2-176

2-176

Sénat de Belgique

Annales

MERCREDI 30 JANVIER 2002 - SÉANCE DE L'APRÈS-MIDI

(Suite)

Discussion de la déclaration du Gouvernement

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Bij het aantreden van de paarsgroene regering, twee jaar geleden, publiceerde professor Luc Huyse een interessant essay `De opmars van de Calimero's'. Hij verwijst daarin naar de bekende psycholoog van het onderbewustzijn Jung die stelde dat de menselijke geest in tijden van verwarring behoefte heeft aan ankerpunten en vertrouwen. Professor Huyse vindt dat de politici moeten stoppen met zich te gedragen als Calimero's, dat het gedaan moet zijn met de sorry-cultuur. In de plaats van over te komen als "ik ben klein, de anderen zijn machtig", moeten zij het land met geloofwaardigheid en daadkracht besturen.

Bij de bespreking van de programmawet eind vorig jaar heb ik erop gewezen dat de regering zelf gezegd heeft dat ze van België een modelstaat wou maken. Ik neem dus aan dat we de regering op de doelstellingen die ze zichzelf gesteld heeft, mogen beoordelen. We twijfelden er toe al aan dat de regering die doelstellingen gezien de moeilijke omstandigheden zou kunnen realiseren.

Vandaag bespreken we een nota die maar liefst eenentwintig prioriteiten telt. Kunnen we dan nog wel van prioriteiten spreken?

We hebben de techniek en de tactiek van de paarsgroene regering en haar meerderheid door, precies zoals we de Slangen-techniek door hebben. Slangen past de tactiek toe van Hitchcock: "Eerst de misdaad en dan het verhaal." Slangen zegt: "Eerst de communicatie, dan het onderzoek van het dossier en dan zien of het uitvoerbaar is". Wie zulke beleidsmethodes toepast, eindigt met een kater.

Overigens is de paarsgroene regering nu een cohabitation geworden voor PS-voorzitter Di Rupo, nu ook minister van Staat. Ik heb het zo dadelijk nog over de indrukwekkende lijst van ministers van Staat, de jongste realisatie van de paarsgroene meerderheid en voor sommigen een bewijs voor de kwaliteit van het bestuur. Uit de prioriteitennota blijkt het gebrek aan vertrouwen. De coalitiepartners vallen als het ware vechtend over straat.

In zekere zin zijn we blij met de nota. De nota voert een hele reeks doelstellingen die de regering voor ogen had en die niet werden gerealiseerd, nu op als politieke prioriteiten. Met andere woorden, de regering erkent dat er nog veel werk op de plank is, dat er nog heel veel problemen zijn en ze is er zich eindelijk van bewust dat de concurrentiekracht achteruitgaat. In oktober was dat nog anders, dan zag de premier nergens een probleem.

Ik kan het niet beter zeggen dan de voorzitter van het VEV, de heer Jef Roos, tijdens zijn nieuwjaarsboodschap. Hij is van oordeel dat onze economie het in de huidige onstabiele context relatief goed doet, maar dat het wellicht nog beter zou gaan indien het beleid efficiënter, consistenter en bedrijfsvriendelijker zou zijn. Hij wijst op onze belangrijke loonkostenhandicap ten opzichte van de ons omringende landen en onze afnemende concurrentiepositie. Hij concludeert dat het niet te verwonderen is dat onze ondernemingen bitter gestemd zijn over het niet doorvoeren van de tweede fase van de loonlastenverlaging. Dat onze economie weerstand kan bieden aan de recessiedruk is vooral te danken aan de veerkracht en de creativiteit van werknemers en werkgevers, ondanks het door de regering gevoerde beleid. Het federaal beleid stoot arbeid uit en moedigt zwartwerk aan zodat die overheid een dure campagne tegen het zwartwerk moet voeren. Surrealisme is in België nooit ver weg. Uit de statistieken over de concurrentiepositie en de competitiviteitsranking wereldwijd blijkt dat we in het jaar 2001 van de veertiende naar de twaalfde plaats zijn gezakt - tijdens de regering-Dehaene gingen we tussen 1998 en 1999 vier plaatsen naar boven -, dat de werkloosheid toeneemt en dat de activiteitsgraad van de bevolking in percentages uitgedrukt, stagneert. Tussen 1997 en 1999 steeg de activiteitsgraad met 0,4%. Van 1999 tot 2001 bedroeg de toename ook niet meer dan 0,4%, hoewel deze regering de wind in de rug had.

De regering komt voor een stuk weer met dezelfde prioriteiten als voorheen naar voren. Dat komt vooral neer op de erkenning van een tekortkoming. De niet gerealiseerde prioriteiten worden nu uitgeroepen tot `prioritaire prioriteiten'.

We zijn daar in zekere zin blij om. Het is inderdaad nooit te laat om goed te doen. Het verheugt ons dat de regering na twee en een half jaar beleid de intentie heeft om het beleid bij te sturen.

Toch blijkt uit de prioriteitennota niet veel creativiteit. Er wordt voor de zoveelste maal een rondetafelconferentie voor de sociale zekerheid georganiseerd. Het verheugt ons dat de belangrijke taken van de sociale partners daarin gevalideerd zullen worden. Er worden al te lang rapporten aangekondigd om allerlei problemen op te lossen, zonder weinig concrete resultaten. Ik denk aan het rapport-Cantillon over de zelfstandigen.

De welvaartsvastheid van de uitkeringen is een positief beginsel, maar de voorwaarde "indien de ontwikkeling van de economie het toelaat", geeft weinig hoop, ook omdat de voorspelde groei van 1,3% niet realistisch is.

De vermindering van de vennootschapsbelasting wordt opnieuw van stal gehaald. Het bedrijfsleven koestert hierover evenwel argwaan omdat iedereen weet dat de maatregel op een fiscale nuloperatie zal uitdraaien.

De verdere hervorming van de personenbelasting is toe te juichen, maar anderzijds wordt de discriminatie van de gehuwden uitgesteld tot de volgende regeerperiode. De antidiscriminatiewet die is goedgekeurd, heeft wel geen fiscale gevolgen.

De banenplannen zijn de jongste maanden al uitgebreid besproken. Op dat vlak is een vereenvoudiging dringend noodzakelijk. We zullen moeten afwachten welke maatregelen de regering op dat vlak zal nemen.

De grootste nieuwigheid is wel het voorstel tot oprichting van de Hoge Raad voor de Innovatie. Dat vinden we buitengewoon creatief. Dat hadden we werkelijk niet verwacht. Niet omdat we vinden dat het verboden is innovatief te zijn, maar omdat er al tal van diensten en instellingen bestaan die zich met dat soort problemen bezighouden. Ik verwijs in dat verband naar het Planbureau, de Nationale Bank, de Europese Commissie, de universiteiten en de talrijke diensten voor wetenschappelijke, technische en culturele aangelegenheden. Enerzijds wordt voortdurend gepleit voor administratieve vereenvoudiging en deregulering, anderzijds wil de regering een nieuwe instelling creëren.

We zijn uiteraard heel blij met prioriteit negentien, die erop gericht is fiscale voordelen toe te kennen voor ethische beleggingen en voor duurzame investeringen in duurzame ondernemingen. Senator Steverlynck heeft al een hele tijd geleden een voorstel ingediend om een derdewereldbevek op de markt te brengen. Ik veronderstel nu dat de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden spoedig zijn voorstel zal willen bespreken. Het verontrust ons wel dat de begroting 2002 geen enkele maatregel bevat om prioriteit negentien te realiseren.

De regering zal zich niet enkel met innovatie, maar ook met onderzoek bezighouden. Zo wenst ze onder meer te onderzoeken of de invoering van een CO2-taks op Belgisch niveau mogelijk is. De centrale vraag is hier of de regering voor of tegen die taks is. We zouden graag weten of de regering, die blaakt van daadkracht en innovatiekracht, de CO2-taks als een reële politieke optie beschouwt, dan wel of het niets meer is dan een poging is om de nota een groen randje te geven.

Ook op andere gebieden wil de regering nog studiewerk verrichten. Zo zal de regering onderzoeken welke specifieke maatregelen mogelijk zijn in arbeidsintensieve sectoren zoals de bouw en de horeca. Hierover heeft het Planbureau zowel in 1997 als in 1998 al een studie uitgevoerd. Waarom zijn er nog nieuwe studies nodig? Zijn de vroegere studies van het Planbureau nutteloos? Of is het de bedoeling om - net zoals bij De Post - studieopdrachten te geven aan consultantbureaus om de werkgelegenheid te verbeteren?

De dubbele begrotingscontrole is een uitstekende maatregel. Het is het beste bewijs dat de regering zichzelf niet vertrouwt. Terzijde merk ik op dat we het uiteraard positief vinden dat de begroting van 2001 in evenwicht is. We hopen dat dit ook het geval zal zijn voor de begroting van 2002 en dat ons land zich niet zal aansluiten bij de groep van landen die onlangs van de Europese Commissie een aanmaning hebben gekregen wegens hun begrotingsdeficit, namelijk Duitsland, Portugal, Frankrijk en Italië. De bewering van de eerste minister dat ons land een van de enige landen is met een begrotingsevenwicht, moet ik evenwel tegenspreken.

Volgens het overzicht van 2001 komt België in de Europese Unie op de tiende plaats, vóór Oostenrijk en de vier landen die in gebreke zijn gesteld. Alle andere landen van de Europese Unie komen, wat de begrotingsdiscipline betreft, vóór België, dat samen met Italië de grootste staatsschuld heeft. Er is een link tussen die relatief zwakke plaats en de staatsschuld van 10.000 miljard frank. In percentages gezien, daalt die schuld, maar we mogen niet vergeten dat ze in centen, niet in procenten, moet worden terugbetaald.

De meest gebruikte woorden in de prioriteitennota zijn: "indien, als, te onderzoeken, te behandelen, rondetafelconferentie, hoge raad of het organiseren van een debat". Daar kunnen we ons niet mee tevreden stellen. Velen vinden de nota een gemiste kans. De nieuwe start voor de laatste maanden van de legislatuur is niet gelukt. Dat kon moeilijk anders, aangezien het economisch slechter gaat en de coalitie niet erg homogeen is.

Ik besluit mijn uiteenzetting zoals ik ze ben begonnen. We hebben geen behoefte aan Calimero's, maar wel aan een geloofwaardig bestuur. Zo vind ik de bekendmaking van de lijst van ministers van Staat ook geen goed signaal. Bij de ministers van Staat zijn vanzelfsprekend personen die zich heel verdienstelijk hebben gemaakt. Voor ons is de titel van minister van Staat echter een honorering voor een jarenlange politieke carrière met inzet voor het land. De bekendmaking van gisteren geeft de indruk geen erkenning te zijn voor de inzet, maar veeleer een aanmoedigingspremie om toch nog iets te realiseren. Zulke praktijk komt de geloofwaardigheid van de politiek en van de meerderheid niet ten goede.

Mevrouw Jeannine Leduc (VLD). - Regeren is met de regelmaat van een klok terugkijken op wat reeds gerealiseerd is en nog verfijnd en afgewerkt moet worden, tijd nemen om een stand van zaken op te maken en de prioriteiten vast te leggen voor de toekomst, rekening houdend met de geleidelijke of schoksgewijze evolutie van de maatschappij. De prioriteitennota is bijgevolg belangrijk, zeker nu de financiële ruimte om een beleid te voeren inkrimpt. Daarom zijn een hele reeks concrete maatregelen in de diverse beleidsdomeinen, onder meer de aanpak van de sociaal-economische problemen, ook de belangrijkste doelstelling van de regering.

De economische groei die in 2000 nog 4% bedroeg, viel in 2001 terug tot 1,1%. Voor 2002 wordt 1,3% verwacht. Die terugval is in hoofdzaak te wijten is aan de dalende internationale conjunctuur, vooral na de gebeurtenissen van 11 september.

Daarnaast blijft België een aantal handicaps kennen, die aan de oppervlakte verschijnen nu de groei een heel stuk lager uitvalt. Ik verwijs hierbij naar de hoge loonkosten, die sneller stijgen dan bij onze buurlanden, de hoge fiscale druk en de lage werkgelegenheidsgroei.

Uit het rapport van de Commissie voor de top van Barcelona blijkt dat in België vooral de activiteitsgraad in de beroepsbevolking ondermaats blijft. Het beleid inzake de actieve welvaartsstaat moet dringend worden versterkt. Tegelijkertijd moet de strijd tegen de sociale uitsluiting, de modernisering van de sociale bescherming en een strategie voor duurzame ontwikkeling die eveneens wezenlijke elementen vormen van het Lissabon-proces, prioritaire aandacht krijgen.

De VLD-senaatsfractie is van mening dat de regering een evenwichtig prioriteitenprogramma heeft uitgewerkt voor de periode 2002-2003, dat erop gericht is genoemde structurele problemen aan te pakken. Wij zijn er fier over dat alle partijen die van de meerderheid deel uitmaken, zich in dat evenwichtige prioriteitenprogramma kunnen vinden.

De VLD verheugt zich erover dat de regering beslist heeft om de fiscale hervorming, die net voor het parlementaire zomerreces werd goedgekeurd, onverkort uit te voeren. In dit verband is het eerst en vooral van belang in herinnering te brengen dat de regering, voorafgaand aan de fiscale hervorming, reeds heel wat belangrijke belastingverlagingen heeft doorgevoerd. De herindexering van de belastingschalen, de geleidelijke afschaffing van de crisisbijdrage, de verbetering van de aftrek voor kinderopvang en de invoering van een verlaagd BTW-tarief voor arbeidsintensieve diensten zullen tegen het einde van deze legislatuur op jaarbasis een gunstig effect ressorteren voor de belastingplichtige. Samen verminderen deze maatregelen de fiscale druk met ongeveer 80 miljard frank.

De budgettaire weerslag van de hervorming van de personenbelasting bedraagt 134,5 miljard frank of 1,3% van het bruto binnenlands product, wat neerkomt op een vermindering van de personenbelasting met meer dan 10%. Samen met de afschaffing van de aanvullende crisisbelasting en de herindexering van de belastingschalen zal deze hervorming tot gevolg hebben dat de fiscale druk met ongeveer 2% van het bruto binnenlands product zal verminderd worden.

De fiscale hervorming, die een aanzienlijke belastingverlaging inhoudt, tracht een oplossing te bieden voor de veel te hoge lastendruk. Volgend jaar zal eerst en vooral de crisisbelasting verder worden verminderd, goed voor een bedrag van 12 miljard frank. Daarnaast zal de eerste fase van de fiscale hervorming worden uitgevoerd, goed voor een bedrag van 10 miljard frank. In 2002 zullen deze maatregelen leiden tot een vermindering van de bedrijfsvoorheffing met 9,5 miljard frank. De toename van het beschikbaar inkomen van de gezinnen zal een positieve macro-economische weerslag hebben, waardoor de initiële toename van de inkomens nog zal worden versterkt en er een multiplicatoreffect zal ontstaan.

De VLD is verder van mening dat de hervorming van de vennootschapsbelasting zal leiden tot een meer ondernemingsvriendelijk klimaat, dat mensen aanzet om te investeren, nieuwe bedrijven op te starten en bestaande bedrijven uit te breiden, nieuwe producten te ontwikkelen en op de markt te brengen, bestaande werkgelegenheid te behouden en nieuwe werkgelegenheid te creëren. Bovendien moeten de fiscale wetten en procedures meer oog hebben voor de leefbaarheid van de KMO's en de zelfstandigen, die de motor zijn van onze economie. Het merendeel van de stelsels van vennootschapsbelasting in de diverse OESO-landen bevat een heel gamma van fiscale stimuli. De meeste hervormingen die in deze landen werden doorgevoerd, hebben een groot deel van deze fiscale stimuli geëlimineerd. De verruiming van de grondslag ging echter steeds gepaard met een verlaging van de tarieven. Ook de VLD is steeds van mening geweest dat het tarief van de vennootschapsbelasting diende verlaagd te worden en dat de bestaande aftrekken moesten worden herzien.

De VLD-senaatsfractie staat dan ook achter de aangekondigde hervorming van de vennootschapsbelasting, die bestaat uit een dubbele ingreep. Ten eerste, de verlaging van de aanslagvoet van 40,17 naar 34 procent, die deels door een vereenvoudiging en deels door een afschaffing van aftrekposten zal worden gecompenseerd. Ten tweede, de invoering naar Nederlands model van het rulingsysteem, waarbij bedrijven en fiscus vooraf akkoorden sluiten over de toepassing van de belastingwetgeving.

Parallel met deze ingreep zal het verlaagde tarief voor de KMO's worden verminderd van 28 tot 24,25 procent. Daarnaast zullen KMO's hun voor investeringen gereserveerde winsten voortaan kunnen vrijstellen van vennootschapsbelasting. Aangezien de hervorming van de vennootschapsbelasting budgettair neutraal dient te zijn, is het evident dat een aantal fiscale uitgaven zullen moeten worden verminderd en dat bepaalde anomalieën in het huidige stelsel zullen worden geëlimineerd. De VLD is in dit verband van mening dat de compenserende maatregelen op een evenwichtige wijze verdeeld moeten worden over de verschillende economische sectoren.

De VLD is ook zeer tevreden met de aankondiging dat zal bekeken worden of specifieke maatregelen mogelijk zijn voor arbeidsintensieve sectoren zoals de bouw en de horeca. De verlenging van het BTW-tarief van 6 procent voor de renovatie in de bouw zal worden onderzocht, na evaluatie van het Europees BTW-beleid inzake arbeidsintensieve sectoren. Dit onderzoek zal gepaard gaan met de evaluatie van de fiscale maatregelen tot revitalisering van de grote steden en de benadeelde buurten in het bijzonder. De VLD vraagt immers reeds geruime tijd de invoering van een verlaagd BTW-tarief voor de bouwsector en de horeca en is van mening dat fiscale maatregelen nodig zijn voor de achtergebleven stedelijke buurten waar mensen in marginale situaties moeten overleven.

In het kader van de rondetafelconferentie werd een sterkte-zwakte-analyse van de sociale bescherming voor werknemers in België gemaakt. Deze studie bevat belangrijke vaststellingen, die voor de VLD het uitgangspunt moeten zijn bij het uitstippelen van de sociale bescherming in de actieve welvaartsstaat van morgen.

De lage tewerkstellingsgraad en dus de hoge ouderenafhankelijkheid voor de komende jaren, het groot aantal langdurig werklozen, de hoge werkloosheid bij vrouwen en laaggeschoolden en de oudere werklozen zijn ernstige bekommernissen voor een regering die van de actieve welvaartsstaat haar paradepaardje heeft gemaakt.

Een even belangrijke vaststelling van het rapport is dat beleidsverantwoordelijken in de afgelopen jaren de minima steeds hebben opgetrokken en veelal de maxima onaangetast hebben gelaten. Daardoor is de afstand tussen minima en maxima verkleind en werd het verzekeringsprincipe op de helling gezet. Gecombineerd met het feit dat het aantal uitkeringsgerechtigden toeneemt, leidt dit ertoe dat mensen die uitsluitend van een vervangingsinkomen moeten leven, het steeds moeilijker hebben om rond te komen. Met andere woorden, de doelmatigheid van het systeem komt voor die groep in het gedrang.

Een andere opvallende conclusie van het rapport was de achterstand die vrouwen nog altijd hebben zowel in hun arbeidspositie op de arbeidsmarkt als in hun bezoldiging en in hun sociale zekerheidsrechten. Aangezien vrouwen in vele gevallen gezinshoofd van eenoudergezinnen zijn, heeft die ongelijkheid ook verregaande gevolgen voor de opvoeding van kinderen. Het is positief dat de regering oog heeft voor die problematiek en van de uitbanning van deze ongelijkheden een prioriteit wil maken. Een grondige discussie over de modernisering van de sociale zekerheid is dus absoluut noodzakelijk.

Voor de liberalen is het sociaal statuut van de zelfstandigen een bijzonder belangrijk thema en we waarderen dan ook dat de regering zich engageert om in 2002 werk te maken van een meerjarenplan. Het vandaag bestaande verschil tussen werknemers en zelfstandigen is niet meer aanvaardbaar. Zonder een volledige gelijkschakeling te willen - die is immers toch onmogelijk en zelfs niet gewenst door zelfstandigen - moeten er aan het stelsel verbeteringen worden aangebracht. Het bijzonder lage pensioen voor zelfstandigen is een zeer groot pijnpunt. Het is niet aanvaardbaar dat mensen na 45 jaar werken minder pensioen ontvangen dan iemand die een bijstandsregeling geniet. De belofte om de bestraffing van wie vóór zijn 65ste jaar op pensioen is gegaan, te temperen kan de VLD dan ook sterk appreciëren. Ondanks het principe van de actieve welvaartsstaat is een bestraffing van zelfstandigen die vervroegd op pensioen gaan, niet langer houdbaar naast de flexibele pensioenleeftijd voor werknemers of de brugpensioenen die soms gegeven worden aan werknemers vanaf de leeftijd van 52 jaar.

Ook het sociaal statuut van de zelfstandige moet worden aangepast aan de maatschappelijke realiteit. Vandaar dat de VLD een statuut voor de medewerkende echtgenoot noodzakelijk vindt. De realisatie daarvan is dan ook een goede zaak.

Wel wil de VLD erop wijzen dat de tijd van studeren voorbij is.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Aha!

Mevrouw Jeannine Leduc (VLD). - Men mag niet vergeten dat wij nu projecten realiseren waarvoor de CVP vijftig jaar de tijd heeft gehad. Ik waardeer het niet dat men zich over ons pejoratief uitlaat. Dat zouden wij ook kunnen doen met betrekking tot het verleden, maar dat wensen we niet te doen.

De voorbije twee jaar werd het sociaal statuut van de zelfstandigen - de onvolkomenheden en de mogelijkheden ervan - bestudeerd. Het eerste rapport-Cantillon heeft bruikbare voorstellen opgeleverd. Over het tweede valt weinig te zeggen omdat het nog niet is ingediend. Dat had einde juli al moeten gebeuren. De VLD vindt dit onaanvaardbaar en hoopt dat de regering de leden van de werkgroep ter verantwoording zal roepen. De tijd is nu gekomen om maatregelen te nemen. Dat deze gefaseerd zullen zijn in tijd beseft iedereen, maar het is noodzakelijk snel tot beslissingen over te gaan.

Het wetsontwerp over het leefloon zal binnenkort in het Parlement worden ingediend.

De inspanningen die de overheid nu levert om mensen met het bestaansminimum terug te integreren in de arbeidsmarkt zijn niet zonder resultaat gebleven. Artikel 60, paragraaf 7, als tewerkstellingsmaatregel en integratiemethodiek in de arbeidsmarkt in plaats van een doorsluismechanisme van het OCMW naar de sociale zekerheid wordt dagelijks aangewend. Het wetsontwerp inzake het leefloon speelt hier verder op in. De sterkte van het wetsontwerp op het leefloon is niet, zoals sommige leden van de regering beweren, de verhoging van de uitkeringen, maar de wil om jonge mensen die in het systeem treden, er niet langdurig in te laten. De essentie van het wetsontwerp bestaat erin jonge mensen die door omstandigheden een leefloon moeten aanvragen, te begeleiden uit het systeem naar een arbeidsmarkt als een volwaardige participant van het maatschappelijk leven. Alleen door volwaardig te participeren voelt een jongere zich voluit betrokken en krijgt hij de wil vooruit te komen.

Uiteraard kan de activering van jongeren niet alleen vanuit het OCMW gebeuren. Maatregelen om jongeren die om allerlei redenen geen diploma hebben behaald, te stimuleren en nog een scholing te geven, via stages in ondernemingen of via beroepsgericht opleidingen, kunnen het verschil uitmaken tussen langdurige werkloosheid en effectieve tewerkstelling.

Ook de uitkering voor jongeren die zich als zelfstandigen willen vestigen, is een noodzakelijke maatregel. Totnogtoe bestond te zeer de indruk dat enkel inspanningen werden geleverd om van jongeren werknemers of ambtenaren te maken, terwijl een groot potentieel voor een tewerkstelling als zelfstandige onaangesproken bleef. De regering wil jongeren een kans geven om als zelfstandige van start te gaan zonder daarvoor al te veel veiligheden te moeten opgeven.

De gezondheidszorg lijkt wel het zorgenkind van de regering te blijven. Aan de ene kant is er het probleem van de betaalbaarheid van de beste gezondheidszorg waarop de patiënt recht heeft. Aan de andere kant is een snelle en betaalbare toegang tot de beste geneeskunde een uitdaging.

In dit kader heeft de VLD altijd belang gehecht aan een correct en zo efficiënt mogelijk gebruik van de middelen. In die geest heeft ze onder meer een resolutie ingediend voor het opstellen van richtlijnen, evenals een resolutie voor het oprichten van een gegevensbank.

De voorzitter. - Mevrouw Leduc, gelieve te besluiten. U hebt de u toegemeten spreektijd al ruim overschreden.

Mevrouw Jeannine Leduc (VLD). - Dat is mogelijk, mijnheer de voorzitter, maar bij andere gelegenheden heb ik mijn spreektijd heel vaak niet benut. (Men glimlacht.)

Op die manier wil de VLD de besluitvorming in de gezondheidszorg rationeler maken.

Politieke keuzen blijven noodzakelijk, gelet op de bezorgdheid voor het budget. Een goede gezondheidszorg kost nu eenmaal geld.

Gemiddeld werd het budget met 10 miljard overschreden. Ook hieraan proberen we iets te doen.

Ik zal de overige prioriteiten, die ik nochtans alle belangrijk vind, niet meer aanhalen. Het plan is immers te omvangrijk om het in zo'n kort tijdsbestek te bespreken. Ik zal wel een andere gelegenheid aangrijpen om dit te doen.

Mijnheer Vandenberghe, Calimero is sympathiek en ijverig. Het is een figuur waarvan iedereen houdt. Ik houd van de regering en haar inspanningen en het stemt me tevreden dat het prioriteitenplan wordt aangepast en hoofdaccenten worden gelegd. De VLD staat dan ook achter het prioriteitenplan.

M. Philippe Mahoux (PS). - C'est à un exercice bien particulier que nous nous livrons. En effet, lors de la rentrée parlementaire, le premier ministre est venu expliquer son programme ou plutôt, il est important de le préciser, le programme de son gouvernement à composantes multiples. Nous avions à l'époque donné notre sentiment sur ce programme.

Le gouvernement vient de préciser à nouveau les priorités qu'il s'assigne pour le temps restant jusqu'à la fin de la législature. Cela nous donne l'occasion d'affirmer une fois de plus le bien que nous pensons des priorités définies par le gouvernement. D'ailleurs, comment pourrait-il en être autrement !

Cela nous offre aussi l'occasion de dire qu'il était nécessaire que ces priorités reflètent effectivement celles de l'ensemble des partis qui composent la majorité gouvernementale. Il serait absurde d'imaginer qu'il n'y ait pas plusieurs partis dans la coalition gouvernementale, puisque c'est une coalition.

Certains analystes politiques considèrent a priori que les priorités énumérées par le gouvernement peuvent être attribuées à l'un ou l'autre des partis de la coalition.

M. Hugo Vandenberghe (CD&V). - M. Ducarme s'est livré au même exercice.

M. Philippe Mahoux (PS). - Qu'un chef de parti cherche à s'attribuer le plus possible des réalisations d'une coalition, cela paraît légitime. Par contre, il n'en est pas de même pour les analystes politiques. Or, ceux-ci de manière assez classique ont tendance à considérer que les mesures fiscales seraient d'initiative du parti X, celles qui relèvent du social seraient d'initiative Y et celles d'orientation environnementaliste viendraient de Z. Ce n'est pas ainsi que fonctionne une coalition. Ce que je vais dire permettra peut-être aux analystes de corriger leur point de vue et d'éviter dès lors d'utiliser des classifications quelque peu abusives.

Cela dit, mon groupe se réjouit de la volonté affirmée du gouvernement de concentrer ses efforts pour les années à venir sur les questions économiques et sociales. L'aspect social de la note gouvernementale a particulièrement retenu notre attention. Je parlerai de l'emploi qui est une priorité de notre groupe mais qui constitue aussi une priorité partagée à des degrés divers par les différents partis du gouvernement. Nous nous réjouissons que cent mille emplois aient déjà été créés au cours de la législature et que des moyens financiers soient affectés aux mesures mises en place par la vice-première ministre, ministre de l'Emploi et du Travail. Après tout, il est normal que les groupes parlementaires se félicitent du travail de leurs représentants au sein du gouvernement. Je ne vois pas pourquoi nous abandonnerions cette excellente habitude.

L'accent a été mis par le premier ministre sur la faible participation au marché du travail des personnes peu qualifiées. C'est une préoccupation importante. Les mesures proposées constituent des pas considérables dans la correction de cette situation. Je rappelle que grâce aux initiatives du gouvernement, 78.000 jeunes ont décroché un premier emploi durant cette législature.

Je faisais référence tout à l'heure à mon intervention relative à la déclaration de politique fédérale d'octobre 2001. J'insistais à ce moment-là sur le rôle primordial que doivent jouer les partenaires sociaux pour dégager des solutions propres à garantir la viabilité de notre sécurité sociale toujours enviée dans d'autres pays mais peut-être menacée au niveau européen. Nous sommes en effet bien obligés de constater que l'ensemble des pays européens n'ont pas une vision identique sur la manière d'appliquer la sécurité sociale.

La note proposée par le gouvernement invite les interlocuteurs sociaux à réfléchir à des thèmes essentiels tels que la charge salariale, l'assouplissement du marché du travail ou encore la formation au sein des entreprises. Nous serons donc très attentifs à l'accord interprofessionnel attendu pour l'automne prochain.

Pour l'heure, nous constatons que le gouvernement entend poursuivre une politique d'emploi efficace en mettant notamment tout en oeuvre pour augmenter le taux d'emploi des travailleurs plus âgés et intervenir concrètement, je l'ai déjà souligné, face à la faible participation des personnes peu qualifiées.

Le gouvernement entend s'efforcer d'éliminer toutes les formes de discrimination en matière d'emploi et nous ne pouvons que le suivre dans cette tâche d'autant que, comme groupe socialiste, nous avons toujours été attentifs à ce qu'une politique active et efficace soit menée dans ce pays en matière de lutte contre les discriminations. Nous notons aussi la volonté du gouvernement de prendre à l'avenir des mesures pour favoriser les secteurs à haut taux d'emploi et nous souhaitons vivement que l'on n'en reste pas simplement à des déclarations.

Le volet consacré à une société plus solidaire et les mesures envisagées en matière de lutte contre la pauvreté et l'exclusion sociale rencontrent à la fois notre préoccupation et notre approbation. Si des avancées ont déjà été concrétisées par le gouvernement en faveur des allocations les plus modestes, nous actons avec satisfaction que le revenu d'intégration va encore augmenter sous cette législature et qu'un projet de loi en la matière sera prochainement débattu au parlement.

La problématique du surendettement fera l'objet d'une attention particulière. C'est un dossier sensible qui demandait des réponses concrètes. Nous nous réjouissons de la prochaine fixation du droit à l'accompagnement social et budgétaire des personnes concernées par ce problème.

Les efforts visant à améliorer le statut social des indépendants vont être intensifiés. Mon groupe s'en réjouit d'autant que nous avons déjà déposé de nombreuses propositions de loi en la matière et que le débat a déjà été initié en commission des Affaires sociales. Nous attendons donc avec impatience le plan pluriannuel de la table ronde qui sera déterminé sur la base des rapports du groupe Cantillon qui, je pense, fait du bon travail. Cela me permet de rappeler que si la solidarité entre tous les Belges est nécessaire, elle l'est aussi à l'intérieur du régime de sécurité sociale des travailleurs indépendants.

Je rappelle nos propositions de loi qui auraient permis d'améliorer ce statut d'une manière tout à fait significative si l'on avait rétabli la proportionnalité des cotisations sociales pour les 3 à 6% des travailleurs indépendants aux revenus les plus élevés. Je demande à nouveau que l'on réfléchisse à cette manière de permettre à une grande majorité des travailleurs indépendants de bénéficier de l'amélioration de leur statut, simplement parce que la solidarité serait plus grande à l'intérieur du secteur des indépendants.

De manière générale, je m'interroge toujours sur la raison pour laquelle la résistance à cette solidarité est si grande dans les organisations représentatives du monde indépendant. Je le répète, des mesures extrêmement importantes en termes d'allocations familiales, de pensions, d'indemnités en cas de maladie et de doublement du congé de maternité seraient parfaitement possibles, y compris sur le plan budgétaire, si ces plafonds de cotisations n'étaient pas déterminés comme ils le sont et si les plus riches des indépendants assuraient une solidarité entière par rapport aux 92 ou 95% des indépendants qui ont des revenus moins importants. Cela mérite d'être souligné.

Dans un autre registre, j'ai déjà exprimé le sentiment de mon groupe par rapport au dossier relatif au règlement des conflits sociaux lors de la déclaration de politique générale.

Je répète que nous ne pouvons accepter, dans un système démocratique, la remise en question d'un droit fondamental comme celui du droit de grève. Nous privilégions donc, au travers d'une proposition de loi, la voie de la négociation et de la conciliation et attendons avec impatience le projet gouvernemental en la matière.

La poursuite de l'agenda pour le changement dans les soins de santé a également retenu toute notre attention. Dans ce domaine, la responsabilisation de tous les acteurs en vue d'une utilisation optimale des moyens est un élément essentiel. Nous notons que le gouvernement entend accroître cette responsabilité et les résultats obtenus par le groupe Perl nous semblent assez significatifs dans cette voie. Nous nous réjouissons de l'extension de la protection de tous les travailleurs, mais aussi des indépendants, via la facture maximale.

Pour mettre en oeuvre des mesures volontaristes en matière économique et sociale, il faut impérativement disposer de marges et de moyens budgétaires et donc, poursuivre une politique de gestion responsable des deniers publics.

Nous avons connu, pour 2000 et 2001, un budget en équilibre. La piste qu'il convient de suivre est celle de la confiance retrouvée des citoyens. C'est vrai que les perspectives sont moins optimistes que ce qu'elles étaient et, si la conjoncture est moins favorable, il convient de prendre les mesures qui s'imposent afin de maintenir les équilibres budgétaires. La confiance retrouvée des citoyens et l'équilibre ne sont pas le fruit du hasard. Notre groupe garde en mémoire les efforts qui ont été demandés à la population pour résorber le déficit important de la dette publique.

La démarche du gouvernement entend respecter le pacte de stabilité. Nous le suivons sur ce point. Il s'agit d'une attitude responsable, mais nous veillerons à ce que les prochains contrôles budgétaires ne soient pas l'occasion de réclamer de nouveaux efforts aux catégories de la population qui ont déjà beaucoup donné ces dernières années.

Nous constatons également l'attention portée à la fiscalité. Sur ce chapitre aussi, nous avons trouvé des accents nouveaux dont nous pouvons nous réjouir.

En ce qui concerne l'abaissement de l'impôt des sociétés, si on fait des comparaisons, on peut considérer que celui-ci est plus élevé dans notre pays que dans les pays voisins, ce qui peut être déterminant dans le choix des investisseurs même si ce n'est pas le seul facteur qui intervienne dans le choix d'implantation des entreprises.

Un abaissement devra nécessairement intervenir, mais cela pose surtout le problème de l'harmonisation fiscale en Europe dont l'absence est une tentation, pour chaque État européen, d'aller dans la voie d'une défiscalisation. Or, ce sont des mesures qui, lorsqu'elles sont prises, ne sont pas favorables à l'intégration européenne et qui se retournent toujours contre ceux qui mènent ce type de politique.

L'impôt oui, mais s'il y a défiscalisation, que celle-ci ne se fasse pas pour des raisons compétitives mais en termes d'harmonisation sur le plan européen. Je pense que c'est là une attitude plus responsable.

Les engagements ayant été maintes fois répétés par le gouvernement, le nouveau système d'impôt des sociétés doit se faire dans un cadre budgétaire neutre.

Cela sera très probablement l'occasion de mettre fin à de « petites » anomalies en matière d'impôt des sociétés qui jouaient, jusque là, le rôle de modérateur fiscal, de manière non transparente et très inéquitable.

Nous nous félicitons que le nouveau système favorise aussi l'autofinancement des petites et moyennes entreprises. C'est une condition essentielle pour éviter à l'avenir bien des difficultés financières dues à une sous-capitalisation de ces sociétés qui forment une partie importante de notre tissus économique.

Quant à la promotion des nouvelles technologies, inutile de dire l'importance que nous y accordons. Outre l'aspect du développement économique qu'elles sous-tendent, les nouvelles technologies de l'information favorisent l'éclosion d'un monde de la communication et de l'échange qui ne peut que susciter l'adhésion.

Une inquiétude - et elle est de taille - que génère cette évolution est évidemment le risque d'une fracture sociale et peut-être culturelle entre ceux qui ont accès à ces technologies et à ce nouveau monde et ceux qui en sont exclus. C'est donc avec une grande satisfaction que nous prenons note de la mise sur pied d'un Fonds pour l'adaptation aux nouvelles technologies. Un tel fonds ne doit pas seulement être un instrument permettant aux faibles revenus d'accéder aux ordinateurs et aux réseaux. Il doit aussi favoriser leur utilisation optimale pour intégrer l'ensemble de la population dans cette nouvelle ère technologique, tant sur le plan matériel que sur le plan de la formation. Il doit être l'embryon d'une politique particulièrement volontariste et dynamique en la matière.

Il me paraît utile de mettre en avant une série de points extrêmement importants, ce qui permet de renvoyer à nouveau aux analyses politiques qui ont des classifications en termes d'attributions. Je citerai la simplification administrative, la lutte conte la fraude fiscale, qui doit être poursuivie et même intensifiée, la revalorisation des grandes villes avec des mesures spécifiques, notamment sur le plan fiscal. Je dirai un mot de Kyoto, de la fiscalité écologique ou plutôt environnementale. Le terme écologique peut donner l'impression que l'environnement est une exclusivité, ce qui donnerait des arguments aux analystes politiques. Quand elle est appliquée, la fiscalité environnementale nécessite un écobilan, un bilan environnemental le plus complet possible, permettant de prendre les dispositions à la fois les plus favorables à l'environnement et les plus compatibles avec le développement économique. Je parlerai des placements éthiques. Une série de banques, de sociétés ont pris en compte cette notion de placement éthique.

M. Hugo Vandenberghe (CD&V). - À la DAT.

M. Philippe Mahoux (PS). - Pas d'ironie ! Quand je parle de placements éthiques, on sait de quoi je parle. Il est vrai que certains placements sont très importants car ils permettent à certains, par exemple aux travailleurs de la Sabena, de ne pas perdre leur emploi. Une dynamique s'installe. Il ne s'agit toutefois pas de ce que j'appellerai des placements éthiques. Nous pourrions, au sein de notre assemblée, nous efforcer, dans les placements que nous sommes amenés à effectuer - et nous en faisons -, d'intensifier ces placements éthiques qui ont une cohérence. Bien sûr, les placements doivent avoir un return. Ces returns doivent cependant être raisonnables.

L'éthique des placements est liée à la manière dont l'argent placé est utilisé, en dehors de toute volonté de démarche purement spéculative. Plaider pour les placements éthiques et revendiquer simultanément, comme mon groupe l'a fait à travers une proposition de loi, l'instauration d'une taxe sur les mouvements spéculatifs de capitaux, c'est faire preuve de cohérence. En conclusion, nous avons trouvé dans les priorités de cette note équilibrée - oserais-je dire rééquilibrée ? - du gouvernement, bien des motifs de satisfaction.

De heer Wim Verreycken (VL. BLOK). - Uit de regeringsverklaring kan ik afleiden dat de regering geobsedeerd is door kansspelen en dan vooral door kaartspel. Ze lijkt geboeid door het geldverslindende blackjack, het zogenaamde eenentwintigen. Het drama van eenentwintigen is evenwel dat er veel meer geld wordt mee verloren dan er wordt mee gewonnen, behalve wanneer men volgens de Copernicusregeling een politiek benoemde is. De gewone burger kan er alleen veel geld bij inschieten.

Ik vrees dat de Belgische belastingbetaler aan de eenentwintig punten van de regering weinig genoegen zal beleven. De schatkist, met de minister van Financiën als croupier van het Belgische casino, zal misschien winst maken, maar de betalende burger zal altijd verliezen.

De eerste minister had vorige week volkomen gelijk toen hij in staking ging uit protest tegen het feit dat een groen politicus hem voor flamingant uitmaakte. Hij is zeker geen flamingant. Dat blijkt uit de analyse van een van de speelkaarten waarin de regering verwijst naar Research and Development. Wie de moeite doet om daarover op het internet informatie op te vragen zal met mij vaststellen dat R&D, ondanks de anglofiele benaming, een louter Waalse aangelegenheid is. De Europese gelden van Doelstelling 1 vloeien volgens die informatie allemaal naar de Waalse ruimtevaart-, vliegtuig- en wapenindustrie. De actuele invulling van R&D, ongetwijfeld geïnspireerd door het overleg met Philippe Busquin en Serge Kubla, wijst enkel in Waalse richting en kan leiden tot een veel grotere financiële inspanning voor de onderzoekspoot van de ULB, het Institut de biologie et de médecine moléculaire, gevestigd op de luchthaven van Gosselies. Om de centen die van de regering voor dit centrum worden verwacht te kanaliseren, werd nu reeds `Bio Vallée' opgericht en voor de opvang van de nieuwe tewerkgestelden op Belgische kosten, zal het gebouw nog deze zomer worden afgewerkt. Enkel reeds de aanvang van die bouwwerken, lang voor het spelletje eenentwintigen, toont aan dat de Waalse R&D-aanhangers wisten dat de regering met geld over de brug zou komen. Het aandachtspunt zestien omtrent het zogenaamde nauwer overleg tussen de federale overheid en de gewesten is dus een verbloeming voor het bestendigen van de geldstromen van noord naar zuid. Kortom, wie de eerste minister van overdreven aandacht voor Vlaanderen heeft beschuldigd, heeft manifest ongelijk.

Ook de speelkaart `vennootschapsbelasting' houdt een transfer in. In een vestzak-broekzakoperatie verlaagt de regering het algemeen tarief "binnen een neutraal budgettair kader". Met andere woorden, zonder dat de federale schatkist er ook maar iets mag van voelen. De regering zal de verlaging compenseren door de aftrekposten te verminderen. De onderzoekers van het VEV wijzen hier op een ongerijmdheid. De regering speelt met de overweging om milieuheffingen niet langer aftrekbaar te maken. Van de 10 miljard oude Belgische franken aan milieuheffingen is evenwel 8,7 miljard afkomstig uit Vlaanderen en 1,3 miljard uit Wallonië. Wallonië staat in voor ongeveer 20 procent van de vennootschapsbelasting en zal dus veel meer overhouden aan de hervorming dan het eraan bijdraagt. Niet enkel worden de geldstromen bestendigd, ze worden door deze nieuwe transfer nog vergroot.

De laatste kaart van de eerste minister verwijst naar het plan Zenner. De heer Zenner leverde zijn eerste rapport af in het najaar van 2001, met als hoogvlieger, uiteraard volkomen toevallig, een Vlaams bedrijf waar, al naargelang de bron, 173, 178 of 200 miljoen euro kon worden afgeroomd. Het betreft Aquafin dat 6% BTW betaalde, ten gevolge van een schriftelijke goedkeuring van de belastingdiensten in 1991. Dat een Waalse analoge maatschappij 0% BTW afdraagt omdat ze als intercommunale werd opgezet, stoort blijkbaar niemand. Alleen minister Reynders zag blijkbaar het onevenwicht, want op 24 januari verklaarde hij, min of meer omfloerst, aan de Kamer dat het koninklijk besluit van 1993 over de BTW-tarieven zonder discriminatie geldig is voor alle gewesten maar dat er een verschil is tussen een overheid die niet BTW-plichtig is en één die dat wel is. Met andere woorden: de Belgische fiscus spaart de bewuste Waalse constructie en graait in de kassa van de Vlaamse bedrijven die sinds 1991 6% BTW betalen. Ik heb daar uiteraard problemen mee. Als de minister van Financiën het principe van niet-discriminatie wil hanteren, moet de 6% BTW die Aquafin te veel heeft betaald, worden terugbetaald.

Ik veronderstel dat de visie waarbij geschenken worden gegeven aan een Waalse maatschappij en een Vlaamse maatschappij moet betalen, wordt toegejuicht. We hebben in de kranten gelezen dat de heer Slangen een prachtige toespraak heeft gemaakt om die visie te ondersteunen. Die toespraak werd door de koning voorgelezen. Daaruit bleek duidelijk dat de Belgische constructie, het Belgische casino nog lang mag blijven bestaan.

Mijnheer Zenner volgde de regeringsvisie helemaal toen hij voorstelde om tegen eind 2003 het merendeel van de belastingaangiften ingevuld aan de belastingplichtigen te bezorgen. Dat is een zeer goed idee waarmee hij de regeringsvisie onderschrijft. Ook de regeringsnota staat immers bol van het magische jaar 2003. De prioriteitennota gaat duidelijk niet om prioriteiten voor vandaag maar om prioriteiten voor het verkiezingsjaar 2003. In dat jaar zal de openbare schuld dalen, zal het Zilverfonds er komen, zal uitvoering worden gegeven aan een coherent beleid inzake financiering van de sociale zekerheid, zal het meerjarenplan voor zelfstandigen worden gerealiseerd en zullen de bestaande banenplannen doorzichtig worden gemaakt. Eigenlijk zegt de prioriteitennota dat men morgen gratis scheert. Eigenlijk vraagt zij voor de huidige regering te stemmen die dan tijdens de volgende legislatuur al haar beloften waar zal maken. Krijgt deze niet voldoende steun van de burger, dan is het niet uitvoeren ervan een welverdiende straf.

Met al deze beloften, al dit uitstel, al deze heilsverklaringen op krediet, verklaart de eerste minister de burger voor zot. Veel beloven en weinig geven doet de zotten in vreugde leven.

Ik ben ervan overtuigd dat er meer dan voldoende burgers zijn die het kaartspelletje van deze pseudo-prioriteitennota niet pikken en die de eerste minister, in 2003, indien hij tenminste van zijn groene partner zolang mag verder regeren, naar de nooduitgang van het Belgische casino zullen verwijzen als afgedankte croupier die te veel beloofde maar te weinig gaf.

M. Michel Barbeaux (PSC). - Après deux années de conjoncture économique exceptionnelle et - du fait de la présidence tournante de l'Union - au sortir d'un semestre de fastes européens ponctués d'innombrables voyages, réceptions, colloques et autres conférences de presse, il peut paraître douloureux de devoir à nouveau s'occuper de questions domestiques.

Comment boucler le budget 2002, alors que la croissance intérieure est au ralenti ? Comment stimuler l'investissement, alors que la confiance des entrepreneurs est au plus bas ? Faut-il augmenter le taux d'emploi, alors que le spectre du chômage réapparaît ? Faut-il réformer l'impôt des sociétés ou abaisser les charges sociales, alors que les faillites se succèdent ? Faut-il instaurer une fiscalité écologique, alors que la compétitivité est menacée ? Faut-il réunir des « tables rondes », adopter de nouvelles mesures ou simplifier les démarches administratives, prendre des initiatives publiques ou s'en remettre à la négociation entre partenaires sociaux ? Ce sont les défis auxquels il faut aujourd'hui faire face.

À court de projets, le premier ministre a pris sur lui le risque de rédiger une note de priorités économiques pour les seize mois à venir. Il était aussi à court de moyens : trente mois à peine auront suffi pour consommer l'héritage des gouvernements précédents. Trente mois au cours desquels les promesses se sont amoncelées, comme autant de factures qu'il faudra honorer dans les prochaines années, à charge des futurs gouvernements. Trente mois qui auront amené bien peu de réformes structurelles : le bilan établi par le gouvernement lui-même tient en une quinzaine de lignes, et encore, la liste des « réalisations » - où ne figurent étonnamment ni la Sabena, ni la SNCB, ni La Poste - a été allongée en dernière minute pour contenter formellement les deux vice-premières ministres francophones.

Le débat en séance plénière de la Chambre, le mardi 22 janvier dernier, a démontré à suffisance combien cette déclaration ne marque aucune inflexion vis-à-vis de la politique menée depuis juin 1999. Pourtant, l'environnement international a profondément changé ; la croissance, la compétitivité et l'emploi sont en panne et les principaux opérateurs - entreprises, syndicats, mouvements associatifs, acteurs de la santé, ... - réclament de plus en plus explicitement une autre politique.

Dans le temps trop court qui m'est imparti, je vais m'attacher à prouver, à travers l'examen de trois grands domaines de l'action publique fédérale, en quoi cette « note de priorités » est, aux yeux de notre groupe, défaillante.

En premier lieu, les priorités économiques et financières. Au vu du handicap salarial de notre économie, un abaissement supplémentaire des charges pesant sur le travail est une absolue nécessité si on veut préserver - et restaurer, dans de nombreux secteurs exposés à la concurrence internationale - notre compétitivité interne et sur les marchés extérieurs.

Pour rappel, notre handicap vis-à-vis de nos trois principaux concurrents vient d'être évalué à 2,4% et il devrait s'aggraver quasi mécaniquement si le gouvernement suspend l'exécution des mesures de réduction des charges sociales initialement programmées pour 2002. En effet, dès son arrivée en 1999, le gouvernement arc-en-ciel avait repris à son compte l'engagement de réduire structurellement le coût du travail, et notamment de procéder à une réduction complémentaire de 800 euros par emploi et par an au 1er avril 2002. Si cette promesse n'est pas tenue, ce que le budget 2002 semble indiquer et ce que la nouvelle déclaration semble confirmer, c'est la rentabilité des entreprises, la capacité d'investissement et l'emploi de milliers de travailleurs qui sont ainsi directement menacés.

Or, les 250 millions d'euros mentionnés aujourd'hui par le gouvernement ne constituent en rien un abaissement des charges sociales. La majeure partie de ce montant avait déjà fait l'objet de décisions antérieures ou résulte du recyclage du remboursement des aides Maribel !

À la suite de la demande d'explications de notre président de groupe M. Thissen lors de la séance plénière du 17 janvier, le ministre Daems déclarait : « J'estime que le gouvernement devrait prendre des mesures, soit dans le cadre de la loi existante, soit en modifiant une autre loi. Il serait opportun de diminuer les charges pour éviter que notre coût salarial soit supérieur à celui de nos concurrents les plus importants. Je partage votre avis selon lequel le gouvernement devra intervenir pour résoudre ce problème important ».

Une fois n'est pas coutume, le gouvernement ne semble pas suivre l'opinion du ministre en charge des Classes moyennes et des PME, alors que cette fois il avait raison.

La note parle de l'abaissement du taux nominal de l'impôt des sociétés. En passant, notons qu'on ne parle plus de « réforme » mais d'abaissement. La note indique qu'« une série d'abattements sont revus dans un cadre neutre du point de vue budgétaire ». Cet abaissement budgétairement neutre sera-t-il en même temps, favorable aux entreprises ? On peut se le demander. Rappelons que, lors de la déclaration gouvernementale d'octobre 2001, vous aviez espéré, monsieur le ministre des Finances encore, avec beaucoup d'optimisme, déposer un projet de loi avant les vacances de Noël pour que la réforme soit applicable dès les revenus 2002.

Quant à la réforme de l'administration, qui peut croire que le lancement d'une réforme en profondeur de l'administration - l'opération appelée « Copernic » - va bouleverser la vie concrète de nos concitoyens ? Par contre, elle bouleverse bien le fonctionnement des administrations parce qu'elle veut tout faire en même temps, en négligeant souvent les cadres en place. Quant à la soi-disant objectivation des nominations des hauts cadres de l'administration, les exemples récents dévoilés par la presse hier et aujourd'hui, démontrent ce qu'il en reste : des désignations dans le sérail politique après élimination de certains candidats parfois les mieux classés.

Concernant la simplification administrative, on nous parle notamment de e-government en sécurité sociale alors qu'il s'agit tout simplement de poursuivre la concrétisation de la banque-carrefour mise en place sous le précédent gouvernement.

Par ailleurs, est-il raisonnable de laisser un mois à l'Agence pour la simplification administrative - ASA - pour élaborer une proposition ramenant à deux autorisations les 300 procédures et plus de 150 réglementations différentes concernant le lancement d'une entreprise ? Dans son dernier rapport, l'Agence indiquait : « l'ensemble des formalités imposées aux starters ne peut être traité en une fois. Il faut d'abord examiner, par groupe cible ou par catégorie d'activité, celles qui sont absolument nécessaires et celles qui pourraient être mieux adaptées. Une simplification structurelle nécessitera inévitablement la modification des cadres actuels légaux et organisationnels ». Serait-ce un nouvel effet d'annonce ? D'autant qu'il faudra également adapter, après concertation, certaines législations régionales, ce qui impliquera une négociation avec les Régions. Entre-temps, les mesures relatives au numéro unique ainsi qu'au guichet unique sont toujours en attente !

Les placements éthiques ont la cote et nous y sommes favorables. La note qui annonce « la création d'avantages fiscaux pour des placements éthiques et/ou favorisant le développement durable ». Non seulement ces deux notions sont indéfinies, mais surtout, quels seront ces avantages fiscaux ?

Concernant la taxe CO2, la note indique que « on examinera la possibilité d'introduire une taxe ». Comme pour la taxe Tobin, je présume ! Faut-il rappeler que cette taxe sur le CO2 est déjà d'application dans plusieurs pays du nord de l'Europe - Suède, Finlande, Danemark, Pays-Bas -. La Suède et la Norvège taxent également le soufre tandis que l'Autriche perçoit une redevance de pollution sur les hydrocarbures. Tout est donc question de volonté politique, d'autant que le Plan fédéral de développement durable 2002-2004 précise : « il sera créé un groupe de travail interdépartemental, sous la présidence du ministère des Finances et la vice-présidence d'un représentant du secrétariat d'État à l'Énergie et au développement durable chargé de préparer, en phases, un rapport global sur la « réforme verte » de la fiscalité. Ce groupe établira un inventaire et s'attellera ensuite à la préparation d'autres propositions. Il se fondera, pour ce faire, sur des études existantes, des expériences étrangères et examinera les propositions fiscales reprises dans d'autres parties du plan comme l'introduction d'une taxe énergie-CO2, etc. Le groupe de travail fera son rapport au gouvernement avant le 1er juillet 2001. Après l'approbation du gouvernement, les propositions seront élaborées par le ministre des Finances ».

Dès lors, plutôt que d'annoncer une étude, qu'attend le gouvernement pour prendre des mesures ? Autrement dit, qu'en est-il de ce groupe de travail annoncé dans le plan de travail fédéral, qu'en est-il du rapport promis, qu'en est-il des propositions ?

Concernant la lutte contre la fraude enfin, la note n'annonce rien de très précis : « on vérifiera l'état d'avancement » ... du plan Zenner ? Quelles initiatives spécifiques seront-elles prises ?

J'en viens au deuxième volet : les priorités sociales.

En matière de soins de santé, le gouvernement estime qu'il a « créé une confiance accrue dans le chef de la population ». Cela revient vraiment à appliquer la méthode Coué.

Il est vrai que de grands espoirs avaient surgi à l'annonce du budget 2001 : augmentation du budget « ordinaire », annonce de nouvelles mesures destinées à répondre à des besoins particuliers tels que maladies chroniques, amélioration des soins en oncologie, budget supplémentaire pour les soins palliatifs, meilleur remboursement des montures de lunettes pour enfants, etc. La préparation du budget 2002 est nettement moins euphorique et bien des espoirs sont déçus chez les patients et surtout chez les professionnels de la santé.

Les patients, lésés, estiment à raison que des économies sont faites sur leur dos. Ainsi, la ristourne de 10% octroyée par les pharmaciens sur l'achat de médicaments est confisquée ; le nombre de séances de kinésithérapie prises en charge diminue.

Paradoxalement, alors que le gouvernement fédéral annonce qu'il veut soutenir davantage les personnes souffrant de maladies chroniques pour lesquelles la kinésithérapie constitue souvent la seule manière de conserver une autonomie suffisante, il divise simultanément par trois le nombre de séances de kinésithérapie remboursées.

Chez les prestataires de soins, c'est le mécontentement généralisé, comme le prouvent la réaction des médecins et celle des infirmières qui estiment que l'on déstructure leur profession. Quant aux kinésithérapeutes, ils se voient imposer, sans concertation et alors qu'ils respectaient leur budget, une économie de 1,8 milliard de francs.

Le budget des soins de santé est mal maîtrisé et les mesures prises affaiblissent l'accès égal aux soins de santé pour tous en pénalisant les patients et en créant un système de santé à deux vitesses.

Quant à la table ronde de la solidarité sociale, déjà annoncée avant la marche sociale du 20 mai 2001, ne serait-elle pas une excuse inventée pour ne pas avancer dans la mise en oeuvre des améliorations sociales revendiquées par les assurés sociaux et les travailleurs ?

Concernant le statut social des indépendants, le groupe de hauts fonctionnaires présidé par Béa Cantillon déposait au mois de janvier 2001 un premier rapport portant sur les soins de santé, l'incapacité de travail et les allocations familiales. On attend depuis plus de six mois le deuxième rapport qui doit porter sur les pensions, considérées comme le principal problème par les indépendants eux-mêmes. Qu'attend le gouvernement fédéral non plus pour commander des rapports, mais pour faire des propositions ?

L'augmentation de 4% au 1er janvier 2002 du « revenu minimum », que l'on appelle aujourd'hui revenu d'intégration, est bien en deçà des exigences socialistes et écologistes. Nous savons que la promesse d'augmentation « en fonction des possibilités budgétaires » est purement formelle. Quant au projet de loi relatif à l'indemnité d'intégration, faut-il rappeler qu'il consacre un véritable recul par rapport aux acquis de notre démocratie sociale, en ce qu'il réintroduit une logique morale où la dignité doit se mériter, réduit la dimension humaine de la personne à son seul potentiel de travail et infantilise les rapports entre l'autorité publique et les plus démunis.

Quant à l'assurance autonomie qui doit répondre aux besoins croissants résultant du vieillissement de la population, contrairement à la déclaration gouvernementale de 1999 qui a fondé ce gouvernement, la nouvelle déclaration du premier ministre n'en parle plus. On préfère laisser la Flandre agir seule de son côté.

Le troisième volet porte sur la Justice. Le temps qui m'est imparti étant écoulé, d'autres collègues l'évoqueront ultérieurement à cette tribune. Je voudrais simplement signaler qu'il s'agissait d'une des priorités du gouvernement. Aujourd'hui, la Justice n'apparaît plus comme telle, ce qui se traduit dans le budget de ce secteur qui n'a pas augmenté depuis le début de cette législature.

La conclusion s'impose : soit les priorités du gouvernement sont réelles et l'on s'attendait alors, dans la foulée, à un remaniement significatif de l'équipe ministérielle afin de pallier les carences actuelles que le bilan succinct met singulièrement en lumière, soit ces priorités sont fictives, auquel cas la même équipe peut parfaitement occuper le pouvoir et davantage encore les médias durant les seize mois à venir. Vous nous pardonnerez simplement de ne pas céder à la nouvelle mode que l'on vient d'inaugurer au sein de l'arc-en-ciel, à savoir se désavouer la même journée en rappelant le caractère libéral et flamand du chef du gouvernement et surtout ne pas s'excuser et moins encore se démettre, comme notre condisciple, M. Jean-Marie Dedecker, quand on trompe un directeur de prison et un ministre de la Justice tout en abusant effrontément de ses pouvoirs.

De heer Guy Moens (SP.A). - Ik zal beginnen met enkele zachte kritische opmerkingen en vervolgens de 21 maatregelen in vogelvlucht overlopen.

Het moet ons toch allen opvallen dat dit een volkomen onwezenlijk debat is. Dat we dit debat beter niet hadden gehouden, lijkt wel een bewijs uit het ongerijmde. Ik verwijs naar de discussie in het Bureau die ertoe heeft geleid dat we dit debat vandaag toch houden, terwijl een aantal Bureauleden vonden dat het imago van de Senaat niet moest worden geschaad door een debat in de Kamer over identiek hetzelfde onderwerp, met hoogstwaarschijnlijk identiek dezelfde opmerkingen over te doen. Ik vraag de hier aanwezige Bureauleden dit in hun oren te knopen en daar in de toekomst rekening mee te houden.

Ik spreek mij niet uit over de Franstalige tekst, maar de Nederlandstalige tekst is zeer slecht. Niet alleen door het slordig taalgebruik, ook inhoudelijk is de tekst vaak onbegrijpelijk. Ik kan talloze voorbeelden geven van zinnen zonder betekenis. Mag ik de minister verzoeken om de eerste minister te vragen zijn Nederlandse teksten beter na te lezen en in elk geval zorgvuldiger te formuleren?

In deze nota wordt gedaan alsof er in dit land niet langer een communautaire problematiek is. Gisteren hebben we in het Paleis meegemaakt hoe de communautaire duivels uit de troonzaal werden gestampt. Ze zijn echter in de verkeerde richting gestampt en in het Parlement beland. Vooral bij de uitvoering van de 21 punten zullen we nog herhaaldelijk met de communautaire problematiek worden geconfronteerd. In sommige punten is die expliciet aanwezig, hoe zou het dan kunnen dat wij er niet meer mee zouden te maken krijgen?

In dit tweede gedeelte van mijn toespraak doorloop ik snel 21 punten. Als socialist, verheugt het mij natuurlijk de punten 1, 2, 3, 4 en 5 - en dat zijn toch zeker belangrijke punten, want ze staan bovenaan de nota - eigenlijk punten zijn van de socialistische fractie. Al wat er staat in verband met het Zilverfonds, de sociale solidariteit, de uitkeringen voor de laagste inkomens, de verhoging van het leefloon, de maatregelen voor chronisch en langdurig zieken zijn eisen die op een of andere manier door onze fracties werden geformuleerd.

Mevrouw Jeannine Leduc (VLD). - Dit is een prioriteitennota van de regering. De regering is samengesteld uit verschillende partijen. Dat zijn punten van ons allemaal.

Mijnheer Moens, u moet niet doen alsof alleen uw fractie het voor de minder gegoeden opneemt. Zo werkt dat niet en dat weet u heel goed.

De heer Guy Moens (SP.A). - U hebt gelijk, mevrouw Leduc. De meerderheid levert de auteurs van deze tekst. Maar wie zorgde voor de inspiratie?

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Dat is een zeer belangrijke precisering...

De heer Guy Moens (SP.A). - Voor de heer Vandenberghe komt de inspiratie van boven. Ze wordt ingeblazen door de Heilige Geest en in dit geval kwam die van links...

Mevrouw Leduc, bij de vijf punten die ik heb opgesomd, zit er ook eentje voor de zelfstandigen en u zult zeggen dat dit uw publiek is en dat u ervoor hebt gezorgd.

Mevrouw Jeannine Leduc (VLD). - Wij zijn er én voor de werknemers én voor de zelfstandigen.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Ziedaar de nieuwe verzuiling.

De heer Guy Moens (SP.A). - Ik maak er geen punt van dat u dat zegt, maar anderzijds moet u toegeven dat de heer Happart wetsvoorstellen heeft ingediend waarin hij het opneemt voor de belangen van de zelfstandigen. De heer Mahoux heeft erover gesproken en ook ons liggen de zelfstandigen na aan het hart. Alleen moeten de zelfstandigen weten dat als zij hogere uitkeringen en pensioenen en betere kinderbijslagen wensen, er misschien ook een en ander dient te worden gewijzigd aan de financiering van het systeem, zoals mevrouw Cantillon terecht heeft opgemerkt.

Het is algemeen geweten dat de zelfstandigen niet te klagen hebben over de overheidssubsidies. Er wordt per kop meer geld gegeven aan het systeem van de zelfstandigen dan aan dat van de werknemers.

Een tweede reeks maatregelen handelt over de tewerkstelling. Ik lees dat de activiteitsgraad bij de ouderen `moet' worden verbeterd. Er wordt daar een woord gebruikt dat mij altijd afschrikt. Ik zou zeggen dat er maatregelen moeten worden genomen om de tewerkstelling bij de ouderen aan te zwengelen of te verbeteren. Men krijgt in ons land vaak de tegenovergestelde reactie wanneer men mensen die, soms terecht, bepaalde denkwijzen aangenomen hebben in een keurslijf wil dwingen. Men zegt gemakkelijk dat de activiteitsgraad in België, vooral in de hogere leeftijdsklasse, te laag is vergeleken met de ons omringende landen. Ik ben er echter niet zo zeker van dat de statistieken altijd helemaal vergelijkbaar zijn. Vroeger deed de Nationale Bank een mooie oefening. Zij bepaalde de activiteitsgraad in België op basis van de verzekeringscontracten voor arbeidsongevallen. Dat is natuurlijk een zeer objectieve maatstaf. Er is geen enkele werkgever die niet probeert om zo weinig mogelijk te betalen wanneer hij een contract sluit. Bijgevolg beoordeelt hij zijn risico zo laag mogelijk. Dat risico wordt effectief aangegeven want hij moet immers elk uur en elke dag van elke werknemer verzekeren. Uit de vergelijking die vroeger gemaakt werd tussen de verzekeringen bij ons en elders bleek namelijk dat de activiteitsgraad in België niet aanzienlijk lager lag dan in de andere landen. Ik vraag meer aandacht voor de kwaliteit van de vergelijking. Het spreekt vanzelf dat de laaggeschoolden beter opgeleid moeten worden en dat de vrouwen meer kansen moeten krijgen tot deelname aan het economische circuit. Dat zijn nu precies domeinen waar de gemeenschappen en gewesten belangrijke taken hebben. Het kan niet dat men spreekt over de bevordering van de tewerkstelling van jonge vrouwen en dat men niets doet voor de opvang bij de onthaalmoeders of in de crèches. Door dergelijke maatregelen, waarvoor de federale regering niet bevoegd is, kan die doelstelling gerealiseerd worden.

De bedrijfsvriendelijke maatregelen hebben in de eerste plaats betrekking op de vennootschapsbelasting die hier al herhaaldelijk is aangehaald. Het is voor de SP.A van essentieel belang dat de verlaging van de tarieven in de vennootschapsbelasting een budgettair neutrale operatie is. Dat de minister van Financiën dit goed in zijn oren knoopt want wij zullen dit op de voet volgen. Wij juichen de rulings en een verlaagde belasting op de gereserveerde winsten toe omdat ze voor autofinanciering dienen, maar het moet een neutrale operatie blijven.

De regering vond het nodig om over de stock option-regeling te spreken. Hij mag het fiscaal regime daarvan aantrekkelijker maken, op voorwaarde natuurlijk dat de werknemer zijn belasting betaalt bij het begin of op het einde, nadat hij de optie gelicht heeft. Hij zal dat voortaan echter vooraf dienen vast te leggen. Dit wordt een "casino in de tweede macht" om de heer Verreycken te citeren. Een stock option is op zich al een gok en als de werknemer dan vooraf nog moet bepalen welk fiscaal systeem hij neemt, wordt er een tweede keer gegokt.

Denk daarover na. Er wordt verondersteld dat de midden- en hoge kaders meestal wel weten wat ze doen, maar die mensen moeten er op een of ander manier van verwittigd worden dat ze twee keren moeten gokken.

Ik heb geen probleem met de promotie van nieuwe technologieën door ze fiscaal te begunstigen. Als een werkgever zijn werknemer een computer schenkt die hij mee naar huis mag nemen, wordt die niet meer als een voordeel in natura beschouwd en wordt hij bijgevolg minder belast.

Wij passen tot nu toe deze opvatting uitsluitend toe wanneer het gaat over de terugbetaling van kosten die zijn gemaakt in het belang van het bedrijf. Iedereen is het ermee eens dat het loon gelijkgestelde componenten bevat, namelijk de voordelen in natura die de werknemer van de werkgever ontvangt. Dit principe wordt onder meer toegepast bij de betaling van opzegvergoedingen, de regeling van ontslag en de betaling van bijkomende premies. Ik begrijp niet hoe de terugbetaling van de kosten voor de aankoop van een privé computer door een werkgever, in de toekomst niet meer niet als een voordeel in natura wordt beschouwd.

We juichen het ethisch beleggen uiteraard toe. Het pensioenfonds van de Senaat, waarvan ik voorzitter ben, belegt zijn middelen in belangrijke mate hoofdzakelijk in ethische fondsen. De verdedigers van dit systeem beweren dat het rendement van de ethische fondsen beter is dan het rendement van andere fondsen. De vraag rijst dan ook waarom ethische beleggingen bijkomende fiscale voordelen behoeven.

Ten slotte zal de bestrijding van de fiscale fraude tot een aanzienlijke verhoging van de inkomsten leiden. De cijfers die de vakbond van het ministerie van Financiën heeft bekendgemaakt, zijn indrukwekkend. Het geciteerde bedrag van 800 miljard is niet realistisch, maar als we van dit bedrag alle betwiste zaken, faillissementen en achterstallige betalingen aftrekken, blijft er nog een gemakkelijk te innen bedrag van minstens 100 miljard frank over. Op voorwaarde dat de minister de juiste maatregelen neemt en met een minimum aan goede wil van de ambtenaren, moeten we op relatief korte termijn in staat zijn dit bedrag van 100 miljard te recupereren. De minister heeft verklaard dat de efficiënte inning van de belastingen niet meer ambtenaren, maar wel meer informaticamiddelen vergt. Wat ons interesseert is dat de opbrengst er komt.

De conclusie van dit alles is dat de prioriteiten die de regering heeft opgesomd, een goede basis vormen voor de resterende regeerperiode van anderhalf jaar. We zullen er nauwlettend op toezien wat er met deze lijst van 21 maatregelen gebeurt. Als we al deze punten in wetteksten moeten omzetten, zal de Senaat niet met vakantie kunnen gaan. Maar dat hebben we er wel voor over.

De heer Johan Malcorps (AGALEV). - Ik zal mij beperken tot de bespreking van het twintigste punt van de lijst. Als ik de logica van de heer Moens volg, is dit punt niet erg belangrijk. Het betreft ecologische fiscaliteit en de CO2-energietaks.

Tijdens het Belgische voorzitterschap werd een opmerkelijk succes geboekt in het raam van Marrakech en de discussie rond het Kyoto-protocol. Dank zij Europa en de inspanningen van minister Aelvoet en staatssecretaris Deleuze is het Kyoto-protocol ondanks de actieve tegenwerking van de Verenigde Staten overeind gebleven.

De vraag rijst nu of we zelf de daad bij het woord voegen en of we een geloofwaardig nationaal klimaatbeleid zullen voeren. Ik heb vorige week overigens een interessant gesprek gehad met mensen van de Amerikaanse ambassade en van het Amerikaanse milieubureau. Zij hebben gezegd dat ze een eigen binnenlands programma hebben en dat ze streven naar stabilisering van CO2 op korte termijn. Ze willen zich daarvoor geen buitenlandse dictaten laten opleggen. Het is echter wel mogelijk dat de Verenigde Staten op eigen krachten verder zullen geraken dan wat wij in Europa en in België zullen realiseren ondanks onze ronkende verklaringen. Dat betekent niet dat ik verdedig dat de Verenigde Staten zich totaal desolidariseren van de rest van de wereld, meer bepaald van de ontwikkelingslanden, en geen enkele verantwoordelijk opnemen ten opzichte van die landen.

Het is makkelijk gezegd dat we het Kyoto-protocol zullen uitvoeren. Op federaal en op gewestniveau moeten we evenwel de daad bij het woord voegen. Volgens de timing van het nationaal klimaatplan heeft op 26 februari een interministeriële conferentie over het leefmilieu plaats. Dan zou het plan misschien worden goedgekeurd. Ik heb anderhalf jaar geleden al gezegd dat het klimaatplan medio vorig jaar had moeten zijn goedgekeurd opdat we geloofwaardig zouden overkomen tijdens ons Europese voorzitterschap. Het is echter nog altijd niet goedgekeurd. Het Vlaamse klimaatplan zou pas in juni klaar zijn en het geheel zou pas eind 2002 operationeel zijn. Het samenwerkingskoord tussen de federale Staat en de drie Gewesten moet eveneens nog door Vlaanderen en Wallonië worden goedgekeurd. We staan dus nog niet zo ver dat de nationale klimaatcommissie kan beginnen te werken. Ik vraag mij dan ook af of we het wel menen met het nationale klimaatbeleid. Daarom blijf ik even stilstaan bij punt twintig van het eenentwintigpuntenprogramma. Ik vraag mij vooral af of we werk zullen maken van een groene fiscaliteit en van een CO2-energieheffing. Er is immers gebleken dat dit niet het eerste klimaatplan is dat wordt goedgekeurd op Belgisch of Vlaams niveau. Er waren vroeger al klimaatplannen, maar die hebben totaal geen resultaat gehad. De evaluatie achteraf was zeer duidelijk: zonder de invoering van een CO2-energieheffing kan onmogelijk de beoogde vermindering van de uitstoot van CO2 of van andere broeikasgassen worden bereikt. De doelstelling van het nationale en het Vlaamse klimaatplan is amper een stabilisering van de CO2-equivalente uitstoot tegen 2005. Er is dus nog geen sprake van 7,5% tegen 2010. Concreet betekent dat voor Vlaanderen een reductie met 10% ten opzichte van de uitstoot van 1999. Volgens het Vlaamse plan - en ik neem aan dat dit ook zo is voor het Waalse en het Brusselse - zou er via de toepassing van het `CO2 rationeel energiegebruiksbeleidsplan 1999' en via een benchmarking van de industrie een CO2-reductietekort van 7.212 kiloton zijn. Voor het federale niveau zou dat neerkomen op 14.000 kiloton. Er wordt dus zeer duidelijk gesteld dat federale maatregelen absoluut noodzakelijk zijn op het gebied van energie, transport, landbouw, huishoudens en fiscaliteit opdat de beoogde CO2-reductie inderdaad zou worden gestabiliseerd in 2005. Een CO2-energieheffing is dus geen vrijblijvende optie, maar een noodzakelijke keuze die moet worden gemaakt, samen met flexibele mechanismen. Daarnaast zijn trouwens nog andere flexibele maatregelen nodig, zoals emissiehandel, joint implementation, enzovoort.

Ik lees in het Nationaal klimaatplan dat de combinatie van bestaande en geplande maatregelen niet voldoende zullen zijn om de Kyoto-doelstelling van 7,5% te realiseren en dat men zeker beroep zal moeten doen op een aantal maatregelen, momenteel in concept- of studiefase. Daarbij blijkt op basis van de berekende prognose met fiscale en niet-fiscale maatregelen dat men nog steeds met een reductietekort wordt geconfronteerd, namelijk ongeveer 14,8 megaton CO2-equivalent van de te reduceren 34,3 megaton. Dit reductietekort zal men invullen door het toepassen van de flexibiliteitsmechanismen.

Ik stel dus vast dat, als we geen enorm gezichtsverlies willen leiden, we nu niet kunnen achterblijven. In het raam van het Belgische voorzitterschap hebben we immers zo goed gepresteerd dat we vanwege internationale instanties algemeen applaus kregen. We moeten nu dus de daad bij het woord voegen. In de tekst is er sprake van een versterkte samenwerking met Europese lidstaten die nu al voorstander zijn van een CO2-energietaks. Dat is erg zwak uitgedrukt, want zoals de heer Barbeaux zei, hebben een aantal landen al een soort van energietaks. Dat zou verder kunnen gestroomlijnd worden. We kunnen ons aligneren op de Scandinavische landen, op Nederland of op Duitsland. Daarmee worden geen draconische maatregelen gevraagd en dat zal de concurrentiekracht van onze bedrijven niet finaal fnuiken. We stemmen ons daarmee gewoon af op wat in de ons omringende landen al bezig is, dat is de enige politieke moed die van ons gevraagd wordt. Wat onder punt 20 aangegeven wordt, is totaal onvoldoende: het zal onderzocht worden of een dergelijke taks op Belgisch niveau wordt ingevoerd. Dat is in feite in tegenspraak met het regeerakkoord, waarin naar ik meen zeer duidelijk stond dat we tijdens het Belgische voorzitterschap eerst zouden proberen dit te realiseren op het Europese niveau en indien dat niet zou lukken we duidelijke stappen zouden zetten in de richting van de invoering van een CO2-energietaks in samenspraak met de ons onringende landen. Ik vind dus dat punt 20 veel duidelijker moet gesteld worden. Dit zou concreet gestalte kunnen krijgen door een serieuze discussie te voeren, bijvoorbeeld in het raam van de rondetafelconferentie over de sociale zekerheid, over een alternatieve financiering van de sociale zekerheid door de verlaging van de arbeidskost en de verhoging van de energiekost. Dat werd al door premier Dehaene gelanceerd. Toen werd evenwel de daad ook niet bij het woord gevoegd. Dat is nochtans de fundamentele sociale en ecologische discussie die we zouden moeten voeren. Er is ook aangetoond dat een dergelijke operatie positief zou zijn voor de werkgelegenheid. Helaas blijven we ook nu weer steken in een studie- of conceptfase en van de doelstellingen van het Kyoto-protocol die we uitbazuinen, onder meer door de stemming op dit ogenblik in het Vlaams Parlement, komt er niets in huis. Ik vind dat dit eigenlijk niet kan; dit is een paarsgroene regering onwaardig.

M. Didier Reynders, ministre des Finances. - Je voudrais réagir brièvement car, comme d'autres l'ont rappelé, le débat a eu lieu dans d'autres enceintes et différentes remarques y ont déjà été formulées.

J'ai entendu M. Barbeaux évoquer le devoir de ne pas gaspiller « l'héritage », comme si une sorte de réserve était disponible ! Le gouvernement a été constitué en pleine crise de la dioxine. Il a dû la prendre à bras-le-corps durant quelques mois. Nous en connaissons encore quelques conséquences aujourd'hui. En outre, en arrivant au ministère des Finances, j'ai découvert une dette très importante et un déficit qui existe toujours. Comme l'a rappelé M. Mahoux, les efforts de la population et des gouvernements qui se sont succédé depuis vingt ans ont permis une diminution de cet endettement et du déficit. Mais de là à laisser penser que notre gouvernement a d'emblée disposé de réserves ou d'un « héritage » ! En 1999, le budget était déjà en déficit et la dette était beaucoup plus élevée qu'aujourd'hui.

Par ailleurs, je remercie tous ceux qui ont insisté sur les résultats acquis durant la présidence belge de l'Union européenne, malgré les circonstances difficiles dues aux attentats tragiques du 11 septembre. Ces résultats concernent l'avenir de l'Europe - nous sommes en train de mettre en place la Convention issue de la déclaration de Laeken -, les matières sociales, le domaine environnemental ou l'introduction dans d'excellentes circonstances de notre nouvelle monnaie.

Certains ont parlé d'un retour du gouvernement à la politique nationale. Comme si, pendant des mois, elle n'avait pas été au centre de nos préoccupations ! Je ne prendrai qu'un exemple : celui de la Sabena. Nous avons non seulement mis en place un accompagnement social classique mais nous avons aussi tout fait pour maintenir des emplois et pour faire redémarrer, dans la mesure du possible, une activité aérienne. Nous assistons aujourd'hui à un redémarrage prudent, à une sauvegarde certes limitée des emplois présents dans le secteur et, surtout, à un volet économique. Face au ralentissement général de l'économie et à des dossiers comme celui que je viens d'évoquer, le gouvernement a souhaité rédiger une note de priorités économiques et sociales. En rappelant ce titre, je précise d'emblée que d'autres thèmes - la justice, la police, la sécurité routière, etc. - sont évoqués en début de note mais celle-ci porte sur les priorités socioéconomiques.

Eerst en vooral is de begroting in evenwicht en was er in 2000, voor de eerste keer in vijftig jaar, zelfs een begrotingsoverschot. Ook in 2001 was er een surplus en dat moet overeenkomstig het stabiliteitspact ook in 2002 het geval zijn. Tegelijkertijd moet ook de schuldratio dalen. We streven naar een schuldratio van 100% van het bruto binnenlands product in 2003. Dit betekent een vermindering van de schuldratio met 40% in 10 jaar tijd. In 1993 bedroeg de schuldratio immers nog 139%. De Europese Commissie beoordeelt onze begrotingssituatie als positief. Er bestaan grote verschillen in dit opzicht tussen de verschillende landen van de Unie: de Benelux, Oostenrijk, Finland en Zweden krijgen een positieve beoordeling. Dat is niet het geval voor een tweede reeks landen en de Europese Commissie waarschuwt Portugal en Duitsland zelfs voor een structureel probleem.

Op economisch vlak gaan we verder met de verlaging van de lasten op arbeid. In de personenbelasting gaat het niet om een belofte. De wet van 10 juli 2001 vermindert de bedrijfsvoorheffing vanaf 1 januari 2002. Voor de vennootschappen werden de sociale bijdragen verminderd: eerst in 2000, vervolgens in 2002 met 250 miljoen euro. Na een evaluatie is een derde verlaging niet uitgesloten. Voor de vennootschappen hebben de in voorbereiding zijnde maatregelen betrekking op tariefverlagingen en de invoering van ruling- en consolidatiesystemen. De regering moet daarover nog een beslissing nemen en steunt daarvoor op het studiewerk van een werkgroep. Ik beschik nu over een tekst en hoop in de komende weken een akkoord te bereiken over de vennootschapsbelasting. Er komen ook specifieke maatregelen voor de KMO's evenals compensatiemaatregelen.

M. Mahoux a parlé de la neutralité budgétaire. Il y aura bien entendu un certain nombre de corrections d'anomalies mais aussi le développement de la formule de ruling ainsi que l'entame de la consolidation fiscale des groupes d'entreprises.

J'en profite pour citer quelques mesures fiscales complémentaires aux mesures socioéconomiques comme des mesures particulières aux secteurs de la construction ou de l'horeca. M. Mahoux a parlé des grandes villes, il me semble évidemment possible de mêler deux objectifs : l'aide au secteur de la construction et celle accordée aux projets de rénovation dans des quartiers urbains. D'autres mesures fiscales touchent au domaine de l'emploi, sur lequel je reviendrai, notamment le renforcement du crédit d'impôt pour certaines activités de service. C'est une des priorités. Il y a encore des mesures touchant aux nouvelles technologies.

De werkgevers moeten een inspanning leveren om de nieuwe technologieën te verspreiden. Daarom is het logisch dat de aanschaf van een pc of een aansluiting op het internet bij de werknemer thuis die wordt betaald door de werkgever, niet als een voordeel in natura wordt beschouwd wanneer dit het bedrijf ten goede komt. Het gaat immers om een soort van vorming. De invoering van nieuwe technologieën in gezinnen en bedrijven moet worden versneld.

À côté de cela, il est envisagé un fonds en matière de nouvelles technologies qui fera en sorte que ceux qui ne peuvent recevoir ce type de soutien de leur entreprise trouvent d'autres accès aux nouvelles technologies. C'est cet équilibre qui me paraît assez raisonnable.

Quant aux fonds éthiques, la priorité est d'abord de réduire les charges sur le travail. Je l'ai dit à plusieurs reprises, je ne suis pas opposé à débattre de la diminution de la fiscalité sur le capital. Cependant, la priorité du gouvernement reste la réduction des charges sur le travail. On nous parle beaucoup de placement éthique ou d'investissement dans des entreprises favorisant le développement durable. Il faudra examiner quels incitants fiscaux peuvent être mis en place pour encourager ce type de placement, ce type d'investissement, mais en gardant à l'esprit qu'il s'agit de mesures fiscales touchant à des placements, donc à l'utilisation des capitaux. Nous tenterons de mettre au point des mécanismes en la matière.

M. Philippe Mahoux (PS). - À cet égard, il faut savoir qu'il est possible de favoriser les placements éthiques par d'autres biais que celui du précompte.

Il existe des placements qui ne sont à l'évidence pas éthiques. Certains ont même des effets désastreux sur certaines économies. Quand on parle de placements éthiques, on peut suivre deux pistes : favoriser les placements éthiques ou pénaliser les placements manifestement spéculatifs et destructeurs des économies. Il y a deux volets. Si on développe une approche éthique par rapport aux capitaux, plusieurs armes sont à notre disposition.

M. Didier Reynders, ministre des Finances. - J'en prends bonne note, mais la mission qui m'a été confiée est la mise en place d'incitants fiscaux pour certains types de placements ou d'investissements. Je vais voir ce que nous pouvons faire.

Je tenais cependant à préciser la position commune de la majorité : la première priorité va à la réduction des charges sur le travail même si on peut envisager l'une ou l'autre mesure pour certains types de placement de capitaux.

En ce qui concerne la taxe CO2, la position est inchangée depuis l'entrée en fonction de ce gouvernement.

Er kan hierover veel worden gezegd. Ten eerste moet op internationaal, en eerst en vooral op Europees vlak, een akkoord worden bereikt. Dit heb ik sinds mijn aantreden in juni 1999 in de ECOFIN-raad verdedigd. We streven naar een akkoord tussen de vijftien lidstaten, maar mocht dit niet mogelijk zijn, dan zijn we bereid een akkoord te sluiten met minder. De inspanningen die het Belgische Voorzitterschap heeft gedaan, moeten worden voortgezet.

Ten tweede moeten er op nationaal vlak verschillende studies worden gemaakt, zodat we niet alleen een beeld hebben van de impact van een energietaks op de vennootschappen en de ondernemingen, maar ook op de gezinnen en de personen met lage inkomens.

Vice-eerste minister Vande Lanotte, bevoegd voor maatschappelijke integratie en sociale economie, heeft een studie besteld over de repercussies van zo'n heffing op de gezinnen met een laag inkomen. Hetzelfde geldt voor de ondernemingen. Als het mogelijk is, moeten er dus maatregelen worden genomen op internationaal of Europees vlak, maar maatregelen in ons land zijn alleen mogelijk als ze aan twee voorwaarden voldoen: ze mogen niet concurrentieverstorend zijn en ze moeten worden gecompenseerd door een vermindering van de lasten op arbeid.

De heer Johan Malcorps (AGALEV). - Ik hoop dat de regering uitvoert wat in het regeerakkoord staat.

Niet voor het eerst wordt gepeild naar de gevolgen van een energieheffing voor de zwakkere gezinnen, de werkgelegenheid en de concurrentiekracht van onze bedrijven. Tijdens de onderhandelingen over het Sint-Michielsakkoord bijvoorbeeld, waaraan we als oppositie deelnamen, werd ook reeds over de invoering van een energietaks gediscussieerd. Toen werden ook studies besteld en zelfs het Federaal Planbureau werd ingeschakeld. De vragen die toen aan bod kwamen, werden trouwens grotendeels beantwoord.

Nu worden opnieuw twee studies besteld. De eerste met betrekking tot de sociale gevolgen, die tegen 31 december 2001 ingediend moest zijn, werd inmiddels aanbesteed. Daarnaast moest een lastenkohier worden opgesteld door het Federaal Planbureau voor een studie die moet nagaan of er in België een energieheffing kan worden ingevoerd die geen schade toebrengt aan de concurrentiekracht en de werkgelegenheid. Dit zou tegen 31 januari 2002 - morgen dus - aan de regering moeten worden voorgelegd. Wie dit zal doen, weet ik niet maar ik hoop dat het zal gebeuren.

Wanneer moeten die studies klaar zijn? Is er tijdens deze legislatuur nog ruimte om ze, indien ze gunstig zijn, ook uit te voeren? Anders dreigt het doemscenario dat ik daarnet heb geschetst, bewaarheid te worden.

De heer Didier Reynders, minister van Financiën. - Ik herhaal dat we dezelfde redenering blijven volgen: eerst en vooral op internationaal vlak iets doen en, als dit onmogelijk blijkt te zijn, op nationaal vlak, evenwel zonder negatieve gevolgen voor de ondernemingen en de gezinnen. Ik herhaal ook dat de Ministerraad beslist heeft een studie te laten uitvoeren in verband met de gevolgen voor de gezinnen.

En conclusion, je voudrais revenir sur trois autres éléments. Le premier est l'emploi. La note qui, comme je l'ai dit, est une note socioéconomique, traite bien entendu de la situation budgétaire et d'un certain nombre d'initiatives visant à soutenir la confiance des consommateurs et des investisseurs. Elle précise aussi des mesures déjà engrangées et mises en chantier ou sur le point de l'être pour soutenir la création d'emplois. C'est une priorité quand on parle de développement économique. Le but est d'aller vers cette création d'emplois et vers un renforcement de la solidarité sociale.

L'emploi découlera bien entendu de ce que je viens d'évoquer en termes d'équilibre budgétaire et de consolidation de la base économique, de réduction des charges sur le travail notamment. Il découlera aussi d'un certain nombre de plans précis que je ne rappellerai pas ici puisqu'ils sont tous repris dans la note. Ces plans concernent en particulier des publics cibles. Je pense aux jeunes et aux travailleurs plus âgés. Je pense aussi à la manière dont nous poursuivons la mise en oeuvre, parfois avec des incitants fiscaux, d'une politique encourageant l'égalité hommes/femmes sur le marché du travail. Il faut poursuivre l'examen et la mise en oeuvre de ces différents plans.

Il en va de même en matière de sécurité sociale, de renforcement du lien social. Je pense aux différentes orientations très précises annoncées dans l'organisation même de la sécurité sociale en fonction des résultats de la première table ronde. Dans ce qui nous paraît indispensable, il y a la revalorisation du statut social des indépendants à travers une deuxième discussion qui doit déboucher sur un plan concret à mettre en oeuvre, à travers des efforts de lutte contre la pauvreté - certains ont rappelé les augmentations des minima qui vont intervenir - mais bien entendu aussi à travers un débat difficile sur les soins de santé. Je rappelle que ces derniers constituent un des éléments de dépenses publiques ayant le plus progressé au cours des dernières années, on oublie souvent de le mentionner. C'est un des postes qui progressent le plus, mais de façon très logique, en raison du vieillissement de la population et du coût des techniques médicales utilisées.

Le dernier point que je voulais évoquer est celui de la modernisation de l'ensemble de l'appareil économique et de l'environnement qui est mis à la disposition des entreprises et de ceux qui y travaillent. Ce n'est pas seulement par la fiscalité ou la sécurité sociale que l'on peut avancer ; c'est parfois par le biais d'une modernisation de notre système.

Trois projets avaient été annoncés. L'un a été voté, c'est la loi sur la participation des travailleurs. Je crois qu'elle est très importante parce qu'elle complète des mécanismes qui ne touchaient que des cadres ou des dirigeants d'entreprises. Je pense au stock options. La loi permet maintenant d'aller beaucoup plus loin pour l'ensemble des travailleurs.

Deuxième type d'encadrement : le corporate governance. Le texte est en débat en commission à la Chambre. Il devrait permettre de donner une vision un peu plus moderne de nos entreprises.

Enfin, l'encouragement au deuxième pilier de pensions - sur lequel le gouvernement a marqué son accord ce matin - grâce à un certain nombre de dispositifs fiscaux qui vont être déposés au parlement en complément du premier projet portant sur le volet essentiellement social.

À mes yeux, avec le soutien de la majorité, le gouvernement, en présentant sa note, donne, pour l'année et demie qui nous sépare encore d'une échéance électorale, un ordre de marche qui repose sur des bases solides en matière d'emploi, de sécurité sociale et de réduction des charges. Cela doit nous permettre de continuer dans la même direction, dans le respect de l'équilibre budgétaire, en donnant un encouragement à tous les acteurs économiques qui veulent s'engager dans le retour de la croissance.

Sont également visés tous ceux qui ont besoin, à des titres divers, de la solidarité de la collectivité. Cette solidarité sera renforcée par des mécanismes précis touchant parfois l'ensemble du public, parfois des publics cibles, à travers les 21 priorités dont je n'aurai pas l'outrecuidance de dire qu'elles constituent 21 priorités pour le 21ème siècle ; elles représentent simplement 21 voies dans lesquelles le gouvernement et la majorité souhaitent encore s'engager dans les dix-sept mois qu'il nous reste à parcourir ensemble sous cette législature.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Of een debat nuttig en interessant is, hangt uiteraard in grote mate af van het onderwerp. Nu heeft de prioriteitennota van de regering een dergelijke lichtvoetigheid dat het inderdaad moeilijk is je er druk over te maken dan wel je er lovend over uit spreken.

Alleszins was het wel de moeite even te schetsen wat er allemaal is gebeurd voor de nota er kwam. We hebben dat daarstraks uit loutere barmhartigheid niet gedaan, maar nu wil ik toch herinneren aan wat er over deze regering allemaal is gezegd door de heer Di Rupo, die daarvoor ondertussen tot minister van Staat is gepromoveerd: "La coalition, c'est fini : c'est la cohabitation". Ik herinner ook aan de verklaringen van de heer Defeyt en aan de reacties van de eerste minister, die voor een paar uur in staking ging. Wij hebben het in de jaren '80 nog wel meegemaakt dat de socialisten, deel uitmakende van de regering, in staking gingen, maar een eerste minister die niet terug aan het werk wil vooraleer hij publieke verontschuldigingen heeft gekregen, dat was nooit gezien. De heer Defeyt diende naar Canossa te gaan, naar Wetstraat 16.

Pas nadat een dergelijke Wagneriaanse enscenering in verschillende bedrijven werd uitgewerkt, waar de ene diva na de andere de scène opkwam en weer afging, konden we naar de finale uitkijken, naar de opkomst van de commandeur zelf, die een prachtige slot zou brengen! En wat krijgen we? Een prioriteitennota, een lijst van prioritaire prioriteiten van studies, onderzoeken, voorwaarden... Ça manque de souffle. Dit heeft geen enkele bezieling. De uiteenzettingen van de meerderheidsfracties bewijzen het. De woordvoerders van hun partijen hebben zich al tot hun huidige en potentiële kiezers gericht. Na de bekendmaking van de prioriteitennota kwam de ene persconferentie na de andere.

Volgens de heer Ducarme, die voor zijn vrijmoedige en ongelooflijk vrijgevige uitspraken ondertussen ook al minister van Staat is geworden, hebben de liberalen tientallen punten in de nota hebben kunnen doen opnemen, de socialisten hebben een tiental punten en de groenen ook een paar. Als uitspraak kan dat tellen voor de concordantie binnen de meerderheid! We krijgen vandaag al de weerslag te zien: elke fractie kwam hier zijn punten opeisen, terwijl sommigen beweerden dat alle punten van iedereen waren. Men richtte zich al tot zijn kiezers. Men is wel tegen de verzuiling, maar ieder koos toch weer zijn doelgroep. De ene beweerde dat hij het belang van de zelfstandigen verdedigde, de andere betwist dat dan weer...

Natuurlijk zou ons debat interessanter zijn geweest, als de regering met echte politieke prioriteiten naar buiten was gekomen, anders gezegd, indien de regeringsverklaring was samengegaan met de begrotingscontrole. Die was trouwens al voor januari aangekondigd, maar is toen niet doorgegaan.

We hebben vanmiddag nog gelezen dat de Europese Commissie twee reprimandes heeft uitgedeeld, een aan Duitsland en een aan Portugal, omdat het begrotingsdeficit daar dit jaar de drie procent zou overstijgen. Er gingen ook twee waarschuwingen weg, een naar Frankrijk en een naar Italië. Het is goed dat België, dankzij de inspanningen van de bevolking, niet in dat rijtje voorkomt.

België staat voor wat de begroting betreft op de tiende plaats van de vijftien landen van de EU. Het is dus niet juist voortdurend te zeggen dat België op de eerste plaats staat. België heeft een belangrijk deficit. Het zou dus politiek eerlijker zijn indien de regering zou zeggen welke maatregelen ze in 2002 wil realiseren en wat de begrotingskost daarvan is. Ik was aanwezig vorig jaar bij een toespraak van minister Daems voor de Hoge Raad voor de Middenstand over zijn plan, dat enkele tientallen miljarden kost. Van dit plan is niets uitgevoerd. Zulke plannen kan iedereen maken. De geloofwaardigheid en de spankracht van het debat vergen een aantal voorafgaande voorwaarden. Die zijn niet aanwezig.

Het debat toont de opmars van de Calimero's aan: de regeringsverklaring is niet antipathiek, maar vrijblijvend. Nochtans zijn daadkracht en inlevingsvermogen nodig. De regeringsverklaring komt daar niet aan tegemoet. Hoe langer deze regering verder doet, hoe minder goed dat is voor het land.

M. Michel Barbeaux (PSC). - Tout d'abord, lorsque, monsieur le ministre, vous rapportez mes propos concernant l'héritage du passé, vous savez très bien que cet héritage ne constitue pas une réserve financière. Il s'agit d'une diminution drastique du déficit et d'un effet « boule de neige » inversé de la dette publique réalisés grâce aux efforts consentis par la population et courageusement décidés par les gouvernements précédents.

Par ailleurs, comme vous l'avez dit, monsieur le ministre, la note porte sur les priorités économiques et sociales, mais il est tout à fait légitime, sur le plan politique, de considérer que certaines priorités sont moins prioritaires, notamment la Justice. Une priorité se traduit aussi par l'évolution des moyens budgétaires qui y sont consacrés et là, manifestement, la Justice n'est pas une priorité de ce gouvernement.

Nous savons qu'un gouvernement arc-en-ciel doit faire des compromis mais chaque ministre doit les respecter. Il semble que le ministre des Finances ne soit pas très emballé par les revendications portées essentiellement par le parti socialiste et Écolo en ce qui concerne les placements éthiques ou la taxe CO2. Le débat qui a eu lieu tout à l'heure en séance publique le démontre.

Enfin, vous avez dit que le lien social est un élément important d'une société telle que la nôtre. Nous rappelons notre crainte d'un glissement permanent et progressif d'une société basée sur le principe de l'assurance solidaire, organisée par la sécurité sociale, vers un système d'assistance octroyée après enquête sur les ressources.

Comme l'a dit M. Vandenberghe, il s'agit de priorités relativement faibles. On ne voit pas très bien quelle politique volontariste le gouvernement actuel compte mener d'ici à la fin de la législature.

-La discussion est close.