2-190

2-190

Belgische Senaat

Handelingen

DONDERDAG 14 MAART 2002 - NAMIDDAGVERGADERING

(Vervolg)

Mondelinge vraag van de heer Jean-Marie Dedecker aan de minister van FinanciŽn over ęde Koninklijke Belgische VoetbalbondĽ (nr. 2-910)

De voorzitter. - De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken, antwoordt namens de heer Didier Reynders, minister van FinanciŽn.

De heer Jean-Marie Dedecker (VLD). - Ik vraag me af of voetbalclubs niet beter het statuut van vzw kunnen aannemen. Ik illustreer dit aan de hand van de vroegere voetbalclub Daring Blankenberge die failliet ging. Alle leden, ook de 176 kinderen tussen 6 en 12 jaar, werden aangesproken om de in totaal 14 miljoen schulden, waarvan 4.588.500 frank BTW te betalen.

Naar aanleiding van de zaak van voetbalclub Verbroedering Wilsele, waar van een zesjarig voetballertje 568.000 frank werd geŽist, verklaarde de minister van FinanciŽn dat een dergelijke som niet van een minderjarige kan gevorderd worden. De fiscus in Brugge gaat niettemin over tot invordering.

Wat denkt de minister over die invordering en is de maatregel die hij voor Wilsele nam, niet voor Blankenberge van toepassing?

Kan de Koninklijke Belgische Voetbalbond er niet voor zorgen dat de clubs het statuut van vzw krijgen om te vermijden dat de leden het gelag betalen?

De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken. - De betrokken feitelijke vereniging heeft inderdaad BTW-schulden. Op het ogenblik loopt een betwisting over de verhaalbaarheid van de schuld op een bepaald bestuurslid, aan wie de administratie de schuld ter kennis heeft gebracht door de betekening van een dwangbevel.

Naar aanleiding van het dossier van voetbalclub Wilsele heeft de minister de administratie van de Invordering meegedeeld dat de persoonlijke en geldelijke aansprakelijkheid van de ontvangers niet in het gedrang komt als zij de invordering in eerste instantie beperken tot de bestuursleden. Indien nodig zal de minister dat nogmaals meedelen.

De bevoegde BTW-ontvanger heeft geen gewone leden van deze vereniging aangesproken voor de betaling van de schuld. Overigens blijkt reeds uit de vraag van de heer Dedecker dat het initiatief om de leden aansprakelijk te stellen, uitgaat van de raadsman van een bestuurslid van deze vereniging.

De minister van FinanciŽn kan niet verhinderen dat een hoofdelijke schuldenaar die de volledige schuld betaald heeft, op grond van de artikelen 1213 en 1214 van het Burgerlijk Wetboek van de andere hoofdelijke schuldenaars hun aandeel in de schuld terugvordert. In een feitelijke vereniging zijn alle leden immers hoofdelijk aansprakelijk voor de schulden van de vereniging, zodat die schuld van rechtswege deelbaar is tussen de schuldenaars die onder elkaar, ieder voor zijn aandeel, verbonden zijn.

De wetgeving laat niet toe dat de administratie de aansprakelijkheid van de Koninklijke Belgische Voetbalbond in deze inroept.