen tot het leger wil toelaten. Uiteraard zal hij de vreemdelingen toestaan Engels te praten. De minister neemt dus mensen in dienst die geen affiniteit hebben met het land dat zij geacht worden te verdedigen, maar geen van de landstalen spreken. Het vreemdelingenlegioen van minister Flahaut zal Engelstalig zijn. Dan is er maar één oplossing: het leger splitsen in een Vlaams leger en een Waals leger. Klinkt dat belachelijk? Welnu, in 1989 heb ik hier gepleit voor een splitsing van de NMBS. Vandaag schrijft een minister in de programmawet dat zij voorstander is van de `uniciteit' van de NMBS, terwijl Vlaamse ministers de splitsing van de NMBS voluit verdedigen. Wat wij in 1989 hier verdedigden, wordt nu gevolgd door sommige ministers. Het Engelstalige leger dat minister Flahaut ons wil opdringen mag wat mij betreft volledig worden gesplitst in een Vlaams en een Waals leger die terug affiniteit hebben met het volk dat zij worden geacht te verdedigen. De artificiële Belgische staat kan niet langer affiniteit teweeg brengen bij degenen die nu in het leger in dienst zijn.

De programmawet is ook een reparatiewet voor het droevige vervolgverhaal van de politiehervorming. De politiehervorming zal worden geregeld met weer eens een nieuwe raad, de federale politieraad. Er is reeds een federale politieraad, een adviesraad van burgemeesters, de Vereniging van Steden en Gemeenten, parlementaire commissies, vakbonden, en zo meer. Er zijn zoveel verschillende adviesraden inzake de politiehervorming dat de minister enkel hoeft ja te knikken tegenover die drukkingsgroepen en hun eisen opnemen in de eerstvolgende programmawet.

Ik ga verder met mijn bewust fragmentarisch betoog. Het gaat tenslotte om een algemene bespreking.

In verband met de dienst 100 houdt dezelfde minister staande dat een deel van de kosten die gedragen worden door de zetelgemeenten, zullen worden gespreid over alle gemeenten, ook over de gemeenten die geen zetelfunctie hebben en dus geen dienst 100 herbergen. Dan vraag je natuurlijk meteen aan die minister of een deel 5% is dan wel 95%. Wat wordt er bedoeld met een deel? Hangt dat af van de politieke samenstelling van de gemeenteraad? Vermindert dat deel als er een vriend van Bernie Ecclestone in de gemeenteraad zitting heeft? Volgens welke parameter wordt dat deel bepaald?

De minister antwoordt dat hij dat zal bepalen in een ministerieel besluit. Volgens hem moeten parlementsleden hierover blijkbaar niet precies worden ingelicht. Hij heeft in de commissie verklaard dat niemand zijn pen hoeft vast te houden, met andere woorden hij weigert de parameters te vermelden in de wet en in de toelichting. De meerderheid zal deze vernedering aanvaarden en zich ook dit dictaat door de strot laten drukken.

Een laatste opmerking in mijn fragmentarisch overzicht betreft de dichting van de digitale kloof. Dat klinkt enorm, maar het komt erop neer dat 93.000 tot 155.000 mensen een informatica-interface en een voorafbetaalde toegang tot het internet kunnen krijgen. Het zullen wel kniesoren zijn en onbenullen in staatsfinanciën, die menen dat hiervoor iemand zal moeten betalen. Niets is immers gratis.

Als de volgende regering een gat zal vinden in de schatkist en het gratis ter beschikking stellen van een informatica-interface zal willen terugschroeven, dan zullen er senatoren opstaan en met tremolo's in de stem betogen dat de vierde wereld al die dingen gratis moet krijgen en dat aan de verworven rechten van de anderen niet mag worden geraakt.

Ik heb daar problemen mee. Mijns inziens stevenen wij af op een alles-gratis-Staat waar enkele mensen zullen moeten betalen voor allen, want niks is gratis. Wie dat durft vast te stellen op de tribune, zal van deze hoera-regering altijd ongelijk krijgen. Dat zal ons niet beletten om op dezelfde nagel te blijven slaan.

Deze wet rammelt aan alle kanten, de huidige regering doet niets beters of anders dan de vorige.

Heren van de regering, kom hier niet langer pronken met `wij doen alles anders, sneller, efficiënter...'. Er is niets verbeterd of veranderd. Het door de strot duwen heeft vandaag ongekende proporties aangenomen. Dit berokkent schade aan de politieke geloofwaardigheid, aan de uwe en aan de onze, aan het recht op een tweede lezing voor de Senaat, aan ons amenderingsrecht en vooral aan onze amenderingsplicht wanneer wij een fout zien in een wettekst. De grootste schadelijder van dit wanbeleid is echter de bestuurde, de burger.

Waarde regering, waarde leden van de meerderheid, vóór u nog eens een programmamonster op ons kunt afvuren, zien wij elkaar terug in juni 2003, als de burger het woord krijgt.

M. le président. - Nous poursuivrons nos travaux ce soir à 20 h 30.

(La séance est levée à 18 h 50.)