2-195

2-195

Sénat de Belgique

Annales

JEUDI 28 MARS 2002 - SÉANCE DU MATIN

(Suite)

Proposition de loi relative à l'extension du droit de vote et d'éligibilité aux élections communales aux ressortissants non européens résidant en Belgique (de M. Frans Lozie et Mme Marie Nagy, Doc. 2-548)

Proposition de loi visant à instituer une consultation populaire sur le droit de vote des étrangers (de M. Joris Van Hauthem, Doc. 2-582)

Proposition de loi visant à octroyer le droit de vote et d'éligibilité aux élections communales et provinciales aux ressortissants étrangers (de M. Philippe Mahoux et consorts, Doc. 2-587)

Proposition de loi modifiant la loi électorale communale et la nouvelle loi communale, en ce qui concerne le droit de vote et d'éligibilité des non-Belges aux élections communales et provinciales (de Mme Fatma Pehlivan et M. Louis Tobback, Doc. 2-880)

Proposition de loi modifiant la loi électorale communale et la nouvelle loi communale, en ce qui concerne le droit de vote et d'éligibilité aux élections communales des ressortissants des États membres de l'Union européenne et des autres ressortissants de nationalité étrangère résidant en Belgique depuis plus de cinq ans (de M. Georges Dallemagne et consorts, Doc. 2-954)

Discussion générale

M. le président. - Je vous propose de joindre la discussion de ces propositions de loi. (Assentiment)

Mevrouw Meryem Kaçar (AGALEV), corapporteur. - Het is mij een groot genoegen verslag uit te brengen over deze wetsvoorstellen waarvoor er drie verslaggevers zijn aangewezen. Ikzelf breng verslag uit over de inleiding en de uiteenzetting van de indieners, mevrouw De Schamphelaere over de algemene bespreking en de heer Moureaux over de artikelsgewijze bespreking en de stemmingen.

Er werden vijf wetsvoorstellen ingediend over het toekennen van lokaal stemrecht aan niet-EU-vreemdelingen die in België wonen. Over het eerst ingediende wetsvoorstel van Agalev-Ecolo, het zogenaamde voorstel Lozie-Nagy, werd na de commissievergaderingen van 16 en 28 november 2000 advies gevraagd aan de Raad van State. Advies werd uitgebracht op 14 september 2001. Later werden nog voorstellen ingediend door de PS, het Vlaams Blok, SP.A en PSC. Al die voorstellen werden samen uitgebreid besproken tijdens een dertiental vergaderingen. Het voorstel Lozie-Nagy werd daarbij als basis genomen.

Er werden ook hoorzittingen georganiseerd met binnenlandse en buitenlandse experts, met de heer Rutten, burgemeester van Breda, met de heer Bourlard, voormalig directeur van de vertegenwoordiging van de IAO bij de Europese Gemeenschap en de landen van de Benelux, en met individuele woordvoerders van verschillende organisaties.

Zowel de heer Rutten als de heer Bourlard vestigden er de aandacht op dat de economische en de sociale rechten die zijn opgenomen in een aantal Europese grondwetten, onder meer in Frankrijk, Duitsland, België en Italië, voor alle onderdanen gelden, dus niet alleen voor de eigen onderdanen. We zien dus dat het territorialiteitsbeginsel gaat primeren op het nationaliteitsbeginsel.

Normaal gezien moest het verslag van de hoorzittingen dat als bijlage verschijnt samen met de vraag van mevrouw Leduc en het antwoord van de minister, op de banken hebben gelegen. Ik hoop dat dit document vandaag nog wordt rondgedeeld.

Op vraag van de commissie kregen de commissieleden van het Rijksregister een 785 pagina's tellend document met statistische gegevens over de op datum van 16 november 2001 in België verblijvende vreemdelingen ouder dan 18 jaar, opgedeeld in EU en niet-EU-onderdanen per nationaliteit en per gemeente. Het document was te omvangrijk om aan het verslag toe te voegen.

De commissie heeft op 12 maart 2002 gestemd met het reeds bekende resultaat: 6 stemmen voor en 9 tegen. Tijdens die vergadering deelde de commissievoorzitter, mevrouw Lizin, mee dat zij naar aanleiding van de internationale vrouwendag op 8 maart een petitie heeft ontvangen met de vraag om het lokaal stemrecht voor niet-Europese onderdanen goed te keuren. De petitie werd aan de voorzitter van de Senaat bezorgd.

Nu kom ik tot het tweede deel van mijn verslag. Van de vijf voorliggende voorstellen hebben er vier betrekking op de wijziging van de kieswet. Ik zal de gelijkenissen en de verschilpunten van de verschillende wetsvoorstellen aangeven. Het wetsvoorstel van Agalev-Ecolo van de heer Lozie en mevrouw Nagy, het wetsvoorstel van de PS van de heer Mahoux, het wetsvoorstel van de SP.A van de heer Tobback en mevrouw Pehlivan en het wetsvoorstel van de PSC van de heer Dallemagne hebben vier punten gemeenschappelijk.

Een eerste punt betreft de drijfveer voor het indienen van deze wetsvoorstellen. Volgens het op 11 december 1998 herziene artikel 8 van de Grondwet kan voor de uitoefening van de politieke rechten worden afgeweken van de nationaliteitsvereiste. Het derde lid van dat artikel stelt de wetgever in staat het stemrecht te regelen van EU-burgers die niet de Belgische nationaliteit hebben. De wet van 27 januari 1999 heeft ervoor gezorgd dat de onderdanen van de EU vandaag actief en passief kiesrecht bezitten bij gemeenteraadsverkiezingen. De grondwetgever heeft ervoor gezorgd dat dit stemrecht ook kan worden uitgebreid tot de niet-EU-onderdanen. Dat kan bij gewone wet worden geregeld vanaf januari 2001. Vanaf die datum was dus voldaan aan de grondwettelijke vereiste en kon het debat daarover worden aangevat.

Een tweede drijfveer voor de indieners was de betere integratie van de vreemdelingen die ervoor kiezen in ons land te blijven. Stemrecht geven aan deze categorie kan de lokale democratie verfijnen.

Het derde gemeenschappelijke punt is de vermindering van de administratieve rompslomp bij verkiezingen, die ontmoedigend werkt, zoals we dat hebben gezien voor de niet-Belgische EU-onderdanen. Het voorstel is om alle niet-Belgische inwoners die ingeschreven zijn in de bevolkingsregisters automatisch op te nemen op de kiezerslijsten. Wie niet wil gaan stemmen kan zich van de kiezerslijsten laten schrappen. Volgens de EU-richtlijn van 19 december 1994 kunnen EU-onderdanen immers niet tot stemmen worden verplicht.

Een vierde gemeenschappelijke punt in de wetsvoorstellen is het lokale karakter van het actief en passief kiesrecht voor de niet-EU-onderdanen die een aantal jaren legaal in ons land verblijven. Overeenkomstig artikel 41 van de Grondwet is het lokaal bestuur zowel de gemeente als de provincie. Het wetsvoorstel van Agalev-Ecolo behelst enkel het kiesrecht voor de gemeenteraadsverkiezingen, maar laat een opening naar de provincieraad. De andere wetsvoorstellen bevatten het kiesrecht voor zowel gemeente- als provincieraadsverkiezingen. In al de wetsvoorstellen gaat het dus enkel om de lokale verkiezingen, en niet om de federale.

Een eerste verschil tussen deze vier wetsvoorstellen betreft de vereiste verblijfsduur om te kunnen deelnemen: in de voorstellen van Agalev-Ecolo, van de PS en van de PSC wordt die termijn op vijf jaar vastgesteld. In het voorstel van de PS wordt de eis toegevoegd dat het verblijf ononderbroken moet zijn. In het voorstel van de SP.A is een verblijf van drie jaar voldoende om te kunnen deelnemen aan de lokale verkiezingen.

Volgens de EU-richtlijn mag aan de EU-onderdanen geen enkele bijkomende verplichting zoals een bepaalde verblijfsduur worden opgelegd. Zij hebben bij de gemeenteraadsverkiezingen van de Staat waarin zij verblijven actief en passief kiesrecht "onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die Staat".

Het tweede verschilpunt betreft de stemplicht versus opkomstplicht. Enkel het voorstel van de SP.A vermeldt de stemplicht, terwijl de andere drie voorstellen het actieve en passieve kiesrecht bij de lokale verkiezingen uitbreiden tot alle vreemdelingen wettelijk ingeschreven in de bevolkingsregisters na ten minste vijf jaar wettelijk verblijf. Bij de bespreking werd een consensus bereikt over het begrip `opkomstplicht'.

Het derde verschilpunt bestaat in het al dan niet uitbreiden naar de uitvoerende mandaten, namelijk het ambt van burgemeester of schepen. Enkel het PS-wetsvoorstel voorziet in de mogelijkheid vanaf 2006 de uitvoerende mandaten uit te breiden tot niet-EU-onderdanen. Agalev pleit voor de afschaffing van de nationaliteitsvereiste voor de OCMW-raad zodat ook onderdanen van andere EU-lidstaten zich kandidaat kunnen stellen. Voor een uitbreiding naar het ambt van burgemeester en schepen is een specifieke wet vereist. De voorstellen van SP.A en PSC voorzien evenmin in een uitbreiding voor de uitvoerende mandaten.

Tot slot is er het wetsvoorstel van het Vlaams Blok, dat door de heer Verreycken werd toegelicht. Dit voorstel strekt niet tot de aanpassing van de kieswet, maar tot het organiseren van een volksraadpleging over de voorgestelde wetswijzigingen.

Ik sta nu het woord af aan mevrouw De Schamphelaere, corapporteur, die verslag zal uitbrengen over de bespreking in de commissie. In de loop van de algemene bespreking zal ik nog het woord vragen om mijn persoonlijk standpunt naar voren te brengen.

Mevrouw Mia De Schamphelaere (CD&V), corapporteur. - De algemene bespreking van de voorstellen vond plaats op 6 november 2001 en op 5 en 19 februari 2002. Ze kan in drie punten worden samengevat: ten eerste, het principiële debat over de visie op integratie, democratie, nationaliteit en nationaliteitsverwerving; ten tweede, de voorwaarden tot het toekennen van gemeentelijk stemrecht aan niet-Europese onderdanen; ten derde, de feitelijke gegevens en de grootte van de doelgroep, vooral naar aanleiding van de vragen van de VLD-fractie aan de ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken.

Ecolo is principieel voorstander van het toekennen van gemeentelijk stemrecht aan niet-Europese onderdanen. Mensen die op een bepaalde plaats leven, moeten zich politiek kunnen uitspreken over de thema's die rechtstreeks betrekking hebben op hun dagelijks leven. Het is een kwestie van democratische vooruitgang. Het parlement kan hieromtrent initiatieven nemen aangezien er in het regeerakkoord in dit verband niets wordt vermeld.

Agalev kijkt gedurfd vooruit en verwijst naar de Europese context. Het stemrecht voor Europese onderdanen werd door Europa opgelegd en nu roept het Europees parlement ertoe op, hetzelfde te doen voor niet-Europese onderdanen. Door te pleiten voor gemeentelijk stemrecht voor personen afkomstig uit derde landen, erkent Agalev dat we ook in de toekomst zullen samenleven met mensen van verschillende nationaliteiten en culturen.

De PS is ervan overtuigd dat het stemrecht voor migranten bij de lokale verkiezingen de komende jaren onontkoombaar is. Het is een onderdeel van de mondialisering. De toekenning van het gemeentelijk stemrecht zal een historisch moment zijn voor al degenen die pleiten voor de multiculturele samenleving. Een belangrijke buitenlandse bevolkingsgroep wordt op het ogenblik immers nog steeds buiten het democratisch proces gehouden.

De SP.A sluit zich bij dit standpunt aan en benadrukt dat een grote meerderheid van alle buitenlandse bevolkingsgroepen voorstander is van het stemrecht. Niet alleen degenen met een vreemde nationaliteit, maar ook dezen die de Belgische nationaliteit hebben zijn die mening toegedaan. Voor de SP.A moet elke fractie zich duidelijk uitspreken over de wenselijkheid van het migrantenstemrecht.

Spirit aanvaardt het principe van het gemeentelijk stemrecht voor migranten, maar pleit voor het opleggen van een aantal voorwaarden inzake integratie en taalkennis.

De PSC is al vele jaren voorstander van integratie van vreemdelingen via het gemeentelijk stemrecht en wil de voorstellen daartoe steunen.

De VLD vindt het respect voor fundamentele rechten en waarden belangrijk. Er is ook respect voor de keuze om geen Belg te worden, maar daaraan zijn dan gevolgen verbonden. Allochtonen moeten zich volkomen integreren en de Belgische nationaliteit aannemen om alle rechten, waaronder het gemeentelijk stemrecht, te genieten.

De PRL is principieel voorstander van het stemrecht voor niet-Europese onderdanen, maar begrijpt dat sommige senatoren willen weten waarom bepaalde vreemdelingen de Belgische nationaliteit niet willen en waarom zij zouden aanvaarden deel te nemen aan gemeenteraads- of provincieraadsverkiezingen, kiezer te zijn of verkiesbaar te zijn, of nog burgemeester of schepen te worden, zonder Belg te willen worden.

De CD&V betreurt de politieke polarisatie over dit thema en mist een duidelijke visie van de kant van de meerderheid om het integratieproces zo goed mogelijk te laten verlopen. Voordat kan worden gesproken over gemeentelijk stemrecht, moet eerst de snel-Belgwet worden aangepast. Deze wet, die er gekomen is met het oog op de gemeenteraadsverkiezingen van 2000, is niet integratiebevorderend, niet migratieneutraal en houdt bovendien aanzienlijke veiligheidsrisico's in. De meeste fracties beamen de noodzaak van de evaluatie van de snel-Belgwet, maar willen de nationaliteitsverwerving en het debat over het stemrecht als aparte thema's besproken zien.

Het Vlaams Blok oordeelt dat dit debat alleen kan worden gevoerd, wanneer er een maatschappelijk draagvlak voor bestaat. Daarom zou eerst het voorstel om er een volksraadpleging over te organiseren, moeten worden besproken.

Bij de detailbespreking kwamen een aantal knelpunten naar voren, zoals de verhouding tussen stemrecht en stemplicht, het passief en actief kiesrecht, stemrecht voor gemeenteraadsverkiezingen en/of provincieraadsverkiezingen en de vereiste voorwaarden inzake verblijfsduur en taalkennis.

Aan bepaalde bevolkingsgroepen stemrecht toekennen terwijl Belgische onderdanen verplicht blijven om deel te nemen aan de verkiezingen, houdt voor de VLD een nieuwe discriminatie in. De PS en de SP.A daarentegen vinden de opkomst een belangrijke democratische waarde en willen dit principe ook doortrekken tot het migrantenstemrecht. De commissie stond hier voor een juridisch dilemma. Aan de ene kant schrijft de Grondwet de opkomstplicht voor en die kan niet worden gewijzigd. Aan de andere kant verbiedt de Europese regelgeving een verplichting voor de Europese burgers tot deelname en kan er volgens de raad van State geen onderscheid worden gemaakt tussen de Europese onderdanen die gebruik maken van hun stemrecht en de anderen. De oplossing die door de indieners wordt voorgesteld, is de opkomstplicht op te leggen aan alle niet Belgische onderdanen die op de kiezerslijst worden ingeschreven. Uit het debat blijkt voorts dat de indieners van de verschillende voorstellen elkaar kunnen vinden in een vereiste verblijfsduur van vijf jaar en een deelname aan zowel gemeenteraads- als provincieraadsverkiezingen. Op de taalkennisvereiste, zoals gevraagd door Spirit, of de integratiebereidheid, zoals de PRL vooropstelt, werd niet ingegaan.

Er ging veel aandacht naar de gegevens die door de minister van Binnenlandse Zaken ter beschikking werden gesteld op vraag van de VLD. De commissie kreeg geen gegevens van de minister van Justitie. De meeste indieners vinden de verstrekte cijfers niet relevant voor een principiële bepaling van een standpunt. Uit de cijfers blijkt wel dat de beoogde doelgroep niet omvangrijk is. Op het moment verblijven er 123.542 niet-Europese onderdanen in ons land die meer dan vijf jaar permanent in België wonen. De CD&V-fractie betreurt dat de minister van Justitie geen gegevens kon meedelen over het aantal niet-Europese onderdanen die bij ons verblijven en afkomstig zijn van een land dat de dubbele nationaliteit niet toestaat. Uit de hoorzitting bleek dat het om 7.500 personen gaat.

M. Philippe Moureaux (PS), corapporteur. - Monsieur le président, messieurs les fantômes du gouvernement (Sourires), mesdames, messieurs, je voudrais tout d'abord remercier Mmes Kaçar et De Schamphelaere qui ont abordé les trois premiers chapitres du rapport. Pour ma part, je n'évoquerai que la discussion des articles et des amendements. Je me contenterai de donner un bref aperçu des amendements les plus significatifs déposés par chaque groupe politique.

Tout d'abord, concernant l'intitulé, M. Lozie a déposé un amendement qui vise à étendre le droit de vote et d'éligibilité aux élections communales et intercommunales aux étrangers et ce, sur avis du Conseil d'État qui suggérait de faire référence à l'élection des conseils de district.

Le CD&V, souhaitant une réforme de la législation sur la nationalité avant de discuter du droit de vote des étrangers a déposé un amendement qui, en introduisant six articles dans la proposition, vise à modifier le Code électoral de la nationalité belge. Pour le CD&V, l'étranger désireux de participer à la vie politique doit acquérir la nationalité.

Cinq postulats sont à l'origine de cet amendement : l'intégration implique que l'étranger connaisse la langue de la région ; l'acquisition de la nationalité ne doit en principe être possible que lorsque le demandeur est en possession d'une autorisation de séjour d'une durée indéterminée ; cette acquisition doit être soigneusement préparée par un avis de la Sûreté de l'État ; la politique d'intégration doit être soutenue à la fois par les communautés et les régions ; enfin, il importe que l'acquisition de la nationalité soit organisée de manière objective.

M. Verreycken a souscrit à cet amendement ainsi qu'à sa justification, le droit de vote devant, à son estime, rester lié à la nationalité.

MM. Lozie et Monfils, Mmes Nagy et Bouarfa et moi-même avons par contre estimé que l'acquisition de la nationalité et le droit de vote constituent deux matières différentes qui ne peuvent pas être traitées ensemble dans une même loi.

M. Tobback, quant à lui, a expliqué qu'il existe un effet de vases communiquants entre ces deux matières et s'est dès lors déclaré prêt à examiner l'une et l'autre conjointement. Il a également précisé que son parti ne se prononcerait sur une éventuelle modification de la loi sur la nationalité qu'une fois son évaluation terminée à la Chambre. Pourquoi ne pas envisager un croisement entre les deux initiatives parlementaires ?

Et enfin, Mme Leduc a souligné l'importance d'évaluer cette législation afin d'en corriger les éventuelles erreurs. En effet, son groupe a toujours défendu le point de vue que les personnes qui veulent participer à la vie politique peuvent participer à toutes les élections par le biais de la naturalisation.

Pour en venir au corps même de la proposition de loi, je parlerai d'abord des conditions pour être électeur au niveau communal. Suite à l'avis du Conseil d'État qui précise que, depuis le 1er janvier 2002, le législateur fédéral n'est plus compétent que pour régler le droit de vote des non-Belges, M. Lozie a déposé un amendement qui propose d'étendre le champ d'application de l'article 1erbis de la loi électorale communale de telle sorte qu'il règle à la fois le droit de vote des ressortissants européens et celui des ressortissants non européens qui séjournent en Belgique depuis au moins cinq ans.

Dans le but de réduire les discriminations, cet amendement prévoit un droit de vote pour les tous les non-Belges. En effet, le Conseil d'État ayant stipulé qu'il n'était pas souhaitable d'instaurer une obligation de vote, étant donné que l'article 7, alinéa 1er, de la directive 94/80/CE ne permet pas de soumettre les citoyens européens à l'obligation de vote qui s'applique aux électeurs belges, il n'était dès lors pas possible d'établir une obligation de vote pour les ressortissants européens et non européens.

L'amendement de M. Mahoux, dans un souci de mettre sur un pied d'égalité ressortissants européens et non européens, prévoit d'insérer à l'article 1erbis de la même loi le principe selon lequel tous les non-Belges autorisés à s'établir et dès lors inscrits au registre de la population de la commune ont la possibilité de voter lorsqu'ils en ont manifesté la volonté.

Les communes enverraient d'office à tous les habitants non-Belges de la commune repris sur les registres de la population, le document d'inscription sur les listes électorales que ceux-ci n'auraient plus qu'à renvoyer pour participer aux élections.

Mme Nagy a tenu à préciser que les conditions d'inscription au registre de la population et de résidence de cinq ans s'inscrivent dans une certaine dimension de durée. Seuls ceux qui sont inscrits au registre pourront exercer leur droit de vote.

M. Tobback et Mme Pehlivan proposent de ramener à trois ans la durée de séjour requise et d'inscrire automatiquement tous les non-Belges sur les listes électorales. Ils pourront cependant s'en faire rayer dans un délai de trois mois suivant la notification de leur inscription sur ces listes.

L'amendement de M. Dallemagne prévoit également l'inscription automatique de l'ensemble des non-Belges sur les listes électorales. Toutefois, ces derniers peuvent manifester leur volonté de ne pas exercer leur droit de vote aux élections et donc de se « désinscrire » de la liste d'électeurs.

L'amendement nº 80 de M. Monfils et Mme Cornet d'Elzius vise à introduire l'exigence d'une résidence légale et ininterrompue de cinq ans et à exclure certaines catégories de résidents non européens.

Leur amendement nº 81 prévoit l'exigence d'un engagement individuel et volontaire de la personne non européenne voulant participer au scrutin constitué par une déclaration signée qu'elle respectera la Constitution, les lois du peuple belge et les droits de l'homme.

Mmes Kaçar et Nagy, MM. Dallemagne et Van Quickenborne ont déclaré qu'ils ne souhaitaient pas soutenir ce dernier amendement.

J'ai moi-même précisé que cet amendement introduisait une nouvelle discrimination cette fois entre ressortissants européens et non européens, alors que le but est justement de limiter le plus possible ces différenciations. Serait-on moins respectueux des droits de l'homme ou de l'égalité lorsque l'on n'est pas né en Europe ?

M. Verreycken a introduit une série d'amendements qui visent à ajouter un certain nombre de conditions pour que les non européens puissent jouir de ce droit de vote comme, par exemple, la connaissance de la langue, une durée de résidence de six ans, la réciprocité du droit de vote.

Concernant le niveau provincial, le groupe PS ainsi que le groupe SP.A ont proposé des amendements qui ont pour but d'étendre le droit de vote - et pour le PS le droit d'éligibilité - des ressortissants non européens aux élections provinciales.

Mme Nagy a marqué son accord tandis que MM. Monfils et Dallemagne ont expliqué que leur groupe n'y était pas favorable.

Enfin, une série d'amendements de MM. Van Quickenborne et Vankrunkelsven visent à supprimer l'obligation de vote au niveau des élections communales et provinciales. Pour eux, participer aux élections doit être un libre choix.

Le SP.A, le PS, Ecolo, Agalev et le PSC sont d'accord pour dire qu'il faut remplir les mêmes conditions que celles visées aux articles 1er et 1erbis de la loi électorale communale.

M. Monfils et Mme Cornet d'Elzius ont déposé un amendement visant à postposer jusqu'en 2012 pour les élus hors Union européenne, l'exercice d'une fonction au sein du collège échevinal, parce que les dispositions transitoires de la loi du 27 janvier 1999 postposent jusqu'en octobre 2006 le droit pour les ressortissants européens d'exercer une fonction au sein d'un collège échevinal.

MM. Van Quickenborne et Vankrunkelsven, quant à eux, ont exprimé leur désir de supprimer la condition de possession de la nationalité belge pour pouvoir exercer un mandat de bourgmestre ou d'échevin. Dans ce cas, ils devraient fournir une certaine preuve de connaissance linguistique.

En ce qui concerne le niveau provincial, mon groupe a déposé un amendement qui précise les conditions pour pouvoir être élu conseiller provincial.

Pour terminer la discussion des articles, M. Verreycken a suggéré de subordonner l'entrée en vigueur de la loi à une consultation populaire.

MM. Lozie et Mahoux ont chacun déposé un amendement visant à faire entrer en vigueur la proposition de loi six mois après sa publication au Moniteur belge.

J'en viens aux justifications de vote. Au nom de son groupe, M. Monfils a tenu a expliquer qu'il ne souhaitait pas que cette proposition de loi soit votée sous cette législature même s'ils en partagent le principe. En effet, le vice-premier ministre Louis Michel avait constaté que la proposition de loi en discussion pouvait créer un grave problème à la coalition gouvernementale et qu'il était dès lors plus prudent de reporter le vote après les prochaines élections fédérales. Pour éviter toute ambiguïté, M. Monfils a décidé de retirer les amendements qu'il avait déposés.

Mmes Thijs et De Schamphelaere ont rappelé que pour le CD&V, il était essentiel d'adapter la loi instaurant une procédure accélérée de naturalisation avant d'entamer la discussion sur le droit de vote étant donné qu'aucune acquisition décente de la nationalité n'est plus possible. C'est la raison pour laquelle elles voteront contre cette proposition de loi. M. Vandenberghe a précisé que le CD&V n'était pas une réserve de voix dans laquelle la majorité pouvait puiser à sa guise.

Mmes Lizin et Bouarfa et moi-même avons réaffirmé la volonté du parti socialiste de voter en faveur de cette proposition qui s'inscrit dans le respect des engagements pris lors des négociations gouvernementales. Au nom du principe de l'égalité, il ne serait pas juste d'accorder le droit de vote aux étrangers ressortissant de l'Union européenne sans l'accorder également aux ressortissants étrangers.

M. Dallemagne a demandé une dernière fois que toutes les forces démocratiques votent en faveur de la proposition de loi. Il s'est particulièrement adressé au PRL. Il a également expliqué qu'il s'agissait d'une proposition de loi de principe, que celle-ci avait un côté symbolique et qu'elle ne concernait finalement que 2% du corps électoral.

M. Lozie et Mme Kaçar ont souligné l'importance du vote de cette proposition. Ils ont expliqué qu'un grand nombre de jeunes, notamment de Flandre, avaient participé à la manifestation en faveur du droit de vote pour les étrangers le 10 mars dernier à Bruxelles. Cela prouve que les jeunes sont conscients qu'ils vivront de plus en plus dans une société multiculturelle. Cette proposition de loi est l'un des éléments indispensables d'une politique d'intégration durable à l'égard de l'ensemble des citoyens.

Mme Kaçar a tenu à rappeler à M. Monfils que, dans la perspective des élections locales d'octobre 2000, M. Ducarme avait déjà promis, en tant que président du PRL, le droit de vote à la communauté turque de Schaerbeek.

Mme Pehlivan a fait remarqué que l'octroi du droit de vote aux étrangers était un principe démocratique qui devrait dès lors être soutenu par l'ensemble des forces démocratiques.

Mme Nagy a réexpliqué que l'article 8 de la Constitution tel que révisé en 1998, permettait d'octroyer par la loi, à partir du 1er janvier 2001, le droit de vote aux ressortissants non européens. Elle a également rappelé que, lors des négociations gouvernementales, les partenaires de la coalition avaient convenu qu'on procéderait à un débat parlementaire et que seul le Parlement déciderait en la matière.

M. Verreycken a constaté que puisque ce dossier n'était pas mûr ni socialement ni politiquement, il serait préférable d'en différer l'examen jusqu'en 2008.

M. Tobback a estimé que le Parlement pouvait définir en toute liberté la direction dans laquelle il voulait s'engager, étant donné que la déclaration gouvernementale n'avait pas pris position sur la question du droit de vote des étrangers. Il a aussi fait remarquer aux membres de la commission que l'opinion publique flamande n'est pas aussi uniformément opposée au droit de vote que ne veut le faire croire le VLD. Des sondages récents le constatent.

M. Van Quickenborne a simplement constaté que le Sénat s'était plié, une fois de plus, aux exigences du gouvernement et que le renouveau politique, ainsi que le renforcement du rôle du Parlement promis par le premier ministre et le gouvernement resteraient lettre morte.

Pour conclure, Mme Leduc a rappelé aux membres de la commission qu'en matière de naturalisation, la Belgique est dotée de la législation la plus souple au monde, ce qui signifie qu'elle a fait un choix. Dans d'autres pays, en revanche, l'octroi du droit de vote fut une tentative d'intégration, devant amener les étrangers à demander leur naturalisation. Le VLD entend ce que dit la population. En votant en faveur du droit de vote pour les étrangers, il enverrait un mauvais signal et donnerait à penser qu'il n'est pas nécessaire de s'intégrer et d'apprendre la langue du pays dans lequel on réside.

En ce qui concerne les votes, un certain nombre d'amendements furent retirés à la suite de l'adoption de l'amendement nº 3 de M. Lozie. Tous les autres amendements furent, soit retirés, soit rejetés. Le vote final a conduit, nous le savons - peut-être trop bien - au rejet de la proposition par 9 voix contre 6.

Mevrouw Mia De Schamphelaere (CD&V), corapporteur. - Ofschoon ik vaststel dat de ministers niet aanwezig zijn, zal ik nu het standpunt van onze fractie naar voren brengen. Sommigen beweren nog steeds dat het debat dat we maanden aan een stuk in de Senaat over het migrantenstemrecht voeren, een toonbeeld is van parlementaire democratie. Het initiatief werd genomen door senatoren, het debat werd gevoerd in de commissie, de regering heeft geen standpunt ingenomen, er is geen opgelegde meerderheidsvisie, kortom eindelijk een vrije verantwoordelijke stemming voor elk van de senatoren. Het debat is echter vooral een toonbeeld van politieke onmacht en onverantwoordelijkheid ten opzichte van één van de grootste maatschappelijke uitdagingen van onze tijd. Wat zal met dit debat worden bereikt op het vlak van de integratie van migranten in onze samenleving? Wat zal het resultaat zijn van deze politieke boksmatch? Wie wint, wie verliest?

De verliezers dreigen op de eerste plaats de allochtonen zelf te zijn. Maar ook de toekomst van ons samenleven en de democratische gedragenheid van de politiek in Vlaanderen hebben met dit spektakel niets gewonnen.

Wij willen een open maar geïntegreerde samenleving. Wij willen geen steden waar mensen in enclaves, in gesloten gemeenschappen moeten wonen. Wij willen geen arbeidsmarkt waar mensen omwille van taalbarrières uitgesloten geraken. Wij willen geen onderwijs waar omwille van culturele vervreemding kinderen geen kansen krijgen. Wij willen een open samenleving waar iedereen soepel kan bij aansluiten en waar integratie mogelijk is.

Wij beseffen zeer goed dat we de mensen van allochtone afkomst hard nodig zullen hebben op het vlak van de kwaliteit van ons samenleven, zowel demografisch, economisch en cultureel.

Zij zijn onmisbaar voor de dynamiek en de creativiteit te midden van vergrijzing en kleurloosheid. Daarom willen wij op een verstandige manier de integratieopenheid bij de bevolking en de integratiebereidheid bij de migranten bevorderen. We weten immers dat ook bij ons, zoals in andere Europese landen, er belangrijke pijn- en wrevelpunten zijn die alle goede intenties kunnen blokkeren. Daarom is er een verstandig, coherent en vooruitziend beleid nodig om het belangrijke integratieproces te begeleiden. En precies daarom is de onmacht van de meerderheid zo pijnlijk.

Zij heeft niet alleen een politieke boksmatch in de Senaat georganiseerd, maar ook opnieuw het migrantenvraagstuk doorheen alle lagen van de bevolking gepolariseerd. Is de integratieopenheid met dit debat bevorderd? Is de integratiebereidheid met dit debat verhoogd? Neen, het tegenovergestelde werd bereikt. Een regeringsmeerderheid die dit laat gebeuren is politiek onfatsoenlijk en maatschappelijk onverantwoordelijk.

Voor ons telt elke mens ongeacht zijn afkomst en origine. Maar wij zijn ook pleitbezorgers voor een open en verbonden samenleving. Voor ons staat de verbondenheid centraal. We verwachten van iedereen die hier permanent komt wonen een wil tot integratie en een positief engagement naar onze samenleving toe. Dit betekent niet enkel dat migranten bereid zijn zich te integreren, maar ook dat de overheid een coherent integratiebeleid voert. CD&V is dan ook voorstander van politieke participatie van migranten, maar onder duidelijke voorwaarden. De integratiebereidheid moet worden aangetoond. Dit kan door de Belgische nationaliteit te verwerven. Alleen hebben wij vastgesteld dat de snel-Belgwet op het moment geen integratiewil meer vereist. De snel-Belgwet moest er snel komen, vóór de gemeenteraadsverkiezingen van 2000.

Sommige meerderheidspartijen dachten dat hiermee ook het politiek alibi geboden was om het debat over het gemeentelijk stemrecht uit de weg te gaan. Ze komen bedrogen uit. Het regeerakkoord blijkt geen houvast te bieden op dit punt. Werd er door de VLD dan slecht onderhandeld of hebben de andere coalitiepartners een onderliggend akkoord naast zich neergelegd? Niemand weet het. Politiek staat enkel vast dat momenteel de meerderheid over de politieke participatie van migranten hopeloos verdeeld is.

Erger is dat met de huidige snel-Belgwet er geen behoorlijke nationaliteitsverwerving meer mogelijk is. De integratiebereidheid wordt niet meer vereist. Parketten en Staatsveiligheid hebben te weinig tijd voor een deskundig advies. De georganiseerde criminaliteit maakt misbruik van onze lakse wetgeving. In internationale bladen verschijnen zelfs advertenties van postbusfirma's die graag willen uitleggen hoe men Europees burger kan worden door de Belgische nationaliteit te kopen. Voor ons is het bijzonder duidelijk dat het debat over politieke participatie wel gekoppeld is aan de evaluatie en de amendering van de snel-Belgwet. Voor de CD&V moet de nationaliteitsverwerving een recht worden voor wie voldoet aan de voorwaarden die wij hebben toegelicht bij de verdediging van onze amendementen in de commissie.

Wie een verblijfsvergunning voor onbepaalde duur heeft, vijf jaar legaal en ononderbroken in ons land verblijft, geen gevaar is voor de samenleving en een basiskennis heeft van de streektaal, heeft voor ons recht op de Belgische nationaliteit. Nationaliteit is voor ons dus niet langer verbonden aan het ius sanguinis of de afstamming. Het heeft ook niets meer te maken met de 19e-eeuwse romantische visie op het natiebegrip. Belgische nationaliteit is een recht voor wie blijk geeft van integratiewil en burgerschap en zich dus verantwoordelijk weet voor onze samenleving.

Omdat in onze visie de Belgische nationaliteit niet meer steunt op het natiebegrip maar wel op burgerschap, is de dubbele nationaliteit geen probleem. Wij voorzien niet in het verlies van de oorspronkelijke nationaliteit bij verwerving van de Belgische nationaliteit. Hoewel de meeste fracties de noodzaak van bijsturing van de snel-Belgwet erkenden, werd toch niet ingegaan op de door ons voorgestelde nationaliteitsvoorwaarden die voorwaarden zijn tot politieke participatie. Het zijn hefbomen in het integratieproces. Pas als er hierover een akkoord is, kan ook de lokale politieke participatie worden besproken van de niet- Europese onderdanen die gegronde redenen hebben om de Belgische nationaliteit niet aan te nemen, maar wel aan dezelfde voorwaarden van burgerschap voldoen.

Wij hebben een constructief gesprek willen voeren over integratiebereidheid en politieke participatie. De onverantwoorde politieke polarisatie maakte echter dat ons aanbod niet au sérieux werd genomen en men de boksmatch liever uitspeelt. Wij vrezen dat de open en verbonden samenleving hiervan de verliezer wordt.

M. Philippe Moureaux (PS), corapporteur. - C'est une constante de l'histoire institutionnelle. Il n'est jamais facile de demander à des représentants d'élargir le mode de représentation. Ce n'est pas tant le fait de reconnaître qu'il existe une légitimité plus grande que celle dont chacun dispose par son mandat. Le conflit que fait naître à chaque fois la question de l'extension du droit de suffrage oppose nécessairement, dans un affrontement traditionnel entre conservateurs et progressistes, les défenseurs de la fonction électorale conçue comme un privilège, fût-il largement partagé, et les partisans d'une plus grande égalité. C'est pourquoi l'histoire nous apprend qu'il faut s'y prendre à plusieurs reprises. Les premiers essais sont l'oeuvre d'une petite minorité, de celles et de ceux qui se font les porte-parole des « sans voix ». La majorité conservatrice leur fait tout d'abord une opposition de principe. Ici, pas de masque ni de faux-fuyant. Le discours inégalitaire s'assume à visage découvert.

Ce furent les paroles de Frère-Orban qui, en 1866, repoussait violemment le suffrage universel par crainte de voir les ouvriers et les valets de ferme prendre part au débat public. Nous avons, pendant des années, entendu des propos tout aussi insultants à l'égard des populations immigrées lorsque nous proposions de les admettre au scrutin.

Les progressistes reviennent périodiquement à la charge avec, chaque fois, de nouveaux partisans dans leur sillage. Le conservatisme perd du terrain et prend alors des voies détournées. Ce n'est plus, pour lui, une question de principe mais un problème d'opportunité. Il s'interroge sur la motivation et la préparation de ceux dont on voudrait faire de nouveaux électeurs. Enfin, en dernier ressort, il se réfugie derrière l'hostilité immature de la population dans son ensemble et de ses propres mandants, en particulier.

Chaque fois qu'il a fallu étendre le droit de suffrage, nous avons entendu les conservateurs adopter successivement ces diverses attitudes. En ce qui concerne le droit de vote des étrangers, cette guerre d'usure a commencé depuis plusieurs décennies. C'est une lutte dont l'enjeu n'est pas de savoir qui l'emportera - cela ne fait aucun doute - mais bien quand nous l'emporterons.

Depuis 1992, cette lutte entre conservateurs et progressistes a pris une autre dimension. Le Traité de Maastricht a en effet imposé aux États membres de l'Union européenne le droit de vote, pour tous les ressortissants de l'Union, aux élections locales. Les différents États ont donc introduit cette disposition dans leur Constitution et dans leur législation électorale. En réalité, une telle disposition a sapé définitivement le principe de la nationalité comme condition nécessaire du droit de suffrage. Il a balayé d'un même revers les prétendues interrogations sur la volonté et la capacité des populations concernées.

Le débat sur le droit de vote des étrangers a donc changé de nature. Il se pose aujourd'hui en termes de discrimination : discrimination entre des peuples, entre des cultures, entre des origines. Tous les arguments d'opportunité qui nous ont été opposés se résument à émettre des préjugés sur les personnes en fonction de leur culture et de leur origine. L'intégration à la vie sociale ? En quoi peut-on nous démontrer que le fonctionnaire européen en poste à Bruxelles pour quelques années est mieux intégré que le travailleur turc ou marocain qui réside dans notre pays depuis plusieurs décennies ? La volonté de participer à la vie politique et la maturité pour le faire ? Les a-t-on mesurées avant d'accorder le droit de suffrage aux ressortissants de l'Union ?

La connaissance de nos lois, l'a-t-on vérifiée en accordant le droit de vote aux Européens ? Cette connaissance serait-elle, en quelque sorte, innée lorsque l'on naît à Bruxelles ou à Francfort, et douteuse lorsque l'on naît à Istanbul ou à Casablanca ? Y aurait-il une forme de présomption irréfragable qui dispense les Belges et les Européens de cette nouvelle forme d'examen capacitaire ?

Être né quelque part, voilà donc à quoi se résument les réticences que l'on nous oppose. Et tant pis pour ceux qui, comme le chantait G. Brassens, « n'ont pas eu la présence d'esprit de naître là où il faut », à l'intérieur des frontières de la Communauté. Doivent-ils attendre que l'élargissement de l'Union finisse par englober leur pays d'origine et leur confère par cette seule opération toutes les qualités qui leur feraient aujourd'hui défaut ?

On nous dira peut-être que l'Europe garantit pour nos concitoyens le bénéfice de la réciprocité. Cette question de la réciprocité est un bel exemple d'hypocrisie politique. Voilà les dictateurs du monde entier qui viennent au secours de nos démocrates les plus frileux ! Il nous faudrait tenir les ressortissants étrangers vivant sur notre territoire pour personnellement responsables des actes de leurs gouvernements au point de les priver d'un droit fondamental. Il n'y a rien d'honnête dans un tel raisonnement.

Enfin, dans une ultime retraite, le conservatisme cherche son salut dans la naturalisation. Nous avons entendu tous ceux qui, sur ce terrain, n'ont cessé depuis des années de multiplier les obstacles, de s'arc-bouter sur les procédures, de protéger une nationalité au prétexte qu'il ne fallait pas la brader, nous chanter aujourd'hui toutes les vertus de cette voie unique d'intégration. La nationalité, comme critère de discrimination politique, avait pour elle une longue tradition historique commencée à l'aube même des États modernes. Elle se posait dans son principe, beaucoup moins dans les faits, comme un ensemble de droits et de devoirs, dont le plus lourd était certainement le service militaire, aujourd'hui aboli.

Quoi qu'il en soit, depuis Maastricht, elle n'est plus dans la loi la condition nécessaire de l'exercice des droits politiques. Nous n'avons pas renvoyé les exigences de l'Europe en offrant la naturalisation aux Européens. La question du droit de vote aux élections locales se pose donc aujourd'hui sous la forme d'une discrimination entre deux catégories de non-nationaux.

Nous pensions qu'en ces termes, l'extension du droit de suffrage à tous les étrangers devait nécessairement rallier une majorité. Nous escomptions aussi qu'avec le temps, le poids grandissant des enfants belges de l'immigration dans le corps électoral finirait par susciter l'intérêt de ceux que nous n'avions jusqu'ici pas réussi à convaincre sur le plan des principes.

Lors des dernières élections, certaines figures éminentes de partis jusque-là hostiles au droit de vote des étrangers, semblaient s'être rangées à la voix de la raison. Elles l'avaient fait très certainement par-devers les réticences de leurs bases et de leurs structures. Tout cela nourrissait l'espoir d'une décision favorable, enfin, sous cette législature. Il y a quelques semaines encore, une majorité se dessinait, au sein des assemblées fédérales confortées par les résolutions prises à l'unanimité des formations démocratiques émanant de parlements régionaux et de conseils communaux.

Aujourd'hui, les libéraux nous expliqueront, chacun dans leur langue, qu'ils ne sont pas défavorables à cette réforme, à titre personnel du moins, mais qu'elle vient encore trop tôt pour une partie de la population. Les voilà souscrivant soudainement à une forme de mandat impératif qui leur aurait été confié par une majorité des électeurs d'une partie du pays. L'audace des uns n'était donc bien que temporaire.

Le Mouvement a déjà fait machine arrière pour venir au secours des éternels conservateurs. Tout semble donc rentrer dans l'ordre.

Pourtant, si la proposition d'extension du droit de vote, du droit de suffrage dont nous débattons aujourd'hui, doit être repoussée après avoir été si près de l'adoption, les conséquences n'en seront que plus néfastes pour nos institutions. Plus encore que l'octroi de ce droit aux seuls Européens, le refus qui serait explicite de l'étendre à tous les étrangers résidant sur notre territoire constituera un geste de défiance sans précédent à l'égard de ces populations. Il aurait encore mieux valu que chacun joue carte sur table dès le début de nos débats plutôt que de faire miroiter une issue favorable avant de l'escamoter dans un jeu purement politicien.

Quelle crédibilité pour le débat politique croyez-vous avoir donnée avec de telles volte-face dans la population en général et auprès des personnes d'origine étrangère en particulier ? Auriez-vous encore l'impudence dans l'avenir d'exiger de ceux que vous avez ainsi dupés un quelconque serment envers nos institutions ?

Enfin, en repoussant à la prochaine législature l'adoption de notre proposition, vous allez offrir à l'extrême droite une voie royale pour sa propagande électorale. En accordant le droit de vote aux étrangers, nous clôturerions un débat dont l'issue incertaine a jusqu'ici profité essentiellement aux partis xénophobes. Plus que jamais, par vos hésitations, vous leur donnerez un thème de campagne pour les prochaines élections et, plus grave encore, l'illusion auprès des électeurs que les résultats qu'ils enregistreront au lendemain du scrutin pourraient peser sur des choix essentiels de notre vie démocratique. En cela, la peur fait toujours le jeu des extrémistes.

La démocratie a tout à perdre lorsqu'elle en vient à craindre d'assumer publiquement et d'appliquer intégralement les principes de justice et, singulièrement, le principe d'égalité sur lesquels elle se fonde, fût-ce au risque, à certains moments, de devancer une partie de l'opinion.

Mevrouw Fatma Pehlivan (SP.A). - Vorig jaar dienden collega Tobback en ikzelf een wetsvoorstel in met betrekking tot gemeentelijk stemrecht voor niet-EU-burgers. Hiermee namen de Vlaamse socialisten een duidelijk standpunt in over dit thema. Als socialisten zijn we gewonnen voor gemeentelijk stemrecht voor in België verblijvende niet-EU-burgers.

Met dit standpunt staan we niet alleen. Tijdens deze regeerperiode dienden ook andere partijen gelijkaardige wetsvoorstellen in. Zo was er het gezamenlijk wetsvoorstel van Agalev en Ecolo, waarna een voorstel van de PS volgde. Na ons diende ook de PSC een voorstel in. Alle voorstellen hadden tot doel om niet-EU-burgers onder bepaalde voorwaarden stemrecht op gemeentelijk niveau te verlenen.

Hoewel de discussie over het stemrecht voor niet-EU-burgers de afgelopen maanden veel aandacht van de publieke opinie heeft gekregen, is ze geenszins nieuw. Onder allochtonen leeft het thema al meer dan 20 jaar. Zij willen al langer politiek participeren om zich sterker betrokken te voelen bij de samenleving waar ze deel van uitmaken.

Ook in de politieke arena is het stemrecht voor niet-EU-burgers reeds langer voorwerp van discussie geweest. Tijdens de vorige regeerperiode kwam er na lange besprekingen een grondwetswijziging die het stemrecht voor niet-EU-burgers mogelijk maakte. Artikel 8 van deze grondwetswijziging bepaalt dat er kan worden afgeweken van de nationaliteitsvereiste om de politieke rechten uit te oefenen. Een wetsvoorstel hierover kan worden goedgekeurd met een gewone meerderheid in plaats van een tweederde. De overgangsregeling bepaalde echter dat zo'n voorstel niet kon worden aangenomen vóór 1 januari 2001. Met andere woorden, er moest tot na de gemeenteraadsverkiezingen van 2000 worden gewacht.

Voor in België verblijvende EU-burgers is er wel al een regeling. De hierboven vermelde grondwetswijziging van 11 december 1998 maakte het reeds mogelijk om het stemrecht voor burgers van de Europese Unie te regelen. Hieraan werd gevolg gegeven door de wet van 27 januari 1999, die de EU-onderdanen passief en actief kiesrecht verleent bij de gemeenteraadsverkiezingen.

Wat houdt ons wetsvoorstel over het gemeentelijk stemrecht voor niet-EU-burgers precies in?

Ten eerste wensen we aan niet-EU-burgers gemeentelijk stemrecht te verlenen op basis van het principe van het duurzaam verblijf. Recentelijk heeft het Europees Parlement een rapport goedgekeurd dat de verschillende landen in de EU aanbeveelt om gemeentelijk stemrecht te verlenen aan niet-EU-burgers indien ze vijf jaar in het land verblijven. Ons wetsvoorstel ligt in de lijn van het goedgekeurde rapport; het stelt eveneens een minimum verblijf van vijf jaar voorop.

Ten tweede wensen we, eveneens in de lijn van het goedgekeurde rapport, stemrecht te verlenen voor de gemeenteraadsverkiezingen en dus niet voor verkiezingen op provinciaal, regionaal en nationaal niveau.

Ten derde stellen we voor dat de betrokkenen automatisch op de kiezerslijsten worden ingeschreven. De betrokkenen kunnen echter afzien van hun stemrecht bij gemeenteraadsverkiezingen. Hiervoor moeten ze binnen drie maanden vanaf de eerste april van het jaar waarin de gemeenteraadsverkiezingen plaatsvinden, een verklaring afleggen.

Waarom is het gemeentelijk stemrecht voor niet-EU-burgers zo belangrijk voor ons? De socialisten vinden de maatschappelijke participatie van alle inwoners van ons land van het allergrootste belang. Ons streefdoel is het creëren van een maatschappij waarin iedereen gelijke kansen krijgt om aan die maatschappij te kunnen deelnemen, ongeacht zijn afkomst en op basis van een duurzaam verblijf. Politieke participatie is een van de middelen die burgers te hunner beschikking hebben om druk uit te oefenen op de beleidsmakers, opdat die onder meer werken aan een samenleving van gelijke kansen. Vanuit deze filosofie vinden wij gemeentelijk stemrecht voor niet-EU-burgers een van de elementen die moeten bijdragen tot de sociale insluiting van deze groep in onze samenleving.

Dat het invoeren van gemeentelijk stemrecht voor niet-EU-burgers heel wat positieve effecten teweegbrengt inzake maatschappelijke participatie, bleek duidelijk uit de hoorzittingen in de Senaatscommissie. Er spraken academici en beleidsmakers uit België, Nederland en Scandinavische landen. In Nederland en een aantal Scandinavische landen is het gemeentelijk stemrecht voor niet-EU-burgers reeds ingevoerd. Ze vormen dus een goed voorbeeld om de impact van het invoeren van stemrecht voor niet-EU-burgers na te gaan.

Een Nederlandse burgemeester zei dat de allochtonen meer op de politieke agenda zijn gaan wegen na het toekennen van het stemrecht. Het werd plots een electoraal belangrijke groep waarmee dus rekening diende te worden gehouden. De Nederlandse politicoloog Fennema stelde zelfs dat stemrecht de politieke integratie van allochtonen sterk bevordert. Zo blijkt uit onderzoek dat allochtonen meer vertrouwen hebben in politieke instellingen na het toekennen van stemrecht. Turkse inwoners hebben zelfs meer vertrouwen in de politieke instellingen dan Nederlanders zelf. Op lokaal niveau heeft dat ertoe geleid dat allochtonen snel in de politieke elite werden opgenomen. De verhoogde politieke integratie blijkt ook uit het feit dat we nergens significante migrantenpartijen zien ontstaan en er gestemd wordt op de reeds bestaande partijen. Er zou verder niet gewoon gestemd worden op een allochtone kandidaat, maar in eerste instantie vanuit een politieke overtuiging. Aanvankelijk boekten voornamelijk linkse partijen stemmenwinst, maar na verloop van tijd verspreidden de allochtone stemmen zich over het hele politieke spectrum.

De Belgische politicoloog Deschouwer en de socioloog Martiniello traden professor Fennema bij. Veranderingen in politieke kiessystemen leiden niet tot grote aardverschuivingen. Verder is ook de bevinding interessant dat sinds de invoering van het gemeentelijk stemrecht voor niet-EU-burgers in Nederland het aantal naturalisaties sterk is gestegen. Op de vraag waarom mensen niet gewoon afstand doen van hun nationaliteit haalde professor Fennema aan dat dit voornamelijk een emotionele band met het land van oorsprong betrof.

Andere studies in de sociale wetenschappen tonen aan dat de identificatie van heel wat mensen met hun buurt, dorp of stad veel hechter is dan met het ietwat abstracte concept natie. Dat is begrijpelijk, want voor vele mensen vormt de woonomgeving een plaats die ze goed kennen, waarin ze zich verplaatsen, waar ze inkopen doen, op café gaan, enzovoort. Het lijkt dus logisch dat wie op een duurzame manier deel uitmaakt van die lokale gemeenschap, ook mee moet kunnen beslissen over het gevoerde beleid ten aanzien van de lokale gemeenschap.

Tevens wens ik erop te wijzen dat het toekennen van stemrecht ook positieve effecten kan hebben voor de autochtone bevolking. Heel wat wijken met een hoge concentratie aan allochtonen zonder stemrecht zijn electoraal niet zo interessant. Bijgevolg wordt er vaak weinig in geïnvesteerd, tot terechte ergernis van de oudere autochtone Belgen die nog steeds in die wijken wonen. Het toekennen van stemrecht kan dus ook een gunstig effect hebben op de stedelijke leefbaarheid en een dam opwerpen tegen de verzuringsgraad in niet-gegoede wijken. Dit werd betoogd door academici als Jan Blommaert en Mon Detrez in hun opiniestuk in De Standaard.

We moeten ook goed nadenken over een notie die het burgerschap loskoppelt van de natiestaat. De klassieke opvatting van het burgerschap resulteert in de idee dat wie Belg is, volledige rechten krijgt en wie de Belgische nationaliteit niet heeft, enkel over partiële rechten kan beschikken. De vraag is echter of de context waarin het burgerschap vorm krijgt, niet veranderd is.

Het Verdrag van Maastricht uit 1994 heeft het burgerschap voor het eerst losgekoppeld van de nationaliteit. Het bepaalt onder meer dat elke EU-onderdaan actief en passief stemrecht moet krijgen bij de lokale verkiezingen. Deze Europese richtlijn kreeg kracht van wet in 1999.

De westerse samenleving is de voorbije 50 jaar ook heel wat diverser geworden op het gebied van nationaliteiten. Maar liefst 10% van onze bevolking heeft een andere nationaliteit. Mensen uit alle delen van de wereld verblijven op een duurzame manier in ons land, participeren aan onze maatschappij, maar hebben niet noodzakelijk de Belgische nationaliteit. De vraag is of de oude burgerschapsnotie in deze context niet leidt tot een democratisch deficit. Verder blijft het moeilijk te begrijpen, in de eerste plaats voor de betrokkenen zelf, dat iemand die hier reeds dertig jaar verblijft, nog steeds geen stemrecht heeft, terwijl iemand uit de EU meteen actief en passief stemrecht krijgt.

We kunnen dus concluderen dat door een sterk verhoogde mobiliteit de samenleving diverser is geworden en het ziet er niet naar uit dat dit in de toekomst zal afnemen. Zou onze democratie dan ook niet beter gediend zijn met het toekennen van politieke rechten op basis van duurzaam verblijf in plaats van op basis van nationaliteit?

Ondanks deze steekhoudende argumenten, heeft het voorstel het in de senaatscommissie voor de Binnenlandse Zaken en de Administratieve Aangelegenheden niet gehaald. De senatoren van Agalev, Ecolo, PS, SP.A en PSC stemden voor, PRL-FDF-MCC, VLD, CD&V en het Vlaams Blok stemden tegen. De houding van sommige partijen, zoals de CD&V en PRL, was niet alleen verrassend, maar vooral teleurstellend, voor mij persoonlijk, als sociaal-democraat, maar ook voor de mensen die uitgesloten worden en zich nu reeds in een achtergestelde positie bevinden.

Zo was de houding bij de stemming van PRL ronduit pijnlijk te noemen. De andere commissieleden herinneren zich wellicht nog hoe collega Monfils in de commissie verklaarde dat het stemrecht voor niet-EU-burgers voor de Waalse liberalen een principiële kwestie was. Enkele weken later zei Louis Michel dat het toch allemaal niet zo'n vaart hoefde te lopen met het stemrecht en dat er bij de volgende coalitievorming nog tijd genoeg was om dit te regelen. Dat zal wel en wanneer dit in de volgende coalitievorming wordt meegenomen en het tot een overeenkomst komt, dan kan het stemrecht nog geregeld worden vóór de verkiezingen van 2006. Wie kan ons echter garanderen dat de Waalse liberalen effectief aan de volgende regeringsonderhandelingen deelnemen?

Bovendien is dit ook een uiting van gebrek aan solidariteit. We weten allemaal welk thema bij de volgende verkiezingsstrijd aan de Vlaamse rechterzijde zal worden uitgespeeld: een `neen' aan het stemrecht voor migranten. De houding van PRL-FDF-MCC is des te pijnlijker aangezien uit een opiniepeiling blijkt dat 60% van de Waalse bevolking gewonnen is voor het toekennen van gemeentelijk stemrecht aan niet-EU-burgers.

Ook het standpunt van de VLD deed mijn wenkbrauwen fronsen. Zo zegt de voorzitter van de liberalen dat hij niet tegen de inhoud van het voorstel is, maar adviseert hij wel om tegen het voorstel te stemmen.

Ook bij verschillende andere VLD-mandatarissen was er geen negatief geluid te horen. Integendeel! Zo schreef senator Paul de Grauwe samen met andere academici een column waarin hij zich expliciet achter het toekennen van gemeentelijk stemrecht voor migranten schaart. Paul Wille en Iris van Riet, leden van de commissie, beweerden dat ze in principe niet tegen gemeentelijk stemrecht voor niet-EU-burgers zijn. En wat denken prominenten als Guy Verhofstadt en Patrick Dewael? Wie kan met de hand op het hart beweren dat zij tegen zijn?

En dan hebben we het nog niet gehad over de aangehaalde argumenten.

Er was het argument dat er eerst een evaluatie moest komen van de snel-Belgwet. In de commissie waren verschillende leden het erover eens dat deze wet en/of de procedure aanpassingen vereisten. Mijn partijgenoot Louis Tobback nodigde hen uit een voorstel te doen als basis voor verdere onderhandelingen. Nooit is hierop een antwoord gekomen. Integendeel, het geweer werd van schouder veranderd.

Het gemeentelijk stemrecht voor niet-EU-burgers staat niet in het regeerakkoord, was een volgend argument. Inderdaad, het staat er niet in. Er staat echter ook niet in dat er over het stemrecht voor niet-EU-burgers niet mag worden gedebatteerd of gestemd. De taak van de Kamer en zeker van de Senaat is niet enkel toe te kijken op de uitvoering van het regeerakkoord. De Senaat moet ook bezinnen over actuele maatschappelijke thema's en het debat erover voeren.

Ook een ander argument kwam aan de oppervlakte: de burgers wensen dit niet. Toch leert recent wetenschappelijk onderzoek niet dat de burgers dit niet wensen, maar wel dat die burgers op zijn minst verdeeld zijn. Politici moeten uiteraard de burgers vertegenwoordigen en goed naar hen luisteren, maar in dossiers die het algemeen maatschappelijk belang dienen, moeten zij hun verantwoordelijkheid opnemen en goed communiceren met de burgers over het belang van hun beslissingen. Soms moet er gewoon durf getoond worden. En het is niet dat we in dit dossier geen goede argumenten hebben!

Aan het einde van de discussie wensten sommige commissieleden cijfermateriaal. Hoeveel nieuwe kiesgerechtigden zouden er bijkomen wanneer gemeentelijk stemrecht aan niet-EU-burgers wordt toegekend? Een collega-senator maakte zelf een berekening en kwam uit op circa 250.000. Een week later kregen we de cijfers van de minister van Binnenlandse Zaken waaruit bleek dat het maar om de helft gaat. Is er dan een kritische massa die bepaalt of men tegen of voor het toekennen van gemeentelijk stemrecht is? Is 125.000 nieuwe kiezers wel aanvaardbaar, maar 250.000 niet? Welk nut hadden de cijfers in feite nog, als het standpunt toch al vaststond? Eigenlijk zijn die cijfers irrelevant. De enige vraag is: welke groepen maken deel uit van de bevolking en welke niet? Volgens ons zijn mensen die hier duurzaam verblijven, een deel van de bevolking.

Ten slotte wens ik nog te wijzen op de houding van de CD&V. Wie op 10 maart op de manifestatie in Brussel aanwezig was, heeft het zelf kunnen vaststellen: ook het ACW sprak zich duidelijk uit voor een multiculturele samenleving en voor het stemrecht voor migranten. Theo Rombouts stak zijn ontgoocheling over de houding van de CD&V niet onder stoelen of banken. Ook intern is de CD&V sterk verdeeld. Had de CD&V-fractie zich niet moeten onthouden, vraagt Nahima Lanjri zich af. Jammer, noemde ex-minister Luc Martens de houding van de CD&V-senatoren. En ondertekende de éminence grise Marc Eyskens niet samen met Paul de Grauwe de column die pleitte voor migrantenstemrecht? Als klap op de vuurpijl sprak ook de voormalige premier van ons land, Jean-Luc Dehaene, zich uit voor het gemeentelijk stemrecht voor niet-EU-burgers. Ook de CD&V is dus sterk verdeeld.

De toenmalige CVP heeft in 1998 de Grondwet mee gewijzigd, zodat de toekenning van het stemrecht aan niet-EU-burgers in een later stadium mogelijk werd. Moeten we nu constateren dat ze nooit verder is willen gaan? In de commissie wenste de CD&V het wetsvoorstel samen te behandelen met de snel-Belgwet. Op die manier maakt ze een mengelmoes van twee zaken die in feite apart moeten behandeld worden.

Als socialist vind ik de kans om maatschappelijk en politiek te participeren van het allergrootste belang. De strijd tegen sociale uitsluiting is essentieel. Een van de hefbomen om die sociale uitsluiting op te heffen is het verlenen van het recht op politieke participatie. Hoe problematisch het ontberen van het recht op politieke participatie is, werd door een van de sprekers tijdens de hoorzittingen treffend verwoord. "Wij wonen hier, denken hier, leven hier, investeren hier, ondernemen hier en spreken de taal. Wij zijn evenzeer bekommerd om het milieu, de economie en toenemende onveiligheid. Kortom, wij zijn een deel van deze samenleving. Wij delen dezelfde bezorgdheid, maar beschikken niet over een belangrijk instrument om uitdrukking te geven aan deze bezorgdheid. Vele burgers uit de migratie kunnen geen volwaardige bijdrage leveren tot het goede bestuur van ons land. Politieke rechten geven de burgers een instrument om actief te participeren aan deze samenleving. Dit kan een zeer goed middel zijn om deze burgers uit hun isolement te halen. Ze krijgen gelijke kansen om over de toekomst te beslissen en het beleid te beïnvloeden. Dit is volgens ons een moderne invulling van het begrip democratie."

Politiek kunnen participeren betekent dat men een stem krijgt, dat men gehoord wordt, dat er rekening wordt gehouden met die stem. Het stemrecht is een intrinsiek onderdeel van een strategie om een samenleving met gelijke kansen voor alle mensen te creëren. En dat stemrecht die gelijke kansen bevordert blijkt uit wetenschappelijke studies en getuigenissen van beleidsmakers. Wie kan daar nu tegen zijn? Ik kan mij moeilijk voorstellen dat er in het parlement een meerderheid is die de verzuringsgraad van onze samenleving wil verhogen.

Ik eindig met een oproep om België aansluiting te laten vinden bij de progressieve democratieën, bij diegenen die zich positioneren in de open wereldsamenleving.

M. Philippe Monfils (MR). - Je tiens à féliciter les trois rapporteurs d'avoir exposé avec objectivité les travaux de notre commission.

Alors même qu'il existait initialement une majorité pour voter en faveur de la proposition de loi permettant d'octroyer, pour les élections communales, le droit de vote aux étrangers hors Union européenne, la commission de l'Intérieur a dû constater que cette majorité n'existait plus.

Un groupe, en l'espèce le VLD, a dès le début des discussions, en novembre de l'année dernière, annoncé que non seulement il ne voterait pas le texte, mais qu'il en ferait une question de gouvernement.

Malgré cette déclaration et sans doute dans l'espoir que cette attitude se modifierait au fur et à mesure des travaux de la commission, la procédure s'est poursuivie au Sénat. Il a fallu constater que les dernières séances furent des réunions à haute tension, précédées de déclarations de plus en plus tonitruantes et bien fournies d'ailleurs en discussions particulièrement animées entre divers groupes.

Se convaincre sur le fond était devenu impossible et le résultat du vote a été ce que vous savez.

Aurait-on pu éviter cette conclusion négative ? Tout gouvernement connaît, durant sa vie, des difficultés, des blocages, voire des crises dont il croyait pourtant s'être prémuni, soit par des dispositions précises insérées, à propos du sujet contesté, dans la déclaration gouvernementale, soit par renvoi du sujet en dehors de l'action gouvernementale.

L'exemple de la première de ces situations, ce sont les accords de la Saint-Polycarpe alors que la déclaration gouvernementale n'avait pas envisagé des modifications institutionnelles d'une telle ampleur et avait du reste transféré toute cette problématique à une conférence intergouvernementale et interparlementaire du renouveau institutionnel. On sait ce qu'il en est advenu par la suite, avec l'obligation pour le gouvernement de prendre en compte cette problématique non prévue.

L'exemple de la seconde situation, c'est ce qui nous occupe aujourd'hui.

C'est vrai que l'octroi du droit de vote aux étrangers ne faisait pas l'objet de mention dans la déclaration gouvernementale. C'est vrai aussi qu'il est vain de chercher, dans cette déclaration, une quelconque phrase qui démontrerait, ne fût-ce qu'a contrario, qu'il ne faut pas octroyer ce droit de vote.

Mais, même si l'époque n'est plus aux sanctuaires, aux tabous et autres domaines réservés qu'on agitait à l'envi il y a quelques années, une question non prévue dans une déclaration gouvernementale peut toujours constituer un point de blocage ou même de rupture, dès lors qu'un membre de la coalition gouvernementale, confronté à une solution inacceptable pour lui, fait appel, en vain, à la solidarité de ses partenaires.

Il est évident que la question du droit de vote des étrangers hors Union européenne est importante et, vu cette importance, on peut comprendre que l'attitude négative d'un partenaire de la coalition puisse être prise en compte.

Techniquement, il s'agissait d'une proposition de loi à l'égard de laquelle, pourquoi le nier, le premier ministre Verhofstadt avait estimé qu'elle devait être traitée par les seuls parlementaires sans que le gouvernement ne s'en mêle.

Cependant, chacun sait que les relations entre gouvernement et majorité ne sont pas régies par un droit public rigide.

Combien de propositions de loi, même sans portée juridique importante, ne sont-elles approuvées que lorsque et pour autant que le ministre compétent n'y ait vu aucune objection ou ait fait adopter des amendements présentés au nom du gouvernement ?

Mais il est vrai aussi que, dans certains cas, une majorité alternative peut approuver des textes que la majorité gouvernementale ne défend pas... Tout cela est donc une question de mesure politique de l'importance de la chose.

Le VLD a estimé qu'en ce qui le concernait, cette proposition de loi posait un tel problème que son adoption pouvait remettre en cause sa participation au gouvernement.

Très vite, on s'est trouvé devant deux possibilités : soit ignorer le propos et aller au vote, avec les risques que cela faisait peser sur la survie du gouvernement, soit demander à postposer ce vote.

Y avait-il une troisième solution ? Dès le début des travaux en commission, le président du VLD avait annoncé son refus et sa volonté d'en faire une question de gouvernement.

Dans la mesure où l'intransigeance répétée des uns a entraîné inévitablement la volonté des autres de mener à son terme la procédure de vote, je ne crois pas que retarder les débats de plusieurs semaines ou de plusieurs mois eût changé quoi que ce soit aux positions politiques figées. D'ailleurs, d'autres tentatives visant à concilier les points de vue ou, simplement, à décrisper l'atmosphère ont été exprimées jusqu'à la dernière réunion de commission, malheureusement sans succès.

Il fallait donc choisir entre adopter la proposition et risquer la crise gouvernementale, ou faire en sorte que cette proposition ne soit pas votée sous cette législature-ci. Nous avons soutenu cette alternative.

Les arguments ont été exposés à l'occasion du vote en commission. Nous pensons réellement que la crise était possible et que la chute du gouvernement sur ce problème aurait entraîné inévitablement des élections anticipées. Celles-ci se seraient alors focalisées sur ce sujet, ce qui aurait constitué le plus grand cadeau que l'on eût pu faire aux partis extrémistes, ce que nous ne voulions pas. Louis Michel, dans une interview, le 13 mars, disait très pertinemment : « le gouvernement était en danger. Tomber là-dessus, c'était ouvrir un boulevard à des partis nauséeux... »

Si elle permet d'éviter une crise gouvernementale et ses conséquences dangereuses, comme je viens de l'indiquer, notre position ne constitue nullement la mise au placard de la proposition. C'est encore Louis Michel qui a clairement déclaré que, dès les élections fédérales de 2003, le groupe réformateur voterait cette proposition. Approuvé sous cette législature ou après 2003, le droit de vote des étrangers ne pourra de toute manière être effectif qu'au moment des élections communales de 2006. Quelques mois de réflexion dans le calme, une élection et un nouveau gouvernement ont toutes les chances de faire évoluer les esprits à ce sujet. Ce délai est d'autant plus important qu'il faudra, à l'égard de l'opinion publique, faire oeuvre de pédagogie.

Comment voulez-vous d'ailleurs que les citoyens soient clairement informés alors que les parlementaires de la commission de l'Intérieur n'ont reçu des renseignements chiffrés sur la problématique du droit de vote des étrangers que le 19 février, soit lors de l'avant-dernière réunion avant les votes ? (Interruptions sur les bancs socialistes)

Encore que les chiffres réclamés par le VLD demanderaient-ils des vérifications dans le détail, des chiffres différents et largement divergents étant cités par d'autres sources.

Et ce n'est pas une manifestation de 12.000 personnes à Bruxelles qui pourra convaincre les citoyens du bien fondé de la proposition mais plutôt une argumentation claire...

M. Philippe Moureaux (PS). - Vous changez votre argumentation !

M. Philippe Monfils (MR). - Pas du tout ! Êtes-vous, monsieur Moureaux, opposé à l'utilisation d'une certaine pédagogie envers la population ? Il est étonnant que dans d'autres secteurs, à propos d'autres sujets, on nous répète à l'envi qu'il faut donner des explications à la population. Je songe par exemple à une proposition qui nous a occupé pendant près de deux au sujet de l'euthanasie. L'on n'a pas cessé de dire : expliquez aux gens, faites adopter par les gens la proposition que nous discutons au Sénat.

Or, ici, je dis seulement que pendant quelques mois nous pouvons faire oeuvre de pédagogie et expliquer le problème à la population. Je ne sais comment cela marche à Molenbeek mais rendez-vous en Wallonie, monsieur Moureaux, et posez des questions aux gens, demandez-leur le nombre de personnes qui seront concernées ou comment cela va se dérouler. Ils n'en savent rien.

Il est donc assez normal que, si elle n'est pas adoptée, nous expliquions à la population la portée d'une proposition dont le retentissement médiatique considérable n'a pas permis d'exposer dans le détail son enjeu.

On parle toujours d'attitude citoyenne. Il me semble normal qu'au-delà des 71 sénateurs et des 150 députés, on explique à la population ce que ces sénateurs et députés font ou vont faire.

M. Philippe Moureaux (PS). - Vous votez donc contre une proposition à laquelle vous êtes favorable !

M. Philippe Monfils (MR). - J'explique depuis dix minutes...

M. Philippe Moureaux (PS). - Quel extraordinaire sens de la démocratie !

M. Philippe Monfils (MR). - Dans tous les gouvernements, il peut se produire des situations de blocage.

Voyez la question des repentis. Un projet de loi est bloqué à la Chambre depuis des mois, simplement parce que les socialistes n'en veulent pas tel qu'il est présenté.

A-t-on demandé de forcer le feu, comme vous l'avez d'ailleurs fait pour cette proposition-ci ? Nous avons au contraire proposé d'attendre.

Je sais que votre président envisage une majorité alternative, mais ce projet est bloqué depuis des mois, tout simplement parce qu'un parti important de la majorité ne tient pas à le faire voter. Lorsque vous étiez au pouvoir avec le PSC et le CVP à l'époque, vous vous êtes contentés de voter des résolutions sur tous les problèmes éthiques parce qu'on vous interdisait au parlement de discuter et de voter réellement des propositions sur le sujet.

Dans un certain nombre d'hypothèses, un clash peut survenir à propos d'un projet que l'on refuse. En ce qui concerne la comparution immédiate, toujours appelée le snelrecht, je vous entends encore proférer toute une série de menaces. Vous n'aviez d'ailleurs pas tort parce que la suite immédiate des événements vous a donné raison ; vous disiez alors que, pour vous, c'était une difficulté considérable sauf s'il y avait des déclarations et des amendements. Cela arrive toujours. L'histoire du gouvernement n'est pas un long fleuve tranquille, et il faut parfois tenir compte de l'attitude de certains partenaires de la coalition. C'est tout ce que je dis depuis dix minutes.

Enfin, je voudrais répondre à l'objection qu'on a aussi souvent avancée et suivant laquelle le gouvernement aurait en quelque sorte mis le Sénat sous l'éteignoir.

M. Philippe Moureaux (PS). - C'est le MR qui est l'éteignoir !

M. Philippe Monfils (MR). - Je l'ai dit et je le répète, le parlement n'est pas une cour de récréation où chacun peut s'ébattre à sa guise en toute liberté. Nous appartenons à des groupes politiques composés de parlementaires élus sur un programme et, pour les groupes de la majorité, soutenant un gouvernement. Le débat a eu lieu au parlement. Le rapport de plus de 80 pages en témoigne. Les affrontements ont parfois été vifs, ce qui est normal au sein d'un parlement. Le débat a aussi eu lieu publiquement. Radios, télévisions, presse écrite en ont largement exposé les éléments essentiels. Nous avons donc fait notre travail.

Mais nous ne vivons pas sous le régime du gouvernement d'assemblée. Il est normal que, lorsque la chose s'avère indispensable, l'attitude d'un ou de plusieurs groupes soit concertée avec les responsables du gouvernement et les instances des formations politiques auxquelles appartiennent les membres d'un groupe parlementaire.

Nous avons fait cette analyse. En commission, nous avons clairement exposé notre vision des choses sur le fond, en déposant des amendements qui traduisaient nos préoccupations. Et cette attitude ne variera pas au moment où, après les élections, ce dossier sera repris.

Notre analyse nous a conduits à estimer que si, dans son contenu, la proposition éventuellement amendée pouvait recevoir notre agrément, les conditions politiques n'étaient pas réunies pour permettre le vote sous cette législature-ci.

On peut naturellement critiquer notre point de vue, c'est parfaitement normal en démocratie. Mais on ne peut crier au déni de parlementarisme.

En conclusion, si la déception de nombreux collègues est aujourd'hui à la hauteur des espoirs qu'ils avaient pu nourrir sur l'aboutissement positif des travaux du Sénat, je voudrais redire que, pour nous, il s'agit simplement d'une occasion perdue.

Contrairement au dicton qui affirme que l'histoire ne repasse pas les plats, le droit de vote des étrangers hors Union européenne pour les élections communales sera au menu de la prochaine coalition gouvernementale après les élections de 2003. À ce moment, les conditions et les conséquences d'un vote positif seront clairement établies avant le débat parlementaire afin d'éviter le conflit et le blocage que l'on a connus.

De nombreux sénateurs auraient voulu que ce jour soit historique si la proposition avait été votée. Ce n'est que partie remise. Ce jour reviendra.

Mevrouw Jeannine Leduc (VLD). - Vandaag spreken wij over de wetsvoorstellen betreffende het stemrecht voor niet-Europese migranten. Ik dank de collega's die het verslag hebben opgesteld, hetgeen niet steeds makkelijk was.

Het verlenen van stemrecht voor niet-Europese migranten werd niet opgenomen in de regeringsverklaring. Daarom werd dit niet als een prioriteit beschouwd. Uiteraard mogen in het Parlement voorstellen worden besproken die niet over een prioritair thema gaan. De VLD is het debat over migrantenstemrecht overigens niet uit de weg gegaan. Het voorstel bespreken betekent evenwel nog niet dat we het moeten steunen. Wij beschouwden het immers niet als een prioriteit.

Ik wil de Senaat proberen te overtuigen van het gelijk van de VLD, al zal dat niet gemakkelijk zijn.

Wij zullen dit wetsvoorstel niet goedkeuren. Bij de aanvang van de huidige regering bestond de afspraak om te kiezen voor een versoepeling van de nationaliteitsverweving. In België kunnen vreemdelingen sedert 1 maart 2000 heel gemakkelijk de Belgische nationaliteit verwerven. Daardoor is de Belgische situatie niet meer te vergelijken met die in andere Europese landen. België heeft de meest liberale wetgeving op het vlak van nationaliteitsverwerving. Voor mij wordt de Belgische nationaliteit zelfs een beetje te onvoorwaardelijk verleend. Vreemdelingen moeten geen bewijs leveren dat ze één van de landstalen kennen. Zij moeten evenmin hun loyaliteit ten opzichte van ons land bewijzen. De enige vereiste is dat er een vermoeden van integratiewil is. Omdat wij een loyale regeringspartij zijn hebben wij dit goedgekeurd. Vreemdelingen die Belg willen worden moeten wel een blanco strafregister hebben. Het is niet altijd gemakkelijk te achterhalen of iemand juridisch zuiver op de graat is. Dit geldt zowel voor Belgen als niet-Belgen.

De VLD is niet inhumaan, noch antidemocratisch, noch racistisch. Wij zijn met de snel-Belgwet zelfs een ietsje te liberaal.

De VLD heeft in deze zaak gehandeld in overeenstemming met de afspraken die binnen de regering zijn gemaakt. Er valt ons dus niets te verwijten. Er was immers overeengekomen dat we de mogelijkheid zouden creëren om sneller Belg te worden en om aldus alle rechten te verwerven die daarmee gepaard gaan, onder meer het recht om op alle niveaus te stemmen, zowel op gemeentelijk als op provinciaal, gewestelijk, federaal en Europees niveau. Volgens de VLD is de discussie over het verlenen van stemrecht aan niet-Europese migranten dus niet aan de orde. Wij geven hen immers de kans in ons land te stemmen op voorwaarde dat ze de Belgische nationaliteit verwerven. Het is overigens op uitdrukkelijke vraag van de VLD dat er een reeks hoorzittingen werden georganiseerd. Het was hierbij niet de bedoeling de procedure te vertragen, maar een beter inzicht in de toestand te verwerven. Wij hebben deskundigen gehoord uit ons land en uit andere Europese landen die reeds stemrecht aan niet-Europeanen hebben toegekend. Spijtig genoeg hebben we niet de gelegenheid gehad vertegenwoordigers te horen uit landen die het stemrecht niet hebben toegekend. Voorts hebben we vertegenwoordigers gehoord van de belangengroepen die het voor vreemdelingen opnemen. Wij hebben benadrukt dat wij ook vreemdelingen wilden uitnodigen die stemrecht willen, maar die absoluut weigeren Belg te worden.

Volgens mevrouw Foblets van de KUL bestaan er twee technieken om vreemdelingen politiek medebeslissingsrecht te geven: ten eerste, de ontkoppeling van nationaliteit en politieke rechten; ten tweede, de versoepeling van de interne wetgeving op de nationaliteitsverwerving. Wij hebben geopteerd voor de tweede mogelijkheid, die de regeringsmeerderheid in alle loyaliteit heeft goedgekeurd.

We mogen niet uit het oog verliezen dat de landen die stemrecht aan niet-Europese migranten hebben verleend, in de meeste gevallen een specifiek koloniaal verleden of migratieverleden hebben. Dit laatste is het geval voor Ierland. In deze landen moet het stemrecht op lokaal niveau tot een betere integratie en vervolgens tot nationaliteitsverwerving leiden.

Wij verkiezen de onmiddellijke nationaliteitsverwerving, uiteraard mits aan een aantal eenvoudige voorwaarden wordt voldaan. Andere mogelijke oplossingen zijn voor ons niet meer aan de orde.

Wij hebben uit de getuigenissen geleerd dat sommige niet-Europese migranten gemeentelijk en provinciaal stemrecht niet voldoende achten. Zij willen stemrecht op alle niveaus. De getuigenis van een jonge Turkse migrant heeft mij enorm geschokt en was zeker niet van aard de tegenstanders van migrantenstemrecht van mening te doen veranderen. Deze persoon beschouwde het aanvragen van de Belgische nationaliteit als een vernedering. Ik ben er mij van bewust dat we dit standpunt niet mogen veralgemenen maar we mogen het evenmin negeren.

Mevrouw Meryem Kaçar (AGALEV). - We moeten opletten met ons woordgebruik. We spreken over migranten, maar het gaat over mensen die niet meer migreren. Ze zijn hier en maken volwaardig deel uit van deze maatschappij. Wij hebben die getuigenis gehoord, maar één zwaluw maakt de lente niet. U mag dat niet veralgemenen en daar geen misbruik van maken. In het woordgebruik zijn we ook geëvolueerd van migrant naar allochtoon en naar burger.

Mevrouw Jeannine Leduc (VLD). - In alle kranten wordt gesproken over stemrecht van migranten. Ik raad u aan alle journalisten op hun verkeerd woordgebruik te wijzen.

Om een duidelijker beeld te krijgen wie de niet-Europese onderdanen zijn, die reeds vijf jaar in ons land wonen en geen aanvraag tot het bekomen van de Belgische nationaliteit doen, welke taal ze spreken, tot welke leeftijdscategorie ze behoren, stelde ik vragen aan de minister van Binnenlandse Zaken. De minister heeft bepaalde vragen beantwoord, voor andere had hij geen informatie. Wij kunnen besluiten dat het aantal betrokkenen niet zo groot is. Het is wel een rare vaststelling dat de meerderheid ervan tussen de 25 en 40 jaar oud is. Ik had verwacht dat het vooral om ouderen zou gaan, die destijds door ons werden uitgenodigd om hier te komen werken. Ik kan zelfs begrip opbrengen voor die mensen die wellicht nog het verlangen of de ijdele hoop koesteren om terug te keren naar hun land van oorsprong en daarom de Belgische nationaliteit niet aanvragen. Voor hen was ik zelfs bereid om het voorstel goed te keuren. Maar het gaat dus vooral om mensen tussen de 25 en 40 jaar. Die hebben we hier niet uitgenodigd. Ze zijn naar hier gekomen om hier te werken en te wonen en denken dat dit land hen betere toekomstperspectieven kan geven. We moeten ook niet verzwijgen dat die mensen ook graag willen genieten van onze sociale voordelen. Als ze hier werken en zich inspannen, heb ik daar zelfs niets op tegen.

Mevrouw Meryem Kaçar (AGALEV). - U ontkent dus dat die groep door ons werd uitgenodigd om hier te komen werken in de wegenbouw, de bouwnijverheid, de textiel? Volgens u is die groep op eigen initiatief naar hier gekomen?

Mevrouw Jeannine Leduc (VLD). - Die groep tussen de 25 en 40 jaar is inderdaad op eigen initiatief naar hier gekomen.

Mevrouw Fatma Pehlivan (SP.A). - Dat zijn mensen die hier geboren zijn. Die wonen hier in een open maatschappij.

Mevrouw Jeannine Leduc (VLD). - Mevrouw Pehlivan, als die mensen hier geboren zijn, zie ik niet in waarom ze niet aanvaarden Belg te worden.

(Exclamations)

Mme Sfia Bouarfa (PS). - Voulez-vous me donner votre formule magique qui consisterait à vouloir devenir belge pour le devenir automatiquement ? Tous les problèmes seraient ainsi résolus.

Mevrouw Jeannine Leduc (VLD). - Mevrouw, dat is een stelling waar ik niet op inga.

Ik kan aannemen dat allochtonen hier geboren worden en ik begrijp niet waarom ze niet aanvaarden Belg te worden. Dan genieten ze immers alle rechten, niet alleen lokaal stemrecht, maar stemrecht over de hele lijn.

Wanneer ik de cijfers verder bekijk, stel ik vast dat daar waarschijnlijk ook mensen bij zijn die de toepassing van de snel-Belgwet gevraagd hebben, maar aan wie dit op basis van hun dossier, om één of andere reden geweigerd werd. Moeten we die mensen dan zomaar automatisch stemrecht geven? In ben daar niet toe bereid en mijn partij evenmin.

(Protestations de madame Fatma Pehlivan)

Sommige mensen verkiezen hun nationaliteit te behouden, dat is hun goed recht en ik kan me voorstellen dat dit beantwoordt aan een soort roots-gevoel. Juist die mensen moeten begrijpen dat ook de Belgen hun nationaliteit hoog inschatten, dat ze daaraan gehecht zijn, met de daarbij horende rechten en plichten. Als allochtonen gehecht zijn aan hun nationaliteit, dan hebben we daar begrip voor, maar het gevolg is dat ze hier niet kunnen stemmen. Aan de nationaliteit zijn immers rechten en plichten verbonden.

Het wetsvoorstel houdt in dat men stemrecht wil verlenen aan niet-Europese ingezetenen. Wij Belgen hebben een stemplicht. Als we niet gaan stemmen, volgt er een sanctie en een boete. Aan niet Europese onderdanen zou stemrecht worden verleend. Is dat dan geen discriminatie? Ik vind van wel. De VLD is trouwens al lang voorstander van stemrecht in plaats van stemplicht. Daar wil ik ook wel eens een debat met u over aangaan.

Van verschillende politici heb ik vaak de uitspraak gehoord `zelfde rechten, zelfde plichten'. Dat is de droom van elke liberaal. Voor mij mag ieder individu gaan en staan waar hij wil, met dezelfde rechten en dezelfde plichten.

Mme Sfia Bouarfa (PS). - Citez-moi un seul de ces devoirs...

Mme Jeannine Leduc (VLD). - Celui de solliciter la nationalité belge !

M. Philippe Moureaux (PS). - Expliquez-moi pourquoi les Espagnols peuvent voter et non les Marocains ? Parce que ces derniers sont des sous-hommes ?

Mme Jeannine Leduc (VLD). - Non, je n'ai pas dit cela. S'ils veulent voter en Belgique, ils doivent obtenir la nationalité belge.

M. Philippe Moureaux (PS). - Les Espagnols peuvent garder leur nationalité, mais dès que l'on passe de l'autre côté de Gibraltar, ce n'est plus possible. Pourquoi ?

Mme Jeannine Leduc (VLD). - Les habitants de l'Europe se sentent européens. Ils forment un groupe. Ce n'est pas la même chose ! (Vives marques d'indignation sur les bancs socialistes et Ecolo.)

M. le président. - Chaque membre a le droit d'exprimer son point de vue.

Mevrouw Jeannine Leduc (VLD). - Dat is mijn perceptie in deze zaak. Ik mag hier mijn mening verkondigen. (Uitroepen)

Ik zei: dezelfde rechten, dezelfde plichten, dezelfde verantwoordelijkheid. Want bij rechten en plichten hoort verantwoordelijkheid. Men zegt mij dat deze mensen hier al drie of vijf jaar wonen, hier werken - sommigen werken hier niet, maar laat ons aannemen dat ze allemaal werken. Maar als ik naar Turkije of Marokko ga om er te wonen en te werken, krijg ik daar dan stemrecht? Het antwoord is neen.

Mme Sfia Bouarfa (PS). - Ce raisonnement ne tient pas la route ! Sur les 180 pays du monde, il y a très peu de démocraties.

Mevrouw Jeannine Leduc (VLD). - Wij hebben geen lessen te krijgen in democratie. Wij hebben ginder geen rechten. Als we ginder een diefstal plegen, riskeren we in de gevangenis te belanden. (Protest van mevrouw Bouarfa)

M. le président. - Madame Bouarfa, la démocratie, c'est aussi permettre à chacun d'avoir des points de vue différents sur un même sujet, dans un même pays, et de les exprimer.

Mevrouw Jeannine Leduc (VLD). - Als wij naar Marokko of Turkije gaan, geldt het gelijkheidsbeginsel niet. Waarom moeten wij dan stemrecht verlenen na drie of vijf jaar verblijf in België? Sommigen noemen dat discriminatie: ze wonen hier al meerdere jaren, sommigen werken hier, nemen deel aan het culturele, sociale of economische leven en betalen hier belastingen. Ik vind dat geen steekhoudend argument. Ze genieten hier als belastingbetaler van alle sociale voordelen. Ze hebben genot van alle openbare dienstverleningen, genieten hier onderwijs. Mevrouw Pehlivan heeft hier verklaard dat het onderwijs voor allochtonen van slechte kwaliteit was. Mevrouw, wanneer u in Limburg...

Mevrouw Fatma Pehlivan (SP.A). - Allochtone kinderen hebben meerdere jaren achterstand op de Vlaamse kinderen. De doorstroming naar het hoger onderwijs is minimaal. De cijfers tonen het aan: het onderwijs is miserabel. Mevrouw Leduc zegt dat we kinderen gelijk moeten behandelen. Allochtone ouders hebben echter geen stem om op te komen voor de rechten van hun kinderen. Daarover gaat het.

Mevrouw Jeannine Leduc (VLD). - Ik was gedurende jaren lid van de Centrale raad van het Gemeenschapsonderwijs. Ik heb de begrotingen gezien. Ik was directrice in een gemeenschapsschool in Limburg. Ik heb gezien hoe er onvoorstelbaar veel geld ging naar onderwijsvoorrangsbeleid voor de scholen in de mijnstreek. De ouders moeten hun kinderen echter naar school sturen en het volstaat niet je leerboeken onder je hoofdkussen te leggen. Je moet ook studeren. De vrouwen, de jongedames van allochtone afkomst, zowel Turken als Marokkanen, halen in Limburg wel schitterende diploma's. De jongemannen halen die diploma's niet omdat ze zich onvoldoende inspannen. (Uitroepen) Mevrouw Pehlivan heeft het over ongelijke kansen. Maar ik kan tientallen Belgische kinderen opnoemen die ook starten met ongelijke kansen, maar die niet dezelfde middelen krijgen als de allochtonen. (Uitroepen) (Applaus bij het Vlaams Blok)

M. Philippe Moureaux (PS). - Regardez la nouvelle majorité Vlaams Blok-Libérale en train de se constituer !

De heer Wim Verreycken (VL. BLOK). - Mevrouw Leduc heeft mijn tekst overgenomen.

Mevrouw Fatma Pehlivan (SP.A). - Ik heb een vraag voor mevrouw Leduc. Is zij van mening dat allochtonen die werkloos zijn ook vlot Belg kunnen worden?

Mevrouw Jeannine Leduc (VLD). - Ik zal u het voorbeeld van Ford Genk geven, waar allochtonen en autochtonen samen op de werkvloer staan...

Mevrouw Fatma Pehlivan (SP.A). - Ik heb het over allochtone werklozen.

Mevrouw Jeannine Leduc (VLD). - "Ze mogen wel geen ballen onder hun armen hebben." Men moet toch minstens bereid zijn te werken. (Luid protest)

Ik kan cijfers geven die aantonen dat scholen met veel migranten miljoenen hebben gekregen voor bijkomende leerkrachten en dergelijke.

Ik laat me door de heer Moureaux, voor wie ik overigens veel sympathie heb, niet op dezelfde lijn zetten als het Vlaams Blok. Ik vraag dat hij zijn woorden intrekt.

M. Philippe Moureaux (PS). - Vos propos au sujet des jeunes allochtones, soi-disant incapables de profiter des infrastructures scolaires de qualité mises à leur disposition, sont inqualifiables.

Mevrouw Jeannine Leduc (VLD). - Mijnheer de burgemeester, ik weet dat de situatie in Antwerpen en Borgerhout anders is. Ook in Limburg is er een verschil tussen Beringen en Genk; in Genk wordt meer geïnvesteerd dan in Beringen en wellicht ook dan in Borgerhout. Ik weet niet hoeveel middelen er in Molenbeek worden geïnvesteerd.

Ik ben geen tegenstander van gezinshereniging, maar elk jaar opnieuw stellen we vast dat huwelijken worden gesloten met mensen uit het land van herkomst die de taal niet kennen en hun kinderen in hun moedertaal opvoeden. Op die manier ontstaat een structurele achterstand. Om die reden heb ik op verschillende onderwijscongressen voorgesteld om voor alle kinderen een taalbadjaar te organiseren vooraleer ze naar het eerste leerjaar gaan. Hierin kunnen ze leren lezen en hun taalgevoel ontwikkelen. Hierdoor zou de achterstand kunnen worden verkleind.

Allochtonen die belastingen betalen, krijgen hiervoor ook veel terug. Ze zijn lid van onze maatschappij en genieten alle sociale rechten en rechten inzake gezondheidszorg. In het onderwijs worden ze zeker niet benadeeld. Niemand verplicht hen om hier te blijven; niemand houdt hen tegen om te verhuizen. Nationaliteit gaat gepaard met rechten en plichten. Men kan niet alleen de rechten eisen en de plichten aan zich laten voorbijgaan.

Voorstanders van gemeentelijk stemrecht voor migranten maken ons, tegenstanders, verschillende verwijten.

Zij beweren dat we niet democratisch zijn, maar een echte democraat houdt rekening met wat aan de basis leeft en wat het volk zegt, wat ik zeker en vast doe. Telkens weer hoor ik de gewone mensen zeggen dat wie hier wil stemmen, Belg moet worden.

In de pers wordt vaak verwezen naar de enorme kloof tussen de politiek en de burger. Wij proberen die kloof te dichten door rekening te houden met wat onze bevolking zegt. Sommigen zullen het niet graag hoor, maar in alle partijen horen we bij de achterban hetzelfde verhaal: de Vlaamse burger wil niet weten van stemrecht voor de niet-EU-onderdanen.

M. Philippe Moureaux (PS). - Vous étiez tout à l'heure pour la nationalité belge. Vous êtes passée de la nationalité belge à la nationalité flamande, si je comprends bien ! Vous êtes belge ou pas ?

Mevrouw Jeannine Leduc (VLD). - Mijn familienaam is Leduc. Mijn familie woont in Waremme, in Luik en omgeving. Ook zij zijn niet te vinden voor dat stemrecht, evenmin als tal van andere mensen in Wallonië.

M. Philippe Moureaux (PS). - Il y a des racistes partout !

Mevrouw Jeannine Leduc (VLD). - Sommigen zullen dat racisme noemen, wij niet. Wij willen rekening houden met hun ervaringen en argumenten.

Liberalen discrimineren niet. Ons motto is: zelfde rechten, zelfde plichten en geen rechten zonder plichten.

De keuze was ofwel op soepele wijze de Belgische nationaliteit verwerven, ofwel stemrecht krijgen. Ons standpunt kan samengevat worden in enkele krachtlijnen: wie zich in dit land wil vestigen, moet de taal leren van het landsdeel leren waar hij of zij wil wonen, moet zich integreren. Integreren betekent `samen-leven' met de mensen die hier al lang leven. Samenleven is elkaars rechten en goederen en elkaars levenswijze respecteren, elkaar geen overlast bezorgen. Integreren is zich aanpassen en vooral zich inpassen. De taal leren en de Belgische nationaliteit verwerven zijn daartoe uitstekende middelen.

Ik ben er fier op liberaal te zijn en noem me graag liberaal. De VLD'ers zijn echte liberalen en democraten. Wij zijn verdraagzaam en begrijpend en willen rekening houden met iedereen. Ook met de Belgische burger die door sommigen `verzuurd' noemen. De Belgen wonen en werken hier en betalen elk jaar belastingen. We moeten er dan ook voor zorgen dat de maatschappij, hun buurt, hun stad, hun gemeente attractief blijven. Voor mij mag een buurt gerust gemengd zijn. Ik pleit niet voor een zuiver blanke buurt, maar ik weet wel dat integreren alleen mogelijk is voor wie de taal van de buurt spreekt, wat vandaag nog veel te weinig gebeurt.

De heer Lozie zei dat wij Belgen nog te vaak bange blanke burgers zijn.

Wie mij kent, weet dat ik zeker geen bange blanke burger ben en ik ken ook geen enkele VLD'er die zich een bange blanke burger noemt. Wel zijn we ervan overtuigd dat we een verkeerd signaal zouden geven, indien we het stemrecht voor migranten zouden goedkeuren. Eigenlijk zouden we hen dan zeggen dat het niet belangrijk is de taal te leren en zich te integreren. Wij vinden de taal leren en zich integreren wél belangrijk. Dat die mensen Belg worden, dan kunnen ze op alle niveaus stemmen en mee besturen. Daarnet zei iemand dat er geen aandacht is voor wie geen stemrecht heeft en dat deze mensen dan ook in een verwaarloosde buurt wonen. Burgemeesters, schepenen en raadsleden die een deel van hun wijk, stad of streek verwaarlozen zijn slechte bestuurders. In een correct en evenwichtig bestuur moeten we rekening houden met iedereen, jong en oud, ziek, asielzoeker, allochtoon en uiteraard ook autochtoon. Enkel door politieke participatie zullen de zaken ten goede wijzigen. We hebben gekozen voor de mogelijkheid om snel Belg te worden. Laten we die boodschap brengen en niet het verkeerde signaal geven. Mohammed Chakkar van de Federatie van Marokkaanse Verenigingen noemde de verwerping van het stemrecht een politiek circus en de discussie erover vernederend. Ik citeer: "Alsof we al blij mochten zijn met lokaal stemrecht; zelfs de voorstanders van dit wetsvoorstel durven niet spreken over stemrecht op alle niveaus." Wij durven spreken van stemrecht op alle niveaus, maar dan moet men Belg worden. Dat is de houding van de VLD en die blijven we verdedigen. Dat is volgens ons allemaal de beste weg.

(Applaudissements sur les bancs du VLD et du Vlaams Blok)

Mme Marie Nagy (ECOLO). - J'aimerais avant tout remercier les trois rapporteurs qui se sont fait le reflet des travaux de la commission, lesquels ont été riches sur le plan de l'écoute et de l'échange, notamment quant aux différentes modalités susceptibles de régir l'octroi du droit de vote. De même, les auteurs des propositions de loi ont fait preuve d'une ouverture certaine et d'une réelle volonté de discussion. Certains des propos tenus aujourd'hui ne l'ont pas été en commission. Peut-être les masques commencent-ils à tomber et la face cachée de ce débat de principe apparaît-elle petit à petit.

Je ne souhaite pas - d'autres l'ont déjà fait avec brio - axer le débat sur le suffrage universel.

La composition sociologique de notre société s'est modifiée après la Deuxième Guerre mondiale, lorsque la Belgique a, comme d'autres États européens, fait appel à l'immigration, pour des raisons à la fois démographiques et professionnelles. Ceux qui, à l'époque, ont pris cette décision n'ont peut-être pas suffisamment réfléchi aux changements culturels importants qu'elle impliquait ; quoi qu'il en soit, elle a considérablement modifié le paysage européen. En effet, l'Europe n'est plus isolée du reste du monde, car elle compte en son sein des populations très diverses.

À un certain moment d'ailleurs, Mme Leduc a raison sur ce point, ce ne sont plus le gouvernement ni les employeurs belges qui sont « allés chercher » la main-d'oeuvre. Ce sont les plus démunis qui, à la recherche d'un monde meilleur, ont tenté, d'une manière ou d'une autre, de rejoindre l'Europe. Je ne dis pas qu'il faut, sans discernement, ouvrir les frontières à toutes ces personnes. J'attire simplement votre attention sur le fait qu'il s'agit d'un problème que nous devrons débattre.

Il nous faudrait soi-disant parfaire la pédagogie : le bon moment ne serait pas encore arrivé et les circonstances politiques ne seraient pas encore favorables...

À partir de 1977, « Objectif 82 », l'association qui revendiquait le droit de vote pour les étrangers vivant en Belgique pour les élections de 1982, a mis ce dossier sur la table. Nous étions alors confrontés à un discours - Mme Leduc m'a rappelé cette époque - dont le contenu était réducteur, stigmatisant, et sans nuance à l'égard des étrangers et de l'immigration. Courageusement, cette association et certains partis politiques ont exprimé des revendications ayant trait à la fois aux droits sociaux et politiques des travailleurs immigrés et au droit de vote.

Deux lois importantes ont été votées dans les années 80' : la première, sur l'accès au territoire et la seconde, sur la lutte contre le racisme. À partir de ce moment-là, les droits sociaux donnant accès à la concertation sociale via les élections sociales, on pouvait parler de véritable statut pour les étrangers résidant en Belgique.

En 1991 est apparu un élément important qui, si j'en juge d'après leurs propos relatifs à la nationalité, a peut-être échappé à certains : l'adoption du Traité de Maastricht et l'obligation faite à la Belgique de permettre le vote des résidents étrangers européens dans le cadre des élections locales et européennes.

Qu'on le veuille ou non, qu'on ait ou non lu les textes, à ce moment-là s'est créée une situation particulière. D'une part, la Belgique a dû modifier l'article 8 de la Constitution, de manière à autoriser les résidents européens à voter.

La citoyenneté européenne n'existe pas ; il s'agit plutôt de citoyennetés nationales englobées dans un ensemble, l'Europe. Les propos entendus aujourd'hui ne sont pas neufs ; nous avions déjà pu constater par le passé une forte résistance, même à l'égard de l'obligation faite à notre pays d'accorder le droit de vote aux ressortissants européens.

La Belgique ne pouvait résister et a dû, en 1998, réviser l'article 8 de la Constitution. De plus, un événement important s'était produit : le premier ministre Jean-Luc Dehaene, au moment de l'affaire Loubna Ben Aïssa, avait déclaré que le moment était venu pour la Belgique d'octroyer le droit de vote, non seulement aux ressortissants de l'UE mais aussi aux autres. L'article 8 a été révisé en deux temps.

En 1999, on modifia la loi sur la naturalisation par un élément important : désormais, il n'incombera plus à l'étranger de faire la preuve de son intégration, mais bien aux autorités de démontrer éventuellement que telle personne ne s'est pas intégrée.

Après les élections communales de 2000, il était tout de même politiquement et constitutionnellement important de passer à la mise en oeuvre de l'article 8 de la Constitution par une loi qui octroyait aux ressortissants hors UE, le droit de voter en Belgique.

Je voudrais préciser la portée de cette proposition de loi, car j'ai parfois l'impression que certains ne l'ont pas lue. Il s'agit d'octroyer le droit de vote, au niveau local, à des personnes durablement installées dans notre pays et qui, pour des raisons diverses, ne souhaitent pas ou pas encore, accéder à la nationalité belge. Je tiens toutefois à souligner qu'Écolo ne voit aucune objection à étendre ce droit de vote aux élections régionales et provinciales. Pour nous, ce sont des étapes dans un processus dont on mesure aujourd'hui la difficulté.

Et pour lever tout malentendu, madame Leduc, je vous dirai que les personnes en question sont, bien évidemment, soumises aux mêmes droits et obligations. Une personne condamnée, qui ne bénéficie pas de ses droits civiques et politiques, ne pourra participer aux élections - la proposition de loi le stipule. Les mêmes conditions s'appliquent aux Belges et aux non-Belges.

Autre précision : la proposition de loi Lozie-Nagy prévoit que le droit de vote est obligatoire, car nous sommes favorables à l'obligation de voter, de manière à amener une forme de démocratisation de cet exercice. Et comme on l'impose aux Belges, nous proposons de l'imposer également aux ressortissants étrangers non européens. Le Conseil d'État nous fait remarquer qu'un problème se pose parce que la directive européenne ne permet pas que l'on crée cette obligation aux Européens.

Donc, pour éviter des discriminations entre Européens et non-Européens, pour répondre au souci d'égalité de traitement, on était prêt à entendre les amendements et les arguments mis en avant, notamment, par la proposition du PSC, avec une inscription d'office qui pourrait être retirée.

Il est assez malhonnête intellectuellement et politiquement de mélanger le débat sur le droit de vote des étrangers avec un débat qu'on voudrait mener sur l'obligation ou non de voter. Ce débat-là, on peut le tenir, même si je n'y suis pas favorable, mais c'est une autre question. D'une certaine manière, on cherche ici des excuses et des échappatoires pour éviter d'aborder le débat final qui porte sur le fait que l'ensemble des citoyens, quelle que soit leur nationalité, peuvent participer aux responsabilités de la gestion communale. Car la proposition de loi a bien pour objectif de responsabiliser de la même manière tous les citoyens par la participation aux élections. Cette proposition ne vise pas à mieux traiter les étrangers que les Belges ou inversement mais tend à responsabiliser l'ensemble des citoyens à la gestion locale en ce qui concerne les voiries, les écoles, l'organisation de la police, bref, les composantes de la vie quotidienne de chacun, et dans lesquelles, finalement, cette notion de nationalité n'entre que peu en ligne de compte.

M. Philippe Monfils (MR). - Peut-être ai-je mal compris mais il me semble qu'il y a quelques minutes, parlant de cela - bien sûr, la proposition ne vise que les élections communales - vous aviez dit que les écologistes n'avaient pas d'objection à ce que dans l'avenir - c'est le pas suivant - un étranger puisse participer - être électeur et donc éligible - aux élections provinciales et régionales. Je pense que c'est ce que vous avez dit. Cela signifie que pour vous, un étranger, un non-Belge, pourrait donc devenir un jour député régional. Est-ce bien cela ? Franchement, il serait intéressant d'expliquer cela à vos électeurs.

Mme Marie Nagy (ECOLO). - Monsieur Monfils, nous avons déposé un texte dont nous discutons aujourd'hui, et qui ne porte que sur les élections communales. Quant à la raison pour laquelle nous l'avons fait...

M. Philippe Monfils (MR). - Je tiens à vous entendre répéter les propos que j'ai relevés et que vous avez tenus il y a quelques instants.

Mme Marie Nagy (ECOLO). - Nous avons déposé un texte législatif qui n'est pas en opposition avec la Constitution. Il n'y a pas d'objection constitutionnelle à l'organisation du droit de vote au niveau communal tel que nous l'envisageons.

À la lecture du programme d'Ecolo, vous trouverez une réponse à votre question. Il faut du temps pour que les idées avancent.

J'ai commencé à faire de la politique dans les années 80, et Ecolo a été créé vers 1982. À ce moment déjà, le droit de vote au niveau local figurait dans notre programme. Nombreux étaient ceux qui, à l'époque, nous disaient que cela nous ferait perdre des voix. Ce n'était pas facile, et déjà l'opposition avançait les mêmes arguments que ceux que nous avons entendus aujourd'hui. Nous avons maintenu le cap et nous sommes persuadés que tôt ou tard, que vous le vouliez ou non, le droit de vote sera octroyé au niveau local. Le Parlement européen a récemment voté un texte en ce sens. On peut faire de la résistance dans la durée mais la réalité est tout autre et elle nous rattrapera un jour parce que l'évolution de nos sociétés démocratiques avancées va dans ce sens.

En ce qui concerne l'issue de ce débat, il est clair que nous avons été de ceux qui avaient espéré que l'évolution des différentes forces politiques en présence, que le dépôt des différentes propositions de loi au Sénat, que les déclarations notamment d'un parti important de la majorité, à savoir le MR, que tout cela allait permettre d'accroître le niveau démocratique de notre société.

Il est clair que nous éprouvons une très grande déception.

Je trouve cela tout à fait invraisemblable que le CD&V renie à ce point les engagements du passé. Il aurait l'occasion, comme le PSC, que je remercie au passage, de sortir d'une logique majorité-opposition et de s'inscrire dans une ligne constructive d'avancée démocratique. Le CD&V préfère jouer l'opposition dure, conservatrice, pour renier des engagements pris précédemment, également par le premier ministre de l'époque. On se place sur l'échiquier politique, et tant pis si une réforme importante ne passe pas !

L'attitude du PSC est tout autre et on peut lui rendre hommage à ce sujet car, au lieu de s'enfermer dans une opposition, il perçoit l'objectif, l'avancée démocratique et il permet sa réalisation.

D'autres ont dit que l'on faisait de ce problème une question de gouvernement. C'est leur opinion. Ils n'ont pas entendu les cinq autres partis de la majorité et d'aucuns nous ont signalé qu'ils prenaient une attitude responsable sauvant la majorité gouvernementale.

Permettez-moi, monsieur Monfils, de renverser la question pour mieux comprendre les enjeux auxquels nous sommes confrontés.

Pensez-vous qu'il est responsable, visionnaire, de se dire que le parti le plus important de la coalition serait prêt à rejeter en même temps la réforme fiscale, la réforme des entreprises publiques, la réforme de la justice, une nouvelle politique internationale, le vote sur l'euthanasie, en raison de l'extension du droit de vote aux ressortissants non européens ? Estimez-vous qu'il s'agit d'une position justifiable ?

Vous me répondrez sans doute par l'affirmative puisque vous avez été obligé de passer d'une position de principe affirmant que vous étiez pour, à une position où vous avez signalé que vous vous absteniez, pour en arriver à une situation où vous vous posez en sauveur de la majorité parce que vous votez non.

Honnêtement, si vous renversez les termes du positionnement politique, il y a là un côté absurde qui n'échappera ni à vos électeurs ni aux autres.

M. Philippe Monfils (MR). - Nous nous occupons de nos électeurs, madame Nagy, occupez-vous des vôtres. Vous jouez à la fausse naïve. Je sais que la notion de solidarité au sein du gouvernement ne vous étouffe pas ; on l'a encore vu il y a deux jours, à l'occasion de l'accord budgétaire et des palinodies auxquelles cela a donné lieu dans votre parti.

Vous savez très bien qu'un gouvernement ne tombe pas nécessairement sur de très grandes sujets ; il peut aussi tomber sur des détails.

Ne dites pas n'importe quoi. Voyez l'histoire des gouvernements. On peut faire du droit public avec vous pendant des heures ; tout est possible.

Croyez-vous que le fait de dire que le travail n'est pas terminé dans une série de domaines, comme vous venez de le faire, aura une quelconque influence sur un débat politique, où un parti engage en quelque sorte la suite du gouvernement ? Il n'en est rien et je vous invite à vous remémorer ce qui se passe depuis des années dans tous les gouvernements.

M. Philippe Moureaux (PS). - Il suffit qu'un parti vous demande de vous aplatir et vous êtes un petit tapis, une carpette bleue.

Mme Magdeleine Willame-Boonen (PSC). - Je constate qu'il y a de l'ambiance dans la majorité.

Mme Marie Nagy (ECOLO). - Je pense, monsieur Monfils, que lorsqu'on renverse le questionnement comme je l'ai fait, on comprend bien de quoi il s'agit.

Chacun tirera ses conclusions. Moi, honnêtement, je vous répète que votre position est paradoxale. Nous avons écouté le débat. Vous affirmez que le sujet sera repris après les prochaines élections et, certes, je pense que l'on peut se donner rendez-vous à ce moment-là et voir si vous aurez entre-temps réussi à convaincre le VLD. Mais, après les élections de 2003, on dira : « Attention, il y a des élections régionales en 2004, pourrons-nous arriver à discuter entre ces deux scrutins ? » Et puis, en 2006, ce seront de nouveau des élections législatives, et le problème se posera de la même manière.

Je pense qu'il faut effectivement mettre les choses sur la table. Cependant, nous avons raté l'opportunité ouverte par l'existence d'une majorité politique. Elle existait. C'eut pourtant été une chance sur le plan constitutionnel d'étendre notre démocratie.

Je voudrais conclure en lisant un extrait de la carte blanche que des personnalités ont publiée en octobre 2000 sous le titre : « Le droit de vote pour tous les étrangers, il est grand temps. » (Colloques sur divers bancs)

« En 1985, tous les partis politiques néerlandais, y compris les libéraux et les démocrates chrétiens, estimèrent que le droit de vote constitue un moyen puissant d'intégration. La reconnaissance de ce droit aux étrangers fut bien loin de conduire à un séisme électoral - les étrangers votent, en gros, comme les nationaux - et il ne suscita pas davantage le succès des partis musulmans fondamentalistes. Pareil scénario catastrophe est un pur non-sens. L'extension du droit de vote n'est, bien entendu, pas un remède miracle qui a réglé tous les problèmes. La reconnaissance du droit de vote aux élections communales a cependant eu pour conséquence que l'ensemble des acteurs politiques ont pris l'ensemble des immigrés plus au sérieux comme citoyens à part entière des grandes villes. Tous les résidents, quelles que soient leur nationalité ou leur origine, ont été ainsi amenés à se rapprocher les uns des autres et à prendre ensemble leurs responsabilités. Qu'attendons-nous pour aller, à notre tour, de l'avant ? »

C'est ce que posaient comme question MM. De Grauwe, Eyskens, Mme Cantillon et d'autres encore. Je regrette vraiment que la frilosité de certains, les acrobaties politiques d'autres ne permettent pas d'adopter une extension importante de notre démocratie.

De heer Wim Verreycken (VL. BLOK). - Ik zou graag de regering begroeten, maar die bespreekt momenteel in China het stemrecht voor Tibetaanse gastarbeiders. Ik feliciteer wel de ambtenaar die dit verslag uit de totale chaos heeft gedestilleerd.

Toen enige tijd geleden het debat over het stemrecht voor Europese vreemdelingen gevoerd werd, waarschuwde ik voor een verborgen agenda. Ik zei toen al dat zeer snel zou worden geargumenteerd dat de niet-Europese vreemdelingen werden gediscrimineerd en dat ook aan hen stemrecht moest opgedrongen. Er kwamen daarop in het halfrond verontwaardigde ontkenningen. Er was zogezegd geen verborgen agenda.

Tot Di Rupo ontdekte dat hij de PS-macht in Brussel kon uitbreiden ten nadele van alle Vlaamse lijsten wanneer ook de niet-Europese vreemdelingen voor zijn partij zouden kunnen stemmen. Hij gaf de voorzitster van de commissie voor de Binnenlandse Zaken en de Administratieve Aangelegenheden letterlijk het bevel om het voorstel betreffende het migrantenstemrecht aan de orde te stellen. En onmiddellijk werd His Master's Voice gevolgd. De Senaat moest maar naar het pijpen van de PS dansen. In dit licht zijn de latere stoere verklaringen over het niet dulden van tussenkomsten van buitenaf ronduit pathetisch. Coveliers moest zwijgen omdat hij geen senator was, maar het woord van Di Rupo moest als wet gelden.

De linkse partijen in de commissie wilden een en ander snel door de strot van de burgers duwen. Zo zeiden professor Loobuyck en Tarik Fraihi dat, indien men de beslissing nu doorvoerde, er in 2006 geen haan meer naar zou kraaien. De kans dat het Vlaams Blok dit thema federaal kan uitspelen, is volgens hen klein, omdat het over gemeentelijk stemrecht gaat. In Nederland heeft de politieke elite zich eensgezind voor het migrantenstemrecht uitgesproken om extreem-rechts de wind uit de zeilen te nemen, zeiden ze. Of deze strategie in Nederland succesvol was, zullen de analisten na 15 mei wel uitmaken. Vast staat in elk geval dat de hoop dat niet-Europese vreemdelingen het electoraat van de linkse partijen zullen aandikken, een van de redenen is voor de haast.

Het streven naar gelijkheid, een dooddoener waarmee in de commissie nochtans driftig werd gezwaaid, is in geen geval de bedoeling van het voorstel. Voor vreemdelingen worden vandaag immers geen gelijke rechten, maar dubbele rechten geëist. Ze behouden al de rechten die verbonden zijn aan hun eigen nationaliteit, en krijgen er de rechten bij die verbonden zijn aan onze nationaliteit, zonder onze nationaliteit te aanvaarden. Integendeel! Nog strijdiger met enig gelijkheidsbeginsel kan een voorstel niet zijn.

En dat ze onze nationaliteit en de daaraan verbonden plichten en democratische beginselen afwijzen, wordt onderstreept door Dyab Abou Jahjah, voorzitter van de Arabisch-Europese Liga, een belangenorganisatie voor allochtonen. "Wij moeten de legitimiteit van het gezag betwisten. Dat is niet enkel een normale reactie, maar ook een democratische plicht", schrijft hij. Het zijn dergelijke belangenorganisaties die de scheiding tussen kerk en staat afwijzen en die beweren dat het onderscheid tussen de geslachten door god gewild is, zodat een vrouw ten eeuwigen dage als minderwaardig kan worden bestempeld. Deze personen gemeentelijk stemrecht geven, betekent dat we het bestuur van de gemeenten mee willen laten bepalen door personen die de wetten van hun geloof superieur achten aan de wetten van het gastvolk.

Sommige landen zagen dit in en verwierpen het gemeentelijk migrantenstemrecht. Toen wij in de commissie echter vroegen om ook vertegenwoordigers aan het woord te laten uit landen waar het stemrecht niet werd ingevoerd, werd dat verworpen. Erger nog! Nadat het bureau van de commissie een lijstje van uit te nodigen sprekers had opgesteld, schrapte de voorzitster, tegen de wil van het bureau in, de naam van een professor die op mijn voorstel in de lijst was opgenomen. De man werd dus niet gevraagd, want hij zou eens valabele argumenten tegen het stemrecht kunnen aandragen. Wie wel aan het woord kwam, was een Turk die zelf verklaarde dat hij niemand behalve zichzelf vertegenwoordigde en dat hij de Belgische nationaliteit niet wenste. Hij wilde wel de rechten, maar niet de plichten.

Het verkrijgen van de nationaliteit is vandaag zo eenvoudig geworden, dat we van een wegwerpnationaliteit kunnen spreken. Misschien moeten we op dit wegwerpproduct maar eens een ecotaks vestigen, mijnheer Lozie. Het is duidelijk dat ik de te-snel-Belgwet niet apprecieer. Niet alleen omdat ik veel liever een Vlaamse nationaliteit zou zien, maar ook omdat daardoor alle normale inburgeringsvereisten vervallen. Wie Belg wordt moet geen integratiewil tonen. Hij moet enkel een handtekening of een kruisje zetten. Hij moet de streektaal niet kennen. Dit wordt vandaag nog eens bevestigd. De tweetalige, Arabisch-Franse reclame in mijn Antwerpse deelgemeente Borgerhout zal toenemen. De afgewentelde verfransing van Vlaanderen wordt nu vervangen door een Arabisering.

De snel-Belg moet zelfs geen belastingen betalen. Het argument van het betalen van belastingen wordt te pas en te onpas aangehaald. De uitspraak dat wie belastingen betaalt, ook moet kunnen stemmen, wordt in de stedelijke wijken met een grote allochtone populatie op een homerische schaterlach onthaald. Grootgebruikers van onze duurbetaalde bijstandsvoorzieningen worden in die argumentatie plots tot belastingbetalers verheven.

Dit argument toont alleen maar aan dat de ivoren toren van vele parlementsleden te hoog en te gesloten is. Welnu, ik woon niet in een villawijk, maar in een bedreigd stadsgedeelte waar geen bobo' s wonen. Mij bereiken de klachten van de bedreigde Vlamingen, niet van de imitatie-intellectuelen. Wanneer de opmerking gemaakt wordt dat migranten in ons land `ondernemend' zijn, denken de Vlamingen in die bedreigde wijken aan de bedenkelijke vzw's, de obscure nachtwinkels, het proletarisch winkelen en het pikken van handtassen. Collega's, ga eens de straat op en praat eens met de kiezers die u hun stem gaven. Niet met de Noël Slangens, niet met de Swyngedouws en niet met de Polspoels en Desmets, maar met de gewone burger, de gewone Vlaming, die ziet hoe zijn maatschappij, zijn leefomgeving, zijn culturele en sociale leven worden verziekt door buitenlanders die niet willen integreren, maar die een omgekeerde aanpassing eisen.

De pleitbezorgers van de smeltkroesmaatschappij hebben ons, opgejaagd door de pseudo-opiniemakers die ik daarnet opsomde, eerst opgezadeld met de te-snel-Belgwet. Vandaag, nadat via die wet duizenden niet-geïntegreerde vreemdelingen de nationaliteit verwierven, stellen ze vast dat het een slechte wet is. Ze zijn nu blijkbaar bereid te praten over een verstrenging van die wet, maar dan enkel wanneer een andere poort tot ontwrichting van de maatschappij wordt opengezet door het toekennen van stemrecht zonder plichten.

Ik zal mij daartegen blijven verzetten. Ik besef dat ik hier in dit halfrond tegen de muren praat, maar wij, Vlaams Blok-parlementsleden, kregen een mandaat van 600.000 Vlamingen, niet om te knikken maar om te rebelleren, niet om de belangen te verdedigen van de politiek-correcte smeltkroes, maar om de belangen te verdedigen van de gewone kleine Vlaming. Die Vlaming kan vandaag vaststellen dat wij de agenda bepalen. De voorstanders van dit dubbele voorkeurrecht voor niet-Europese vreemdelingen zijn gehaast. Als nog langer wordt gewacht, zou het Vlaams Blok er een verkiezingsthema van kunnen maken. De tegenstanders vrezen dat ze nog meer stemmen aan ons zullen moeten prijsgeven als de rechterflank nog verder wordt aangetast, bijvoorbeeld door degenen die vorige week op het punt stonden `Leefbaar Antwerpen' op te richten of door degenen die het cordon sanitaire naar de prullenmand verwijzen omdat het een ondemocratisch principe is.

Zij weten ook dat er, alvast in Vlaanderen, geen meerderheid te vinden is voor dat stemrecht. Daar bestaat in Vlaanderen geen democratisch gelegitimeerd draagvlak voor. Dat zal natuurlijk de Waalse partijen worst wezen. Vanuit een federale arrogantie berekenen ze dat de problemen enkel voor Vlaanderen zijn, en dat ze gerust de heilige politiek-correcten kunnen spelen. De ommezwaai van de PRL kwam er dan ook niet om een Vlaamse partij te hulp te komen, maar omdat de vleespotten van de regeringsmacht te belangrijk zijn om die voortijdig op te geven. De uitspraken van de hoogst onaangename Michel waren duidelijk: "Hier mag de regering niet over struikelen". In feite bedoelde hij: "Hiervoor geef ik mijn ministerwedde niet op".

Alle politieke analisten die reeds vele jaren verkondigen dat de breuklijnen tussen links en rechts niet meer bestaan, gaan vandaag op hun bek. Het linkse streven naar een opgedrongen, een verplichte uniformiteit, botst met de visie dat iedereen het recht heeft zich persoonlijk maximaal te ontplooien in de eigen sociale omgeving, de eigen cultuurbedding, de plaats waar hij de wetten als eigen en dus verplichtend aanvaardt: thuis.

Ik hoop, in het belang van de gewone Vlaming die geen boodschap heeft aan ideologische spielereien, dat de linkerzijde straks geen gelijk zal krijgen, ondanks haar misbruik van opiniepeilingen waarmee het eigen grote gelijk moet worden bewezen. In de commissie werd geschermd met een opiniepeiling waarbij de burger diende te antwoorden op de vraag: "Bent u het helemaal, gedeeltelijk of niet eens met het toekennen van gemeentelijk stemrecht aan niet-Europese ingezetenen?" Het antwoord van de burger was: "Heu, ja zeker?" Het was duidelijk dat hij de vraag niet had begrepen. Als bij referendum de vraag zou worden gesteld "Bent u voor of tegen stemrecht voor vreemdelingen?", dan zouden de burgers begrijpen wat er wordt bedoeld. Ik ben ervan overtuigd het antwoord op die vraag te kennen, maar gun de politieke wereld graag de mogelijkheid om die begrijpelijke vraag te stellen.

Deze legislatuur wordt gekenmerkt door een groene dominantie. De milieupartijen kregen na het dioxinescenario een mandaat om veilig voedsel te bezorgen, een opdracht waarin zij hopeloos faalden. Zij misbruikten dat mandaat om het land op te zadelen met het homohuwelijk en de legalisatie van drugs. Vandaag pogen zij als kers op de taart van de maatschappelijke vervlakking, de burger willens-nillens op te zadelen met het stemrecht voor allochtonen.

De andere meerderheidspartijen, die verliezers waren bij de verkiezingen, maar desondanks in de regering kropen, kregen van de kiezer zeker niet de opdracht om dit stemrecht, dat niet in de regeringsafspraakjes was opgenomen, door te duwen.

Wie meent dat hij de stem van de burger laat horen door dit stemrecht te verdedigen, moet het hem maar gaan vragen. Of hebben de voorstanders schrik dat de burger de politiek-correcten met een manifest misprijzen zal afwijzen? Zijn zij te laf om de burger te raadplegen? Wij zijn dat alleszins niet. Wij dienden een voorstel in dat alle partijen, die zich in het verleden uitspraken voor grotere betrokkenheid van de burger bij de besluitvorming, kunnen steunen. En wie ons voorstel voor een referendum niet durft te steunen, kan nog altijd samen met het Vlaams Blok de besluiten van de commissie goedkeuren, die neerkomen op de verwerping van het monsterlijke voorstel.

M. le président. - Nous poursuivrons nos travaux cet après-midi à 15 h.

(La séance est levée à 13 h 05.)