2-186

2-186

Belgische Senaat

Handelingen

VRIJDAG 1 MAART 2002 - NAMIDDAGVERGADERING

(Vervolg)

Artikelsgewijze bespreking

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Justitie is dezelfde als de tekst van het door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden ontwerp. Zie stuk Kamer 50-1640/6.)

(De tekst van de artikelen en van de amendementen wordt uitzonderlijk in de bijlage opgenomen.)

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Mijn amendement 20 strekt ertoe het woord `personen' te vervangen door het woord `jongens'. Voor zover artikel 3 ongewijzigd zou worden aangenomen, past het consequent de term `jongens' te hanteren en niet nu eens `personen' en dan weer `jongens'.

Mijn amendement 21 strekt ertoe het woord `minderjarigen' te vervangen door het woord `jongens'. Men gebruikt nu eens `jongens', dan `personen' en dan `minderjarigen'. In goed Nederlands zijn dat drie verschillende categorieën. In een wet moet duidelijk zijn over welke van die drie categorie het gaat.

Mme Clotilde Nyssens (PSC). - Mon amendement nº 28 à l'article 2 vise à préciser que cette mesure de placement provisoire dans un centre pour mineurs se situe au niveau des mesures provisoires visées à l'article 52 de la loi du 8 avril 1965 sur la protection de la jeunesse. Cette mesure ne peut donc être prise dans le cadre du débat au fond en audience publique. Cela règle aussi le problème du jeune de plus de 18 ans ayant commis un fait avant ses 18 ans visé également à l'article 52.

Il convient d'ailleurs de souligner, de manière générale, que cette proposition de loi devrait juridiquement se situer dans le texte relatif à la protection de la jeunesse de 1965. Il ne convient pas de régler ce problème dans une loi particulière en raison du risque de passerelle manquante avec le droit commun prévu par la loi de 1965.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Mijn amendement 22 strekt ertoe ter toepassing van het gelijkheidsbeginsel, het artikel aan te vullen met een nieuw lid luidende:

"De Koning kan binnen het centrum een afzonderlijke afdeling inrichten voor minderjarigen van het mannelijk geslacht enerzijds en van het vrouwelijk geslacht anderzijds."

Mijn amendement 23 strekt ertoe artikel 3 volledig door een andere bepaling te vervangen.

De maatregel hoewel hij sensu stricto niet als straf is bedoeld, is in essentie een vrijheidsberovende maatregel die ten bewarende titel door een rechter wordt uitgesproken.

Het amendement herneemt een aantal voorwaarden uit de wet over de voorlopige hechtenis, zonder echter ook de procedurele waarborgen over te nemen. In het bijzonder wordt de verplichting om de minderjarige te verhoren en de verplichting om hem van de feiten die aanleiding geven tot zijn plaatsing in te lichten, niet opgenomen in de ontworpen tekst. Ook dient de minderjarige niet geïnformeerd te worden van de bestaande beroepsmogelijkheden.

Wij menen dat gelet op het strafrechtelijk karakter van die voorgestelde maatregel, dezelfde waarborgen als in voornoemde wet moeten worden geboden. Ik leid dat trouwens af uit het arrest-Bouamar, waarin de strijdigheid van de vroegere bepaling van artikel 53 met artikel 5, 4º van het EVRM werd onderstreept op grond van het gebrek aan procedurele waarborgen.

Amendement. 24 stelt voor het eerste lid van artikel 3 te vervangen door de volgende bepaling: "Minderjarigen kunnen door een gemotiveerde beschikking van de rechter in het centrum geplaatst worden mits aan volgende voorwaarden is voldaan:" Het is ons te doen om de uitdrukkelijke inlassing van de motivering.

Het amendement 26 is subsidiair. Als ons amendement dat ertoe strekt het eerste lid van artikel 3 te vervangen niet wordt aanvaard, dienen minstens een aantal tekstverbeteringen te worden aangebracht.

De verantwoording hiervoor is de volgende. Gelet op de zwaarwichtigheid van de maatregel is het van belang dat de minderjarige bijgestaan wordt door een raadsman die zijn belangen optimaal zal kunnen verdedigen. Bovendien is het recht om bijgestaan te worden door een raadsman fundamenteel en zal het bijdragen tot een betere aanvaarding door de minderjarige van de aan hem opgelegde plaatsing. Het is slechts indien de minderjarige de draagwijdte en de redenen van de plaatsing zal kunnen begrijpen, dat deze maatregel ook efficiënt zal kunnen werken.

De heer Vincent Van Quickenborne (VU-ID). - Mijn amendement 1 wil de toegang tot het centrum tot de beide geslachten uitbreiden en daardoor de discriminatie tussen meisjes en jongens wegwerken.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Ik heb amendement 27 ingediend omdat de wet alleen op jongens van toepassing is. We vinden dit stigmatiserend. Het is niet omdat iets statistisch bewezen is, dat een wet tegen de jongens moet worden opgesteld. Dat is seksistisch. Moesten we hetzelfde doen ten aanzien van d3 vrouwen, dan breekt hier een opstand uit. We zouden wat meemaken. Geen enkele man van de meerderheid is blijkbaar bij machte dit onverantwoorde seksistische onderscheid te bestrijden.

Mme Clotilde Nyssens (PSC). - Je défends mon amendement nº 29.

Cet amendement a la même portée que les amendements nº 1 de M. Van Quickenborne et nº 27 du CVP. Il vise à remplacer le mot « garçons » par le mot « jeunes », quitte à ce que l'on vise les garçons et/ou les filles dans l'accord de coopération ou dans des règlements. De manière générale, dans un texte de loi relatif à la protection de la jeunesse, il ne convient pas de viser l'un ou l'autre sexe.

De heer Wim Verreycken (VL. BLOK). - Mevrouw Staveaux heeft amendement 223 ingediend omdat we als wetgevende macht geen onderscheid mogen maken tussen jongens en meisjes. Tevens wilde ze hierdoor dit ontwerp in overeenstemming brengen met het voorontwerp dat door de minister van Justitie werd ingediend. Als de praktijk uitwijst dat er inderdaad meer jongens in aanmerking komen voor een plaatsing, is het logisch dat de uitvoerende macht naar een instelling verwijst waar alleen jongens zitten. Als wetgevende macht mogen we echter niet op voorhand discrimineren.

Mme Clotilde Nyssens (PSC). - Je défends mon amendement nº 30.

La motivation de l'ordonnance est une exigence très importante, que l'on retrouve dans les dispositions de la loi du 8 avril 1965 relative à la protection de la jeunesse.

Je défends mon amendement nº 32.

L'introduction de cette condition est un verrou important pour les mineurs primaires. À titre personnel, je souhaite que les mineurs primaires, qui n'ont pas commis des faits trop graves, ne soient pas concernés par le centre d'Everberg et qu'on leur donne d'abord une chance de passer par une institution de la Communauté française. En effet, une mesure de garde en centre fermé ne peut se comprendre que si le mineur a mis à mal une mesure de placement en centre ouvert. Cette argumentation est souvent plaidée dans le cadre de l'article 52quater actuel. Cela permet également de mettre en avant le caractère absolument exceptionnel de cette mesure.

Si cette restriction n'est pas acceptée, le législateur sera en contradiction avec l'article 4, alinéas 1er et 2, selon lesquels « La mesure provisoire de protection sociétale ne peut être prise que pour une durée aussi brève que possible et uniquement lorsque la finalité de la mesure provisoire ne peut être atteinte d'une autre manière. Elle ne peut être prise dans le but d'exercer une répression immédiate ou une quelconque forme de contrainte ». En effet, la justification du placement en centre fermé devient uniquement la nécessité d'apporter une réponse rapide d'ordre sanctionnel à un fait non encore établi. La sécurité publique ne peut être invoquée puisque l'on ne sait pas encore si le mineur fuguerait d'un centre ouvert étant donné qu'il n'a pas encore été placé dans ce genre de centre. La gravité du fait ne peut pas non plus être invoquée car elle attenterait au principe de la présomption d'innocence et la mesure revêtirait rapidement le caractère d'une sanction.

De voorzitter. - Als ik het goed begrijp, zou een jongere die iemand doodt, niet naar een gesloten instelling moeten en eerst in een open instelling moeten worden geplaatst.

Mme Clotilde Nyssens (PSC). - Le système actuel prévoit des institutions fermées pour ce genre de jeunes. On nous a expliqué longuement hier en commission que ce régime était supplétif. Ce n'est que s'il n'y a pas de place en IPPJ que ces jeunes vont dans ce type de centre.

Vous avez posé une question tout à fait importante, monsieur le Président. Le ministre de la Justice m'a toujours répondu que c'était à titre supplétif et qu'il fallait d'abord passer par les institutions existantes. Il n'y a pas d'alternative et c'est toute l'ambiguïté du système. Les personnes qui nous questionnent se demandent si l'on change le régime, si ce centre est destiné à recevoir les jeunes ayant commis les faits les plus graves. Ce n'est pas le cas. Le texte prévoit qu'il s'agit d'un régime supplétif. Je ne sais pas si toute le monde en est conscient.

M. Philippe Monfils (PRL-FDF-MCC). - Il ne faut pas se moquer du monde ! Il n'est nullement question de supprimer le caractère supplétif du centre. Si l'on suit Mme Nyssens, un juge ne pourra pas placer dans un centre fermé de la Communauté française ou de la Communauté flamande un jeune ayant commis des faits qui, s'il était majeur, seraient considérés comme extrêmement graves, et ce parce que ce jeune n'est pas allé se promener dans un centre ouvert ! Qu'est-ce que c'est que cette interprétation jurisprudentielle ? Le juge doit tout simplement vérifier s'il n'existe pas une place libre en centre fermé, c'est-à-dire, en Communauté française, Saint-Servais pour les filles et Wauthier-Braine pour les garçons. Si aucune place n'est libre, le juge peut placer le jeune dans le centre créé spécialement à cet effet par l'État fédéral. Ne revenons pas sur la question de savoir si la faute incombe aux Communautés ! Affirmer qu'un jeune qui a commis des actes graves - attentat à la pudeur, viol, agression sauvage, etc. - doit d'abord être placé dans un centre ouvert dont il peut sortir quelques minutes plus tard avant de pouvoir faire l'objet d'une mesure de placement en centre fermé, est un aberration complète ! Ce que vous dites est donc complètement inexact. Un juge peut très bien décider que la gravité des faits qui sont imputés à un jeune est telle qu'il doit être immédiatement placé en centre fermé, tout en bénéficiant bien entendu de l'accompagnement nécessaire. C'est uniquement parce que l'on considère qu'il n'existe pas suffisamment de places en centres fermés que le gouvernement fédéral a pris la présente mesure. La condition que vous formulez est donc absurde et le serait également si aucune législation fédérale n'existait.

M. Philippe Mahoux (PS). - La question soulevée par l'amendement est importante. Le ministre nous a expliqué que le centre fédéral est supplétif à l'existence de places dans les centres gérés par les Communautés. Des carences ont donc existé dans le passé. Si nous n'y portons pas remède, elles risquent de poser problème dans les semaines, les mois ou les années qui viennent.

Cela signifie que les responsabilités des Communautés restent entières et que ces dernières doivent créer des places en centre fermé. Si, un jour, nous constatons que ce centre fédéral n'est pas suffisant parce que les Communautés n'ont pas pris leurs responsabilités, nous nous trouverons dans une situation identique à la situation actuelle.

Mme Clotilde Nyssens (PSC). - Je me réjouis de l'explication. Je demande donc qu'elle figure au rapport. C'est très important pour la lecture du texte. J'avais déposé cet amendement car je n'y voyais pas très clair. Je remercie donc M. Mahoux et le ministre.

Mon amendement nº 31 à l'article 3 vise à remplacer les conditions de l'infraction par d'autres, tant pour le délinquant primaire que pour le récidiviste. Je renvoie à certains articles et aux faits particulièrement graves dont vous venez de parler, monsieur le président.

Mon amendement nº 33 à l'article 3 vise à remplacer, au 2º, b), les mots « une mesure définitive » par les mots « un jugement définitif ». Il existe en effet une controverse sur les mots. Le texte parle d'une « mesure définitive ». Se limite-t-on aux mesures au sens strict du terme, c'est-à-dire, à tout ce qui ne constitue pas un jugement, ou bien englobe-t-on toutes les décisions que peut prendre un juge de la jeunesse ? Le ministre m'a répondu hier que cela visait toutes les décisions, qu'elles soient provisoires ou qu'elles émanent d'un jugement. J'avais cru comprendre que les jeunes visés étaient ceux qui avaient fait l'objet d'une condamnation par un jugement définitif.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Voor amendement 47 op artikel 3 verwijs ik naar de schriftelijke verantwoording.

Mme Clotilde Nyssens (PSC). - Mon amendement nº 34 à l'article 3 vise à faire en sorte que le centre s'informe sur les places libres qui se libéreraient incessamment. Comme le système veut que, dès qu'une place devient vacante dans un centre ou une institution de la Communauté française, le jeune devrait être transféré du centre d'Everberg vers cette institution, il me semble qu'il importe d'organiser l'information entre ce centre et les différentes institutions, nonobstant l'information que pourrait détenir le juge de la jeunesse.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Amendement 25 op artikel 3 is een subsidiair amendement. Indien ons amendement over de vervanging van artikel 3 niet zou worden aanvaard, dient tenminste toch nog de verbetering te worden aangebracht die we in dit amendement formuleren: "Behoudens wanneer een minderjarige voortvluchtig is, wordt de minderjarige door de rechter verhoord alvorens ter beschikking van plaatsing wordt uitgesproken."

Amendement 42 op artikel 4 strekt ertoe het eerste lid van dit artikel te doen vervallen. In artikel 4 worden de voorwaarden voor de voorlopige plaatsing omschreven. Ofwel is er plaats in de gemeenschapsinstellingen, ofwel niet, en kan de jongere voor een bepaalde periode en onder strikte voorwaarden voorlopig worden bewaard in het centrum omdat de maatschappelijke veiligheid zulks vereist. Binnen de maximale termijn spelen aldus twee factoren: de maatschappelijke veiligheid en de gebrekkige capaciteit van de gemeenschapsinstellingen. De vereiste dat de maatregelen voor een zo kort mogelijke duur worden genomen en slechts wanneer de finaliteit van de maatregel op geen enkele andere wijze kan worden bereikt, voegt niets toe. Integendeel, er dreigt in de praktijk enkel verwarring te ontstaan omtrent de exacte finaliteit van de voorlopige plaatsing.

Amendement 44 op artikel 4 strekt ertoe de woorden `onmiddellijke bestraffing' te vervangen door de woorden `enige vorm van bestraffing of sanctie'. Deze terminologie is gepaster.

Amendement 43 op artikel 4 strekt het derde lid van dit artikel te vervangen. Enerzijds is het evident dat de internationale verplichtingen gelden. Dit dient niet expliciet te worden ingeschreven. Anderzijds is het zinvoller ook verstaanbare duiding te laten geven bij mededeling van de genoemde informatie.

Mme Clotilde Nyssens (PSC). - Je propose, dans cet amendement nº 36, de remplacer au paragraphe 1er de l'article 5, les mots « chaque mois » par « tous les cinq jours » et de remplacer les mots « deux mois » par « d'un mois ».

En réalité, deux hypothèses existent : soit on considère ce centre comme un centre d'accueil d'urgence fermé et on veut que soit mis en place dans ce centre un travail d'orientation et d'observation du jeune, et dans ce cas le délai de deux mois peut être judicieux ; soit on considère que le placement dans ce centre n'est qu'un placement dans une maison d'arrêt pour jeunes, et le délai doit alors être extrêmement provisoire et quinze jours devraient suffire. Dans ce cas, l'encadrement éducatif n'a d'autre but que de distinguer une prison d'une prison pour jeunes.

L'article 3, 4º indique comme une des conditions du recours au placement dans le centre de placement provisoire pour mineurs, l'impossibilité de confier le mineur à un des établissements publics organisés par les communautés. L'article 4 prévoit, en outre, que la durée de la mesure provisoire de protection sociétale doit être aussi brève que possible. Il est donc de la responsabilité du législateur de prévoir que les magistrats qui prendront la décision de recourir à cette mesure exceptionnelle soient appelés à évaluer les justifications du recours à cette disposition de façon aussi régulière que possible.

En outre, tel qu'il apparaît dans les développements de la proposition, ce sont des impératifs de sécurité publique, la volonté de protéger la société, qui animent les auteurs de la proposition. La mesure est donc clairement de nature sécuritaire.

Il convient d'éviter que des mineurs soient placés pendant un temps trop long dans ce centre de placement provisoire, avec le risque d'un double effet : la non-rotation des places disponibles et donc très vite l'engorgement du centre ; la non-inscription de cette mesure, tant de la part des magistrats que de la part des autorités communautaires dans un continuum de prise en charge des mineurs délinquants qui permettrait d'éviter que soit considérée comme « peine » le seul placement provisoire dans ce centre.

Il est évidemment de l'intérêt de la société et des victimes qu'un travail de rééducation soit entrepris sur une période plus longue avec les mineurs qui feraient l'objet d'une mesure de placement dans le centre.

On comprend très mal, d'ailleurs, que la durée du recours à cette mesure exceptionnelle soit plus longue que la durée reprise dans l'ancien article 53 de la loi du 8 avril 1965 relative à la protection de la jeunesse. Ajoutons que l'une des raisons de l'arrêt Bouamar, par lequel l'État belge fut condamné pour son recours à l'article 53 de la loi du 8 avril 1965 relative à la protection de la jeunesse, était l'utilisation répétée d'une décision d'enfermement.

Toutes les conventions internationales, Convention européenne des droits de l'homme, Convention internationale des droits de l'enfants ..., rappellent qu'on ne peut priver un mineur de liberté que de manière exceptionnelle et pour la durée la plus courte possible. Selon l'article 37 de la Convention internationale des droits de l'enfant, l'arrestation, la détention ou l'emprisonnement d'un enfant doit n'être qu'une mesure de dernier ressort, et être d'une durée aussi brève que possible. Par ailleurs, en vertu des engagements internationaux pris par la Belgique, il importe de diminuer le recours à l'enfermement en cherchant de véritables alternatives. Il m'apparaît important à veiller à ce que les délais soient raccourcis.

M. Philippe Monfils (PRL-FDF-MCC). - J'ignore comment Mme Nyssens peut faire coïncider l'amendement qu'elle défend aujourd'hui, en lisant son texte, et son souci d'encadrer le jeune par un plan d'action psychosocial au sein de l'établissement. En demandant que le tribunal s'interroge tous les cinq jours sur une éventuelle libération du jeune, je me demande comment Mme Nyssens va faire appliquer l'accord de coopération avec les communautés. Dans ce dernier, l'article 9 détermine toute une série de conditions d'accueil des jeunes et l'article 15 détermine les modalités du plan d'action concernant les objectifs concrets pour le plan psychosocial.

À l'évidence, à partir du moment où une décision de justice peut intervenir tous les quatre jours, on laissera le jeune dans un coin en attendant la décision de la juridiction de le sortir du centre. Il n'y a aucune possibilité de définir un plan d'action avec le jeune pour lui faire comprendre la situation. En un mois c'est possible, en cinq jours c'est impossible.

Mme Nyssens va donc à l'encontre de ce qu'elle défend depuis quelques jours concernant le problème de l'hébergement des jeunes dans les institutions fermées. Le jeune sortira de l'établissement, sans plan d'action, et il sera remis en liberté dans la plus grande ouverture possible. Il faudra ensuite raconter cela aux personnes victimes d'exactions, l'État et la communauté n'étant même pas capables de prévoir un accompagnement psychosocial pour celui qui a commis des faits qui seraient qualifiés d'infractions graves s'il était majeur.

Mme Clotilde Nyssens (PSC). - Il importe que je réplique. Vous mettez une nouvelle fois le doigt sur l'ambiguïté du texte, monsieur Monfils.

Si le jeune est dans un centre de détention, il y reste deux mois et il bénéficie d'un plan d'accompagnement avec des acteurs spécialisés. Mais si l'on prévoit simultanément les deux dispositions, c'est-à-dire que les jeunes restent le moins longtemps possible dans le centre, que la mesure soit supplétive et que le jeune soit transféré dans un IPPJ dès qu'une place se libère, il est évident qu'il n'y aura pas de plan d'accompagnement à long terme à Everberg mais simplement un projet à très court terme. Il faut choisir. Le texte fondamental maintient cette ambiguïté. Si on opte pour votre voie, allons jusqu'au bout et supprimons ce caractère supplétif.

M. Philippe Monfils (PRL-FDF-MCC). - Madame Nyssens, vous confondez l'infrastructure, c'est-à-dire les briques, et le placement. Si un jeune est placé en section fermée, c'est parce qu'il n'y a pas d'autres possibilités, nous ne cessons de le répéter.

Si une place se libère, il est probable que le jeune quittera Everberg pour l'occuper, mais il faudra toujours un plan d'accompagnement. Que ce soit à Everberg ou dans un centre fermé de la Communauté française, il faudra toujours un plan d'accompagnement. J'ai rarement vu quelqu'un confondre totalement infrastructure et plan psychosocial.

Mme Clotilde Nyssens (PSC). - L'équipe d'accompagnement ne sera pas la même et le suivi ne sera pas assuré. C'est cela que je veux dire.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Amendement 45 op artikel 5 strekt ertoe de woorden `vijf dagen' te vervangen door `uiterlijk vijf dagen'.

Amendement 46 op artikel 5 strekt ertoe de woorden `maandelijks' te vervangen door de woorden `en daarna uiterlijk na het verstrijken van iedere periode van vijftien werkdagen te rekenen vanaf de vorige beschikking'. Het is dus een wijziging van de termijnen die hierbij worden voorgesteld.

De heer Wim Verreycken (VL. BLOK). - Voor de verantwoording van de amendementen 230, 231en 232 van mevrouw Staveaux verwijs ik naar haar uiteenzetting bij de algemene bespreking.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Amendement 48 op artikel 5 strekt ertoe een nieuwe §1, tweede lid, in te voegen tussen het eerste en het tweede lid dat luidt als volgt: "De Koning kan een totale termijn van twee maanden zoals bedoeld in vorig lid omzetten in een totale termijn van vier maanden. Het besluit dat de Koning hiertoe treft, wordt onverwijld aan het Parlement ter bekrachtiging voorgelegd". De toestand op het terrein en het gebrek aan daadkracht dat eventueel bij de Gemeenschappen kan ontstaan, zou kunnen laten vermoeden dat een termijn van twee maanden niet zal volstaan. Teneinde de maatschappelijke veiligheid niet in het gedrang te brengen wordt aan de Koning de bevoegdheid gedelegeerd om de termijn desgevallend op vier maanden te brengen. Dat kan natuurlijk enkel in uitzonderlijke omstandigheden, goed gemotiveerd en indien de wetgever daaropvolgend deze maatregel bevestigd.

Mme Clotilde Nyssens (PSC). - En ce qui concerne l'amendement nº 35 à l'article 5, il convient de préciser, comme il est fait à l'article 52quater de la loi du 8 avril 1965 relative à la protection de la jeunesse, que les décisions prises par le tribunal de la jeunesse devront chaque fois être justifiées au vu des conditions décrites à l'article 3 - c'est-à-dire les champs d'application de la loi - à savoir, notamment, l'existence d'indices sérieux de culpabilité, des circonstances impérieuses, graves et exceptionnelles, se rattachant aux exigences de la protection de la sécurité publique et l'impossibilité d'admettre les jeunes dans les institutions visées aux articles 3 et 4 de la présente proposition.

En ce qui concerne l'amendement nº 38 à l'article 5, le placement provisoire en centre fédéral fermé prévu par la présente proposition n'étant pas intégré dans la loi du 8 avril 1965, il importe de prévoir l'application de certains articles de cette loi, dont l'article 49 qui contient une série de balises pour limiter le recours au juge d'instruction.

L'article 55 de la loi de 1965 règle la question de l'accès au dossier. Cette question, très importante, liée au principe du respect des droits de la défense, doit être réglée par le législateur.

Il est exact que cette loi contient des garanties procédurales en faveur du jeune. Toutefois, certaines garanties bien formulées dans la loi de 1965 ne se retrouvent pas intégralement dans cette loi particulière.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Amendement 49 dat ertoe strekt artikel 6 te doen vervallen spreekt voor zichzelf.

Voor het geval artikel 6 onverhoopt niet wordt geschrapt, dan willen we met het subsidiair amendement 53 paragraaf 1 van artikel 6 aanvullen zodat de minderjarig in ieder geval het recht krijgt vrij verkeer te hebben met de persoon die over hem het ouderlijk gezag uitoefende op het ogenblik van de feiten. We vinden dit een nuttige precisering.

Amendement 50 stelt voor paragraaf 2 van artikel 6 te vervangen zodat de jeugdrechtbank of de onderzoeksrechter ambtshalve op verzoek van het openbaar ministerie of van een van de betrokken partijen en na advies van de directie van het centrum de betrokken persoon bij een met reden omklede beschikking in vrijheid kan laten onder oplegging van een of meer voorwaarden voor de maximumduur van de plaatsing in het centrum. Worden deze voorwaarden niet nageleefd, dan wordt de voorlopige plaatsing verder uitgevoerd.

Subsidiair amendement 51 stelt voor in paragraaf 2 van artikel 6 de woorden `of contact te hebben met derden die hij aanwijst' te schrappen om de redenen die we kort hebben toegelicht.

Subsidiair amendement 52 stelt voor in paragraaf 2 van artikel 6 de woorden `of contact te hebben buiten het centrum met derden die hij aanwijst' toe te voegen. We vinden dit een nuttig precisering.

Amendement 54 op artikel 7 voorziet in een systematische inlichting van de slachtoffers bij vrijlating van de jongeren.

Amendement 57 op artikel 7 gaat over de toevoeging van de mogelijkheid van vrijheid onder voorwaarden.

Amendement 55 strekt ertoe paragraaf 2 van artikel 7 te vervangen, zodat ook een niet-gevatte onderzoeksrechter kan worden ingelicht over de stand van zaken en de wijziging van de voorlopige maatregelen.

Amendement 56 op artikel 7 strekt ertoe de mogelijkheid tot vrijheid onder voorwaarde te verruimen en de onderzoeksrechter hiervan op de hoogte te brengen.

Mme Clotilde Nyssens (PSC). - Mon amendement nº 39 à l'article 8 vise à raccourcir à 5 jours le délai de 15 jours.

Quant à mon amendement nº 40 au même article, il insiste de nouveau sur le fait que la décision doit être motivée. Ma justification est la même que précédemment.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Amendement 59 op artikel 8 strekt ertoe de woorden `akte van hoger beroep' te preciseren met de woorden `vanaf de ontvangst ter griffie van de akte van hoger beroep'. De voorgestelde formulering is onduidelijk en dubbelzinnig en het is altijd belangrijk precies de aanvang van een termijn te bepalen.

Voor amendement 58 op artikel 8 verwijs ik naar de schriftelijk verantwoording.

De heer Vincent Van Quickenborne (VU-ID). - Amendement 3 strekt ertoe artikel 9 te doen vervallen omdat het aanleiding geeft tot dubbelzinnigheid.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Amendement 61 strekt ertoe een artikel 9bis in te voegen. Hierin wordt een jaarlijkse rapportage over deze noodwet door de minister van Justitie aan het federaal parlement opgelegd.

Mevrouw Mia De Schamphelaere (CD&V). - Met amendement 62 willen we onze totale visie inbrengen en de noodwet verruimen. De voorgestelde regeling voorziet in een systeem van voorlopige plaatsing wegens de capaciteitsproblemen in de gemeenschapsinstellingen. Op het terrein doet zich echter een ander belangrijk probleem voor. Er ontbreekt namelijk een volwaardig jeugdsanctierecht. Er is geen solide wettelijke basis, ook niet voor de proefprojecten die nu lopen met herstelrechtelijke initiatieven.

Het opleggen van autonome alternatieve herstelmaatregelen aan een jongere is tot op heden wettelijk niet mogelijk. We willen die mogelijkheid nu inbrengen en de minister van Justitie in zijn visie ondersteunen.

Dergelijke alternatieve maatregelen kunnen dus enkel worden opgelegd als voorwaarden waarvan het behoud van de jongere in zijn milieu afhankelijk is gemaakt, zoals bedoeld in artikel 37, paragraaf 2, 2º. Wij willen nu aan deze alternatieve maatregelen een autonoom karakter geven, los van de andere voorwaarden die worden opgelegd.

De voorgestelde maatregelen zijn herstelrechtelijk. Ze kunnen bestaan in het verrichten van een onbetaalde gemeenschapsdienst, het verrichten van betaalde arbeid of het betalen van een schadevergoeding aan het slachtoffer of het storten van een bedrag in een speciaal op te richten fonds.

Verschillende maatregelen kunnen ook worden gecombineerd. Zo kan de jongere bijvoorbeeld na het verrichten van betaalde arbeid de schade van het slachtoffer vergoeden, al of niet via een herstelfonds.

Belangrijk is dat deze maatregelen enkel kunnen worden opgelegd met toestemming van de jongere. Ze hebben geen verplichtend karakter. Het gaat dus eigenlijk niet om volwaardige sancties. Bovendien menen we dat het zinvoller is dat de jongere bewust en welwillend meewerkt aan de goedkeuring en uitvoering van de herstelmaatregel.

De jeugdrechter moet duidelijk aangeven in zijn vonnis welke de precieze schade is en waarom juist voor die welbepaalde herstelmaatregel werd gekozen. De herstelgedachte vereist een duidelijk inzicht van de jongere in de situatie.

De herstelmaatregel moet ook kunnen worden gecombineerd met een andere maatregel die eerder een opvoedkundig en/of beveiligend karakter heeft. Zo heeft de jeugdrechter een keuze uit een brede waaier van mogelijke zinvolle reacties.

Om misbruiken vanwege de jongere te voorkomen wordt voorzien in een ambtshalve herziening van de maatregel door de jeugdrechter bij wangedrag of niet uitvoering van de minderjarige. Zo wordt ook vermeden dat de jongere lichtzinnig toestemt in een herstelmaatregel in de hoop aan elke maatregel te ontsnappen. Dit laat de mogelijkheid open om op elk moment een intrekking of een wijziging van de maatregel op grond van artikel 60 te bekomen.

Het gaat hier om een tijdelijke wettelijke regeling, die bij de hervorming van de wet van 1965 zal vervallen.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Met amendement 60 willen we een artikel invoegen dat luidt als volgt: "Behoudens artikel 9 dat onmiddellijk in werking treedt, treedt deze wet in werking de dag waarop het in artikel 9 bedoelde samenwerkingsakkoord gesloten is. Deze wet treedt in elk geval buiten werking op 31 oktober 2002".

Vanmorgen heb ik uitvoerig het belang van het samenwerkingsakkoord toegelicht. We vinden dat de filosofie van de samenwerkingsovereenkomsten moet worden gerespecteerd, maar anderzijds moet ook de formulering worden aangepast.

Mme Clotilde Nyssens (PSC). - Mon amendement nº 41 à l'article 10 porte sur l'entrée en vigueur de la loi. Je souhaiterais remplacer le mot « conclu » par les mots « adopté définitivement ». Cet accord de coopération doit donc être adopté définitivement par les différentes assemblées, tenues, en vertu de la loi, de ratifier de tels accords.

Il est évident que je me réjouis de la conclusion de l'accord de coopération en question, mais il faut que cet accord soit soumis au Parlement et que nous ayons un droit de regard sur le texte.

M. Philippe Monfils (PRL-FDF-MCC). - L'article 10 est extrêmement bien rédigé. En effet, d'une part, il donne incontestablement satisfaction à ceux qui souhaitent que la mesure ne soit pas seulement une mesure d'enfermement mais également une mesure d'accompagnement social : il précise en effet que l'accord de coopération « devra être conclu ». D'autre part, il évite la tentation de faire traîner les choses au niveau de l'éventuelle approbation par la loi et le décret de l'accord de coopération. Quand on voit comment les choses se font depuis trois ou quatre jours, les membres qui ont déposé la proposition ont été bien inspirés de ne pas prévoir d'attendre la ratification de l'accord de coopération. C'est très bien comme cela : l'accord sera conclu et la loi fonctionne. S'il fallait attendre l'approbation par la loi et le décret, on attendrait fort longtemps et la proposition de loi ne serait jamais mise en application. Par conséquent, je ne peux que recommander le rejet de l'amendement de Mme Nyssens.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Mijn amendement 63 strekt ertoe een nieuw artikel 11bis in te voegen tot wijziging van artikel 37, §2, 4º van de wet van 8 april 1965 op de jeugdbescherming. In het eerste lid worden na de woorden `alsmede of het gaat om opneming in een gesloten opvoedingsafdeling' en voor de woorden `zoals georganiseerd' volgende woorden ingevoegd `of in een beveiligde leefgroep van een gesloten opvoedingsafdeling'.

Daarenboven wordt een nieuw lid toegevoegd dat luidt als volgt: "De opneming in een beveiligde leefgroep van een gesloten opvoedingsafdeling kan enkel worden opgelegd indien de in §1 bedoelde personen een reëel en acuut gevaar uitmaken voor de veiligheid van de samenleving."

De verantwoording is dat wij van oordeel zijn dat de jeugdrechter ook ten aanzien van de plaatsing van jongeren in een gesloten opvoedingsafdeling, de nodige nuanceringen moet kunnen aanbrengen. Voor een heel beperkte groep jongeren die een reëel en acuut gevaar uitmaken voor de maatschappij, moet stringenter kunnen worden opgetreden. In dit specifieke geval kan sterker de nadruk worden gelegd op het beveiligingsaspect.

Mijn amendement 65 strekt ertoe een nieuw artikel 12bis in te voegen waarin de verplichtingen van de federale staat worden gepreciseerd. De werking van het Centrum zal in hoofdzaak afhangen van de federale staat. Het samenwerkingsakkoord, dat overigens ook door de federale wetgever zal moeten worden goedgekeurd, bevat een aantal bepalingen omtrent de verplichtingen van de federale staat. Maar zoals wij vanochtend hebben uiteengezet, zijn wij van oordeel dat dergelijke verplichtingen best in de wet worden opgenomen.

Mijn amendement 66 strekt ertoe een nieuw artikel 12ter in te voegen. De verantwoording loopt gelijk met de verantwoording bij amendement 65, omdat de werking in hoofdzaak zal afhangen van de federale staat. Het samenwerkingsakkoord bevat een aantal bepalingen omtrent de verplichtingen van de federale staat. Om de reeds aangegeven redenen zijn wij van oordeel dat dergelijke verplichtingen best in de wet worden opgenomen.

Mijn amendement 67 strekt ertoe een nieuw artikel 12quater in te voegen. Het berust op dezelfde benadering, maar behandelt andere bepalingen.

Mijn amendement 68 strekt ertoe een nieuw artikel 13 in te voegen. In de wet van 8 april 1965 op de jeugdbescherming wordt na artikel 36bis een nieuw artikel 36ter ingevoegd dat 7 paragrafen bevat. De verantwoording is dat de strafrechter met toepassing van dit artikel een voor hem gebrachte zaak uit handen kan geven met het oog op een eventuele vervolging door de jeugdrechter op vordering van het parket. Dit beginsel is de logische tegenhanger van de uithandengeving door de jeugdrechter van mature minderjarigen ten aanzien van wie een beschermingsmaatregel niet wenselijk is. Het criterium voor de uithandengeving steunt op de wet van 8 april 1965, waarin de persoonlijkheid van de jongere doorslaggevend is. Als voorwaarde wordt hierbij aangegeven dat de betrokkene geen strafrechtelijke veroordeling mag hebben opgelopen. De beslissing van uithandengeving moet natuurlijk gebeuren bij vonnis waartegen beroep kan worden aangetekend.

De uithandengeving door de strafrechter wordt bepaald door de persoonlijkheid van de jongere. Dat veronderstelt een onderzoek waarvan alle procedurele regelen dienen te worden gepreciseerd.

Mijn amendement 69 strekt ertoe een nieuw artikel 14 en een nieuw artikel 15 in te voegen. Artikel 14 legt het materiële toepassingsgebied vast en artikel 15 het temporele toepassingsgebied.

De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. - De originaliteit van de volgende reeks amendementen bestaat erin dat erin dat ze overeenstemmen met de artikelen 1 tot 163 van het voorontwerp van wet dat `Antwoorden op delinquent gedrag voor minderjarigen' formuleert, dus teksten die door mijn departement zijn opgesteld.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Ik neem aan dat de minister die amendementen steunt.

De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. - Zoals ik gisteren al heb gezegd, sta ik uiteraard achter die teksten, maar die zullen pas aan de orde zijn als we het debat ten gronde voeren over de wending die aan de jeugdbescherming moet worden gegeven.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Met onze inbreng verruimen wij dus het debat.

Mijnheer de voorzitter, ik zie dat u boos kijkt, maar dat is nu eenmaal onze invalshoek. Wij willen niet spelen in het kadertje dat de regering ons oplegt. Dat is nu eenmaal het recht van de parlementsleden en wij willen van dat recht gebruik maken.

Artikel 14 en 15 betreffen het materieel en temporeel toepassingsgebied van deze wet. Zij kunnen het voorwerp uitmaken van een grondige discussie.

Amendement 227 strekt ertoe een nieuw artikel 16 in te voegen, luidende: "De bepalingen van het Wetboek Strafvordering zijn van toepassing op de procedures voorzien in deze wet, voor zover er in deze wet niet van wordt afgeweken."

Amendement 71 strekt ertoe een nieuw artikel 17 in te voegen. Hier wordt verduidelijkt welke jeugdrechter bevoegd is in elk stadium van de procedure en wordt tevens het beginsel benadrukt van de onafhankelijke en onpartijdige rechter als verhoogde rechtswaarborg.

Amendement 72 strekt ertoe een nieuw artikel 18 in te voegen. Het artikel regelt de territoriale bevoegdheid van de jeugdrechter, van de jeugdrechtbank, van de uitgebreide jeugdrechtbank en van de uitvoeringsjeugdrechter.

Amendement 73 strekt ertoe een nieuw artikel 19 in te voegen. Het regelt de territoriale bevoegdheid. Wanneer de zaak aanhangig wordt gemaakt na de meerderjarigheid, is de territoriale bevoegdheid anders geregeld dan voor minderjarigen.

Amendement 74 strekt ertoe een nieuw artikel 20 in te voegen. Het artikel regelt de territoriale bevoegdheid van de politierechtbank. De politierechtbank van de plaats waar het misdrijf is gepleegd, is deze van de plaats waar de betrokkene is aangetroffen.

Amendement 75 strekt ertoe een nieuw artikel 21 in te voegen. Het bevat de regels die in geval van verandering van verblijfplaats van toepassing zijn op de jeugdrechter, de jeugdrechtbank en de uitgebreide jeugdrechtbank.

Amendement 76 strekt ertoe een nieuw artikel 22 in te voegen tot regeling van de territoriale bevoegdheid van de uitvoeringsjeugdrechter wanneer de persoon van verblijfplaats verandert na het vonnis ten gronde.

Amendement 77 strekt ertoe een nieuw artikel 23 in te voegen. Het betreft het opsporingsonderzoek dat door de procureur des Konings wordt gevoerd.

Amendement 78 strekt ertoe een nieuw artikel 24 in te voegen. De eerste paragraaf van dat artikel is overgenomen uit artikel 49, eerste lid, van de wet van 1965. De zaak kan enkel in uitzonderlijke omstandigheden en in geval van volstrekte noodzaak bij de onderzoeksrechter aanhangig worden gemaakt, volgens de voorwaarden van het amendement.

Amendement 79 strekt ertoe een nieuw artikel 25 in te voegen. Dit artikel is een uitzondering op artikel 28septies van het Wetboek van Strafvordering.

Amendement 80 strekt ertoe een nieuw artikel 26 in te voegen. Het regelt de aanwezigheid van de stukken in het dossier.

Amendement 81 strekt ertoe een nieuw artikel 27 in te voegen. Het is de bedoeling dat de procureur des Konings in elk stadium van de procedure sociale navorsingen kan vragen.

Amendement 82 strekt ertoe een nieuw artikel 28 in te voegen. De Dienst voor het Strafrechtelijk Beleid wordt in die visie belast met het volgen van de evolutie van de jeugddelinquentie in België. Er ontbreken inderdaad effectieve statistieken.

Amendement 83 strekt ertoe een nieuw artikel 29 in te voegen. Het is de bedoeling dat de procureur des Konings de zaak met een met redenen omklede beslissing kan seponeren, conform het gemeenrecht.

Amendement 84 strekt ertoe een nieuw artikel 30 in te voegen om te preciseren dat de seponering als waarschuwing kan gelden wanneer er voldoende bezwaren bestaan.

De amendementen 85, en 86 kunnen samen behandeld worden. Ze strekken ertoe de nieuwe artikelen 31, 32, 33 en 34 in te voegen. Daarin wordt gepreciseerd dat de procureur des Konings aan het sepot voorwaarden kan verbinden en welke procedures er daarbij moeten worden gevolgd.

Amendement 89 strekt ertoe een nieuw artikel 35 in te voegen. Zowel de personen die het als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd, in voorkomend geval ook hun ouders, als de benadeelde partij worden onverwijld en schriftelijk op de hoogte gebracht van het sepot.

Amendement 90 strekt ertoe een nieuw artikel 36 in te voegen. Het verwijst naar de herstelbemiddeling.

Amendement 91 strekt ertoe een nieuw artikel 37 in te voegen. Dit artikel regelt het aanhangig maken van een zaak bij de jeugdrechter.

Amendement 92 strekt ertoe een nieuw artikel 38 in te voegen. Het heeft betrekking op de kennisneming door de jeugdrechter van de sociale navorsingen.

Amendement 93 strekt ertoe een nieuw artikel 39 in te voegen. Dit artikel is in ruime mate gegrond op artikel 16, paragraaf 2, van de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke.

Amendement 94 strekt ertoe een nieuw artikel 40 in te voegen. Dit artikel draagt ertoe bij de vordering van de procureur des Konings transparant te maken.

Amendement 95 strekt ertoe een nieuw artikel 41 in te voegen. Dit artikel regelt de vrijheidsbeneming van de persoon die een als misdrijf omschreven feit heeft gepleegd.

Amendement 96 strekt ertoe een nieuw artikel 42 in te voegen. Paragraaf 1 voorziet in de verschillende voorlopige maatregelen die de jeugdrechter op vordering van de procureur des Konings kan opleggen.

Amendement 97 strekt ertoe een nieuw artikel 43 in te voegen. Dit artikel formuleert het principe volgens hetwelk de rechter een beslissing moet nemen binnen de vierentwintig uren vanaf de vrijheidsbeneming.

Amendement 98 strekt ertoe een nieuw artikel 44 in te voegen. In dit artikel worden de voorwaarden bepaald zonder welke de detentie in een gesloten instelling tot bescherming van de maatschappij niet kan worden toegepast.

Amendement 99 strekt ertoe een nieuw artikel 45 in te voegen. De artikel is erop gericht de mogelijkheid van opeenvolgende residentiële plaatsingen in een gesloten instelling te beperken.

Mevrouw Mia De Schamphelaere (CD&V). - Amendement 100 strekt ertoe een nieuw artikel 46 in te voegen. Dit artikel betreft de uitvoering van de residentiële plaatsing in een centrum voor observatie en oriëntatie. Het eerste lid beantwoordt aan de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens over het vergemakkelijken van de contactmogelijkheden met de ouders door de afstanden kort te houden. De opvangcapaciteit van deze centra wordt beperkt tot vijftien personen met het oog op de optimale beheersbaarheid.

In de praktijk wordt reeds lang geëist dat minderjarigen die in een instelling belanden zonder ooit een als misdrijf omschreven feit te hebben gepleegd, niet samen mogen worden ondergebracht met minderjarigen van wie mag worden gevreesd dat ze wegens het plegen van als misdrijf omschreven feiten geen positieve invloed kunnen of zullen uitoefenen op de eersten. Aldus wordt het contact tussen beide groepen vermeden.

Amendement 101 strekt ertoe een nieuw artikel 47 in te voegen. In het eerste lid wordt voor de omschrijving van de geesteszieke een aanbeveling overgenomen van de Commissie tot herziening van de wet van 1 juli 1964. Nochtans zijn het verder niet de bepalingen van deze wet, maar deze van de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke die, wegens hun nadruk op het medisch aspect van het geuite gedrag, de voorlopige maatregel zullen beheersen indien er niet uitdrukkelijk van wordt afgeweken.

Amendement 102 strekt ertoe een nieuw artikel 48 in te voegen. Dit artikel is gegrond op artikel 16 van de wet betreffende de voorlopige hechtenis.

Amendement 103 strekt ertoe een nieuw artikel 49 in te voegen. Paragraaf 1 van dit artikel is gegrond op het verbod van vrij verkeer met andere personen omschreven in artikel 20, tweede lid, van de wet betreffende de voorlopige hechtenis. Paragraaf 2 biedt de jeugdrechter de mogelijkheid het regime te humaniseren in overleg met de instellingsdirecties.

Amendement 104 strekt ertoe een nieuw artikel 50 in te voegen. Dit artikel neemt het huidige artikel 52, tweede lid, van de wet betreffende de jeugdbescherming over. Het wijkt af van artikel 15, eerste lid, omdat het aan de jeugdrechter, gevat voor feiten door betrokkene gepleegd na de leeftijd van zeventien jaar, de mogelijkheid biedt voorlopige maatregelen tot de leeftijd van twintig jaar uit te spreken, zelfs wanneer de betrokkene ondertussen meerderjarig is geworden.

Amendement 105 wil een nieuw artikel 51 invoegen en is gegrond op de inhoud van de huidige wet op de jeugdbescherming.

Amendement 106 wil een nieuw artikel 52 invoegen dat bepaalt dat de eerste terechtzitting in raadkamer binnen de vijf dagen te rekenen van de tenuitvoerlegging van de beschikking moet worden gehouden. De betrokkene wordt niet verplicht telkens voor de jeugdrechter te verschijnen. Het systeem van de videoconferentie waardoor hij vanuit de federale instelling de zitting in de raadkamer bijwoont, spaart tijd, personeel en geld. De betrokkene kan zich ook op de zitting door zijn raadsman laten vertegenwoordigen. Ingeval hij erop aandringt persoonlijk te verschijnen, kan evenwel niemand hem dit weigeren.

Amendement 107 wil een nieuw artikel 53 invoegen. De observatie bedoeld in §2 spitst zich toe op de middelen die voor de medisch-psychologische, sociale en pedagogische integratie van de betrokkene geschikt zijn, op zijn antecedenten en op de omstandigheden waarin het als misdrijf omschreven feit werd gepleegd, waarbij rekening wordt gehouden met het milieu waarin betrokkene verbleef vóór de feiten waarvan hij wordt verdacht. Dit komt tegemoet aan de regels van Beijing. Paragraaf 2 wil een einde maken aan het gebrek aan uniformiteit en rechtszekerheid door de toepassing van niet gestandaardiseerde methodes bij de psychiatrische onderzoeken. De standaarden moeten bij koninklijk besluit worden omschreven.

Amendement 108 wil de voorlopige maatregelen van de jeugdrechter maandelijks in de raadkamer laten onderzoeken.

Mijn amendement 109 bepaalt de maximumduur van de voorlopige maatregelen.

Voor amendementen 110 en 111 verwijs ik naar de schriftelijke verantwoording.

Amendement 112 voegt een nieuw artikel 58 in. Zoals bepaald in artikel 60 van de wet van 8 april 1965 op de jeugdbescherming kan ook op grond van het nieuwe artikel waarin we voorzien, de jeugdrechter op elk moment, ambtshalve, op vordering van de procureur des Konings of op verzoek van de partijen, de voorlopige maatregelen of de voorlopige invrijheidstelling onder voorwaarden opheffen, wijzigen of nieuwe voorwaarden verbinden aan een voorlopige invrijheidstelling onder voorwaarden of ze schorsen om medische of humanitaire redenen.

Amendement 113 voegt een nieuw artikel 59 in. Dit artikel strekt ertoe de slachtoffers of, in geval van hun overlijden, hun familie door de dienst slachtofferopvang bij het parket op de hoogte te brengen van de beschikkingen van de jeugdrechter of van de onderzoeksrechter betreffende de opheffing van de voorlopige maatregelen, betreffende de voorlopige invrijheidstelling onder voorwaarden of, in voorkomend geval, betreffende de toestemming om de instelling te verlaten. Dit artikel voorziet in een belangrijke uitwisseling van informatie tussen jeugdrechter en onderzoeksrechter en ook in het informeren van de slachtoffers, vooral over de invrijheidstelling.

Amendement 114 voegt een nieuw artikel 60 in. Dit artikel regelt de termijn voor het aanhangig maken van de zaak bij de jeugdrechtbank door het openbaar ministerie op het einde van de voorlopige rechtspleging Deze kan, bij gemotiveerde beschikking, het aanhangig maken eenmaal uitstellen voor een maximum termijn van zes maanden.

Amendement 228 voegt een nieuw artikel 62, dat bepaalt dat de maatregel van observatie of de voorlopige plaatsing in een drugstherapeutische of jeugdpsychiatrische dienst onder strikte voorwaarden kan worden verlengd tot het vonnis ten gronde. Deze beschikking van verder verblijf is evenwel vatbaar voor beroep en moet maandelijks opnieuw worden onderzocht.

Amendement 116 voegt een nieuw artikel 63 in. Dit artikel is gegrond op het huidig artikel 49 van de wet op de jeugdbescherming en bepaalt dat de onderzoeksrechter in spoedeisende gevallen op vordering van het openbaar ministerie voorlopige maatregelen kan nemen. De onderzoeksrechter beschikt dan over dezelfde bevoegdheden als de jeugdrechter, maar moet deze laatste onmiddellijk op de hoogte brengen van de maatregelen die hij uitspreekt. De jeugdrechter oefent vanaf de eerste handhaving van deze maatregelen zijn bevoegdheid weer uit, maar hij kan voorheen reeds beslist hebben om de door de onderzoeksrechter uitgesproken maatregelen op te heffen of hij kan eventueel tot de voorlopige invrijheidstelling besluiten.

Amendement 117 voegt een nieuw artikel 64 in. Dit artikel bepaalt dat de jeugdrechter kan besluiten tot herstelbemiddeling, ongeacht zijn bevoegdheid om voorlopige maatregelen op te leggen.

Amendement 118 voegt een nieuw artikel 65 in. Dit artikel is geïnspireerd op het huidige artikel 46 van wet op de jeugdbescherming.

Voor amendement 119 geldt dezelfde verantwoording.

Ik verdedig nu mijn amendement 120. Artikel 67 bepaalt dat de procureur des Konings aan de jeugdrechtbank de sociale navorsingen bezorgt die hij reeds heeft laten uitvoeren. In voorkomend geval licht de procureur des Konings de jeugdrechtbank ook in over de stand van zaken van de herstelbemiddeling.

Mijn amendement 121 strekt ertoe een nieuw artikel 68 in te voegen om te voorzien in de wijze waarop de terechtzitting voor de jeugdrechtbank verloopt.

Mijn amendementen 122, 123 en 124 kunnen samen besproken worden. Het gaat over personen die tijdens hun minderjarigheid een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd, die dan ongeacht hun leeftijd voor de feitenrechter of voor de jeugdrechtbank gebracht worden om de feiten bewezen te horen verklaren en uitspraak te horen doen over de burgerlijke gevolgen van het feit. Onze amendementen zijn in overeenstemming met het eindverslag van de commissie-Cornelis. Rechtstreekse dagvaarding voor de jeugdrechtbank zonder voorafgaande voorlopige maatregelen is uiteraard ook mogelijk.

Mijn amendementen 125, 126, 127, 128 en 129 betreffen nieuwe artikelen die gaan over het aanbieden aan de jeugdrechter van een waaier van sancties. Er moet ook gezorgd worden voor een grotere proportionaliteit in de sancties. Er moet rekening worden gehouden met de ernst van het als misdrijf omschreven feit, maar ook met de specifieke situatie van de jongere waardoor de sanctie proportioneel wordt ten opzichte van de strafmaat bepaald voor volwassenen.

Er kan een taak in dienst van de gemeenschap worden opgelegd, zoals bepaald in artikel 71, 1º. Deze taakstraffen kunnen geheel of ten dele met uitstel worden uitgesproken en worden gekoppeld aan de naleving van de voorwaarden gesteld in artikel 70, §1, 2º. Dit biedt de rechter de mogelijkheid het antwoord te ontdubbelen in, enerzijds een sanctie en, anderzijds een maatregel ten gronde, door de dienstverlening of de taakstraf toepasbaar te maken op misdrijven waarvoor aan volwassenen een minimum gevangenisstraf van 1 maand kan worden opgelegd.

Aan de sanctie moet een beknopt onderzoek naar de situatie van de jongere door een justitieassistent voorafgaan. Er moet worden onderzocht of de jongere een taak ten dienste van de gemeenschap kan vervullen, in acht genomen zijn lichamelijke en verstandelijke mogelijkheden en of dit kan in zijn vrije tijd naast zijn eventuele school- of beroepsactiviteiten.

Vervolgens wordt ook in een geldboete als sanctie voorzien. Een jongere die deeltijds werkt en deeltijds studeert of een leerovereenkomst heeft, kan best een aan zijn inkomen en middelen aangepaste geldboete betalen. Bovendien kan deze geldboete op grond van artikel 73 met uitstel worden uitgesproken, al dan niet gekoppeld aan de naleving van bepaalde voorwaarden.

Er wordt ook voorzien in een sanctie van verplicht verblijf in een federale instelling met gesloten regime. Deze vorm van onderbroken plaatsing waarbij de betrokkene bijvoorbeeld slechts gedurende de weekends de vrijheid wordt benomen, waardoor de band met zijn sociaal milieu minder wordt verbroken en scholing en werk niet in het gedrang komen, wordt aangemoedigd in resoluties van de Raad van Europa. Deze plaatsing kan ook geheel of ten dele met uitstel worden uitgesproken indien de betrokkene de uitvoering van een taakstraf tot een goed einde brengt. Hij weet dan vooraf wat het alternatief is voor het niet uitvoeren van het vormingsproject of de taakstraf. Met dit artikel worden dus aan de jeugdrechter een waaier van sanctiemogelijkheden en herstelmaatregelen aangeboden die dan proportioneel, aangepast aan de feiten en aan de situatie van de jongere kunnen worden opgelegd.

Mijn amendement 130 strekt ertoe een nieuw artikel in te voegen dat specifieke sancties bepaalt die de jeugdrechter eventueel kan uitspreken naast maatregelen ten gronde.

Mijn amendement 131 strekt ertoe een nieuw artikel in te voegen dat afwijkt van artikel 15, eerste lid. Het biedt aan de jeugdrechtbank de mogelijkheid maatregelen ten gronde en sancties uit te spreken tot de leeftijd van twintig jaar wanneer de betrokkene het als misdrijf omschreven feit heeft gepleegd na de leeftijd van zeventien jaar, zelfs wanneer hij inmiddels meerderjarig is.

Amendement 132 voegt een nieuw artikel 79 in dat de wijze bepaalt waarop de uitvoeringsjeugdrechter kennis krijgt van het vonnis van de jeugdrechtbank.

Amendement 133 voegt een nieuw artikel 80 in volgens welk de jeugdrechtbank de betrokkenen de mogelijkheid van herstelbemiddeling kan bieden, ongeacht de mogelijkheid de maatregelen ten gronde of de sancties uit te spreken. Aan de jeugdrechtbank wordt gevraagd om in haar oordeel rekening te houden met de ernstige inspanningen die de betrokkene reeds gedaan heeft om de schade door bemiddeling te herstellen.

Amendement 134 wil een nieuw artikel 81 invoegen dat de jeugdrechtbank de mogelijkheid biedt straffen uit te spreken wanneer een persoon tussen 16 jaar en de meerderjarigheid bijzonder ernstige feiten heeft gepleegd. Als de jeugdrechtbank van oordeel is dat geen enkele maatregel of geen enkele sanctie bepaald in deze wet gepast is, kan ze bij een omstandig gemotiveerd vonnis de zaak naar de uitgebreide jeugdrechtbank verwijzen. De speciale navorsingen die overeenkomstig het oude artikel 38 van de wet betreffende de jeugdbescherming moesten worden verricht, zijn overbodig omdat hier niet gevraagd wordt zich over het uit handen geven uit te spreken. De ernst van het delict en de vaststelling door de jeugdrechtbank van het inadequaat zijn van de maatregelen en sancties van deze wet volstaan. De zaak wordt bij dit rechtscollege aanhangig gemaakt door het vonnis van de jeugdrechtbank zelf. Datum en uur van verschijning worden in het vonnis van verwijzing bepaald.

Amendement 135 voegt een nieuw artikel 82 in. De eerste paragraaf is gegrond op het huidige artikel 46bis van de wet betreffende de jeugdbescherming. De tweede paragraaf zorgt ervoor dat ten aanzien van de ouders slechts maatregelen kunnen worden uitgesproken wanneer ze uitdrukkelijk met het oog daarop zijn gedagvaard of gewaarschuwd. Dit is essentieel voor hun rechten van verdediging.

Amendement 136 voegt een nieuw artikel 83 in. Daarin wordt bepaald dat de uitgebreide jeugdrechtbank, naast de maatregelen ten gronde en de hoger vermelde sancties, de internering van de betrokkenen kan bevelen. Ze kan ook, op grond van de ernst van de feiten en van het eventueel verrichte onderzoek, straffen bepaald in het Strafwetboek en in de bijzondere strafwetten uitspreken, waarvan, overeenkomstig artikel 85, §2, de uitvoering zich niet verder kan uitstrekken dan tot wanneer de betrokkene de leeftijd van 25 jaar heeft bereikt. Ze kan nog slechts uitzonderlijk de zaak naar de rechtbanken van gemeen recht verwijzen. Deze mogelijkheid van uithandengeving is voortaan voorbehouden aan zaken die bij de jeugdrechtbank aanhangig zijn gemaakt nadat de persoon bedoeld in artikel 14, §1, de meerderjarigheid heeft bereikt. De uithandengeving getuigt van een gebrek aan logica in een thans meer sanctionerend systeem. In de praktijk en vaak contra legem is binnen het huidige beschermingssysteem de ernst van het delict nog steeds doorslaggevend om de zaak uit handen te geven. De druk van de publieke opinie en het onbehagen ten opzichte van het slachtoffer spelen meestal een belangrijke rol. De reserve die België gemaakt heeft bij artikel 37 teneinde de uithandengeving van minderjarigen mogelijk te maken, zal moeten herbekeken worden in het licht van de rechtspraak van het Europees Hof van de rechten van de mens. Een gespecialiseerde jeugdrechtmacht beoordeelt dus het best hun zaak.

De tweede paragraaf van dit artikel voorziet in de mogelijkheid voor de uitgebreide jeugdrechtbank om de betrokkene toe te laten tot een herstelbemiddeling onder de voorwaarden van artikel 114.

Amendement 137 strekt ertoe een nieuw artikel 84 in te voegen. Dit artikel regelt de tenuitvoerlegging van een uitgesproken internering.

Amendement 138 strekt ertoe een nieuw artikel 85 in te voegen. Dit artikel is een gevolg van artikel 77 en behoeft dezelfde verantwoording.

Amendement 139 strekt ertoe een nieuw artikel 86 in te voegen. Dit artikel voorziet tot de leeftijd van vijfentwintig jaar in de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende straffen in een federale gesloten instelling. Tussen 18 en 25 jaar liggen 7 jaar, tussen 16 en 25 jaar liggen 9 jaar. Dit aantal jaren komt nagenoeg overeen met de termijn voor de voorwaardelijke invrijheidstelling na veroordeling gaande van een maximale tijdelijke opsluiting of hechtenis tot een levenslange straf voor een volwassene, dader van een meestal levensberovende misdaad.

Amendement 140 strekt ertoe een nieuw artikel 87 in te voegen. Op grond van dit artikel worden de rechtbanken van gemeen recht bevoegd na verwijzing door de uitgebreide jeugdrechtbank. Zo kan belet worden dat een minderjarige moordenaar met misbruik van deze wet zich gedurende enkele jaren verscholen houdt om aldus aan enige sanctie te ontsnappen. Een andere optie zou kunnen geweest zijn erin te voorzien dat de termijn - 7 of 9 jaar - geschorst wordt tussen de feiten en de vatting van de dader, wat dan wel de bevoegdheid van de uitgebreide jeugdrechtbank verder dreigt uit te breiden dan de leeftijd van 25 jaar.

Amendement 141 strekt ertoe een nieuw artikel 141 in te voegen. Dit artikel voorziet in de informatieverstrekking door de griffie aan de uitvoeringsjeugdrechter zodat hij kan zorgen voor de follow-up van de maatregelen ten gronde en van de sancties.

Amendement 142 strekt ertoe een nieuw artikel 89 in te voegen. In dit artikel wordt aan de jeugdrechtbank of aan de uitgebreide jeugdrechtbank de mogelijkheid geboden maatregelen uit te spreken ten aanzien van de ouders van de betrokkene. Dit zal het geval zijn wanneer uit de feiten en het dossier genoegzaam naar voren komt dat een gelijktijdig optreden ten aanzien van de minderjarige en zijn onmiddellijk milieu noodzakelijk lijkt om, bij hereniging na tijdelijke scheiding, het hervallen in een situatie te voorkomen.

De mogelijkheid moet geboden worden om in te werken op de sociale context van de minderjarige. Een voorbeeld van gezinsinterventies die bij ouders en kinderen effectief blijken te zijn is het Patterson-systeem. De minimale voorwaarden voor de effectiviteit van de maatregelen van gezinsinterventie zijn: aanvaarding en medewerking door de ouders, een zekere affectieve relatie tussen ouders en kind, optimale leeftijd van het kind: 10 tot 15 jaar. De verplichting, ingeschreven in het nieuwe artikel 89, 2º, is verantwoord wanneer de vrijwillige hulpverlening geweigerd wordt of wanneer er manifest geen medewerking aan wordt verleend.

Amendement 143 strekt ertoe een nieuw artikel 90 in te voegen. Dit artikel voorziet in de dagvaarding voor de uitgebreide jeugdrechtbank van de ouders of de personen die het ouderlijk gezag over de betrokkenen uitoefenen, alsook in de rechtspleging voor die rechtbank.

Amendement 144 strekt ertoe een nieuw artikel 91 in te voegen. Dit artikel beoogt de combinatie van enerzijds de maatregelen ten aanzien van de ouders en anderzijds van de maatregelen ten gronde, sancties, straffen of verwijzing ten aanzien van de jeugdige delinquent.

Amendement 145 voegt een nieuw artikel 92 in dat bepaalt dat de duur van de maatregelen die de ouders werden opgelegd, door de jeugdrechtbank wordt vastgesteld. Die maatregelen kunnen ook ambtshalve of op verzoek worden opgeheven of gewijzigd.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Amendement 146 voegt een nieuw artikel 93 in. Hiervoor gaan we uit van vaststellingen van de commissie-Cornelis, namelijk dat de politierechtbank ook met betrekking tot alle andere tot haar bevoegdheid behorende strafbare feiten, ook de weinig ernstige, de mogelijkheid krijgt lichte sancties uit te spreken. Bovendien is de voorgestelde tekst gebaseerd op conclusies die we hebben getrokken uit het verslag-Walgrave, dat we in het debat al meermaals hebben geciteerd en sluit hij aan bij artikel 36bis van de wet van 8 april 1965.

Amendement 147 bevat een procedureregeling.

Amendement 148 voorziet in de mogelijkheid minderjarigen ouder dan 16 jaar een minnelijke schikking voor te stellen bij een overtreding die tot de bevoegdheid van de politierechtbank behoort.

Amendement 149 gaat in dezelfde richting.

Amendement 150 bevat een procedureregeling.

Amendement 151 bevat de procedureregeling vanaf het ogenblik dat de uitvoeringsjeugdrechter kennis neemt van de zaak en ze verder behandelt.

Amendement 152 bevat een procedureregeling.

Amendement 153 voorziet in de mogelijkheid een beroep te doen op een deskundige.

Amendement 154 preciseert de mogelijkheid tot het opleggen van sancties door de uitvoeringsjeugdrechter.

Amendement 155 geeft de uitvoeringsjeugdrechter de mogelijkheid de jongere in een psychiatrische of drugtherapeutische dienst of federale instelling te plaatsen. Ik wil erop wijzen dat die bepaling opgenomen had kunnen worden in een beperkte wetgeving, indien men die had ingediend. Dit is een belangrijk punt gezien de signalen die we vanuit de sector krijgen.

Amendement 156 preciseert de mogelijkheden van de uitvoeringsjeugdrechter.

Amendement 157 houdt eveneens verband met de drugstherapie. Ik vind een drugstherapie even belangrijk als de opsluiting in een gesloten centrum.

Amendement 158 gaat in dezelfde richting.

Amendement 159 bevat een procedureregeling voor de schorsing van de sancties bijvoorbeeld om humane of psychische redenen.

Amendement 160 handelt over het inlichten van het slachtoffer.

Amendement 161 gaat over de follow-up.

Amendement 162 geeft de jeugdrechter de mogelijkheid tot toetsing.

Amendement 163 bevat technische bepalingen.

Amendement 164 regelt het optreden van de procureur des Konings.

Amendement 165 bevat de herzieningsprocedure.

Amendement 166 bevat de regeling voor herstelbemiddeling.

Amendement 167 bevat de voorwaarden voor herstelbemiddeling. Amendementen 168, 169 en 170 houden eveneens verband met de regeling voor herstelbemiddeling.

Amendement 171 preciseert de homologatie van een herstelbemiddeling.

Amendement 172 bepaalt dat de erkende dienst of persoon die de herstelbemiddeling begeleidt op de hoogte wordt gebracht van de resultaten.

Amendement 173 betreffende artikel 120 (nieuw) gaat over de bescherming van de minderjarige.

Amendement 174 betreffende artikel 121 (nieuw) gaat over de mogelijkheid van beroep op de justitieassistent.

Amendement 175 betreffende artikel 122 (nieuw) gaat over de precisering van de taak van de justitieassistent.

Amendement 176 betreffende artikel 123 (nieuw) gaat over de uitvoering van artikel 52ter van de wet van 8 april en wil de ouders zo snel mogelijk met de problematiek confronteren.

Voor amendement 177 betreffende artikel 124 (nieuw) verwijs ik naar de verantwoording.

Amendement 178 betreffende artikel 125 (nieuw) Dit artikel is gebaseerd op artikel 57 van de wet betreffende de jeugdbescherming. Het komt tegemoet aan onze internationaal-rechtelijke verplichtingen.

Amendement 179 betreft artikel 126 (nieuw). Dit artikel handelt over de toegang tot het dossier. De zaak-Gaskin voor het Europees Hof voor de Rechten van de Mens tegen het Verenigd Koninkrijk was een belangrijke zaak, maar ze was blijkbaar niet interessant genoeg om de Senaat te boeien. Ik zal bij een andere gelegenheid daarover een kleurrijke uiteenzetting geven, want ik wil natuurlijk geen misbruik maken van de procedure.

Amendement 180 betreffende artikel 127 (nieuw) heeft betrekking op de behandeling van de zaak voor de jeugdrechter en de jeugdrechtbank.

Voor amendement 181 betreffende artikel 128 (nieuw) verwijs ik naar de verantwoording.

Voor amendement 182 A betreffende artikel 129 (nieuw) verwijs ik naar de verantwoording.

Voor amendement 182 B betreffende artikel 130 (nieuw) verwijs ik naar de verantwoording.

Amendement 183 betreffende artikel 131 (nieuw) gaat over de verplichte persoonlijke verschijning van de persoon die het als misdrijf omschreven feit heeft gepleegd.

Amendement 184 betreffende artikel 132 (nieuw) gaat over de veroordeling tot de kosten.

Voor amendement 185 betreffende artikel 133 (nieuw) verwijs ik naar de verantwoording.

Amendement 186 betreffende artikel 134 (nieuw) gaat over de vermelding door van de rechter bij een strafrechtelijke veroordeling.

Amendement 187 betreffende artikel 135 (nieuw) gaat over de samenhang van vervolgingen.

Amendement 188 betreffende artikel 136 (nieuw) gaat over het beroep en de termijn. Amendement 189 betreffende artikel 137 (nieuw) gaat eveneens over het beroep.

Amendement 190 betreffende artikel 138 (nieuw) gaat over de procedurele regeling van het beroep. Idem voor amendement 191 betreffende artikel 139 (nieuw).

Amendement 192 betreffende artikel 140 (nieuw) gaat over de voorwaarden voor het indienen van het verhaal en het gevolg op de behandeling van de zaak.

Amendement 193 betreffende artikel 141 (nieuw) betreft de beschikkingen van de jeugdrechter.

Amendement 194 betreffende artikel 142 (nieuw) verwijst naar internationale bepalingen.

Amendement 195 betreffende artikel 140 (nieuw) gaat over de rechten van verdediging die de openbare orde betreffen.

Voor amendement 196 betreffende artikel 144 (nieuw) verwijs ik naar de verantwoording.

Amendement 197 betreffende artikel 145 (nieuw) gaat over de uitvoering van de VN-resolutie in dit verband.

Voor amendement 198 betreffende artikel 146 (nieuw) verwijs ik naar de verantwoording. Idem voor amendement 199.

Voor amendement 200 om een nieuw artikel 148 in te voegen, verwijs ik naar de schriftelijke verantwoording. Voor amendement 201 om een nieuw artikel 149 in te voegen verwijs ik naar de schriftelijke verantwoording. Voor amendement 202 om een nieuw artikel 150 in te voegen, verwijs ik naar de schriftelijke verantwoording.

Met amendement 203 willen we een nieuw artikel 151 invoegen waardoor de strafbepaling van artikel 80 van de wet betreffende de jeugdbescherming wordt opgenomen in het strafwetboek.

Met amendement 204 willen we een nieuw artikel 152 invoegen om aan het strafwetboek een artikel 505bis toe te voegen dat tot doel heeft artikel 85 van de wet betreffende de jeugdbescherming te incorporeren.

Amendement 205 om nieuw artikel 153 in te voegen betreft een verdere technische uitwerking van de uitgangspunten.

Met amendement 206 willen we een nieuw artikel 154 invoegen.

Met amendement 207 willen we een nieuw artikel 155 invoegen om de nodige terminologische aanpassingen door te voeren.

Amendement 208 om een nieuw artikel 156 in te voegen gaat over specifieke procedurele regelen.

Amendement 209 heeft als doel een nieuw artikel 157 in te voegen.

Amendement 210 om een nieuw artikel 158 en amendement 211 om artikel 159 in te voegen betreffen de aanpassing van de artikelen 91 en 92 van het Gerechtelijk wetboek.

Voor amendement 212 om een nieuw artikel 160 in te voegen, verwijs ik naar de schriftelijke verantwoording.

De amendementen 213, 214, 215 en 216 om respectievelijk een nieuw artikel 161, 162, 163 en 164 in te voegen betreffen het doortrekken van het specialiteitbeginsel.

Amendement 217 heeft tot doel een nieuw artikel 165 in te voegen dat gaat over de regeling van vormvereisten.

Amendement 218 om een nieuw artikel 166 in te voegen gaat over de regeling van een weddebijslag.

Amendement 226 om een nieuw artikel 167 in te voegen hoef ik niet verder te preciseren.

Met amendement 219 willen we een nieuw artikel 168 invoegen om de Arbeidswet aan te passen.

Amendement 220 en 221 om respectievelijk een nieuw artikel 169 en 170 in te voegen gaan over procedurele regelingen.

Amendement 222 en 223 om respectievelijk een nieuw artikel 171 en 172 in te voegen gaan over overgangsrecht en procedurele regelingen.

Amendement 224 om een nieuw artikel 173 in te voegen gaat over een procedurele regeling.

Amendement 225 om een nieuw artikel 174 in te voegen behoeft geen commentaar.