2-244/22

2-244/22

Belgische Senaat

ZITTING 2000-2001

9 JULI 2001


Wetsvoorstel betreffende de euthanasie


VERSLAG

NAMENS DE VERENIGDE COMMISSIES VOOR DE JUSTITIE EN VOOR DE SOCIALE AANGELEGENHEDEN UITGEBRACHT DOOR DE DAMES LALOY EN VAN RIET


INHOUD


Inleiding

  1. Hoorzittingen met vertegenwoordigers van het Raadgevend Comitť voor de bio-ethiek
    1. Uiteenzetting van de heer E. Vermeersch, voorzitter van het Raadgevend Comitť voor de bio-ethiek
    2. Uiteenzetting van de heer Y. Englert, vice-voorzitter van het Raadgevend Comitť voor de bio-ethiek
    3. Uiteenzetting van de heer Van Orshoven, vice-voorzitter van het Raadgevend Comitť voor de bio-ethiek
    4. Uiteenzetting van de heer Cassiers, vice-voorzitter van het Raadgevend Comitť voor de bio-ethiek
    5. Gedachtewisseling
  2. Voorstellen die eerst aan de verenigde commissies voorgelegd werden
    1. Wetsvoorstel betreffende de problemen rond het levenseinde en de toestand van ongeneeslijk zieke patiŽnten (van de heer Philippe Mahoux en mevrouw Myriam Vanlerberghe); nr. 2-10/1
    2. Wetsvoorstel betreffende het verzoek om levensbeŽindiging (van de heer Philippe Monfils); nr. 2-22/1
    3. Wetsvoorstel strekkende tot de vergroting van het medebeslissingsrecht van de patiŽnt via de invoering van een behandelingsbeschikking (van de heer Frans Lozie en mevrouw Jacinta De Roeck); nr. 2-86/1
    4. Wetsvoorstel op de euthanasie (van mevrouw Jeannine Leduc c.s.); nr. 2-105/1 en 2
    5. Wetsvoorstel tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de geneeskunst, de verpleegkunde, de paramedische beroepen en de geneeskundige commissies (van mevrouw Clotilde Nyssens c.s.); nr. 2-151/1
    6. Wetsvoorstel houdende de bescherming van de rechten en de waardigheid van de mens bij het naderend levenseinde (van de heer Hugo Vandenberghe c.s.); nr. 2-160/1
    7. Voorstel van resolutie betreffende de uitwerking van een behoeftengestuurd palliatief plan (van mevrouw Iris Van Riet); nr. 2-106/1
  3. Drie nieuwe wetsvoorstellen die door zes senatoren ingediend werden
    1. Wetsvoorstel betreffende de euthanasie (van de heer Philippe Mahoux c.s.); nr. 2-244/1-9
    2. Wetsvoorstel houdende instelling van een federale evaluatiecommissie inzake de toepassing van de wet van ... betreffende de euthanasie (van mevrouw Jacinta De Roeck c.s.); nr. 2-245/1
    3. Wetsvoorstel betreffende de palliatieve zorg (van mevrouw Myriam Vanlerberghe c.s.); nr. 2-246/1
  4. Begin van de algemene bespreking
  5. Twee wetsvoorstellen betreffende de palliatieve zorg (nrs; 2-249/1 en 2-402/1)
  6. Hoorzittingen
  7. Hervatting van de algemene bespreking (na de hoorzittingen)
  8. Debat betreffende de palliatieve zorg
    1. Hoorzitting met de heer Manu Keirse, kabinetschef van de minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu en met de heer Rik Thijs, kabinetsadviseur van de minister van Sociale Zaken en Pensioenen
    2. Gedachtewisseling en vragen over de hoorzitting met de heren Keirse en Thijs
    3. Hoorzitting met mevrouw Magda Aelvoet, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu en met de heer Vandenbroucke, minister van Sociale Zaken en Pensioenen
  9. Artikelsgewijze bespreking van het wetsvoorstel betreffende de euthanasie (van de heer Philippe Mahoux c.s.); nr. 2-244/1

  10. INLEIDING

    De verenigde commissies voor de Justitie en de Sociale Aangelegenheden hebben 86 vergaderingen gewijd aan de bespreking van de problematiek van euthanasie en palliatieve zorg.

    De werkzaamheden zijn begonnen op 20 oktober 1999 en werden beŽindigd op 9 juli 2001.

    Aanvankelijk bogen de verenigde commissies zich over de volgende wetsvoorstellen :

    ≠ Wetsvoorstel betreffende de problemen rond het levenseinde en de toestand van ongeneeslijk zieke patiŽnten (van de heer Philippe Mahoux en mevrouw Myriam Vanlerberghe) (nr. 2-10/1);

    ≠ Wetsvoorstel betreffende het verzoek om levensbeŽindiging (van de heer Philippe Monfils) (nr. 2-22/1);

    ≠ Wetsvoorstel strekkende tot de vergroting van het medebeslissingsrecht van de patiŽnt via de invoering van een behandelingsbeschikking (van de heer Frans Lozie en mevrouw Jacinta De Roeck) (nr. 2-86/1).

    Naarmate andere wetsvoorstellen die betrekking hadden op deze problematiek werden ingediend, werden ze ook in de verenigde commissies behandeld :

    ≠ Wetsvoorstel op de euthanasie (van mevrouw Jeannine Leduc c.s.) (nr. 2-105/1);

    ≠ Voorstel van resolutie betreffende de uitwerking van een behoeftengestuurd palliatief plan (van mevrouw Iris Van Riet c.s.) (nr. 2-106/1);

    ≠ Wetsvoorstel tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de geneeskunst, de verpleegkunde, de paramedische beroepen en de geneeskundige commissies (van mevrouw Clotilde Nyssens c.s.) (nr. 2-151/1);

    ≠ Wetsvoorstel houdende de bescherming van de rechten en de waardigheid van de mens bij het naderend levenseinde (van de heer Hugo Vandenberghe c.s.) (nr. 2-160/1);

    ≠ Wetsvoorstel betreffende de euthanasie (van de heer Philippe Mahoux, mevrouw Jeannine Leduc, de heer Philippe Monfils en de dames Myriam Vanlerberghe, Marie Nagy en Jacinta De Roeck) (nr. 2-244/1);

    ≠ Wetsvoorstel houdende instelling van een federale evaluatiecommissie inzake de toepassing van de wet van ... betreffende de euthanasie (van mevrouw Jacinta De Roeck, de heer Philippe Monfils, mevrouw Myriam Vanlerberghe, mevrouw Marie Nagy, de heer Philippe Mahoux en mevrouw Jeannine Leduc) (nr. 2-245/1);

    ≠ Wetsvoorstel betreffende palliatieve zorg (van de dames Myriam Vanlerberghe, Marie Nagy, Jacinta De Roeck en Jeannine Leduc en de heren Philippe Mahoux en Philippe Monfils) (nr. 2-246/1);

    ≠ Wetsvoorstel strekkende om het recht op palliatieve zorg voor eenieder te garanderen en om het kader voor het verlenen van de palliatieve zorg vast te stellen (van mevrouw Clotilde Nyssens c.s.) (nr. 2-249/1);

    ≠ Wetsvoorstel strekkende om het recht op palliatieve zorg in te voeren en de palliatieve zorgverlening te verbeteren (van mevrouw Ingrid van Kessel c.s.) (nr. 2-402/1).


    Alvorens te beginnen met de behandeling van de verschillende ingediende wetsvoorstellen, hebben de verenigde commissies vier vertegenwoordigers van het Raadgevend Comitť voor bio-ethiek gehoord : de heren Vermeersch, Van Orshoven, Cassiers en Englert.

    Dit Comitť heeft immers twee adviezen inzake euthanasie uitgebracht.

    Het eerste advies (advies nr. 1) werd uitgebracht op 12 mei 1997 en betreft de wenselijkheid van een wettelijke regeling voor euthanasie. Er werd uitvoerig over gediscussieerd tijdens een debat over euthanasie dat in de Senaat op 9 en 10 december 1997 werd georganiseerd (1).

    Het tweede advies (advies nr. 9) werd uitgebracht op 22 februari 1999 en betreft het levensbeŽindigend handelen bij wilsonbekwamen.

    A. HOORZITTING MET VERTEGENWOORDIGERS VAN HET RAADGEVEND COMIT… VOOR BIO-ETHIEK

    I. Uiteenzetting door de heer E. Vermeersch, voorzitter van het Raadgevend Comitť voor bio-ethiek

    De heer Vermeersch merkt op dat het Raadgevend Comitť tot op heden twee adviezen in verband met euthanasie heeft uitgebracht. Hierin worden verschillende voorstellen naast elkaar geplaatst. De doelstelling bij het tot stand komen van de adviezen bestond er immers niet in tot een eenvormig standpunt te komen. Wel werd getracht de verschillende opinies die in dit verband leven, zo precies mogelijk te omschrijven.

    Advies nr. 1 betreffende de wenselijkheid van een wettelijke regeling voor euthanasie

    In dit advies worden vier voorstellen naast elkaar geplaatst :

    Het voorstel nr. 1 pleit voor een wetswijziging die de arts toelaat, op uitdrukkelijk verzoek van de patiŽnt, met inachtneming van een aantal voorwaarden, euthanasie toe te passen.

    Het voorstel nr. 2 staat vanuit ethisch oogpunt dicht bij het eerste voorstel, maar gaat ervan uit dat de strafwet ongewijzigd blijft. De arts die euthanasie uitvoert kan zich echter, onder dezelfde voorwaarden als in het eerste voorstel, beroepen op een noodtoestand om zijn handelen juridisch te verantwoorden. Het beleid van justitie moet hieraan worden aangepast. Dit voorstel staat het dichtst bij de ę procedure a posteriori Ľ, die momenteel in Nederland wordt toegepast.

    Het voorstel nr. 3, dat zeer veel belangstelling heeft gekregen in de commissie en in het Raadgevend Comitť, pleit voor een procedurele regeling a priori voor de belangrijkste medische beslissingen omtrent het levenseinde.

    De voorstanders van dit voorstel zijn van oordeel dat een hele reeks medische beslissingen rond het levenseinde, waaronder euthanasie, slechts kunnen worden genomen na ethisch overleg tussen de patiŽnt, de arts, een tweede arts die onder meer onderzoekt of de ziekte werkelijk ongeneeslijk is, de familie en het behandelend team.

    Daarnaast zou nog een derde persoon, niet-arts, aan het overleg moeten deelnemen die wordt aangewezen door het ethisch comitť van het betrokken ziekenhuis. Belangrijk hierbij is dat binnen het Raadgevend Comitť door niemand is voorgesteld dat in plaats van deze persoon, een commissie of het ethisch comitť zelf zou worden geraadpleegd.

    Ook in deze visie zijn het uiteindelijk de arts en de patiŽnt die de beslissing nemen of al dan niet tot euthanasie wordt overgegaan. Ook hier is nog een controle a posteriori om na te gaan of de opgelegde procedures correct werden nageleefd.

    Het vierde voorstel tenslotte pleit voor het behoud van het huidige verbod op euthanasie.

    Advies nr. 9 betreffende het levensbeŽindigend handelen bij wilsonbekwamen

    Ook wat het levensbeŽindigend handelen bij wilsonbekwamen betreft, werden binnen het Raadgevend Comitť verschillende voorstellen geformuleerd.

    Het eerste voorstel wordt gesteund door de leden die in het advies nr. 1 achter de voorstellen 1 en 2 stonden. Het voorstel pleit voor de mogelijkheid van levensbeŽindiging bij wilsonbekwamen, liefst via een wetswijziging. LevensbeŽindigend handelen is evenwel slechts mogelijk indien de arts

    ≠ in het bezit is van een voorafgaande wilsverklaring van de betrokken patiŽnt in deze zin, of

    ≠ de opinie van de door de patiŽnt aangeduide vertrouwenspersoon vernam, of

    ≠ in geval er geen wilsverklaring noch vertrouwenspersoon is, op de hoogte werd gebracht van de wensen die de wettelijke vertegenwoordigers van de patiŽnt te kennen hebben gegeven. Dit laatste is slechts mogelijk onder precieze voorwaarden en kan niet wanneer de patiŽnt wilsbekwaam geweest is.

    In al deze hypothesen dient de arts, bij de beoordeling van de situatie van de patiŽnt, ruim overleg te plegen, niet alleen met de vertrouwenspersoon of de wettelijke vertegenwoordigers maar ook met de nabestaanden en het verzorgend team.

    De uiteindelijke beslissing of al dan niet tot de handeling wordt overgegaan, ligt echter bij de betrokken arts, niet bij de nabestaanden of het verzorgend team.

    In het tweede voorstel wordt levensbeŽindiging bij wilsonbekwamen slechts aanvaardbaar geacht met inachtneming van een a priori procedure en alleen bij patiŽnten die in een voorafgaande wilsverklaring om een dergelijke levensbeŽindiging hebben gevraagd.

    Zowel in het eerste als in het tweede voorstel dient een a posteriori procedure te worden gerespecteerd.

    De voorstanders van het derde voorstel pleiten voor het behoud van het huidige verbod inzake levensbeŽindiging.

    Synthese van de adviezen nr. 1 en nr. 9

    In de volgende tabel worden de twee adviezen in elkaar geschoven.

    Eerste Advies :
    Euthanasie bij wilsbekwamen

    Premier avis :
    Euthanasie des personnes capables
    Tweede Advies :
    LevensbeŽindigend handelen
    bij wilsonbekwamen met
    voorafgaande wilsverklaring
    en/of vertrouwenspersoon

    DeuxiŤme avis :
    ArrÍt actif de la vie des
    personnes incapables
    avec directive anticipťe
    et/ou personne de confiance
    Tweede Advies :
    LevensbeŽindigend handelen
    bij wilsonbekwamen zonder
    voorafgaande wilsverklaring
    en zonder vertrouwenspersoon

    DeuxiŤme avis :
    ArrÍt actif de la vie
    des personnes incapables
    sans directive anticipťe,
    ni personne de confiance
    Standpunt A. ≠ Position A JA. ≠ OUI JA. ≠ OUI JA. ≠ OUI
    Beslissing van arts en patiŽnt (voorstel 1 en 2 van het eerste Advies). ≠ Dťcision du mťdecin et du patient (propositions 1 et 2 du premier Avis) Beslissing bij arts met eventueel vertrouwenpersoon (voorstel 1 van het tweede Advies). ≠ Dťcision du mťdecin et/ou de la personne de confiance ťventuelle (proposition 1 du deuxiŤme Avis) Op verzoek van wettelijke vertegenwoordigers (voorstel 1 van het tweede Advies). ≠ Sur demande des reprťsentants lťgaux (proposition 1 du deuxiŤme Avis)
    NEEN. ≠ NON
    Wanneer de patiŽnt wilsbekwaam is geweest (voorstel 1 van het tweede Advies). ≠ Quand la personne a ťtť capable (proposition 1 du deuxiŤme Avis)
    Standpunt B. ≠ Position B JA. ≠ OUI JA. ≠ OUI NEEN. ≠ NON
    Mits noodtoestand en procedure a priori (voorstel 3 van het eerste Advies). ≠ Moyennant ťtat de nťcessitť et procťdures a priori (proposition 3 du premier Avis) Mits noodtoestand en procedure a priori (voorstel 2 van het tweede Advies). ≠ Moyennant ťtat de nťcessitť et procťdures a priori (proposition 2 du deuxiŤme Avis) Voorstel 3 van het tweede Advies. ≠ Proposition 3 du deuxiŤme Avis)
    Standpunt C. ≠ Position C JA. ≠ OUI NEEN. ≠ NON NEEN. ≠ NON
    Mits noodtoestand en procedure a priori (voorstel 3 van het eerste Advies). ≠ Moyennant ťtat de nťcessitť et procťdures a priori (proposition 3 du premier Avis) Voorstel 3 van het tweede Advies. ≠ Proposition 3 du deuxiŤme Avis Voorstel 3 van het tweede Advies. ≠ Proposition 3 du deuxiŤme Avis)
    Standpunt D. ≠ Position D NEEN. ≠ NON NEEN. ≠ NON NEEN. ≠ NON
    Voorstel 4 van het eerste Advies. ≠ Proposition 4 du premier Avis Voorstel 3 van het tweede Advies. ≠ Proposition 3 du deuxiŤme Avis Voorstel 3 van het tweede Advies. ≠ Proposition 3 du deuxiŤme Avis

    Men stelt vast dat er over het geheel van de problematiek vier standpunten kunnen worden onderscheiden.

    Het standpunt A wordt onderschreven door de leden van het Raadgevend Comitť die de voorstellen nrs. 1 en 2 van het advies nr. 1 steunden. Volgens dit standpunt kan euthanasie bij wilsbekwamen zonder a priori procedure in overleg tussen de arts en de patiŽnt en liefst via een wetswijziging.

    LevensbeŽindigend handelen bij wilsonbekwamen is mogelijk indien deze handeling steunt op een voorafgaande wilsverklaring van de patiŽnt of indien deze een vertrouwenspersoon heeft aangesteld. De beslissing ligt bij de arts eventueel in overleg met de vertrouwenspersoon.

    LevensbeŽindiging op verzoek van een wettelijke vertegenwoordiger is onder bepaalde voorwaarden mogelijk, maar alleen indien de patiŽnt nooit handelingsbekwaam is geweest.

    In alle gevallen is het optreden van de arts gebonden aan een procedure a posteriori.

    Het standpunt B wordt ondersteund door diegenen die menen dat euthanasie slechts in uitzonderlijke omstandigheden, namelijk wanneer zich een noodtoestand voordoet, ethisch kan worden verantwoord (het derde voorstel van het advies nr. 1).

    LevensbeŽindiging bij wilsonbekwamen die vooraf geen wilsverklaring opstelden, kan in deze opvatting ethisch nooit worden verantwoord. Indien er wel een wilsverklaring is, kan in uitzonderlijke gevallen tot levensbeŽindiging worden overgegaan wanneer men het beginsel ę nood breekt wet Ľ kan doen gelden.

    In alle gevallen dient een a priori procedure te worden nageleefd.

    Het standpunt C wordt onderschreven door de voorstanders van het derde voorstel in het advies nr. 1, die vinden dat dit de uiterste grens is tot waar men kan gaan. In deze opvatting kan geen enkele vorm van levensbeŽindigend handelen bij wilsonbekwamen ethisch worden verantwoord.

    Het standpunt D wordt onderschreven door diegenen die het wettelijke verbod op euthanasie en levensbeŽindiging bij wilsonbekwamen onverkort wensen te handhaven.

    De heer Vermeersch wenst tot slot te onderstrepen dat het Raadgevend Comitť in zijn adviezen zeer strikte definities hanteert voor bijvoorbeeld de begrippen euthanasie, wilsonbekwamen, voorafgaande wilsverklaring, enz.

    Hij beklemtoont dat over deze terminologie binnen het Raadgevend Comitť volledige eensgezindheid bestaat. Hij wenst de leden van de commissies dan ook ten stelligste te adviseren zich bij de besprekingen en bij het uitwerken van wettelijke bepalingen aan deze begripsomschrijvingen te houden. Dit zou veel nutteloze discussies kunnen voorkomen.

    Op vraag van de verenigde commissies heeft de spreker de volgende samenvattende tabellen bezorgd :

    EUTHANASIE

    ADVIES 1

    Voorstel 1 : a posteriori-procedure na wetswijziging

    Voorstel 2 : a posteriori-procedure via ę noodtoestand Ľ en beleid van Justitie

    Voorstel 3 : a priori-procedure

    Voorstel 4 : euthanasie blijft totaal verboden

    LEVENSBEňINDIGING WILSONBEKWAMEN

    ADVIES 9

    Voorstel 1 : a posteriori-procedure na wetswijziging (of andere regeling)

    ≠ voorafgaande wilsverklaring en/of vertrouwenspersoon

    ≠ wettelijke vertegenwoordigers

    Voorstel 2 : a priori-procedure

    ≠ voorafgaande wilsverklaring

    Voorstel 3 : levensbeŽindiging verboden

    SYNTHESE

    ADVIES 1 EN 9

    Standpunt A : a posteriori-procedure na wetswijziging (of andere regeling)

    ≠ euthanasie

    ≠ levensbeŽindiging (voor wilsverklaring en/of vertrouwenspersoon of wettelijke vertegenwoordiging)

    Standpunt B : a priori-procedure ę noodtoestand Ľ

    ≠ euthanasie

    ≠ levensbeŽindiging (na voorafgaande wilsverklaring)

    Standpunt C : a priori-procedure ę noodtoestand Ľ

    ≠ alleen euthanasie

    Standpunt D : euthanasie en levensbeŽindiging wettelijk verboden

    PROCEDURES

    A priori : voorwaarden

    bij euthanasie :

    ≠ na verzoek van patiŽnt ethische beoordeling door arts, familie, verzorgend team en derde persoon (niet-arts) aangeduid door ethisch comitť

    ≠ de arts neemt de uiteindelijke beslissing

    ≠ maatschappelijke controle achteraf

    bij levensbeŽindiging van wilsonbekwamen :

    ≠ zelfde procedure, doch alleen bij voorafgaande wilsverklaring

    PROCEDURES

    A posteriori : voorwaarden

    bij euthanasie :

    ≠ ondraaglijk lijden

    ≠ duurzaam verzoek

    ≠ arts moet collega raadplegen

    ≠ verwanten en verzorgend team informeren

    bij levensbeŽindiging van wilsonbekwamen :

    ≠ mits voorafgaande wilsverklaring en/of vertrouwenspersoon

    ≠ indien de persoon nooit wilsbekwaam geweest is : op verzoek van wettelijke vertegenwoordigers en raadpleging van verzorgend team

    ≠ na het voldoen aan deze voorwaarden ligt de ultieme beslissing bij de arts

    De arts moet a posteriori in een voorgeschreven formulier de gegevens aan de gerechtelijke overheid overmaken

    II. Uiteenzetting van de heer Y. Englert, ondervoorzitter van het Raadgevend Comitť voor bio-ethiek

    De spreker dankt de commissies voor de uitnodiging aan het adres van het Raadgevend Comitť.

    Het getuigt van belangstelling voor het langdurige en intensieve werk dat het Comitť rond de problematiek van euthanasie heeft geleverd. Het zal de leden die, in welke positie dan ook, veel energie hebben gestoken in dit moeilijke dossier, beslist tevreden stemmen.

    De spreker wenst kort de toestand in Nederland toe te lichten, omdat die het debat ongetwijfeld in belangrijke mate beÔnvloedt, niet alleen in BelgiŽ maar over heel de wereld.

    De tolerantie ten aanzien van euthanasie, zoals die door de heer Vermeersch werd omschreven, is ontstaan in het begin van de jaren '70, naar aanleiding van een rechtsgeding tegen een arts die een einde had gemaakt aan het lijden van zijn moeder. Het proces, dat in 1973 werd gevoerd, is bekend onder de naam ę proces van Leeuwarden Ľ. Het heeft in Nederland een groot publiek debat over de problematiek rond euthanasie op gang gebracht.

    Tussen 1973 en het begin van de jaren '80 werden een aantal criteria ontwikkeld die voortbouwen op het begrip overmacht en een ingreep van de arts rechtvaardigen. We hebben het hier over een bewuste patiŽnt die geconfronteerd wordt met een ongeneeslijke ziekte en vraagt dat aan zijn lijden een einde zou worden gemaakt.

    Deze criteria zijn de volgende :

    ≠ het duurzaam en weloverwogen karakter van het verzoek van de patiŽnt (men moet zich dus hoeden voor de invloed van derden, voor depressies en voor situaties van tijdelijke aard);

    ≠ een ondraaglijk of als dusdanig ervaren lijden (het gaat zowel om fysieke pijn als om psychisch lijden);

    ≠ het voorhanden zijn van een tweede medisch advies;

    ≠ de toediening van de letale substantie door de arts zelf, met een verklaring a posteriori.

    Deze criteria werden door de Nederlandse arsenfederatie KNMG aanbevolen.

    Sedert 1980 wordt euthanasie in Nederland openlijk toegepast.

    In die omstandigheden heeft het ministerie van Justitie in het begin van de jaren '80 gevraagd dat alle verklaringen niet langer door de plaatselijke officieren van justitie zouden worden geŽvalueerd, maar dat ze aan het college van procureurs-generaal zouden worden gestuurd, dat beslist of al dan niet wordt vervolgd. Gedurende de jaren '80 werd er inderdaad niet vervolgd.

    In 1991 werd een akkoord bereikt tussen Justitie en de Artsenfederatie over een aangifteformulier voor gevallen van euthanasie. Tot dan toe was het onderzoek toevertrouwd aan de gemeentelijke wetsdokter die verslag uitbracht bij de officier van justitie.

    Sedert het akkoord van 1991 stelde men een aanhoudende stijging van het aantal meldingen vast : in het begin van de jaren '90 waren er slechts 30 of 40, terwijl er in 1995 ongeveer 1 500 meldingen waren. Volgens ramingen is dit iets meer dan de helft van de actieve daden die in Nederland per jaar worden gesteld.

    Een ander kenmerk van de situatie in Nederland is dat deze evolutie gepaard ging met een uiterst doorzichtige evaluatie. De minister van Justitie heeft het departement voor Volksgezondheid van de universiteit van Rotterdam om een studie verzocht. Die studie werd uitgevoerd in samenwerking met een team uit Amsterdam en werd gepubliceerd in de voornaamste internationale vaktijdschriften. Ze staat bekend onder de naam ę verslag-Van der Maas Ľ. Het is het enige land ter wereld waar dergelijke gegevens bestaan.

    Uit deze studie komen een aantal belangrijke elementen naar voren.

    In de eerste plaats is het verslag-Van der Maas vanuit epidemiologisch oogpunt uiterst nauwkeurig. Zesduizend willekeurig gekozen dossiers en honderden gevallen van euthanasie werden geanalyseerd. Representatieve groepen van Nederlandse artsen werden ondervraagd.

    Vervolgens werden de gegevens geŽxtrapoleerd naar de gehele Nederlandse bevolking.

    Het ministerie van Justitie had zich voorgenomen om geen enkele maatregel te nemen op basis van de gegevens van dit verslag.

    Wat typisch is voor de situatie in Nederland en nooit naar BelgiŽ kan worden geŽxtrapoleerd, is dat alleen de officier van justitie het initiatief kan nemen tot vervolging. Bijgevolg is er geen vervolging als daarover een akkoord bestaat onder de procureurs-generaal, zelfs als er geen legalisering is.

    Het verslag-Van der Maas toont aan dat een zeer groot aantal patiŽnten (ongeveer 40 % van de sterfgevallen) overlijdt na een beslissing van een arts met betrekking tot het levenseinde. Dit blijkt uit de volgende tabel.

    Geraamde incidentie van medische beslissingen met betrekking tot het levenseinde (% van het totaal aantal sterfgevallen)

    Beslissing tot niet-behandeling 17,5
    Verlichting van pijn en symptomen 17,5
    Euthanasie en andere interventies rond het levenseinde 2,9
    Euthanasie 1,8
    Hulp bij zelfdoding 0,3
    LevensbeŽindiging zonder uitdrukkelijk verzoek 0,8
    Totaal 38,0

    (Van der Maas et al., ę The Lancet Ľ, 338, 14 september 1991.)

    De andere helft van de sterfgevallen betreft een plots overlijden zonder interventie van een arts.

    De meeste interventies van de arts met betrekking tot het levenseinde, zijn beslissingen tot niet-behandeling (17,5 %) of tot toediening van belangrijke hoeveelheden pijnstillers (17,5 %) waarvan achteraf wordt beschouwd dat dit het ogenblik van het overlijden beÔnvloed heeft.

    De beide medische pratijken lijken algemeen aanvaard, in ieder geval binnen het Raadgevend Comitť voor bio-ethiek, en zijn normale praktijken voor de behandeling van patiŽnten waarvan het levenseinde nadert.

    In 2,9 % van de sterfgevallen wordt de dood veroorzaakt door een actieve ingreep van de arts met de bedoeling het moment van het overlijden te vervroegen.

    De meeste van die gevallen zijn gevallen van euthanasie in de strikte zin (1,8 %), in 0,3 % van de gevallen gaat het om hulp bij zelfdoding doordat de patiŽnt een preparaat inneemt dat op zijn verzoek door de arts werd toebereid. Ten slotte wordt in 0,8 % van de sterfgevallen het leven beŽindigd zonder uitdrukkelijk verzoek. In deze laatste groep bevinden zich een aantal personen die een voorafgaande verklaring hebben opgemaakt; maar in de Nederlandse context worden die gevallen onderscheiden van de gevallen van euthanasie.

    De reden waarom patiŽnten vragen dat hun leven zou worden beŽindigd, kunnen verschillen. Dit blijkt uit de volgende tabel.

    Door patiŽnten die om euthanasie of hulp bij zelfdoding vragen opgegeven redenen (meer dan ťťn reden per patiŽnt) (n = 187)

    Verlies van waardigheid 57 %
    Pijn 46 % Pijn als enige
    reden : 10 %
    Zinloze doodstrijd 46 %
    Afhankelijkheid van anderen 33 %
    Levensmoeheid 23 %

    (Van der Maas et al., ę The Lancet Ľ, 338, 14 september 1991.)

    De meest voorkomende reden is het verlies van waardigheid, dan komen pijn en zinloze doodstrijd als gelijkwaardige redenen en vervolgens afhankelijkheid en levensmoeheid.

    Slechts in 10 % van de 187 euthanasieverzoeken die door het rapport-Van der Maas werden geanalyseerd, kwam pijn als enige reden naar voren.

    Aangezien fysieke pijn in de meeste gevallen via medische technieken goed onder controle kan worden gehouden is het niet de voornaamste reden waarom mensen vragen dat hun leven zou worden beŽindigd.

    In Nederland zijn het hoofdzakelijk de huisartsen die, bij hun bezoek aan de patiŽnten thuis, geconfronteerd worden met de problematiek rond het naderend levenseinde; 62 % van de huisartsen heeft reeds euthanasie toegepast of heeft hulp geboden bij zelfdoding. Dit geldt ook voor ongeveer de helft van de geneesheren-specialisten. RVT-artsen daarentegen gaan in mindere mate over tot euthanasie (12 %). Dit blijkt uit de volgende tabel.

    Houding en praktijk van Nederlandse artsen in verband met euthanasie of hulp bij zelfdoding

    Euthanasie of hulp bij zelfdoding

    Euthanasie ou suicide assistť
    Huisarts
    (n = 152)

    Mťdecin
    gťnťraliste
    (n = 152)
    Specialist
    (n = 203)

    Mťdecin
    spťcialiste
    (n = 203)
    RVT-
    arts
    (n = 50)

    Mťdecin en
    maison de retraite
    (n = 50)
    Totaal
    (n = 405)

    Total
    (n = 405)
    Heeft ze reeds toegepast. ≠ L'a dťjŗ pratiquť un jour 62 % 44 % 12 % 54 %
    In de loop van de voorbije 24 maanden. ≠ Dans les 24 derniers mois 28 % 20 % 6 % 24 %
    Heeft ze nooit toegepast maar zou daar onder bepaalde voorwaarden toe bereid zijn. ≠ Ne l'a jamais pratiquť mais y serait disposť sous certaines conditions 28 % 40 % 60 % 34 %
    Zou zelf weigeren maar naar een collega verwijzen. ≠ Ne voudrait jamais mais rťfťrerait ŗ un confrŤre 6 % 9 % 26 % 8 %
    Zou zelf weigeren en niet doorverwijzen. ≠ Ne voudrait jamais ni ne rťfťrerait 3 % 8 % 2 % 4 %

    (Van der Maas et al., ę The Lancet Ľ, 338, 14 september 1991.)

    Het is duidelijk dat tot euthanasie wordt overgegaan wanneer men wordt geconfronteerd met uiterst slopende ziekten en niet omwille van economische overwegingen. Het aantal artsen dat zou weigeren om euthanasie toe te passen en niet naar een collega zou verwijzen is zeer beperkt (3 % van de uisartsen, 8 % van de specialisten en 2 % van de RVT-artsen). Bovendien zou het merendeel van de artsen die nog geen euthanasie hebben toegepast, bereid zijn om het te doen.

    Volgens het rapport-Van der Maas zijn artsen die al eens euthanasie hebben toegepast, eerder geneigd te zeggen dat ze terughoudender zouden zijn voor een tweede geval dan voor het eerste, omdat het een ervaring is die hen zeer zwaar valt. Dit kan de bevolking geruststellen.

    Uit de volgende tabel blijkt ook dat de neiging van artsen om op een verzoek om euthanasie in te gaan toeneemt naarmate hun praktijkervaring toeneemt, wellicht omdat ze beter vertrouwd raken met de situatie van ongeneeslijk zieken.

    Changes in Physicians' Opinions About Active Euthanasia in Relation to the Number of Years They Have Practiced Medicine

    Years of Medical
    Practice
    No. (%) of Physicians
    More
    Permissive
    More
    Restrictive
    No
    Change
    Total
    2-9 24 (14) 24 (17) 89 (69) 137 (100)
    10-19 49 (27) 25 (14) 117 (59) 191 (100)
    >= 20 27 (39) 6 (9) 40 (52) 73 (100)
    Total
    401 (100)
    100 (25) 55 (14) 246 (61)

    Percentages cannot be computed directly from absolute numbers in the sample (percentages are based on weighted data).

    Deze studie werd vijf jaar later volgens dezelfde methodologie opnieuw uitgevoerd, om de invloed te evalueren van het akkoord tussen de artsenfederatie KNMG en het ministerie van Justitie, dat aanleiding gaf tot het opstellen van een gemeenschappelijk document en tot een zekere institutionalisering van het gedoogbeleid dat in de vorige tien jaar bestond.

    Die tweede studie werd gepubliceerd in de zeer prestigieuze New England Journal of Medicine, een vaktijdschrift dat op zeer kritische wijze de methodologie onderzoekt. De volgende tabel geeft daarvan een beeld.

    Evolutie van de algemene kenmerken van de medische interventies rond het levenseinde in Nederland (1990-1995)

    1990* 1995**
    Aantal sterfgevallen ≠ Nombre de dťcŤs 128,786 (+ 5 %)
    Hebben aan hun arts de verzekering van bijstand gevraagd indien het lijden ondraaglijk wordt ≠ Ont demandť ŗ leur mťdecin l'assurance de leur assistance si les souffrances deviennent intenables 25,000 34,500 (+ 37 %)
    Uitdrukkelijk euthanasieverzoek ≠ Demande explicite d'euthanasie 8,900 9,700 (+ 9 %)
    Gevallen van euthanasie ≠ Euthanasies pratiquťes 2,300 (1,9 %) (2,3 %) (+ 0,4 %)
    Gevallen van hulp bij zelfdoding ≠ Suicides assistťs pratiquťs 400 (0,3 %) (0,4 %) (+ 0,1 %)
    LevensbeŽindiging zonder uitdrukkelijk verzoek ≠ Interruptions de vie non expli citement demandťes 1,000 (0,8 %) (0,7 %) (- 0,1 %)

    (Van der Maas et al.,
    * ę The Lancet Ľ, 338, 14 september 1991.
    ** ę New Engl. J. Med. Ľ, 335, 28 november 1996.)

    In de loop van die vijf jaar is er een lichte evolutie in de structuur van de Nederlandse sterftecijfers waar te nemen; er is een kleine toename van het aantal kankergevallen. Op basis van de cijfergegevens over het aantal gevallen van euthanasie, hulp bij zelfdoding en levensbeŽindiging zonder uitdrukkelijk verzoek, besluiten de onderzoekers dat er op het vlak van de medische interventies in die periode geen gevoelige wijziging is geweest.

    De toestand die wordt beschreven is niet zeer verschillend van de toestand in BelgiŽ : 128 000 sterfgevallen per jaar (tegen 120 000 in BelgiŽ), vergelijkbare bevolkingsstructuur en doodsoorzaken.

    De Nederlandse gegevens kunnen dus gemakkelijk worden doorgetrokken voor BelgiŽ.

    De studie vermeldt iets meer dan 2 000 gevallen van actieve euthanasie, 400 gevallen van hulp bij zelfdoding en 1 000 gevallen van levensbeŽindiging zonder uitdrukkelijk verzoek per jaar.

    Het gaat dus wel over een klein aantal sterfgevallen, maar dat wil niet zeggen dat men mag spreken over een zeer uitzonderlijke situatie, zoals sommigen doen.

    In Nederland heeft het gedoogbeleid de dialoog tussen artsen en patiŽnten gevoelig verbeterd. In 1990 vroegen 25 000 patiŽnten aan hun arts om verzekering van bijstand indien het lijden ondraaglijk zou worden. Vijf jaar later is dit aantal gestegen tot 34 500, wat een toename met 37 % betekent. Het aantal actieve interventies in die periode is evenwel niet beduidend toegenomen.

    Sedert de Van der Maas-rapporten van 1990 en 1995 is er in de Nederlandse procedure ook een wijziging doorgevoerd met het oog op een betere ę reporting Ľ of aangifte door de artsen van de gestelde daden van euthanasie. In het Van der Maas-rapport is er sprake van 2 700 gevallen, wat het dubbele is van het aantal gemelde gevallen.

    Daarom werden regionale commissies opgericht die de daden van euthanasie onderzoeken. De commissies bestaan uit drie deskundigen : een arts, een jurist en een ethicus.

    Volgens de huidige Nederlandse procedure meldt de arts de toepassing van euthanasie aan de wetsdokter. Deze maakt een verslag op dat hij samen met de aangifte van de arts naar de officier van justitie en naar de regionale commissie stuurt.

    De commissie onderzoekt de zaak en verleent advies aan de officier van justitie, die beslist of hij de arts al dan niet gerechtelijk zal vervolgen, en aan de regionale gezondheidsinspecteur, die een tuchtrechtelijke procedure binnen de orde kan opstarten. De regionale commissie zendt een kopie van haar advies naar de arts die eventueel opmerkingen kan formuleren en zich, indien nodig, kan verdedigen.

    De spreker deelt nog de volgende tabellen mee.

    Meldingen van gevallen van euthanasie of van hulp
    bij zelfdoding door verpleegsters op de
    intensive care-afdeling (USA) (n = 827)

    Omstandigheden

    Circonstances
    Aantal verpleegsters

    Nombre d'infirmiŤres
    Aantal gevallen

    Nombre de situations
    n (%) totaal

    total
    in het
    voorbije jaar

    au cours de la
    derniŤre annťe
    Totaal. ≠ Total 129 (15.6) 553 124
    Niet in een instelling (ziekenhuis of andere) ≠ en dehors d'une institution (hospitaliŤre ou autre) 5 ( 0.6) 4 0
    Op vraag van ≠ ņ la demande
    de patiŽnt ≠ du patient 40 ( 4.8) 133 19
    de omgeving ≠ de l'entourage 72 ( 8.7) 264 67
    een andere verpleegster ≠ d'une autre infirmiŤre 10 ( 1.2) 60 8
    de behandelende arts ≠ du mťdecin traitant 83 (10.0) 371 70
    een andere arts ≠ d'un autre mťdecin 25 ( 3.0) 146 30

    (Asch. D.A., ę New Engl. J. Med. Ľ, 334, 23 mei 1996.)

    Percentage van de artsen dat het principe
    van actieve euthanasie aanvaardt (meta-analyse)

    Jaren %
    1984 31
    1985 34
    1987 40
    1988 52
    1993 54

    (Kennis Y., Bull. Nat. Orde van artsen, 1994.)

    Physicians' Practice and Attitudes Regarding Active Euthanasia

    Variable No. (%) of Physicians
    More
    Permissive
    More
    Restrictive
    No Change Total
    Ever performed active euthanasia 40 (44) 29 (66) 106 (48) 175 (49)
    Never performed, but would be willing under certain circumstances 47 (47) 17 (20) 99 (38) 163 (38)
    Never performed and believe it not conceivable ever to do so 13 (9) 9 (14) 41 (14) 63 (13)
    Total 100 (100) 55 (100) 246 (100) 401 (100)

    Percentages cannot be computed directly from absolute numbers in the sample (percentages are based on weighted data).

    De heer Vermeersch voegt hieraan toe dat volgens de door de vorige spreker uiteengezette methode Van der Maas, zeer recent in Vlaanderen een uitgebreid onderzoek heeft plaatsgevonden in verband met de oorzaken van overlijden.

    De resultaten van dit onderzoek zijn nog niet bekendgemaakt. Wel zijn gegevens bekend van een pilootstudie die, voorafgaand aan het onderzoek, in Hasselt is uitgevoerd en die betrekking heeft op 269 sterfgevallen.

    Uit dit pilootonderzoek blijkt dat het procentuele aandeel van euthanasie, dat in het eerste Nederlandse onderzoek 1,7 %, en in het tweede Nederlandse onderzoek 2,4 % bedroeg, in Hasselt op 1,1 % lag.

    Hulp bij zelfdoding maakte in de beide Nederlandse onderzoeken 0,2 % van het totaal uit. In Hasselt bedroeg dit 0,7 %.

    Verrassender zijn echter de cijfers in verband met de levensbeŽindiging op initiatief van de arts, zonder verzoek van de patiŽnt. In het eerste Nederlandse onderzoek maakte deze vorm van levensbeŽindiging 0,8 % uit. In Hasselt was dit echter niet minder dan 3 %. Dit betekent dat in Hasselt het aantal levensbeŽindigingen door de arts, zonder dat de patiŽnt hierom heeft gevraagd, vier keer meer voorkomt dan in Nederland, waar een euthanasieregeling van kracht is.

    Wanneer men deze cijfers extrapoleert, betekent dit dat in Vlaanderen jaarlijks ongeveer 700 gevallen van euthanasie of hulp bij zelfdoding voorkomen. Hier tegenover staan echter 1 800 gevallen van levensbeŽindiging zonder dat er verzoek van de patiŽnt is geweest.

    In sommige van de wetsvoorstellen staat dat er geen cijfers inzake levensbeŽindiging bekend zijn. Zodra de resultaten van het voormelde onderzoek worden vrijgegeven, zal men wel over wetenschappelijke gegevens kunnen beschikken. Indien die in de lijn liggen van het Hasseltse pilootproject ≠ en er is geen reden om te vermoeden dat dit niet zo is ≠ dan zal de wetgever ze onmogelijk kunnen negeren.

    III. Uiteenzetting door de heer Van Orshoven, ondervoorzitter van het Raadgevend Comitť voor bio-ethiek

    De heer Van Orshoven vat de vier voorstellen die in het advies nr. 1 naast elkaar worden gezet, kort samen :

    ≠ een wijziging van de strafwet die euthanasie de facto hetzelfde statuut zou geven als andere medische handelingen;

    ≠ het onder bepaalde voorwaarden toelaten van euthanasie zonder wijziging van de strafwet, waarbij de beslissing wordt genomen door de arts, op verzoek van de patiŽnt, maar met in achtname van een procedure a posteriori die het mogelijk maakt na te gaan of er sprake is van een noodtoestand;

    ≠ het onder bepaalde voorwaarden toelaten van euthanasie zonder wijziging van de strafwet, maar met instelling van een procedure a priori, waarbij de behandelende arts ten minste eerst een andere arts en een derde persoon, niet-arts, raadpleegt en waarbij vooraf een rapport wordt opgesteld dat a posteriori controle mogelijk moet maken;

    ≠ het onverkort handhaven van het verbod op euthanasie.

    Wat het levensbeŽindigend handelen bij wilsonbekwamen betreft, wil hij kort zijn. Door anderen laten beslissen dat iemands leven niets meer waard is en hem of haar dan doden, overtreft voor hem de stoutste verbeelding en is volstrekt in tegenstrijd met de rechten van de mens. Dit geldt even goed voor het zogenaamde ę levenstestament Ľ. Hoe kan iemand immers op voorhand voorzien in welke omstandigheden hij zich zal bevinden of wat hij zou kunnen wensen op het ogenblik van zijn stervensuur. De toelichting bij het wetsvoorstel van de heer Monfils is wat dit betreft voldoende duidelijk.

    Persoonlijk behoort hij ook tot diegenen die ook euthanasie in de eigenlijke betekenis van het woord afwijzen. Zijns inziens gaat het niet op in deze aangelegenheid het absolute zelfbeschikkingsrecht of de autonomie van het individu in te roepen. Niemand leeft of sterft uitsluitend voor zichzelf.

    Het argument van het ę recht op waardig sterven Ľ kan hem evenmin overtuigen. Ook een persoon die oud, zwak of ziek is, behoudt zijn menselijke waardigheid, evenzeer overigens als een verminkte, gehandicapte of demente patiŽnt.

    Vaak wordt in dit verband verwezen naar het onnoemelijke of ondraaglijke lijden. Het betreft hier echter, zeker met de huidige medische technieken, slechts een zeer miniem aandeel van de patiŽnten. Wat dit betreft, spreekt hij vanuit zijn ervaring als arts die honderden patiŽnten in hun stervensproces begeleid heeft.

    De heer Van Orshoven is echter, ondanks het voorgaande, van oordeel dat een regeling inzake euthanasie aanvaardbaar is. Een dergelijke regeling moet evenwel de absolute garantie bieden dat euthanasie alleen wordt toegepast op patiŽnten die dit werkelijk wensen. Zij moet bovendien paal en perk stellen aan een inderdaad verbreide praktijk, waarbij een einde wordt gemaakt aan het leven van patiŽnten die hier niet om gevraagd hebben.

    Om deze doelstellingen te bereiken, zal een regeling zijns inziens minstens aan drie voorwaarden moeten voldoen :

    ≠ De verplichting opgelegd aan de behandelende arts om een andere arts te raadplegen. Deze laatste mag niet om het even wie zijn, maar zou bijvoorbeeld moeten worden gekozen uit een groep van een tiental geneesheren die hiertoe speciaal zijn gemachtigd. Deze arts moet mee oordelen of de objectieve voorwaarden voor het voltrekken van euthanasie vervuld zijn, namelijk het ongeneeslijke en terminale karakter van de aandoening en het ondraaglijke karakter van de pijn en het lijden van de patiŽnt.

    ≠ Het verplicht raadplegen van een derde persoon niet-arts. Dit kan een ethicus, een psycholoog, een jurist, etc. zijn, eveneens gekozen uit een vooraf bepaalde groep. Deze persoon moet onder meer oordelen of de patiŽnt alle informatie en inlichtingen heeft ontvangen waar bij recht op heeft en over de uitdrukkelijke wil om zijn leven te laten beŽindigen. Voorts moet hij erover waken dat alle andere personen die de patiŽnt wenst te raadplegen, ook geraadpleegd worden.

    Zoals de heer Vermeersch reeds opmerkte, betreft het hier de raadpleging van individuele personen en niet van een ethisch comitť of van een andere commissie. Bovendien gaat het hier om een raadpleging. De uiteindelijke beslissing om op het verzoek van de patiŽnt in te gaan, ligt bij de behandelende arts.

    ≠ Er moet een voldoende controle a posteriori ingebouwd worden, uitgevoerd door aangestelden van de rechterlijke macht. Deze controle wordt best aan een collectief orgaan toevertrouwd. Dit onderzoekt niet alleen de overlijdens die officieel het gevolg zijn van euthanasie, maar screent ook andere overlijdens op hun oorzaken.

    De heer Van Orshoven is van oordeel dat slechts indien aan deze zorgvuldigheidseisen voldaan is, voldoende bescherming kan worden gegarandeerd aan mensen die niet willen dat hun leven voortijdig afgebroken wordt, aan de patiŽnten die wel van hun zogenaamd ę zelfbeschikkingsrecht Ľ gebruik willen maken en aan de artsen die uit echte betrokkenheid bij het wel en wee van hun patiŽnten, bereid zijn tot euthanasie over te gaan. Ook aan hen moet de wetgever de nodige rechtszekerheid bieden.

    IV. Uiteenzetting door de heer Cassiers, vice-voorzitter van het Raadgevend Comitť voor bio-ethiek

    Voorafgaande vraag

    De voorzitter verwijst naar het verslag van het debat dat in de Senaat werd gevoerd op 9 en 10 december 1997.

    Bij die gelegenheid gaf de heer Cassiers de volgende definitie van euthanasie : ę opzettelijk levensbeŽindigend handelen door een andere dan de betrokkene, op diens verzoek Ľ. Wordt deze definitie door de vier aanwezige leden van het Raadgevend Comitť aanvaard ?

    De heer Vermeersch antwoordt dat die definitie door het gehele Comitť wordt aanvaard.


    De heer Cassiers wenst er de aandacht op te vestigen dat dit een moeilijk punt is; waardoor de meningsverschillen die in het advies van het Comitť naar voren komen, niet zo scherp afgetekend zijn als dat op het eerste gezicht lijkt. Het betreft immers een probleem waar niemand echt uitgeraakt omdat er veel argumenten pro, maar ook veel argumenten contra zijn.

    De spreker illustreert dit aan de hand van verchillende punten in het verslag, waaraan niet voldoende aandacht wordt besteed. Nochtans gaat het om essentiŽle elementen voor het debat dat in het Parlement moet worden gevoerd.

    In de eerste plaats is er het begrip ę uitzichtloze ziekte Ľ of ę uitzichtloze toestand Ľ. Dit kan op twee manieren worden opgevat.

    Voor sommigen gaat het om een terminaal proces, waarbij de dood in ieder geval binnen enkele dagen, weken of hoogstens enkele maanden, zal intreden. Het gaat dan bijvoorbeeld over kankers die zozeer zijn uitgezaaid, dat dit spoedig tot de dood zal leiden. Een verzoek om euthanasie kan volgens hen slechts worden aanvaard als het uitgaat van een patiŽnt die zich in dergelijke omstandigheden bevindt, of die een voorafgaande verklaring heeft geformuleerd.

    Volgens anderen wordt een ziekte beoogd die op zich niet tot de dood leidt, maar die de patiŽnt als ondraaglijk ervaart. Het zou kunnen gaan om een jongere die bij een ongeluk zijn ruggengraat heeft gebroken en volledig verlamd is.

    Het kan ook gaan om een ziekte die niet onmiddellijk de dood tot gevolg heeft, zoals beginnende seniele dementie of multiple sclerose.

    Dit leidt tot twee zeer uiteenlopende benaderingen : in de eerste opvatting gaat het erom de nakende dood te versnellen; in de tweede gaat het om actieve hulp bij zelfdoding.

    Fundamenteel in beide situaties is de conceptie van de menselijke waardigheid.

    Dit lezen we tussen de regels door in de voorstellen van de leden van het Ethisch Comitť.

    Voor sommigen kan alleen de zieke oordelen wanneer zijn bestaan niet langer menswaardig is, voor anderen is menselijke waardigheid iets wat men van anderen krijgt.

    In deze laatste opvatting stelt een patiŽnt, die het gevoel heeft dat hij zijn waardigheid heeft verloren, veeleer de vraag hoe het komt dat men hem geen waardigheid heeft verleend, dan wel of hij ze op min of meer objectieve wijze heeft verloren omdat hij aan een bepaalde ziekte lijdt.

    Deze twee opvattingen sluiten elkaar niet uit, maar leggen de klemtoon op een verschillend aspect.

    Ze zijn belangrijk omdat ze bepalend zijn voor vele keuzes die in deze materie worden gemaakt.

    Als men van mening is dat het vooral de patiŽnt is die moet oordelen of zijn leven nog menswaardig is, zal men meer belang hechten aan het vertrouwelijk gesprek tussen arts en patiŽnt.

    Voorstanders van de tweede benaderingswijze zullen veeleer geneigd zijn om de omgeving en het verplegend team in het overleg te betrekken.

    Op langere termijn zullen zij die vooral oog hebben voor de mening van de patiŽnt en een individualistische benadering voorstaan, geneigd zijn de eigenschappen te beklemtonen die leiden tot vrije wilsbeschikking, zoals luciditeit en andere.

    Zij die oordelen dat menselijke waardigheid wordt verleend, vrezen dat als deze zienswijze niet strikt wordt gevolgd, er een gevaar is dat het leven van onder meer mentaal gehandicapten of mensen die leiden aan seniele dementie, als mensonwaardig wordt beschouwd.

    Een andere vraag betreft de eventuele wijziging van het Strafwetboek. Een bepaalde strekking is er zeer aan gehecht dat elke samenleving absoluut als beginsel moet vooropstellen dat niemand het recht heeft om een einde te maken aan het leven van een ander.

    Een minderheid neemt dit standpunt in om religieuze redenen, maar anderen zijn van mening dat dit beginsel essentieel is om verbondenheid en veiligheid in de maatschappij te waarborgen, in het bijzonder ten aanzien van de zwaksten en meest kwetsbaren (cf. een recent artikel van de heer Roger Lallemand, die, ofschoon hij vindt dat uitzonderingen mogelijk moeten zijn, heel erg de nadruk legt op het belang van het argument dat om symbolische redenen niet aan de strafwet mag worden geraakt, omdat het een garantie betreft die voor iedereen moet gelden).

    Anderen beklemtonen meer de medische context. Zij oordelen dat deze daden moeten worden beschouwd als behorend tot het geheel van de medische praktijk, gelet op de essentiŽle rol die artsen hoe dan ook spelen in het leven en de dood van mensen.

    Daarom zijn de voorstanders van de derde optie in het advies van mening dat het Strafwetboek niet moet worden gewijzigd. Het concept van de noodtoestand volstaat om dit probleem te regelen.

    Voorstanders van de eerste en de tweede optie van het advies, vinden evenwel dat een wijziging van de strafwet noodzakelijk is om de rechtszekerheid van de artsen in deze te waarborgen.


    V. Gedachtewisseling

    Een lid dankt de leden van het bureau van het Raadgevend Comitť voor bio-ethiek voor hun uiteenzettingen en feliciteert hen voor de nuances die ze hebben aangebracht.

    Het gaat hier om een ernstig probleem en elke mogelijke vergissing in welke richting ook moet worden uitgesloten omdat het per definitie om situaties gaat die eenmalig zijn en het eventuele slachtoffer zich niet meer kan verdedigen.

    De spreker zegt dat hij getroffen is door de informatie die de heer Vermeersch heeft verstrekt. Het zou interessant zijn om het artikel van de New England Journal of Medicine te analyseren.

    Als men het bruto-cijfer van 3 % neemt dat daarin wordt gegeven, kan men ervan uitgaan dat de patiŽnt op dit ogenblik de patiŽnt niet wordt beschermd tegen opgedrongen beslissingen. Dat is misschien een bijkomende reden voor een wetswijziging.

    De spreker wenst hierover de mening van het Raadgevend Comitť voor bio-ethiek te horen.

    Een tweede overweging spruit voort uit de uiteenzetting van de heer Cassiers. Volgens de Nederlandse statistieken die de heer Englert heeft aangehaald, is de meest voorkomende motivering van mensen die om euthanasie verzoeken het verlies van waardigheid.

    Alleen de patiŽnt zelf kan evenwel dit gevoel inschatten en men moet zeer terughoudend zijn tegenover de overwegingen van de omgeving nopens de evaluatie van die aftakeling.

    Het is de patiŽnt die dit gevoel ervaart, die het uitdrukt en die er moet mee leven. Hij alleen kan het juist evalueren en de resterende tijd en de mogelijkheden tot communicatie naar waarde schatten. De patiŽnt kiest ook zijn gesprekspartner.

    Hoe kan men dan verantwoorden, los van de wijze waarop de formulering van het verzoek wordt onderzocht en van de raadpleging van een arts, dat derden die niet door de patiŽnt zijn aangewezen, een oordeel uitspreken over het gevoel dat hij heeft over zijn toestand ?

    Een volgende vraag betreft het begrip ę noodsituatie Ľ. Men spreekt vaak van de fysieke pijn. Het blijkt dat als de fysieke pijn goed onder controle wordt gehouden, het aantal gevallen waar de patiŽnt om reden van fysieke pijn om euthanasie verzoekt, wellicht zal afnemen.

    Maar wat met de patiŽnt die psychisch lijdt en dat, voor zover het nog mogelijk is, te kennen geeft ?

    Het gaat hier om een patiŽnt in de stervensfase, maar het is ook bekend dat mensen die zelf niet lijden aan bijvoorbeeld een geestesziekte, moeilijk kunnen inschatten hoezeer psychiatrische zieken kunnen lijden.

    Fysieke pijn kan misschien nog enigszins worden gemeten, maar men zou zelf geestesziek moeten zijn om een idee te hebben hoe zwaar psychisch leed kan wegen.

    Hoe geraakt men eruit dat alleen de patiŽnt zelf zijn verzoek kan formuleren tegenover iemand die hij zelf aanwijst en die dan in zijn plaats zal optreden ?

    Ten slotte stelt de spreker nog een vraag over het tweede advies van het Raadgevend Comitť voor bio-ethiek dat gaat over personen die niet meer in staat zijn om hun wil kenbaar te maken.

    Het lijkt verantwoord om enig voorbehoud te maken bij wat het ę levenstestament Ľ werd genoemd en waarvoor wellicht een betere en preciezere benaming kan worden gevonden.

    Het is juist dat dergelijke verklaringen worden opgemaakt door mensen die in goede gezondheid verkeren en misschien niet in staat zijn om zich in te leven in een gevoelen van aftakeling, om het relatieve karakter van de resterende tijd te evalueren, vooral als die beperkt is, of om de mogelijkheden tot communicatie van een patiŽnt op het einde van zijn leven naar waarde te schatten.

    Vinden de leden van het Raadgevend Comitť voor bio-ethiek dat, wegens dit voorbehoud, men het recht heeft vlug de geldigheid van een dergelijke verklaring af te wijzen, als men weet dat ze door bewuste mensen die over al hun intellectuele vermogens beschikken werd opgesteld, precies omdat ze vrezen dat wanneer het feit zich voordoet, ze hun gevoelens over hun aftakeling niet langer zelf zullen kunnen uitdrukken ?

    Een ander lid merkt op dat de heren Vermeersch en Cassiers het belang van de terminologie hebben benadrukt. De spreker zou graag beschikken over een glossarium van de meest essentiŽle definities die noodzakelijk zijn voor een goed verloop van de debatten.

    De heer Vermeersch antwoordt dat die definities in de adviezen zijn opgenomen, maar dat hij bereid is om ze gemakshalve te groeperen.

    Een lid begrijpt dat het voor de helderheid van het debat, zowel onder wetenschappers als onder politici, noodzakelijk is dat duidelijke en eenvormige definities worden gehanteerd. Daar tegenover staat echter, zeker in een materie zoals deze, de wijze waarop bepaalde termen worden aangevoeld. Het is voor politici niet voldoende dat zij onder elkaar over een dergelijke materie praten, zij moeten ook hun standpunten en oplossingen kunnen vertalen voor het grote publiek.

    Vanuit dit oogpunt is de algemene term ę euthanasie Ľ, hoe precies omschreven ook, zeer beperkt en kan het begrip, naargelang van het persoonlijk aanvoelen, op een andere wijze worden ervaren. Velen verstaan onder het begrip euthanasie, alle vormen van handelen of niet-handelen die het heengaan van de patiŽnt kunnen verzachten. Ook in internationaal verband wordt dit begrip op een zeer genuanceerde wijze benaderd en spreekt men bijvoorbeeld van indirecte euthanasie ≠ als gevolg van pijnstilling ≠ of passieve euthanasie ≠ het stopzetten van de behandeling. De Raad van Europa maakt in een recente aanbeveling een onderscheid tussen handelingen die de dood tot gevolg hebben en handelingen die de dood als doel hebben.

    Spreekster merkt vervolgens op dat de sprekers uitgebreid informatie hebben verstrekt over de situatie in Nederland. Men mag hierbij toch niet uit het oog verliezen dat dit land nog steeds een uitzondering vormt op wereldvlak. In tal van andere landen zoals Denemarken, Duitsland, Groot-BrittanniŽ, AustraliŽ, de Verenigde Staten en Zwitserland, is het debat wel gevoerd, maar met uitzondering van ťťn staat in de VS is men overal tot de conclusie gekomen dat het verbod op het doden van mensen gehandhaafd moet blijven. Centraal daarbij staan vrijwel steeds overwegingen inzake mensenrechten en rechtsbescherming.

    Tekenend in dit verband is de Nederlandse brochure die tijdens deze vergadering werd rondgedeeld. Het betreft hier geen publicatie ter informatie van de rechtsonderhorige afkomstig van de diensten, verantwoordelijk voor volksgezondheid. Wel gaat het om een document van het ministerie van Buitenlandse Zaken, dat blijkbaar de nood gevoeld heeft de Nederlandse euthanasieregeling tegenover de rest van de wereld te verantwoorden.

    Kan er voor de unieke situatie waarin Nederland zich bevindt een objectieve verklaring worden gegeven ? Is dit het gevolg van een specifieke mentaliteit, van verschillen in het gezondheidspatroon, van de culturele eigenheid van de Nederlanden, enz. ?

    Een ander lid heeft een vraag met betrekking tot het aantal gevallen van euthanasie die, volgens de aangehaalde studies, zijn uitgevoerd zonder voorafgaand verzoek. Hoe kan dat cijfer worden bepaald ? Er is toch een reglementering en er moeten aangifteformulieren worden ingevuld ?

    Op welke wetenschappelijke basis werd de studie in Vlaanderen uitgevoerd ? Er kan momenteel immers geen onderscheid worden gemaakt tussen gevallen van euthanasie op verzoek, euthanasie zonder verzoek en hulp bij zelfdoding.

    Wat het tweede advies van het Raadgevend Comitť betreft en de problematiek van de patiŽnt die niet in staat is om zijn wil te kennen te geven, veronderstelt de spreekster dat er eenparigheid is over de hoofdstukken 1, 2 en 3, waarin de verschillende standpunten worden uiteengezet, en dat de meningen uiteenlopen vanaf hoofdstuk 4 van het advies.

    Er werd al gewezen op het belang van de definities.

    Wie vrede neemt met de definitie van het ę levenstestament Ľ of de voorafgaande verklaring voor het geval het om een patiŽnt gaat die niet bewust is, lijkt niet al te zwaar te tillen aan de voorwaarden die vervuld moeten zijn opdat een dergelijke verklaring ernstig zou worden genomen.

    Wat zijn die voorwaarden en wat is het belang van een dergelijke verklaring ?

    Ten slotte maakte de heer Cassiers met betrekking tot de wilsonbekwame patiŽnten een onderscheid tussen twee situaties : enerzijds de situatie waarbij een patiŽnt zich in de terminale fase van een ziekte bevindt en anderzijds die waarbij een patiŽnt zwaar gehandicapt is als gevolg van een ongeval. Is de definitie van euthanasie die we daarnet hebben gehoord ook van toepassing op dat tweede geval ? Wie neemt bijvoorbeeld de beslissing om een toestel uit te schakelen ?


    De heer Englert beklemtoont allereerst dat in dit stadium van de besprekingen elkeen uit eigen naam spreekt.

    Wat de geldigheid van de gegevens betreft, steunen de Nederlandse studies op epidemiologisch onderzoek, wat helemaal iets anders is dan de aangiften aan het ministerie van Justitie. Blijkbaar wordt een groot deel van de gestelde handelingen niet aangegeven, maar is het aantal aangiften tussen 1990 en 1995 toegenomen, terwijl het aantal gevallen stabiel bleef.

    Dit is een gevolg van het feit dat de minister van Justitie beslist heeft niet te vervolgen en de Nederlandse medische gemeenschap sterk gemotiveerd is om de toestand te beschrijven, wat de persoonlijke mening van de arts in kwestie ook is.

    Spreker verklaart voorstander te zijn van een wetswijziging ≠ zonder zich daarbij uit te spreken over welke wetswijziging daarvoor noodzakelijk is ≠ die een ruimte van vrijheid creŽert waarbinnen de patiŽnt en zijn arts in alle openheid over het levenseinde kunnen spreken en waarbinnen in bepaalde situaties ook euthanasie in enge zin, met andere woorden de actieve levensbeŽindiging bij een patiŽnt die erom verzoekt, bewust is en naar zijn oordeel ondraaglijk lijdt, kan worden toegepast.

    In de voorstellen 1 en 2 van het eerste advies en, in voorstel A van het tweede advies, waarachter spreker zich schaart, wil men de verantwoordelijkheid voor een dergelijke handeling zoveel mogelijk bij de patiŽnt leggen.

    In die visie speelt de arts de rol van moderator, die al te voortvarende beslissingen en onaanvaardbare situaties in de twee richtingen moet voorkomen. Het is de bedoeling de autonomie van de patiŽnt te vergroten, in de lijn van de evolutie die sedert zowat vijftien jaar in de westerse geneeskunde aan de gang is, ook al blijkt uit de studie van de heer Vermeersch dat men daar nog ver van verwijderd is.

    Juridische bescherming moet leiden tot een betere dialoog, eventueel toelaten te handelen onder de beste ethische voorwaarden, rekening houdend met de wil van de patiŽnt. Vandaag neemt de arts in dergelijke omstandigheden soms beslissingen buiten medeweten van de patiŽnt, meestal erg laat, en wellicht te laat als men rekening had gehouden met de wensen van de patiŽnt.

    Spreker is van oordeel dat men in bepaalde situaties ethisch legitiem kan handelen als men het leven beŽindigt van een patiŽnt die daar niet heeft om verzocht.

    De aanhangers van die stelling willen de legalisering van dat soort handelingen niet aanbevelen uit vrees voor arbitraire beslissingen.

    Daarom is het zo belangrijk zich niet tot euthanasie te beperken en de voorafgaande wilsverklaring te erkennen. Een patiŽnt die niet in een comateuze toestand in leven wil worden gehouden, kan dat vooraf kenbaar maken en vragen dat zijn arts de mogelijkheid krijgt zijn wil te respecteren. PatiŽnten die dat niet wensen, moeten van hun kant worden beschermd tegen een beslissing die tegen hun wil ingaat. Dat is de betekenis voorafgaande wilsverklaring.

    In Nederland merkt men overigens dat de vrijheid van spreken wellicht tot een daling van het aantal euthanasiegevallen leidt, omdat de patiŽnt zich veiliger voelt en meer vertrouwen heeft in zijn arts.

    Als arts wil spreker nog drie punten aanstippen.

    Allereerst is het criterium ę terminale ziekte Ľ nogal vaag en kan dit tot feitelijke onzekerheid aanleiding geven : vanaf wanneer is een situatie terminaal ?

    Spreker verkiest de notie ę ongeneeslijke ziekte Ľ, namelijk een ziekte waarbij er geen hoop meer bestaat op beterschap en a fortiori op genezing. Dit criterium, gecombineerd met dat van ondraaglijk lijden, kan misbruiken voorkomen (zo is een diabeticus ook ongeneeslijk ziek ...).

    Daarnaast is uit Belgisch en buitenlands onderzoek gebleken dat artsen meer voorbehoud maken bij een depenalisering dan de bevolking in het algemeen.

    Belgisch onderzoek toont aan dat het aantal ondervraagden dat euthanasie uit de strafwet wil, bijzonder groot is (80 tot 90 %). Bij de artsen is dit percentage iets hoger dan 50 %.

    Deze terughoudendheid heeft waarschijnlijk drie redenen : de vrees voor bureaucratisering, de vrees voor onzekerheid omwille van onvoldoende precieze criteria en de vrees onder druk te worden gezet door een wetgeving die hun autonomie onvoldoende respecteert. Een wetgeving moet met deze drie aspecten rekening houden.

    Concluderend kunnen we zeggen dat de notie ongeneeslijke ziekte (die beter geschikt is dan terminale fase, voorzover althans ook het criterium ondraaglijk lijden mee in aanmerking wordt genomen) en de verschuiving van paternalistische medische verantwoordelijkheid naar autonomie van de patiŽnt, de juridische instrumenten zijn die het debat bij het publiek kunnen aanzwengelen en de ontwikkeling mogelijk maken van een cultuur waarin men het levenseinde in eigen handen neemt, wat door de illegaliteit van de bewuste handelingen thans onmogelijk wordt gemaakt.

    De heer Vermeersch voegt hieraan toe dat hij, als co-voorzitter van de beide commissies die deze adviezen hebben uitgebracht, alvast een zaak duidelijk kan stellen. De practici, artsen en verplegenden, van welke opvatting ook, beklemtonen dat de problemen rond het levenseinde niet mogen verzanden in bureaucratische beslommeringen, zowel wat het raadplegen van allerhande instanties betreft als inzake het invullen van papieren.

    Naar zijn mening is er in de verschillende wetsvoorstellen die hier voorliggen, duidelijk een aanzet tot een dergelijke rompslomp.

    Het wetsvoorstel nr. 2-10/1 bijvoorbeeld vereist met betrekking tot de voorafgaande wilsverklaring, dat deze door twee personen mee ondertekend wordt en dat een vertrouwenspersoon wordt aangesteld. Er kan worden gevreesd dat deze voorwaarden de regeling in de praktijk ontoegankelijk maken voor de eenzamen.

    Het inbouwen van dergelijke bijkomende garanties is vanzelfsprekend wenselijk, maar men kan ze niet bij wet opleggen. Vandaar dat het Raadgevend Comitť in zijn advies nr. 9 spreekt over een voorafgaande wilsbeschikking en/of een vertrouwenspersoon, maar niet noodzakelijk beide samen. Men moet mensen die zeer zwak staan, zoveel mogelijk kansen geven om over hun eigen lot te beslissen.

    In een ander voorstel is sprake van een beroep op de rechtbank bij onenigheid tussen de artsen. De wetgever mag toch niet uit het oog verliezen dat intussen de patiŽnt zeer ernstig lijdt. Indien die patiŽnt zijn toestand als ondraaglijk ervaart ≠ ę ik kan niet meer Ľ ≠ dan moet men toch kunnen volstaan met het raadplegen van een tweede arts om aan de wens van de patiŽnt tot sterven tegemoet te komen.

    Wat de terminologie betreft, merkt hij op dat het Raadgevend Comitť een duidelijke definitie van het begrip euthanasie hanteert en alle andere betekenissen die aan dit begrip worden gegeven, uitsluit : het opzettelijk levensbeŽindigend handelen door een andere dan de betrokkene op diens verzoek. Dit betekent dat geen onderscheid wordt gemaakt tussen passieve en actieve of tussen directe en indirecte euthanasie.

    Een eerste reden hiervoor ligt in de overweging dat het stilleggen van de apparatuur beschouwd wordt als een normale medische handeling. ę L'acharnement thťrapeutique Ľ wordt algemeen beschouwd als een ethisch verwerpelijke praktijk die in strijd is met de medische deontologie. Het stopzetten van een behandeling kan dan ook nooit als (passieve) euthanasie worden beschouwd.

    Hetzelfde geldt voor het toedienen van zeer zware medicatie om een ondraaglijke pijn te verzachten. Het verstrekken van dergelijke middelen strookt met de normale medische deontologie, ook al kan zij het stervensproces versnellen. Ook hier is er derhalve geen sprake van (indirecte) euthanasie.

    Wat de situatie in andere landen betreft, merkt de heer Vermeersch op dat in AustraliŽ onderzoek is gedaan, vergelijkbaar met dat in Nederland. Hieruit bleek dat euthanasie aan de basis lag van 1,7 % van de overlijdens, hulp bij zelfdoding verantwoordelijk was voor 0,1 % en levensbeŽindiging zonder verzoek van de betrokkene voor 3,5 %.

    Het betreft hier, net zoals in Nederland en zoals in het recente onderzoek in Vlaanderen, gegevens verzameld op basis van anonieme vragenlijsten die aan artsen werden voorgelegd. Ook voor de Verenigde Staten zijn gegevens beschikbaar die aantonen dat actieve levensbeŽindiging, hoewel wettelijk verboden, wel degelijk in de praktijk gebeurt.

    In de praktijk zijn er derhalve op internationaal vlak weinig verschillen. Waarom precies in Nederland deze praktijk wettelijk is, omkaderd en gecontroleerd, kan moeilijk worden verklaard. Wellicht hebben hier tal van factoren invloed. Belangrijk is dat uit alle onderzoek blijkt dat een wettelijk verbod geenszins betekent dat de praktijk zich niet voordoet.

    In antwoord op een spreker verklaart de heer Cassiers dat hij perfect begrijpt dat een patiŽnt als enige kan oordelen over zijn noodtoestand en dat zijn verzoek moet worden gerespecteerd.

    Als psychiater weet hij evenwel ook dat wat iemand vraagt of zegt, beÔnvloed wordt door de sfeer, de omgeving, zijn relaties. Het lijkt hem daarom onvoorzichtig te denken dat iedereen volledig helder denkt en zijn gedachten helemaal de baas is.

    Over palliatieve zorg bestaan er talrijke studies die aantonen dat, als de gepaste palliatieve zorg wordt verstrekt (namelijk niet alleen met behulp van pijnstillers en fysische verzorging, maar ook door een psychologisch valoriserende, bezorgde en warme sfeer te scheppen), 90 ŗ 95 % van de verzoeken om euthanasie verdwijnen. Daarom denken sommigen, onder wie ook de spreker, dat men echt aandacht moet hebben voor de menselijke warmte die van de omgeving uitgaat.

    Men moet de omgeving er niet systematisch van verdenken slechte bedoelingen te hebben en de patiŽnt niet te respecteren, want dit is in het algemeen niet het geval.

    PatiŽnten die aan hun lot worden overgelaten, worden onvermijdelijk wanhopig.

    Als psychiater heeft spreker veel om zelfdoding horen vragen. Men moet die vragen niet al te letterlijk nemen. Eerst moet men nagaan of het niet om een noodkreet gaat of om een vraag naar menselijke warmte en affectieve ondersteuning.

    In een evident lijkende situatie bestaat het gevaar dat men een absolute waarde gaat toekennen aan het soms herhaalde verzoek van een zieke. Zo komt het vaak voor dat een jongere die na een ongeval verlamd blijft, gedurende verschillende weken verschrikkelijk ontmoedigd en zelfs wanhopig is.

    Personen die een rouwproces doormaken, kunnen zich in een vergelijkbare, soms blijvende, toestand van wanhoop bevinden.

    Spreker besluit dat hij vasthoudt aan de eerbiediging van de persoonlijke vrijheid, maar dat deze niet absoluut kan zijn.

    De heer Van Orshoven merkt op dat men de cijfers die met betrekking tot dergelijke materies worden gepubliceerd, moet nemen voor wat ze zijn. Minstens even belangrijk lijkt hem een nota, die bij de voorbereiding van de adviezen aan het Raadgevend Comitť werd verstrekt door de directeurs van een hele reeks Brusselse ziekenhuizen. Hierin kwam tot uiting dat een groot aantal ingrepen die leidden tot de dood van patiŽnten, werden uitgevoerd zonder dat de betrokkenen erom gevraagd hadden. Anderen hebben in hun plaats de beslissing genomen.

    Het cijfer van 3 % voor Hasselt, dat door de heer Vermeersch werd vermeld, is derhalve niet verwonderlijk.

    Uit de nota bleek ook hoe een aantal patiŽnten, onder meer in de palliatieve afdelingen, om hulp schreeuwen om uit hun lijden te worden verlost. Het is alleen de vraag of dit door de arts meteen moet worden geÔnterpreteerd als een schreeuw om hulp bij het sterven.

    De roep ę je n'en peux plus Ľ is in de eerste plaats een vraag om bijstand. Uit de nota bleek overduidelijk dat de vraag om te sterven in zeer grote mate wegvalt wanneer men deze patiŽnten de nodige fysieke en psychische hulp verleent.

    Dit alles neemt niet weg dat in een zeer beperkt aantal gevallen, mensen wetens en willens blijven vragen dat hun leven beŽindigd wordt.

    De heer Van Orshoven verklaart dat hij daarom, ondanks het feit dat hij persoonlijk sterk tegen deze praktijk gekant is, kan aanvaarden dat er een regeling komt die euthanasie mogelijk maakt. Zoals reeds uiteengezet moet die regeling echter garanderen dat een mensenleven alleen wordt beŽindigd wanneer hierom door de betrokkene uitdrukkelijk en in het volle bewustzijn wordt gevraagd.

    Een lid verwijst naar de verklaring van een lid van het Raadgevend Comitť, dat artsen terughoudend reageren op een vraag om euthanasie omdat het steeds een moeilijke daad is voor wie ze moet stellen.

    Zou de procedure, die door sommigen wordt overwogen, om aan derden advies te vragen, geen verlichting betekenen voor de arts, doordat hij niet meer alleen staat voor zo'n moeilijke beslissing, ook al moet hij de uiteindelijke beslissing nemen ?

    Dezelfde spreekster merkt op dat het derde voorstel van het eerste advies wil wettelijk verplichte procedures vastleggen voor een aantal medische beslissingen rond het levenseinde.

    Eťn van die beslissingen betreft het euthanasieverzoek. Betekent dit dat de adviezen passen in een ruimer kader dat het geheel van de medische handelingen omvat of hebben ze alleen betrekking op euthanasieverzoeken ?

    Is het anderzijds niet tegenstrijdig om vertrouwenspersonen in de procedure te betrekken en de interventie van derden te weren om te vermijden dat de beslissing door een soort ę rechtbank Ľ wordt genomen ? De vertrouwenspersoon is immers ook een derde.

    Kan een wetgeving ter zake afgeleide negatieve gevolgen veroorzaken ? De in Nederland verzamelde cijfers lijken daaop een antwoord te verschaffen.

    Een ander lid herinnert eraan dat de heer Englert twee criteria heeft aangegeven die volgens hem aan de basis liggen van een beslissing tot euthanasie, namelijk een ongeneeslijke ziekte en ondraaglijk lijden.

    De heer Englert scheen te zeggen dat het begrip terminale fase van geen belang was; in andere voorstellen is er sprake van ę een ongeneeslijke ziekte die onvermijdelijk binnen korte termijn tot de dood zal lijden Ľ.

    Als men het begrip ę dood op korte termijn Ľ weglaat, bestaat dan niet het risico dat men terugkeert naar de hulp bij zelfdoding, bijvoorbeeld in het geval van een patiŽnt met multiple sclerose, een ziekte waarvan men weet dat ze ongeneeslijk is ?

    Een lid stelt vast dat het euthanasiedebat in BelgiŽ tot nu toe gericht is op wilsbekwame of wilsonbekwame volwassenen. Ook in de voorliggende voorstellen wordt bewust niet ingegaan op de problematiek van euthanasie bij minderjarigen.

    Dit is begrijpelijk. Het betreft hier een zeer delicate materie. Toch lijkt in Nederland de discussie terzake geleidelijk op gang te komen. Men stelt immers vast dat ook door minderjarige patiŽnten met een terminale aandoening soms de vraag wordt gesteld om uit het ondraaglijke lijden te worden verlost.

    Hoe staat het Raadgevend Comitť tegenover deze problematiek ?

    Als antwoord op een vorige spreekster verklaart een lid dat het fundamentele verschil tussen de vertrouwenspersoon en de derden die geraadpleegd zouden worden, erin bestaat dat het beroep op de vertrouwenspersoon als een specifieke oplossing wordt beschouwd in het geval van personen die niet bewust zijn, terwijl verondersteld wordt dat de zieke die bewust is, vrij zijn wil kan uitdrukken.

    Euthanasie is een ultieme handeling. Ultiem in de tijd, omdat ze de laatste handeling is die voor de patiŽnt kan worden gesteld. Ultiem in gradatie, omdat ze pas kan worden gesteld nadat alle andere mogelijkheden zijn aangewend.

    Daarom meent de spreker dat de problematiek van euthanasie niet automatisch gekoppeld is aan die van de palliatieve zorg.

    Het is weliswaar belangrijk dat die wordt ontwikkeld, maar dat betekent niet dat de euthanasieproblematiek niet mag worden aangeroerd.

    Ten slotte zijn zij die voorstander zijn van een belangrijke doorbraak op het gebied van euthanasie, misschien wel zij die tot het laatste oog hadden voor het belang van het luisteren naar, het rekening houden met de klacht, maar misschien ook het relativeren van de klacht.

    Dat geldt voor de zieke, maar ook voor de omgeving. Vastgesteld wordt dat de pijn en het lijden van de omgeving soms groter zijn dan die van de patiŽnt zelf, en dat de omgeving de pijn die ze zelf voelt soms op de zieke projecteert.

    Het is dan ook vanzelfsprekend dat de klacht of de vraag van de zieke moet worden opgevangen, geanalyseerd en gerelativeerd, maar het is even vanzelfsprekend dat ze niet mag worden genegeerd, ook niet in de ultieme vorm van een verzoek om euthanasie.

    Het ultieme karakter van euthanasie heeft te maken met het feit dat ze de ultieme daad van solidariteit en menselijkheid is die men kan stellen voor een patiŽnt voor wie elke andere mogelijke oplossing is uitgeprobeerd.

    Als antwoord op een vorige spreker verklaart de heer Englert dat een belangrijke onzekerheid zou blijven bestaan als het begrip terminale staat, naderende dood, enzovoort in aanmerking wordt genomen.

    Vele van de levensbeŽindigingen waarover in de studie van Hasselt sprake is, komen in feite neer op een bespoediging van de doodstrijd. In dat geval wordt niet voldaan aan ťťn van de wezenlijke doelstellingen van een depenalisering van euthanasie, met andere woorden het iemand mogelijk maken uit het leven te stappen terwijl hij meester blijft van een situatie die hij niet langer wil ondergaan.

    Als we afstappen van de hypothese van de ziekte in het terminale stadium, wordt alles zeer vaag. Wat is een ę naderend Ľ levenseinde ? Moet het gaan over een overlijden dat wordt verwacht binnen een dag, een maand ...?

    Een van de voorstellen bepaalt de terminale fase als het ogenblik waarop de ziekte niet meer kan verbeteren of gunstig evolueren. In een film met als titel ę Johnny got his gun Ľ wordt het verhaal gebracht van een soldaat die het slachtoffer is van een zeer hoge breuk van de wervelkolom, en die alleen nog kan communiceren dankzij een halsspier, zodat hij zich in morse kan uitdrukken. Hij vraagt dat een einde wordt gemaakt aan zijn lijden.

    De persoon die zich in een soortgelijk geval bevindt, staat niet voor een naderend levenseinde. Toch denkt de spreker dat het, in het geval van een herhaald verzoek, mogelijk moet zijn dit verzoek in te willigen als het blijft bestaan nadat de depressie is behandeld en nadat zoveel mogelijk contact met de betrokkene is gelegd.

    Wat de verschuiving naar het gerecht betreft, is de spreker persoonlijk terughoudend ten opzichte van collectieve beslissingen, want hij meent dat die de arts wel helpen, maar dat ze de verantwoordelijkheid versplinteren.

    Gelet op de ernst van de handeling moet de verantwoordelijkheid evenwel in haar geheel blijven bewaard.

    Daarenboven vrezen de artsen dat, wanneer een beroep wordt gedaan op een derde structuur, hen min of meer expliciet standpunten worden opgelegd waarmee zij het niet helemaal eens zijn.

    Wat het beroep op een vertrouwenspersoon betreft, komt het erop neer dat de patiŽnt wordt vervangen door iemand die met de arts kan praten als de patiŽnt het zelf niet meer kan.

    In ideale omstandigheden zou men op die wijze de wilsverklaring kunnen expliciteren, want die kan niet precies vooruitlopen op alle mogelijke situaties.

    Het ligt dus in de bedoeling om, via een tussenpersoon, en weliswaar op een onvolmaakte wijze, de dialoog tussen arts en patiŽnt te herstellen die uiterst belangrijk leek voor de voorstanders van het eerste en het tweede voorstel in het advies van het Raadgevend Comitť voor bio-ethiek.

    Wat ten slotte de situatie van kinderen betreft, denkt de spreker dat alleen indien het euthanaserend handelen als een kwaad wordt beschouwd, men deze handeling a priori uitsluit voor kinderen, terwijl men ze eventueel wel duldt voor een volwassene die erom verzoekt. Als euthanasie daarentegen beschouwd wordt als een laatste gebaar van solidariteit en tederheid dat men voor iemand kan stellen, zou men niet begrijpen dat kinderen worden uitgesloten.

    Kinderen die getroffen zijn door kanker, die andere kinderen hebben zien sterven, hebben overigens dikwijls enige maturiteit ontwikkeld ten opzichte van deze materie. Volgens kankerspecialisten die zich in Nederland, maar ook in BelgiŽ hebben uitgesproken, is een niet gering aantal van die kinderen perfect in staat om, beter dan de artsen, te spreken over hun eigen dood.

    Dit onderwerp is echter zo moeilijk en emotioneel, dat het misschien beter is om niet alles tegelijkertijd te willen regelen.

    De heer Vermeersch verwijst in zijn antwoord op de vraag van een lid inzake de mogelijke afgeleide gevolgen van een euthanasieregeling naar de situatie in Nederland. De beide onderzoeken leren dat het aantal eigenlijke gevallen van euthanasie gestegen is van 1,7 % in 1990 tot 2,4 % in 1995. In dezelfde periode daalde het aantal levensbeŽindigingen zonder verzoek van de patiŽnt van 0,8 % naar 0,7 %.

    Er zijn derhalve geen substantiŽle verschillen wat de aantallen betreft. Belangrijker is echter het feit dat er met betrekking tot de hele materie een grotere openheid is gegroeid. Zeer veel verzoeken om euthanasie worden afgewezen nadat een grondig gesprek heeft plaatsgevonden. Op deze wijze ontwikkelt zich geleidelijk een nieuwe cultuur in de benadering van problemen rond het levenseinde.

    Wellicht ligt hier de verklaring voor het feit dat het aantal levensbeŽindigingen zonder verzoek van de patiŽnt in Vlaanderen, veel hoger is dan in Nederland. Door de grotere openheid en bespreekbaarheid in dit domein, wordt de behoefte van artsen om zonder gesprek met de patiŽnt diens leven te beŽindigen, sterk verminderd.

    Anderzijds wordt in een situatie zoals die in Nederland een gesprek tussen de arts en de patiŽnt over euthanasie een stuk gemakkelijker. In een dergelijke situatie kan de patiŽnt leven met de belofte van zijn arts dat hij zonder verdere discussie zal worden bijgestaan indien hij vraagt uit zijn lijden te worden verlost. Vaak heeft deze zekerheid tot gevolg dat de eigenlijke beslissing tot euthanasie wordt uitgesteld.

    Wat euthanasie bij kinderen betreft, kan hij zich aansluiten bij het standpunt van de heer Englert. Vanuit ethisch standpunt kan men niet zonder meer een onderscheid maken tussen handelingsbekwame en handelingsonbekwame kinderen. Een minderjarige van 15 jaar zal een grotere zelfstandigheid hebben dan een kind van 7 jaar en vanuit ethisch oogpunt moet men hier rekening mee houden, ook wat een eventuele vraag naar levensbeŽindiging betreft. Belangrijk is vanzelfsprekend ook dat wordt gestreefd naar een maximale overeenstemming tussen de ouders en het kind.

    Een van de redenen waarom dit domein buiten de wetgevende initiatieven wordt gehouden, ligt wellicht in het feit dat het verre van evident is, deze ethische beginselen in juridische teksten om te zetten. Het betreft hier hoe dan ook een erg delicate problematiek.

    Hij verklaart ten slotte gekant te zijn tegen het gebruik van de term ę terminaal Ľ bij het vaststellen van de voorwaarden waaronder euthanasie mogelijk is omdat hierdoor een grote groep patiŽnten uitgesloten wordt. Er zijn immers gevallen bekend van patiŽnten die gedurende decennia zeer zwaar lijden of zwaar geparalyseerd zijn, die hun toestand niet langer aankunnen, maar die anderzijds niet lijden aan een ziekte die de dood tot gevolg heeft. Ook aan de uitdrukkelijke wens van deze mensen kan de samenleving niet zonder meer voorbij gaan.

    De heer Cassiers zegt voorstander te zijn van het derde voorstel in het advies van het Raadgevend Comitť, namelijk het voorstel dat euthanasie in bepaalde gevallen aanvaardt. Spreker meent niet dat dit standpunt moet worden gezien als een verschuiving naar het gerecht. De voorstanders van deze optie zijn zeer gevoelig voor het belang van de menselijke betrekkingen bij alles wat de mensen denken en voelen. Ze vinden het dan ook moeilijk aanvaardbaar dat euthanasie naar het gerecht verschoven wordt via jurdisch-administratieve structuren, zij het via een instemming van het ethisch comitť van het ziekenhuis.

    In deze visie staat men erop dat het de arts is die beslist, maar ook dat hij in het dossier moet aangeven dat hij alle informatie heeft ingewonnen en dat hij de kans heeft gehad er met de omgeving over te spreken, zodat zijn beslissing niet genomen is in het kader van de dialoog tussen arts en patiŽnt, die als te eng wordt beschouwd ten opzichte van het geheel van menselijke relaties van een zieke.

    Spreker gelooft overigens niet dat het begrip ę ongeneeslijke ziekte Ľ zoveel duidelijker is dan het begrip ę naderende dood Ľ. De interpretatie van dit begrip is immers ook zeer subjectief; ze hangt niet alleen af van de medische technieken maar ook van de omgevende cultuur.

    Spreker deelt ten slotte het standpunt van de heren Englert en Vermeersch over het probleem van de kinderen, maar hij vindt het even belangrijk om oog te hebben voor de cultuur die men creŽert.

    Zo wordt abortus thans als iets vrij alledaags beschouwd als men weet dat het ongeboren kind een mongooltje zou zijn.

    In sommige gevallen wordt euthanasie expliciet op verzoek van de ouders uitgevoerd op een mongoloÔde boreling.

    In onze cultuur en met onze wetenschappelijke criteria wordt een mongoloÔde kind dikwijls beschouwd als een ondraaglijk leed voor de ouders. Nochtans is het kind zelf wellicht even gelukkig als een ander kind, als het maar de nodige zorg en liefde krijgt.

    De voorstanders van het derde voorstel van het advies zijn niet echt tegen elke vorm van euthanasie, maar willen voorkomen dat euthanasie iets banaals wordt. Daarom zijn ze inzonderheid tegen een wijziging van het Strafwetboek. Ze menen dat, ook al moeten de artsen soms zeer moeilijke verantwoordelijkheden op zich nemen, ze moeten blijven beoordelen of ze in een bepaald geval het Strafwetboek mogen overschrijden als gevolg van een noodtoestand.

    Spreker meent niet dat deze regeling voor de artsen een ernstige onzekerheid met zich meebrengt.

    Een lid is het alleszins eens met de voorgaande sprekers die hebben gepleit voor het hanteren van een precies begrippenapparaat. Aangezien hierover binnen het Raadgevend Comitť eensgezindheid bestaat, ziet hij geen reden waarom de commissie van dit werk geen gebruik zou maken.

    Voorts wenst hij toch te onderstrepen dat, welke euthanasieregeling er ook komt, deze zowel in hoofde van de arts als in hoofde van de patiŽnt, op volstrekte vrijwilligheid berust. Niemand mag buiten zijn wil aan euthanasie worden onderworpen maar bovendien kan geen enkele arts worden verplicht het leven van iemand te beŽindigen.

    Wanneer men in een dergelijk systeem bovendien nog eens de garantie heeft dat euthanasie slechts mogelijk is nadat ook een tweede arts is geraadpleegd, rijst toch de vraag waarom hier bovenop volgens sommigen nog eens het advies van een derde persoon niet-arts dient te worden ingewonnen. Moet dit worden beschouwd als een blijk van wantrouwen ten aanzien van de geneesheren, die toch aan strenge deontologische regels onderworpen zijn ?

    Een lid zegt zeer gevoelig te zijn voor het feit dat de heer Englert zoveel nadruk legt op de doordachte autonomie van de persoon, maar ook voor het feit dat de heer Cassiers wijst op de affectieve en subjectieve dimensie van de menselijke wezens. Ook al kan men door zijn ervaring of zijn persoonlijke reflectie min of meer gevoelig zijn voor het ene of het andere aspect, het moet mogelijk zijn om met beide rekening te houden en men kan ervan uitgaan dat de leden van het Raadgevend Comitť die inspanning hebben gedaan.

    Spreker vraagt hoe die standpunten kunnen worden verzoend om terzake een wettekst op te stellen.

    Een ander lid spreekt zijn waardering uit voor de twee adviezen van het Raadgevend Comitť, die zeer objectief zijn en het debat over deze aangelegenheid in belangrijke mate verzakelijken. Anderzijds echter is het nemen van politieke beslissingen, zeker in een dergelijk domein, geen neutrale wetenschappelijke activiteit. Het steunt op een keuze tussen ethische beginselen die met elkaar in conflict kunnen zijn. Men kan voorrang geven aan zowel het zelfbeschikkingsrecht van de patiŽnt als aan de menselijke waardigheid of het respect voor het menselijk leven. In de wetgeving zal men derhalve tussen beide moeten kiezen of trachten ze met elkaar te verzoenen.

    Vanuit dit oogpunt wenst spreker te vernemen waar in het advies nr. 1 precies het verschil ligt tussen het eerste en het tweede voorstel enerzijds, en het derde voorstel anderzijds. Kunnen de voorstanders van de eerste twee voorstellen niet akkoord gaan met het derde voorstel omdat zij absolute prioriteit willen geven aan het beginsel van de vrije wilsbeschikking ? Vinden zij dat dit beginsel wordt geschaad door een regeling die een aantal voorwaarden oplegt vooraleer op de wens van de patiŽnt wordt ingegaan ?

    Dergelijke voorwaarden worden zijns inziens niet opgelegd om afbreuk te doen aan de vrije wilsbeschikking van de patiŽnt. Het betreft hier normale controlemechanismen die men ook in andere domeinen terugvindt. Nog niet zo lang geleden heerste binnen het medisch korps de opvatting dat het juristen niet toekwam te oordelen over aansprakelijkheid bij medisch handelen, tenzij in geval van grove fout of opzet.

    Algemeen is men het erover eens dat euthanasie vanuit ethisch oogpunt niet kan worden beschouwd als normaal medisch handelen. Is het dan niet normaal dat een dergelijke ingreep wordt omkleed met een aantal procedures a priori die de patiŽnt maximale bescherming moeten bieden en een maatschappelijke controle a posteriori mogelijk maken ? Men kan dergelijke procedures, zoals sommigen blijkbaar doen, als een bedreiging zien, maar evenzeer als een geruststelling zowel voor de patiŽnt als voor de arts.

    De heer Cassiers wijst erop dat de vragen van de laatste twee sprekers gelijklopend zijn. De standpunten nrs. 1 en 2 enerzijds en het standpunt nr. 3 anderzijds, zijn immers zeer gelijklopend als men een positieve kijk heeft op de zaken en als er goede interpersoonlijke relaties en een kwalitatief hoogstaande geneeskunde bestaan.

    Alleen in een context van wantrouwen komen die standpunten tegenover elkaar te staan.

    Zo wenst men in het standpunt nr. 3 dat uit het dossier blijkt dat de mening van de familie over het verzoek om euthanasie en over de toestand van de patiŽnt bekend is.

    Spreker denkt dat de voorstanders van de standpunten nrs. 1 en 2 het eens zijn met de idee dat, normaal gezien, wanneer binnen een familie hartelijke, of tenminste gezonde, betrekkingen bestaan, een verzoek om euthanasie niet wordt behandeld zonder dat de familie daarover wordt ingelicht en betrokken wordt in de relatie met de stervende en de arts.

    Dat probleem rijst niet in de minder voorkomende veronderstelling dat de patiŽnt kille, of zelfs vijandige, betrekkingen heeft met zijn familie en vreest dat die zich wil mengen zonder voldoende respect op te brengen voor zijn mening en, eventueel, sterke psychologische druk zal uitoefenen die de vrijheid van de patiŽnt beknot.

    Daarom bepalen sommige teksten van het comitť dat de familie ę eventueel Ľ kan worden ingelicht, in voorkomend geval a posteriori. Dat choqueert de voorstanders van het standpunt nr. 3, die gevoeliger zijn voor de humanitaire relaties als zodanig.

    Het is evenwel onmogelijk in de wetten rekening te houden met de buitengewone verscheidenheid van situaties en intellectuele (diagnose, prognose ...) en affectieve moeilijkheden die zich kunnen voordoen in de context van het levenseinde. Daarom mag men niet te ver gaan in de beoogde regelgeving.

    Overigens maken de voorstanders van het standpunt nr. 3 gewag van een procedure. Het gaat niet om een procedure voor een rechtbank, maar om het bijhouden van een dossier.

    Ook op dat punt zullen de voorstanders van de standpunten nrs. 1 en 2 het wel eens zijn met de noodzaak om een dossier bij te houden.

    Tot besluit zijn de standpunten nrs. 1 en 2 en het standpunt nr. 3 nogal gelijklopend in normale omstandigheden. De verschillen komen maar tot uiting wanneer de situatie verslechtert en tot een conflictsituatie evolueert.

    De heer Englert beklemtoont dat in de mening die wordt verdedigd in de standpunten nrs. 1 en 2, de arts reeds de modulator is van de autonomie van de patiŽnt (zie de Nederlandse studie die aantoont dat de artsen die al euthanasie hebben toegepast terughoudender zijn om het opnieuw te doen). Zoals reeds is aangestipt, is deze autonomie niet de enige waarde waarmee rekening wordt gehouden. Ervan uitgaan dat euthanasie gewettigd is alleen omdat erom wordt gevraagd, zou ingaan tegen de medische cultuur. Een depenalisering zou een ruimte scheppen waarin de beoefenaars zich kunnen toeleggen op de interpretatie van een verzoek om euthanasie. Er moet vanzelfsprekend een medisch dossier worden bijgehouden. Hoe zou anders enige controle a posteriori mogelijk zijn ?

    De voorstanders van de standpunten nrs. 1 en 2 zijn er echter tegen dat een extern advies wordt opgelegd, dat niet van een tweede arts komt, terwijl dat voor allen een redelijke voorzorg leek in de vorm van een tweede modulatie.

    Dat belet niet dat een arts of een patiŽnt de aanwezigheid van de familie of een ander advies, enzomeer, kan vragen.

    Het wezenlijke verschil tussen de standpunten nrs. 1 en 2, enerzijds, en het standpunt nr. 3, anderzijds, is dat in de eerste twee standpunten de arts als modulator wordt beschouwd. Er wordt van hem een tweevoudige controle gevraagd in de vorm van een tweede advies en een verklaring a posteriori, die moet garanderen dat hij de verantwoordelijkheid voor zijn daden op zich neemt. In het standpunt nr. 3 wordt a priori een andere interventie opgelegd.

    Op een aantal punten zijn deze drie standpunten echter gelijklopend.

    De heer Van Orshoven antwoordt op de vraag van een lid dat de zogenaamde ę derde optie Ľ geenszins is ingegeven door wantrouwen tegenover de artsen. Waar het om gaat is dat een wetgeving in een dergelijke materie slechts door de bevolking zal worden geaccepteerd indien zij iedere patiŽnt volstrekte rechtszekerheid biedt.

    Die rechtszekerheid is er momenteel niet voor de patiŽnten die wensen dat hun leven wordt beŽindigd indien zij hun lijden niet langer kunnen dragen. Een regeling die dit wil verhelpen mag echter niet ten koste gaan van de rechtszekerheid van patiŽnten die niet willen dat hun leven verkort wordt. Uit eerdere uiteenzettingen is overigens voldoende gebleken dat ook dit momenteel geen evidente zaak is.

    Wie als arts gewerkt heeft, weet in welke uitermate zwakke positie terminale patiŽnten zich bevinden en welke angst en wantrouwen hiermee samenhangen. Het is aan de wetgever om deze angsten weg te nemen en de garantie te bieden dat slechts tot levensbeŽindiging wordt overgegaan indien die patiŽnten dit werkelijk willen. Dit vereist een minimale procedure.

    Een regeling moet ook rechtszekerheid bieden voor de artsen. De arts die nu uit een diepe betrokkenheid bij het lot van zijn patiŽnt, op diens uitdrukkelijke vraag tot euthanasie overgaat, moet de zekerheid hebben dat hij hiervoor niet zal worden vervolgd. Die zekerheid heeft hij momenteel niet.

    Als antwoord op een spreker verklaart de voorzitter dat het hem niet toekomt het oneigenlijke gebruik dat de leden van de verenigde commissies zouden maken van een of andere term, te bestraffen.

    Hij herinnert eraan dat de heer Vermeersch beloofd heeft de commissies een glossarium te bezorgen met de essentiŽle technische termen die nuttig zijn voor het debat.

    Een lid vraagt zich af of naast de elementen die de heren Englert en Cassiers al hebben aangehaald, een ander verschil tussen de standpunten nrs. 2 en 3 er niet in bestaat dat in het standpunt nr. 3 nog sprake is van de term noodsituatie.

    De heer Englert wees op de rol van de modulator van het verzoek, een rol die volgens het standpunt nr. 2 aan de arts is voorbehouden.

    Spreekster vraagt of men in dat geval het klassieke jurisprudentieel begrip noodtoestand kan hanteren.

    De heer Englert antwoordt dat het de bedoeling is een bepaald aantal criteria te codificeren waardoor het mogelijk wordt het bestaan van een noodtoestand te objectiveren en de overtreding van het verbod om te doden te wettigen.

    Spreker denkt niet dat er vanuit dit oogpunt verschillen tussen de standpunten nrs. 2 en 3 tot uiting komen.

    De ontwikkeling in Nederland was overigens dat er een verstandhouding is ontstaan tussen het ministerie van Justitie en het college van procureurs, enerzijds, en de vereniging van artsen, anderzijds, waardoor het mogelijk criteria is vast te stellen die zouden wijzen op het bestaan van een noodtoestand, ook al wordt in de Nederlandse teksten deze terminologie niet gebruikt.

    Het is juist dat de juristen over het algemeen van oordeel zijn dat de noodtoestand per definitie niet a priori kan worden bepaald maar voortvloeit uit de beoordeling a posteriori van de rechter.

    Die kritiek geldt echter zowel voor het standpunt nr. 2 als voor het standpunt nr. 3.

    Een lid zou graag beschikken over het Europese onderzoek dat in de eenheden voor intensieve verzorging is uitgevoerd over het levenseinde (zie professor J.L. Vincent, van het Erasmusziekenhuis, die daarvan gewag heeft gemaakt in wetenschappelijke tijdschriften).

    De heer Englert antwoordt dat er in feite twee studies bestaan, ťťn uit 1993 en een andere, zeer recente, die de praktijk in de afdelingen intensieve zorg bestuderen. Deze studies wijden meer aandacht aan het stopzetten van de verzorging en het afwijzen van de therapeutische hardnekkigheid, dan aan het probleem van de euthanasie. Die studies tonen aan dat de autonomie van de patiŽnt in het Noorden van Europa belangrijker is dan in het Zuiden.

    B. VOORSTELLING VAN DE VOORSTELLEN DIE HET EERST NAAR DE VERENIGDE COMMISSIES WERDEN VERZONDEN

    1. Wetsvoorstel betreffende de problemen rond het levenseinde en de toestand van ongeneeslijk zieke patiŽnten (van de heer Philippe Mahoux en mevrouw Myriam Vanlerberghe); nr. 2-10/1

    Inleidende uiteenzetting van een van de indieners van het wetsvoorstel

    De indiener wenst eerst hulde te brengen aan de heren Roger Lallemand en Fred Erdman, die, vůůr hem, de tekst van het wetsvoorstel hebben ingediend tijdens de vorige zittingsperiode (Stuk Senaat, nr. 1-1261/1).

    Over euthanasie zijn lange tijd discussies gevoerd, waaraan vooral juristen en artsen hebben deelgenomen.

    Het debat is verrijkt door het uiteenlopende karakter van de standpunten, maar heeft ook geleid tot een instemming met dezelfde waarden.

    Sommigen hebben gezegd dat niet moest worden toegegeven aan de druk om overhaast tewerk te gaan.

    Dit debat moet inderdaad sereen worden gevoerd.

    Toch moet rekening worden gehouden met het feit dat het euthanasievraagstuk niet nieuw is en dat er al lange tijd over wordt gediscussieerd.

    De werkzaamheden van de Senaat tijdens de vorige zittingsperiode hadden als belangrijkste verdienste dat het probleem bespreekbaar is geworden, niet alleen in het Parlement, maar ook in alle politieke partijen en talrijke verenigingen. Er zijn enorm veel openbare debatten aan dit onderwerp gewijd. De burgers nemen er eveneens deel aan, wat bijzonder positief is.

    Voor de indiener is het euthanaserend handelen, ook al kan dit tegenstrijdig lijken, de ultieme vezorgingshandeling, misschien wel de moeilijkste voor de arts.

    De indieners van het wetsvoorstel hebben ook bijzonder veel aandacht voor elke mogelijke vorm van economische ontsporing; een visie waarin de markt, het geld, de kostprijs op zichzelf beschouwd waarden zouden kunnen vertegenwoordigen, is voor hen onaanvaardbaar.

    Ze wijzen er overigens op dat ze ook veel belang hechten aan de palliatieve verzorging, die volgens hen onvoldoende ontwikkeld is in ons land.

    Ze menen dat alles in het werk moet worden gesteld om de palliatieve verzorging beter te ontwikkelen, dat wil zeggen het belang ervan doen inzien, ervoor zorgen dat men de pijn behandelt, dat de gepaste budgettaire middelen worden uitgetrokken.

    Spreker zegt getroffen te zijn door de beschouwingen van de vertegenwoordigers van het Raadgevend Comitť voor bio-ethiek over de evaluatie die over euthanasie al bestaat, zonder dat een wet die evaluatie oplegt.

    Als die evaluaties nu al bestaan, lijkt het wenselijk dat na de goedkeuring van een wet die euthanasie onder bepaalde voorwaarden uit het strafrecht haalt, overwogen wordt een evaluatiecommissie op te richten die geregeld verslag zou uitbrengen over de evolutie van de toestand en over de concrete situaties op het terrein, na de inwerkingtreding van de nieuwe wet.

    Spreker wenst vurig dat dankzij dit debat een zo ruim mogelijke consensus zal ontstaan tussen ieders overtuigingen, die alle even respectabel lijken.

    Toch moet ook kunnen worden bepaald waarover men het niet eens is, op welke standpunten men onwrikbaar blijft staan, en moet men zich in eer en geweten kunnen uitspreken.

    Wat de grond van de zaak betreft, meent spreker dat de definitie die het Raadgevend Comitť voor bio-ethiek heeft gegeven, moet worden overgenomen.

    Euthanasie veronderstelt eerst en vooral dat de zieke volledig wordt ingelicht over zijn situatie, over de aard van zijn ziekte, en over alle mogelijke behandelingen, ongeacht de aard ervan, dat wil zeggen niet alleen de therapeutische maar ook de palliatieve behandeling.

    Deze laatste term beoogt niet alleen het wegnemen van de pijn, maar ook de begeleiding van de dikwijls pijnlijke psychologische ervaringen omtrent het levenseinde.

    Het moet ook mogelijk zijn de patiŽnt uit te leggen wat de mogelijkheden zijn op het gebied van euthanasie. Die moet mogelijk zijn in het geval van de toestand van voortdurend en ondraaglijk lijden of een noodtoestand, die het gevolg zijn van een ongeluk of een ongeneeslijke ziekte en die de arts niet kan lenigen.

    Een andere arts moet worden geraadpleegd over de ongeneeslijke aard van de ziekte.

    Dat zou een arts moeten zijn die niet rechtstreeks betrokken is bij de situatie en die dus meer afstand kan nemen van de concrete situatie.

    Het moet ook vaststaan dat de patiŽnt verschillende malen om euthanasie heeft verzocht. Dat is een fundamenteel en uiteraard onontbeerlijk element.

    Bovendien moeten de ontwikkeling van het geval en het herhaalde verzoek schriftelijk worden vastgelegd.

    Het feit dat de beslissing uiteindelijk voortvloeit uit de dialoog tussen arts en patiŽnt belet geenszins dat dagelijks nota wordt genomen van de herhaalde verzoeken, de aard van de ziekte, het ongeneeslijk karakter ervan, de geraadpleegde personen, ... Uit dit geschreven relaas moet blijken dat naar de patiŽnt geluisterd is en dat hij behandeld is, en dat alle voorzorgen zijn genomen.

    Op verzoek van de patiŽnt moet men ook informatie inwinnen, spreken met de familie, de omgeving, het verplegend team, ...

    Het zou een ernstige vergissing zijn zulke dialoog uit te sluiten.

    De beslissing moet evenwel bijna onvermijdelijk voortvloeien uit het uitdrukkelijk verzoek van de patiŽnt.

    Spreker meent immers dat het niet past dat bij het nemen van een zo belangrijke beslissing als deze, de verantwoordelijkheden tussen patiŽnt en arts worden versnipperd.

    Wat de wilsverklaring betreft (een terminologie die te verkiezen is boven die van ę levenstestament Ľ) denkt spreker dat de geuite wil om zijn dagen op een gepaste wijze te eindigen, gewettigd is en dat die wil op het laatste ogenblik misschien niet meer kan worden uitgesproken door een onbewuste en wilsonbekwame patiŽnt. Het afwijzen van de aftakeling, van het onvermogen om te communiceren, lijkt hem evenzeer gewettigd.

    Het voorstel voorziet dan ook in een wilsverklaring volgens welke, in ultieme gevallen, de ondertekenaar wenst dat zijn leven wordt beŽindigd en een persoon afvaardigt om hem op het ultieme ogenblik te vervangen.

    Spreker denkt evenwel dat het voor een gezonde persoon moeilijk kan zijn zich in te beelden wat zijn situatie op dat ogenblik zal zijn.

    Daarom is hij van mening dat de wilsverklaring moet worden afgelegd in aanwezigheid van getuigen en dat ze geregeld moet worden bevestigd.

    Een procedure is wel noodzakelijk, maar het is niet wenselijk dat die allesoverheersend wordt in het geval van euthanasie.

    De procedure bestaat eerst en vooral in de verplichting om, wanneer iemand overlijdt als gevolg van euthanasie, niet alleen bij de burgerlijke stand, maar ook bij de procureur des Konings een aangifte te doen met vermelding van de identiteit, de aandoening, de gevolgde procedure, de geraadpleegde personen, de datum en het uur van het overlijden.

    Het is immers van fundamenteel belang dat het overlijden als gevolg van euthanasie als een natuurlijke dood wordt beschouwd (vooral met betrekking tot de verzekeringen) en dat aangifte wordt gedaan bij het parket.

    Geen enkele arts is uiteraard verplicht in te gaan op een verzoek om euthanasie.

    Toch vraagt de ethiek dat, indien een arts, om redenen die hem eigen zijn en achtenswaardig zijn, weigert in te gaan op een verzoek om euthanasie, hij de patiŽnt daarover inlicht.

    Die redenen kunnen verband houden met de patiŽnt zelf, of met de persoonlijke filosofische of religieuze overtuigingen van de arts.

    Ten slotte bepaalt het wetsvoorstel dat euthanasie niet geoorloofd is in het geval van zwangere vrouwen die een levensvatbaar kind dragen.

    De indieners van het wetsvoorstel vinden het belangrijk dat het Strafwetboek wordt aangepast, om uit de huidige situatie te geraken. Er is al op gewezen dat vergissingen door machtsmisbruik of door tekortkoming moeten worden vermeden in situaties waarin het slachtoffer, per definitie, zijn stem niet meer kan laten horen.

    Thans gaat het om fouten door tekortkoming, omdat een zeer groot aantal artsen deze ultieme verantwoordelijkheid niet op zich willen nemen, maar soms ook om fouten door machtsoverschrijding die niet kunnen worden gecontroleerd, en die door de toekomstige wet moeten worden beperkt (cf. de 3 % euthanasie die wordt uitgevoerd zonder verzoek van de patiŽnt, waarnaar de studie van Hasselt verwijst).

    De nieuwe wet zou dus een enorme verbetering van de situatie met zich moeten meebrengen, zowel op menselijk als op ethisch gebied.

    Ten slotte moet het Burgerlijk Wetboek worden gewijzigd met betrekking tot het afgeven van het verlof voor de teraardebestelling, alsook de vermelding in de registers van de burgerlijke stand dat het gaat om een overlijden als gevolg van euthanasie.

    Tot besluit wijst spreker erop dat, met betrekking tot het pijnlijke probleem van euthanasie, een parlementaire vergadering geneigd zou kunnen zijn over het probleem te theoretiseren.

    Het resultaat van de parlementaire werkzaamheden zal een wettekst zijn, met de nodige onbuigzaamheid, zelfs strengheid, maar ook onverstaanbaarheid.

    Naast dit parlementair werkstuk moet men ook oog hebben voor allen die lijden en zich verlaten voelen.

    Het is juist om hen beter te kunnen helpen, met alle ≠ talrijke ≠ middelen die bestaan en, inzonderheid, het depenaliseren van euthanasie, dat we vooruitgang willen boeken in deze problematiek.

    Spreker wenst vurig dat dankzij dit debat een belangrijke vooruitgang kan worden geboekt, met de grootst mogelijke overeenstemming, en zo nodig met vermelding van de tegenstellingen.

    Op die wijze zou men een grote stap voorwaarts hebben gezet, zowel op parlementair als op menselijk gebied.


    2. Wetsvoorstel betreffende het verzoek om levensbeŽindiging (van de heer Philippe Monfils), nr. 2-22/1

    Inleidende uiteenzetting van de indiener van het wetsvoorstel

    De indiener is verheugd over het feit dat dit debat nu kan worden gevoerd, want tot nu toe kon het Parlement op dit gebied niet optreden als er geen consensus bestond binnen de regeringsmeerderheid.

    Deze wil om het debat te blokkeren is niet beperkt tot het onderwerp euthanasie. De volledige bio-ethische sector wordt getroffen door deze parlementaire verlamming.

    Als gevolg daarvan is bijvoorbeeld nog geen enkele beslissing genomen over de vraag of de Europese overeenkomst inzake bio-ethiek al dan niet moet worden geratificeerd.

    Er is nog geen enkel debat ernstig aangevat of althans tot een goed einde gebracht over een aantal fundamentele zaken, zoals het onderzoek op embryo's, germinale therapie, enzovoort.

    De situatie is evenwel gewijzigd en nu is een parlementair debat mogelijk, waarna beslissingen kunnen worden genomen volgens de meerderheidsregel.

    De situatie inzake euthanasie kan worden samengevat in een kernachtige zin : euthanasie is verboden, maar wordt toegepast. Uit recente cijfers van het Raadgevend Comitť voor bio-ethiek blijkt dat het aantal gevallen van euthanasie in ons land zeer gelijklopend is met het aantal in Nederland, waar euthanasie niet wordt vervolgd als aan een aantal voorwaarden is voldaan.

    In tegenstelling tot Nederland blijkt dat in BelgiŽ vaker euthanasie zou worden toegepast zonder verzoek van de patiŽnt (viermaal meer dan in Nederland).

    Deze situatie wijst op de risico's van het clandestiene uitvoeren van euthanasie in ons land. In deze situatie van geheimhouding en illegaliteit is men er niet zeker van dat alles waardig en zonder misbruik gebeurt.

    Zo is men er thans bijvoorbeeld helemaal niet zeker van dat de verzoeken om euthanasie worden geformuleerd met inachtneming van een aantal voorwaarden waarover bij de verschillende indieners een consensus bestaat, zoals de ongeneeslijke ziekte die een ondraaglijk lijden veroorzaakt. Men is er evenmin zeker van dat een echte dialoog plaatsvond tussen de patiŽnt en de arts, en dat het verzoek om euthanasie geen wanhoopsdaad was, die misschien kon worden verijdeld als die dialoog werkelijk had plaatsgehad.

    Men is er ook niet zeker van dat euthanasie, in bepaalde gevallen, niet wordt uitgevoerd uit economische overwegingen.

    Er bestaat evenmin zekerheid dat de euthanasie altijd door een arts wordt toegepast en dat de levensbeŽindiging geen moeilijkheden met zich meebrengt op financieel gebied of op erfrechtelijk gebied.

    De clandestiniteit leidt dus noodzakelijkerwijze tot een aantal vragen over wat zich werkelijk afspeelt op dat gebied.

    Bovendien is het uit een meer juridisch oogpunt verbazingwekkend dat sommigen de huidige situatie wensen te behouden ≠ namelijk het clandestien toepassen van euthanasie ≠ terwijl, als de cijfers correct zijn, het verbod om te doden, dat is opgenomen in het Strafwetboek, 3 000 maal per jaar bewust zou worden overtreden.

    En wat als een parket morgen zou beslissen op te treden en een arts die het strafrechtelijk verbod heeft overtreden, naar de gevangenis te sturen ?

    Moeten we wachten op een nieuwe zaak-Peers opdat het Parlement zich, zoals toen vele jaren na het welbekende drama, over de euthanasieproblematiek zou buigen ?

    Waarom de huidige regeling wijzigen ?

    Soms wordt gezegd dat het niet nodig is wetgevend op te treden inzake euthanasie.

    Er wordt vergeten dat de wet al bestaat, aangezien het Strafwetboek doodslag bestraft.

    We moeten dus logisch zijn.

    Ofwel vindt een meerderheid in het Parlement dat doodslag, zelfs op verzoek van een patiŽnt en onder bepaalde voorwaarden, altijd of bijna altijd beschouwd wordt als een overtreding van een verbodsbepaling van het Strafwetboek.

    In dat geval moeten zij die euthanasie clandestien toepassen uiteraard worden vervolgd.

    Ofwel moeten we ervan uitgaan dat die verbodsbepaling niet verantwoord is in bepaalde omstandigheden, en dan moet wetgevend worden opgetreden om zo exact mogelijk de omstandigheden te bepalen waarin doodslag niet wordt beschouwd als een overtreding van het strafrecht.

    Sommigen zagen in de voorstellen die de parlementsleden in verband met euthanasie hebben ingediend een vorm van passiviteit, of zelfs zwakheid ten opzichte van de huidige situatie.

    De voorstellen zouden alleen bedoeld zijn om een wettelijke basis te geven aan wat nu onwettig is. In werkelijkheid moet het probleem niet op die wijze worden voorgesteld.

    Indiener heeft, samen met anderen, een voorstel inzake euthanasie ingediend, omdat hij gelooft dat, in bepaalde omstandigheden (ernstige ongeneeslijke ziekte, ondraaglijk lijden, ...) rekening moet worden gehouden met de autonomie van de menselijke persoon.

    Er is al heel lang geleden een debat aangevat over de grondslag van elke vorm van ethiek.

    Het Raadgevend Comitť voor bio-ethiek wijst er trouwens op dat er twee standpunten bestaan.

    Enerzijds, is er het standpunt volgens hetwelk het mens-zijn gebaseerd is op de intersubjectiviteit, namelijk de onvermijdelijke relatie van ieder mens tot de ander. Men kan niet ontsnappen aan die relatie, die de grondslag vormt van elke maatschappelijke band, met andere woorden van elke ethiek en van elk recht. Ook de autonomie, waarop de voorstanders van euthanasie aanspraak maken, is in die stelling aan voorwaarden gebonden. Daarom gaat euthanasie in tegen de grondslag van de menselijkheid, aldus dit standpunt.

    Anderzijds, het standpunt volgens hetwelk zich, naast de waarde van de verdediging van het leven, andere waarden hebben ontwikkeld zoals de levenskwaliteit, het respect voor de menselijke waardigheid, de wens om niet zinloos te lijden, enzovoort. In een pluralistische maatschappij worden waardeconflicten beslecht door de autonomie van de betrokkene, met als enige voorwaarde dat zijn keuze geen schade toebrengt aan de leden van de maatschappij die een andere mening zouden hebben. Kiezen voor euthanasie beantwoordt duidelijk aan die voorwaarde. Een pluralistische maatschappij moet het nodige kader creŽren om die keuze te kunnen maken in omstandigheden waarin de menselijke waardigheid integraal wordt gerespecteerd.

    Het debat over deze opvattingen ≠ autonomie van de persoon als absolute waarde of als element van intersubjectiviteit ≠ zal nooit volledig kunnen worden beslecht. In elke menselijke samenleving zijn er trouwens voorstanders van ťťn van beide houdingen.

    Ook binnen het Raadgevend Comitť voor bio-ethiek zijn uiterst diepe meningsverschillen aan het licht gekomen, die uiteindelijk geleid hebben tot het bepalen van vier standpunten.

    De verantwoordelijkheid van de politicus bestaat erin dat hij moet beslissen. Elk parlementslid moet in geweten een standpunt innemen.

    Spreker sluit zich aan bij ťťn van de standpunten van het advies van het Raadgevend Comitť voor bio-ethiek, namelijk dat in een democratische maatschappij de wet geen handeling mag verbieden die geen gevaar, althans geen potentieel gevaar, inhoudt voor de medemens of voor de maatschappij.

    De wet moet expliciet het recht van elk individu garanderen om over zichzelf te beschikken, over zijn leven, en om te leven volgens zijn overtuiging, als hij die van de anderen respecteert.

    De indiener van het wetsvoorstel wenst dat de strafwet in die zin wordt gewijzigd, en dat ze bepaalt dat er geen misdaad noch wanbedrijf is wanneer de levensbeŽindiging het resultaat is van een handeling die wordt verricht door een arts op verzoek van een persoon die lijdt aan een ongeneeslijke ziekte die een ondraaglijk lijden veroorzaakt.

    Het debat lijkt nu rijp om te worden afgerond.

    Sedert jaren zijn voorstellen ingediend en de bevolking is zich bewust geworden van het probleem.

    In de Senaat is een zeer grondig debat gevoerd. Een twintigtal personen zijn gehoord. Het Raadgevend Comitť voor bio-ethiek is opnieuw gehoord door de verenigde commissies.

    Die moeten nu het probleem concreet aanpakken, zoals dat in een parlementaire assemblee het geval is voor alle onderwerpen.

    Als meer concreet de voorwaarden worden bepaald van een wet die euthanasie toelaat, moet de tekst duidelijk genoeg zijn opdat de deur niet wordt geopend voor om het even welke handeling of voor om het even welke manipulatie.

    In dit opzicht moet, ook al is een adequate definitie gegeven door het Raadgevend Comitť voor bio-ethiek, gepreciseerd worden dat deze handeling alleen mag worden gesteld op verzoek van de patiŽnt, die lijdt aan een ongeneeslijke ziekte, die ondraaglijk lijden veroorzaakt.

    Het debat zal zeker nog verduidelijkingen opleveren voor deze laatste begrippen.

    De getuigenissen tonen duidelijk aan dat het verzoek om euthanasie meer geformuleerd wordt door een patiŽnt dan men gelooft, niet alleen als gevolg van zijn fysiek lijden, maar omdat zijn moreel lijden ondraaglijk is. Dat vormt een inbreuk op de waardigheid.

    De indiener van het voorstel heeft in het debat over euthanasie nooit gewag willen maken van de getuigenissen die hij gekregen heeft.

    Nochtans tonen de talrijke getuigenissen, ook diegene die men in de media kan lezen, duidelijk aan dat de morele noodtoestand dikwijls zo erg is dat de betrokkene om euthanasie vraagt.

    Een zeer delicaat punt is de vraag of in de lijst van criteria moet worden opgenomen dat het overlijden op korte termijn moet plaatsvinden, of dat het verzoek moet worden geformuleerd in de terminale fase van een ziekte.

    Ook wat dit punt betreft, tonen de adviezen duidelijk aan dat het begrip terminale fase, in de veronderstelling dat die min of meer precies kan worden vastgesteld, talrijke problemen doet rijzen met betrekking tot bepaalde verzoeken waarop niet zou kunnen worden ingegaan, terwijl de nood daar ook zeer groot is, en de wil om er een einde aan te maken duidelijk is en door de patiŽnt meermaals is bevestigd.

    Spreker zal horen wat de andere leden hierover zeggen om te zien hoe een consensus kan worden gevonden met de indieners van de andere voorstellen.

    Het is overigens evident dat het verzoek om euthanasie niet als een eenvoudige administratieve handeling kan worden beschouwd.

    Er is sprake van een patiŽnt die lijdt en van een arts die probeert hem te verzorgen, maar niets meer vermag op geneeskundig gebied.

    Daarom is de dialoog tussen arts en patiŽnt van wezenlijk belang.

    Een verzoek om euthanasie kan ook worden beschouwd als een noodkreet, die andere oplossingen zou vragen dan een louter medische ingreep die een einde maakt aan het leven van de patiŽnt.

    Daarom stelt spreker in zijn voorstel voor dat het verzoek om euthanasie tweemaal wordt geformuleerd, met daartussen een periode tijdens welke de patiŽnt zich kan onderhouden met de persoon of personen van zijn keuze.

    Als hij de tweede keer bij zijn standpunt blijft, kan de procedure worden gestart.

    Spreker wijst erop dat, wat hem betreft, de beslissing inzake euthanasie fundamenteel aan de patiŽnt toekomt.

    Daarom lijkt het hem niet wenselijk een soort sociale controle uit te oefenen op de wil van de patiŽnt, door de beslissing gepaard te laten gaan met een reeks min of meer officiŽle adviezen, die uiteindelijk, in feite of in rechte, in de plaats zouden komen van de wil van de patiŽnt.

    Het is zijn autonomie, zijn verantwoordelijkheid, en in laatste instantie is hij meester van zijn lot.

    Hij moet uiteraard informatie krijgen over het ongeneeslijke karakter van zijn ziekte, hij moet alle mogelijkheden krijgen en hij moet worden ingelicht over alle middelen die mogelijk zijn om te voorkomen dat hij ondraaglijk lijdt.

    De patiŽnt moet zich ook kunnen richten tot alle personen die hij wil raadplegen. In laatste instantie gaat het echter om zijn leven en zijn dood, en het komt hem toe de beslissing te nemen.

    In het voorstel dat spreker enkele jaren geleden in de Senaat heeft ingediend, was geen sprake van de wilsverklaring.

    In de opvatting van die tijd vond hij het moeilijk aanvaardbaar dat een jongere een levenstestament zou opstellen dat jaren later zou worden bovengehaald, om te beslissen hoe in zijn geval moest worden gehandeld.

    Sedertdien zijn de opvattingen geŽvolueerd. Het lijkt mogelijk te overwegen dat dit levenstestament elke vijf jaar moet worden bevestigd en dat, eveneens om de vijf jaar, kan worden teruggekomen op de aanstelling van een eventuele vertegenwoordiger, zodat de wil van de betrokkene werkelijk tot uiting komt. Over deze zaak redeneert men op twintigjarige leeftijd immers anders dan op zestigjarige leeftijd.

    Ten slotte hebben sommigen gevraagd een debat aan te vatten over het probleem van de wilsonbekwamen met betrekking tot euthanasie.

    Voor de spreker moet hierover geen debat worden gevoerd.

    Volgens hem mag geen enkele aanwijzing, in de vorm van een levenstestament dat uitgaat van een minderjarige, in aanmerking worden genomen.

    Euthanasie, in welke vorm dan ook, mag helemaal niet worden toegelaten voor personen die hun wil niet kunnen uitdrukken, inzonderheid mentaal gehandicapten.

    Euthanasie is bedoeld voor volwassen die in staat zijn hun wil uit te drukken of die een wilsverklaring hebben opgesteld waarin zij aangeven op welke wijze en onder welke voorwaarden hun leven mag worden beŽindigd, voor zover de garantie bestaat dat deze verklaring werkelijk de volgehouden wil van de persoon uitdrukt.

    Dit wetsvoorstel heeft geen betrekking op de palliatieve zorg, niet omdat de indiener negatief staat tegenover deze zorgverlening, maar omdat hij meent dat het niet de goede aanpak is euthanasie tegenover de palliatieve zorg te plaatsen.

    Volgens hem is palliatieve zorg complementair met de euthanasieprocedure.

    Personen die om euthanasie verzoeken, mogen niet verplicht worden eerst palliatieve zorg te ondergaan.

    Ook wat dit punt betreft, moet de autonomie van de patiŽnt doorslaggevend zijn.

    De palliatieve zorg kan echter wel een mogelijkheid bieden om het fysiek en/of het psychisch lijden van een persoon te lenigen.

    Daarom zou spreker het logisch vinden dat, los van de wetsvoorstellen betreffende euthanasie, een ander wetsvoorstel wordt uitgewerkt dat de regels voor de organisatie en de werking van palliatieve zorg bepaalt.

    Wat de gerechtelijke behandeling van de beslissingen omtrent euthanasie betreft, heeft het voorstel van de spreker, zoals andere voorstellen, gekozen voor de overzending a posteriori aan de procureur des Konings van het dossier dat de vereiste informatie bevat. Als er geen probleem rijst, wordt het dossier geseponeerd. In het andere geval komt er een vervolging.

    Spreker zegt evenwel open te staan voor de bedenkingen van bepaalde collega's, die de oprichting overwegen van een evaluatiecommissie samengesteld uit deskundige personen (juristen, artsen, ...). Het lijkt niet mogelijk een quasi jurisdictionele commissie op te richten, wat voor ernstige problemen zou kunnen zorgen.

    Men zou daarentegen wel kunnen nagaan of een systeem kan worden uitgewerkt zoals dat voor de evaluatie van de wet betreffende de zwangerschapsafbreking.

    Ten slotte zullen waarschijnlijk ook elementen uit andere voorstellen, zoals de garanties op financieel gebied, de vrijheid van de artsen, enz., in het debat aan bod komen.

    In het kader van deze toelichting wou de spreker zich beperken tot de fundamentele elementen van het probleem.

    Tot besluit verklaart hij dat het dossier volgens hem rijp is.

    In het kader van de discussie die nu zal worden gevoerd, kan elkeen zijn argumenten uiteenzetten en amendementen indienen.

    Vervolgens moet iedereen, zoals in alle democratische assemblees, zijn verantwoordelijkheden opnemen ten opzichte van zijn eigen geweten en ten opzichte van de publieke opinie.

    Spreker zelf heeft dat vijf jaar geleden al gedaan, door een wetsvoorstel in te dienen, en zal dat blijven doen.


    3. Wetsvoorstel strekkende tot de vergroting van het medebeslissingsrecht van de patiŽnt via de invoering van een behandelingsbeschikking (van de heer Frans Lozie en mevrouw Jacinta De Roeck); nr. 2-86/1

    Inleidende uiteenzetting door een van de indieners

    Spreekster wenst vooreerst haar dank uit te spreken aan de hele groep mensen die aan het tot stand komen van dit wetsvoorstel hebben meegewerkt, in het bijzonder de heren Jo Cuyvers en Eddy Boutmans, die respectievelijk de ethische en de juridische aspecten van het probleem in de tekst hebben vertaald.

    Zij stelt vast dat het euthanasievraagstuk maatschappelijk bespreekbaar is geworden. Heel wat gezinnen worden, mede door de evoluties in de geneeskunde, met deze problematiek geconfronteerd. Uit een recent televisieprogramma bleek nog dat 47 % van de 11 ŗ 12-jarigen weet wat het woord betekent.

    Daarnaast is er het feit dat de artsen in een erg dubbelzinnige situatie verkeren. Wanneer zij uit betrokkenheid bij de toestand van hun patiŽnt op een vraag tot levensbeŽindiging wensen in te gaan, kunnen zij dit alleen door wetens en willens de wet te overtreden. De overtuiging groeit dat dit een onhoudbare situatie is.

    Er is derhalve een maatschappelijke basis om niet alleen het debat dat al een hele tijd wordt gevoerd; voort te zetten, maar ook om tot een resultaat te komen.

    Het voorliggende voorstel hanteert een strikte definitie van het begrip euthanasie. Hieronder vallen niet :

    ≠ de patiŽnt een natuurlijke dood laten sterven zonder verder therapeutisch ingrijpen wanneer dit zinloos geworden is;

    ≠ het toedienen van zware pijnstillers om het leed van de patiŽnt te verzachten, die echter indirect de dood kunnen versnellen.

    In de optiek van het voorstel betreft het hier twee handelwijzen die tot de normale medische deontologie behoren en derhalve geen bijzondere wettelijke regeling vereisen.

    Euthanasie veronderstelt een actieve ingreep van de arts waarbij het leven van de patiŽnt op diens uitdrukkelijk verzoek wordt beŽindigd.

    In de tekst wordt de vroeger gehanteerde term ę levenstestament Ľ vervangen door het begrip ę behandelingsbeschikking Ľ. Hiermee wordt beklemtoond dat de uiteindelijke keuze voor levensbeŽindiging bij de patiŽnt ligt, maar dat deze keuze tot stand moet komen in een vertrouwensrelatie tussen de patiŽnt en de arts. Deze laatste kan overigens nooit worden verplicht in te gaan op de wens tot levensbeŽindiging van de patiŽnt. Indien de behandelende arts om morele of andere redenen niet op het verzoek van de patiŽnt kan of wil ingaan, moet hij wel tijdig een collega verwittigen die hem kan vervangen.

    Essentieel bij dit alles is de noodzaak dat de patiŽnt precies wordt ingelicht over zijn toestand. De wijze waarop dit dient te gebeuren kan moeilijk in algemene regels worden gevat. Zij wordt in het licht van de individuele situatie bepaald binnen de vertrouwensrelatie tussen de patiŽnt en de arts. Het feit dat de arts hierbij maximaal rekening moet houden met de persoonlijke toestand van de patiŽnt, belet niet dat het recht op informatie van deze laatste, bijvoorbeeld over de vraag of zijn aandoening een uitzichtloos karakter heeft, wettelijk afdwingbaar is.

    In de visie van het voorstel kan een behandelingsbeschikking alleen worden opgemaakt door een wilsbekwame meerderjarige persoon, maar zij kan wel op om het even welk ogenblik worden opgemaakt, ook wanneer de betrokkene volkomen gezond is. Dit houdt vanzelfsprekend in dat de beschikking te allen tijde door de patiŽnt kan worden gewijzigd of ingetrokken. De houding ten aanzien van lijden of dood van een 25-jarige kan immers evolueren naarmate deze persoon ouder wordt.

    Een wijziging van de behandelingsbeschikking is eveneens alleen maar mogelijk indien de patiŽnt bij het volle bewustzijn is. Zij is derhalve niet mogelijk voor een dementerende of voor een persoon die in coma is. Men moet er immers van uitgaan dat het opmaken van een behandelingsbeschikking het gevolg is van een grondige reflexie, van een weg die de patiŽnt mentaal heeft afgelegd.

    Het gegeven dat de behandelingsbeschikking in de eerste plaats een aangelegenheid is tussen de arts en de patiŽnt wil nog niet zeggen dat zij niet wettelijk dient te worden omkaderd en dat een reeks zorgvuldigheidseisen moeten worden gerespecteerd.

    Vooreerst is het van fundamenteel belang dat de behandelingsbeschikking wordt gesitueerd in een beleid van palliatieve zorg en stervensbegeleiding. Er is op dit vlak al een en ander gebeurd, maar er dient nog een hele weg te worden afgelegd op diverse terreinen, bijvoorbeeld de opleiding van het medisch personeel. Het is pas wanneer op dit vlak alle mogelijkheden uitgeput zijn, dat de vraag naar levensbeŽindiging zal worden gesteld.

    Daarnaast is ingrijpen van de wetgever noodzakelijk om mogelijke misbruiken tegen te gaan. Een behandelingsbeschikking kan slechts worden opgesteld door iemand die zich niet alleen ten volle bewust is van de beslissing die hij of zij neemt, maar die bovendien volledig geÔnformeerd is over de mogelijke consequenties ervan. De arts kan zijn patiŽnt inlichten over de mogelijkheid van een behandelingsbeschikking, maar deze kan vanzelfsprekend nooit worden opgedrongen.

    De beschikking moet in drievoud worden opgemaakt. Eťn exemplaar is in handen van de arts die de patiŽnt normaliter behandelt. De patiŽnt zelf bezit vanzelfsprekend ook een exemplaar. Dit moet het mogelijk maken zijn wil uit te voeren (en zijn normale arts op te sporen) indien hij bij een andere geneesheer of in een vreemd ziekenhuis terecht komt.

    Ook de uitvoering van de beschikking moet met de nodige garanties omkleed zijn. Ze is slechts mogelijk nadat een tweede arts is geraadpleegd. Die moet schriftelijk bevestigen dat de toestand van de patiŽnt uitzichtloos is. Mogelijk moet hij de beschikking uitvoeren indien de behandelende arts zich in extremis toch nog voor een gewetensconflict geplaatst ziet.

    Hierbij is het van fundamenteel belang dat de uiteindelijke beslissing over de uitvoering, welke deze ook is, enkel en alleen bij de patiŽnt blijft.

    Niet onbelangrijk ten slotte zijn de bepalingen die de verzekeringswetgeving aanpassen. In deze materie mag er immers geen onderscheid worden gemaakt tussen de uitvoering van een behandelingsbeschikking en een natuurlijke dood.

    Nadat de beschikking uitgevoerd is, moet de arts een grondig verslag opmaken dat naar de procureur des Konings wordt verzonden. Deze dient met name over alle gegevens te beschikken om te controleren of de voorgeschreven procedures opgevolgd werden en de rechten van de patiŽnt gerespecteerd.

    De procureur des Konings brengt op basis van deze rapporten aan de minister van Justitie jaarlijks verslag uit over de uitgevoerde beschikkingen en over mogelijke betwistingen die in dit verband zijn gerezen. De minister van Justitie rapporteert op zijn beurt de bevoegde parlementscommissies en het raadgevend comitť voor bio-ethiek. Deze procedure moet, enerzijds, een permanente controle van het beleid en, anderzijds, eventuele bijsturingen van de regeling mogelijk maken.

    Spreekster besluit dat, wie de vier wetsvoorstellen die op de agenda staan naast elkaar legt, tot de vaststelling zal komen dat de teksten zeer dicht bij elkaar liggen. De kansen om in deze materie eindelijk tot een concreet resultaat te komen zijn derhalve beter dan ooit. Toch acht zij het van het grootste belang dat in een open debat iedereen de mogelijkheid krijgt zijn standpunt naar voor te brengen, vooraleer wetgevende teksten ter stemming worden gelegd.


    4. Wetsvoorstel op de euthanasie (van mevrouw Jeannine Leduc); nr. 2-105/1

    4.1. Inleidende uiteenzetting door de indiener van het wetsvoorstel

    Spreekster wenst op haar beurt hulde te brengen aan de mensen die dit debat gedurende jaren hebben voorbereid. Het betreft hier immers geen nieuwe problematiek. Zelf heeft zij 20 jaar geleden in de eigen familie meegemaakt hoe een patiŽnt aan zijn lot moest worden overgelaten omdat de betrokken artsen hun verantwoordelijkheid niet konden opnemen.

    Het wetsvoorstel dat zij samen met anderen heeft ingediend, steunt op een dubbel uitgangspunt :

    ≠ wanneer leven geen leven meer is en zowel het fysieke als het psychische leiden onnoembaar en ondraaglijk geworden zijn, moet een zachte dood kunnen worden overwogen;

    ≠ niets is persoonlijker dan de eigen dood en de beslissing ter zake moet bij de patiŽnt zelf liggen ,die het recht heeft volledig te worden geÔnformeerd over zijn toestand.

    De wens om levensbeŽindigend handelen kan worden geuit via het opstellen van een levenstestament of door tijdens een terminale ziekte de wens te kennen te geven, om uit het ondraaglijke leiden te worden verlost.

    Het debat over euthanasie is niet nieuw. Al enkele jaren geleden kon, ondermeer in de Senaat, worden vastgesteld hoe dicht de meningen terzake naar elkaar waren toegegroeid. Toch moet men vaststellen dat door onze artsen, al dan niet op vraag van de patiŽnt, nog altijd levens worden beŽindigd op verborgen wijze en in een juridische schemerzone. Er is een sterke hypocrisie in de huidige situatie. Iedereen weet dat het gebeurt maar er wordt zo weinig mogelijk over gepraat.

    Het hoeft geen betoog dat een dergelijke toestand uitermate belastend is voor artsen, die uit betrokkenheid met hun patiŽnt deze handeling stellen.

    Wie de medische realiteit kent, kent ook de machteloosheid van terminale patiŽnten in hun laatste levensfase, die door de pijn de controle over hun levensfuncties hebben verloren. Deze patiŽnten moeten vanzelfsprekend maximaal beroep kunnen doen op palliatieve zorgverlening. Wanneer echter ook deze niet meer baat en leven geen leven meer is, dan moet het leven van de patiŽnt kunnen worden beŽindigd indien deze hier uitdrukkelijk om vraagt.

    Vandaar dat het noodzakelijk is dat er op korte termijn een duidelijke en toepasbare wettelijke regeling komt die in onze wetgeving een onderscheid maakt tussen doodslag enerzijds en levensbeŽindiging door een arts bij een terminale patiŽnt die hierom vrijwillig en op een weloverwogen wijze verzoekt omdat hij zijn lijden niet meer kan dragen anderzijds.

    Spreekster gaat vervolgens in op de tekst van het wetsvoorstel. Zowel de adviezen van het Raadgevend Comitť voor bio-ethiek als de andere literatuur over deze aangelegenheid wijzen op het belang van een precieze terminologie. Wat is euthanasie, wat verstaat men onder een terminale patiŽnt ? Deze definities worden gegeven in artikel 2.

    Het voorstel heeft alleen betrekking op handelingsbekwame meerderjarigen en ontvoogde minderjarigen. De auteurs betwisten niet dat ook andere minderjarigen in de terminale fase van een ziekte een verlangen tot levensbeŽindiging kunnen hebben. Zij vinden echter dat deze zeer delicate materie momenteel onvoldoende uitgeklaard is om nu reeds tot wetgevend werk over te gaan.

    Ook personen in demente toestand kunnen geen levenstestament maken of de wil uiten dat hun leven wordt beŽindigd.

    In het ę levenstestament Ľ of de ę behandelingsbeschikking Ľ zoals anderen dit noemen, geeft een persoon, voor hij zich in een terminale toestand bevindt, zijn wil te kennen dat de arts die hem dan zal behandelen mag overgaan tot een vorm van levensbeŽindigend handelen. Hij doet dit met het oog op het moment dat hij zijn wil niet meer kan uiten.

    Het spreekt voor zich dat het levenstestament te allen tijde kan worden herroepen.

    Elke patiŽnt die geen levenstestament heeft gemaakt kan, wanneer hij in een terminale fase is, de arts vragen dat zijn leven wordt beŽindigd. Deze wilsuiting is, zoals de uitvoering van het levenstestament, aan strenge voorwaarden onderworpen. Zij dient schriftelijk te worden opgesteld. Indien dit onmogelijk zou zijn wegens de toestand van de patiŽnt, gebeurt ze mondeling in het bijzijn van twee onafhankelijke getuigen. Deze mondelinge wilsuiting wordt door de arts geacteerd en door de twee getuigen mede-ondertekend.

    De uitvoering van het levenstestament of de wilsuiting is nog aan een reeks andere voorwaarden gebonden. Zij moet binnen 48 uur door de patiŽnt worden bevestigd; een tweede arts moet bevestigen dat de patiŽnt zich in een terminale fase bevindt; er moet een medisch dossier worden opgemaakt waarin alle voorgeschreven bewijsstukken zijn opgenomen enz.

    Indien de patiŽnt niet in staat is zijn wilsuiting of zijn levenstestament te bevestigen geldt een bijzondere procedure die nog strenger omkaderd is.

    LevensbeŽindigend handelen is niet mogelijk bij patiŽnten die een levensvatbaar kind dragen.

    Zoals in de andere voorstellen die werden ingediend, respecteert deze tekst de gewetensvrijheid van de arts. Geen enkele geneesheer kan worden gedwongen om tot euthanasie over te gaan.

    Juridisch-technisch wordt een patiŽnt wiens leven onder de in het voorstel omschreven voorwaarden werd beŽindigd, gelijk gesteld met een persoon die een natuurlijke dood is gestorven. In de overlijdensakte wordt wel vermeld dat het leven van de betrokkene op zijn verzoek werd beŽindigd.

    In het Strafwetboek wordt een artikel 417bis ingeschreven dat bepaalt onder welke voorwaarden levensbeŽindiging op verzoek van een terminale patiŽnt niet als een misdaad of een wanbedrijf wordt beschouwd.

    In dit artikel worden, naast de basisvoorwaarden die moeten vervuld zijn om tot levensbeŽindigend handelen over te gaan, expliciet de negen zorgvuldigheidsvereisten vermeld die in acht dienen te worden genomen. De negende vereiste houdt in dat het verslag van de arts wordt bezorgd aan een toetsingscommissie. De auteurs hebben hierbij een orgaan voor ogen dat enigszins vergelijkbaar is met de huidige commissie die toeziet op de wetgeving inzake zwangerschapsafbreking. Wat de samenstelling betreft, bestaat zij uit een gelijk aantal artsen en juristen en dienen de levensbeschouwelijke evenwichten te worden gerespecteerd.

    De toetsingscommissie heeft een algemene opdracht wat de registratie van de handelingen en de rapportering aan de politieke gezagsdragers betreft. Daarnaast kan zij met twee-derden meerderheid beslissen dat een concreet dossier aan het gerecht wordt bezorgd indien er een vermoeden is dat de zorgvuldigheidsvereisten niet werden gerespecteerd. Het moet echter duidelijk zijn dat de commissie autonoom functioneert. Het kan geen beroepsinstantie zijn voor bijvoorbeeld personen die geen baat hadden bij de euthanasie.

    Naast dit voorstel heeft de fractie van de indiener van het wetsvoorstel nog een afzonderlijk voorstel inzake palliatieve zorg ingediend. Een van de zorgvuldigheidsvereisten voor het levensbeŽindigend handelen is overigens dat met de patiŽnt grondig overleg is gepleegd wat de mogelijkheden op dit vlak betreft. Zoals andere sprekers echter reeds hebben verklaard, kan palliatieve zorg, hoe belangrijk ook, niet volstaan om alle patiŽnten uit hun ondraaglijk lijden te verlossen.

    Spreekster besluit dat dit debat de voorbije jaren grondig is voorbereid. Alle gegevens om tot een resultaat te komen zijn bekend en de voorstellen die hier voorliggen wijzen erop dat ook de wil hiertoe aanwezig is. Zij hoopt dan ook dat de Senaat zijn verantwoordelijkheid zal opnemen en deze aangelegenheid niet andermaal op de lange baan zal schuiven door nogmaals allerlei instanties te gaan raadplegen.

    4.2. Toelichting door de heren Vankrunkelsven en Van Quickenborne bij de amendementen nrs. 1 tot 3 op het wetsvoorstel op de euthanasie nr. 2-105/1

    Een van de indieners merkt op dat ook zijn fractie veel belang hecht aan palliatieve zorgverlening, maar tegelijk beseft dat deze vorm van hulpverlening geen oplossing kan bieden voor alle problemen en vragen rond het levenseinde, en met name niet altijd de mogelijkheid biedt om het ernstige leed van sommige patiŽnten te verzachten.

    Wie geregeld contact heeft met artsen, weet dat de huidige wetgeving hen voor een ernstig gewetensconflict plaatst. In het nauwe contact dat zij met de patiŽnt hebben, kunnen zij tot de overtuiging komen dat deze wenst dat zijn leven wordt beŽindigd om uit het lijden te worden verlost. Als zij in eer en geweten bereid zijn op deze wens in te gaan, overtreden zij evenwel wetens en willens de strafwet. Een wetswijziging ten aanzien van deze aangelegenheid is derhalve zeker verantwoord.

    Hij is van oordeel dat van de vijf wetsvoorstellen die met deze doelstelling werden ingediend, het wetsvoorstel nr. 2-105/1 het meeste kans maakt om tot een consensus onder de leden te komen. De tekst is evenwichtig en gedetailleerd. Er worden bovendien een aantal zorgvuldigheidsvereisten ingebouwd, die de garantie bieden dat de rechten van de patiŽnt ten volle worden gerespecteerd. Ondanks deze zorgvuldigheidsvereisten, die de rechtszekerheid moeten garanderen, legt het voorstel sterk de nadruk op de vertrouwensrelatie tussen de arts en de patiŽnt.

    Vandaar dat dit wetsvoorstel door de indieners van het amendement werd gekozen als werkdocument en werd besloten hierop een aantal amendementen in te dienen. Hoewel ze globaal akkoord kunnen gaan met de uitgangspunten van dit voorstel, wensen de indieners toch een aantal eigen accenten te leggen.

    Zo vinden zij dat de problematiek van de euthanasie bij wilsonbekwamen onvoldoende is uitgewerkt. Tijdens de bespreking die heeft plaatsgevonden bleek dat een aantal fracties, zeker in een eerste fase, deze aangelegenheid buiten het debat willen houden. De commissie kan echter niet zonder meer aan de problemen van wilsonbekwamen voorbij gaan. Op zijn minst zou deze problematiek in de toelichtende documenten aan bod moeten komen en worden aangegeven dat wetgevend werk noodzakelijk is.

    Artikel 4

    De heren Vankrunkelsven en Van Quickenborne dienen op dit artikel de amendementen nr. 1, A tot F, in (Stuk Senaat, nr. 2-105/2).

    Een van de indieners merkt op dat de amendementen A en B geÔnspireerd zijn op het wetsvoorstel nr. 2-86/1 van de heer Lozie en mevrouw De Roeck. Het betreft de aanwijzing van een vertrouwenspersoon die over de uitvoering van het levenstestament moet waken wanneer de patiŽnt zelf hiertoe niet meer in staat is. Het aanstellen van een dergelijke gemandateerde is een logische maatregel, zeker wanneer de patiŽnt bij een vreemde arts terecht komt die geen weet heeft van het levenstestament.

    Zeer belangrijk acht hij de amendementen C, D, en E. In artikel 4, paragrafen 1 en 2, van het wetsvoorstel, worden naast euthanasie in de strikte zin van het woord, ę het opzettelijk levensbeŽindigend handelen door een andere dan de betrokkene, op diens verzoek Ľ, nog twee andere medische praktijken vermeld die in feite volkomen los staan van deze problematiek, namelijk het toedienen van zware pijnstillende medicatie die een verkorting van het leven tot gevolg kunnen hebben en het stopzetten van therapeutisch ingrijpen in bepaalde omstandigheden. De amendementen hebben tot doel deze twee praktijken uit het wetsvoorstel te schrappen.

    Het toedienen van pijnstillende medicatie die verkorting van het leven tot gevolg kan hebben, wordt momenteel beschouwd als correct medisch handelen zowel vanuit ethisch oogpunt als in het kader van de deontologie. Dit soort behandeling opnemen in een wetgeving over euthanasie en ze afhankelijk maken van een expliciete wilsuiting van de patiŽnt zou een regressie inhouden. Het zou immers betekenen dat zij niet langer beantwoordt aan de goede medische praktijk indien zij niet voldoet aan alle bijzondere voorwaarden die ten aanzien van euthanasie worden opgelegd.

    Het toedienen van zware pijnstillers maakt deel uit van de orthothanasie, het complex van maatregelen die de arts kan nemen om het sterven te verlichten. Het is niet wenselijk en overigens onmogelijk om heel deze materie uit de medische deontologie te halen en in de wet te gaan regelen.

    Hetzelfde kan worden gezegd over het stopzetten van medisch handelen wanneer dit zinloos geworden is. De logica die de auteurs van het voorstel hebben gevolgd is begrijpelijk : wanneer een patiŽnt onder bepaalde voorwaarden kan vragen om zijn leven via een actieve ingreep te beŽindigen, moet a fortiori op zijn verzoek kunnen worden afgezien van therapeutisch handelen.

    Ook hier betreft het echter een normale medische praktijk. Meer zelfs, therapeutische hardnekkigheid wordt hoe langer hoe meer gezien als in strijd met de medische deontologie. Deze handelingen uit de deontologie halen en ze onderbrengen in een wet op euthanasie, zou dan ook een stap achteruit betekenen. De patiŽnt moet altijd het recht hebben om een therapie te weigeren en de wettelijke bevestiging van dit recht hoort niet thuis in een regeling van euthanasie.

    Palliatieve zorgverlening wordt momenteel als een medische behandeling erkend. Strikt genomen zou de bepaling erop kunnen neerkomen dat de patiŽnt niet het recht heeft om naar palliatieve hulpverlening over te schakelen.

    Vandaar dat de betrokken bepalingen best zonder meer zouden worden geschrapt. De amendementen bieden een alternatief door de arts op te leggen elk therapeutisch handelen in functie te stellen van een goede dood (amendement D) en elk therapeutisch handelen te overleggen met de patiŽnt (amendement E).

    Deze laatste bepaling zou echter nog beter thuishoren in een meer algemene wetgeving die de patiŽntenrechten regelt. Al te vaak worden immers behandelingen aangevat zonder dat hierover grondig overleg met de patiŽnt is gevoerd of zelfs zonder dat hij hiervan op de hoogte werd gebracht.

    Het amendement F heeft betrekking op paragraaf 4 van het artikel, dat euthanasie regelt voor patiŽnten die niet meer in staat zijn hun levenstestament of hun wilsuiting te bevestigen. Indien de behandelende arts en de twee aangestelde artsen niet tot overeenstemming komen, moet binnen 24 uur een derde arts worden aangesteld. Het amendement bepaalt dat deze arts een termijn van 24 uur heeft om zijn advies uit te brengen. Dit moet het recht van de patiŽnt op een snelle procedure verzekeren.

    Artikel 9

    De heren Vankrunkelsven en van Quickenborne dienen het amendement nr. 2 in, (Stuk Senaat, nr. 2-105/2) dat ertoe strekt dit artikel te doen vervallen.

    Een van de indieners merkt op dat de indieners van het wetsvoorstel, via de invoeging van een artikel 397bis in het Strafwetboek, waarschijnlijk nog eens uitdrukkelijk hebben willen bevestigen dat euthanasie die niet werd uitgevoerd met inachtname van de zorgvuldigheidsvereisten bepaald in artikel 417bis, strafbaar blijft als moord of doodslag.

    Naar zijn mening is dit een overbodige bepaling, aangezien in de artikelen 392 en volgende, moord en doodslag op voldoende wijze worden beschreven en bestraft.

    Artikel 10

    De heren Vankrunkelsven en Van Quickenborne dienen de amendementen nr. 3, A, B, C en D, in (Stuk Senaat, nr. 2-105/2). In verband hiermee verklaart een van de indieners dat hij akkoord kan gaan met een wijziging van het Strafwetboek om euthanasie te depenaliseren. Het voorgestelde artikel 417bis, sluit echter niet uit dat wettelijk toegestane euthanasie die met inachtname van de opgelegde zorgvuldigheidsvereisten wordt uitgevoerd, wordt vervolgd als een overtreding.

    Vandaar dat in het amendement A wordt voorgesteld, de woorden ę noch misdaad, noch wanbedrijf Ľ te vervangen door de woorden ę geen misdrijf Ľ.

    De andere indiener stipt aan dat de amendementen B, C en D betrekking hebben op de zorgvuldigheidsvereisten die aan de arts worden opgelegd. Deze zijn belangrijk, maar zij mogen ook geen aanleiding geven tot rechtsonzekerheid omdat ze vrijwel onuitvoerbaar zijn. Zo houdt de twaalfde vereiste in dat zeer gedetailleerd moet worden aangegeven met wie overleg werd gepleegd. In de praktijk echter zal de arts met de hele omgeving van de zieke contact hebben : familie, verpleegkundig personeel, ... Door van hem te verlangen dat hij al deze personen met naam en functie vermeldt, en hun oordeel registreert, plaatst men hem in een bijna onmogelijke en onzekere situatie wat de mogelijke juridische consequenties betreft. Dit kan dan ook een aanleiding zijn om niet op de wens van de patiŽnt tot levensbeŽindiging in te gaan.

    Vandaar dat het amendement D deze passus vervangt door de meer algemeen omschreven verplichting aan te tonen dat overleg werd gepleegd met diegenen die de patiŽnt verzorgen en eventueel met de familie.


    5. Wetsvoorstel tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de geneeskunst, de verpleegkunde, de paramedische beroepen en de geneeskundige commissies (van mevrouw Clotilde Nyssens c.s.); nr. 2-151/1

    Uiteenzetting van een van de indieners van het wetsvoorstel

    Het wetsvoorstel dat kortgeleden werd ingediend, werd de afgelopen dagen samen met een aantal mensen op het terrein (artsen, verpleegkundig personeel, ...) verder verfijnd.

    De toelichting is vrij lang om het probleem niet alleen in een strafrechtelijke context, maar ook in het ruimere kader van rechtvaardigheid en gezondheid te plaatsen.

    De fractie waarvan spreekster deel uitmaakt, wil heel graag dat met dit tweede aspect evenveel rekening wordt gehouden als met het eerste, omdat ze van oordeel is dat de volksgezondheid vůůr de strafwet komt en dat het niet alleen gaat om het belangrijke euthanasieprobleem, maar om alle beslissingen omtrent het levenseinde, zowel in de ziekenhuizen als thuis.

    Dat is de reden waarom de fractie waarvan spreekster deel uitmaakt, een echte dialoog wil aangaan met alle partijen, omdat ze het niet nodig vindt de achterhaalde en volgens sommigen dogmatische breuklijn tussen de ideologieŽn opnieuw tot leven te wekken.

    De fractie wil uitgaan van de patiŽnt, de stervende, en diegenen die hem omringen (voor de gelukkigen in de palliatieve en voortdurende zorg, voor de anderen, die het minder treffen, in het kader van een ę colloque singulier Ľ met een arts).

    De principes waarop het voorstel steunt, zijn de volgende.

    Eerbied in alle omstandigheden voor de waardigheid van de mens.

    Het is juist dat over deze waardigheid van de mens tal van opvattingen bestaan, waarvan de consequenties sterk verschillen.

    De indieners van het voorstel zijn van oordeel dat de menselijke persoon in zijn totaliteit moet worden bekeken, niet alleen in zijn rationele en affectieve dimensie op het ogenblik dat hij een eventuele wilsverklaring opstelt, maar ook in zijn menselijke, affectieve, sociologische dimensie als hij sterft.

    Als men gezond is, denken we heel anders over ons levenseinde dan op het ogenblik dat we er werkelijk mee worden geconfronteerd en we allemaal bang zijn te lijden of uitzichtloze therapieŽn te moeten ondergaan.

    Dat is de reden waarom het voorstel begint met een hoofdstuk over palliatieve en voortdurende zorg, waarin ook bepalingen uit de medische deontologie zijn verwerkt die handelen over uitzichtloze therapieŽn en het staken van therapie.

    De indieners van dit voorstel werden gealarmeerd door sommige artsen, die erop wezen dat de wetgever zich niet moet opsluiten in de rol van de gezonde mens die wetten maakt voor anderen die dat niet zijn, maar ook oog moet hebben voor de broosheid en zwakheid van mensen die op het einde van hun leven zijn gekomen en onvermijdelijk anders redeneren.

    Spreekster zegt bijzonder getroffen te zijn door het artikel van professor Felice Dassetto dat onlangs in ę Le Soir Ľ is verschenen en waarin de auteur waarschuwt voor een wetgeving die zich tegen de zwakkeren zou keren.

    De fractie waarvan spreekster deel uitmaakt, dringt erop aan dat met de sociale dimensie van het probleem rekening wordt gehouden. De economische en sociale toestand van de patiŽnt is inderdaad niet zonder gevolgen voor de behandeling die hij krijgt.

    Vreemdelingen, mensen van de vierde wereld bijvoorbeeld, hebben geen spreekrecht. We moeten daarmee rekening houden.

    Uit verantwoordelijkheidszin ten aanzien van de toekomstige generaties pleiten de indieners van het voorstel voor een tekst die geen inbreuk pleegt op onze menselijkheid.

    Het zou spijtig zijn mocht BelgiŽ, als eerste land in Europa en zelfs in de wereld, een complexe en gevoelige materie als euthanasie uit het strafrecht halen.

    De fractie van spreekster dringt aan op een debat, maar tot welke conclusies het zal leiden, is niet bekend.

    De indieners van het voorstel hebben recentelijk opnieuw een aantal veldwerkers geraadpleegd en hebben ook een vergelijkende rechtsstudie gemaakt.

    Zo tekent zich in Frankrijk, dat een lekenstaat is, na een diepgaande filosofische reflectie, een consensus af om de strafwet niet te wijzigen en het probleem vanuit een andere hoek te benaderen.

    In Canada was bij de aanvang van een lang debat in de Senaat nog 80 % van de bevolking voorstander van een wetgeving op de euthanasie.

    De Canadese senatoren van alle politieke partijen zijn tot de conclusie gekomen dat euthanasie maar het topje van de ijsberg is en dat ook rekening moet worden gehouden met de veel ruimere problematiek van het levenseinde, van onze visie op de dood, van de volksgezondheid en van de relatie tussen de patiŽnt en de arts die hem begeleidt.

    Ze vonden het bijgevolg nog te vroeg om wetgevend op te treden.

    De fractie waarvan spreekster deel uitmaakt, wil de besprekingen niet vertragen en heeft een voorstel ingediend dat de problematiek in een juridisch kader plaatst.

    De noodtoestand is inderdaad een vaag juridisch begrip, maar precies daardoor kan het zich aanpassen aan de noodwendigheden van een complexe en evoluerende samenleving.

    Het kader van het wetsvoorstel is origineel en gelijkt sterk op dat van voorstel nr. 2-160/1.

    De tekst wordt ingevoegd in het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de geneeskunst.

    Het voorstel gaat uit van de politieke wil om aan te geven dat het om een probleem van volksgezondheid en persoonlijke gezondheid gaat en dat een louter strafrechtelijke benadering veel te eng zou zijn.

    Opzet is de relaties tussen arts, verzorgend team en patiŽnt te regelen en enigszins te moderniseren.

    Het eerste hoofdstuk handelt over palliatieve en voortdurende zorg.

    Deze laatste term is ruimer en werd door een aantal artsen voorgesteld om aan te geven dat de zorg voor een patiŽnt zo vroeg mogelijk moet aanvangen, vanaf het ogenblik dat hij aan een ernstige ziekte lijdt, en dat hij een complete begeleiding moet krijgen die niet strikt beperkt blijft tot de medische verzorging, maar rekening houdt met de persoon in zijn totaliteit.

    De palliatieve zorg heeft betrekking op de terminale fase. In het voorgestelde artikel 360bis is de definitie van palliatieve zorg opgenomen zoals die vandaag in de praktijk wordt gehanteerd.

    Artikel 36ter bevestigt het subjectieve recht van de patiŽnt op een kwalitatief hoogstaande palliatieve en voortdurende zorg, wat de ontwikkeling van een beleid op dat gebied zal bevorderen.

    Over palliatieve zorg zal ongetwijfeld nog meer wetgeving nodig zijn, ook al wordt vanaf 1 januari 2000 grote vooruitgang geboekt in de betaling van de desbetreffende forfaits, meer bepaald wat de thuiszorg betreft.

    De indieners van het voorstel hechten veel belang aan de opleiding van de betrokken beroepsgroepen. Ze hebben vastgesteld dat, ook al spelen sommige beroepsgroepen een pioniersrol op dit terrein, sommige artsen nog weinig vertrouwd zijn met palliatieve zorg en de oprichting van multidisciplinaire en moderne teams vragen.

    Op dit terrein moet niet alleen het billijkheidsprincipe, maar ook het gelijkheidsprincipe (zowel uit het oogpunt van de patiŽnt als uit dat van de structuren en teams) worden geŽerbiedigd.

    Hoofdstuk IIIter draagt de titel ę Levenseinde Ľ om aan te geven dat in de loop van deze nieuwe zittingsperiode waarschijnlijk nog andere ethische dossiers zullen worden aangesneden en dat de huidige discussie slechts een stap is in de richting van een meer uitgebreide discussie over de gehele problematiek van het levenseinde.

    In dit hoofdstuk herneemt het voorgestelde artikel 36quater een artikel van de geldende medische plichtenleer dat bepaalt dat de arts de patiŽnt moet bijstaan om zijn morele en fysieke lijden te verlichten en zijn waardigheid te beschermen.

    Artikel 36quinquies bestaat uit twee delen.

    Paragraaf 1 verbiedt de therapeutishe hardnekkigheid zonder afbreuk te doen aan de therapeutische vrijheid.

    Dit artikel tracht tegemoet te komen aan de vrees van sommige patiŽnten dat zij het slachtoffer van een dergelijke hardnekkigheid zullen worden omdat de medische uitrusting moet renderen.

    Paragraaf 2 heeft daarentegen betrekking op de stopzetting van de behandeling. Ook dit moet een antwoord geven op de bezorgdheid van sommige patiŽnten, die zich ofwel thuis, ofwel in een ziekenhuis bevinden, en erover klagen dat ze niet worden behandeld en, soms zelfs voor de eenvoudigste zaken, aan hun lot worden overgelaten.

    Artikel 36sexies bevestigt het huidige standpunt van de fractie van de spreekster ten aanzien van het euthanasieverzoek.

    Het gaat alleen om het verzoek van een patiŽnt die bij bewustzijn is.

    Het artikel legt onder littera a) tot f) een reeks minimale procedurevoorwaarden vast waaraan de arts moet voldoen alvorens een euthanasieverzoek in te willigen.

    Het gaat wel degelijk om de procedurele regeling a priori van voorstel 3 van het Raadgevend Comitť voor bioethiek.

    De indieners van het voorstel zijn van mening dat bepalingen over de relaties tussen de patiŽnt en de arts veeleer thuishoren in een tekst over de geneeskunst dan in het Strafwetboek.

    De procedurevoorwaarden zijn de volgende :

    ≠ het verzoek moet uitdrukkelijk en ondubbelzinnig door de patiŽnt zelf zijn geuit; hoewel de mening van de familie zeer belangrijk is, weten we immers dat ze niet altijd op dezelfde golflengte zit als de patiŽnt;

    ≠ de arts moet een bevoorrechte band vormen met de patiŽnt om met hem zijn euthanasieverzoek te bespreken; dit sluit aan bij de idee van de ę colloque singulier Ľ, die in andere voorstellen is opgenomen. Veel artsen doen dit, maar volgens sommige patiŽnten nemen anderen daarvoor niet de tijd, zijn ze het niet gewoon of weten ze niet hoe ze de problematiek van het levenseinde moeten aanpakken. Er moeten op dit terrein inspanningen worden gedaan op het gebied van de opleiding;

    ≠ de patiŽnt moet worden geÔnformeerd. De indieners van het voorstel hebben niet alle patiŽntenrechten in het voorstel willen opnemen (cf. het desbetreffende voorontwerp van wet tijdens de vorige zittingsperiode), omdat dit een brede problematiek is. Als de commissies het wensen, zijn de indieners van het voorstel evenwel bereid dit probleem in het debat op te nemen. Ze onderstrepen voorts dat het noodzakelijk is dat de patiŽnt wordt ingelicht over de bestaande mogelijkheden van palliatieve zorg;

    ≠ de arts moet er zich vervolgens van vergewissen dat de patiŽnt werkelijk zelf wil dat aan zijn leven een einde wordt gemaakt;

    ≠ als de patiŽnt bij zijn verzoek blijft, moet de arts het advies inwinnen van een collega-arts, van het verplegend team en eventueel van de naasten.

    De indieners van het voorstel zijn er immers van overtuigd dat de arts een ethiek van discussie moet toepassen en de bescheidenheid moet hebben om adviezen in te winnen, die voor het overige niet-bindend zijn (verplegend personeel, confrater, ethisch comitť ...).

    Na al deze stappen spreekt de arts zich uit over het verzoek van de patiŽnt, rekening houdend met het onomkeerbare en ondraaglijke lijden (het tweede aspect is veeleer subjectief), de ongeneeslijke aard van de ziekte (die niet altijd makkelijk is vast te stellen) en het vermoedelijk overlijden op korte termijn (over deze termijn moet de arts oordelen).

    De arts die aanvaardt in deze uitzonderlijke omstandigheden in te grijpen, wordt geacht zich in een noodtoestand te bevinden.

    Dit beantwoordt aan de bezorgdheid voor de rechtszekerheid die in voorstel nr. 3 van het advies van het Raadgevend Comitť voor bio-ethiek tot uiting wordt gebracht.

    De noodtoestand is in de eerste plaats een toestand die door de arts wordt beoordeeld.

    Het begrip is bekend bij de hoven en rechtbanken, maar ook bij de artsen.

    Het vermoeden dat in het voorstel wordt vastgelegd, verandert niet veel ten aanzien van het gemeen recht, aangezien de bewijslast in strafzaken bij de klager of het openbaar ministerie ligt.

    Het is hoe dan ook niet makkelijk de noodtoestand te beoordelen. Om die reden hebben de indieners van het voorstel het begrip ę erkende arts Ľ ingevoerd.

    Als de arts een euthanasie uitvoert, zendt hij zijn dossier niet rechtstreeks door aan het parket, waarvan iedereen weet dat het overbelast is.

    Opzet is de totstandbrenging van een interface tussen de artsen en justitie, tussen wie de verhoudingen steeds gespannener worden.

    Tijdens de vorige zittingsperiode is het probleem gerezen van het beroepsgeheim inzake seksuele delicten en het dossier van de voorwaardelijke invrijheidsstelling.

    Wij hebben kunnen vaststellen dat artsen, psychologen en maatschappelijk werkers zich ongemakkelijk voelen tegenover justitie omdat ze niet weten of ze echte partners van het gerecht zijn dan wel of hun relaties een andere logica volgen.

    Het begrip ę erkende arts Ľ werd ook voorgesteld in het kader van de aanpassing van het beroepsgeheim. Het bestaat momenteel niet, aangezien het Gerechtelijk Wetboek alleen voorziet in gerechtelijke experts; de gerechtelijke artsen worden gekozen uit een lijst die bij de hoven en rechtbanken wordt ingediend, zonder enige andere vorm van reglementering.

    De erkende arts zou op een lijst staan die door de rechtbanken is erkend. Later kan bij koninklijk besluit een erkenning worden ingevoerd die een specifieke opleiding over het levenseinde garandeert.

    De arts zou op basis van het dossier nagaan of de inhoudelijke voorwaarden en de vormvereisten werden nageleefd.

    Vervolgens zou hij, overeenkomstig het gemeen recht, een certificaat naar de ambtenaar van burgerlijke stand (artikel 77 van het Burgerlijk Wetboek) zenden. De huidige regels voor de teraardebestelling worden dus niet gewijzigd.

    Artikel 5 van het voorstel voorziet in boetes voor artsen die de vormvereisten niet naleven, onverminderd de bestaande strafrechtelijke sancties inzake moord.

    In de geneeskunst is aan elke plicht die aan een arts wordt opgelegd, immers een sanctie verbonden.

    De beoordeling van de noodtoestand blijft tot het strafrechtelijk onderdeel behoren.

    Artikel 6 van het voorstel, tenslotte, heeft betrekking op de inwerkingtreding. In dit verband kan, zoals sommigen opperen, een evaluatiecommissie worden opgericht die kan worden vergeleken met die welke werd opgericht inzake vrijwillige zwangerschapsafbreking.

    De indieners van het voorstel waren onder de indruk van de argumenten die de artsen Markstein en Clumeck in een vrije tribune in ę Le Soir Ľ van 9 december 1997 hebben ontwikkeld en van een recent optreden van dokter Clumeck tijdens een televisiedebat.

    Deze artsen wezen op het complexe en evolutieve karakter van de materie en stelden voor een proefperiode in te bouwen.

    In het voorstel wordt deze periode op drie jaar bepaald; op het einde daarvan kan de nieuwe wet worden geŽvalueerd aan de hand van alle informatie die de erkende artsen zullen hebben ingewonnen. Vervolgens kan worden nagegaan of de wetgeving moet worden aangepast.

    De moderne methode om voorlopige wetten te maken wordt, met name in de Angelsaksische landen, steeds verder toegepast, zowel voor ethische als andere materies.

    Ook in andere ethische debatten dan dat over euthanasie moet de wetgever in de komende jaren een uitspraak doen.

    Hij mag zich niet in een verstarde wetgeving opsluiten.


    6. Wetsvoorstel houdende de bescherming van de rechten en de waardigheid van de mens bij het naderend levenseinde (van de heer Hugo Vandenberghe c.s.); nr. 2-160/1

    Uiteenzetting door de hoofdindiener van het wetsvoorstel

    Spreker merkt op dat in het voorliggende wetsvoorstel de problemen in verband met het naderende levenseinde op een consistente en algemene wijze worden benaderd. Het herleiden van deze problematiek tot de vraag of en in welke mate de strafwet dient te worden gewijzigd, is een veel te beperkte benadering om al de problemen die zich voordoen bij het einde van het leven en de complexiteit hiervan te vatten.

    Het louter strafrechtelijk discours is in deze materie de uiting van een zuiver politiek mechanische visie waarbij de complexiteit van het leven al te zeer tot een politieke one-liner wordt herleid, namelijk de vraag of het eeuwenoude taboe ę gij zult niet doden Ľ moet worden doorbroken.

    Door zich op een dergelijk reductionistisch standpunt te stellen, zou de indruk kunnen worden gewekt dat euthanasie vooral een uitlaatklep is voor bepaalde problemen die rijzen bij zorgschaarste.

    Vandaar dat hoofdstuk I van het wetsvoorstel ertoe strekt palliatieve zorgverlening als een basisrecht voor iedereen te doen erkennen. De vraag om euthanasie van de patiŽnt die de ergste vormen van lijden moet ondergaan, is begrijpelijk. De depenalisering van euthanasie zou echter een gemakkelijk argument kunnen worden om geen maximale inspanningen te moeten doen teneinde een volledig zorgaanbod bij het levenseinde te garanderen. Het voorstel kiest daarom voor een andere weg die vertrekt vanuit een absoluut recht op palliatieve zorgverlening.

    Palliatieve zorg is een vrij recente aangelegenheid waaraan veel lippendienst wordt bewezen. Het beleid ter zake komt echter, onder meer door problemen inzake bevoegdheidsverdeling, zeer moeizaam op gang. Het voorstel wil hiermee komaf maken door vooreerst het principiŽle recht van eenieder op dergelijke zorgverlening te erkennen. Tegelijk wordt aan de Koning de opdracht gegeven om binnen een periode van twee jaar een volwaardig stelsel van hulpverlening uit te bouwen. Dit houdt onder meer in dat dergelijke zorg niet alleen in de ziekenhuizen, maar ook in de RVT's en de thuiszorg wordt georganiseerd.

    Spreker onderstreept dat deze bepalingen geenszins tot doel hebben het debat over euthanasie op de lange baan te schuiven. Zij steunen wel op de overtuiging dat de strafwet noodzakelijk is om het menselijk leven te beschermen, maar totaal onvoldoende om de patiŽnt een menswaardig levenseinde te verzekeren.

    Hij vervolgt dat een wetgeving rond ethische problemen altijd wordt opgebouwd vanuit ethische stellingnamen, die vanzelfsprekend kunnen verschillen. Het uitgangspunt van dit voorstel is dat het menselijk leven een autonome waarde heeft, die niet wordt bepaald door de eigen individuele beoordeling. Dit beginsel komt ook tot uiting in artikel 2 van het Europees Verdrag van de rechten van de mens : ę Het recht van eenieder wordt beschermd door de wet. Ľ

    Ook wie vindt dat de wetgever oog moet hebben voor bepaalde concrete situaties, kan dit uitgangspunt niet zonder meer naast zich neerleggen.

    Vaak wordt tegenover deze opvattingen de autonomie van de menselijke persoon gesteld, op basis waarvan ieder mens over zichzelf zou kunnen beschikken. Het recht op zelfbeschikking wordt echter nergens als dusdanig geformuleerd. Wel wordt een algemeen zelfbeschikkingsbeginsel erkend, dat aan de basis ligt van een aantal mensenrechten. Een kenmerk van deze rechten, die de persoonlijke autonomie vorm geven, bestaat erin dat, naargelang van het recht, deze autonomie kan worden begrensd.

    Het beginsel van de zelfbeschikking betekent derhalve niet dat de samenleving zonder meer moet ingaan op elke vraag van het individu met betrekking tot zijn eigen leven. Dit zou leiden tot maatschappelijk zeer onwenselijke toestanden. Het houdt wel in dat het individu een eigen, autonome inbreng heeft in de besluitvorming rond zijn persoon die ernstig moet worden genomen en waarop de samenleving een antwoord dient te formuleren.

    Wat betekent dit ten aanzien van een mogelijke wettelijke regeling inzake de problemen bij het naderende levenseinde ? Aangezien de wet gesitueerd is op het niveau van het normatieve en niet op het feitelijke niveau, draagt zij altijd een ethische dimensie in zich en kan zij niet louter een bevestiging zijn van feitelijke situaties. De wet kan echter evenmin beperkt blijven tot het louter herhalen van ethische beginselen maar moet rekening houden met de complexiteit van de samenleving. Zij kan niet vreemd zijn aan de feitelijke situaties en aan de overtuigingen die binnen een samenleving leven.

    Er moet derhalve een terugkoppeling zijn van de wet naar de werkelijkheid.

    De cijfers in verband met de oorzaken van overlijden, waarnaar reeds werd verwezen, kunnen voor BelgiŽ weliswaar een aanduiding geven van de werkelijke toestand, maar ze zijn geen betrouwbare weergave van de realiteit. In tegenstelling tot Nederland beschikt BelgiŽ immers niet over een objectief en stringent systeem voor de registratie van oorzaken van overlijdens. De gegevens voor ons land geven wel een indicatie, maar ze zijn hoe dan ook het resultaat van een subjectieve inschatting.

    Een en ander belet niet dat men mag aannemen dat momenteel, al dan niet op verzoek van de patiŽnt, op actieve wijze levens worden beŽindigd. Het beginsel van de zelfbeschikking vereist alleszins dat de patiŽnt weet wat er met hem gebeurt, dat hij hierin inspraak heeft, dat de medische besluitvorming transparanter wordt voor alle medische beslissingen die worden genomen bij het naderen van het levenseinde. De wetgever kan onmogelijk abstractie maken van deze zeer ruime problematiek en zich bepalen tot een regeling voor euthanasie, die hiervan slechts een zeer beperkt onderdeel vormt.

    Het verzekeren van deze transparantie in het medisch handelen ten aanzien van de terminale patiŽnt is de belangrijkste doelstelling van het tweede hoofdstuk van het wetsvoorstel.

    Spreker onderstreept vervolgens dat het niet zijn bedoeling is lessen in moreel te geven maar dat hij, in het volste respect voor de opvatting van anderen, wel wenst uit te komen voor zijn overtuiging. Het principe van de ę colloque singulier Ľ tussen de arts en de patiŽnt is een belangrijk beginsel in onze geneeskunde. Deze kan evenmin functioneren zonder dat de samenleving vertrouwen stelt in het artsenkorps. Dit vertrouwen kan echter niet onbeperkt zijn. Men stelt vast dat de overheid een uitgebreid apparaat heeft uitgewerkt om het voorschrijfgedrag van de artsen te controleren in het kader van de verzekering voor gezondheidszorg, zonder dat dit op grote weerstand is gestuit.

    In een belangrijk domein zoals de beslissingen bij het naderend levenseinde, lijkt echter voor sommigen elk toezicht op het medisch handelen daarentegen volkomen uit den boze. Door op dit vlak, niet alleen inzake euthanasie, minimale eisen inzake overleg en controle te respecteren, zou de hele materie niet alleen een stuk transparanter worden maar ook uit de taboesfeer worden gehaald.

    Hier ligt ook de reden waarom in het voorstel een wettelijke regeling van euthanasie op wilsonbekwamen wordt afgewezen. Deze afwijzing betekent niet dat men geen oog kan hebben voor concrete situaties. Men kan echter van de wetgever niet verlangen dat hij op alle vragen die in een dergelijke materie worden gesteld, zonder meer met een ja of een nee antwoordt. Hierdoor wordt de complexiteit van deze materie al te zeer miskend. Wat de wetgever wel kan doen, is een algemeen kader creŽren dat maximale rechtszekerheid biedt, ook op het einde van het leven wanneer de patiŽnt zeer zwak staat.

    Volgens spreker heeft het dan ook geen zin aan het levenstestament een wettelijke erkenning te geven. De problematiek van de wilsonbekwamen past in de bepalingen van het tweede hoofdstuk van het voorstel. Indien de patiŽnt in het volle bewustzijn schriftelijk een wens te kennen heeft gegeven of een vertrouwenspersoon heeft aangesteld, dan zal dit voor de behandelende geneesheer een element zijn dat hij in rekening moet brengen wanneer de betrokkene zich in comateuze toestand bevindt en bijvoorbeeld beslissingen moeten worden genomen over doorgedreven behandelingen om hem in leven te houden.

    Dit is echter heel wat anders dan een wettelijk systeem uit te bouwen dat de levensbeŽindiging van wilsonbekwamen op een rigiede wijze regelt.

    In het wetsvoorstel wordt euthanasie, zoals in een aantal andere voorliggende teksten, benaderd vanuit de optiek van de noodtoestand. Deze benadering komt ook overeen met het derde voorstel geformuleerd door het Raadgevend Comitť voor bio-ethiek. Niet onbelangrijk in dit verband is de opmerking in het advies van het Raadgevend Comitť dat ę De behandeling van het voorstel 3 (...) tot een toenadering (heeft) geleid tussen meerdere voor- en tegenstanders van de verbodsbepaling betreffende euthanasie Ľ.

    Het is een normale zaak dat de wetgever, wanneer hij beslissingen in het ethische domein moet nemen, met verschillende opvattingen wordt geconfronteerd. Het getuigt echter van geen goed beleid wanneer hij bij de besluitvorming zonder meer voor ťťn van deze opvattingen kiest en de andere zonder meer opzij schuift. Het is immers zijn verantwoordelijkheid, zeker in dergelijke materies, een maximale loyauteit van de bevolking voor de betrokken regeling na te streven. Dit houdt in dat de verschillende opvattingen die bij de bevolking leven, zoveel mogelijk in de regeling moeten worden geÔntegreerd.

    Hiervan uitgaande en in het licht van de advies van het Raadgevend Comitť voor bio-ethiek kan, onder welbepaalde voorwaarden in bepaalde situaties een noodtoestand worden erkend om op verzoek van de patiŽnt tot levensbeŽindiging over te gaan.

    In hoofde van de patiŽnt kan van een noodtoestand worden gesproken bij een ondraaglijk lijden dat niet kan worden verholpen en dat de aanleiding is tot de volgehouden vraag naar levensbeŽindigend handelen. Een strikt legalistische benadering van strafrecht kan geen antwoord bieden op een dergelijke vraag. Vandaar dat de mogelijkheid moet bestaan om te kiezen voor een billijkheidsoplossing. Hiervoor bestaat in ons rechtssysteem al gedurende eeuwen de erkenning van de noodtoestand.

    Het inroepen van de noodtoestand kan in de optiek van het voorstel slechts met inachtname van minimale waarborgen, zowel voor als na de handeling. Zij moeten de patiŽnt de nodige rechtszekerheid bieden en controle achteraf mogelijk maken. Deze controle houdt onder meer in dat het dossier wordt onderzocht door een erkend specialist in de gerechtelijke geneeskunde, vooraleer het aan het parket wordt bezorgd.

    Het vierde en het vijfde hoofdstuk hebben tot doel de Belgische wetgeving inzake de aangifte van overlijdens te moderniseren. Het huidige registratiesysteem dateert van 1804 en is volstrekt achterhaald. Deze problematiek is vanzelfsprekend ruimer dan het euthanasievraagstuk, maar ook hier vervult de wetgeving onvoldoende haar opdracht inzake de bescherming van het menselijk leven.

    Spreker besluit dat de regeringsverklaring bepaalt dat de ethische problemen het voorwerp moeten uitmaken van een serene parlementaire bespreking. De fractie waarvan spreker deel uitmaakt, heeft van bij de aanvang van deze legislatuur duidelijk gesteld dat zij haar opdracht als oppositiepartij niet op een louter negatieve wijze wenst in te vullen. De fractie zal derhalve actief meewerken om in deze materie tot een consensus te komen. Zij verwacht wel in een dergelijke consensus de beginselen de hiervoor werden uiteengezet, in voldoende mate te kunnen terugvinden.


    7. Voorstel van resolutie betreffende de uitvoering van een behoeftengestuurd palliatief plan (van mevrouw Iris van Riet c.s.); nr. 2-106/1

    Met het voorstel van resolutie wordt aan de regering gevraagd een behoeftengestuurd palliatief plan te ontwikkelen waarbij de terminale patiŽnt centraal staat en waarbij alle zorgvormen (thuiszorg, dagcentra, palliatieve netwerken en palliatieve samenwerkingsverbanden en palliatieve eenheden) op elkaar, maar vooral op de behoeften van de patiŽnt worden afgestemd.

    Het voorstel van resolutie dient samen te worden gelezen met het wetsvoorstel op de euthanasie (Stuk Senaat, nr. 2-105/1).

    Opdat de keuzevrijheid van de patiŽnt en het recht op een waardige beŽindiging van het leven maximaal zouden worden gegarandeerd, moet enerzijds in een wettelijke regeling met betrekking tot de euthanasie en anderzijds in de uitwerking van een palliatieve zorgverlening worden voorzien. De vraag naar euthanasie mag niet ontstaan omwille van een tekort in het palliatieve zorgaanbod, maar zal steeds blijven bestaan, zelfs als we over een goed uitgebouwde palliatieve zorgverstrekking beschikken. De overheid moet wel voorkomen dat mensen gaan kiezen voor de dood omdat geen volwaardige zorg mogelijk is. De keuzevrijheid van de patiŽnt is maar gegarandeerd wanneer beide naast elkaar bestaan en wanneer het aanbod aan palliatieve zorg beantwoordt aan de behoeften van de patiŽnt.

    In de verzorgingssector is ťťn van de kerntaken van de overheid, de behoeften van de bevolking en het bestaande aanbod van diensten op elkaar af te stemmen. Dit is niet minder het geval wanneer het om palliatieve zorgen gaat. De behoeften zijn immers bekend. We weten dat meer dan 70 % van de bevolking wenst thuis te overlijden, terwijl meer dan 70 % in ziekenhuizen sterft en slechts 3 % in specifieke palliatieve eenheden. Slechts 20 % van de mensen kunnen thuis stervensbegeleiding krijgen.

    In het verleden werd zowel op federaal als op gemeenschapsniveau heel wat gerealiseerd inzake de palliatieve zorgverlening. Recentelijk nog, besliste de regering vanaf 1 januari 2000 een financiŽle tegemoetkoming te verlenen voor de terminale patiŽnt die thuis wordt verpleegd. Het nakende koninklijk besluit voorziet in de instelling van een forfaitaire tegemoetkoming voor de geneesmiddelen, de verzorgingsmiddelen en de hulpmiddelen voor palliatieve thuispatiŽnten, van 19 500 frank voor dertig dagen. Dit bedrag kan een tweede maal worden toegekend.

    Dit wekt soms verkeerdelijk de indruk dat palliatieve zorgverstrekking in ons land optimaal geregeld zou zijn. Bij nader inzien blijkt dat de bestaande initiatieven nog heel wat gebreken vertonen :

    ≠ De vergrijzing van de bevolking en de toename van het aantal kanker- en aidspatiŽnten en de toename van sterk aftakelende chronische ziekten zullen een groter aanbod van palliatieve voorzieningen noodzakelijk maken in de toekomst;

    ≠ Er bestaat op dit ogenblik onvoldoende continuÔteit in de financiering van de bestaande initiatieven. Sommige initiatieven overleven louter op basis van liefdadigheid, andere worden in hun werking belemmerd door een gebrekkige financiŽle ondersteuning.

    ≠ Uit de sterftecijfers leren we dat van de 102 215 personen die in 1990 overleden, er 60 427 in een ziekenhuis, 12 401 in een rusthuis en 25 269 thuis stierven. Ander onderzoek wijst uit dat de meerderheid van de patiŽnten thuis wenst te overlijden, terwijl in de praktijk blijkt dat slechts een kleine minderheid van de terminale patiŽnten thuis stervensbegeleiding kan krijgen. Momenteel wordt de patiŽnt die thuis verzorgd wordt, financieel benadeeld ten opzichte van de patiŽnt die ziekenhuisverpleging krijgt. Indien we het recht op vrije keuze van de patiŽnt willen garanderen, moeten voor de palliatieve thuiszorg bijgevolg meer middelen uitgetrokken worden. De ontoereikende voorbereiding van de zorgverstrekkers, de gebrekkige ondersteuning van de mantelzorger en het tekort aan oppasdiensten behoren eveneens tot de knelpunten die de palliatieve zorg belemmeren.

    Stervensbegeleiding is een essentiŽle, maar vaak verwaarloosde opdracht voor de geneeskunde. Essentieel voor goede palliatie, is de evidente noodzaak van opleiding en navorming in goede pijnbestrijding voor artsen en verplegenden.

    Naast de multidisciplinaire benadering van palliatie bij kankerpatiŽnten moet ook de deskundigheid in palliatieve zorgen voor andere terminale ziektes, zoals dementie, en palliatieve pediatrie vergroten.

    Aangezien de bevoegdheden inzake de palliatieve zorg verdeeld zijn tussen de federale overheid en de gemeenschappen, veronderstelt de realisatie van een uitgewerkt palliatief zorgbeleid een verregaande samenwerking tussen de verschillende overheden. Om die reden wordt in het voorstel van resolutie aan de regering gevraagd initiatieven te nemen om een samenwerkingsakkoord te sluiten tussen enerzijds de federale Staat en de Franse Gemeenschap en anderzijds tussen de federale Staat en de Vlaamse Gemeenschap inzake de palliatieve zorgverlening.

    Om een behoeftengestuurd beleid inzake palliatieve zorg te ontwikkelen, wordt in het voorstel van resolutie aan de regering gevraagd om een palliatief beleidsplan te ontwikkelen.

    Er moet dus een coherente visie op stervensbegeleiding in een palliatief plan uitgetekend worden. Alle zorgvormen zullen daarbij op elkaar, maar vooral op de behoeften van de patiŽnt moeten afgestemd worden.

    Slechts dan zullen we mogen spreken van zorg op maat en van ę respect voor de keuzevrijheid van de patiŽnt Ľ.

    Pro memorie

    C. VOORSTELLING VAN DRIE NIEUWE WETSVOORSTELLEN VAN ZES SENATOREN

    1. Wetsvoorstel inzake euthanasie (van de heer Philippe Mahoux c.s.); nr. 2-244/1

    Inleidende uiteenzetting door de hoofdindiener van het wetsvoorstel

    Het wetsvoorstel is ťťn van drie wetsvoorstellen die respectievelijk betrekking hebben op de euthanasie, de oprichting van een evaluatiecommissie over de toepassing van de nieuwe wet en de palliatieve zorg.

    Deze drie wetsvoorstellen, waarvoor de zes indieners in gelijke mate verantwoordelijk zijn, moeten tegelijkertijd worden ingediend en vormen een geheel.

    De indieners zijn immers van mening dat euthanasie en palliatieve zorg niet noodzakelijk tegengestelden zijn.

    Samen willen deze wetsvoorstellen in de problematiek van de ongeneeslijke ziekten de meest menselijke oplossing aandragen. Die oplossing moet een maximale rechtszekerheid en de vrijheid van de patiŽnt garanderen en ervoor zorgen dat alle betrokkenen, wanneer de patiŽnt zijn wil kenbaar heeft gemaakt, in moeilijke omstandigheden hun mening kunnen uiten en kunnen optreden opdat de patiŽnt zo goed mogelijk wordt verzorgd.

    Ofschoon uiteindelijk de patiŽnt beslist, wijst alles in de wetsvoorstellen erop dat die beslissing iedereen in de omgeving van de zieke zal aangaan.

    De euthanasieproblematiek wordt reeds lang in de Senaat besproken.

    Tijdens een openbaar debat in de vorige zittingsperiode werden veel sprekers gehoord. De verenigde commissies hebben vertegenwoordigers van het Raadgevend Comitť voor bio-ethiek opnieuw gehoord in verband met alle problemen die betrekking hebben op de ingediende wetsvoorstellen.

    Hoewel alle meerderheidspartijen en sommige oppositiepartijen deze problemen op een open wijze wilden aanpakken, is na een analyse van alle ingediende voorstellen gebleken dat er niet alleen punten van overeenstemming maar ook fundamentele verschillen zijn, ondanks de weg die sommigen hebben afgelegd.

    Er moet worden onderstreept dat de laatste drie wetsvoorstellen aanleiding hebben gegeven tot reacties van vertegenwoordigers van partijen en niet van parlementsleden.

    In die reacties werd op politisering gewezen, hoewel de betreffende wetsvoorstellen in het Parlement werden ingediend na een debat rond de punten van overeenstemming in de voorstellen van de zes indieners.

    De indieners van de drie voorstellen zijn het er, in het kader van een onderzoek op het gebied van de palliatieve zorg en inzake euthanasie, over eens geworden dat de arts moet kunnen ingaan op het verzoek van een patiŽnt die aan een ongeneeslijke ziekte lijdt die fysiek lijden of een noodtoestand veroorzaakt die niet meer kan worden verlicht en die herhaaldelijk om euthanasie verzoekt.

    De indieners van de drie voorstellen wensen dat, als de patiŽnt dit wil, andere personen bij het proces worden betrokken; dit zal in optimale omstandigheden het geval zijn. Om die reden bepaalt de tekst dat de arts zich ervan moet vergewissen dat de patiŽnt de mogelijkheid is geboden om met heel zijn omgeving hierover overleg te plegen, met inbegrip van het verplegend team, ook al zijn de indieners van de drie voorstellen ervan overtuigd dat de patiŽnt, samen met de arts tot wie zijn verzoek is gericht, de beslissing neemt.

    Bovendien moet de arts gehoor geven aan de eventuele wens van de patiŽnt dat bepaalde personen worden geraadpleegd.

    Nogmaals, de patiŽnt beslist, hij oefent zijn vrijheid en zijn verantwoordelijkheid uit aangezien hij de situatie waarin hij zich bevindt, het best kan beoordelen, ook al kan die ≠ indien hij dat wenst ≠ door de omgeving worden toegelicht.

    Wat de rechtszekerheid betreft, zijn de indieners van de drie voorstellen van mening dat euthanasie waarbij alle voorwaarden werden nageleefd, moet worden gedepenaliseerd. Het gaat erom een echte rechtszekerheid te garanderen, niet alleen voor de patiŽnt, maar ook voor de arts, die moet kunnen ingaan op het verzoek dat hem werd gedaan.

    De rechtszekerheid wordt ook gewaarborgd door de verplichte aangifte bij de procureur des Konings en door de verplichting voor de arts om alle genomen stappen in een dossier op te tekenen.

    Welke zekerheid zou het begrip noodtoestand aan de tekst toevoegen, te meer daar het gaat om een tekst met betrekking tot de geneeskunst ?

    De drie voorstellen gaan uit van een benadering van euthanasie en palliatieve zorg die respect heeft voor alle meningen, ook van diegenen die menen dat euthanasie moet worden gedepenaliseerd en kan worden toegepast, en voor de wil van de zieken die erom verzoeken.

    De drie voorstellen respecteren de gewetensvrijheid van alle partijen volledig.

    De arts kan al dan niet ingaan op de vraag van de patiŽnt, ook al moet hij hem in dit laatste geval te gepasten tijde van zijn weigering op de hoogte brengen.

    Een arts of een verplegend team zouden ook bepaalde voorwaarden kunnen verbinden aan het antwoord dat ze de patiŽnt geven.

    De drie voorstellen strekken er immers toe de meest open oplossing te bieden, ook wat de handelingen betreft.

    Met betrekking tot de problematiek van de patiŽnten die niet meer bij bewustzijn zijn, stellen de drie wetsvoorstellen duidelijk dat de patiŽnt die niet meer bij bewustzijn is, diegene is die zijn wil niet meer kan kenbaar maken en niet meer bij bewustzijn kan worden gebracht.

    Bij de problematiek van de minderjarigen rijzen zeer pijnlijke vragen, ook al zijn er in deze omstandigheden geen gradaties van pijn.

    De indieners van de drie wetsvoorstellen wilden dit probleem niet in deze wet regelen.

    Met betrekking tot de patiŽnten die niet meer bij bewustzijn zijn, is de mening van de indieners van de drie voorstellen de volgende : iemand kan tijdens zijn leven van oordeel zijn dat een andere persoon ≠ die door de eerste duidelijk en voorafgaandelijk werd aangewezen ≠ zich in zijn naam kan uitspreken, als die eerste persoon zich in een toestand bevindt waarin hij zijn wil niet meer kenbaar kan maken en hij een voorafgaande verklaring in die zin heeft opgesteld waarin de voorwaarden ≠ opgesomd in het wetsvoorstel inzake euthanasie ≠ worden nageleefd. In dat geval is de situatie gelijk aan de situatie van een patiŽnt die zijn wil zelf kenbaar kan maken.

    Er werd rekening mee gehouden dat men er niet noodzakelijk dezelfde mening op nahoudt naargelang men ziek of gezond is. Bovendien kan men tijdens zijn leven van vertrouwenspersoon veranderen.

    Om die reden hebben de indieners bepaald dat de verklaring om de vijf jaar moet worden vernieuwd. Om geldig te zijn moet ze in de vijf voorafgaande jaren zijn opgesteld. Voorts kunnen er meerdere vertrouwenspersonen zijn en kan er onder hen een rangorde worden vastgesteld.

    De indieners van de drie wetsvoorstellen achten het onontbeerlijk dat de fundamentele en existentiŽle vrijheid van elke persoon om te bepalen wat zijn leven is, uiteraard met eerbiediging van de vrijheid van de andere moet worden gerespecteerd.

    De door hen voorgestelde regeling maakt het mogelijk dat deze wil wordt nageleefd, zowel voor patiŽnten die bij volle bewustzijn zijn en zich persoonlijk kunnen uitdrukken, als voor patiŽnten die niet meer bij bewustzijn zijn en dit doen via de persoon die ze vooraf hebben aangewezen.

    Wat een weg hebben we afgelegd sinds de bezwaren die nog niet zo lang geleden in ziekenhuizen, verenigingen, kerken, ... met betrekking tot therapeutische hardnekkigheid en palliatieve zorg, werden geuit.

    Hoeveel energie heeft het niet gevergd om te komen tot situaties waarin aan elk individu zijn vrijheid wordt teruggegeven en de mogelijkheid wordt geboden dat zijn wil wordt gerespecteerd en om therapeutische hardnekkigheid als een ontkenning van menselijkheid en palliatieve zorg als iets wenselijks te doen beschouwen.

    Wat een weg hebben we afgelegd sedert een zekere sacralisering van de pijn waarbij het gezagsargument en de verwijzing naar een transcendentie tegenover een maatschappij stonden die de mens zijn waarde gaf, waarbij het humanisme ≠ in de filosofische betekenis van het woord ≠ zijn plaats opnieuw inneemt en waarbij de mens zijn lot volledig in handen neemt, bereid tot solidariteit, maar ook tot revolte tegen de toestand waarin de natuur hem heeft gebracht en in naam van een wet die de mens zelf overstijgt.

    De spreker verwijst in dit verband naar het werk van Albert Camus ę L'homme rťvoltť Ľ. Deze auteur ontwikkelt een humanisme dat zowel het einde van het transcendente zou hebben ingeleid als kennis zou hebben genomen van de noodzaak, omdat het om solidariteit gaat, rekening te houden met de situatie van gelijken.

    De spreker meent dat de inhoud van de drie wetsvoorstellen overeenstemt met de filosofie die in dit werk wordt ontwikkeld : de wil om zich te verzetten en in opstand te komen tegen wat sommigen het lot noemen en tegen omstandigheden die aan allen, wat hun overtuiging ook mag zijn, worden opgelegd in naam van een hoger gebod dat ze niet noodzakelijk delen; de wil om het lijden en de onmacht van hen die zich in zulke situaties bevinden in de mate van het mogelijke te delen, zelfs al is er een plek hierboven waar men niet kan worden begeleid, namelijk de dood, die ons allen naar ons eigen lot verwijst; tot op het laatste moment, de wil om tegelijkertijd de vrijheid en verantwoordelijkheid van eenieder en eenieders standpunt op een pluralistische wijze te respecteren en zijn gelijke te helpen met alle mogelijkheden waarover men beschikt.

    Tot besluit onderstreept de spreker nogmaals dat de ingediende voorstellen een geheel vormen.

    Andere sprekers delen de bezorgdheid van de indieners voor de ontwikkeling van de palliatieve zorg en menen dat dit een van de mogelijke antwoorden is op vragen die, naargelang de inhoud of het moment waarop ze worden gesteld, onderling van elkaar verschillen.

    De palliatieve zorg ontwikkelt zich. Er worden inspanningen gedaan, maar die zijn nog onvoldoende.

    De indieners willen dat een wettekst de uitvoerende macht ertoe verplicht deze zorg overal waar het kan uit te bouwen.

    Het lijkt hen van het grootste belang dat de palliatieve zorg, net als euthanasie, voor iedereen toegankelijk is in een maatschappij waarin de waarde van de gelijkheid zich bij de principes van vrijheid en solidariteit voegt.


    2. Wetsvoorstel houdende instelling van een federale evaluatiecommissie inzake de toepassing van de wet van ... betreffende de euthanasie (van mevrouw Jacinta De Roeck c.s.) (nr. 2-245/1)

    Inleidende uiteenzetting door de hoofdindiener van het wetsvoorstel

    Spreekster merkt op dat dit wetsvoorstel vanzelfsprekend samenhangt met het wetsvoorstel nr. 2-244/1 dat hierboven werd toegelicht.

    Iedereen zal het er wel mee eens zijn dat, indien er in BelgiŽ een regeling voor euthanasie komt, deze niet voor eeuwig en altijd zal vastliggen. Zij zal voortdurend moeten worden geŽvalueerd, bijgestuurd en aangepast aan nieuwe maatschappelijke omstandigheden.

    Deze opdrachten worden toevertrouwd aan een federale evaluatiecommissie. Zij heeft als voornaamste taak om, op de voorgeschreven wijze, de praktische toepassing van de euthanasiewet op te volgen en te evalueren.

    De eerste opdracht van de commissie zal erin bestaan een registratieformulier uit te werken dat anoniem en, voor een groot deel, gedepersonaliseerd is. Het document vermeldt :

    ≠ het jaartal en de maand van overlijden;

    ≠ of de patiŽnt in een instelling of thuis is overleden;

    ≠ de provincie van overlijden;

    ≠ de aard van de aandoening waaraan de patiŽnt leed;

    ≠ geslacht en leeftijd van de patiŽnt.

    Het document is derhalve niet alleen anoniem wat de patiŽnt betreft, maar ook de naam van de arts wordt niet vermeld. Het spreekt voor zich dat de evaluatiecommissie deze anonimiteit moet respecteren. De besprekingen verlopen achter gesloten deuren en hebben een vertrouwelijk karakter. Eenieder die aan de beraadslaging deelneemt, moet de geheimhouding ervan respecteren.

    De samenstelling van de commissie is, hoewel niet identiek aan, toch in zekere mate vergelijkbaar met die van de Nationale Commissie voor de evaluatie van de wet van 3 april 1990 betreffende de zwangerschapsafbreking. Zij bestaat uit 16 leden die worden aangewezen met inachtneming van de taalpariteit en binnen de taalgroepen is er een gelijk aantal mannen en vrouwen. Acht leden zijn doctor in de geneeskunde, van wie er minstens vier hoogleraar zijn aan een Belgische universiteit. Vier leden zijn hoogleraar in de rechten of advocaat. De laatste, maar zeker niet minst belangrijke groep van vier leden komt uit kringen die belast zijn met de problematiek van ongeneeslijk zieke patiŽnten.

    De commissie brengt om de twee jaar een verslag uit. Vooreerst verzamelt zij alle statistische gegevens. Op basis hiervan evalueert zij de toepassing van de wet en ten slotte doet zij aanbevelingen voor mogelijke bijsturing van de wetgeving zelf of de uitvoering ervan. Teneinde deze opdrachten te vervullen, kan de commissie alle nuttige inlichtingen inwinnen bij diverse overheidsdiensten en instellingen.

    Het verslag wordt opgemaakt ten behoeve van de Kamers, die het binnen een periode van zes maanden wetgevende bespreken.

    Spreekster acht het essentieel dat dit debat op regelmatige tijdstippen plaatsvindt. Dit moet immers garanderen dat de euthanasiewet voortdurend opnieuw ten discussie wordt gesteld, en desgewenst bijgestuurd.


    3. Wetsvoorstel betreffende de palliatieve zorg (van mevrouw Myriam Vanlerberghe c.s.); nr. 2-246/1

    Inleidende uitzetting door de hoofdindiener van het wetsvoorstel

    Spreekster merkt op dat de indieners ervoor gekozen hebben de problematiek van de palliatieve zorg in een apart wetsvoorstel te gieten om te beklemtonen dat zij deze aangelegenheid even belangrijk achten als de euthanasieproblematiek. De patiŽnt moet, na volledig te zijn ingelicht, vrij kunnen beslissen over de behandeling die hij wenst.

    Dit houdt in dat de palliatieve zorg thuis of in een ziekenhuis, wordt geformuleerd als een recht van de patiŽnt. Het verzekeren van een dergelijk recht en van de gelijke toegang van alle patiŽnten hiertoe, kan alleen als het aanbod en de spreiding van deze vorm van zorgverlening sterk worden uitgebreid.

    Deze beginselen komen tot uiting in de tekst, die drie delen omvat :

    ≠ het verzekeren van een recht op palliatieve zorg voor alle patiŽnten;

    ≠ de overheid ertoe verplichten om de nodige middelen vrij te maken om dit recht in alle regio's van het land en voor alle sociale lagen ook in de praktijk te brengen;

    ≠ de patiŽnt verzekeren van een absoluut recht op informatie over zijn situatie en over de mogelijkheden inzake zorgverlening en behandeling die beschikbaar zijn.

    Essentieel is het feit dat palliatieve zorgverlening wordt omschreven als een wettelijke opdracht, niet alleen van het artsenkorps, maar ook van de overheid. Het is haar verantwoordelijkheid het absolute recht op dit soort van zorgverlening voor de patiŽnt te verzekeren.


    D. BEGIN VAN DE ALGEMENE BESPREKING

    Een spreekster verklaart dat het debat dat in de verenigde commissies voor de Justitie en de Sociale Aangelegenheden van de Senaat op basis van meerdere wetsvoorstellen betreffende euthanasie wordt aangevat, het logische vervolg is van een aantal debatten die sedert verschillende jaren rond dit thema aan de gang zijn.

    Dit netelige probleem, dat aan het leven en de dood van eenieder raakt, is niet alleen in ons land het onderwerp van heftige debatten. Deze debatten zijn dermate delicaat dat van de Europese landen alleen Nederland in deze kwestie ę wetgevend Ľ is opgetreden, en dan nog zonder rechtstreeks aan het verbod in de strafwet te raken.

    Hoewel het debat in ons land al verschillende jaren aan de gang is (het eerste desbetreffende wetsvoorstel dateert van 1986), heeft het zich pas kortgeleden, met name na de oprichting van het Raadgevend Comitť voor bio-ethiek, goed ontwikkeld. Het Raadgevend Comitť voor bio-ethiek heeft op verzoek van de voorzitters van Kamer en Senaat twee adviezen over deze kwestie opgesteld. Het eerste, van 12 mei 1997, ging over het levenseinde van wilsbekwame patiŽnten; het tweede, van 22 februari 1999, ging over het levensbeŽindigend handelen bij wilsonbekwamen.

    De Senaat van zijn kant heeft twee dagen, 9 en 10 december 1999, aan deze kwestie gewijd. Dit eerste parlementaire debat had betrekking op het eerste advies van het Raadgevend Comitť voor bio-ethiek. Er werden een aantal interessante dingen gezegd.

    De spreekster wil binnen het kader van de algemene bespreking over de thans ingediende wetsvoorstellen de volgende punten aansnijden :

    1. De noodzaak om duidelijk te bepalen wat euthanasie is (en wat niet).

    2. Euthanasie en palliatieve zorg : twee onlosmakelijk verbonden aspecten van het debat over het levenseinde.

    3. Moet het Strafwetboek worden gewijzigd om aan de euthanasieverzoeken tegemoet te komen ?

    4. Het creŽren van een ę kader Ľ van de medische handelingen op het einde van het leven : een andere aanpak van hetzelfde debat ?

    5. De noodzaak van een open en sereen debat en de gewetensvrijheid voor elk parlementslid.

    1. Een goede definitie van ę euthanasie Ľ

    Alvorens over euthanasie te discussiŽren moet duidelijk worden bepaald wat euthanasie is, en wat bijgevolg niet. Er is in de geesten van veel mensen te veel onduidelijkheid om tot een heldere definitie te komen.

    De spreekster meent dat iedereen zich moet aansluiten bij de definitie die het Raadgevend Comitť voor bio-ethiek eenparig heeft gegeven, namelijk : ę Euthanasie is het opzettelijk levensbeŽindigend handelen door een andere dan de betrokkene op diens verzoek. Ľ Volgens het Ethisch Comitť noopt de nadruk die in de definitie wordt gelegd op de intentie om een einde aan het leven te maken, ertoe een onderscheid te maken tussen euthanasie en andere handelingen van een arts zoals het toedienen van kalmeermiddelen of pijstillende middelen met mogelijk levensverkortende werking of het staken van een medisch zinloze behandeling.

    Het moet duidelijk zijn dat medische handelingen om het lijden van de patiŽnt te verlichten geen euthanasie zijn, zelfs al hebben ze tot gevolg dat het leven van de patiŽnt wordt ingekort. Hetzelfde geldt voor het stopzetten van geneeskundige behandelingen als die niet meer gerechtvaardigd zijn (uitzichtloze behandelingen). Hoe de tekst die wordt aangenomen er ook mag uitzien, dit moet duidelijk zijn. Na lezing van de verschillende wetsvoorstellen lijkt dit niet evident. Hierop moet dus worden toegezien bij de bespreking van de teksten.

    2. Euthanasie en palliatieve zorg : de twee niet van elkaar loskoppelen

    Het euthanasieprobleem kan niet worden losgekoppeld van de problematiek van de voortdurende en palliatieve zorg, van de kwaliteit van deze laatste en van de mogelijkheid voor iedereen om er toegang toe te hebben, en ook niet van een diepgaande bezinning over de vraag hoe de verhouding arts/patiŽnt, arts/verplegend team, patiŽnt/familie en omgeving in de dagelijkse praktijk en op het terrein functioneert.

    De spreekster sluit zich in dit verband aan bij een deel van het hoofdartikel van het vijfde nummer uit juni 1999 van het tijdschrift van het Raadgevend Comitť voor bio-ethiek, waarin staat : ę Elkeen erkent dat de dood een van de meest intieme momenten is. Het is namelijk een moment dat men ≠ zelfs omringd door de liefdevolle nabijheid van zijn naasten ≠ voor zich dient tegemoet te treden.

    De persoon beleeft dit moment in mindere of meerdere mate door zijn geloof in een hiernamaals en/of zijn zekerheden.

    De dood is ten slotte een moment waarbij men de nabestaanden achterlaat. Deze laatsten zijn meestal gekwetst door het verlies van hun naaste; elk met zijn geloofsovertuiging, zijn zekerheden en de min of meer grote aanpassing om verder te leven met de afwezigheid van iemand die men heeft bemind.

    Dient een samenleving die de menselijke waardigheid beoogt niet te waarborgen dat elkeen deze laatste levensfase op een serene wijze kan beleven ? Het debat inzake het levenseinde zou er derhalve idealiter moeten toe leiden dat te gepasten tijde de voorwaarden voor deze sereniteit worden gerealiseerd.

    Het is daartoe onontbeerlijk dat er in een algemene toegang tot aangepaste zorgverlening (palliatief of continu) wordt voorzien, dat er geen bekommernis dient te rijzen met betrekking tot het ten laste nemen van de eruit voortvloeiende kosten, dat er in een psychologische omkadering voor de patiŽnt en zijn naasten wordt voorzien, en dat medisch en verzorgend personeel wordt opgeleid in stervensbegeleiding. De leden van het comitť zijn het over al deze punten eens. Ľ

    Volgens de spreekster zou de samenleving de meest kwetsbaren en minst autonomen in haar rangen in de steek laten als ze het debat over euthanasie loskoppelt van een reflectie over de wijze waarop de patiŽnt aan het levenseinde wordt benaderd, over wat hij beleeft en diep aanvoelt bij het naderen van deze onvermijdelijke levensfase, over wat de maatschappij hem op dat ogenblik aanreikt aan hulp en steun en luisterbereidheid.

    Er moet worden nagedacht over de diepe betekenis van het euthanasieverzoek van een zieke en er moet aandachtig worden geluisterd. Achter dit verzoek liggen er dikwijls andere, die moeten worden gedecodeerd.

    Het euthanasiedebat moet deze vragen aansnijden, op het gevaar af dat euthanasie wordt gezien als een gemakkelijk antwoord van een Staat die nu reeds de neiging vertoont om het zorgaanbod te beperken omdat de kosten voor geneeskunde en verzorging, zeker bij ouderen, voortdurend stijgen. We mogen niet naÔef zijn. Of we het willen of niet, de economische dimensie, de kwestie van de kosten van de gezondheidszorg is in dergelijke debatten niet afwezig. We moeten op dit vlak zeer duidelijk zijn : welke middelen is de samenleving bereid vrij te maken om elke patiŽnt een zo sereen mogelijk levenseinde te garanderen, zoals het Raadgevend Comitť voor bio-ethiek zelf zegt ?

    De recente brief van de artsen Markstein van Brugmann en Bouckenaere van Saint-Michel is daarover duidelijk genoeg.

    3. Moet de strafwet worden gewijzigd om de euthanasieverzoeken in te willigen ?

    Verschillende van de ingediende voorstellen opteren voor een wijziging van de strafwet om tegemoet te kunnen komen aan een euthanasieverzoek. Men kan zich terecht afvragen of dit de juiste optie is, temeer daar dit niet de optie is die onze Nederlandse buren, noch het merendeel van de leden van het Raadgevend Comitť voor bio-ethiek tot nu toe hebben gekozen (voorstellen 2, 3 en 4). De recente nota onderstreept dit duidelijk : alleen de voorstanders van voorstel 1 stellen een wijziging van de strafwet voor. Dit geeft de wetgever minstens stof tot nadenken.

    Naar het voorbeeld van veel professoren en beoefenaars van het strafrecht moet hier worden gewezen op de draagwijdte van de strafwet. Zij wijzen erop dat de strafwet er met name toe dient het respect voor een morele en sociale orde te garanderen, alsmede het respect voor fundamentele waarden zoals de eerbiediging van de mensenrechten, de persoonlijke vrijheid en de fysieke en psychische integriteit van elk menselijk wezen. Zo garandeert ons Strafwetboek onder titel VIII van boek II, meer bepaald in de artikelen 393 tot 397, het respect voor de integriteit van de ander onder het opschrift ę misdaden en wanbedrijven tegen personen Ľ.

    De strafwet wil met het bestraffen van wie doodt, de bescherming van elk menselijk leven verzekeren. Ze geeft een duidelijke aanwijzing over wat de samenleving beschouwt als een onvervreemdbaar recht van elke persoon, namelijk de absolute bescherming van zijn fysieke integriteit.

    Brengen we ook artikel 95 van de medische plichtenleer uit 1992 in herinnering. Dit artikel bepaalt dat de arts niet opzettelijk de dood van een patiŽnt mag veroorzaken en dat hij hem niet mag helpen zelfmoord te plegen. Men kan zich afvragen wat er met die bepaling gebeurt als ons strafrecht wordt gewijzigd.

    De spreekster ziet hierin een grote tegenspraak die moet worden opgeworpen tegenover diegenen die in 1992 aan de basis lagen van de opstelling van dit artikel van de medische plichtenleer in het hoofdstuk ę Levenseinde Ľ.

    Bij de afkondiging van de regel heeft de wetgever ook aanvaard dat er uitzonderlijke omstandigheden mogelijk zijn waarin een strafrechtelijke sanctie niet alleen ongewenst is, maar waarin de gestelde handeling zelfs een geoorloofd en wettelijk karakter krijgt.

    De mogelijkheid om inbreuken op een objectieve wijze te rechtvaardigen ligt vervat in de drie algemene rechtvaardigingsgronden : de noodtoestand, de wettige zelfverdediging en de toestemming van de wet.

    Hierbij moet worden opgemerkt dat het openbaar ministerie in ons land kan afwegen of tot vervolging moet worden overgegaan, zelfs als de zaak bij de vonnisrechter aanhangig is gemaakt. Dit geeft het openbaar ministerie ook de mogelijkheid niet te vervolgen als dit gezien de situatie niet is gerechtvaardigd.

    In verschillende van de thans voorliggende wetsvoorstellen inzake euthanasie werd gekozen voor een reglementering, dit wil zeggen het vastleggen van de omstandigheden waarin het doden kan worden gerechtvaardigd. Hiertoe voegen al die wetsvoorstellen aan afdeling 4 ę Gerechtvaardigde doodslag, gerechtvaardigde verwondingen en gerechtvaardigde slagen Ľ van titel VIII (Misdaden en wanbedrijven tegen personen) een artikel 417bis toe.

    Deze weg lijkt om meerdere redenen zeer gevaarlijk.

    Ten eerste wordt geraakt aan een van de essentiŽle principes in een samenleving, namelijk de garantie dat de fysieke integriteit van elk menselijk wezen wordt geŽerbiedigd. Dit recht wordt niet alleen gegarandeerd door onze strafwet, maar ook door talrijke internationale verdragen zoals het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, meer bepaald door artikel 2 daarvan.

    Vervolgens lijkt het moeilijk en bijna onmogelijk om in een dergelijke wettekst rekening te houden met de verscheidenheid en de complexiteit van de situaties waarin personen op het einde van hun leven zich kunnen bevinden.

    Ofwel zijn de uitzonderingen te beperkt en zal het onmogelijk zijn bepaalde situaties te rechtvaardigen die eventueel zouden kunnen worden gerechtvaardigd. Ofwel is de definitie te ruim en is het risico op ontsporingen te groot. In een recent, opmerkelijk artikel in het magazine ę Louvain Ľ van november 1999, erkende Roger Lallemand zelf het volgende : ę Er zullen altijd randgevallen zijn die aanleiding zullen geven tot een gewetensdebat. Ze kunnen moeilijk in een norm worden vastgelegd. We voelen dit in het diepste van onszelf aan : de wet alleen zal de praktijk van de dood nooit op een bevredigende wijze kunnen regelen. Ľ

    Een vergelijkende tabel van de voorstellen toont goed aan hoe moeilijk dit is. De enen hebben het over een zieke in een terminale fase (voorstel nr. 2-105/1), anderen over een onbehandelbare ziekte die een overlijden op afzienbare termijn met zich meebrengt en ondraaglijk lijden veroorzaakt (voorstel nr. 2-22/1), en nog anderen over een noodtoestand of het fysieke lijden van een ongeneeslijk zieke (voorstel nr. 2-10/1), om maar enkele voorbeelden te noemen.

    Het is duidelijk dat elk van deze bepalingen problematisch is en dat geen enkele erin zal slagen al de verschillende situaties te bestrijken die kunnen voorkomen en euthanasie kunnen rechtvaardigen.

    Wat men ook doet, geen enkele regeling zal ę op maat gesneden Ľ zijn en echt en uitsluitend betrekking hebben op de vooropgestelde hypothesen.

    Het is dus zeer gevaarlijk zijn toevlucht te nemen tot een algemene regel in een materie die aan een fundamenteel recht van elk menselijk wezen raakt.

    Het is in dit verband interessant de verslagen van de Senaatsdebatten van 9 en 10 december 1997 nog eens te lezen, meer in het bijzonder de opmerkingen van de heer Jules Messine, de enige specialist strafrecht onder de sprekers van het Comitť voor bio-ethiek.

    ę Net als bij een andere inbreuk kan de dader in geval van euthanasie niet worden gestraft als hij aantoont dat er een wettige rechtvaardigingsgrond aanwezig was. Zo is het geval bekend van een arts die ondanks een burgerlijke partijstelling nooit voor het hof van assisen is moeten verschijnen omdat het openbaar ministerie van oordeel was dat zijn daad verschoonbaar was.

    Deze juridische constructie heeft het voordeel dat het principe van respect voor andermans leven met kracht wordt bevestigd terwijl de gevolgen ervan worden afgezwakt door rechtvaardigingsgronden en door de mogelijkheid van het openbaar ministerie om niet tot vervolging over te gaan (...). Ľ

    In antwoord op de vragen van een van de leden van de assemblee, mevrouw Mayence-Goossens, verklaart de heer Messine : ę ... juist om die reden stel ik voor de wet niet te wijzigen. De noodtoestand komt inderdaad niet in de tekst voor, maar hij werd door de rechtspraak ontwikkeld en door het Hof van Cassatie bevestigd. Ik stel voor zekerheid in te bouwen in de relatie arts-patiŽnt door de rechtvaardigingsgrond objectief vast te leggen. Het doden van een persoon veronderstelt dat de dader daarvan verantwoording aflegt tegenover de maatschappij.

    ... De vraag is of er een wet moet worden gemaakt of niet. Persoonlijk zie ik twee bezwaren.

    De wet zal toestaan dat een menselijk wezen wordt gedood en dat in omstandigheden waarvan de nuances de wetgever altijd zullen ontgaan. Ľ

    De spreekster meent dat het beroep op de rechtvaardigingsgronden, en meer bepaald op het begrip ę noodtoestand Ľ, bijgevolg raadzaam lijkt om tegemoet te komen aan de verscheidenheid en de complexiteit van de bijzondere gevallen. Dit is een welbekend begrip in onze rechtspraak en in andere Europese rechtsstelsels. In het Duitse en Oostenrijkse recht is dit begrip zelfs in de strafwet omschreven.

    Net als voor elke andere inbreuk wordt wie volgens de strafwet een moord pleegt, niet gestraft als dit gerechtvaardigd was. Door in dit geval een beroep te doen op de rechtvaardigingsgrond van de noodtoestand kan worden vermeden dat de wet strikt wordt toegepast in gevallen waar dat duidelijk niet nodig is. Dit kan zeer goed het geval zijn voor een arts die in eer en geweten en na alle elementen langdurig te hebben afgewogen, besluit in te gaan op het euthanasieverzoek van een patiŽnt.

    We mogen ook niet vergeten dat in ons land slechts heel zelden, om niet te zeggen nooit, vervolging wegens euthanasie wordt ingesteld. Waarom moeten wij onze strafwet in deze materie dan dringend wijzigen ?

    4. Moet er dan helemaal geen wettelijke regeling komen ?

    Welke optie men ook kiest, de strafwet zal geen antwoord kunnen geven op alle concrete situaties die zich dagelijks voordoen. Men kan zich dan ook afvragen of de euthanasiekwestie niet op een andere wijze moet worden aangepakt, namelijk door te luisteren naar de patiŽnt in het kader van een echte interdisciplinaire dialoog.

    De spreekster meent, zoals de voorstanders van voorstellen 2 en 3 van het Comitť voor bio-ethiek, dat de euthanasieverzoeken moeten worden geanalyseerd en behandeld in het kader van een dialoog waarin de patiŽnt centraal staat.

    De vraag naar de wijziging van de strafwet wordt bijgevolg bijkomstig, omdat het niet de bedoeling is de arts zekerheid te bieden, maar wel om de dialoog tussen patiŽnt en arts voorop te stellen.

    Volgens de spreekster is het duidelijk dat zulk een dialoog fundamenteel is en de hoeksteen moet zijn van elke wetgeving terzake, ongeacht of wordt beslist de strafwet te wijzigen of niet.

    Deze aanpak biedt de beste garanties dat het euthanasieverzoek van de patiŽnt zal worden gehoord en zal worden behandeld met alle nauwkeurigheid en ernst die zo een ingrijpende handeling vergt. Alle artsen en verpleegkundigen, leden van het begeleidend team, weten dat euthanasieverzoeken andere vragen verhullen en dat eerst een antwoord op deze vragen moet worden gegeven. Een man of een vrouw die ziek, verlamd of op het einde van het leven is, blijft een volwaardig menselijk wezen dat het recht heeft dat naar hem wordt geluisterd en dat wordt begrepen wat hij echt wil zeggen.

    Wat dat betreft, zijn we ver van de realiteit verwijderd. Hoeveel mannen en vrouwen die lijden, worden gehoord en op hun echte waarde beoordeeld ? Aan deze manier om patiŽnten te behandelen moeten we iets doen. Wat zijn die mensen, vooral in ziekenhuizen, tegenover een almachtige geneeskunde en overbelaste verplegende teams ?

    Volgens sommigen is de dialoog tussen arts en patiŽnt louter een ę colloque singulier Ľ. De spreekster is het hiermee niet eens, omdat ze niet gelooft dat dit een dialoog tussen gelijken is. De patiŽnt die lijdt of verzwakt in zijn bed ligt, heeft geen evenwaardige positie tegenover de arts. Dat is intellectuele fictie. De arts die wordt geconfronteerd met een herhaald verzoek van een patiŽnt moet kunnen overleggen met het verplegend team en de naasten. Hij moet afstand kunnen nemen van zijn eigen visie op de toestand van de patiŽnt en van zijn eigen geremdheid. Het is evident dat uiteindelijk alleen de arts de verantwoordelijkheid op zich neemt voor een euthanasie. Niemand kan in zijn plaats een antwoord geven op het euthanasieverzoek van een patiŽnt.

    5. De gewetensvrijheid in ethische zaken

    In haar regeringsverklaring heeft de regering zeer duidelijk gezegd dat een dergelijk debat in een open en vrije sfeer moet kunnen worden gevoerd.

    De minister van Justitie herinnert er in zijn algemene beleidsverklaring aan dat men uitgaat van het principe dat elk parlementslid zich vrij en in eer en geweten over deze kwestie moet kunnen uitspreken.

    Om aan deze bezorgdheid tegemoet te komen wenst de spreekster dat de discussie over dit moeilijke onderwerp in een zo groot mogelijke duidelijkheid en sereniteit moet kunnen worden gevoerd. Ze wenst dat al haar collega's die zich over deze moeilijke kwestie moeten uitspreken, dit met volle kennis van zaken kunnen doen. Ze wil dat de tijd wordt genomen voor een diepgaand debat over deze kwestie, dat alle fundamentele vragen die moeten worden gesteld, ook kunnen worden gesteld en dat geen enkele wordt ontweken.

    Uit de Senaatsdebatten van 9 en 10 december 1997 blijkt dat velen zich toen afvroegen of wetgeven in deze zaak noodzakelijk was. De spreekster is van mening dat deze vraag nog bij vele collega's leeft, ook al liggen er nu meerdere teksten op tafel.

    In hun nota stellen de artsen Markstein en Bouckenaere voor in fasen te werken, op basis van een goede analyse van de situatie op het terrein, en de tijd te nemen om aan de mentaliteit in de medische wereld te werken. Deze aanpak lijkt interessant. Ze sluit een beetje aan bij de Nederlandse, waar werd geopteerd voor een ę pragmatische en procedurele Ľ aanpak van het probleem, zonder onmiddellijk over te gaan tot een wijziging van de strafwet.

    Dit wordt hoe dan ook een moeilijk debat omdat moeilijke vragen worden gesteld. Dat is natuurlijk geen reden om het niet te voeren. De spreekster wenst niettemin dat het in een geest van zo groot mogelijke openheid wordt gevoerd. Op dit punt is ze niet gerustgesteld. De debatten verlopen achter gesloten deuren. Sommigen geloven blijkbaar in de kracht van de gesloten deuren, maar de spreekster is het hiermee niet eens. Ze meent dat dit debat te belangrijk is om het tot de politici te beperken. De parlementsleden hebben trouwens een aantal standpunten uit de burgermaatschappij ontvangen, wat een goede zaak is.

    De spreekster hoopt dat gedurende het hele debat zal kunnen worden geluisterd naar hen die dagelijks met euthanasieverzoeken worden geconfronteerd zodat het debat op de realiteit kan worden geŽnt en geen discussie wordt waarin filosofische en ideologische strekkingen elkaar willen overtroeven. Dat stemt geheel niet overeen met de realiteit op het terrein waar mensen met verschillende filosofische en ideologische achtergronden zij aan zij staan. Op dezelfde wijze is er binnen het Raadgevend Comitť voor bio-ethiek toenadering gegroeid tussen mensen van uiteenlopende overtuigingen. De spreekster hoopt dat in de commissies op dezelfde wijze zal kunnen worden gewerkt.

    Een lid wenst in te gaan op de laatste drie van de ingediende wetsvoorstellen en in dit verband de standpunten van haar fractie, die in een wetsvoorstel werden gegoten, toe te lichten.

    De spreekster herinnert eraan dat haar fractie een tweede wetsvoorstel heeft ingediend over palliatieve zorg.

    De spreekster heeft vragen bij het verband tussen de wetsvoorstellen die werden becommentarieerd. De fractie waartoe de spreekster behoort, heeft zoals vele andere parlementsleden contacten gehad met mensen op het terrein. Op basis daarvan wil die fractie opmerkingen maken over de wijze waarop en de chronologische volgorde waarin de voorstellen zullen worden besproken.

    In de eerste plaats is er het wetsvoorstel inzake euthanasie. Het is bekend dat in ongeveer 10 % van de sterfgevallen een euthanasieverzoek werd geformuleerd, maar dat het aantal voortdurende verzoeken tot 1 of 2 % daalde als de vraag op een correcte manier werd gedecodeerd.

    Om die reden lijkt het beter eerst de teksten over palliatieve en voortdurende zorg te behandelen. Elke fractie zou zich moeten uitspreken over de chronologie van het debat en de stemming over de verschillende teksten.

    Er bestaat een duidelijke, rechtstreekse band tussen euthanasie en palliatieve zorg.

    Palliatieve zorg kan op verschillende wijzen worden benaderd. De palliatieve cultuur verschilt naargelang de instelling en de aard van de verstrekte zorg (thuis, in een ziekenhuis, in een rust- en verzorgingstehuis ...).

    Het zou interessant zijn dat de verschillende opvattingen terzake in het kader van de komende hoorzittingen worden toegelicht.

    De tweede opmerking gaat over de optie van een wijziging van het Strafwetboek.

    De fractie van de spreekster blijft op haar standpunt dat het Strafwetboek niet moet worden gewijzigd. Ze verdedigt dit niet om juridisch-technische of wetgevings-technische redenen, maar omdat een dergelijke wijziging gevaarlijk lijkt. Het verbod op doden moet in onze samenleving een fundamenteel richtpunt blijven.

    Het is een van de grote symbolische, zonder twijfel traditionele richtpunten, die steeds zeldzamer worden in een civiele en politieke samenleving die volop verandert.

    De wens om het verbod op doden te handhaven wordt geÔnspireerd door sociologische en antropologische redenen die losstaan van filosofische of godsdienstige overtuigingen.

    Te veel mensen vrezen mogelijke ontsporingen. De ervaring in het buitenland leert dat het onverstandig zou zijn aan het Strafwetboek te raken : buiten Oregon is er geen enkele Staat tot een dergelijke wijziging overgegaan, ook Nederland niet.

    Deze materie kan op een andere wijze worden geregeld, bijvoorbeeld door een aanpassing van het koninklijk besluit betreffende de geneeskunst.

    Veel landen, waaronder Zwitserland, hebben geopteerd voor een aanpassing van de medische plichtenleer. Het zou interessant zijn om de artsen, die rechtstreeks met dit probleem zullen worden geconfronteerd, te vragen waaraan zij de voorkeur geven.

    Een ander choquerend punt in het voorstel betreffende de euthanasie is het toepassingsgebied van de tekst.

    Het gaat om een debat over het levenseinde. De fractie van de spreekster dacht dat de discussie hiertoe beperkt bleef en vond dat die beperkt moest blijven tot die gevallen waarin de dood op korte termijn kan worden verwacht.

    Welnu, het toepassingsgebied van het wetsvoorstel werd aanzienlijk uitgebreid. Het heeft immers niet alleen betrekking op situaties bij het levenseinde, maar ook op ongeneeslijke patiŽnten die nog niet in een terminale fase zijn gekomen.

    Bovendien zijn ook de motieven waarop de patiŽnten zich mogen beroepen zeer uitgebreid. Het kan immers gaan om patiŽnten die lijden of in een toestand van fysieke of psychische nood verkeren.

    Onder die voorwaarden kan om euthanasie worden verzocht in gevallen die enkele maanden geleden bij het indienen van de teksten nog ondenkbaar waren : zo kan een depressieve patiŽnt die zich in een morele noodtoestand bevindt, om euthanasie verzoeken.

    Dit vormt een probleem, ook al mogen we niet uit het oog verliezen hoe groot het lijden en de psychische nood in onze maatschappij is. Zelfmoord bij jongeren is hiervan een dramatische illustratie. Een dermate uitgebreid toepassingsgebied wordt echter voor veel zieken en gehandicapten een ondraaglijke boodschap. Dat blijkt uit de reacties die het voorstel heeft losgemaakt. Deze tekst gaat te ver en houdt het risico van banalisering in.

    Te veel personen hebben hem reeds geÔnterpreteerd als een toestemming om te vragen om te sterven of om een dergelijk verzoek van kwetsbare personen in te willigen.

    Om die reden wenst de fractie waartoe de spreekster behoort dat het toepassingsgebied van de tekst wordt beperkt zodat euthanasie een uitzonderlijke daad blijft die op meer restrictieve motieven is gebaseerd (ondraaglijk lijden, ongeneeslijk karakter van de ziekte, prognose van een overlijden op korte termijn).

    De rol van de arts lijkt in de tekst beter uitgewerkt dan in voorgaande wetsvoorstellen, maar de arts staat nog altijd even alleen tegenover het euthanasieverzoek.

    In de tekst wordt bepaald dat een onafhankelijke collega wordt geraadpleegd, niet over het euthanasieverzoek, maar wel over het ongeneeslijke karakter van de ziekte.

    De spreekster meent dat de tekst, in vergelijking met het wetsvoorstel dat door haar fractie werd ingediend, noch het overleg van de arts met het verplegend team (waaronder eventueel ook een afgevaardigde van het ethisch comitť), noch de raadpleging van de naasten afdoende versterkt.

    Het risico bestaat dat de arts alleen blijft staan tegenover het euthanasieverzoek en dat hij om die reden tegenover de zieke te veel macht heeft.

    Het is niet verrassend dat in de tekst wordt geopteerd voor een controle a posteriori, terwijl de fractie van de spreekster veeleer voorstander van een controle a priori is.

    Bovendien maakt de tekst wel melding van palliatieve zorg, maar zwijgt hij over de plicht tot morele bijstand van de artsen en het verplegend personeel. De begeleiding en psychische bijstand van de patiŽnt op het einde van het leven is nochtans fundamenteel, zowel in het kader van de palliatieve zorg als, indien dit niet helpt, in het kader van euthanasie.

    Dit element moet uitdrukkelijk in de toekomstige wetgeving worden opgenomen en moet via de opleiding van artsen en verpleegkundigen worden aangemoedigd.

    Spreekster beklemtoont in dit verband dat, in tegenstelling tot wat sommigen meenden te moeten verklaren, het lijden volgens haar zoveel mogelijk moet worden verlicht. De fractie waarvan ze deel uitmaakt, steunt geenszins op een ideologie die het lijden een bijzondere waarde toekent en bijgevolg berusting predikt. Vergeleken met andere landen, zoals Canada, loopt ons land achter inzake stervensbegeleiding. In Canada vindt een gelijkaardig debat plaats, maar daar is men afgestapt van de depenalisering en is men sterker de nadruk op de ontwikkeling van een palliatieve cultuur gaan leggen.

    Het zou interessant zijn in de verenigde commissies hierover een Canadese getuigenis te horen.

    De voorafgaande wilsverklaring van de patiŽnt houdt uiteraard verband met de problematiek van de patiŽnten die niet meer bewust zijn. Het zou goed zijn hierover deskundigen op het terrein te horen.

    Spreekster verwijst naar de werkzaamheden van de Senaat tijdens de vorige zittingsperiode en naar elementen van vergelijkend recht.

    In de landen waar de voorafgaande wilsverklaring bestaat (in Oregon en Zwitserland, waar euthanasie niet wettelijk geregeld is, maar de medische deontologie het principe van de wilsverklaring aanvaardt), is gebleken dat deze de taak van de arts niet altijd vergemakkelijkt.

    Amerikaanse artsen onderstrepen dat een voorafgaande wilsverklaring de arts in moeilijkheden kan brengen, omwille van de manier waarop de ziekte zich ontwikkelt en van de houding van de patiŽnt, zijn omgeving en zelfs zijn vertegenwoordiger.

    Iedereen heeft natuurlijk het recht zijn laatste wil op papier te zetten.

    De fractie waarvan spreekster deel uitmaakt, wenst niet dat de voorafgaande wilsverklaring van de patiŽnt wordt gebruikt als beoordelingselement en evenmin als een definitief en rechtsgeldig bewijs van wat de patiŽnt wil.

    Volgens het wetsvoorstel moet een geldige voorafgaande wilsverklaring worden opgesteld minder dan vijf jaar vůůr de patiŽnt zijn wil niet meer kan uiten. Die termijn lijkt te lang, omwille van de snelle evolutie die een persoon op het einde van zijn leven kan doormaken.

    Er moet meer duidelijkheid komen over de voorafgaande wilsverklaring door artsen te horen die terzake ervaring hebben of door de toestand te bestuderen in de landen waar de voorafgaande wilsverklaring bestaat.

    Het wetsvoorstel opteert voor een controle a posteriori. Spreekster heeft twijfels over de efficiŽntie van een dergelijke controle, die een loutere formaliteit dreigt te worden, temeer omdat sommige artsen al hebben verklaard dat de nieuwe wet hun handelwijze niet zal beÔnvloeden.

    De tekst voorziet bovendien niet in een specifieke sanctie ingeval de procedurele voorwaarden niet worden nageleefd.

    Het voorstel van de fractie van de spreekster diende te worden ingevoegd in de tekst over de geneeskunst; het voorzag in het behoud van strafrechtelijke bepalingen en in specifieke strafrechtelijke sancties in geval van niet-naleving van een van procedurele verplichtingen.

    Moeten er ook geen ≠ niet noodzakelijk strafrechtelijke ≠ strafbepalingen zijn voor de arts ?

    Moet in de wet die nu wordt voorbereid, niet uitdrukkelijk sprake zijn van de strijd tegen uitzichtloze therapieŽn en het staken van de therapie ?

    Het merendeel van de euthanasieverzoeken komt er inderdaad nadat een uitzichtloze therapie werd toegepast of een therapie werd stopgezet, of uit angst daarvoor.

    Een duidelijke tekst daarover is dus wenselijk, maar het Strafwetboek lijkt daarvoor niet geschikt.

    Spreekster herhaalt dat haar fractie er de voorkeur aan geeft alle beslissingen omtrent het levenseinde te bundelen in ťťn tekst, die niet in het Strafwetboek wordt opgenomen.

    Het gaat inderdaad in de eerste plaats om een probleem van volksgezondheid.

    Het strafrecht heeft zijn beperkingen en kan deze problematiek moeilijk vatten.

    Het dreigt verlammend en desoriŽnterend te werken en het collectief onderbewustzijn ongunstig te beÔnvloeden.

    Nu men er in tal van domeinen naar streeft de sociale banden in stand te houden, bijstands- en begeleidingsmechanismen uit te bouwen en bakens uit te zetten voor de toekomstige generaties, lijkt de voorgestelde tekst gevaarlijk.

    Zowel internationale teksten als de toestand in onze buurlanden tonen aan dat raken aan de strafwet een hoog symbolisch gehalte heeft. We moeten een dreigende banalisering vermijden.

    Iedereen weet dat euthanasie wordt toegepast en dat controle noodzakelijk is. In sommige gevallen kan en moet euthanasie mogelijk zijn. De fractie waarvan spreekster deel uitmaakt, heeft een symbolische daad willen stellen door een wetsvoorstel in te dienen, wat niet zonder betekenis was. Haar fractie wil een wet die de gevaren omzeilt die een te ruime tekst, zoals die welke werd ingediend, doet ontstaan.

    Wat het tweede wetsvoorstel over de evaluatiecommissie betreft, is het juist dat het voorgestelde systeem vergelijkbaar is met de regeling die geldt inzake zwangerschapsafbreking.

    De fractie waarvan spreekster deel uitmaakt is ervan overtuigd dat de maatschappij controle moet uitoefenen, maar ze wil een andere controle. Ze gelooft niet dat de evaluatiecommissie die men wil oprichten een goed werkinstrument is, omdat het om een bij uitstek politiek instrument gaat.

    Ze geeft de voorkeur aan een controleorgaan waarin de artsen een grotere rol spelen en aan een evaluatiemechanisme dat beperkt is in de tijd.

    Een tijdelijke wet die over enkele jaren kan worden aangepast, lijkt een betere oplossing omdat het weinig waarschijnlijk is dat een evaluatiecommissie erin slaagt de wet te wijzigen of te verbeteren.

    Zo is gebleken dat de evaluatiecommissie inzake zwangerschapsafbreking interessante statistieken oplevert, maar niet de mogelijkheid opent om een fundamentele bepaling van de strafwet te wijzigen.

    Spreekster heeft ook vragen bij de wijze waarop de artsen de documenten aan de evaluatiecommissie zullen overleggen.

    In Nederland is gebleken dat de nieuwe regeling de handelwijze van de artsen nauwelijks heeft beÔnvloed. Waarom zouden Belgische artsen moediger zijn en hun documenten aan een niet-medische, maar politieke commissie overleggen ?

    Ten slotte geeft het wetsvoorstel over palliatieve zorg nog aanleiding tot een aantal algemene overwegingen. De tekst is erg breed en zeer vaag en moet worden gepreciseerd.

    Omdat verschillende bestuursniveaus (federale overheid, gewesten en gemeenschappen) bevoegd zijn, is de materie moeilijk af te bakenen.

    Het is voor een niet-specialist daarom niet gemakkelijk uit te maken welke regels, meer bepaald sociale, van toepassing zijn.

    Verkieslijk is een voorstel van kaderwet dat niet alleen alle principes bevat waarop de palliatieve zorgverlening voortaan moet steunen (toegankelijkheid, gelijke behandeling, structurele financiering, ...) maar dat ook de huidige toestand concreet weerspiegelt.

    Sinds 1 januari 2001 is een nieuwe regeling van toepassing; de palliatieve zorgverstrekkers hebben al laten weten dat het besluit inzake financiering en verpleegdagprijs niet ver genoeg gaat.

    Het voorstel moet dus ook over de principes handelen.

    In deze materie, die voor spreekster en haar fractie fundamenteel is en waaraan ze meer belang hecht dan aan de tekst over de depenalisering van euthanasie, mag men niet alles aan de Koning overlaten.

    Spreekster wijst er tot slot op dat haar fractie terzake een tekst heeft ingediend die nogal lang is omdat daarin niet alleen is opgenomen wat bestaat, maar ook wat verbeterd kan worden. Deze tekst zal later worden toegelicht.

    Een senator acht palliatieve zorgverlening te belangrijk om deze aangelegenheid te gaan benaderen als een aanhangsel van een euthanasieregeling. De materie vereist een eigen kader en het is daarom niet wenselijk dat ze wordt afgedaan door een aantal artikelen in te voegen in een wet die euthanasie regelt.

    Palliatieve zorg is overigens in de eerste plaats een kwestie van financiŽle en personele middelen en van opleiding. De overheid mag er niet van uitgaan dat deze materie geregeld is door een aantal grote principes in de wet in te schrijven.

    Tijdens een vorige vergadering heeft spreker zich al voorstander getoond van een wettelijke regeling inzake euthanasie die zowel aan de artsen als aan de patiŽnten de nodige rechtszekerheid moet garanderen.

    Een dergelijke regeling is evenwel alleen aanvaardbaar indien een aantal zorgvuldigheidsvereisten zijn ingebouwd. Precies vanuit dit oogpunt heeft zijn fractie er de voorkeur aan gegeven via amendementen voort te bouwen op het wetsvoorstel nr. 2-105/1, dat terzake de meeste garanties biedt.

    Spreker is dan ook ten zeerste ontgoocheld dat deze tekst opzij werd geschoven ten voordele van het wetsvoorstel nr. 2-244/1 dat door de voorzitters van de meerderheidsfracties werd ingediend. Men kan zich niet van de indruk ontdoen dat het hier een in alle haast bijeengeharkte tekst is, waarin een aantal zorgvuldigheidsvereisten achterwege werden gelaten en die aan duidelijkheid zeer te wensen overlaat.

    Hij hoopt dan ook dat de discussie over deze tekst volkomen open is. Zoniet zal hij zich verplicht zien het wetsvoorstel nr. 105/1, met een aantal aanpassingen die in eerder ingediende amendementen (Zie Stuk Senaat, nr. 2-105/2) werden omschreven, onder eigen naam opnieuw in te dienen.

    Spreker wenst vervolgens 10 concrete tekortkomingen op te sommen van het wetsvoorstel nr. 2-244/1.

    1. Het begrip ę terminaal Ľ is uit de tekst verdwenen. Het is waar dat dit een moeilijk te omlijnen begrip is, maar men lost dit niet op door in de plaats termen zoals ę zware en ongeneeslijke aandoening Ľ te gebruiken, waarmee men zich helemaal op glad ijs begeeft. Waar ligt bijvoorbeeld het verschil tussen een gewone chronische aandoening en een ę zware en ongeneeslijke aandoening Ľ. Het begrip ę terminaal Ľ hoeft niet noodzakelijk te betekenen dat de patiŽnt nog slechts enkele dagen te leven heeft. Het is wel degelijk mogelijk dit begrip af te bakenenen en de commissie moet hiertoe een poging trachten te doen.

    2. Een aantal zorgvuldigheidsvereisten die in het wetsvoorstel nr. 2-105/1 voorkwamen, zijn hier zonder meer weggevallen. Zo is het begrip ę vrijwilligheid Ľ uit de tekst verdwenen. Een deel van de bezwaren tegen een euthanasieregeling is ingegeven door de angst dat de patiŽnt door zijn omgeving onder druk zou worden gezet of dat hij om levensbeŽindiging vraagt omdat hij zich een last voelt voor zijn omgeving. Vandaar dat de wetgever de arts de plicht moet opleggen om te toetsen of de vraag om euthanasie niet door dergelijke overwegingen is ingegeven. Arts en patiŽnt moeten samen, zonder enige druk van buitenaf, tot het besluit komen dat er geen andere mogelijkheid is om het ondraaglijke lijden van de patiŽnt te verzachten.

    3. De tekst schrijft voor dat de mening van een tweede arts moet worden ingewonnen. Er wordt echter niet bepaald wat deze verplichting precies inhoudt, waardoor het advies een loutere formaliteit wordt. Theoretisch is het mogelijk dat deze tweede arts zijn mening geeft zonder dat hij de patiŽnt zelfs maar gezien heeft. In Nederland bijvoorbeeld, moet de tweede arts de patiŽnt onderzoeken en zich vergewissen van het ondraaglijke en uitzichtloze karakter van de ziekte.

    4. De wilsuiting kan door de arts vastgesteld worden, louter op basis van een gesprek met de patiŽnt, zelfs als deze ertoe in staat zou zijn zijn wil schriftelijk kenbaar te maken. Bovendien hoeft er bij deze mondelinge wilsuiting geen enkele getuige aanwezig te zijn. Het zou volstaan dat de arts ergens in het registratieformulier aangeeft dat de patiŽnt om euthanasie heeft gevraagd. Dit is onaanvaardbaar. Hoe kan in een dergelijk systeem a posteriori worden nagegaan of een aantal zorgvuldigheidseisen in acht werden genomen ?

    5. Het wetsvoorstel bepaalt wel dat euthanasie slechts mogelijk is na een duurzaam verzoek van de patiŽnt, maar zegt niet waaruit dit duurzame karakter moet blijken. Het minste wat men in dit verband kan verlangen is dat een wilsverklaring of een wilsuiting formeel wordt bevestigd vooraleer de euthanasie wordt uitgevoerd. Ook deze bevestiging zou schriftelijk of in aanwezigheid van getuigen moeten gebeuren. Het voorstel nr. 2-105/1 voorzag terzake in een duidelijke regeling en bepaalde dat, indien het voor de patiŽnt onmogelijk was zijn verzoek te bevestigen, niet ťťn maar twee artsen moesten worden geraadpleegd.

    Het is belangrijk dat de euthanasie volgens een gefaseerde procedure verloopt, waarbij elke fase degelijk wordt gecontroleerd.

    6. Zowat alle vroeger ingediende voorstellen voorzien in een bijzondere regeling voor zwangere vrouwen. Het is onbegrijpelijk dat dit in de voorliggende tekst is weggelaten. Wanneer de patiŽnte een levensvatbaar kind draagt, moet dit ter wereld kunnen komen. Dit hoeft niet noodzakelijk te betekenen dat de zwangerschapsperiode volledig wordt uigedaan. Aangezien het een levensvatbaar kind betreft, kan een bevalling worden geÔnduceerd.

    7. Het voorstel nr. 2-105/1 voorzag in een toetsingscommissie die moest toezien op het respecteren van de zorgvuldigheidsvereisten. De commissie die in het wetsvoorstel nr. 2-245/1 wordt opgericht, heeft alleen nog als opdracht statistische gegevens te verzamelen en aanbevelingen te doen ten aanzien van de overheid. Het is noodzakelijk dat er een toezichtscommissie komt, waarin de betrokken beroepsgroepen vertegenwoordigd zijn en die ideologisch evenwichtig is samengesteld, met als opdracht alle actieve levensbeŽindigingen op een consequente en homogene wijze, volgens duidelijk vastgestelde regels, te beoordelen. Een beoordelingssysteem dat uitsluitend steunt op ≠ toevallige ≠ klachten bij de rechtbanken is volstrekt onvoldoende om tot een jurisprudentie te komen waarop men kan steunen.

    8. Het verslag dat de arts opmaakt, moet een dergelijke toetsing mogelijk maken. Behoudens de aard van de aandoening zouden hierin onder meer ook de aard van het lijden zelf en de reden waarom het lijden uitzichtloos is moeten worden weergegeven. Daarnaast zouden hierin afschriften van de wilsverklaring, de wilsuiting en de bevestiging hiervan moeten worden opgenomen, alsmede de andere gegevens waaruit het duurzame karakter van de vraag om levensbeŽindiging moet blijken.

    9. Het wetsvoorstel nr. 2-86/1 voorzag in de aanstelling van een gemandateerde die moet toezien op de uitvoering van de wilsverklaring, indien bijvoorbeeld de patiŽnt in een vreemd ziekenhuis terecht komt. Een dergelijke werkwijze is zeer wenselijk. In het wetsvoorstel nr. 2-244/1 wordt deze gemandateerde evenwel een gesprekspartner van de arts om tot een besluit te komen. Dit kan nooit de bedoeling zijn. De gemandateerde moet de arts wel wijzen op het bestaan van de wilsverklaring, maar het is deze laatste die de beslissing neemt. In deze tekst legt men een onaanvaardbare druk op de gemandateerde.

    10. Euthanasie wordt volgens het wetsvoorstel geregistreerd als een natuurlijke dood. Het is echter, onder meer met het oog op epidemiologisch onderzoek, noodzakelijk dat in de statistieken over de doodsoorzaken, de aandoeningen waaraan de betrokkenen lijden, terug te vinden zijn.

    Spreker besluit dat hij niet tegen een regeling is die euthanasie in bepaalde gevallen mogelijk maakt. In een dergelijke regeling moeten evenwel sterke zorgvuldigheidsvereisten ingebouwd worden die elk misbruik onmogelijk maken. Vanuit dit oogpunt verdienen een aantal wetsvoorstellen die eerder werden ingediend de voorkeur op de tekst die nu ter bespreking wordt voorgelegd.

    Spreker zal dan ook amendementen indienen die de vertaling zijn van de tien opmerkingen die hij zopas ten aanzien van dit wetsvoorstel heeft geformuleerd.

    Een lid verklaart dat men zich eerst en vooral kan afvragen waarom de maatschappij, bij ons maar ook in andere landen, vandaag wordt geconfronteerd met het probleem van de euthanasie en de palliatieve zorg. Wij leven in een volkomen nieuw tijdperk, met name vanuit demografisch oogpunt : de levensduur is op een spectaculaire manier verlengd en verscheidene generaties leven samen.

    Wij leven ook langer na het beŽindigen van onze beroepsactiviteiten. Soms verkeren we ook dan nog in goede gezondheid, maar soms zijn er lange periodes waarin onze gezondheid en onze fysiek zwak zijn, ons intellectueel vermogen afneemt, waarin we sociale uitsluiting en eenzaamheid kennen.

    Onze maatschappijen zijn vaak onvoldoende georganiseerd om het hoofd te bieden aan de enorme revolutie die deze situatie met zich brengt.

    Het debat over euthanasie en palliatieve zorg dient in die context te worden geplaatst.

    Persoonlijk heeft spreker er geen bezwaar tegen om positief in te gaan op een verzoek tot euthanasie.

    Nochtans gaat het hier niet om een keuzeprobleem tussen palliatieve zorg en euthanasie.

    Het zou overigens verontrustend zijn, mocht dat wel het geval zijn.

    Als arts gaat spreker ervan uit dat de strijd voor het leven, tegen ziekte, lijden en dood ťťn van de hoofdmotieven is voor de bedrijvigheid van de arts.

    Iemand helpen sterven, zelfs als hij het in sommige uitzonderlijke gevallen kan overwegen, vindt hij een mislukking.

    Het hoofdprobleem vandaag is een humanistisch antwoord te vinden dat strookt met de menselijke waardigheid en dat voor alles een aanvaardbare levenskwaliteit waarborgt.

    Daarom is het recht op palliatieve zorg, dat vandaag door alle partijen wordt verdedigd, zo belangrijk.

    Nu is het nog zaak dit standpunt niet alleen met de mond te belijden. Men moet de gelijke toegang tot palliatieve zorg ook echt in praktijk willen brengen.

    Een tweede belangrijk gegeven is dat het, volgens de echo's die opgevangen werden bij sommige artsen en artsenverenigingen, niet zo zeer zwaar zieken zijn die om euthanasie verzoeken, maar wel zeer oude en gezonde mensen, die op deze manier hun nood en hun eenzaamheid te kennen geven en ook hun indruk niet langer als volwaardige personen mee te tellen in onze maatschappij.

    Het derde punt betreft het ontbreken van het begrip ę levenseinde Ľ in de laatst ingediende tekst.

    Spreker is van mening dat dit ťťn van de meest cruciale punten is van dit debat.

    Door zich alleen te baseren op het lijden of de ontreddering kan men geen ontsporing of een extreem brede interpretatie voorkomen, zelfs als dat niet de bedoeling is van de indieners van de tekst.

    Wat is een noodsituatie of een ondraaglijk lijden ? Gaat het hier om het externe oordeel van een derde of het oordeel van de persoon zelf ? Op welke wijze zal met het lijden rekening worden gehouden en volgens welke precieze criteria ?

    In onze sanenleving lijdt 15 ŗ 20 % van de bevolking aan een handicap. Sommige mindervaliden kunnen te lijden hebben onder een ondraaglijke noodsituatie alleen omwille van de manier waarop de samenleving en de gezonde mensen tegen hun handicap aankijken.

    Een ander punt betreft het advies dat moet worden ingewonnen door de arts die met een herhaald verzoek tot euthanasie wordt geconfronteerd.

    Het is begrijpelijk dat sommigen hun beslissing om euthanasie te plegen enkel en alleen willen laten afhangen van de dialoog tussen arts en patiŽnt.

    Maar die opvatting heeft een evolutie gekend in alle aspecten van de hedendaagse geneeskunde.

    Waarom zou die evolutie dan niet plaatsvinden voor ťťn van de belangrijkste handelingen die een arts kan stellen ten aanzien van de patiŽnt, namelijk het plegen van euthanasie ?

    Spreker begrijpt niet hoe men het zou kunnen stellen zonder het advies van een confrater, maar ook zonder dat van het paramedisch verzorgend personeel, dat een fundamentele rol speelt in de zorgverstrekking bij het levenseinde.

    Tal van verpleegsters en kinesitherapeuten hebben erop gewezen hoe doorslaggevend hun rol is, omdat het er op het einde van het leven veel minder op aan komt om behandelingen voor de schrijven, dan wel om de zieke te helpen, te omringen, te verzorgen en gerust te stellen.

    De bedoeling is niet om alles naar de rechtbank te verschuiven, maar wel om te handelen in overeenstemming met het gezond verstand en met de huidige medische praktijk.

    Voor zover spreker kennis heeft kunnen nemen van de mening van artsen en van leden van het verzorgend personeel, denkt hij niet dat de voorgestelde maatregelen hen geruststellen wat betreft de rechtszekerheid.

    Integendeel, die maatregelen verontrusten hen. Zij zien in de procedure a posteriori veeleer een zwaard van Damocles dat hen zou kunnen beletten de handelingen te stellen die zij nodig achten.

    Spreker denkt evenmin dat deze procedure rechtszekerheid biedt voor de patiŽnt. Hoe zal zij immers met zekerheid kunnen voorkomen dat euthanasie wordt gepleegd om sociale of economische redenen ? Het zal volstaan om de euthanasie niet te melden, zoals sommige artsen hebben verklaard, en verder te gaan met clandestien euthanaseren.

    Over de onbewuste patiŽnten en de wilsverklaring heeft spreker nog geen definitief oordeel. Hij zou graag een aantal practici en ethici over dit onderwerp horen.

    Om de toekomstige wet later te kunnen evalueren is spreker van oordeel dat de techniek van een voorlopige wet vanuit ethisch standpunt nuttig kan zijn; zo kan worden afgewogen of men zijn opinie moet herzien en of de tekst eventueel dient te worden verbeterd.

    De evaluatiecommissie lijkt niet het meest aangewezen instrument te zijn om na te gaan welke impact de wetgeving heeft op de euthanasie in BelgiŽ, omdat het er vooral op aankomt bepaalde statistische gegevens te verzamelen.

    Volgens de gegevens die aan de commissie werden bezorgd, heeft men met name geen zicht op de omvang van het onwettig euthanaseren.

    Spreker vraagt zich af of, als er dan toch een evaluatiecommissie wordt opgericht, de instrumenten waarover ze beschikt niet aan herziening toe zijn, opdat echt een globale evaluatie van de evolutie van de euthanasiepraktijk in ons land kan worden gemaakt.

    Een spreker verheugt zich erover dat het debat ten gronde eindelijk is begonnen en stelt vast dan op ťťn uitzondering na uit alle toespraken blijkt dat er een diepe kloof bestaat tussen de voorstellen van de zes indieners en het standpunt van de christen-democratische fracties.

    Dat toont ook aan hoe zinloos het is aan de indieners van de drie voorstellen te verwijten dat zij geen contact hebben opgenomen met de indieners van de voorstellen van deze fracties.

    Diepgaande meningsverschillen blijven bestaan over volgende punten : de wijziging van de strafwet, het toepassingsgebied van de tekst, de rol van de arts, het probleem van de onbewuste patiŽnt, de evaluatie van de toekomstige wetgeving.

    De vorige spreker heeft verklaard dat het probleem van de euthanasie precies nu rijst omdat de levensduur aanzienlijk langer is geworden en omdat onze maatschappij niet bij machte is deze situatie te beheren.

    Spreker is van oordeel dat de reden elders ligt; de geneeskunde heeft weliswaar een aanzienlijke vooruitgang geboekt, maar er is ook een bewustzijn gegroeid dat sommige mensen, misschien omwille van hun individueel comfort, maar ook omwille van een bepaalde opvatting over individuele autonomie en waardigheid, niet langer fysiek of moreel willen lijden en vragen dat er een einde wordt gemaakt aan deze situatie.

    Tot hier toe heeft spreker zichzelf steeds gedwongen om geen gewag te maken van de individuele gevallen waarvan hij kennis kon nemen, maar andere sprekers hebben dat wel gedaan.

    Hij verwijst naar de verklaringen van sommige patiŽnten in de pers. Zo legde een gehandicapte van 45 jaar oud uit hoe hij 20 jaar lang gevochten had in een verschrikkelijke toestand van fysieke aftakeling en vroeg om onverwijld een wet inzake euthanasie goed te keuren zodat hij waardig zou kunnen sterven.

    Op sommige ogenblikken moet een persoon, ongeacht de mogelijkheden van de geneeskunde, soeverein kunnen kiezen voor de dood.

    Afgezien van de technische problemen, bestaat de fundamentele vraag erin te weten of men aanvaardt dat iemand volledig autonoom kan beslissen over zijn leven en dood, dan wel of er een collectief element van sociale controle moet spelen in de individuele keuze van een privť-persoon.

    In een discussie over de maatschappelijke evolutie na het jaar 2000 bracht een filosoof onlangs in herinnering dat het menselijk wezen ę een geniaal individu, maar een collectieve idioot is Ľ, terwijl het in de wereld van de mieren net omgekeerd is.

    Wij leven in een individualistische maatschappij, wat een aantal nadelen inhoudt, maar waarmee toch rekening dient te worden gehouden.

    Het beginsel van de autonomie niet aanvaarden, komt wel degelijk neer op een sociaal verbod, hoewel sommigen dat afstrijden. Dit mag dan een eerbaar standpunt zijn, het wordt niet gedeeld door de zes indieners van de drie wetsvoorstellen.

    Over het verband tussen deze voorstellen en over de chronologische volgorde van bespreking bestaan eveneens fundamentele meningsverschillen.

    Sommigen aanzien de palliatieve zorg als een fase die aan de euthanasie voorafgaat.

    Dat is niet het standpunt van de indieners van de drie wetsvoorstellen.

    Voor hen is dat een aanvullend element. Zij wensen de zieken de breedste waaier aan mogelijkheden te bieden en willen dus discussiŽren ťn over euthanasie ťn over palliatieve zorg, zonder dat de palliatieve zorg voorafgaat aan euthanasie.

    Als de werkzaamheden van de verenigde commissies goed opschieten, zullen de drie voorstellen gelijktijdig worden besproken in de plenaire vergadering. Men moet dus niet denken aan manoeuvres waardoor het voorstel over euthanasie zou worden goedgekeurd maar de stemming over het voorstel inzake palliatieve zorg voor onbepaalde tijd wordt uitgesteld.

    Spreker stelt trouwens vast dat het hier om een zeer reŽel probleem gaat. Zelfs de vertegenwoordigers van de oppositie hebben het bevestigd : er wordt euthanasie gepleegd. Hoeveel keer doet er niet toe, het is onwettig en er zou vervolging kunnen worden ingesteld.

    De abortuswetgeving is een moeilijk te vergeten precedent : er moesten eerst menselijke drama's gebeuren, vooraleer het Parlement besloot om tussenbeide te komen, hiertoe als het ware gedwongen door het parket dat een voorbeeld wilde stellen.

    Men moet vermijden dat hetzelfde zich voordoet met de euthanasie.

    Het ogenblik is dus blijkbaar aangebroken om in deze wetgevend werk te verrichten, te meer daar de regering de parlementsleden in de mogelijkheid stelt om over alle ethische problemen te discussiŽren zonder dat een meerderheidsstandpunt wordt opgedrongen. Dat is een volkomen nieuw element in deze problematiek.

    De vaststelling dat er euthanasie wordt gepleegd, is meteen een antwoord aan het adres van al wie vreest dat met de geplande wetgeving niet kan worden vermeden dat er euthanasie wordt gepleegd om economische of sociale redenen.

    Spreker beklemtoont dat men op dit ogenblik geen enkele waarborg heeft met betrekking tot de manier waarop euthanasie wordt gepleegd, op welke patiŽnten, al dan niet na een gesprek en om welke motieven dit gebeurt.

    Spreker verkiest een systeem dat in alle klaarheid functioneert. Een wet is dus noodzakelijk. Sommigen schijnen aan de ingediende voostellen te verwijten dat ze tot ontsporingen zullen leiden. De wet zal integendeel ontsporingen helpen voorkomen, want het risico is thans veel groter.

    De keuze om al dan niet de strafwet te wijzigen, is voor de zes indieners een kwestie van rechtszekerheid.

    Spreker is van mening dat het begrip ę noodtoestand Ľ in de voorstellen van de christen-democratische fracties geen enkele rechtszekerheid biedt. Dit begrip in de wet opnemen, dient tot niets, aangezien de rechter het conform het gemene recht altijd kan toepassen.

    De zes indieners hebben met hun wetsvoorstel niet de bedoeling het verbod om te doden uit de strafwet te halen.

    Het gaat hier om een bijzonder geval waarin wordt bepaald dat, wanneer de dood in welomschreven gevallen en volgens een aantal nauwkeurige bepalingen wordt ingeleid, er geen sprake is van een misdaad of wanbedrijf. De procureur des Konings die het dossier ontvangt en van mening is dat de wet niet werd geŽerbiedigd, kan vervolging instellen, conform het gemene recht.

    Het toepassingsgebied van de tekst is relatief breed, maar spreker ziet niet hoe de definitie in het wetsvoorstel nog meer zou kunnen worden geŽxpliciteerd.

    Hij vindt het belangrijk dat naast het fysieke lijden ook met het morele lijden rekening wordt gehouden, want niemand kan zich ten slotte in de plaats stellen van de persoon wiens waardigheid door de ziekte wordt aangetast.

    Persoonlijk zou spreker het zich nooit veroorloven een oordeel uit te spreken over iemand die misschien nog een tijd kan leven, maar weigert dat te doen wegens de morele nood of het verlies van fysieke waardigheid waarmee hij wordt geconfronteerd.

    Als minister van Sociale Zaken kwam spreker destijds in aanraking met veel noodsituaties; hij beklemtoont dat men zich moeilijk kan inbeelden wat dat voorstelt.

    Er komt een ogenblik waarop sommige personen, ongeacht de hulp die men nog kan bieden, toch een verzoek formuleren dat spreker persoonlijk onmogelijk niet zou kunnen eerbiedigen.

    Spreker geeft toe dat het begrip ę terminale fase Ľ een probleem doet rijzen. Het begrip stond al in de oorspronkelijke tekst die hij in 1995 had ingediend.

    Spreker was geschokt door de hoorzittingen met de vertegenwoordigers van het Hoog Comitť voor bio-ethiek, die hebben aangetoond dat dit begrip maar weinig voorstelde.

    Men kan het moeilijk beperken tot de enkele uren of dagen vůůr het overlijden.

    Als het om een periode van enkele maanden vůůr het overlijden gaat, op grond van welke criteria zal men deze periode dan meer nauwkeurig afbakenen ?

    Bestaan er wel ergere noodsituaties, dan die welke men op de drempel van de dood ervaart ? Spreker verwijst naar het reeds genoemde voorbeeld van iemand van 45 jaar die al 20 jaar tegen een ongeneeslijke ziekte vocht, die het niet meer aankon, vond dat hij aftakelde en zich zelfs niet meer durfde te vertonen.

    In verband met de vraag of de houding van de omgeving van doorslaggevend belang is, beklemtoont spreker dat de situatie aanzienlijk geŽvolueerd is en dat BelgiŽ prat kan gaan op een groot respect voor mensen in moeilijkheden.

    Als men waarborgen heeft dat dit echt de wil is van de betrokkene, waarom zou men niet een verzoek tot euthanasie aanvaarden, dat de persoon formuleert, niet in de terminale fase maar omdat hij ongeneeslijk ziek is en na jaren strijd niet langer bereid om voort te vechten ?

    Spreker heeft het begrip ę terminale fase Ľ dus laten vallen, want hij zag niet in hoe een onderscheid kon worden gemaakt tussen patiŽnten aan het einde van hun leven en patiŽnten die dat niet zijn, maar waarvan de ontreddering even groot, zo niet groter is.

    Spreker benadrukt nogmaals dat het systeem waaraan wordt gedacht, volledig berust op de wil van de betrokkenen en dat niemand verplicht is om euthanasie te vragen, noch in te gaan op een verzoek om euthanasie.

    Bijgevolg is het gevoel dat de nieuwe wetgeving het mogelijk zou maken om een aantal mensen tegen hun wil ę uit te schakelen Ľ, volkomen absurd en vals.

    Wat de rol van de arts aangaat, steunt het wetsvoorstel op de autonomie van de patiŽnt en op de dialoog tussen de patiŽnt en de arts.

    Spreker heeft het gevoel dat met die dialoog tamelijk ver is gegaan. Men zorgt ervoor dat de patiŽnt zijn wil duidelijk te kennen kan geven en dat men de waarborg heeft, dat wat hij heeft te kennen gegeven, strookt met zijn diepe wil.

    Artikel 3 lijkt hem alle nodige waarborgen te bieden. De zes indieners zijn wars van de controle a priori zoals voorgesteld door de christen-democratische fracties. Zij willen niet dat van de individuele autonomie een zaak van de maatschappij wordt gemaakt, noch dat iemands beslissing afhankelijk wordt gemaakt van een sociale controle. In BelgiŽ weten we hoe ver dat kan gaan, vooral als de persoon die om euthanasie vraagt relatief bekend is. Uiteindelijk zou er een publiek debat plaatsvinden om te weten of men al dan niet op zijn verzoek kan ingaan ...

    Het is waar dat de tweede arts wiens advies volgens het voorstel moet worden ingewonnen, zijn advies in theorie ook per telefoon kan verstrekken. Hij moet evenwel zijn advies aan de patiŽnt meedelen. Het is weinig waarschijnlijk dat hij zich uitspreekt zonder eerst het medisch dossier te hebben ingekeken, zonder gesprek met zijn confrater, zonder eventueel met andere mensen contact te hebben opgenomen of zonder vooraf de patiŽnt te hebben gezien.

    Het wetsvoorstel stuurt aan op een werkelijk ernstige raadpleging van de patiŽnt.

    De indieners van de wetsvoorstellen in verband met de palliatieve zorg hebben, in tegenstelling tot wat sommigen hebben beweerd, geluisterd naar de opvattingen van anderen en erover nagedacht.

    Aanvankelijk was in sommige wetsvoorstellen geen sprake van de palliatieve zorg omdat de indieners dachten dat dit debat noodzakelijkerwijs aan het euthanasiedebat was gebonden.

    Na de argumentatie van met name de Franstalige christen-democraten te hebben gehoord, achten de indieners van het wetsvoorstel het nuttig om ook in deze wetgevend op te treden. Het wetsvoorstel van de zes indieners over de palliatieve zorg is niet minder uitgebreid dan het hoofdstuk dat aan dit onderwerp wordt gewijd in het voorstel nr. 2-151/1 van mevrouw Nyssens c.s.

    Het is moeilijk om dit onderwerp nog meer uit te spinnen, want men maakt hier aan de sociale zekerheid en een wetsvoorstel somt maar zelden de geldelijke bedragen, de terugbetalingspercentages, enz. op. Een en ander wordt gewoonlijk bij koninklijk besluit geregeld.

    Anderzijds raakt de palliatieve zorg aan gemeenschaps- en gewestbevoegdheden (preventieve geneeskunde, morele preventie, enz.).

    De federale wetgever moet binnen zijn bevoegdheidssfeer blijven, maar niets belet hem om de wens uit te spreken dat de decreten van de gemeenschappen en gewesten zouden worden gewijzigd.

    Ook wat de onbewuste patiŽnt betreft, lopen het wetsvoorstel van de zes indieners en het standpunt van de Franstalige en Nederlandstalige christen-democraten uit elkaar.

    Spreker is van oordeel dat het systeem van de wilsverklaring, zoals nu geregeld in de voorgestelde tekst, voldoening biedt.

    Aanvankelijk was hij geen voorstander van de wilsverklaring omdat te weinig waarborgen waren ingebouwd. Nu wordt voorzien in een termijn van vijf jaar, zodat men er zich van kan vergewissen dat de verklaring werd afgelegd onder dezelfde voorwaarden, met name inzake leeftijd, als deze waarin de patiŽnt onbewust is geworden. De vrijheid van de arts is hier totaal. Hij kan perfect weigeren euthanasie te plegen.

    Wat de controle betreft, bepaalt het wetsvoorstel dat het dossier a posteriori aan de procureur des Konings wordt bezorgd. Dit controlesysteem leek duidelijker en nauwkeuriger dan een controlecommissie die er een beetje zou uitzien als een onderzoeksrechter maar die geen rechtsbevoegdheid zou hebben.

    Na overleg hebben de zes indieners er de voorkeur aan gegeven om, enerzijds, de zorg om na te gaan of alles conform de wet is verlopen over te laten aan de procureur des Konings en, anderzijds, een evaluatiecommissie in het leven te roepen om de evolutie in deze delicate materie te volgen.

    Deze evaluatiecommissie zal niet als onderzoeksrechter optreden, want zij zal enkel anonieme documenten ontvangen. Zij zal het mogelijk maken dat de publieke opinie via de parlementsleden de evolutie in deze materie volgt.

    Dit systeem geniet de voorkeur boven een voorlopige wet, die na enkele jaren toch zou vervallen waardoor dan in elk geval een nieuw debat onvermijdelijk zou worden. Als de parlementsleden het in het licht van de werkzaamheden van de evaluatiecommissie noodzakelijk achten, moeten zij hun verantwoordelijkheid opnemen en wetswijzigingen voorstellen.

    In verband met de hoorzittingen die een vorige spreekster voorstelde voor een aantal punten, herhaalt spreker dat het debat moet uitwijzen of een bepaald punt moet worden uitgeklaard. Er zijn niettemin fundamenteel politieke vragen ≠ zoals de wijziging van de strafwet ≠ waarover hoorzittingen niets bijbrengen en elk parlementslid zijn verantwoordelijkheid moet opnemen.

    Een lid spreekt er zijn voldoening over uit dat het begrip ę terminale fase Ľ niet in de tekst van de zes indieners is opgenomen.

    Uit talrijke voorbeelden blijkt immers dat wie een eind aan zijn leven wil maken omdat hij vindt dat zijn waardigheid niet langer wordt geŽerbiedigd, zich niet noodzakelijk in een terminale fase bevindt, maar veelal aan een ongeneeslijke ziekte lijdt, zoals een laterale amyotrofische sclerose of een algemene verlamming.

    In die gevallen moet men aanvaarden dat de patiŽnt zelf het best kan oordelen of hij al dan niet onnoemelijk lijdt.

    Spreker is het overigens grotendeels eens met de opmerkingen van een vorige spreker.

    Bij het lezen van artikel 3, begrijpt men niet goed hoe alle waarborgen waarin wordt voorzien, in een minimale procedure kunnen worden opgenomen.

    Spreker is bijgevolg voorstander van een tamelijk uitgebreide herformulering van dat artikel door er een aantal elementen aan toe te voegen.

    Ten eerste, het eisen van een schriftelijk akkoord van de patiŽnt, of een beroep op getuigen, als een schriftelijk akkoord niet kan worden bekomen.

    Men begrijpt inderdaad niet hoe de herhaalde wil kan worden uitgesproken anders dan in een dialoog.

    Ten tweede, lijkt de dialoog in een zo ernstige zaak als euthanasie toch wat te beperkt.

    Spreker is er voorstander van dat men een beroep doet op een college van drie artsen in plaats van op ťťn andere arts.

    Gezien de ontwikkelingen van de medische techniek en zeker in het geval van een ernstige ziekte, staat vaak meer dan ťťn arts in voor de patiŽnt.

    Bovendien zou een college van drie artsen beter kunnen oordelen over de ongeneeslijke aard van de ziekte en over de wil van de patiŽnt.

    Er is echter geen sprake van, het verzorgend personeel of andere personen, die niet bij de besluitvorming dienen te worden betrokken, te raadplegen. Twee zaken moeten worden geverifieerd : de ongeneeslijke aard van de ziekte en de vrije wil van de patiŽnt.

    Sprekers is trouwens geen voorstander van artikel 5 van het voorstel en van de controle a posteriori door het parket. Het parket schijnt niet uitgerust voor een dergelijke controle en verder is het niet duidelijk hoe het die controle zou kunnen uitoefenen zonder een wijziging van artikel 3 in de aangegeven zin.

    Anderzijds beschikt de procureur als jurist niet over de vereiste kennis om de geldigheid van de handeling te beoordelen. Hij zou dus een beroep moeten doen op experts, en dat is precies wat men heeft willen vermijden.

    Bovendien kan bij de procureur altijd klacht worden ingediend conform het gemene recht.

    Het zwaard van Damocles van de controle a posteriori door het parket zal het aantal handelingen door artsen aanzienlijk beperken, aangezien zij niet over de minste aanduiding beschikken over de manier waarop het parket de wettigheid en de wettelijkheid van euthanasie controleert.

    Misschien kan de controle a posteriori aan de Orde van geneesheren worden toevertrouwd.

    De evaluatiecommissie lijkt een goede zaak te zijn.

    Tot besluit stelt spreker vast dat de begrippen ę vrije wil Ľ en ę vrijheid van beslissen Ľ wel degelijk het belangrijkste geschilpunt vormen in de standpunten over euthanasie.

    Persoonlijk werd spreker overtuigd door de lezersbrieven van zieken in ę Le Soir Ľ, ę La Libre Belgique Ľ en in de brochure van de Association pour le droit de mourir dans la dignitť.

    Palliatieve zorg is in een aantal gevallen geen antwoord op een verzoek om euthanasie.

    Mocht hij zich persoonlijk als zieke in een situatie van lijden bevinden waarin hij zijn waardigheid aangetast zou vinden, dan zou hij niet aanvaarden dat een team palliatieve zorg of eender welke verzorgingsstructuur zich zou bemoeien met de beslissing die hij vrij zou hebben genomen.

    Op dat punt bestaat er een onoverbrugbaar meningsverschil, dat men moet aanvaarden.

    Wat betreft de sfeer waarin de werkzaamheden verlopen, beklemtoont een andere spreker dat het voor de wetgever onmogelijk is om fenomenen als niet afdoende te bestrijden nood en pijn en het stervensproces van een menselijk wezen vooraf te beleven. Deze fenomenen kunnen dus onmogelijk ten volle worden gevat.

    Tegen deze fenomenen vermogen onze opstandigheid en onze eventuele zekerheden niets. Daarom volgt spreker in dit debat de bescheiden weg van de geleidelijkheid en schenkt hij alle mogelijke aandacht aan alle aangehaalde argumenten. Hij legt zijn oor vooral te luisteren bij de betrokkenen die getuigen over hun ongeneeslijke ziekte, bij gezondheidswerkers die bij hun bed waken en bij de naastbestaanden van de patiŽnten.

    Zij zouden toch een beetje moeten kunnen aanvoelen dat hun wedervaren, hun angst en hun hoop niet te ver verwijderd staan van dit debat en dat de intrinsieke moeilijkheden van de onderwerpen die aan de orde zijn, werden benaderd vanuit hun gezichtspunt en hun getuigenis.

    Dat lijkt belangrijk opdat de manier waarop de Senaat de problematiek van de begeleiding van het levenseinde en van de euthanasie aanpakt, ertoe zou bijdragen dat de dood opnieuw met het leven wordt verbonden, als de inherente grens van de geneeskunst en niet als een systematische mislukking ervan.

    Men vertrekt in alle bescheidenheid van de verschillende verhalen van de patiŽnten, het verzorgend personeel en de familie en we schenken aandacht aan de culturele en de sociaal-economische context. Men wil immers voorkomen dat de euthanasie, net als de therapeutische hardnekkigheid, de keerzijde wordt van de weigering om de grenzen van de geneeskunst en van het leven te aanvaarden of de keerzijde van de weigering om door het uitvoeren van een anticiperende technische handeling te aanvaarden dat het leven ons in fine langs de dood ontglipt, hoe machtig ook de middelen zijn waarover we beschikken.

    Reeds tijdens de vorige legislatuur hadden de werkzaamheden van de Senaat de grote verdienste het debat niet te vernauwen tot een simplistische tegenstelling tussen de afkeuring van elke vorm van euthanasie als een verdekte moord en de goedkeuring van euthanasie als de goede manier van waardig sterven in geval van een ongeneeslijke, ernstige ziekte.

    Vanuit maatschappelijk oogpunt mag er geen goede manier van sterven vooropgesteld worden. Elke dood is persoonlijk.

    Dank zij de werkzaamheden van de Senaat werden de vooraf bepaalde scheidingslijnen overstegen en werd een uitgebreide documentatie verzameld. Een nieuw parlementslid heeft heel wat tijd nodig om daarvan kennis te nemen.

    Spreker doet dus een beroep op het begrip van zijn collega's die reeds aan alle werkzaamheden hebben kunnen deelnemen.

    In bio-ethische debatten moet eenieder zich in eer en geweten kunnen uitspreken, en is het dus wenselijk dat er zich een zeker rijpingsproces voltrekt. Dat ligt in de logische lijn van wat we tot hiertoe doen. De patiŽnt, zijn verklaringen, de manier waarop hij met de anderen omgaat en zijn gewetensvrijheid staan centraal in het debat en men streeft naar het grootst mogelijke begrip en respect, naar kwaliteitszorg en een aangepaste behandeling.

    Wat het filosofisch debat aangaat, heeft een vorige spreker de prioritaire optie goed gesitueerd : namelijk de eerbied voor de autonomie van de betrokkene.

    Een andere spreker heeft de klemtoon gelegd op de fundamentele verboden in een maatschappij, zoals het verbod om te doden.

    Spreker vraagt of er geen optie op een ander niveau bestaat.

    Men zou dan niet de vraag stellen naar de goede filosofische keuze voor de manier waarop men zijn dood wil beleven, maar naar de democratische procedure die een plaats geeft aan en eerbied opbrengt voor elke optie en die niet strijdig is met de democratische werking en de rechten van de mens die eruit voortvloeien.

    De werken van Claude Lefort zijn hiervoor erg verhelderend geweest. Volgens deze auteur ę is het specifiek voor de democratie dat voor de eerste keer in de geschiedenis de zetel van de macht zich aandient als een lege plaats Ľ.

    De auteur bedoelt dat er geen absolute waarheid meer bestaat die goed gedrag kan voorschrijven. Als democratische regel geldt dan dat er een geŽerbiedigde plaats is voor elke filosofische keuze.

    Hier wordt een poging ondernomen om die plaats, op een voor elkeen cruciaal ogenblik, namelijk het einde van ons bestaan, te waarborgen in een wet.

    Men zou het ook moeten eens worden over wat het verbod om te doden inhoudt. Volgens spreker kan moord niet worden gelijkgesteld met euthanasie.

    Misschien is in een democratie niet zozeer het verbod fundamenteel dan wel de waarborg dat de verschillende keuzes een plaats krijgen.

    Bij de beoordeling van de juridische kwaliteit van de teksten moet men goed voor ogen houden dat de hele wereld de teksten zal lezen.

    In dit verband heeft spreker met interesse geluisterd naar de opmerkingen van een senator, die nauw aansluiten bij die van de Liga voor de rechten van de mens en die aan de leden van de verenigde commissies zouden moeten worden meegedeeld.

    Spreker snijdt meer bepaald het probleem aan van het verzoek en van de manier waarop dit wordt gehoord. Het probleem blijkt niet zo eenvoudig als het er uitziet, zelfs als het verzoek herhaaldelijk wordt geformuleerd.

    Het is dus uitermate belangrijk dat er waarborgen worden ingehouwd en preciseringen aangebracht.

    Spreker verwijst naar het werk van Guy Haarscher met de titel ę Le fantŰme de la libertť Ľ (Het spook van de vrijheid), waarin de auteur erop wijst hoe moeilijk het is voor de mens om erachter te komen wat hij werkelijk wil voor zichzelf en dat de luisteroefening die daarvoor nodig is, heel wat minder eenvoudig is dan ze lijkt.

    In dat boek ontwikkelt de filosoof wat in zijn ogen de interpretatie is, het ontcijferen van wat een ander menselijk wezen tot uiting brengt.

    Hij besluit : ę (vertaling) De normale houding bestaat erin zich opnieuw te situeren op een goede afstand tussen de valse rationaliteit van de paranoia en de chaos van de schizofrenie, trachten de enkele tekens waarover we beschikken te interpreteren om ons een beeld te vormen van de wereld, en steeds op zoek te blijven naar andere tekens met behulp waarvan we waarschijnlijk de ene betekenis van de andere kunnen onderscheiden, de liefde van de onverschilligheid, of waarmee we het onderscheid kunnen maken tussen de noodzakelijke traagheid van het gerecht, dat voorzichtig het voor en het tegen afweegt, en het op de lange baan schuiven van het onderzoek. Ľ

    Bijgevolg zullen er omwille van de precisie van de tekst (bijvoorbeeld over het punt of er twee dan wel drie artsen dienen te worden geraadpleegd) op het einde van het debat nog enkele hoorzittingen nodig zijn.

    Een ander lid kan zich alleen maar verheugen over de wending die de bespreking tijdens deze vergadering heeft genomen. Bij de voorliggende teksten worden vragen gesteld, zowel op het algemeen filosofische vlak als op een aantal concrete punten. Deze vragen en opmerkingen komen blijkbaar vanuit alle fracties. Dit bewijst dat een constructief debat mogelijk is.

    Verschillende sprekers hebben al ≠ terecht ≠ de nadruk gelegd op de noodzaak van een degelijk uitgebouwd systeem van palliatieve zorgverlening. De uitbouw van een dergelijk systeem, dat voor iedereen een gelijke toegang tot deze vorm van hulpverlening garandeert, zal handen vol geld kosten en impliceert dat zowel op het federale niveau als door de gemeenschappen een massa middelen wordt vrijgemaakt. Dit moet ook gebeuren.

    Hier tegenover staat evenwel dat er altijd ≠ hopelijk zo weinig mogelijk ≠ situaties zullen zijn waar palliatieve hulpverlening geen antwoord kan bieden voor het lijden van de patiŽnt. Het is voor deze situaties dat een duidelijke euthanasieregeling noodzakelijk is. De reden waarom dit wettelijk geregeld moet worden bestaat er precies in dat de patiŽnt die zich in zijn laatste levensfase bevindt, de nodige garanties moet hebben dat zijn wil gerespecteerd wordt. Niemand twijfelt eraan dat momenteel doelbewust door artsen levens worden beŽindigd zonder dat de patiŽnt hierom gevraagd heeft. Uit recent onderzoek zou zelfs blijken dat het hier meer dan 2 % van de overlijdens betreft.

    Nu wordt er gewoon een gedoogbeleid gevoerd rond euthanasie, waarbij de patiŽnt geen enkel recht kan doen gelden. Men mag de zaken niet voorstellen alsof de voorliggende teksten afbreuk doen aan de rechten van de patiŽnt. Integendeel zij hebben tot doel expliciet in het strafrecht een aantal zorgvuldigheidseisen op te leggen, voor praktijken die nu zonder enige controle van buitenaf gebeuren.

    Persoonlijk is zij van oordeel dat een euthanasieregeling die beperkt is tot terminale patiŽnten te eng is. In het wetsvoorstel nr. 1-86/1 wordt daarom gesproken van ę patiŽnten in een medisch uitzichtloze Ľ situatie. Men kan ervan uitgaan dat lijden louterend werkt, maar dit is zeker niet voor iedereen het geval. PatiŽnten die geen enkel vooruitzicht hebben om te genezen en zwaar lijden, hebben het recht om op een waardige wijze te sterven.

    Spreekster verklaart dat zij enigszins verontwaardigd was over de vraag die enkele vergaderingen terug werd gesteld om hoorzittingen te organiseren over de wilsonbekwamen. De categorie is juridisch perfect omlijnd; over de invulling ervan kan er derhalve geen enkele twijfel bestaan. Daarbij komt dat in geen enkel van de voorstellen die tot hiertoe werden ingediend, ook maar sprake is van euthanasie bij wilsonbekwamen. Ook in de buitenwereld is er een ruime consensus dat het voorbarig zou zijn om het euthanasiedebat naar deze groep uit te breiden. Hiertoe moeten eerst een aantal andere zaken worden uitgeklaard.

    Wat tenslotte de opmerkingen van een vorige spreker betreft, ontkent zij dat het wetsvoorstel nr. 2-244/1 zonder veel overleg en overhaast is uitgewerkt. Dit belet echter niet dat de tekst op een aantal punten voor verbetering vatbaar is. Zelf is zij van mening dat de discussie over dit wetsvoorstel volkomen open ligt en dat amendementen die hierop worden ingediend grondig dienen te worden onderzocht en uitgepraat.

    Een lid wijst erop dat hij in eigen naam spreekt.

    De arts die vandaag euthanasie pleegt en dus iemand ter dood brengt die erom vraagt, maakt zich schuldig aan doodslag, of zelfs aan moord als het opzet tegen hem wordt weerhouden.

    De toestemming van het slachtoffer vormt nooit een verschoningsgrond in de eigenlijke zin van het woord; de strafwetten zijn van openbare orde en het is niet toegelaten daaraan afbreuk te doen door bijzondere overeenkomsten (2) ! Dat spreekt voor zich ...

    Welnu, wie euthanasie pleegt, wordt vandaag zelden vervolgd en nog minder veroordeeld. Men moet meteen vaststellen dat het bestaan van de huidige repressieve wetgeving de verhouding tussen de zieke en de arts vervalst en feitelijk een ongelijkheid ten overstaan van de dood met zich brengt.

    Het nagenoeg volledig uitblijven van vervolgingen en veroordelingen is te wijten aan de houding van de rechterlijke macht, die op dit ogenblik geneigd is ervan uit te gaan dat artsen die euthanasie plegen, handelen onder de druk van een noodtoestand.

    Wat dekt dit begrip ? Is dat een pertinent antwoord ? Is de toepassing ervan in overeenstemming met de evolutie van de tijdsgeest in onze maatschappij ?

    Spreker herinnert eraan dat het Strafwetboek de noodtoestand niet als een algemene verschoningsgrond in aanmerking neemt. Hij wordt er sporadisch in genoemd, evenals in bijzondere wetten die er een omstandigheid van maken die een misdaad uitsluit (3). Het gaat eigenlijk om een bijzondere bepaling die van het ontbreken van een noodtoestand een voorwaarde voor de overtreding maakt. Sinds de hervorming van 1992 maakt het Franse Strafwetboek er een objectieve verschoningsgrond van (4) en in zijn voorontwerp van Strafwetboek wil Robert Legros hem eveneens tot regel verheffen (5).

    De rechtsleer en de jurisprudentie in BelgiŽ erkennen vandaag dus expliciet deze verschoningsgrond en beschouwen hem als een ultieme remedie tegen de stroefheid van de wet in uitzonderlijke en fataal onvoorzienbare omstandigheden waarin het eerbiedigen van het verbod een objectief onaanvaardbare schade met zich zou brengen (6). In het extreme geval is dit de omstandigheid dat de verlenging van het leven een groter kwaad zou zijn voor de menselijke persoon dan de dood zelf.

    Over het bestaan en het aanvaarden van deze constructie van de rechtsleer en de juridisprudentie mag dan geen controverse meer bestaan, over haar grondslag en haar aard heerst nog steeds twijfel.

    Twee opvattingen hebben lange tijd tegenover elkaar gestaan : de ene, die hoofdzakelijk door de jurisprudentie werd verdedigd, stelt de noodtoestand gelijk aan de begrippen dwang en heirkracht (7), de andere, vooral gesteund op de moderne rechtsleer, ziet er een zelfstandig begrip in (8).

    Paul Foriers heeft het verschil tussen beide concepten goed aangetoond : is er morele dwang, dan wordt de oplossing aan de dader opgelegd, in de hypothese van de noodtoestand ziet de dader zich verplicht een keuze te maken. Onder de invloed van de nood kiest de dader uit vrije wil, zijn wil is in genen dele tenietgedaan.

    Het Hof van Cassatie heeft deze oplossing bij arrest van 13 mei 1987 tot regel verheven (9). De grondslag voor de noodtoestand is dus niet artikel 71 van de strafwet, in welke ę afgezwakte Ľ versie dan ook, maar wel degelijk een algemeen, veel breder principe.

    Het Hof sprak zich uit over een cassatieberoep tegen een arrest van het hof van beroep te Luik dat duidelijk stelde dat de verweerder gedwongen was geweest te kiezen tussen twee waarden, en had geoordeeld aan ťťn van beide voorrang te moeten geven. Die keuze kon, volgens het hof van beroep, alleen maar de steun krijgen van het sociaal geweten, die ťťn van de pijlers vormt van de strafregel.

    Het Hof van Cassatie heeft het in beroep gevelde arrest bevestigd en voor recht gesproken dat ę (vertaling) de noodtoestand aangevoerd door de verweerder niet kon worden afgewezen vermits, gezien de waarde van de tegenstrijdige rechten en bij het bestaan van een ernstig en dreigend kwaad voor een andere persoon, de verweerder kon oordelen dat hij op geen enkele andere wijze dan door het begaan van de daden die hem worden verweten, een dwingender algemeen belang kon veilig stellen dat hij tot plicht had of in rechte was veilig te stellen vůůr andere belangen Ľ.

    Voortaan wordt dus algemeen aanvaard dat de noodtoestand een situatie is waarin de dader die volledig uit vrije wil handelt, tussen twee tegenstrijdige imperatieven de gedragslijn kiest die hij moet volgen.

    Het gaat dus om een zogenaamde ę objectieve Ľ rechtvaardigingsgrond, die de handeling wettigt, hoewel die beantwoordt aan de wettelijke elementen voor een aanklacht. Het gaat niet om een verschoningsgrond die de fout van de dader in de strafrechtelijke zin ongedaan maakt.

    De rechter vervult thans dus een exclusieve en primordiale rol in de beoordeling van het al dan niet bestaan van de noodtoestand : hij moet de afweging van de tegenstrijdige waarden beoordelen, die de persoon die euthanasie heeft gepleegd, heeft gemaakt.

    Daartoe refereert de magistraat uiteraard aan de wet en aan de basisteksten. Maar bovenal moet hij rekening houden met een veel ruimere gemeenschappelijke waardeschaal, een schaal die afhankelijk is van een bepaalde filosofie en wereldopvatting die hem eigen zijn.

    Het is normaal dat de magistraat deze verantwoordelijkheid opneemt in de uitzonderlijke gevallen, die de wetgever niet formeel heeft kunnen regelen; de wetgever kan tenslotte niet alles voorzien.

    Moet men alleen de rechters blijven belasten met het vertalen van deze ontwikkelingen in het ę sociaal geweten Ľ over zulke fundamentele onderwerpen die raken aan de fysieke integriteit en de waardigheid van personen ? Spreker denkt van niet. Mag het beroep op de noodtoestand zoals vandaag het geval is, worden verheven tot enige jurisprudentiŽle oplossing voor de problemen verbonden met het levenseinde ? Spreker denkt van niet. Mag de wetgever zich onttrekken aan de verantwoordelijkheid die de zijne is en die erin bestaat de wil van de meerderheid van het sociaal corps met betrekking tot de euthanasiepraktijk waarvan niemand het bestaan nog ontkent, om te zetten in de wet ? Voor een derde maal denkt spreker van niet !

    Het kan hem dus enkel verheugen dat alle democratische partijen vinden dat de wetgever moet optreden. En de meeste, zo niet alle wetsvoorstellen, schijnen te willen erkennen dat in sommige gevallen de extreme oplossing die de euthanasie is, moet worden toegestaan door de wet.

    Als de overgrote meerderheid van de samenleving euthanasie aanvaardt, dan heeft de wetgever de plicht om die keuze om te zetten in een wet en de voorwaarden vast te leggen waaronder de samenleving bereid is die praktijk te aanvaarden. Er is dus geen sprake van om deze verantwoordelijkheid enkel aan de artsen te laten, een verantwoordelijkheid die de magistraten dan zouden moeten beoordelen zonder dat de wet een aanwijzing geeft.

    Sommigen beweren de kwestie te kunnen regelen door voor de rechter enkele eenvoudige bakens uit te zetten, die de elementen in de reglementering aangeven op grond waarvan de noodtoestand kan worden bepaald.

    Spreker denkt niet dat dit opportuun is. Integendeel, hij is van mening dat onze samenleving in het Strafwetboek, waarin ook het fundamentele verbod om te doden is opgenomen, het recht van een persoon moet inschrijven om over zijn eigen lichaam te beschikken tot op het ultieme moment van de dood. Elke andere oplossing komt hem hypocriet en conservatief voor, omdat het geen open en echt antwoord geeft op het maatschappelijk probleem. Daarom steunt hij ten volle de wetsvoorstellen ingediend door de zes fractievoorzitters van de regenboogcoalitie.

    Nochtans vindt hij niet dat moet worden geraakt aan de draagwijdte van de artikelen 417 en volgende van het Strafwetboek, die na de goedkeuring van de nieuwe wet zullen blijven bestaan, laat men dat niet vergeten. Men wil immers de zeer strikte voorwaarden omschrijven waaronder deze artikelen niet meer van toepassing zouden zijn in geval van euthanasie, want men zal zich in een door de wet afgebakende situatie bevinden, waarin de dader wordt verschoond.

    Spreker legt er de nadruk op dat volgens hem het begrip noodtoestand in voorkomend geval nog zal worden toegepast als zich omstandigheden voordoen die niet worden geregeld door de wet. Hij gaat zo ver te verklaren dat dit het geval zal zijn wanneer de persoon vooraf geen wilsverklaring heeft opgesteld en niet of niet meer in staat is dat te doen. Het moet mogelijk blijven om in voorkomend geval de noodtoestand te blijven toepassen volgens de ethiek en het geweten van de artsen en onder gerechtelijke controle met eerbied voor het gemene recht.

    Maar men zal aan het begrip noodsituatie zijn uitzonderingsstatuut hebben teruggegeven. Het zal niet langer in talloze gevallen bijna automatisch kunnen worden ingeroepen, zoals vandaag nog het geval is.

    Bovendien zal volgens deze opvatting in geval van betwisting de rol van de rechter erin bestaan om na te gaan of de voorwaarden vastgesteld in het nieuwe artikel 417bis zijn vervuld, in welk geval het inderdaad om een door het sociaal corps aanvaard geval van euthanasie zal gaan. In het tegengestelde geval moet het gemene recht worden toegepast. Buiten de regels die zullen worden vastgelegd, kan de instemming alleen niet volstaan : niemand kan ermee instemmen te worden gedood !

    Volgens spreker wordt geen nieuwe uitzondering geschapen op het fundamentele verbod om te doden. Integendeel, men formaliseert in de wet op een liefst zo streng mogelijke manier het jurisprudentiŽle concept noodtoestand, waarop men zich blijft baseren. De voorwaarden vastgelegd in de wet zullen in voorkomend geval een gerechtelijke controle garanderen, waarvan het ontradend effect niet mag worden onderschat.

    Op die manier denkt men een veel grotere rechtszekerheid te kunnen garanderen. Eerst en vooral voor de artsen die dat in geweten willen en die dan niet langer, zoals nu, zullen moeten werken in angst voor gerechtelijke vervolging, mocht een magistraat daartoe plots, willekeurig en om welk motief dan ook beslissen. Maar ook voor de personen die om euthanasie verzoeken; zij zullen in de voorwaarden en de toepassingsmodaliteiten van de wet de strikte eerbied voor hun persoonlijke wil herkennen evenals de waarborg dat ze niet zal worden misbruikt voor onaanvaardbare motieven, vermits de gerechtelijke controle steeds mogelijk blijft.

    Dat is het verdienstelijke beginsel van de voorstellen ingediend door de heer Mahoux, waarbij alle leden van de fractie van spreker verwijzen naar de voorstellen die oorspronkelijk door de heren Lallemand en Erdman werden ingediend. Spreker denkt dat de wet zodoende beter de morele opvattingen weerspiegelt die momenteel heersen in de Belgische samenleving, zonder die in elk opzicht dan ook te verlagen. Wat er elders wel of niet gebeurt, heeft weinig belang.

    Het zal nooit mogelijk zijn om alle misbruiken te voorkomen. Maar spreker denkt dat deze heel wat minder erg en minder talrijk zullen zijn dan degene die vandaag clandestien gebeuren, ondanks de repressieve wetgeving, omdat de controle gebrekkig is, omdat het overleg niet verplicht is, omdat inadequate middelen worden gebruikt voor het inleiden van een zachte en snelle dood. Wat uiteindelijk een onaanvaardbare ongelijkheid ten overstaan van de dood met zich brengt !

    Spreker voegt er ten slotte nog aan toe dat deze juridische redenering, waarvan hij hoopt dat ze weldra in de wet zal worden omgezet, eenieders filosofische en religieuze overtuiging respecteert, zowel die van de patiŽnten als van de artsen. In het bijzonder de overtuiging van diegenen die geloven dat het leven niet toebehoort aan de mens die ervan geniet. Zo zal niemand ertoe worden aangezet om een handeling uit te voeren of te ondergaan die tegen zijn geweten indruist. Maar niemand zal dank zij deze bevrijdende wet nog over de macht beschikken om zijn deontologische opvattingen aan alle anderen op te leggen.

    Een ander lid verwijst naar zijn vorige verklaring, waarin zij een aantal elementen heeft aangebracht, en zegt verbijsterd te zijn over het debat dat vandaag begint. Een nieuw gegeven rechtvaardigt haar nieuwe interventie, met name het indienen door sommige parlementsleden van de meerderheid van een samengevoegd voorstel of, juister gezegd, van drie voorstellen die een geheel vormen en die samen hun weg moeten gaan. Voorheen hadden de indieners afzonderlijke voorstellen ingediend die weliswaar in dezelfde richting gingen (vermits ze zich alle drie uitspraken voor een wijziging van het Strafwetboek), ook al bevatten de verschillende voorstellen soms belangrijke nuances.

    Spreekster wenst een aantal opmerkingen en vragen te formuleren over de drie nieuwe voorstellen die zojuist werden ingediend.

    Het is goed dat deze voorstellen, die betrekking hebben op euthanasie, palliatieve zorg en de oprichting van een evaluatiecommissie, samen worden behandeld, want zo kan een globaal debat worden gevoerd.

    Om kwaliteitswerk te leveren in een zo moeilijke materie moet er eerst over elk element in de voorstellen een diepgaand debat worden gevoerd. Dat debat moet de filosofische en ideologische tegenstellingen overstijgen. Het moet zich toespitsen op de vraag wat die toekomstige wet kan betekenen voor de reŽle en concrete problemen van mensen op hun levenseinde.

    Het debat zou ook een opvoedende rol moeten vervullen. Het komt erop aan om precies te definiŽren wat wordt bedoeld met euthanasie, palliatieve zorg, therapeutische hardnekkigheid, het stopzetten van de behandeling, enz.

    In discussies met collega's die geen lid zijn van de verenigde commissies of met andere personen die niet professioneel bij de zaak betrokken zijn, stelt spreekster hierover een zeer grote verwarring vast. Velen spreken over wat ze zelf hebben meegemaakt of over wat ze aanvoelen in erg verschillende situaties die niet noodzakelijk te maken hebben met euthanasie op zich, maar veeleer met de relaties tussen patiŽnt en arts en met de eerbied voor de rechten van de patiŽnt in het bijzonder in de hospitalen. Zij willen dat de rechten van de patiŽnt worden geŽerbiedigd. Dat is een essentieel punt en wellicht ťťn van de elementen die de discussie op het precieze punt van de euthanasie hebben gebracht.

    Heel de moeilijkheid spruit voort uit het feit dat wordt geraakt aan een ander hoofdstuk van het probleem, namelijk de ę rechten van de patiŽnt Ľ tegenover de arts.

    Spreekster meent te hebben begrepen dat de indieners van de drie voorstellen niet de bedoeling hebben om hierover de discussie aan te gaan, omdat de tekst anders ook op andere medische handelingen dan de euthanasie toepassing zou moeten vinden. Dit punt verdient verduidelijking.

    Het zou ook interessant zijn om een inventaris te maken van de punten van overeenkomst en van verschil in de diverse standpunten.

    Er schijnt een brede consensus over te bestaan dat palliatieve zorg een recht moet worden voor elke patiŽnt en dat het dus noodzakelijk is die zorg uit te bouwen in ons land, want dit is op dit ogenblik op verre na niet het geval.

    Als het probleem van de palliatieve zorg wordt aangesneden, zou er moeten worden gediscussieerd over wat al bestaat in ons land, over de huidige stand van de wetgeving, over de middelen die kunnen worden vrijgemaakt. Met het debat over de palliatieve zorg wordt meteen ook het debat geopend over een bepaalde opvatting van de geneeskunde, over de manier waarop men een patiŽnt benadert als een continu te verzorgen persoon.

    Het is niet omdat op een bepaald ogenblik moet worden vastgesteld dat de curatieve behandeling niet langer werkzaam is, dat de arts de patiŽnt moet laten vallen en vinden dat het hem niet langer aanbelangt.

    Op dat vlak maakt de geneeskunde een belangrijke ontwikkeling door. Men gaat er nu van uit dat men de patiŽnt in geen geval aan zijn lot mag overlaten wanneer wordt vastgesteld dat de ziekte niet meer kan worden genezen. Wat tot nog toe is gebeurd op het vlak van de palliatieve zorg, heeft in de ziekenhuizen een denkproces op gang gebracht. Het verplicht ons om na te denken over een betere organisatie van de geneeskunde, met name via de opleiding, hoewel de federale wetgever daarvoor niet bevoegd is. In dat opzicht doet het voorstel problemen rijzen waarop spreekster later zal terugkomen. In ieder geval moet men de gemeenschappen en gewesten op een of andere manier bewust maken van hun taak op dit gebied.

    Het moet ook worden onderstreept dat de medische praktijk begint te evolueren, maar dat is zeker niet in alle ziekenhuizen het geval (zie de brief van de verpleegsters van het UZ Brugmann over de problemen in de ziekenhuizen en hun oproep om te reageren).

    Wat het wetsvoorstel over euthanasie zelf betreft, kan men ten opzichte van de eerste wetsvoorstellen op een aantal punten een belangrijke evolutie vaststellen met betrekking tot het toepassingsgebied, de procedure, de controle, enz.

    De eerste vraag heeft betrekking op het begrip ę terminale fase Ľ, dat men wel in de twee initiŽle wetsvoorstellen, maar niet meer in dit wetsvoorstel terugvindt.

    Spreekster vindt dat deze belangrijke ontwikkeling een probleem doet rijzen, omdat het toepassingsgebied van een eventuele wijziging van de strafwet daardoor aanzienlijk wordt verruimd.

    Spreekster vraagt ook meer duidelijkheid over de definitie van euthanasie. Als men het toepassingsgebied verruimt, dreigt men dan niet af te glijden naar hulp bij zelfdoding, wat niet hetzelfde is als euthanasie ?

    Een tweede punt betreft het fysieke en psychische lijden. Ook in dit opzicht werden de oorspronkelijke teksten ruimer, vermits er nu sprake is over een noodtoestand.

    Spreekster begrijpt niet waarom deze laatste term, die gebruikt werd inzake zwangerschapsafbreking, in verband wordt gebracht met euthanasie.

    Ze vindt dat, in weerwil van het verband dat vaak tussen beide wordt gelegd, deze debatten fundamenteel van elkaar verschillen.

    Alle indieners van het voorstel verwijzen naar het ongeneeslijke karakter van de ziekte, naar ondraaglijke, niet te lenigen en aanhoudende pijn. Bij een dergelijke ziekte lijkt de noodtoestand een te subjectief begrip om het fysieke en psychische lijden van de patiŽnt te kunnen vatten.

    Alle ingediende voorstellen hebben het, naast de ongeneeslijkheid van de ziekte, over ondraaglijk, niet te lenigen en aanhoudend lijden. Alle vinden ze dat maar kan gehandeld worden na het weloverwogen, duurzaam en herhaald verzoek van de patiŽnt. Het zijn deze overeenkomsten die belangrijk zijn en waarmee in het debat rekening moet worden gehouden.

    Een derde punt betreft de problematiek van het statuut van de wilsbekwamen en wilsonbekwamen, van de personen die wel en niet meer bewust zijn, van de meerderjarigen en minderjarigen.

    Dit zijn bijzonder delicate problemen, die de indieners van de initiŽle voorstellen op zeer uiteenlopende wijze regelden.

    Daarover is een grondig debat nodig, waarin de vragen van diegenen die aanvankelijk het toepassingsgebied van de wet tot de bewuste patiŽnten wilden beperken, opnieuw aan bod moeten komen. Het probleem van de onbewuste patiŽnten volgt niet dezelfde logica als dat van de bewuste en de regels die gelden voor de tweede categorie gelden niet noodzakelijk voor de eerste. De gelijke behandeling van bewuste en onbewuste patiŽnten is dus het belangrijkste probleem. Hetzelfde probleem rijst in verband met het juridische onderscheid tussen wilsbekwamen en wilsonbekwamen.

    Wat het onderscheid tussen meerderjarigen en minderjarigen betreft, maakt het wetsvoorstel melding van niet-ontvoogde minderjarigen.

    Spreekster vindt dat alle minderjarigen op ethisch vlak op voet van gelijkheid moeten worden geplaatst. Een discriminatie op grond van ontvoogding kan niet.

    Voor de onbewuste patiŽnt voorziet het wetsvoorstel in de voorafgaande wilsverklaring.

    Voor de bewuste patiŽnt is van een dergelijke wilsverklaring geen sprake; overeenkomstig de eerste alinea kan de patiŽnt in een wilsverklaring aangeven welke medische behandeling hij wil of niet wil.

    Spreekster is van oordeel dat men daardoor buiten het toepassingsveld van de euthanasie treedt, en dat dit deel uitmaakt van de patiŽntenrechten.

    Men bevindt zich buiten het kader van de definitie van het Comitť voor bio-ethiek. Hierdoor dreigen problemen te rijzen in verband met moeilijke beslissingen die artsen dagelijks nemen. Het gaat daarbij niet om handelingen van euthanasie, maar om handelingen die leiden tot de dood, intensieve zorg enz. en die onder de medische aansprakelijkheid vallen.

    Het is juist dat de wilsverklaring voor velen een geruststelling en een opluchting betekent, omdat ze op die manier duidelijk kunnen maken hoe ze hun levenseinde zien.

    De omstandigheden waarin de wilsverklaring wordt opgesteld zijn echter niet noodzakelijk dezelfde als deze waarin de patiŽnt zich bevindt als ze moet worden uitgevoerd.

    Bovendien kan de patiŽnt die niet meer bewust is, zich niet meer terugtrekken.

    Spreekster vindt bijgevolg dat de wilsverklaring voor de arts maar ťťn van vele elementen kan zijn en geen absolute waarde heeft ten aanzien van de patiŽnt die niet meer bewust is.

    Wat de rol van de vertrouwenspersoon betreft, is spreekster niet gekant tegen de idee dat een derde persoon de belangen van een patiŽnt verdedigt. Maar wat is de juridische inhoud van het begrip ę vertrouwenspersoon Ľ ?

    Het probleem van de dialoog kan tijdens de bespreking van de artikelen verder worden uitgediept. Bij moeilijke beslissingen als deze moet een zo breed mogelijke dialoog worden gevoerd.

    Toch, en iedereen lijkt het daarmee eens, berust de uiteindelijke beslissing natuurlijk bij de patiŽnt met zijn herhaalde vraag, en bij de arts die er al dan niet op ingaat.

    Deze dialoog mag in geen geval uitgroeien tot een rechtbank, zoals velen vrezen.

    De dialoog moet het mogelijk maken afstand te nemen en te luisteren naar het verzoek van de patiŽnt. Er is een debat nodig over de wijze waarop naar de patiŽnt kan worden geluisterd en hoe zijn vraag kan worden gedecodeerd.

    In verband met een aantal artikelen rijzen ook nog enkele meer technische problemen.

    Zo rijst er een probleem in verband met de terminologie gebruikt in artikel 8, dat een artikel 417bis in het Strafwetboek inlast, en in artikel 3.

    Het is niet zeker dat de terminologie die in beide artikelen wordt gebruikt, dezelfde is. Is het bovendien werkelijk de bedoeling de feiten bedoeld in de artikelen 395 (oudermoord) en 369 (kindermoord) van het Strafwetboek uit het toepassingsgebied van de strafwet te sluiten ?

    Ten slotte maakt het voorgestelde artikel 417bis geen melding van een fundamenteel gegeven : namelijk de voorwaarde dat euthanasie alleen mogelijk is op vraag van de patiŽnt. Alles hangt natuurlijk af van de manier waarop men de bepaling in het Strafwetboek wil invoegen : ofwel gaat het om een zeer algemene bepaling die verwijst naar alle criteria van artikel 3, ofwel wil men een zeer precies artikel waarin alle essentiŽle elementen, waaronder de vraag van de patiŽnt, zijn opgenomen.

    Controle en evaluatie zijn twee noodzakelijke elementen.

    Wat de controle betreft, werden meerdere mogelijkheden onderzocht.

    De zes indieners van het nieuwe voorstel hebben gekozen voor een aangifte bij de procureur des Konings, die het medisch dossier kan opvragen.

    Voor de rechtszekerheid is er een probleem, vermits sommige procureurs wellicht elke keer het medisch dossier zullen opvragen, terwijl anderen zich tevreden zullen stellen met het eerste, vermoedelijk summiere, dossier.

    De gegevens die aan de evaluatiecommissie moeten worden overgelegd, volstaan volgens spreekster niet voor een echte evaluatie die het mogelijk moet maken de wetgeving eventueel bij te sturen.

    In dit opzicht is de controle waarin Nederland voorziet en ook de controle zoals die beschreven werd in het eerste voorstel van mevrouw Leduc c.s., volgens spreekster efficiŽnter dan wat nu in het voorstel van de zes wordt voorgesteld.

    Spreekster besluit dat, afgezien van de meningsverschillen die voortvloeien uit de gekozen werkwijze ≠ wijziging van het Strafwetboek of van het koninklijk besluit over de uitoefening van de geneeskunst ≠ de verschillende opvattingen raakpunten vertonen.

    Een grondig debat over de essentiŽle vragen is alleszins onontbeerlijk. Een van de verdiensten van het voorstel van de zes is dat het de discussie misschien zal vergemakkelijken, omdat het alle elementen in ťťn tekst samenbrengt, waardoor de discussiepunten beter naar voren komen.

    Spreekster wil een sereen en opbouwend debat, dat de ideologische en filosofische breuklijnen overstijgt.

    Het is belangrijk dat deze discussie plaatsheeft, wat de conclusies van dit debat ook mogen zijn en wat men persoonlijk ook mag denken over de wijze waarop het euthanasieprobleem wordt aangepakt. Men heeft er nooit belang bij ethische kwesties uit de weg te gaan zoals men dat in het verleden heeft kunnen doen.

    Burgers werpen die vragen op, ook voor zichzelf, en de parlementsleden dragen de verantwoordelijkheid om die vragen te behandelen.

    Een lid merkt op dat een aantal leden van de commissies samen zijn gaan zitten en een gezamenlijk voorstel hebben uitgewerkt, niet om het debat af te blokken maar integendeel om de discussie te vergemakkelijken over een materie die de mensen al zeer lang bekommert.

    Het moet haar van het hart dat zij zich enigszins gekwetst voelt door bepaalde uitspraken in de pers, die een karikatuur maken van de voorliggende voorstellen en suggereren dat hierin de dood wordt gebanaliseerd. Wie de moeite neemt om deze teksten grondig door te nemen, stelt vast dat dit niet waar is.

    De indieners hebben wel de bedoeling een duidelijke en transparante regeling voor euthanasie uit te werken waarin een drievoudige bezorgdheid centraal staat :

    ≠ bijstand verlenen aan de patiŽnten die ondraaglijk lijden en die vragen om hieruit te worden verlost via levensbeŽindiging;

    ≠ hierbij de garantie bieden dat de wil van die patiŽnten wordt gerespecteerd en dat misbruiken worden voorkomen;

    ≠ aan de artsen die bereid zijn op de duurzame verzoek van de patiŽnt in te gaan, de nodige rechtszekerheid bieden.

    Het wetsvoorstel tracht deze drie doelstellingen zo correct mogelijk in te vullen. Indien echter anderen van oordeel zijn dat de tekst hiaten vertoont, dan spreekt het voor zich dat dit moet kunnen worden uitgepraat en dat amendementen die de patiŽnten ten goede komen, moeten kunnen worden ingelast.

    In de logica van het wetsvoorstel is euthanasie mogelijk op verzoek van een meerderjarige of een ontvoogde minderjarige patiŽnt die handelingsbekwaam en bij bewustzijn is. Het verzoek moet uitdrukkelijk, ondubbelzinnig, weloverwogen, herhaald en duurzaam zijn. De patiŽnt moet zich bevinden in een toestand van aanhoudende en ondraaglijke pijn of nood die niet gelenigd kan worden en die het gevolg is van een zware en ongeneeslijke, door ongeval of ziekte veroorzaakte aandoening.

    Spreekster verklaart dat vooral het begrip ę nood Ľ nogal wat reacties teweeg heeft gebracht. Zelf acht zij het belangrijk dat deze term behouden blijft. Van nood is er sprake als het lijden ondraaglijk is, maar ook als de aftakeling van het mens-zijn zo totaal is dat men alle menselijke waardigheid heeft verloren, kortom als het leven geen leven meer is. Het is mede vanuit dit oogpunt dat er voor werd gekozen het begrip ę terminaal Ľ achterwege te laten. Het is mogelijk dat een patiŽnt nog zekere tijd te leven heeft maar dat hij, door de toestand waarin hij zich bevindt en die een waardig bestaan onmogelijk maakt, toch vraagt om zijn leven te beŽindigen. De samenleving moet ook voor deze vraag respect opbrengen.

    Zij wenst nogmaals te beklemtonen dat euthanasie slechts kan na een duurzaam verzoek van de patiŽnt en dat het wetsvoorstel ook aan de arts geen enkele verplichting oplegt. Indien echter de arts na een herhaalde vraag van zijn patiŽnt en na raadpleging van een tweede onafhankelijke geneesheer, met inachtname van de zorgvuldigheidseisen besluit tot euthanasie over te gaan, dan is hij hiervoor niet langer strafbaar.

    De tweede arts die wordt geraadpleegd, moet volkomen onafhankelijk kunnen oordelen en hij dient voldoende geschoold te zijn om een oordeel over het lijden van de patiŽnt uit te kunnen spreken.

    Het spreekt voor zich dat de arts de patiŽnt volledig moet inlichten over alle aspecten van zijn ziektetoestand en over de mogelijkheden inzake palliatieve zorgverlening. Voor de indieners van deze voorstellen kan er geen twijfel over bestaan dat palliatieve hulpverlening beschikbaar moet zijn voor alle patiŽnten, ook zij die deze zorgverlening momenteel niet kunnen betalen en, vooral, zij die hun laatste levensfase thuis, in de eigen omgeving willen doorbrengen.

    Zoals andere leden reeds hebben opgemerkt is er op dit vlak nog veel werk voor de boeg, niet alleen wat de beschikbare middelen betreft maar ook inzake opleiding van artsen en het verpleegkundig personeel.

    Een ander onderdeel van het wetsvoorstel dat aanleiding geeft tot discussie, is dat in verband met de wilsverklaring. De wilsverklaring moet schriftelijk gebeuren en ondertekend zijn. Er wordt alleen rekening mee gehouden indien zij is opgesteld of bevestigd minder dan vijf jaar voor het moment waarop de betrokkene zijn wil niet meer kan uiten. Een kritiek die men vaak op de wilsverklaring hoort, is dat de omstandigheden van het overlijden niet op voorhand kunnen worden ingeschat. De persoon die een verklaring opmaakt kan hierin echter duidelijk uiteenzetten in welke omstandigheden en onder welke voorwaarden welbepaalde medische handelingen dienen te worden uitgevoerd. Het opstellen van de verklaring kan overigens gebeuren in overleg met de eigen arts.

    Wanneer een patiŽnt die een wilsbeschikking heeft opgesteld niet meer bij bewustzijn is, moet eerst worden getracht hem bij bewustzijn te brengen. Indien men hierin echter niet slaagt moet de mogelijkheid blijven bestaan om de wilsverklaring uit te voeren. Men mag niemand verplichten tegen zijn wil in mensonwaardige omstandigheden het einde af te wachten. Het spreekt voor zich dat ook bij de uitvoering van de wilsverklaring, al de zorgvuldigheidseisen opgesomd in artikel 3 moeten worden nageleefd.

    Spreekster besluit dat, wat over dit wetsvoorstel de jongste tijd ook gezegd is, de bedoeling van de indieners er alleen in bestaat de patiŽnt die een ondraaglijk lijden moet ondergaan te helpen, de nodige garanties tegen misbruiken in te bouwen en de artsen de op deze vraag ingaan de nodige rechtszekerheid te bieden. Het spreekt voor zich dat amendementen die de patiŽnt ten goede komen, steeds voor bespreking vatbaar zijn.

    Een senator verwijst naar zijn amendementen nrs. 1 tot 4 (Stuk Senaat, nr. 2-244/2) die de neerslag zijn van de opmerkingen die hij tijdens de vorige vergadering bij het wetsvoorstel nr. 2-244/1 heeft geformuleerd. Het is alvast verheugend dat de auteurs van dit wetsvoorstel open staan voor initiatieven die tot doel hebben de tekst te verbeteren.

    Wel stelt hij de vraag in welke mate er over deze aangelegenheid nog hoorzittingen kunnen worden georganiseerd met vertegenwoordigers van de betrokken beroepsgroepen. Er zijn bijvoorbeeld signalen van de artsengroeperingen die enerzijds verklaren dat zij geen vragende partij zijn voor een wettelijke euthanasieregeling, maar die anderzijds laten uitschijnen dat euthanasie binnen de huidige medische deontologie mogelijk is. Dit lijkt een nogal dubbelzinnige houding, maar tegelijk zou men er een subtiel aanbod in kunnen zien om het debat aan te gaan. De commissies moeten hierop ingaan.

    Hij merkt vervolgens op dat er onmiskenbaar een grote kloof is tussen het wetsvoorstel nr. 2-244/1, enerzijds, en, anderzijds, de visies die naar voor werden gebracht door de vertegenwoordigers van de andere oppositiepartijen.

    Een van de geschilpunten is gesitueerd rond de vraag of de regeling van euthanasie moet gebeuren via een wijziging van het Strafwetboek, zoals in het wetsvoorstel nr. 2-244 het geval is. De christen-democratische fracties wensen dat een regeling steunt op de notie noodtoestand en dat de strafwet ongewijzigd blijft.

    Persoonlijk heeft hij de indruk dat het hier een aangelegenheid van symbolische aard betreft. Wanneer men in concreto de zorgvuldigheidsvereisten evalueert in bijvoorbeeld het voorstel nr. 2-160/1 van de heer Vandenberghe c.s., dan lijken deze niet strenger dan die opgelegd in het wetsvoorstel nr. 2-244/1.

    Hij zou er daarom willen voor pleiten de discussie in eerste instantie op inhoudelijke vragen te richten, en met name de zorgvuldigheidsvereisten die bij euthanasie in aanmerking dienen te worden genomen. In het licht van de antwoorden die hierop worden geformuleerd kan worden nagegaan op welke wijze deze garanties best in het rechtssysteem worden geÔntegreerd.

    Een ander lid merkt op dat in de federale regeringsverklaring van 14 juli 1999 te lezen staat dat in ethische vraagstukken, zoals euthanasie, het Parlement zijn volle verantwoordelijkheid moet kunnen nemen.

    Voor de leden van de verenigde commissies betekent dit, dat elkeen zijn verantwoordelijkheid als lid van de wetgevende macht ten volle kan opnemen. En ook moet opnemen. Het besluitvormingsproces ligt immers nog niet achter ons. Er is geen regeerakkoord gesloten over euthanasie, er is geen interkabinettenoverleg over georganiseerd. Elke fractie en elke senator kan dus vrij en ongedwongen in het democratische besluitvormingsproces treden. Elk democratisch proces heeft procedures van woord en wederwoord nodig om tot wijze beslissingen te komen.

    Zij hoopt dat in dit uitzonderlijke en belangrijke debat er voldoende intellectuele openheid wordt opgebracht om ten volle de uitdaging van woord en wederwoord aan te gaan.

    Tegelijk moet zij echter toegeven dat zij tot nu toe niet altijd de indruk heeft gehad dat in de commissies de wil aanwezig is om het debat voluit te voeren. De opmerkingen over zogenaamde vertragingsmanoeuvres, te lange spreektijden of mogelijk overbodige hoorzittingen, deden soms het tegendeel vermoeden. Het vermoeden dat men het debat in de organen van de Senaat helemaal wil ontlopen werd bevestigd door de wijze waarop zes meerderheidsfracties net voor het reces, en nadat een vergadering van de commissies was afgelast, in de pers hun gezamenlijk voorstel lanceerden. Ook na de toelichting van dit voorstel blijven nog vele vragen over de bedoeling ervan onbeantwoord. Wat is het statuut van dit voorstel, wordt het gedragen door alle fracties van de medeondertekenaars, door alle leden van die fracties ?

    Wat betekenen de verklaringen van zowel premier Verhofstadt als van partijleider Geysels over de mogelijke amenderingen ?

    Wat is het statuut van de eerder ingediende voorstellen door de meerderheidsfracties ? Worden die nu terzijde geschoven ? Of zijn zij nog steeds een gegeven in het debat ?

    Spreekster verklaart dat zij geen lid van de Senaat was tijdens de afgelopen legislatuur, maar dat dit ook het geval is voor heel wat andere leden van deze commissies. Zij moeten op dit ogenblik hun wetgevende functie opnemen en hierbij niet alleen rekening houden met het studie- en denkwerk dat reeds verricht werd, maar ook met de maatschappelijke, medische en internationale context van vandaag en niet met die van vier jaar terug.

    Als jurist en als maatschappelijk geŽngageerde was zij altijd al geÔnteresseerd in de rechtsfilosofische grondslagen van een democratie en in de basis van wat een samenleving tot samenleving maakt.

    Zo raakte zij geÔnteresseerd in het euthanasiedebat toen in 1993 voor het eerst in de democratische geschiedenis het Nederlandse Parlement een euthanasieregeling stemde en verzamelde sindsdien veel literatuur en artikels uit de wereldopinie over de Nederlandse euthanasiepraktijk. En dat zijn er heel wat.

    Het lid besluit dat de vragen die zij vandaag wil voorleggen dan ook niet ondoordacht zijn. Ze zijn in alle oprechtheid gedurende jaren voorbereid. Niemand kan ontkennen dat regels over hoe en door wie er gedood mag worden tot de meest fundamentele waarden van een samenleving behoren.

    De eerste belangrijke aanwijzing voor de ernst van het debat dat hier wordt gevoerd is inderdaad de uitzonderingssituatie waarin ons land verzeild zal geraken door een mogelijke legalisering van euthanasie. Er zijn niet veel politici of Wetstraatcommentatoren die de mondiale weerslag van een eventuele Belgische euthanasiewet beseffen. Zo werd reeds in deze commissie beweerd dat we niet moeten verwijzen naar andere landen, maar ons vooral met onszelf moeten bezighouden. De binnen-Belgische ideologische strijd of consensus slorpt dermate de aandacht op, dat we niet beseffen dat een Belgische depenalisatie zonder meer de wereldpers zal halen. Dit zou immers een uniek gegeven zijn voor de universele gemeenschap aan het begin van het derde millennium.

    Het is inderdaad merkwaardig dat in onze politieke cultuur het euthanasiedebat enkel op de conflictlijn tussen vrijzinnigen en gelovigen wordt gevoerd. Maar een politiek debat over euthanasie kan natuurlijk niet gaan over de persoonlijke levensfilosofie of over de eigen religieuze opvattingen. Een politiek debat over euthanasie gaat in essentie over de inhoud van onze rechtsstaat en over de vraag hoe rechtsbescherming voor elke persoon kan worden ingebouwd en in stand gehouden. In de meeste andere landen worden de ethische problemen niet zoals bij ons besproken in een conflict tussen religieuze en niet-religieuze denkbeelden, maar worden de beslissingen afgestemd op wat het collectief rechtsgevoel en het solidariteitsvermogen van mensen bevordert.

    Nederland kent sinds 1993 een vorm van gedoogbeleid onder welomschreven voorwaarden, maar zelfs daar werd tot nu toe het strafrechterlijk verbod niet verlaten. In vele democratische landen werd reeds een open debat over het levenseinde gevoerd, onder meer in Denemarken, Groot-BrittanniŽ, Canada, Zwitserland en AustraliŽ. Overal kwam men tot dezelfde conclusie : een rechtsstaat tolereert geen opzettelijk doden, ook niet als het om ę medisch doden op verzoek Ľ ≠ de gangbare term voor euthanasie ≠ gaat.

    De Raad van Europa die als gezaghebbende instantie waakt over de mensenrechten op ons continent nam op 25 juni van dit jaar een aanbeveling aan met als titel : ę Bescherming van de rechten van de mens en de waardigheid van ongeneeslijk zieken en stervenden Ľ. In deze aanbeveling wordt aan de Europese landen gevraagd om maatregelen uit te werken zodat stervende mensen beter beschermd worden en hun waardigheid als mens gewaarborgd blijft. De aanbeveling stelt palliatieve zorgverlening prioritair en beklemtoont dat, hoewel medische handelingen zoals pijnbestrijding uitzonderlijk de dood als gevolg kunnen hebben, medische handelingen die de dood als doel stellen, nooit mogen toegelaten worden. Het gezag van deze aanbeveling is in deze commissies reeds betwist geweest, omdat er weinig leden van de assemblee aanwezig waren bij de stemming. Maar aan de tekst van dit document is bijna twee jaar gewerkt en er werd uitvoerig over gedebatteerd in de bevoegde commissies van de Raad van Europa.

    Bovendien is de inhoud van de Aanbeveling slechts louter de uitdrukking van de beschermende visie die de verschillende Europese landen voorstaan in verband met het menselijk levenseinde.

    Een andere kritiek die soms wordt geformuleerd op deze Aanbeveling is het grote gewicht dat Duitsland in de Europese schaal werpt, ook en vooral in ethische kwesties. Omwille van het nog steeds traumatiserende verleden, zou dit land nu een te grote omzichtigheid aan de dag leggen wanneer het gaat om de bescherming van het menselijk leven. Maar is het dan verkeerd om wat de huidige Duitse generatie ons te vertellen heeft, au sťrieux te nemen ? Is het verkeerd om na de drama's die ons continent meemaakte de afgelopen eeuw, in herinnering te houden dat het respect voor menselijk leven een fundament is voor elke democratie ?

    Natuurlijk kan er betoogd worden dat wij als democratische natie nog altijd politiek autonoom zijn en op heel veel vlakken, bijvoorbeeld over de inhoud van onze strafwet, zelf kunnen beslissen. Dat is inderdaad zo. Het kan zijn dat wij in onze Belgische samenleving met zeer specifieke situaties geconfronteerd worden. Het zou ook kunnen zijn dat wij als eerste ter wereld een nieuw samenlevingsprobleem hebben herkend en er een aangepaste wetgeving voor willen creŽren. Maar zoals reeds gezegd, de problematiek van het levenseinde werd reeds in zeer vele parlementen en assemblees aangekaart.

    Ook is het niet zo dat de verzorgingsstaat en de gezondheidszorg er bij ons kwalitatief slechter aan toe is dan in de andere Westerse democratieŽn. Wel integendeel, BelgiŽ heeft een uitgebreid net van verzorgingsinstellingen en ziekenhuizen, haast een overaanbod aan artsen, een algemene en voor iedereen gelijk toegankelijke ziekteverzekering. De noodzaak van doden uit nood zou zich bij ons dan ook het minst moeten laten gevoelen. Toch willen de meeste voorstellen die voorliggen een grens verleggen en opzettelijke doding binnen een bepaald medisch kader uit de strafwet lichten.

    De democratisch verkozenen zijn inderdaad geen verantwoording verschuldigd ten opzichte van de wereldgemeenschap, enkel maar ten opzichte van de eigen samenleving. Maar wie voor onze samenleving de verantwoordelijkheid opneemt om het verbod op opzettelijke doding te doorbreken, moet minstens ook verantwoorden waarom de menselijke risico's die andere democratieŽn aanvoelen, voor ons niet zouden gelden. Inderdaad, op dit moment beseffen alle democratieŽn ter wereld zeer goed de risico's van een grensverleggende euthanasiewet.

    De voornaamste bezwaren die in de democratische besluitvormingsprocessen in Europa en in de wereld aan het licht kwamen, kunnen in drie punten worden samengevat :

    1. Een legalisering van euthanasie plaatst vraagtekens bij de universaliteit van de mensenrechten. Wanneer mensen over hun eigen mensonwaardigheid mogen beslissen zal de evenwaardigheid van alle mensen niet lang meer vanzelfsprekend zijn. De waarde en waardering die zieke en stervende mensen toebedeeld krijgen, zal zeer snel afhankelijk worden van subjectieve en cultuurgebonden opvattingen over levenskwaliteit.

    2. Een legalisering legt bovendien een onverantwoorde morele druk op zieke en stervende mensen die afhankelijk zijn geworden van de zorg en draagkracht van anderen. De zieken zelf worden voor de vraag geplaatst of zij anderen de last van hun bestaan nog wel kunnen aandoen.

    3. Een legalisering van euthanasie betrekt tenslotte artsen, verzorgenden, apothekers en ziekenhuizen, kortom de hele gezondheidssector, bij handelingen die de dood tot doel hebben. Zo komen de sociale perceptie en de maatschappelijke integriteit van de gezondheidszorg op de tocht te staan.

    Spreekster is van oordeel dat het zou getuigen van of kortzichtigheid of hoogmoed wanneer een klein landje zoals het onze, alleen deze grote menselijke risico's zou lopen.

    De eerste vraag die onze samenleving bij een legalisering van euthanasie zal moeten beantwoorden is die naar de inclusiviteit van het mensenrechtenbegrip. Tot nu toe is het behoren tot de mensheid voor iedereen vanzelfsprekend want verbonden aan het menszijn zelf. Menswaardigheid is dan ook een ontologisch begrip. Of men menswaardig is hangt immers niet af van een bepaalde subjectief geÔnterpreteerde levenskwaliteit, maar gewoon van het bestaan als mens zelf.

    De bevolking filosofeert natuurlijk niet dagelijks over wat een mens tot mens maakt, maar de samenleving wordt wel gedragen door de menselijke intuÔtie dat het bestaan van elkeen onaantastbaar is.

    Deze vanzelfsprekende menselijke intuÔtie wordt beter niet afgebroken of weggeredeneerd als zijnde emotioneel of religieus aanvoelen. Want deze menselijke intuÔtie kan wel eens de noodzakelijke basis zijn voor een rechtsstaat, de basis ook voor een onvoorwaardelijk inclusief solidariteitsvermogen en de basis voor een onvoorwaardelijk respect voor de uniciteit van elke medeburger.

    Wanneer door een legalisering van euthanasie, de maatschappelijke intuÔtie van de menselijk onaantastbaarheid wordt doorbroken, begeeft de samenleving zich op een hellend vlak. Bijzonder snel zal blijken dat dit hellend vlak geen angstdroom is, maar een brutale realiteit kan worden. Medici, juristen en sociologen uit de hele wereld stelden reeds vast dat de formele regelgeving in Nederland sinds 1993 eerder dan duidelijkheid te scheppen, de normen verder heeft doen vervagen. Ondanks de zorgvuldigheidsvereisten die ingebracht werden door de toenmalige minister van Justitie, is de medische praktijk er in de mate ontspoord dat het ę euthanaseren Ľ van anorexiameisjes en van psychiatrische patiŽnten er doorgang heeft gevonden.

    Daarnaast zal het doorbreken van het maatschappelijk taboe op het doden van mensen, zeer snel ook diegenen treffen die niet om de dood hebben gevraagd. Een aantal fracties die vergaande voorstellen hebben ingediend over wilsbekwame mensen, hebben ook reeds congresteksten goedgekeurd waardoor mensen die niet om de dood vragen, zoals baby's met afwijkingen, in aanmerking komen voor opzettelijke doding. Wanneer het maatschappelijke taboe op het doden van mensen wordt doorbroken, en euthanasie een normale medische handeling wordt, zal in het nieuwe grensoverschrijdende klimaat alles bespreekbaar worden tot zelfs de selectie van mensen toe. Selectie wordt mogelijk doordat het recht op leven niet langer verantwoord wordt door het bestaan zelf, maar wel door opvattingen over levenskwaliteit en menswaardigheid. Maar het oordeel over wat menswaardig is en wat niet is altijd subjectief en bovendien, cultuur- en tijdsgebonden.

    Men is bijvoorbeeld terecht verbijsterd over het doden van pasgeboren meisjes in India. Maar Indiase ouders handelen alleen maar zo omdat er in hun ogen geen ę levenskwaliteit Ľ is voor meisjes zonder bruidschat.

    De menswaardigheid moet dus als vanzelfsprekend verbonden blijven met het mens-zijn zelf. Wetten mogen de onaantastbaarheid van het mensenleven niet op de helling zetten, want wanneer die onaantastbaarheid niet meer vaststaat, worden eerst de allerzwaksten geŽlimineerd.

    Het tweede risico is de morele en maatschappelijke druk die door een euthanasiewet op de schouders van zieke en stervende mensen wordt gelegd.

    Iedereen kent de ziekten van onze samenleving, er is stress, tijdsdruk, depressie, te weinig levenskwaliteit, teveel haast en te weinig tijd voor wat echt belangrijk is zoals ontmoeting, genegenheid en geborgenheid. In deze haastige samenleving ontstaan er nieuwe bedreigingen voor mensen. Er zijn mensen die als vanzelfsprekend gedragen worden en geborgen zijn in hun familiekring. Maar er zijn ook steeds meer mensen die geÔsoleerd raken en voor elk menselijk contact aanspraak moeten maken op de schaarse tijd van anderen. Juist in dit klimaat waar haast bijna de grootste hebzucht is geworden, wordt nu de legalisering van euthanasie voorgesteld.

    Het lid veronderstelt dat waarschijnlijk ook de andere leden van deze commissies aandachtig de brieven van het verplegend personeel hebben gelezen naar aanleiding van de voorstellen die ter bespreking voorliggen. De verpleegkundigen van het Brugman-ziekenhuis schrijven dat zij op dit moment ervaren dat er in de ziekenhuisorganisatie geen tijd en geen ruimte is om echt te luisteren naar zwaar zieke en weerloze patiŽnten. Het ontbreekt de verpleegkundigen aan mogelijkheden om de vraag naar euthanasie op een objectieve en serene manier te evalueren en om alternatieven voor te stellen in geval van een ę vraag uit wanhoop Ľ. Het ontbreekt hen aan mogelijkheden om het daadwerkelijk respect voor de zieke te vrijwaren.

    Uit het Nederlands diepteonderzoek bleek dat euthanasie meer wordt gevraagd omwille van moreel lijden door eenzaamheid, isolement en afhankelijkheid dan door fysiek lijden. Er is niet alleen de ziekenhuisproductiviteit waardoor geen tijd kan vrijgemaakt worden voor de zieke, ook de families staan onder tijdsdruk. Gezinnen voelen zich meer opgejaagd dan vroeger. Op het werk moet er meer gebeuren dan vroeger. De tijdsbuffer van weleer, zoals professor Elchardus de huismoeder omschrijft, is weggevallen. De relaties in de gezinnen en de families komen onder tijdsdruk. Het nieuwste boek van relatietherapeut Alfons Vansteenwegen, die bekend werd met het werk ę Liefde is een werkwoord Ľ, draagt nu als titel ę Liefde vraagt tijd Ľ.

    In dit klimaat wordt de nieuwe sociale bedreiging voor zwaar zieke mensen dat hun sterven niet te veel tijd mag kosten. Alles moet snel gaan, niet alleen het leven maar ook het sterven. Is het misschien daarom dat in het verregaande voorstel nr. 2-244 de laatste levensfase als noodzakelijke voorwaarde werd geschrapt ? Doodgaan kan niet snel genoeg gaan, want we hebben geen tijd meer voor een uitgebreid liefdevol afscheid. Een euthanasiewet zal het sterven niet onthaasten, wel integendeel.

    Er is bij zieke en bejaarde mensen niet alleen de vrees dat zij teveel vergen van de sociale draagkracht van hun kinderen, maar bij langdurige ziekte komt vaak ook de financiŽle draagkracht van de families ter sprake.

    De vraag is dus of een euthanasiewet zal kunnen beletten dat er een morele druk ontstaat bij de zwaar zieke patiŽnten, en gevoelens van nutteloosheid en overbodigheid hun vraag naar de dood zal motiveren.

    Het derde risico betreft de maatschappelijke integriteit en sociale perceptie van onze gezondheidszorg. Voorstanders van de legalisering wijzen er soms op dat zij meer rechtszekerheid willen bieden voor de artsen die euthanasie plegen. Maar zowel de artsensyndicaten als de Nationale Orde van geneesheren bedanken voor deze rechtszekerheid. Zij vinden de waardigheid en de deontologie van hun beroep een hoger goed dan de eventuele rechtszekerheid.

    Het is inderdaad zo dat een legalisering van euthanasie een verregaand effect zal hebben op de medische ethos. Want een legalisering betekent dat opzettelijke doding een normale medische handeling wordt, zelfs een vorm van maatschappelijke hulpverlening. Artsen die hieraan niet wensen mee te werken zullen enkel nog beroep kunnen doen op hun persoonlijk geweten en niet langer op de medische ethiek. Eens de dodende handeling een onderdeel is geworden van de medische praktijk zal men zich ook moeten toeleggen op de meest efficiŽnte uitvoering ervan. Dat houdt in dat het euthanaserend handelen zal moeten worden onderwezen en aangeleerd, dat de farmaceutische nijverheid zich zal moeten toeleggen op de ontwikkeling van efficiŽnte euthanatica, dat een zorgvuldig uitgevoerde euthanasie tot beroepsaansprakelijkheid kan leiden, kortom het doden wordt een onderdeel van de medische discipline.

    Het zijn niet alleen de Belgische artsen die zich verzetten tegen de geschetste verschuiving in medische ethiek. Ook de mundiale vereniging van artsen heeft zich in de Verklaring van Madrid van 1987 in deze zin uitgesproken. De eed van Hippocrates is voor hen universeel en ook tijdloos. Artsen en gezondheidswerkers zijn niet alleen bezorgd over hun professionele integriteit, maar ook over de sociale perceptie van hun werk.

    Een bijzonder interessante studie van professor Elchardus bracht onlangs aan het licht dat de duale samenleving zich reeds aftekent in een sociaal-culturele kloof bij leerlingen in het middelbaar onderwijs. Leerlingen uit het algemeen en het beroepsmiddelbaar onderwijs leven in aparte werelden. De leerlingen uit het beroepsonderwijs zijn cultureel zwakker, sociaal minder weerbaar, en op ethisch vlak erg strikt. Terwijl bijvoorbeeld in het ASO 76 % van de jongeren vindt dat euthanasie op vraag van de patiŽnt soms gerechtvaardigd is, deelt maar 31 % van de jongeren in het BSO die mening. Dit verschil in mening brengt ook aan het licht dat de sociaal-cultureel zwakkeren meer wantrouwen koesteren ten overstaan van artsen en ziekenhuizen. Zij voelen zich minder veilig en minder beschermd door onze gezondheidszorg dan mensen die weerbaar en assertief met hun artsen dialogeren. Natuurlijk zal een euthanasiewet dit gevoel van onveiligheid en gebrek aan sociale bescherming versterken.

    Tenslotte vrezen de artsen dat door de budgettaire druk op de gezondheidszorg, de aankomende vergrijzinggolf en de toenemende zorgschaarste, de persoonlijk gewenste euthanasie, wel eens zou kunnen evolueren naar de maatschappelijk gewenste euthanasie. Of zoals een vertegenwoordiger van een Nederlandse patiŽntenvereniging het onlangs uitdrukte : ę De waardigheid van de dood zal naar de achtergrond verdwijnen. In plaats van de vraag : ę Wat is de tijd voor een waardige dood ? Ľ komt dan een nieuwe vraag : ę Wat is de waarde van een tijdige dood ? Ľ

    Het lid verklaart verheugd te zijn dat zij hier open kan spreken en verwacht van de andere leden een zelfde openheid. Graag zou zij van de indieners van het voorstel vernemen hoe zij de geschetste risico's van een euthanasiewet voor onze samenleving willen vermijden of waarom zij denken dat juist onze samenleving voor deze menselijke risico's immuun is.

    Als uitleiding van haar eerste tussenkomst wil zij nog een literair-filosofisch stukje brengen. De inspiratie hiervoor deed zij op tijdens de filosofische uitweiding van een ander. Het begint met een fictieve brief.

    Wie leert van de mensengeschiedenis ?

    ę Dierbare landgenoten,

    Wij, democratisch verkozenen, hebben kunnen vaststellen dat het leven dat velen van jullie te leiden en te lijden hebben, in wezen absurd is. Daarom durven wij na lang beraad de dood als oplossing voor het zinloze leven voorstellen.

    Ieder van jullie zal ter gelegener tijd van deze oplossing gebruik kunnen maken. Wij, democratisch verkozenen, zullen procedures uitwerken zodat alles medisch zuiver kan verlopen en geen van jullie nabestaanden schuld kan treffen.

    Wij weten dat nog niet iedereen van jullie overtuigd is van het absurde leven dat wij leiden, maar wij denken dat iedereen eens in de omstandigheden terecht zal komen waarin het absurde zal ervaren worden. Daarom vragen wij jullie met aandrang om nu reeds een levenstestament op te maken, zodat iedereen zonder uitzondering van de dood als oplossing voor het leven kan genieten.

    Wij hopen dat jullie beseffen welke unieke kans wij jullie bieden. Nergens anders ter wereld kunnen mensen kiezen voor deze bijzondere doeltreffendheid. Wees ervan overtuigd dat wij niet lichtzinnig te werk zijn gegaan en alleen maar de meest geschikte oplossing voor het leven dat jullie leiden hebben gezocht.

    Vergeet ons niet,

    Getekend,

    Jullie democratisch verkozenen. Ľ

    Het lid verontschuldigt zich voor de satirische toon van dit stukje, maar deze woorden zijn spontaan op de banken uit haar pen gevloeid, zoals dat in parlementair jargon heet. Toen het euthanasievoorstel dat gesteund wordt door leden van de zes meerderheidsfracties bij de eerste uiteenzetting filosofisch werd verantwoord, was zij blij om zoveel ideologische helderheid. Wat intuÔtief reeds lang werd aangevoeld, kwam nu in alle klaarheid naar voren. Het is de scherpslijpers die het voorstel inspireerden helemaal niet te doen om de concrete zorg voor zieke en stervende mensen, maar wel om het persoonlijke recht op de dood.

    Al in de eerste parlementaire toelichting werd het euthanasievoorstel onderbouwd door verwijzingen naar schrijvers van het Franse existentialisme, zoals het in de zestiger jaren opgang maakte. Op dat moment herinnerde zij zich de verplichte schoollectuur voor de Franse les en de personages uit theaterstukken en romans die maar authentiek verklaard werden wanneer ze ten volle de zinloosheid van hun bestaan hadden aanvaard.

    De depenalisatie van de opzettelijke levensbeŽindiging, de schrapping van de laatste levensfase als noodzakelijke voorwaarde, de verruiming van fysiek lijden tot persoonlijk aangevoelde nood, al deze juridische verschuivingen tonen dat het jongste euthanasievoorstel zonder veel omwegen het recht op dood in onze samenleving wil binnenloodsen. Het voorstel maak de dood afdwingbaar voor al wie zijn persoonlijke wanhoop in medische termen vertaald krijgt.

    Natuurlijk ontstond er hierover onmiddellijk maatschappelijke beroering. Mensen willen immers niet geregeerd worden door wetten die de zin van hun eigen bestaan in twijfel trekken.

    Hebben de besloten cenakels van de vrijdenkers in ons land ons niets meer te bieden dan hun verlammende en dodende levensangst ? Zijn er vrijdenkers die kunnen uitleggen hoe we de zin voor de samenleving zullen behouden, wanneer de zin van het leven zelf politiek betwijfeld wordt ? Wat zullen genegenheid, respect, gemeenschapszin en solidariteit nog waard zijn, wanneer het moeilijke en eenzame leven evengoed beŽindigd kan worden ?

    Spreekster verklaart dat in het begin van vorige eeuw een grote machtige Europese cultuur in de ban was geraakt van de ę Bilanz-Selbstmord Ľ. Romanschrijvers en filosofen propageerden er de zelfgekozen dood als authentiek menselijke daad nadat de balans van het eigen leven was opgemaakt. Enkele decennia later besliste het nieuwe regime van dat land om die subjectieve balansopmaak niet langer aan de mensen zelf over te laten. Het leek eenvoudiger om objectief en in naam van het volk de balans van de levens op te maken. De mensheid reageerde met alle kracht en toen dit regime overwonnen en vernietigd was, werd er een plechtige en universele verklaring opgesteld. Alle mensen, zwart en wit, man en vrouw, ziek en gezond, rijk en arm zouden voor altijd evenveel waard zijn. Niemand, geen mens, geen land, geen regime mocht hier ooit nog aan twijfelen. Natuurlijk was deze plechtige verklaring niet onmiddellijk uitgevoerd, maar iedereen begreep dat de toekomst van de mensheid alleen maar in de uitvoering ervan kon liggen.

    Door de groeiende wereldwijde uitwisseling van beelden, woorden en inzichten groeide ook het concrete dagdagelijkse besef dat de toekomst van ons allen samen zou afhangen.

    Het lid besluit dat volgens kenners die vorige eeuw een jaar te vroeg eindigde, met een feest voor het mooie ronde jaartal 2000. Een etmaal lang wuifden we naar elkaar, van Sydney tot Honolulu. Er was veel spetterend vuurwerk in de grote steden, maar ook de bescheiden vlammetjes van Afrika hoorden er helemaal bij. De wuivende mensenzee leek het begrepen te hebben : wij zijn de mensheid, wij houden elkaar in balans, liefst voorgoed.

    Maar nu, bij het begin van de nieuwe eeuw, zijn er twee lage landjes aan de Noordzee die de mensengeschiedenis niet helemaal goed begrepen hebben. Wat vanzelfsprekend verworven leek in de vorige eeuw, wordt door hen opnieuw in vraag gesteld. De wuivende mensenzee kan die twee lage landjes maar beter in het oog houden.

    Een ander lid verklaart dat het argument, gericht tegen de indieners van de samengevoegde voorstellen en gesteund op de rechten van de mens, onontvankelijk is, al steunt het misschien op een diepgewortelde overtuiging. Het staat iedereen vrij zich de andere voor te stellen zoals hij zou willen dat hij is. Maar dat komt hoe dan ook niet overeen met de werkelijkheid.

    Iedereen is trouwens vrij zijn eigen referenties te kiezen, in heilige of profane teksten, hetzij in teksten van filosofische of religieuze aard.

    De karikatuur die werd gemaakt van de indiener die de spreker citeerde, zou deze laatste er misschien toe moeten aanzetten zijn lectuur terug ter hand te nemen, met inbegrip van wat deze aan humanistisch karakter kan inhouden. Het lid beklemtoont de manier waarop deze indiener het overwinnen van het filosofisch absurde bekijkt. Dat moet niet worden verward met de opvatting die ieder van ons op een of ander moment van zijn leven kan hebben over zijn eigen bestaan, ook op die momenten waarop hij zelf, los van het zoeken naar een zin voor zijn eigen bestaan en voor die van de mensheid, die in de richting van de rechten van de mens gaat, meent dat zijn eigen leven geen waardig leven meer is.

    Het is zeker niet toevallig dat werd gezinspeeld op het feit dat het voorstel het mogelijk maakt tegemoet te komen aan de door sommigen uitgedrukte wil ťn tegelijk in de richting van een vervreemding zou gaan. Maar de eerbiediging van de vrijheid en de individuele wil vormt de grondslag van het wetsvoorstel, dat juist de geestelijke bevrijding beoogt.

    Een dergelijke voorstelling van zaken, die tegelijk een banvloek en een karikatuur inhoudt, maakt noch een dialoog, noch een sereen debat mogelijk.

    Er is sprake van desinformatie en een intentieproces in wat hier zopas werd gezegd over iets dat voor een groot deel van de leden van de verenigde commissies een aanhankelijkheid aan humanistische waarde leek.

    Ten slotte is het zeker evenmin een toeval dat verschillende keren werd gesproken over een ę legalisering Ľ van euthanasie, terwijl het uiteraard over een depenalisering ervan gaat, indien ze wordt uitgevoerd in de voorwaarden die in het voorstel uitvoerig worden beschreven, met de bedoeling tot rechtszekerheid te komen, niet alleen voor de artsen, maar vooral voor de patiŽnten, wat, vanuit globaal maatschappelijk oogpunt, nog belangrijker is.

    Een lid verklaart dat het recht van elke patiŽnt om toegang te krijgen tot palliatieve zorgen als een solidariteitsplicht van de samenleving kan worden omschreven.

    De aandacht, enerzijds, voor de wil van de mens, die wordt geconfronteerd met de laatste ogenblikken van zijn bestaan en het respect voor zijn manier om zijn existentie te bevatten en, anderzijds, voor een solidariteitsplicht die aan allen toegang tot de palliatieve zorgen moet garanderen, lijkt redelijk evenwichtig verdeeld.

    Wat uit de debatten duidelijk naar voor moet komen, is dat men aandacht probeert te hebben voor de begeleiding op het einde van het leven en voor de verzachting van het lijden en de nood. Het vooropgestelde doel is bij geen enkele indiener een einde te maken aan het leven, ook al kan dat het resultaat zijn.

    Een ander lid wijst eerst en vooral op het probleem van de rechtszekerheid. Men stelt vast dat de artsen nogal ongerust zijn over wat vandaag wordt voorgesteld. Zij menen bijna allemaal dat hun rechtszekerheid niet gewaarborgd is.

    De a posteriori-procedure en het feit dat een dossier aan de procureur des Konings wordt bezorgd, is voor hen een zwaard van Damocles en een echt probleem.

    Vele artsen zeggen dat, wanneer een dergelijke bepaling wet wordt, zij geneigd zullen zijn de wet in de praktijk te omzeilen, wat er natuurlijk op neerkomt dat de rechtszekerheid van de patiŽnten evenmin nog wordt gegarandeerd.

    De praktijk dreigt dan buiten de wettelijkheid te treden en euthanasie voor sociale of economische redenen, zoals die ook vandaag al lijkt te gebeuren, zal dan niet worden voorkomen.

    Het gaat hier niet om een filosofische of ideologische beschouwing, maar om een kwestie van eenvoudig gezond verstand.

    Om die reden bepaalt het voorstel van mevrouw Nyssens c.s. dat het dossier aan een wetsdokter wordt gezonden.

    Een andere weg kan worden gevonden in het Nederlandse voorbeeld.

    Een tweede beschouwing betreft de door sommigen geuite idee dat er op een of andere wijze een alternatief tussen palliatieve zorgen en euthanasie zou bestaan.

    Volgens de spreker is deze opvatting tegelijk erg theoretisch, schokkend en uiterst verontrustend wat de toegang tot de zorgen betreft.

    In werkelijkheid gaat het erom een voortgezette verzorging te kunnen toedienen en via de terbeschikkingstelling van palliatieve zorgen aan de mensen hun waardigheid te kunnen teruggeven, het lijden te voorkomen en zo te handelen dat euthanasie zoveel mogelijk wordt voorkomen. Euthanasie moet volgens de spreker uitzonderlijk blijven.

    De artsen melden inderdaad dat euthanasie uitzonderlijk wordt, wanneer op een correcte manier tegemoet wordt gekomen aan de vraag naar palliatieve zorgen. In het algemeen drukt de spreker op de noodzaak bij dit soort problemen te redeneren vanuit het standpunt van de patiŽnten, hun vragen en hun rechten.

    Daarom is het belangrijk beroepsmensen te horen om de realiteit van het terrein beter af te bakenen.

    Een andere dikwijls gestelde vraag gaat over het antagonisme dat zou bestaan tussen de autonomie en het respect voor het leven. De spreker zelf toont zich verrast door deze benadering.

    Voor hem is euthanasie fundamenteel een handeling van wederzijdse afhankelijkheid, een sociale handeling, een gebaar van humanisme en medelijden. Het gaat niet over autonomie, maar over menselijke relaties.

    Het gaat erom te weten hoe men probeert het leven in gemeenschap te verbeteren, hoe men de begrippen waardigheid en lijden beschouwt en hoe dat in handelingen tot uitdrukking wordt gebracht.

    De spreker toont zich ook getroffen door het advies van de Nationale Raad van de Orde van geneesheren, zelfs als hij een zekere tegenstelling ontwaart in de wil om onmiddellijk te stellen dat de medische deontologie volstaat en het niet nodig zou zijn om wetgevend op te treden.

    Het advies gaat vooral in op het probleem van de therapeutische hardnekkigheid en de palliatieve zorg, dat voor de artsen niet geregeld schijnt te zijn, en het feit dat de patiŽnten daarover niet gerustgesteld lijken te zijn.

    Dit lijkt een juiste vaststelling te zijn, ongeacht of de vrees van de patiŽnten imaginair of reŽel is. Dit lijkt fundamenteel. Het knoopt aan bij de bezorgdheid van de verplegers, met name die van het Brugmann-hospitaal, die een brief hebben gericht aan de parlementsleden. Volgens hen zijn de problemen rond de palliatieve zorg en de therapeutische hardnekkigheid verre van geregeld. Ze vragen een moratorium vooraleer een wet op de euthanasie wordt goedgekeurd. Op die problemen moet eerst een beter antwoord komen.

    Er bestaat dus een orde van prioriteiten waarmee de wetgever rekening moet houden.

    De spreker toont zich ook ongerust over de schrapping van het begrip terminale fase uit het voorstel.

    Men kan natuurlijk tegenwerpen dat er een groter lijden en een grotere nood kan zijn bij de langdurige ongeneeslijke ziekten, los van een terminale fase.

    Kan men echter wetgeving scheppen op een domein dat de deur openzet voor interpretaties die mogelijk niet die van de huidige wetgever zijn ?

    Er bestaat soms ook verwarring tussen doden en zichzelf doden. Volgens de spreker gaat het om twee totaal verschillende fundamentele debatten. Zelfmoord is immers niet strafbaar.

    De spreker formuleert nog twee algemene opmerkingen.

    Hij stelt vast dat de werkzaamheden, ondanks alles, worden gehinderd doordat de verenigde commissies geen hoorzittingen konden houden met professionele veldwerkers. Hij wenst te weten hoe de hoorzittingen, die gepland zijn op het einde van de algemene bespreking, zullen worden georganiseerd.

    Hij vindt trouwens dat het interessant zou zijn om de talrijke opgeworpen problemen, die nog niet nader konden worden onderzocht, op een meer systematische manier te kunnen aanpakken.

    Een vorige spreekster verklaart ook dat zij vindt dat dit debat in alle sereniteit en met respect voor elkaars mening dient te worden gevoerd. Dit neemt echter niet weg dat alle leden het recht moeten hebben hun argumenten voluit uiteen te zetten en de vragen te stellen die zij belangrijk achten.

    Wat haar in dit debat bijzonder fascineert, is dat de evolutie in het denken over mensenrechten in BelgiŽ en Nederland blijkbaar anders verloopt dan in andere landen. Wanneer zij de indieners van deze voorstellen enigszins heeft uitgedaagd, dan is dit precies om een antwoord te krijgen op de vraag wat de noodzaak is om in onze samenleving af te wijken van een ethische consensus die in de rest van de wereld nog steeds onaantastbaar wordt geacht.

    Daarnaast heeft zij de aandacht willen vestigen op de onbestemde vrees die dit debat veroorzaakt bij de zwaksten in onze samenleving. De commissie kan hieraan niet zonder meer voorbij gaan.

    Een lid verklaart dat zij tijdens de vorige legislatuur de debatten in verband met euthanasie in de Senaat, weliswaar vanop enige afstand, met veel interesse heeft gevolgd. Deze debatten wettigden enig optimisme over de uitkomst van het dossier. Er leek namelijk over de verschillende partijen en maatschappelijke opvattingen heen, een consensus te groeien rond het zogenaamde ę derde voorstel Ľ dat in het advies van het Raadgevend Comitť voor bio-ethiek werd geformuleerd.

    Vandaar ook dat de fractie waartoe zij behoort, zich als gesprekspartner in dit debat heeft gepresenteerd en een wetsvoorstel heeft ingediend dat steunt op deze derde optie. Zoals dat ook voor andere dossiers geldt, is in deze aangelegenheid communicatie met de verschillende maatschappelijke geledingen uitermate belangrijk. Binnen deze commissies is er overeenstemming over de betekenis die aan het begrip euthanasie moet worden gegeven. Bij veel mensen heerst er echter wat dit betreft de grootste onduidelijkheid en verwarring. Die dragen op hun beurt bij tot de ongerustheid in brede lagen van de bevolking ten aanzien van dit dossier.

    De verschillende voorstellen die hier werden ingediend hebben alleszins ťťn gemeenschappelijk kenmerk : zij trachten een antwoord te geven op de vraag naar een waardig levenseinde voor terminale patiŽnten.

    Men kan zich er alleen maar over verheugen dat in alle voorstellen, hierbij een essentiŽle plaats wordt toegekend aan palliatieve zorg. Iedereen moet er zich in dit debat evenwel van bewust zijn, dat BelgiŽ op dit vlak vrijwel nergens staat. Zowel wat het volume van het aanbod betreft, als op het kwalitatieve vlak en inzake de coŲrdinatie is nog een hele weg af te leggen. Het voorstel van resolutie nr. 2-106/1, dat hier op de agenda staat, werd ook in het Vlaamse Parlement ingediend. Men kan inderdaad alleen maar hopen dat de bespreking hiervan zo vlug mogelijk wordt aangevat, want ook op het niveau van de gemeenschappen dient nog een hele weg te worden afgelegd.

    Het garanderen van een volwaardige palliatieve zorgverlening veronderstelt niet alleen het vrijmaken van aanzienlijk meer financiŽle en materiŽle middelen. Veel artsen geven ook toe dat zij onvoldoende vertrouwd zijn met deze vorm van hulpverlening die pas zeer recent in het studiepakket geneeskunde is opgenomen.

    Spreekster citeert hierop een van de grondleggers van de palliatieve zorg in BelgiŽ, zuster Leontine : ę Het is onze ervaring dat een aantal zieken in de eerste dagen van een opname in een crisisfase het verlangen uitdrukken dat het genoeg is, dat zij niet verder willen leven en dat zij hopen dat ę het Ľ niet lang meer zal duren. Maar het is even goed onze ervaring dat deze vragen en klachten zachtjes wegebben als de zieke door aangepaste zorgen opnieuw een beetje lichamelijk comfort heeft en zich begrepen en gedragen voelen. Het komt er op aan te ontdekken welke de diepere vraag is onder de oppervlakkige noodkreet `ik wil sterven'. Meestal is dit `laat me niet alleen', `ik ben angstig'. Ľ

    Dit is slechts ťťn getuigenis tussen vele andere. Iedereen begrijpt wel dat in bepaalde gevallen moet kunnen worden overgegaan van het ę to cure Ľ naar het ę to care Ľ of van het trachten te genezen naar het verzorgen. In een publicatie van de Federatie voor palliatieve zorgverlening wordt hier nog een stap aan toegevoegd, namelijk van ę care Ľ naar ę core Ľ. Met dit laatste wil de Federatie duidelijk maken wat centraal moet staan in de benadering van patiŽnten in hun laatste levensfase : de liefdevolle aandacht, de menselijkheid en de betrokkenheid van de omgeving bij de zieke. Hier ligt inderdaad de kern van palliatieve hulpverlening : een antwoord bieden op de vraag van de patiŽnt om aandacht van de omgeving, om niet alleen te worden gelaten met zijn pijn en zijn angstgevoelens.

    Een dergelijke benadering vraagt echter een grote inspanning van de omgeving en van de samenleving. Er moet worden gevreesd dat het in BelgiŽ, waar deze vorm van hulpverlening nog in de kinderschoenen staat, zeer moeilijk zal zijn om op korte termijn de nodige middelen vrij te maken om alle patiŽnten hiertoe de volwaardige toegang te verzekeren.

    In de commissie voor de Sociale Aangelegenheden is voorgesteld om een debat aan te vatten over de vraag welk soort gezondheidszorg onze samenleving wil. Nu wordt het stelsel gefinancierd op basis van prestaties. Palliatieve zorgverlening, die per definitie betekent dat bepaalde prestaties worden nagelaten, is moeilijk in een dergelijk systeem in te passen. Brutaal gesteld is palliatieve zorg in een systeem van financiering per prestatie niet duurder dat curatieve geneeskunde, maar wel minder lonend. Moet daarom niet worden nagedacht over nieuwe vormen van zorgfinanciering ?

    Palliatieve zorgverlening kan niet los worden gezien van de ruimere problematiek van de patiŽntenrechten. In dit kader zijn de voorbije jaren in het Parlement al verschillende initiatieven genomen en blijkens recente persberichten zal ook de regering stappen doen in verband met deze materie.

    Het begrip patiŽntenrechten is echter ruimer dan het toekennen van verweermiddelen tegen medische fouten. Het heeft betrekking op een algemene versterking van de positie van de patiŽnt tegenover het medisch handelen. Men moet erkennen dat er op het vlak van communicatie en aandacht voor de patiŽnt de jongste jaren in onze gezondheidszorg een grote vooruitgang is geboekt, maar dat bepaalde situaties toch nog te wensen overlaten. Ook in de laatste levensfase, wanneer de patiŽnt bijzonder zwak staat, is de dialoog uitermate belangrijk.

    Het lid verklaart dat, hoezeer zij ook gelooft in palliatieve zorg, hoezeer zij ook hoopt dat hiervoor aanzienlijk meer middelen worden vrijgemaakt, zij ook kan begrijpen dat deze vorm van hulpverlening niet in alle situaties kan volstaan om de patiŽnt uit een ondraaglijk lijden te verlossen. Wanneer de patiŽnt zich in een terminale levensfase bevindt en er geen enkele mogelijkheid meer is om zijn ondraaglijke pijn te verzachten, kan er sprake zijn van een noodtoestand, die rechtvaardigt dat de arts tot het uiterste, de levensbeŽindiging, overgaat indien de patiŽnt hierom vraagt.

    Essentieel hierin is het begrip ę noodtoestand Ľ : een toestand waarin de arts geconfronteerd wordt met een conflict tussen twee plichten. Enerzijds is hij ertoe gehouden het leven van de patiŽnt te respecteren maar anderzijds heeft hij de plicht het de lijdende patiŽnt te helpen en bijstand te verlenen. Indien de arts alleen op het verzoek van de patiŽnt om uit het lijden te worden verlost kan ingaan door levensbeŽindiging, moet hier begrip voor kunnen worden opgebracht. Het spreekt voor zich dat dit alleen kan met in achtname van strikte zorgvuldigheidsregels.

    Het begrip ę noodtoestand Ľ is in ons recht niet nieuw en wordt ook op andere terreinen toegepast. Het steunt op een uitgebreide jurisprudentie en biedt daardoor, in tegenstelling tot wat sommige voorgaande sprekers suggereerden, voldoende rechtszekerheid voor de arts die tot levensbeŽindiging overgaat. Precies hierom zou het zeer betreurenswaardig zijn, mocht in het kader van deze aangelegenheid worden besloten, op wetgevend vlak een inbreuk te maken op het fundamentele morele en maatschappelijke beginsel dat het menselijk leven onaantastbaar is. Dit principe is in onze samenleving te belangrijk om het af te doen als een zaak van louter symbolische aard.

    Voorgaande sprekers hebben de nadruk gelegd op het zelfbeschikkingsrecht van de terminale patiŽnt die, in deze visie, meester is over zijn eigen lot. Zelf vindt zij dit een angstaanjagende gedachte. Los van de algemene vraag of men over zijn eigen leven kan beschikken, is wellicht niemand zwakker, niemand minder ę meester Ľ over zichzelf, dan de terminale patiŽnt. In welke mate kan worden ingeschat of deze zich bewust is van hetgeen hij vraagt ? Moeten zijn woorden letterlijk worden genomen of moeten zij worden beschouwd als de uiting van dieperliggende vragen die hij niet kan of durft te verwoorden ?

    Spreekster concludeert dat het ę meester Ľ zijn over zichzelf in deze levensfase erg relatief is. Daarom leggen volgens haar een aantal van deze wetsvoorstellen te zeer de nadruk op de zelfbeschikking van de ongeneeslijke patiŽnt en hebben zij te weinig aandacht voor de rol van de personen uit zijn omgeving. Sterven doet men, evenmin als leven, alleen. Een positieve benadering van het stervensproces bestaat er dan ook in dat de omgeving, familie, de verplegenden, ... bij de laatste levensfase worden betrokken.

    De wijziging van de strafwet wordt door de indieners van het wetsvoorstel nr. 2-244/1 gemotiveerd door de rechtszekerheid van de artsen. Recente persreacties doen echter de vraag rijzen of de meerderheid van het artsenkorps wel vragende partij is voor deze vorm van rechtszekerheid.

    Het wetsvoorstel dat door de leden van de haar fractie werd ingediend gaat uit van de rechtszekerheid van en de transparantie voor de patiŽnt. De dialoog met de patiŽnt moet worden verzekerd. Nu hebben zowel deze patiŽnten als hun familie vaak onvoldoende inzicht in de situatie.

    Een belangrijke vraag, waarop hopelijk tijdens de hoorzittingen een antwoord zal komen, is die naar de wijze waarop artsen nu omgaan met de problemen rond het levenseinde. Er is binnen en buiten de medische wereld een consensus gegroeid over de opvatting dat therapeutische verbetenheid een laakbare praktijk is. Het zou echter verkeerd zijn de indruk te wekken dat het enige alternatief voor deze praktijk bestaat in euthanasie. In de hedendaagse geneeskunde staan verschillende benaderingswijzen van de terminale patiŽnt naast elkaar, die betrekking hebben op verschillende situaties (code 1 : niet reanimeren, code 2 : geen therapie toevoegen of uitbreiden, code 3 : therapie afbouwen, de gecontroleerde sedatie). In welke mate hebben de patiŽnt en zijn omgeving inzicht en inspraak in dit soort zaken ?

    Een feit is alleszins dat de man en de vrouw in de straat, en allicht ook een aantal leden van deze commissie, zeer weinig weet hebben van dit soort zaken.

    Het wetsvoorstel nr. 2-244/1 beklemtoont niet alleen al te zeer de eigen wilsbeschikking van de patiŽnt, het legt ook een zeer grote druk op de stervende mens. Hij wordt voor de vraag geplaatst of hij anderen de last van zijn bestaan kan blijven aandoen. Uit contacten met mensen in de mantelszorg blijkt dat deze de verzorging van de patiŽnt niet als last ervaren, mede omdat zij vaak ook grote voldoening van hun werk hebben. Het is echter voor hen vaak zeer moeilijk de zieke hiervan te overtuigen. Dit is weliswaar slechts ťťn aspect van de problematiek, maar een niet onbelangrijk aspect.

    Spreekster stelt vast dat het woord ę terminaal Ľ uit de tekst verdwenen is en vervangen werd het begrip ę ongeneeslijke aandoening Ľ. Wat verstaan de auteurs onder dit begrip ? Ook de term ę nood Ľ, waarmee dan psychologische nood bedoeld wordt, draagt niet bij tot de transparantie en de rechtszekerheid.

    De ervaring leert dat patiŽnten met bepaalde kankers, hoewel ze nog lange tijd kunnen leven, toch ongeneeslijk ziek zijn. Het is begrijpelijk dat deze mensen bij momenten volkomen radeloos zijn. Is het dit soort situaties die men moet verstaan onder het begrip ę psychologische nood Ľ ? Een arts stelde zich in de pers dezelfde vraag ten aanzien van een diabetespatiŽnt die een depressie doormaakt. Het is begrijpelijk dat mensen die dit soort zaken lezen bang zijn en zich de vraag stellen naar welk soort samenleving wij evolueren. Als politicus moet men hiermee rekening houden.

    Een ander onderdeel van de voorliggende teksten waar zij het erg moeilijk mee heeft, zijn de bepalingen in verband met de voorafgaande wilsverklaring. Zij heeft begrip voor mensen die vrezen dat zij niet zullen kunnen omgaan met zeer zware pijnen en daarom vinden dat, indien deze zich voordoen, hun leven mag worden beŽindigd. Daar staat echter tegenover dat niemand op voorhand kan inschatten hoe deze pijn in werkelijkheid zal worden ervaren. Het is evenmin mogelijk de evolutie van de geneeskunde, bijvoorbeeld inzake pijnbestrijding, over enkele jaren te voorspellen. Vanuit deze overwegingen wordt het wetsvoorstel bijzonder beangstigend.

    In de wilsverklaring worden een of meer gemandateerden aangewezen die er borg moeten voor staan dat de wil van de patiŽnt wordt uitgevoerd. Beseffen de auteurs van het wetsvoorstel ook hier welke druk zij op deze personen leggen ?

    Het lid gaat ten slotte in op de bepalingen inzake registratie en controle. De arts die euthanasie toepast moet daarvan onmiddellijk aangifte doen bij de ambtenaar van de burgerlijke stand en bij de procureur des Konings. De aangifte die bestemd is voor de procureur vermeldt onder meer de aandoening waaraan de patiŽnt leed en de procedure die is gevolgd. Waarom echter is er niet in een sanctie voorzien wanneer deze verplichting niet wordt nageleefd ? Op verzoek van de procureur deelt de arts de elementen uit het medisch dossier mee, maar ook hier is geen enkele sanctie bepaald indien hij niet op dit verzoek ingaat.

    Binnen het artsenkorps is er overigens altijd grote weerstand geweest tegen het meedelen van medische gegevens aan derden. Hoe staan de auteurs hier tegenover ?

    Artikel 77 van het Burgerlijk Wetboek wordt aangevuld met een nieuw lid waarin wordt bepaald dat in geval van overlijden ten gevolge van euthanasie, het verlof voor teraardebestelling slechts kan worden gegeven nadat de procureur des Konings zijn toestemming heeft verleend. Doet hij dat niet, dan wordt gehandeld overeenkomstig de artikelen die gelden bij een gewelddadige dood. De arts dient tenslotte een behoorlijk ingevuld registratieformulier te bezorgen aan de registratiecommissie, maar ook hier is niet in een sanctie voorzien.

    Het zou toch interessant zijn het standpunt van de procureurs te kennen over deze bepalingen. Hoe vaak hoort men immers niet dat nu reeds de parketten hun werk niet meer aankunnen. Hoe denken zij met deze nieuwe opdrachten te kunnen omgaan, wetende dat in de tekst geen enkele buffer, bijvoorbeeld een gerechtsarts, is ingebouwd.

    De controlemechanismen vooraf in het wetsvoorstel zijn vrijwel onbestaande, maar ook het toezicht a posteriori biedt derhalve onvoldoende garanties.

    Het lid hoopt nog steeds dat het mogelijk is om tot een gemeenschappelijke tekst te komen met een zeer breed politiek draagvlak. Deze aangelegenheid is dermate belangrijk dat van alle zijden een maximale inspanning moet worden gedaan om rekening te houden met alle visies die hieromtrent in de samenleving leven.

    Een ander lid herinnert eraan dat op 20 december 2000 een wetsvoorstel ę betreffende de euthanasie Ľ werd ingediend samen met twee andere wetsvoorstellen van dezelfde indieners, ťťn per meerderheidsfractie. Het ene betreft de oprichting van een evaluatiecommissie over de voorgestelde wet, het andere handelt over de palliatieve zorg. Het is niet geloofwaardig dat het enkel over een persoonlijk initiatief zou gaan. Daarvan getuigen de tussenkomsten van bepaalde leden van de meerderheid. Wanneer een voorgaande spreker het had over de indiening van een voorstel door de fractieleiders, toont hij duidelijk de strategie van de meerderheid aan of op zijn minst de strategie die hij zelf wenst.

    In de mate dat dit initiatief het debat niet wil afgrendelen, heeft het op zijn minst de verdienste het referentiepunt vast te leggen voor de komende discussies en de in te dienen amendementen.

    Zou het niet beter zijn de drie voorstellen in ťťn tekst met drie hoofdstukken te bundelen, in plaats van ze afzonderlijk te bespreken ? Zo krijgt men een ovezicht van de problematiek.

    Bij het begin van het onderzoek van de voorstellen wil de spreker eerst zijn mentale ingesteldheid toelichten.

    Met zijn collega's wil hij nogmaals de wil bevestigen om aan het debat deel te nemen. Alle ethische kwesties kunnen worden besproken, des te meer wanneer in de samenleving een bewustwording plaatsgrijpt of zich een belangrijke evolutie in de geesten manifesteert. Dat wil niet zeggen dat in de naam van een slecht begrepen modernisme, alle essentiŽle regels en bakens moeten worden weggevaagd.

    De spreker wenst dat op een alomvattende manier wordt nagedacht, met een grote openheid van geest en veel nuancering, zonder dogmatisme, waarbij wederzijdse intentieprocessen worden vermeden, en met de sereniteit van diegenen die tot aandachtig luisteren in staat zijn.

    Hij ervaart dus een onbehagen als hij hoort dat sommigen het debat zouden kunnen opsluiten in een tegenstelling vrijzinnigen-gelovigen, waarbij er een tegenstelling wordt verondersteld tussen humanisme en transcendentie en men bevooroordeeld weigert te dialogeren, in een a priori-opvatting over de vooruitstrevendheid van zijn eigen ideeŽn in confrontatie met het zogenaamde conservatisme van de andersluidende ideeŽn van de andere.

    Het debat dat vandaag moet worden gevoerd gaat over de kwaliteit van het leven op een bijzondere moeilijk ogenblik, namelijk het ogenblik waarop de dood nabij is, en de dood zelf. Dat zijn de laatste handelingen van een leven dat in waardigheid moet worden geleefd.

    I. Welke principes liggen aan de basis van de reflectie ?

    1. Het respect voor de menselijke waardigheid in alle omstandigheden

    Het probleem van de euthanasie verwijst altijd naar het begrip ę menselijke waardigheid Ľ, dat vaak verschillend wordt geÔnterpreteerd.

    Het respect, in alle omstandigheden, voor het recht van iedere persoon op waardigheid, wat ook zijn fysieke en mentale toestand is, moet tot elke prijs worden gevrijwaard. Dat concept mag echter niet steunen op een autonomie van de mens die wordt begrensd door zijn intellectueel niveau of door wat wordt beschouwd als ę redelijk Ľ. Het steunt ook op een autonomie die door een effectieve dimensie wordt gekenmerkt. Indien de achting voor en de erkenning van het individu door zijn gelijken hoog zijn, zal dit individu in zijn gevoelens van autonomie en waardigheid worden gesterkt. Zoals de vorige spreekster zuster Leontine citerend, heeft gezegd zullen eerbied voor de persoon en een adequate begeleiding de vraag naar euthanasie aanzienlijk doen afnemen.

    2. De bescherming van de zwaksten en de onbekwamen

    Op het einde van zijn leven wordt de mens dikwijls geconfronteerd met een affectief en moreel isolement. Dat gevoel van isolement, en dus de kwetsbaarheid, dreigen nog te worden versterkt in een systeem dat de uitgaven voor gezondheidszorg wil beheersen, ten nadele eventueel van de minder gegoeden, vooral binnen de context van de veroudering van de bevolking. Om aan die realiteit tegemoet te komen moeten de sociale banden met de meest kwetsbare personen worden versterkt om een context te scheppen die hen tegen eventuele misbruiken beschermt.

    De indieners van dit voorstel verklaren te worden gedreven door de gemeenschappelijke vaststelling dat in ons land dagelijks op clandestiene wijze euthanasie wordt gepleegd, zonder dat daarop een sociale controle mogelijk is. Het is dus om die praktijken te bestrijden dat de indieners van het wetsvoorstel de voorwaarden voor euthanasie wettelijk willen vastleggen. Aldus worden praktijken mogelijk die ze homogener en verantwoorder noemen.

    Uit de reflectie en contacten gedurende meer dan twee jaar over dit uiterst delicate onderwerp heeft de fractie waartoe de spreker behoort op basis van talrijke getuigenissen ook opgemaakt dat euthanasieprocedures worden toegepast buiten het medeweten van de patiŽnt, zijn familie en de hele samenleving. Ze heeft ontdekt dat de sociaal (niet noodzakelijk financieel) meest benadeelde personen groter gevaar lopen om het slachtoffer te worden van praktijken die voor humanisten onaanvaardbaar zijn.

    3. De ethiek van de verantwoordelijkheid

    Wettelijke besluiten worden verondersteld essentiŽle waarden te verzoenen, zonder dewelke elke samenleving uiteen zou vallen, en het praktische leven van die samenleving te organiseren. Die ethiek van de verantwoordelijkheid moet worden verbonden met het voorzorgsprincipe, waarvan wordt verondersteld dat het ons vandaag de toekomstige gevolgen van onze beslissingen doet inzien. Dat houdt concreet in dat bakens worden uitgezet om de actoren op het terrein te helpen bij het nemen van hun beslissingen.

    II. Welke opmerkingen zijn er bij de voorstellen van de meerderheid ?

    1. Het wetsvoorstel ingediend door de parlementsleden van de meerderheid gaat in op het probleem van de palliatieve zorg

    De palliatieve geneeskunde reikt instrumenten aan om het fysieke lijden te verzachten. Ze biedt inderdaad, met een hoge graad van techniciteit, de mogelijkheid om de pijn in een groot aantal gevallen te beheersen.

    Door naar de patiŽnt te luisteren, voor hem aandacht hebben en zijn eigenheid te respecteren, reikt deze geneeskunde ook instrumenten aan om veel psychisch lijden te verzachten. Dat lijden is dikwijls verbonden met de vrees voor de naderende dood, die in een toestand van morele verlating wordt beleefd.

    De palliatieve zorg vormt een onmisbare begeleiding voor de patiŽnt op het einde van het leven. Door de patiŽnt als het centrale element van dat soort geneeskunde te beschouwen, heeft de palliatieve zorg tot doel de patiŽnt een maximale autonomie en een maximaal bewustzijn te garanderen. Het scheppen van een respectvolle relatie tussen de stervende patiŽnt, zijn naasten en het verplegend team draagt ertoe bij aan de zieke op het einde van zijn leven de waardigheid te geven waarop hij recht heeft. De palliatieve zorg wil hem op dat ogenblik een optimale levenskwaliteit geven die, volgens het advies van alle betrokken medische actoren, de vraag naar euthanasie in het kader van een dergelijke begeleiding uitzonderlijk maakt.

    Van de 10 % vragen bij het begin zouden er slechts 1 ŗ 2 % overblijven.

    In dit algemeen perspectief verheugt de spreker zich over een belangwekkende evolutie bij de indieners van de voorstellen. Bij het begin van het debat leken weinig parlementsleden gevoelig voor de essentiŽle vraag naar de plaats van de palliatieve zorg als determinerend element van de kwaliteit van het levenseinde. Vandaag lijkt iedereen overtuigd van de absolute noodzaak om die zorg aan alle patiŽnten aan te bieden. Die gelijke toegang impliceert een gelijke behandeling van alle erkende actoren en de behoefte aan gespecialiseerde opleidingen. Die nieuwe, diepmenselijke dimensie, die zal worden vertaald in een concrete politieke actie, zal, wat ook het uiteindelijke resultaat zal zijn van de werkzaamheden van de wetgever, een grote vooruitgang betekenen voor de verbetering van de levenskwaliteit van personen die met hun levenseinde worden geconfronteerd.

    2. Het wetsvoorstel dat door de parlementsleden van de meerderheid werd ingediend, zegt niets over de strijd tegen de therapeutische hardnekkigheid of de stopzetting van een therapie

    Therapeutische hardnekkigheid kan worden gedefinieerd als het toedienen aan de patiŽnt van voor zijn gezondheid onnodige, niet strikt noodzakelijke behandelingen of van behandelingen die in wanverhouding staan tot zijn aandoening of tot het verwachte resultaat. De vrees voor therapeutische hardnekkigheid, lijden en verlies van waardigheid is ook een aansporing om uitdrukkelijk om euthanasie te verzoeken of om een voorafgaande wilsverklaring op te stellen. Dit is onaanvaardbaar.

    De stopzetting van de therapie is al even onaanvaardbaar, wat ook de redenen zijn om ze te rechtvaardigen (een tekort aan menselijke, materiŽle of financiŽle middelen, de noodzaak om een keuze te maken tussen de te behandelen personen op basis van hun leeftijd, gezondheidstoestand of, nog erger, sociale situatie ...). Die stopzetting tolereren in naam van een distributieve rechtvaardigheid zou kunnen leiden tot het principe van de ę sociale toelaatbaarheid Ľ van een vorm van euthanasie die dan als een sanitaire maatregel zou worden beschouwd.

    Het zou goed zijn wetgevend tegen de therapeutische hardnekkigheid op te treden binnen het kader van deze wetsvoorstellen of tenminste te herinneren aan de elementaire wettelijke voorwaarden van de medische praktijk die aan de arts aanknopingspunten kunnen geven voor zijn dagelijkse praktijk. In dezelfde context moet elke vorm van stopzetting van therapie uitdrukkelijk worden verboden.

    3. Het toepassingsgebied van het wetsvoorstel is te breed : het kan worden toegepast in andere situaties dan die van het levenseinde

    Verschillende sprekers hebben erop gewezen dat het wetsvoorstel bepaalt dat :

    ≠ euthanasie kan worden toegepast op de meerderjarige of ontvoogde minderjarige patiŽnt die handelingsbekwaam en bij bewustzijn is, wanneer deze dit vraagt op uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en weloverwogen wijze en lijdt aan een aanhoudende en ondraaglijke pijn of nood die niet kan worden gelenigd en die het gevolg is van een zware en ongeneeslijke aandoening;

    ≠ euthanasie kan worden toegepast op de patiŽnt die niet meer bij bewustzijn is, wanneer die vooraf zijn wil heeft te kennen gegeven en er geen enkel middel meer bestaat om hem weer bij bewustzijn te brengen, en lijdt aan een ongeneeslijke, door ziekte of ongeval veroorzaakte, aandoening.

    De tekst zoals hij is opgesteld kan dus worden toegepast in andere situaties dan die van het levenseinde wanneer een patiŽnt lijdt aan een ernstige en ongeneeslijke ziekte en zijn fysiek of moreel lijden niet kan worden verzacht. Er wordt geen gewag gemaakt van een te voorzien overlijden op korte termijn, wat de toepassing van de wet zou beperken tot extreme gevallen bij het levenseinde. Men verglijdt langzaam van euthanasie naar ę hulp bij zelfdoding Ľ.

    Aldus wordt een opening gemaakt die onvermijdelijk naar ontsporing in de toepassing van de wet zal leiden. Een dergelijk toepassingsgebied opent de weg naar een geleidelijke banalisering van de euthanasie ę die de meest kwetsbare en minst autonome leden van onze samenleving, die blootstaan aan allerlei vormen van economische, sociale en familiale druk, dreigt te raken Ľ.

    Vanuit dat perspectief om de euthanasiepraktijk uit te breiden tot buiten de situatie van het naderende levenseinde kan men de bezorgdheid begrijpen om rechtszekerheid te zoeken, zowel voor de arts als voor de patiŽnt. Zoals gezegd, menen de artsen echter vrij algemeen dat een wetgeving in de zin van het voorstel tot meer rechtsonzekerheid zal leiden en dat de concrete effecten ervan wel eens helemaal niet zouden kunnen overeenkomen met de nagestreefde doelstelllingen.

    Wat de rechtszekerheid van de patiŽnt betreft, stelt men volgens de spreker de verkeerde vraag. Indien de patiŽnt kiest voor euthanasie en wanneer die wordt toegepast, moet hij tegenover niemand meer rekenschap afleggen. Op het ogenblik van de keuze en de beslissing zal hij zich zeker niet bezighouden met de vraag in welk juridisch kader hij mag vragen dat er een einde aan zijn lijden wordt gebracht. De rechtszekerheid van de patiŽnt inroepen lijkt op bedrog.

    Euthanasie moet een uitzonderlijke handeling van de arts blijven nadat deze op doeltreffende wijze de pijn heeft bestreden en als het zeker is dat het einde nabij is.

    Het komt de wetgever toe zeer precies alle voorwaarden vast te stellen die de arts moet naleven vooraleer hij een vraag naar euthanasie van een patiŽnt die bij bewustzijn is in overweging neemt en beantwoordt.

    Euthanasie moet worden beperkt tot de gevallen waarin de arts het volgende vaststelt :

    ≠ een niet terug te dringen en ondraaglijk lijden van de patiŽnt;

    Het begrip ę niet terug te dringen Ľ verwijst naar een objectief begrip, een pijn die de geneeskunde in de huidige stand van zaken niet kan verzachten, terwijl het begrip ę ondraaglijk Ľ, dat wordt gebruikt in het wetsvoorstel, een zeer subjectief begrip is. Dat lijden kan enkel door de patiŽnt worden ervaren en het komt zijn omgeving niet toe het ondraaglijke karakter ervan te beoordelen.

    ≠ het ongeneeslijke karakter van de ziekte;

    Er zijn gevallen waarin het ongeneeslijke karakter moeilijk kan worden vastgesteld. Volgens sommige artsen kan een verkeerde diagnose worden gesteld. Dat aspect moet dus degelijk worden geverifieerd.

    ≠ de prognose van het overlijden op korte termijn.

    Dat sluit patiŽnten met een toevallige aandoening en elke hulp bij zelfdoding uit.

    Als die drie voorwaarden vermeld zijn kan de arts veronderstellen dat hij zich in een noodtoestand bevindt. Om over euthanasie te kunnen spreken moeten die drie voorwaarden vervuld zijn. Buiten dat kader gaat men naar een extensieve regelgeving die de hulp bij zelfdoding regelt. Dat debat mag niet in het debat euthanasie worden geÔntegreerd.

    4. Het verbod op moord in het strafrecht vervult een essentiŽle symbolische functie

    De door de parlementsleden van de meerderheid voorgestelde wetgeving wil de voorwaarden voor euthanasie vastleggen via de invoeging van een artikel 417bis in het Strafwetboek.

    Het fundamentele verbod om te doden moet een basisprincipe van ons strafrecht blijven. De essentiŽle en symbolische functie ervan moet de morele en sociale waarde van het respect voor het leven garanderen.

    Ons land is geen voorloper in de bezinning over de wenselijkheid van wetgeving inzake euthanasie. In andere landen werden gedurende vele jaren brede debatten gevoerd, landen waarvan de openheid van geest ruim bij andere gelegenheden in grote ethische debatten uitvoerig werd belicht, landen met een cultuur die dicht bij de onze staat. Op dit ogenblik heeft geen enkele natie de beslissing genomen om dit basisbeginsel van het leven in gemeenschap te herzien.

    Nochtans is het mogelijk, zoals nu reeds in het strafrecht wordt bepaald, dat in zeer uitzonderlijke gevallen, het subject een ę noodtoestand Ľ kan inroepen die de overtreding van de wet rechtvaardigt. De noodtoestand vereist uitzonderlijke omstandigheden, zoals wanneer de artsen worden geconfronteerd met een patiŽnt die aan een ongeneeslijke ziekte lijdt, die een ondraaglijk lijden ondergaat dat de arts niet kan verlichten, van wie het overlijden op korte termijn wordt verwacht en die op aanhoudende wijze zijn wil te kennen geeft het einde van zijn leven te bespoedigen. In die welbepaalde gevallen kan de arts oordelen dat hij voor een noodtoestand staat.

    In dat geval kan de arts niet aan zijn lot worden overgelaten. Hij kan die noodtoestand niet alleen beoordelen zonder sommige belangrijke actoren te raadplegen. Het gaat om het belang van de patiŽnt, die een absoluut vertrouwen moet kunnen behouden in de diagnose die hem wordt voorgesteld, en om het belang van de arts die op zijn minst uit moreel oogpunt een aandeel heeft in de verantwoordelijkheid voor de beslissing.

    Zulke begeleiding binnen de context van een debatethiek zal de patiŽnt in het centrum van een multidisciplinair besluitvormingsproces plaatsen waarin zijn specifieke vraag moet worden gehoord en waarin daarmee rekening wordt gehouden. Kan deze zeer voorzichtige aanpak, die de patiŽnt maximaal beschermt, als hypocriet en conservatief worden afgedaan ? De spreker gelooft dat niet.

    5. Het wetsvoorstel laat de arts aan zijn lot over ten aanzien van de vraag naar euthanasie

    De tekst van de parlementsleden van de meerderheid sluit het multidisciplinair overleg uit ten voordele van een ę colloque singulier Ľ tussen de arts en de patiŽnt. De procedure in het wetsvoorstel laat de arts aan zijn lot over ten aanzien van de vraag naar euthanasie. Volgens de tekst oordeelt de arts immers alleen over het herhaald en uitdrukkelijk verzoek om euthanasie, de bewustzijnstoestand van de patiŽnt en het duurzaam verzoek en het lijden of de niet te verzachten nood van de patiŽnt.

    Er wordt geen enkel overleg tussen de arts en het verplegend team opgelegd met betrekking tot de beoordeling van die criteria voordat tot euthanasie wordt besloten. De tekst voorziet enkel in de raadpleging van een andere onafhankelijke arts over het ongeneeslijk karakter van de ziekte. De raadpleging is louter facultatief. De naasten van de patiŽnt en het verplegend team worden slechts geraadpleegd wanneer de patiŽnt dit uitdrukkelijk vraagt. De arts moet enkel nagaan of de patiŽnt zelf alle personen heeft kunnen raadplegen die hij wenste te raadplegen. Zijn naasten en het verplegend team, met wie hij geregeld contacten onderhoudt, kunnen daartoe behoren. De spreker ziet echter een opening in het feit dat een vorige spreker verplicht overleg voorstelde.

    Men kan zich volledig aansluiten bij de zeer onlangs geformuleerde vrees van dokter D. Bouckenaere dat ę de macht van de artsen zal worden versterkt door een depenalisering die alleen aan de vertegenwoordigers van dat beroep het recht om te doden verleent en door de afwezigheid van een collegiale raadpleging die de willekeur van de arts moet temperen Ľ.

    Daartegenover staat dat de idee van een collegiale raadpleging a priori de goedkeuring meedraagt van vele practici van continue zorg van diverse overtuigingen. Zij menen immers dat de ę colloque singulier Ľ zich moet indekken tegen de risico's van al te subjectieve interpretaties van het lijden of van de woorden van de patiŽnt. Voorafgaand overleg wordt aldus een onmisbaar instrument om ontsporingen te voorkomen.

    Die collegiale raadpleging kan niet gelijk worden gesteld met een beslissing van een ę rechtbank Ľ die in de plaats van die van de patiŽnt komt. Zij maakt het hem integendeel mogelijk zijn plaats in te nemen in de dialoog binnen het multidisciplinaire team.

    6. Het voorstel van de parlementsleden van de meerderheid zwijgt over de plicht tot morele bijstand van de arts en van het verplegend personeel ten aanzien van een patiŽnt op het einde van zijn leven

    Deze plicht tot bijstand is nochtans fundamenteel. Ze legt de practici immers op bijzondere aandacht te schenken aan de meest kwetsbare patiŽnten en samen met de patiŽnten die bij bewustzijn zijn de palliatieve opvang onder ogen te nemen, waarbij een broep wordt gedaan op het daarvoor bevoegde personeel.

    Het is van essentieel belang dat in de wettekst over euthanasie, vůůr elke andere bepaling, uitdrukkelijk wordt bepaald dat elke practicus verplicht is om aan de patiŽnt op het einde van zijn leven de noodzakelijke morele en geneeskundige bijstand te verlenen tot verlichting van zijn moreel en fysiek lijden en tot behoud van zijn waardigheid.

    7. Het wetsvoorstel geeft aan de voorafgaande wilsverklaring van de patiŽnt dezelfde waarde als aan zijn uitdrukkelijke vraag om euthanasie. Het voorziet ook in de aanwijzing van een gemandateerde die de rechten zal uitoefenen van de patiŽnt die niet meer bij bewustzijn is

    Volgens het wetsvoorstel van de parlementsleden van de meerderheid kan elke handelingsbekwame meerderjarige of ontvoogde minderjarige patiŽnt, voor het geval dat hij zijn wil niet meer tot uitdrukking kan brengen, voorafgaandelijk verklaren dat hij wil dat een arts een einde maakt aan zijn leven, wanneer hij lijdt aan een door ziekte of ongeval veroorzaakte aandoening die ongeneeslijk is en er geen enkel middel bestaat om hem weer tot bewustzijn te brengen. Hij duidt in die verklaring ťťn of meer gemandateerden aan naar orde van voorkeur (met uitsluiting van zijn behandelende arts en van het verplegend team), die mekaar de ene na de andere vervangen bij verhindering, onbekwaamheid of overlijden. De wilsverklaring moet verplicht worden opgemaakt bij geschrift in het bijzijn van twee meerderjarige getuigen ( !), op zijn minst vijf jaar vůůr het begin van de onbekwaamheid om zijn wil te uiten.

    In die hypothese beslist alleen de arts, met verwijzing naar de verklaring van de patiŽnt, om euthanasie toe te passen, terwijl de gemandateerde van de patiŽnt zijn rechten, die geen verplichting zijn, uitoefent, met name om het verplegend team en de naasten van de patiŽnt te raadplegen.

    Maar dit soort wilsverklaring bevat grote zwakheden :

    ≠ Zo wordt de menselijke relatie, die steunt op wederzijds vertrouwen tussen verzorgde en verzorger, vervangen door een ę papieren Ľ relatie, die onmogelijk de complexiteit van de situatie kan opvangen. De voorafgaande wilsverklaring dreigt de verhouding arts-patiŽnt te ontmenselijken door te anticiperen op een context van wantrouwen en verdediging van de patiŽnt tegenover de arts in de situatie van het naderend levenseinde. Aldus bestaat het risico dat de arts, die wordt afgeschrikt door het gewicht van de wilsverklaring, een mechanisch gedrag gaat aannemen.

    ≠ Er is ook de onmogelijkheid om het ondraaglijk fysiek of moreel lijden te evalueren in hoofde van de patiŽnt die buiten bewustzijn is en die zijn lijden niet meer tot uitdrukking kan brengen.

    Hetzelfde geldt voor de aanwijzing van een gemandateerde die de rechten van de patiŽnt moet uitoefenen en, zoals het wetsvoorstel voorschrijft, de naasten en het verplegend team uit zijn naam moet raadplegen aangaande de vraag om euthanasie die door de patiŽnt in zijn wilsverklaring werd geformuleerd. De uiterst subjectieve dimensie van die opdracht maakt ze zeer delicaat en brengt voor de patiŽnt een verhoogde afhankelijkheid tegenover anderen met zich, zonder dan nog rekening te houden met de zware verantwoordelijkheid waarvoor de gemandateerde zich gesteld ziet. Het gevaar bestaat ook dat men tegenover een vertrouwenspersoon ę op papier Ľ komt te staan, als de relatie met de zieke ongunstig zou geŽvolueerd zijn.

    De wilsverklaring zou moeten worden beschouwd als een element waarmee eventueel rekening kan worden gehouden in het kader van een overlegprocedure rond de patiŽnt in geval van een noodtoestand en in extreme gevallen, zoals bijvoorbeeld een ę onomkeerbare coma Ľ.

    Een meer diepgaand debat met hoorzittingen van experts in de Senaat is in elk geval onontbeerlijk. Enkel dan kan de problematiek van de euthanasie op een patiŽnt, die niet meer bij bewustzijn is, met de vereiste nuancering worden aangepakt.

    De spreker stelt vast dat zich daarover een consensus ontwikkelt en verheugt zich daarover.

    8. Het wetsvoorstel organiseert een algemene controle a posteriori. Het voorziet bovendien in geen enkele specifieke sanctie tegenover de practicus die de bepalingen overtreedt

    Het wetsvoorstel stelt een procedure in tot aangifte van euthanasie bij de ambtenaar van de burgerlijke stand van de plaats van overlijden en bij de procureur des Konings. Deze laatste kan van de arts eisen hem de elementen mee te delen van het medisch dossier van de patiŽnt met betrekking tot de euthanasie. De toelating tot begraven is afhankelijk van zijn voorafgaand akkoord.

    De arts, die zou nalaten aangifte te doen of die euthanasie zou toepassen op een patiŽnt die niet voldoet aan de in de tekst opgenomen criteria, loopt geen enkele sanctie op.

    Terwijl de fractie van de spreker het verwijt kreeg de beslissing te willen ę tribunaliseren Ľ door een voorafgaand advies van een ethisch comitť te eisen, stellen we hier en systematische aangifte aan de rechterlijke macht vast. Dat is, zoals al werd gezegd, een echt zwaard van Damocles boven het hoofd van de artsen.

    Het voorstel dat de spreker medeondertekende, vraagt voorzorgsmaatregelen a priori die de facto met zich het vermoeden van het bestaan van een noodtoestand met zich brengen. A posteriori wordt enkel de aangifte aan de wetsdokter opgelegd, vermits dit de persoon is die het best geplaatst is om de gegrondheid van de praktijk te beoordelen. Dat vermoeden is weerlegbaar. Dat betekent dat elke betwisting van een derde moet worden onderbouwd met overtuigende elementen door degene die de beschuldiging uit. In dat systeem worden slechts de uitzonderingen behandeld, terwijl in het systeem dat wordt voorgesteld door de parlementsleden van de meerderheid, alle gevallen aan de rechterlijke macht worden voorgelegd.

    Welk risico bestaat er bij een toevloed van dossiers ?

    ≠ Seponering ? Waarin bestaat dan de noodzaak van de procedure ?

    ≠ Onderzoek van alle dossiers ? Men kan zich voorstellen dat de artsen zullen worden beschuldigd en dat talloze rechtsvorderingen zullen worden ingesteld. Of wil men misschien terugkeren naar de huidige verborgen praktijk ? Als men daaraan toevoegt dat de procureur des Konings de toelating moet geven om te begraven, weet men aan welke drama's men zich kan verwachten.

    Werd er rekening gehouden met het respect voor het privť-leven ? Is de keuze voor euthanasie dan niet strikt privť ? Zal dat stelselmatig op het publiek forum worden gegooid, alleen al omdat men wacht op een toelating om te begraven en de gebruikelijke termijn aldus wordt overschreden ?

    Er blijven vele vragen. Het is de wens van de spreker, als politiek verantwoordelijke, om zowel het debat als de reflectie voort te zetten. Het voorzorgsprincipe moet de leidraad zijn bij de werkzaamheden in deze dermate belangrijke kwestie. Hij hoopt dat de zorg om tot een dialoog te komen, die nu de overhand lijkt te krijgen op de oorspronkelijk meer restrictieve standpunten, sterker wordt. Hij verheugt er zich ook over spoedig de practici te kunnen beluisteren die op het terrein zeer concreet met deze pijnlijke problematiek worden geconfronteerd.

    De voorzitter stelt vast dat de vorige spreker het meermaals had over de voorstellen ę van de meerderheid Ľ. Er is echter herhaaldelijk gezegd dat die voorstellen werden ingediend door de leden van de meerderheid, maar niet uit naam van de meerderheid.

    Een lid merkt op dat de commissie door een hele reeks voorstellen met betrekking tot euthanasie en palliatieve zorg is gevat. Zijns inziens kan zij de bespreking niet verengen tot de drie wetsvoorstellen die het laatst werden ingediend. Het debat moet op een ruimer vlak worden gevoerd en de diverse teksten dienen, nadat een bespreking over de algemene waarden die hier in het geding zijn heeft plaatsgevonden, tegenover elkaar te worden afgewogen.

    Het is alvast verheugend dat de commissies hebben besloten niet overhaast tewerk te gaan en onder meer de tijd te nemen om een aantal maatschappelijke actoren te horen. In materies met een dermate groot maatschappelijke belang, moeten de politieke beleidsverantwoordelijken open staan voor de kritiek en de verbeteringen die vanuit de samenleving op hun voornemens worden geformuleerd.

    Het feit dat het debat over deze problematiek aan de Senaat is toevertrouwd heeft een bijzondere betekenis. Het houdt de verwachting in dat de besprekingen, zonder de tegenstellingen te ontkennen, gevoerd worden op een zakelijke en serene wijze, waarbij iedereen zijn argumenten kan naar voor brengen en er naar die argumenten ook geluisterd wordt. Het houdt met andere woorden de verwachting in dat het gesprek niet wordt gevoerd op basis van partijpolitieke stellingnamen.

    Vanuit dit oogpunt is het debat ook een proef op de som voor de Senaat, die hier de kans krijgt om te bewijzen dat zij de opdrachten die haar werden toegewezen ook effectief aankan.

    De Senaat heeft de euthanasieproblematiek al een eerste keer besproken in december 1997, naar aanleiding van het advies dat werd uitgebracht door het Raadgevend Comitť voor bio-ethiek. Het Raadgevend Comitť voor bio-ethiek heeft in dit advies vier voorstellen naast elkaar geplaatst die, zeer schematisch, als volgt kunnen worden samengevat :

    1. de strafwet wijzigen zodat euthanasie niet langer als een strafbare handeling wordt omschreven;

    2. de strafwet blijft ongewijzigd maar er komt een gedoogbeleid met aangifteverplichting zodat een controle a posteriori mogelijk is. Een dergelijke regeling geldt momenteel in Nederland;

    3. de strafwet blijft ongewijzigd, maar er worden controle- en begeleidingsmaatregelen a priori en a posteriori opgelegd met het oog op de regulering (niet legalisering) van euthanasie in het licht van een noodtoestand;

    4. het behoud van de huidige situatie.

    De reacties vanuit de verschillende maatschappelijke groepen op dit debat waren vrij positief, mede omdat velen de indruk hadden dat een vergelijk over de diverse fracties heen tot de mogelijkheden behoorde en binnen de politieke wereld de wil aanwezig was om tot een dergelijk akkoord te komen.

    Spreker verklaart dat het hem precies in het licht hiervan zo heeft verbaasd dat de meerderheidsfracties nu gezamenlijk een tekst voorstellen waarin wordt uitgegaan van de eerste optie van het raadgevend comitť, die ertoe zou leiden de BelgiŽ de meest verregaande euthanasiewetgeving ter wereld krijgt. Tijdens het debat was het immers duidelijk dat dit de meest marginale keuzemogelijkheid was, daar waar iedereen ervan uitging dat rond de derde optie de breedste consensus mogelijk zou zijn.

    Zijns inziens kan deze ontwikkeling alleen worden verklaard door de verkiezingsuitslag van 13 juni 1999. Wie er de pers op naslaat zal vaststellen dat ook in de buitenwereld de indruk bestaat, dat een deel van de huidige regeringsmeerderheid het uitwerken van een euthanasieregeling in samenspraak met de fractie van de spreker niet zag zitten.

    Het is zeer de vraag of de publieke opinie verlangt dat het debat op een dergelijke wijze wordt gevoerd. De signalen vanuit verschillende maatschappelijke geledingen wijzen integendeel op de wens dat de besprekingen in een zo breed mogelijke context worden geplaatst.

    In dit verband is het wenselijk dat ook een aantal uitspraken over de wijze waarop de fractie van de spreker in het recente verleden de ethische problemen politiek benaderde, recht worden gezet. Het feit dat in een regeerakkoord wordt afgesproken in dit domein geen alternatieve meerderheden te vormen, betekent geenszins dat men het debat over dergelijke aangelegenheden wenst te verhinderen. De christen-democraten hebben een duidelijke visie op de samenleving evenals op de rol die de overheid hierin dient te vervullen. Deze rol is niet beperkt tot het sociaal-economische domein. Niemand heeft er blijkbaar bezwaar tegen dat op het sociaal-economische vlak in een regeerakkoord zeer precieze afspraken worden gemaakt.

    Wat kan er dan op tegen zijn dat ten aanzien van ethische kwesties een kader wordt gecreŽerd dat de garantie biedt op een brede consensus wanneer beslissingen worden genomen ?

    Niemand kan overigens afbreuk doen aan de inspanningen die de christen-democraten de voorbije jaren hebben gedaan om een sereen debat over ethische aangelegenheden op gang te brengen en te voeren.

    In het huidige regeerakkoord staat dat het Parlement zijn volle verantwoordelijkheid moet kunnen opnemen wat ethische thema's betreft en dit op basis van ieders individueel geweten en overtuiging, onder meer inzake euthanasie.

    Wanneer men echter vanuit een dergelijk uitgangspunt vertrekt, met name van een absoluut zelfbeschikkingsrecht dat de pluraliteit van keuzen vooropstelt, kent men aan de wetgever alleen nog de opdracht toe deze pluraliteit van keuzen mogelijk te maken. Dit is een ideologische optie die onrecht doet aan de complexiteit van de opdracht van een Staat en van een gemeenschap.

    Spreker is dan ook van oordeel dat in eerste instantie dient te worden onderzocht of het zelfbeschikkingsrecht het alfa en omega is van deze discussie, zoals moet worden besloten uit de uiteenzettingen van de indieners van het wetsvoorstel nr. 2-244/1. De basisgedachte achter dit voorstel bestaat inderdaad in de realisatie van het zelfbeschikkingsrecht van de ongeneeslijk zieke patiŽnt.

    Ieder jurist weet evenwel dat de zelfbeschikking als een recht van het individu niet bestaat. Wie dit betwist mag het tegendeel trachten te bewijzen op basis van de Belgische wetgeving, de Grondwet of de internationale akten die BelgiŽ onderschreven heeft.

    De zelfbeschikking bestaat wel als prť-juridisch gegeven, als een politiek argument waarbij, in een welbepaalde opvatting, een na te streven doel wordt voorgesteld als een recht. Dit is een strategie die in de politieke wereld wel meer wordt toegepast. De idee van het bestaan van een zelfbeschikkingsrecht is overigens niet nieuw. Ze gaat terug tot de 19e eeuw en kaderde in de extreme opvattingen over het eigendomsrecht die toen gangbaar waren maar die intussen volkomen achterhaald zijn.

    Het zelfbeschikkingsrecht heeft niet alleen geen enkele juridische grond, het is inhoudelijk veel te eng om een dergelijke problematiek te benaderen. Wanneer concreet een patiŽnt in het volle bewustzijn aan zijn arts een medische behandeling vraagt, moet deze laatste hier dan, uitgaande van het zelfbeschikkingsrecht van die patiŽnt, zonder meer op ingaan. Niemand gelooft vandaag nog de geneeskunde op deze wijze moet functioneren. De vraag van de patiŽnt kan de eigen verantwoordelijkheid van de arts immers nooit uitsluiten. Deze verantwoordelijkheid steunt op andere regels en kan niet opzij worden gezet voor een zelfbeschikkingsrecht dat in hoofde van de patiŽnt zou bestaan.

    Bij dit alles moet overigens de vraag worden gesteld of de vraag tot levensbeŽindiging van een patiŽnt inderdaad de uiting is van zijn wil tot zelfbeschikking, dan wel of er onder deze vraag een kreet om hulpverlening, om niet alleen te worden gelaten, ligt. Door hieraan voorbij te gaan en louter uit te gaan van een zelfbeschikkingsrecht in hoofde van de patiŽnt, wordt de problematiek op een onverantwoorde wijze verengd en de complexiteit ervan ontkend.

    Ten slotte is er in deze aangelegenheid nog derde actor, naast de arts en de patiŽnt : namelijk de samenleving waar het individu onlosmakelijk deel van uitmaakt. De vraag inzake het beslissingsrecht over het leven, is geen vraag van contractuele aard maar kan alleen in een breed maatschappelijk kader worden beantwoord.

    Spreker besluit dat Gramsci al wist dat het er in een politieke discussie op aankomt de begrippen te bezetten. In een samenleving waar persoonlijke autonomie een belangrijke plaats inneemt, is het loutere hanteren van een begrip zoals ę recht op zelfbeschikking Ľ als dusdanig inderdaad al een sterk argument. In het licht van het voorgaande moet het echter voldoende duidelijk zijn dat dit begrip te eng is om de complexiteit van de problemen rond het levenseinde te vatten en er een wettelijke regeling op te bouwen.

    Wanneer men besluit euthanasie uit het strafrecht te halen, is het noodzakelijk dat wordt uitgegaan van een ę worst-case Ľ scenario. Een dergelijke wetgeving heeft immers een hele reeks afgeleide gevolgen. Naast de integriteit van het menselijk leven zijn er nog een hele reeks andere zaken in het geding, zoals de bekommernis om morele integriteit van het medische beroep, de bekommernis om misbruik, verwaarlozing of onbegrip ten aanzien van erg kwetsbare personen uit te sluiten.

    Men zou er verkeerd aan doen om vanuit een grenzeloos optimisme de ogen te sluiten voor dit soort situaties. Onze samenleving wordt gekenmerkt door een sterke regulering in de meest diverse domeinen. Het zou op zijn minst vreemd zijn dat in een dergelijke context, de regeling van de problemen rond het levenseinde wordt overgelaten aan de goede wil van de verschillende betrokkenen. Ook vanuit dit oogpunt moet een regeling die steunt op de vrije wilsbeschikking als volstrekt ontoereikend worden beschouwd.

    Een andere en niet minder belangrijke vraag is die in welke mate een regeling die steunt op de vrije wilsbeschikking van de patiŽnt verenigbaar is met het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

    In dit verdrag wordt het recht op zelfbeschikking niet erkend. Het artikel 2 bepaalt daarentegen wel :

    ę 1. Het recht van eenieder op het leven wordt beschermd door de wet. Niemand mag opzettelijk van het leven worden beroofd, tenzij bij wege van tenuitvoerlegging van een vonnis dat is uitgesproken door een rechtbank, wegens een misdrijf waarop de wet de doodstraf heeft gesteld.

    2. De beroving van het leven wordt niet geacht in strijd met dit artikel te zijn geschied, ingeval zij het gevolg is van geweld, dat absoluut noodzakelijk is :

    a) ter verdediging van wie dan ook tegen onrechtmatig geweld;

    b) ten einde een rechtmatige arrestatie te verrichten of het ontsnappen van iemand, die op rechtmatige wijze gevangen wordt gehouden te voorkomen;

    c) ... Ľ

    Tot nog toe is in dit debat weinig aandacht besteed aan de vraag wat de draagwijdte is van dit artikel en of de vrijwillige levensbeŽindiging in overeenstemming kan worden geacht met de het beginsel van de bescherming van het leven dat hierin is vastgelegd.

    Het artikel 2, eerste zin, is in zeer algemene termen gesteld. De wet dient het leven van eenieder te beschermen, wat inhoudt dat men de wetsbescherming altijd moet kunnen inroepen. Uit de rechtspraak van de Europese Commissie te Straatsburg vloeit voort dat dit artikel ten aanzien van de overheid niet alleen een negatieve verplichting inhoudt (gij zult niet doden), maar ook een positieve verplichting tot een prestatie, namelijk de bescherming van het leven.

    Zo stelde de Commissie in 1978 : ę La premiŤre phrase de l'article 2 impose ŗ l'ťtat une obligation plus large que celle que contient la deuxiŤme phrase. L'idťe que le droit de toute personne ŗ la vie est protťgť par la loi enjoint ŗ l'ťtat non seulement ŗ s'abstenir de donner la mort intentionnellement mais aussi de prendre les mesures nťcessaires ŗ la protection de la vie. Ľ

    Artikel 2 bepaalt derhalve dat de overheid het recht op leven via actief ingrijpen moet beschermen, maar zegt niet op welke wijze ze dit moet doen. Het spreekt voor zich dat het strafrechtelijk verbod op moord en doodslag hiervan de veruitwendiging zijn. De Commissie verklaarde echter dat artikel 2 ook impliceert dat men de verantwoordelijkheid van de arts voor het overlijden van zijn patiŽnt moet kunnen vaststellen. Volgens de Commissie houden de positieve verplichtingen die de Staat heeft met het oog op de bescherming van het leven onder meer in : ę la mise en place par les hŰpitaux de mesures rťglementaires propres ŗ assurer la protection de leurs malades Ľ en verder ę l'obligation d'instaurer un systŤme judiciaire efficace permettant d'ťtablir le constat d'un dťcŤs survenu ŗ l'hŰpital et ťventuellement la responsabilitť des mťdecins traitants Ľ.

    Uit artikel 2 vloeien derhalve een aantal positieve verplichtingen voor de overheid voort, die trouwens door alle westerse samenlevingen worden erkend.

    Kan men in dit kader nu verklaren dat iedereen weliswaar de bescherming van de wet heeft, maar van deze bescherming kan afzien ? Het antwoord hierop is onmiskenbaar negatief. De rechtsliteratuur laat er immers geen enkele twijfel over bestaan dat deze bepalingen van openbare orde zijn.

    Wat dit concreet betekent blijkt onder meer uit de rechtspraak over artikel 6 van het verdrag, dat iedereen een onafhankelijke en onpartijdige rechtbank bij de beslechting van geschillen garandeert. Bepalingen in een overeenkomst waarin van dit recht afstand wordt gedaan, worden stelselmatig als nietig beschouwd.

    Zo ook kan de toestemming van de patiŽnt of zijn vraag om zijn leven te beŽindigen nooit een voldoende rechtvaardigingsgrond zijn om van de bescherming die artikel 2 van het verdrag garandeert, af te zien.

    De reden waarom de auteurs van het verdrag voor dit concept hebben gekozen, hangt in belangrijke mate samen met de tijd waarin de tekst tot stand is gekomen. Na de ervaring van de Tweede Wereldoorlog achtte men het noodzakelijk dat internationale rechtenverklaringen een borg dienen te zijn tegen willekeurig optreden ten aanzien van de burger. Men heeft duidelijk willen maken dat de mens geen eiland is.

    In ę Les mandarins Ľ confronteert Simonne de Beauvoir een persoon die zelfmoord wil plegen en bedenkt dat zij haar eigen leven in handen heeft, met haar dochter. Na deze confrontatie komt zij evenwel tot het besluit dat zij haar eigen dood wel in de hand heeft, ę mais ce sont les autres qui la vivent Ľ.

    Artikel 2 is de uiting van de gedachte dat het recht op leven geen eigendomsrecht is. Het is de wet die in alle omstandigheden het leven met beschermen.

    Belangrijk in dit verband is nog de beslissing van 4 oktober 1989, waarbij de Commissie oordeelde over de vraag van een persoon die tot levenslange hechtenis veroordeeld was, dat hem door de gevangenisautoriteiten de nodige middelen ter beschikking zouden worden gesteld om zijn leven te beŽindigen. De betrokkene bevond zich in een psychische noodsituatie : hij kon zijn straf niet langer dragen. De Commissie oordeelde klaar en duidelijk dat dit niet kon aanvaard worden aangezien een dergelijke handelwijze in strijd zou zijn met artikel 2 van het verdrag, dat de Staten de verplichting oplegt het leven te beschermen.

    Hiermee is het debat evenwel niet beŽindigd. Het recht moet rekening houden met de maatschappelijke realiteit en een oplossing trachten te bieden voor de moeilijkheden die zich in de samenleving voordoen.

    Spreker gaat daarom in op de vraag inzake mogelijke conflicten tussen de verplichtingen opgelegd in artikel 2, en andere rechten die aan het individu worden toegekend.

    Zo zou het uitvoeren van zinloze medische handelingen in strijd kunnen zijn met artikel 3 van het verdrag : ę Niemand mag worden onderworpen aan folteringen noch aan onmenselijke of vernederende behandelingen of straffen. Ľ

    Het is hierbij belangrijk dat verschillende zaken niet door elkaar worden gehaald. Zo moet een onderscheid worden gemaakt tussen de weigering om zinloze en zware therapeutische behandelingen te ondergaan enerzijds en de vraag om euthanasie anderzijds. Met name in artikel 4 van het wetsvoorstel nr. 2-244 worden dergelijke situaties met elkaar vermengd.

    De vraag hierbij is waar de grens ligt tussen medisch zinloos en medisch zinvol handelen. Moet meer in het bijzonder de mogelijkheid van het toedienen palliatieve zorg in een crisissituatie tot het besluit leiden dat euthanasie niet het enige middel is om deze crisissituatie het hoofd te bieden ? Is, met andere woorden, de beschikbaarheid van palliatieve zorg een alternatief voor euthanasie om uit de crisissituatie te komen ?

    De spreker verwijst naar het boek ę Le grand secret Ľ dat werd geschreven door dokter Gubler, de arts van president Mitterrand, en waarin de ziektegeschiedenis van de president, die sinds 1981 aan kanker leed, wordt beschreven. In dit boek verklaart de auteur dat het niet mogelijk is met zekerheid te stellen of een concrete terminale situatie beantwoordt aan het zinloos lijden dat een patiŽnt in abstracto in zijn testament heeft willen vermijden. Men mag niet uitsluiten dat het vermogen van de patiŽnt om het levenseinde zinvol te beleven toeneemt op het ogenblik dat hij in concreto met de terminale fase van zijn leven wordt geconfronteerd.

    In verband met de palliatieve zorg die de president in het laatste anderhalve jaar van zijn leven ondergaan heeft, schrijft de auteur :

    ę Si d'un cotť tout le monde refuse la souffrance et la dťchťance, de l'autre tout le monde veut continuer ŗ vivre. MÍme chez les Ítres les plus lucides, les plus forts mentalement, au fur et ŗ mesure que l'heure approche on voit se nuancer la revendication d'une mort digne. Ce que l'on croyait Ítre une vťritť ŗ un moment de sa vie ne l'est plus face ŗ la maladie. FranÁois Mitterrand a suivi le mÍme chemin. Si en 1981, on lui avait appris qu'on se livrerait ŗ un tel acte sur lui (cf. verzorging en begeleiding) il aurait hurlť que jamais il ne l'autoriserait. Pourtant depuis il l'a acceptť. Peu d'hommes lucides savent refuser une proposition palliative qui leur permet de vivre correctement. Ľ

    Dit citaat toont de complexiteit van de situatie waarin de ongeneeslijke patiŽnt zich bevindt en de mogelijkheden die de geneeskunde biedt om te verhinderen dat de patiŽnt in een mensonwaardige toestand terecht komt.

    Tegelijk toont het aan dat, wanneer een patiŽnt in een onmenselijke en vernederende situatie terecht komt, men wordt geconfronteerd met een conflict van grondrechten, omschreven in de artikelen 1 en 2 van het Europees Verdrag over de rechten van de mens.

    Niemand kan de Staat aansprakelijk achten voor al het lijden in de samenleving. Wanneer echter een arts die het leven beŽindigt van een patiŽnt die hierom vraagt en op geen enkele andere wijze van zijn ondraaglijk lijden kan worden verlost, strafrechtelijk wordt vervolgd voor moord of doodslag, zou men kunnen stellen dat een dergelijke interpretatie van de strafwet strijdig is met artikel 3 van het Europees Verdrag over de rechten van de mens.

    Essentieel hierbij is dat de betrokken arts geen enkel andere mogelijkheid, bijvoorbeeld palliatieve zorg, heeft om het ondraaglijk lijden van de patiŽnt te verzachten. Artikel 3 van het Europees Verdrag moet immers altijd samen worden gelezen met artikel 2. Er moet een duidelijke conflictsituatie zijn tussen de beide artikelen. Zij vormen geen alternatieven waaruit kan worden gekozen.

    Spreker concludeert uit het voorgaande dat het wetsvoorstel nr. 2-244/1 strijdig is met het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens omdat het :

    ≠ veel te algemeen is geformuleerd;

    ≠ ten aanzien van de patiŽnt de bescherming van de wet bij het einde van het leven ontneemt;

    ≠ niemand kan worden gedwongen onmenselijke behandelingen te ondergaan, maar de onmenselijkheid van de behandeling slechts als een grond voor levensbeŽindiging kan worden ingeroepen indien er geen enkel alternatief voorhanden is; indien er met andere woorden een manifest conflict is tussen de artikelen 2 en 3 van het verdrag.

    Dit laatste impliceert dat een oplossing van deze problematiek slechts mogelijk is door een beroep te doen op de noodtoestand.

    Vervolgens wenst het lid in te gaan op een onderwerp dat reeds door verschillende andere sprekers is aangeraakt, namelijk de noodzaak van een regeling die de nodige rechtszekerheid biedt.

    Het spreekt voor zich dat de rechtszekerheid van een totaal andere orde is dan het zekerheidsbegrip in de positieve wetenschappen.

    Het bieden van rechtszekerheid houdt in dat de rechtsonderhorige in vertrouwen zijn gedrag moet kunnen richten op de rechtsregel. Dit veronderstelt in de eerste plaats dat met heldere concepten wordt gewerkt. Het moet mogelijk zijn om bij redelijke analyse van de teksten, te voorspellen wat de juridische gevolgen zullen zijn van de handelingen die men stelt. Vage begripsomschrijvingen zoals die voorkomen in het voorstel nr. 2-244/1, zijn daarom niet verzoenbaar met de rechtszekerheid.

    Bij de beoordeling van medische handelingen kan de rechtszekerheid meestal pas na de handeling tot stand worden gebracht. Wie er de jurisprudentie over deze materie op naslaat, stelt vast dat de rechtbanken steeds meer overgaan tot de toetsing van medische handelingen achteraf. Dit heeft tot gevolg dat artsen soms voor grote verrassingen komen te staan.

    Wanneer men tot een regulering (niet legalisering) van euthanasie wenst over te gaan, moet deze aan de artsen voldoende rechtszekerheid moet bieden. Dit is alleen mogelijk door formules met betrekking tot een a priori toetsing uit te werken, zodat het volgen van welbepaalde parameters de geneesheer er in redelijkheid van verzekert dat hij binnen de grenzen van het toelaatbare heeft gehandeld.

    Men kan met andere woorden de arts geen rechtszekerheid ę in abstracto Ľ bieden. Rechtszekerheid kan alleen worden gegarandeerd door in concreto voldoende waarborgen in te bouwen. Deze waarborgen moeten er niet alleen zijn om de patiŽnt te beschermen tegen willekeur, maar ook voor de geneesheer die anders altijd geremd zal zijn in zijn handelen omdat hij niet weet waaraan zich te houden.

    Het argument dat rechtszekerheid wordt geboden door euthanasie uit het strafrecht te halen gaat derhalve niet op. De rechtszekerheid voor de patiŽnt wordt er integendeel door ondermijnd omdat die onvoldoende rechtsbescherming heeft. De arts van zijn kant heeft onvoldoende referentiepunten om er redelijkerwijze van uit te kunnen gaan dat zijn medisch handelen achteraf niet wordt gesanctioneerd.

    Spreker gaat hierna in op een essentieel aspect van het wetsvoorstel dat hij, samen met een aantal andere leden van de zijn fractie heeft ingediend. Euthanasie dient in de optiek van dit wetsvoorstel te worden gereguleerd via de techniek van de noodtoestand en kan derhalve niet uit het strafrecht worden gehaald. Dit is geen louter symbolische aangelegenheid.

    In zijn tussenkomst steunde een lid op het cassatiearrest van 13 mei 1987 om te verklaren dat het begrip ę noodtoestand Ľ geen ę afgezwakte Ľ versie is van artikel 71 van het Strafwetboek, maar een breder algemeen beginsel. Wie er de rechtspraak op naslaat zal evenwel vaststellen dat de noodtoestand sinds 1987 in meerdere arresten van het Hof van Cassatie als een toepassing van voormelde artikel 71 is gehanteerd.

    De definitie die het Hof van Cassatie al zeer lang hanteert is voldoende gekend, namelijk dat de noodtoestand een rechtvaardigingsgrond uitmaakt als er verschillende voorwaarden vervuld zijn, te weten dat de waarde van hetgeen wordt prijs gegeven lager moet zijn dan of althans gelijk moet zijn aan de waarde van het goed dat men wil vrijwaren, dat het te vrijwaren recht of belang een dadelijk en ernstig gevaar moet lopen, dat het kwaad alleen door het misdrijf kan worden voorkomen en dat de betrokkene de aangenomen noodtoestand niet zelf heeft doen ontstaan.

    Deze definitie wordt gehanteerd in onder meer de cassatiearresten van 28 april 1999, 26 juni 1996, 5 april 1996 en 10 januari 1995. In dit laatste arrest heeft het Hof de schending van artikel 71 als een middel van openbare orde ambtshalve ingeroepen. Er kan derhalve geen twijfel over bestaan dat de noodtoestand in ons recht erkend is en dat hij voortvloeit uit artikel 71 van het Strafwetboek.

    Zoals ook in het wetsvoorstel nr. 2-160/1 is gepreciseerd, impliceert de noodtoestand een conflict van rechten waarbij het ene van een lagere waarde is dan het andere of, bij gelijkwaardigheid, het behoud van de ene waarde het verlies van de andere impliceert.

    Het wetsvoorstel erkent dat bij het einde van het leven de arts voor de cruciale keuze kan worden geplaatst tussen enerzijds de patiŽnt hulp en bijstand te verlenen en hem maximaal een menswaardig bestaan te verzekeren en anderzijds het behoud van het menselijk leven. Indien men eerlijk is, kan niet worden volgehouden dat deze situatie niet beantwoordt aan het juridische begrip van noodtoestand zoals dat door het Hof van Cassatie is gedefinieerd.

    Spreker merkt op dat er buiten de juridische wereld veel onduidelijkheid bestaat over het begrip noodtoestand omdat het vaak verward wordt met de individuele noodsituatie. Dit zijn echter twee totaal verschillende zaken. Waar de juridische noodtoestand een geobjectiveerd begrip is, steunt de individuele noodsituatie vooral op een subjectief aanvoelen.

    Fundamenteel ten aanzien van het euthanasievraagstuk is dat de noodtoestand slechts kan worden ingeroepen indien er geen alternatief is. Dit is ook de redenering in het arrest van de Nederlandse Hoge Raad van 21 juni 1994, waar uitspraak werd gedaan over de vraag of euthanasie kon worden toegepast op een psychiatrische patiŽnt. De Hoge Raad oordeelde dat men zich niet op een noodtoestand kan beroepen indien er een reŽel alternatief is om het lijden te verzachten dat echter door de patiŽnt in volle vrijheid wordt afgewezen.

    Spreker merkt op dat het bovenstaande meteen duidelijk maakt waarom het wetsvoorstel nr. 2-160/1 een dermate groot belang hecht aan palliatieve zorgverlening. Het is een signaal dat er in de grote meerderheid van de gevallen wel degelijk alternatieven zijn voor levensbeŽindiging. In die gevallen kan er geen sprake zijn van een noodtoestand die euthanasie rechtvaardigt.

    In tegenstelling tot wat sommigen beweren, bestaan er tussen de beide oplossingen, depenalisering of een beroep op de noodtoestand, grondige juridische verschillen die niet als van louter symbolische aard kunnen worden afgedaan.

    Deze zienswijze wordt in belangrijke mate bepaald door de functies die het strafrecht in de samenleving heeft.

    Door een bepaalde handelwijze strafrechtelijk te beteugelen wordt er extra nadruk op gelegd. Men zegt iets over deze handelwijze op een wijze die sterker is dan een gewone mededeling of uiteenzetting.

    Het doel van het strafrecht kan niet louter instrumenteel zijn. Het heeft verschillende functies waarvan het vermijden van schade en delicten er maar ťťn is. Wanneer een strafbepaling niet tevens een waarde-oordeel zou kunnen inhouden, dan wordt zij, enigszins overtrokken, een soort accijns. Diefstal of doodslag zouden aanvaardbaar worden geacht indien men bereid is de prijs hiervoor, in de vorm van gevangenisstraf, te betalen.

    Wanneer de samenleving een bepaalde handeling in het strafrecht opneemt, spreekt zij hierover tegelijk een oordeel uit. In de context van dit debat betekent dit dat een principieel verbod op euthanasie in het strafrecht tegelijk een signaal is dat het hier geen normale medische handeling betreft. Omgekeerd zou een depenalisering van euthanasie een signaal zijn dat het hier om een gewone medische handeling gaat, en dit zou het patroon van de verwachtingen rondom het sterfbed ingrijpend kunnen veranderen.

    De Nederlandse auteur Switters zegt hierover het volgende : ę Wat eens verboden was, wordt een keuzemogelijkheid en wat een keuzemogelijkheid is, wordt ontvankelijk voor de druk die in sociale afhankelijkheden en psychische onmacht besloten ligt. Juist een cultuur als de westerse, waarin mensen een allesbehalve gemakkelijke relatie met de dood hebben, is daarvoor kwetsbaar. Velen lijken een strafrechtelijk verbod te prefereren in de overtuiging een heilige grens te moeten respecteren : euthanasie mag niet als een handelingsmogelijkheid in het dagelijkse spraakgebruik worden opgenomen, hooguit gemaskeerd door andere definities bij uitzondering worden toegelaten Ľ.

    Als men dit uitgangspunt aanvaardt, is het begrip ę noodtoestand Ľ de meest voor de hand liggende oplossing is om in welbepaalde omstandigheden een antwoord te bieden op de vraag van de patiŽnt zijn leven te beŽindigen.

    Sommigen zijn van oordeel dat het feit dat het inroepen van de noodtoestand aan een aantal wettelijke voorwaarden wordt gekoppeld, precies de ontkenning inhoudt dat het om een noodtoestand gaat. De artsen verklaren van hun kant dat zij ook nu, binnen de algemene medische deontologie, een beroep kunnen doen op de noodtoestand.

    Een dergelijke verklaring kan echter niet volstaan. Er moet een kader worden gecreŽerd om enerzijds de besluitvorming transparant te maken en de patiŽntenrechten te verzekeren en anderzijds de arts de nodige rechtszekerheid te bieden. De concretisering van de voorwaarden waaronder een noodtoestand kan worden ingeroepen, heeft derhalve niets vandoen met een ontkenning van het feit dat er een noodtoestand is, maar strekt er uitsluitend toe dat de beslissingen worden genomen binnen een kader dat zowel voor de patiŽnt als voor de arts de vereiste garanties biedt.

    Het lid meent dat dit de achtergrond is waartegen het derde voorstel van het Raadgevend Comitť voor bio-ethiek moet worden geplaatst. Een overleg a priori dient niet om de patiŽnt te betuttelen maar is noodzakelijk ter ondersteuning van de besluitvorming en om de rechtszekerheid van de verschillende betrokkenen te garanderen. De keuze voor de term ę overleg Ľ in plaats van ę controle Ľ is hier een welbewuste keuze omdat aan dit laatste begrip een positieve invulling dient te worden gegeven.

    Het spreekt voor zich dat in een dergelijke optie ook de controle a posteriori zeer belangrijk is. Het wetsvoorstel nr. 2-244/1, dat louter voorziet in het doorzenden van het dossier aan het parket, laat wat dit betreft sterk te wensen over. Het wetsvoorstel nr. 2-160/1 biedt terzake betere garanties aan de patiŽnt, maar ook aan de arts, onder meer door, via een gerechtsarts, een buffer in te bouwen vooraleer het dossier bij het parket terecht komt. In een dergelijk systeem is er ruimte voor overleg en zijn er mogelijkheden om tot een objectiverende besluitvorming te komen zonder meteen in de criminele sfeer te belanden.

    Hij kan aannemen dat niet alle leden van deze commissies de hiervoor uiteengezette standpunten delen. Hopelijk kunnen zij echter begrip opbrengen voor de onderliggende ideeŽn die maken dat de keuze voor een behoud van euthanasie in het strafrecht, meer is dan een louter symbolische aangelegenheid. Indien men bereid is, los van partijpolitieke overwegingen, in deze richting verder te denken is een toenadering tussen de visies in deze commissies zeker mogelijk.

    Spreker vervolgt dat er overigens, naast deze principiŽle verschillen, ook belangrijke verschillen zijn op het juridisch-technische vlak, tussen een depenalisering van euthanasie en een beroep op de noodtoestand. Deze hebben te maken met de wijze waarop de strafwet wordt geredigeerd, waarop de bewijslast wordt georganiseerd en waarop het strafrecht wordt geÔnterpreteerd.

    Indien euthanasie, met inachtname van een aantal zorgvuldigheidseisen, wordt gedepenaliseerd, bestaat er een wettelijk vermoeden dat het een rechtmatige handeling betreft. Het is dan aan de procureur des Konings om te bewijzen dat de wettelijke voorwaarden niet werden nageleefd. De strafbaarstelling wordt restrictief geÔnterpreteerd.

    Indien daarentegen een beroep wordt gedaan op de noodtoestand, blijft het principieel verbod op euthanasie in het strafrecht onaangetast. De bewijslast ligt in dit geval bij de persoon die zich op de noodtoestand beroept. Hier worden de voorwaarden voor het bestaan van de noodtoestand op een restrictieve wijze geÔnterpreteerd.

    Het lid is van oordeel dat een belangrijke tekortkoming in het wetsvoorstel nr. 2-244/1 bestaat in de fraudegevoeligheid van de euthanasieregeling die erin is uitgewerkt. Eerder heeft hij er reeds op gewezen dat een dergelijke regeling moet uitgaan van een ę worst case Ľ veronderstelling.

    De recente studie van de universiteiten van Brussel, Gent en Nijmegen, waarvan andere leden al gewag hebben gemaakt, toont aan dat de controle van medische handeling a posteriori bijzonder moeilijk is. Zo blijkt uit de rechtspraak bijvoorbeeld hoe moeilijk het is voor de patiŽnt en zijn omgeving om de aansprakelijkheid van de arts bij een operatief ingrijpen te bewijzen. Het betreft hier immers handelingen die in een zeer intieme sfeer en onder narcose worden uitgevoerd.

    De studie, voor zover bekend, bewijst aan dat het beschermen van de rechten van de patiŽnt ten aanzien van medisch handelen in de eindfase van het leven, totaal onmogelijk is indien men deze problematiek verengt tot een regeling inzake euthanasie. Bij het naderend levenseinde worden immers tal van medische beslissingen genomen die buiten de euthanasie liggen en die niet controleerbaar zijn zonder een degelijk juridisch kader. Zij worden uitgevoerd in een context die helemaal niet transparant is.

    Spreker wenst tot slot nog een aantal kritische opmerkingen van meer concrete aard te formuleren bij het wetsvoorstel nr. 2-244/1.

    ≠ Uit het voorgaande blijkt dat de redactie van het artikel 417bis van het Strafwetboek zoals voorgesteld te ruim is opgevat.

    Het feit dat euthanasie buiten de stervensfase kan worden uitgevoerd past niet in de visie die hij hierover uiteen heeft gezet.

    Voorts is de notie ę ondraaglijke nood Ľ te vaag om precies in te schatten welke de situaties zijn die hieronder kunnen ressorteren. In deze notie zou euthanasie kunnen worden toegepast bij zieken die nog vele jaren kunnen leven. Men kan zich zeer de vraag stellen of er voor een dergelijke regeling een maatschappelijk draagvlak is.

    ≠ Er zijn duidelijke discrepanties tussen de artikelen 3 (dat euthanasie regelt voor patiŽnten bij bewustzijn) en 4 (over de wilsverklaring) van het wetsvoorstel. Met name de inhoudelijke voorwaarden voor de toepassing van deze artikelen zijn niet gelijklopend. Tegelijk blijven tal van vragen onbeantwoord in verband met de afdwingbaarheid van de wilsverklaring en het appreciatierecht dat de arts in dit verband heeft.

    ≠ Het feit dat de palliatieve zorgverlening wettelijk wordt verankerd is op zich een positieve zaak. Het verdient echter de voorkeur dat deze vorm van hulpverlening zou worden ingepast in een bredere wettelijke regeling die het recht van de patiŽnt op waardig sterven verzekert. De werkwijze die hier gevolgd werd geeft een verkeerd signaal door te suggereren dat euthanasie en palliatieve zorgverlening alternatieve behandelingen zijn tussen welke de patiŽnt een keuze kan doen. Zoals reeds eerder uiteengezet kan in zijn visie de mogelijkheid van euthanasie slechts in subsidiaire orde worden overwogen indien palliatieve zorg geen antwoord kan bieden voor de problemen van de patiŽnt.

    ≠ De evaluatiecommissie zoals omschreven in het wetsvoorstel nr. 2-245 is volstrekt onvoldoende om een redelijke controle op een euthanasieregeling mogelijk te maken. Het louter inlichten van de procureur des Konings (waarop dan nog geen sanctie staat) kan niet volstaan om tot een controlemechanisme te komen dat de patiŽnt en de arts rechtszekerheid biedt.

    Het lid besluit dat hij, in tegenstelling tot wat sommige andere leden blijkbaar wensen, niet ziet waarom zijn fractie in de huidige stand van het debat amendementen zou moeten indienen op het wetsvoorstel nr. 2-244/1. Zij heeft immers zelf een voorstel ingediend dat een duidelijke vertaling is van de standpunten die hiervoor uiteen werden gezet.

    Naast deze wetsvoorstellen liggen er overigens nog een aantal andere teksten te bespreking voor. Eenmaal de hoorzittingen achter de rug zijn, zal moeten blijken welke richting de commissies bij hun verdere besprekingen willen volgen, welke principiŽle opties zij als uitgangspunt wensen te nemen en in het licht hiervan kunnen zij de tekst kiezen die hiertoe het meest adequaat is. Een andere mogelijkheid zou erin kunnen bestaan dat de commissies op basis van de besprekingen trachten tot een geheel nieuwe tekst te komen.

    Het is echter voorbarig hierover nu reeds uitspraken te doen. Diegenen die nu reeds beweren te weten welk van deze voorstellen uiteindelijk als basis voor een regeling zal gelden, lopen dan ook al te zeer op de feiten vooruit.

    Een senator wenst drie opmerkingen te maken bij de voorgaande tussenkomsten.

    Hij stelt vast dat in het wetsvoorstel nr. 2-244/1, het principieel verbod op euthanasie in het Strafwetboek niet wordt gehandhaafd. In het wetsvoorstel dat momenteel in Nederland wordt besproken is dit wel het geval : het doden op verzoek van een patiŽnt wordt omschreven als een strafbaar feit met daaraan gekoppeld een strafmaat. Tegelijk echter wordt bepaald dat er geen strafbaarstelling is indien een aantal voorwaarden vervuld zijn wanneer een leven wordt beŽindigd.

    Indien men deze weg zou volgen, wordt het verschil met een regeling op basis van de noodtoestand zoals die door de een vorige spreker is voorgesteld toch bijzonder klein. Het principiŽle verbod op euthanasie in het strafrecht blijft immers onaangetast.

    Tijdens dit debat is al bij herhaling verwezen naar het recente ≠ niet gepubliceerde ≠ onderzoek over het medisch handelen bij het einde van het leven. Als arts kan hij evenwel getuigen dat ten aanzien van chronische patiŽnten die ten gevolge van hun ziekte overlijden, er altijd een medische ingreep is geweest die het sterven al dan niet heeft versneld. Ook dit is een aangelegenheid die moet worden geregeld. De aangewezen plaats hiervoor lijkt een wetgeving op de patiŽntenrechten waar momenteel ook aan wordt gewerkt.

    Hij stelt ten slotte vast dat palliatieve zorgverlening soms tegenover euthanasie wordt geplaatst alsof het hier om twee alternatieven gaat waartussen de patiŽnt kan kiezen. De werkelijkheid is echter veel complexer. Palliatieve hulp is een continuŁm van medische handelingen en geen afzonderlijke zorgpakketje waarvoor men kan kiezen. Het toedienen van cytostatica bijvoorbeeld, is in sommige gevallen een curatieve behandeling, maar in vele andere een vorm van palliatieve zorgverlening. Hetzelfde kan worden gezegd wat het toedienen van radiotherapie betreft.

    Men moet er zich derhalve voor hoeden palliatie als een geÔsoleerd pakketje medische handelingen te beschouwen, omdat het hierdoor naast euthanasie zou kunnen worden geplaatst als twee alternatieve behandelingen waaruit de patiŽnt kan kiezen.

    Een lid merkt op dat het probleem van de gevoeligheid van de wet voor fraude door een andere spreker werd aangehaald.

    Die heeft met name verwezen naar de studie die aantoont hoe moeilijk de controle op medische handelingen op dit ogenblik is.

    Dat is juist de reden waarom de zes indieners hun voorstel hebben ingediend.

    Dokter Wynen heeft dezelfde vaststelling gedaan in een interview dat sommigen hebben opgeschroefd.

    Een lezer schreef in de lezersrubriek van ę Le Soir Ľ : ę Wanneer een wet bestaat, is het de plicht van de burger ze na te leven en van de wetgever om ze te doen toepassen. Indien rechtsvervolging zo goed als onbestaande is, betekent dit dat de betrokken wet niet meer gepast is en dus moet worden herzien. Als dat niet gebeurt, brengt de wettelijke laksheid de burger in een moeilijk positie en vormt ze door die dubbelzinnigheid een hindernis voor de gezonde democratische praktijk. Ľ

    Die redenering lijkt volkomen logisch. Wanneer een wet bestaat, eerbiedigt men ze; indien men ze niet eerbiedigt, moet men ze aanpassen.

    Het is merkwaardig te stellen dat het voorstel, wanneer het wet is geworden, de situatie erger zou maken, terwijl vandaag euthanasie wordt toegepast en niet wordt vervolgd. Sommigen hebben het zelfs over een groter aantal gevallen dan in de tot nu toe voorgestelde studies wordt aangehaald.

    Hoewel men spreekt over de wil om tot een akkoord te komen, stelt de spreker vast dat er nog altijd een diepe kloof bestaat tussen de voorgelegde theses.

    Het betoog van een lid over de essentiŽle elementen van het voorstel is terzake illustratief. Zo heeft de fractie van die spreker wat de verhouding van palliatieve zorg tot euthanasie betreft, duidelijk verklaard dat pas nadat alles werd gedaan inzake palliatieve zorg, in bepaalde omstandigheden eventueel euthanasie kan worden toegepast.

    Vanaf het begin moet met de patiŽnt de palliatieve opvang onder ogen worden genomen. Het is dus een verplichte etappe alvorens eventueel in extreme gevallen en in een noodtoestand een vraag om euthanasie kan worden aanvaard. Daar ligt een fundamenteel verschil met het voorstel van de zes indieners.

    Een ander essentieel verschil betreft het punt of het Strafwetboek al dan niet moet worden gewijzigd.

    Ten slotte is ook de dialoog tussen patiŽnt en arts een essentieel verschilpunt. De enen breiden dit begrip aanmerkelijk uit tot een ę vermaatschappelijking Ľ van de vraag van de patiŽnt (overleg met het verplegend team, ethische evaluatie van de toestand van de patiŽnt, advies van het lokaal ethisch comitť), terwijl anderen voorrang geven aan de vrije keuze van de patiŽnt over zijn leven en zijn dood.

    De spreker wenst ook enkele beschouwingen te geven over de opmerkingen die werden geformuleerd over het Europees Verdrag van de rechten van de mens en de vraag of euthanasie niet wordt veroordeeld door artikel 2 van dat verdrag.

    Dit artikel bepaalt dat het recht op leven van iedere persoon door de wet wordt beschermd en dat de dood niet op intentionele wijze mag worden toegebracht, behalve in uitvoering van de doodstraf die door een rechtbank werd uitgesproken in het geval dat het misdrijf door de wet met die straf wordt bestraft.

    Daarnaast wordt de dood niet geacht te zijn toegebracht in strijd met dat artikel in de gevallen dat ze voortvloeit uit een toevlucht tot geweld dat absoluut noodzakelijk was :

    a) ter verdediging van wie dan ook tegen onrechtmatig geweld;

    b) ten einde een rechtmatige arrestatie te verrichten of het ontsnappen van iemand die op rechtmatige wijze gevangen wordt gehouden, te voorkomen;

    c) ten einde, door middel van wettige maatregelen, een oproer of opstand te onderdrukken.

    De vraag rijst in hoeverre het wetsvoorstel van de zes indieners teniet zou worden gedaan door de bepalingen van artikel 2 van het EVRM.

    Er moet eerst en vooral worden opgemerkt dat, in het positief recht, de controleorganen van het verdrag tot nu toe zeer voorzichtig zijn geweest wanneer het erom gaat de verenigbaarheid van de bepalingen van dit artikel met bepaalde situaties met betrekking tot de individuele vrijheid te onderzoeken.

    Vanaf 1980 heeft de Commissie, naar aanleiding van een abortusprobleem, zich gebogen over de vraag of artikel 2 van het EVRM zo moest worden geÔnterpreteerd dat het geen betrekking heeft op de foetus, of dat de foetus integendeel een recht op leven moest worden toegekend, weliswaar binnen bepaalde impliciete grenzen, of nog of de foetus een absoluut recht op leven moest krijgen.

    De Commissie heeft onmiddellijk de derde hypothese, die de therapeutische abortus onmogelijk zou maken, verworpen, maar heeft de twee andere niet onderzocht, omdat ze van oordeel was dat de betrokken abortus een therapeutisch karakter had en er dus geen inbreuk op het EVRM was.

    Het Hof heeft zich dus niet uitgesproken over een probleem van individuele vrijheid dat het was voorgelegd.

    Volgens de informatie van de spreker bestaat er geen andere beslissing dienaangaande tot 1999.

    Volgens een reeks gerechtelijke uitspraken op nationaal vlak, zoals die van de Franse ę Conseil constitutionnel Ľ, vormt de vrijwillige zwangerschapsonderbreking geen inbreuk op het respect voor het menselijk leven vanaf de conceptie, zoals erkend door de wetten van de Republiek en is ze dus niet strijdig met het EVRM.

    Wanneer deze voorzichtigheid bestaat ten aanzien van het begin van het leven, bestaat die dan ook ten aanzien van het einde van het leven ?

    De spreker meent van wel.

    In een erg geleerde artikelsgewijze commentaar op het EVRM, schreef een auteur dat, om te bepalen welke personen volgens artikel 2 recht op leven hebben, het past zich niet enkel af te vragen wanneer het leven begint, maar ook wanneer het eindigt.

    Een dergelijk onderzoek, aldus de commentator, kan leiden naar het brede probleem van de euthanasie en de vraag naar het bestaan van een recht op sterven en het verband met het recht op leven.

    Die vragen, zegt de auteur, werden in de rechtsleer onderzocht. Ze gaven aanleiding tot gerechtelijke uitspraken op nationaal vlak, maar noch de Commissie, noch het Hof hebben daarover de knoop moeten doorhakken.

    Het door een vorige spreker aangehaalde geval lijkt in dit opzicht volledig irrelevant.

    Het betreft een beslissing van de Commissie op 4 oktober 1989, in verkorte procedure, na verzoekschrift.

    De Commissie deed uitspraak over een geval van zelfdoding zonder dat er van een ernstige ziekte sprake was.

    Ze oordeelde dat ę de weigering van de gevangenisdirectie om een tot levenslang veroordeelde gedetineerde middelen ter beschikking te stellen waarmee hij zich kan doden, geenszins in strijd zou worden geacht met de overeenkomst, vermits deze de aangesloten Staten ertoe verplicht maatregelen te nemen om het leven te beschermen Ľ.

    Uit deze beslissing, die in verkorte procedure werd genomen, leiden sommigen af dat euthanasie verboden zou zijn.

    Niemand heeft echter ooit beweerd dat een arts die dodende middelen toedient aan een persoon die op een bepaald ogenblik om de een of andere reden depressief is, euthanasie pleegt.

    Dat zou uiteraard moord zijn, of het weigeren van bijstand aan een persoon in nood.

    De hoger genoemde jurisprudentiŽle uitspraak betreft geen geval van euthanasie : het gaat niet om een ongeneeslijke ziekte, noch om een toestand van ondraaglijk lijden of nood.

    Het zou ten hoogste kunnen gaan om een geval van hulp bij zelfdoding, maar dan van een heel andere aard dan bij ongeneeslijk zieken die een beroep doen op een arts om er een einde aan te maken.

    Er zou daarentegen wel worden verwezen naar uitspraken van nationale rechtbanken, zoals die van Bremen, die in oktober 1959 oordeelde dat het verstrekken van dodende middelen aan een zieke die zeker zal sterven, geen aanslag betekent op het recht op leven.

    Ook in Nederland vinden we vergelijkbare uitspraken.

    Voornoemd auteur wees er verder op dat rechten zoals het recht op voortplanting of op zelfdoding, niet door artikel 2 van de wet worden bedoeld.

    Er dient voorts te worden herinnerd aan de redenen waarom de artikelen in kwestie zowel in het EVRM als in andere teksten werden opgenomen.

    De controleorganismen zijn terecht zo voorzichtig omdat de mensenrechten historisch zijn gegroeid om de vrijheid van het individu te beschermen tegen de Staten, en niet om te beletten dat deze vrijheid wordt uitgeoefend of om ze te beperken.

    Dat geldt zowel voor het EVRM als voor het Internationaal Verdrag over de burgerlijke en politieke rechten van 1966 en, in het algemeen, voor alle internationale teksten.

    Het zijn de Staten die de daadwerkelijke uitoefening van de economische, sociale, culturele en burgerlijke rechten moeten stimuleren en bevorderen.

    Verschillende auteurs hebben daarover sinds 1975 gepubliceerd.

    In 1998 stelde Yves Madiot, professor aan de rechtsfaculteit van Poitiers, in een artikel ę Beschouwingen over de rechten en plichten van de mens Ľ, vast dat de Staat ę ... zoals nooit tevoren vanuit verschillende hoeken, zowel van rechts als van links, wordt belaagd; minder Staat wordt synoniem van meer vrijheid. De deregulering neemt steeds toe. Zulk een beleid zal het individualisme versterken en de rechten van het individu benadrukken ten nadele van zijn plichten (...) Terzelfder tijd versterkt de rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens deze individualistische opvatting in Europa nog (...). Ľ

    In een artikel ę Onderzoek naar de grondbeginselen van het recht van de mens op ontwikkeling aan de hand van het voorbeeld van het Europees verdrag van Straatsburg Ľ, onderstreept Michel Lťvinet van de universiteit van Montpellier dat men in het verdrag geen rechten moet zoeken die er niet in staan.

    Deze auteur stipt aan dat het Hof van Straatsburg niet als opdracht heeft het Europees Verdrag voor de rechten van de mens te herschrijven en er rechten in te vinden die er niet in staan.

    Het is juist dat het verdrag dynamisch wordt uitgelegd, maar het Hof kan er door een evolutieve interpretatie geen rechten uithalen die er niet vanaf het begin in waren opgenomen (zie het arrest Johnson en anderen tegen Ierland van 18 december 1986).

    Er zouden meer vragen kunnen rijzen over het principe van de menselijke waardigheid, dat aan de basis ligt van alle internationale overeenkomsten sinds de Universele Verklaring van de rechten van de mens van 1948 en dat ook bevestigd werd in het nieuwe artikel 23 van onze Grondwet, volgens hetwelk ę ieder het recht heeft een menswaardig leven te leiden Ľ.

    De vraag rijst of dit recht op een menswaardig leven niet in tegenspraak is met het recht dat een Staat opeist om wetgeving te beletten die toestaat een privť-persoon die erom vraagt, te laten sterven.

    Er dient te worden erkend dat het om een hoger principe gaat dat aan de basis ligt van alle interne rechtsstelsels.

    Het concept van de waardigheid is nauw verbonden met de menselijke persoon. Het gaat om een essentieel principe (Bťatrice Morer, ę Essai de dťfinition thťologique et philosophique Ľ).

    In dit verband kan men ook naar andere auteurs, zoals Kant en Thomas van Aquino verwijzen.

    De concepten van ę waardigheid Ľ en ę vrijheid Ľ zijn natuurlijk niet helemaal autonoom, vermits men rekening moet houden met de sociale solidariteit en met het feit dat de vrijheid van de enen de vrijheid van de anderen moet respecteren.

    Dat geldt echter maar in zover de waardigheid niet ingeroepen wordt als een recht, maar als een principe, dat de Staat tot positieve actie dwingt. Dat is het geval voor alle eisen op basis van het vrijheidsprincipe waarin de toepassing wordt gevraagd van economische en sociale rechten (recht op huisvesting, op een behoorlijk bestaan, ...)

    Waardigheid is ook geen absoluut begrip, vermits het op het maatschappelijk vlak in aanvaring kan komen met de notie ę openbare orde Ľ. De Franse Constitutionele Raad kwam tot die vaststelling naar aanleiding van de wet van 1994 over de problemen inzake eerbied voor het menselijk lichaam, en de afstand en het gebruik van delen of producten ervan, evenals van de hulp bij voortplanting.

    De Constitutionele Raad oordeelde dat de bescherming van de menselijke waardigheid tegen elke vorm van onderwerping en ontering een principe met grondwettelijke kracht was.

    De raad is dus in zekere zin ingegaan tegen de absolute persoonlijke vrijheid, door toe te staan dat de Staat de persoon kan verbieden met zijn lichaam te doen wat hij wil.

    In deze context moet de individuele vrijheid natuurlijk minder absoluut worden geÔnterpreteerd dan in andere domeinen.

    In dit debat gaat het echter niet om dat probleem, maar om de vraag of onder extreme voorwaarden, in het geval van ondraaglijk lijden en ongeneeslijke ziekte, een mens al dan niet de vrijheid heeft zijn eigen levensomstandigheden en levenseinde te bepalen op grond van een hoger principe, namelijk dat van de waardigheid.

    Dit heeft niets te maken met maatschappelijke onrust, die het gevolg zou zijn van een al te grote vrijheid; anders zou de menselijke waardigheid slechts een relatieve waarde hebben en zou dit principe maar bestaan in zover de maatschappij het aanvaardt. Zoals gezegd, zou dit indruisen tegen alle plechtige principeverklaringen in alle internationale en Europese verdragen.

    De controleorganen van het Europees Verdrag voor de bio-ethiek hebben bijvoorbeeld nooit ontkend dat rekening kan worden gehouden met de mens.

    Dit Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de menselijke waardigheid bepaalt in artikel 9 dat met de wensen van een patiŽnt over een medische behandeling rekening moet worden gehouden, als hij op het ogenblik van de behandeling niet bij machte is zijn wil uit te drukken.

    Volgens artikel 1 moet men rekening houden met de elementen van de menselijke waardigheid.

    Dat alles toont aan dat dit laatste principe wordt vertaald in een aantal elementen die maken dat de Staat niemand de uitoefening van zijn vrijheid mag verbieden, maar er integendeel moet voor zorgen dat de mens zijn autonomie zo vrij en volledig mogelijk tot uiting kan brengen.

    De conclusies die men, op grond van artikel 2 van het EVRM, over het voorstel van de zes heeft getrokken, lijken dus niet gegrond.

    Spreker verwijst ten slotte naar artikel 3 van het EVRM dat onmenselijke en onterende straffen en behandelingen verbiedt. Aan de hand hiervan kunnen onder meer de criteria van de gewichtigheid en van de relatieve beoordeling worden geanalyseerd.

    Alle auteurs stellen vast dat de specifieke elementen van artikel 3 gezien moeten worden in het licht van de huidige toestand en dat bij een beoordeling altijd het algemeen belang in een proportionele verhouding tegenover het belang van het individu moet worden afgewogen.

    Bijna alle gevallen waarop artikel 3 van toepassing is, hebben betrekking op foltering of gevangenhouding. Slechts ťťn geval zou voor het huidige debat interessant kunnen zijn.

    Volgens een beslissing van 2 maart 1983 zou het principe van de experimentele medische behandeling als vernederend of onmenselijk kunnen worden omschreven in twee omstandigheden, die er in onderhavig geval niet waren : de behandeling moet worden toegepast zonder de toestemming van de patiŽnt (in dit geval ging het echter om een vrijwillige sterilisatie teneinde nieuwe zwangerschappen te voorkomen) en moet het gaan om een medisch experiment, een notie die door de Commissie met de begrippen ę vernieuwing Ľ en ę risico Ľ wordt geassocieerd.

    Het is evident dat deze twee omstandigheden zich bij de therapeutische hardnekkigheid zelden voordoen, temeer aangezien dergelijk medisch misbruik door de gewone rechtbanken direct kan worden beteugeld, zonder dat er op de Europese rechtspraak een beroep moet worden gedaan.

    Het is nogal vanzelfsprekend dat experimenteren met levende wezens niet kan.

    Toen, nu meer dan tien jaar geleden, bekend geraakte dat in een Henegouws ziekenhuis experimenten op ouderlingen werden uitgevoerd, werden de betrokken artsen vanzelfsprekend vervolgd.

    Spreker meent bijgevolg dat het Europees Verdrag voor de rechten van de mens geen grote hulp is bij het bepalen of een arts zijn eed van Hippocrates trouw is gebleven.

    Het resultaat van deze uiteraard onvolledige analyse is dat noch uit het positief recht van de toepassing van het verdrag, noch vanuit een algemene benadering van het begrip ę waardigheid Ľ, dat in gelijk welk internationaal verdrag en in onze Grondwet is ingeschreven, blijkt dat de argumenten op basis van artikel 2 van het EVRM de goedkeuring van een wet die de euthanasie organiseert, regelt en uit het strafrecht haalt, op de helling kunnen zetten.

    Een ander lid verklaart, bij wijze van inleiding, dat in de verenigde commissies de juiste sfeer heerst voor diepgaande discussies over zaken met betrekking tot het leven, de dood, maatschappijkeuzen en waardeconflicten. Er is volgens haar voor dit gewichtig onderwerp, na een aanloopperiode, een reŽle wil tot openheid en luisterbereidheid ontstaan. Het verheugt haar ook dat men het debat niet uit de weg gaat en de samenleving de kans wil geven zich uit te spreken.

    De talrijke opkomst van de leden van de twee commissies, ondanks de afwezigheid van camera's, is een bewijs van het belang van de inzet en toont aan, alsof dat nog nodig was, dat de Senaat de reputatie van ę Bezinningskamer Ľ wel degelijk verdient.

    Spreekster wil nochtans, en a contrario, de aandacht vestigen op de noodzaak om de druk van bezinningskamer aan te houden in alle dossiers, zodat de Senaat niet louter een ę sas Ľ wordt, gespecialiseerd in ethische materies. Zij wenst dezelfde sereniteit, dezelfde zin voor bezinning en dezelfde diepgang bij de bespreking van wetsontwerpen en -voorstellen.

    Als de evocatie van wetsontwerpen bijvoorbeeld nog slechts een louter enerverende en oninteressante formaliteit wordt en als de minister van Buitenlandse Zaken in de toekomst niet vaker naar hier komt voor de bespreking van het internationale karakter van sommige vragen waarin de Senaat zich heeft gespecialiseerd, maakt het lid zich sterk dat de Senaat over enkele jaren niet meer zal bestaan. Sommigen wensen dat zeker, maar dat doet hier niet terzake ... maar dan moet er voorzien worden in een vervanging van deze instelling, die perfect democratisch is omdat ze door een heel breed kiezerskorps is verkozen en door de pertinente vragen die ze de regering stelt.

    Na deze enigszins polemische inleiding, zoals ze zelf toegeeft, wenst spreekster enkele beschouwingen te geven die met elkaar misschien slechts een subtiel verband hebben, maar die het resultaat zijn van een persoonlijke bezinning en gebaseerd op haar levenservaring. Een vorige spreker heeft ten andere al het standpunt van haar fractie uiteengezet over het voorstel dat door die laatste is ingediend.

    Aangezien de algemene bespreking met Albert Camus is ingeleid, wil spreekster er verder op ingaan.

    Als er overigens ťťn auteur moet worden geciteerd, dan is het wel de auteur van ę Le Mythe de Sisyphe Ľ en van ę La Peste Ľ.

    Sisyphe, deze proletariŽr onder de goden, wiens opstandigheid, vrijheid en passie de onzin en de absurditeit van het bestaan overschrijden, moeten we ons volgens Camus bijgevolg wel als zijnde ę gelukkig Ľ voorstellen. Aangezien men bij de aanvang van de algemene bespreking Camus heeft geciteerd, kunnen sommige voorstellen over euthanasie die ter tafel liggen volgens spreekster alleen maar worden verklaard van uit de opstandigheid tegenover het menselijk lijden, van uit de passie om dat lijden te verzachten en van uit de vrijheid om de vaak angstaanjagende werkelijkheid van het levenseinde om te brengen.

    Spijts Albert Camus, zullen de auteurs van de voorstellen toch eerlijk moeten toegeven dat een spirituele visie op het lot van de mens niet voor allen hier aanwezig neerkomt op een filosofische zelfmoord, zoals Camus het zag, en dat zij het respect dat ze voor hun filosofie vragen, ook voor de andersdenkenden moeten opbrengen, zonder hen te beschuldigen van conservatisme of hypocrisie.

    Ook moeten we, zoals Albert Camus eiste, bijzonder helder van geest zijn en, als getuigen van het lijden van anderen, van alle anderen en niet alleen van de zieken, onze houding als individu in vraag stellen, als individu dat nu toevallig ook parlementslid is, tegenover de hele menselijke gemeenschap, en dat op lange termijn.

    De tweede beschouwing van spreekster heeft betrekking op de palliatieve zorg (ook ę continue Ľ zorg genoemd), op voorgeschiedenis ervan, op de maatschappijkeuzen en de budgettaire prioriteiten die er het gevolg van zijn, zonder daarom te willen vooruitlopen op de uiteenzetting die een ander lid zal houden over het voorstel dat haar fractie onlangs heeft ingediend en dat pas in overweging is genomen. Als inleiding op haar uiteenzetting over de palliatieve zorg, bevestigt spreekster dat de organisatie van de palliatieve zorg geen vlucht vooruit wil zijn met betrekking tot het probleem van de euthanasie. Zij die zich met professionalisme en medelijden in die richting hebben geŽngageerd, bevestigen hoezeer deze aanpak de naderende dood humaner maakt en de vraag naar euthanasie drastisch vermindert met 2 tot 5 %. De vraag kan zelfs in zekere zin worden voorkomen. Ze ontwijkt echter geenszins de vraag en het waardenconflict rond de euthanasie, dat een morele dimensie heeft en dat vragen zal blijven oproepen. Spreekster wenst ťťn zaak duidelijk te maken : hoeveel bewondering ze ook heeft voor de eerste demarches in de palliatieve aanpak en voor de resultaten die al bereikt werden, ze is er nog altijd van overtuigd dat daarmee niet alles kan worden opgelost.

    Ze herinnert er bovendien aan dat de eerste pogingen tot palliatieve zorg, die door Patrice Van Eersel in zijn boek ę Rťapprivoiser la mort Ľ omschreven worden als het ę herontdekken van de kunst van de stervensbegeleiding Ľ, dateren van tijdens de Tweede Wereldoorlog.

    Spreekster onderstreept de rol van de vrouw in de problematiek die de verenigde commissies bezighoudt, en wenst een parenthese te maken in haar betoog over de palliatieve zorg.

    Het levenseinde betreft in de eerste plaats de vrouwen vermits hun levensverwachtingen hoger zijn. Het zijn ook de vrouwen, meestal als verpleegsters, die het dichtst bij de zieken staan. Het zijn vrouwen die hun naaste familieleden bijstaan in de dood en het waren de vrouwen die inzake palliatieve zorg de eerste initiatieve namen. Daarom heeft spreekster het er bijzonder moeilijk mee een debat over dat onderwerp bij te wonen waarin de mening van de vrouw niet aan bod komt. Gelukkig zijn de vrouwen in de commissie wel goed vertegenwoordigd.

    De vrouwen werkten aanvankelijk niet in de universiteiten of in de laboratoria, maar op het terrein, waar de dood een reŽel feit is. Zij handelden niet op een intellectuele of speculatieve manier, maar uit medelijden, gedreven door een vitale noodzaak. Deze vrouwen, waaronder Elisabeth KŁbler-Ross in Amerika, Cicely Saunders in Engeland, MichŤle Salamagne of Marie de Hennezel in Frankrijk, hebben heel wijselijk het grote oude theater van de doodstrijd opnieuw geopend en hierin alles wat de humane wetenschappen en de moderne klinische praktijk ons over onszelf hebben geleerd ingebracht.

    Cicely Saunders begon in de jaren 40 als vrijwilligster ≠ zij studeerde toen voor sociaal assistente ≠ met het afleggen van bezoeken in tehuizen in Londen. In het tehuis Saint Luke, gespecialiseerd in de opvang van kanker- en tubercolosepatiŽnten, deed het jonge meisje een verbazingwekkende vaststelling : de toegewijde zorg die men er verleende, leek het lijden meer dan elders te verlichten. Waarom ? In de eerste plaats vooral dankzij de morfine, die op regelmatige tijdstippen langs de mond werd toegediend, nog vůůr de zieke klachten had over pijn. De zorgverstrekkers en de zieken van Saint Luke toonden haar dat deze behandeling, in tegenstelling tot wat ze zou kunnen denken, de scherpzinnigheid van de patiŽnt geenszins aantastte.

    Tijdens de oorlog was ze actief als leerling-verpleegster. Na de bevrijding had ze een ontmoeting die voor haar van doorslaggevend belang is geweest : ze ontmoette David Tasma, overlevende van het getto van Warschau en terminaal kankerpatiŽnt. De stervende en de leerling-verpleegster beleefden gedurende acht weken een hartstochtelijke liefde. David was een Joods agnosticus en Cicely had zich pas tot het protestantse geloof bekeerd. Tijdens hun gepassioneerde gesprekken fantaseerden ze over een plaats waar zieken zoals David een betere opvang zouden krijgen dan in een ziekenhuis. Vooraleer te sterven, liet David haar al zijn bezittingen na, de basis van een fonds bestemd voor het latere Saint Christopher's Hospice.

    Als verpleegster en later als sociaal werkster, besliste Cicely Saunders haar leven te wijden aan de zieken voor wie er, medisch gezien, niets meer kon worden gedaan. Ze ontdekte dat er zelfs voor die gevallen, zelfs als er geen enkele hoop op genezing meer was, voor de zorgverstrekkers nog een belangrijke taak was weggelegd : de pijnen verzachten, de symptomen behandelen, luisteren naar de angsten, de vragen en de morele, intellectuele en spirituele frustraties van de stervenden ... Al deze handelingen zouden door professor Balfour Mount spoedig onder de term palliatieve zorg (palliative care) worden gegroepeerd.

    In 1952 besloot Cicely Saunders geneeskunde te gaan studeren.

    Tijdens haar werk voor de stervenden, dat ze bleef doen, stelde Cicely Saunders herhaaldelijk vast dat het toch nog mogelijk is intens te leven wanneer de dagen geteld zijn. Wanneer de patiŽnt van pijn verlost is en dus opnieuw zichzelf kan zijn, kunnen de laatste dagen op humaan vlak nog erg rijk zijn. Het kan een periode van verzoening zijn die de dood sereen maakt voor de stervende en de rouw draaglijk voor de overlevenden.

    Al wat Elisabeth KŁbber-Ross twintig jaar later, in de jaren 60, door de psychiatrie ontdekte, bracht Cicely Saunders op het einde van de jaren 40 en later door pijnbestrijding aan het licht. Ze kwamen beiden tot dezelfde fantastische paradox : wanneer de begeleiding gebeurt met een waarachtig medelijden, dat wil zeggen op een eerlijke wijze en gericht op de persoon en door iemand die zich goed bewust is van zijn eigen sterfelijkheid, kan de stervende zich omvormen tot een specialist in het leven.

    Een andere vrouw, Elisabeth KŁbler-Ross, van Zwitserse afkomst, stond in het Billings Hospital van Chicago mee aan de wieg van de palliatieve zorg. In haar boek ę On death and dying Ľ beschrijft ze haar visie op de palliatieve zorg. Ze kreeg haar ę initiatie Ľ in Polen van 1945 tot 1947, aan de poorten van het uitroeiingskamp MaÔdanek, als hulpverlener in een noodhospitaal dat de Amerikanen hadden opgericht om de overlevenden van het kamp te verzorgen.

    Vermeldenswaard is dat zowel Cicely Saunders als Elisabeth KŁbler-Ross hun loopbaan begonnen als hulpverpleegsters, dus op de onderste ladder van de ziekenhuishiŽrarchie.

    Als we de reflectie over de voorgeschiedenis van zorg omtrent het levenseinde voortzetten, komen we bij een heel ophefmakend boek gepubliceerd in Parijs in 1977, dat het diepe onderbewustzijn van heel Frankrijk door elkaar zou schudden. Onder de titel ę Changer la mort Ľ hebben twee briljante auteurs zich verenigd om een soort van manifest op te stellen dat tegelijkertijd :

    ≠ een kreet van verzet is tegen de wet van de stilte die heerst rond het lijden van de zwaar zieken, die men met buisjes en sondes in het lichaam wil laten voortleven, biologisch tenminste, tegen alles en iedereen in, en

    ≠ een oproep is tot een radicaal nieuwe houding, of tot een nieuwe wetgeving, die euthanasie toelaat.

    Twee mannen, Lťon Schwarzenberg en Pierre Viansson-Pontť, zijn verantwoordelijk voor het ontstaan van wat door velen destijds als een schande werd beschouwd. De eerste was een al beroemde kankerspecialist, de tweede maakte deel uit van het bestuur van de krant ę Le Monde Ľ. Hun betrokkenheden waren complementair. De arts bestreed dagelijks, gedurende jaren, hardnekkig de aandoeningen waardoor mensen worden getroffen. Zijn afschuw was zo groot als zijn lange ervaring. De politieke commentator koos ervoor in de meer emotionele, maar ook meer filosofische en eigenlijk politieke arena te treden.

    In ę Changer la mort Ľ geeft Lťon Schwarzenberg ondubbelzinnig toe dat hij zelf, telkens wanneer hij het gewettigd vond, de zwaar zieken die aan het einde van hun krachten waren, ę geholpen Ľ heeft er een einde aan te maken.

    Bij de doodstrijd rezen voor hen vragen over verdraagzaamheid en waardigheid : wanneer enerzijds het fysisch en moreel lijden een ondraaglijk niveau heeft bereikt en wanneer anderzijds de waardigheid van de persoon, die men gedurende heel zijn leven heeft willen zijn, op het punt staat in te storten, zou het verlangen kunnen rijzen er een einde aan te maken en zou men een derde persoon kunnen vragen om daarbij te helpen. In het laatste hoofdstuk van ę Changer la mort Ľ noemen ze dat ę Doden uit liefde Ľ.

    Kort na het verschijnen van ę Changer la mort Ľ, stichtten mannen en vrouwen in Parijs de ę Vereniging voor het recht op waardig sterven Ľ, die nauw aanleunde bij de ideeŽn van Pierre Viansson-Pontť en Lťon Schwarzenberg. Het boek veroorzaakte in Frankrijk een brede discussie en een grote polemiek.

    Later, onder Georges Pompidou, wordt er een groep van experts opgericht en gelijktijdig, in 1984, worden de werken van Saunders en KŁbler-Ross in het Frans gepubliceerd. In 1986 verschijnt er een Manifest van artsen met de bevestiging dat zij sommige patiŽnten geholpen hebben om te sterven en de Vereniging voor het recht op waardig sterven vraagt dat geassisteerde zelfmoord wordt toegelaten. Hetzelfde jaar verschijnt het verslag Laroque, genoemd naar een hoge ambtenaar, die van FranÁois Mitterrand en van Edmond Hervť, op dat ogenblik minister van Gezondheid, de opdracht gekregen had om samen met een hele reeks experts, voor- en tegenstanders van euthanasie, een grondige studie te maken van de problematiek van de stervensbegeleiding. De titel van het verslag luidde : Verzorgen en begeleiden tot op het einde.

    Ook de naam ę FranÁois Mitterrand Ľ moet met het ontstaan van de palliatieve zorg worden geassocieerd. In haar boek De intieme dood, met een voorwoord van de hand van FranÁois Mitterrand, schrijft Marie de Hennezel, wanneer ze het heeft over de palliatieve zorg : ę Wanneer ik deze keuze maakte, was ik er me niet van bewust hoezeer de nabijheid van het lijden en de dood van anderen me zouden leren anders, bewuster en intenser te leven. Ik wist niet dat een plaats die is ingericht om stervenden op te vangen het omgekeerde van een ę crepeerhok Ľ kan zijn, namelijk een plaats waar het leven zich in al zijn kracht manifesteert. Ik wist niet dat ik mijn eigen menszijn zou ontdekken, dat ik als het ware in het hart van de mens zou kunnen kijken. Ľ

    Om kort te gaan, in 1999 nam de Assemblťe nationale eenparig de wet aan die door minister Bernard Kouchner ten gunste van de pijnbestrijding en de palliatieve zorg werd verdedigd. Er werd een bedrag van tweehonderd miljoen Franse frank goedgekeurd om de inrichting van eenheden voor palliatieve zorg te ondersteunen ≠ de 50 in 1997 bestaande eenheden moesten in 2000 op 99 worden gebracht, met voorrang voor kleinere instellingen op mensenmaat ≠ en om speciaal de mobiele begeleidingsequipes te promoten. Hier moest het aantal van 55 worden opgetrokken tot 170, vooral omdat een toenemende minderheid van personen die aan het einde van hun leven gekomen waren, het recht opeisten om thuis te sterven, omringd door hun dierbaren.

    Na deze korte en zeker onvolledige schets van de voorgeschiedenis van de eerste stappen in de palliatieve zorg in het buitenland, moet ik erop wijzen dat de eerste experimenten inzake palliatieve zorg in BelgiŽ sedert 1991 op een forfaitaire wijze worden gefinancierd.

    Het behoort tot onze politieke verantwoordelijkheid te zorgen voor een structurele financiering die rekening houdt met het noodzakelijke complementaire karakter van de verschillende soorten palliatieve zorg : mobiele ziekenhuisequipes, residentiŽle eenheden en eenheden voor palliatieve zorg aan huis.

    Bij het installeren van deze structuren moeten we er ook voor zorgen dat de begeleiding van de stervende patiŽnten zo georganiseerd wordt dat er geen onderbreking ontstaat tussen de curatieve en de palliatieve zorg enerzijds en tussen de palliatieve zorg in het hospitaal en de thuiszorg anderzijds, en dit om te voorkomen dat de patiŽnt zich in de steek gelaten voelt.

    Het medische korps moet dringend voor deze nieuwe cultuur, de palliatieve zorg, worden opgeleid. In de opleiding geneeskunde aan de universiteiten moeten cursussen en praktische stages in een palliatieve dienst worden opgenomen. Deze vorming zou ook een psychologische en sociale benadering van de terminaal zieke moeten bevatten. Er is nood aan een gespecialiseerde opleiding voor pijnbeheersing zoals door verschillende artsen die in palliatieve eenheden werken, wordt opgemerkt. De artsen moeten een kritische reflex kunnen ontwikkelen; ze moeten afstand kunnen nemen wanneer ze niet meer kunnen genezen.

    Studenten algemene geneeskunde hebben thans de vrije keuze de opleiding in palliatieve geneeskunde al dan niet te volgen. Het risico bestaat bijgevolg dat zij die de opleiding niet gevolgd hebben, op dat vlak onervaren zijn, wat dan weer aanleiding kan geven tot het opgeven van enige therapie of tot therapeutische hardnekkigheid.

    Tijdens het colloquium ę Palliatieve zorg en euthanasie Ľ, verklaarde de Franse staatssecretaris voor Gezondheid, Bernard Kouchner : ę Het verbaast me te moeten vaststellen hoeveel artsen machteloos zijn in situaties waarvoor ze niet zijn opgeleid (...). Op vragen inzake pijn antwoorden drie artsen : ę Ik ben hiervoor niet opgeleid. Ľ Waartoe dienen dan zoveel jaren studie ? (...) Pijnbestrijding vereist van een arts nochtans geen grondige metafysische reflectie en de uitrusting die ervoor nodig is blijft elementair. Mijn antwoord is duidelijk : wij moeten in die opleiding voorzien en wij zullen die voorzien. Om dat te bereiken moet men mij echter helpen om de studies in de geneeskunde van onder tot boven te hervormen. Ik verzeker u dat u met geduchte tegenstanders te doen zult hebben. Ik probeer al twee jaar. Ľ

    We moeten duidelijk zijn. Zowel voor de financiering van de palliatieve opleidingen als van de palliatieve zorgverstrekking zelf, in het ziekenhuis of thuis, zullen heuse budgettaire keuzen inzake gezondheidszorg moeten worden gemaakt waarvoor de mening van de bevolking helaas slechts zelden wordt gevraagd. Hebben wij voldoende middelen voor de uitbouw van de palliatieve zorg ?

    Dat is een essentiŽle vraag. Moeten wij, zoals de heer Edouard Delruelle, lid van de Commissie voor de bio-ethiek, zich tijdens een debat onlangs afvroeg, niet kiezen tussen kinderen met leukemie, palliatieve zorg, aidspatiŽnten en chronisch zieken ? De bevolking vraagt niet alleen technische evaluaties van deze of gene therapie, maar ook duidelijke maatschappijkeuzen.

    Is de hamvraag niet de volgende : krijgen afhankelijke personen nog wel een plaatsje in onze maatschappij ? Die afhankelijkheid kan soms jaren duren, of men nu jong of oud is. Kanker of aids kunnen een patiŽnt van veertig er trouwens doen uitzien als iemand van zeventig, hem grijze haren geven en hem dement maken.

    Hebben afhankelijke personen nog een plaats in onze samenleving ? Is er nog plaats voor een trisomiekind, voor de zwakzinnige, de demente of semi-demente of voor de persoon met een genetische aandoening die zich slechts langzaam manifesteert en een steeds grotere afhankelijkheid veroorzaakt, zoals myopathie, mucoviscidose ... ?

    Spreekster vreest spijtig genoeg dat het antwoord hierop negatief is, misschien door de dictatuur van de schoonheid.

    Hoe sterven in een spektakelmaatschappij ?

    Een zwaar zieke uit zijn lijden verlossen zou wel eens een routine kunnen worden. Een evidentie. Een gewone en normale handeling.

    Na deze filosofische beschouwingen en het onderstrepen van het belang van de vrouw in deze problematiek, na lang gesproken te hebben over de palliatieve zorg, wil spreekster besluiten met een beschouwing over het feit dat het begrip ę terminale fase Ľ niet voorkomt in de drie voorstellen die door zes parlementsleden van de meerderheid zijn ingediend. Misschien wil dat zeggen dat die voorstellen vooral betrekking hebben op het probleem van de hulp bij zelfdoding.

    Een ander lid heeft hierover uitgebreid gesproken en gespecificeerd in welke gevallen artikel 2 van het voorstel zou kunnen worden toegepast.

    Spreekster doet een beroep op de verantwoordelijkheidszin van de collega's, als parlementsleden maar ook gewoon in hun hoedanigheid van man of vrouw.

    Sinds het begin van deze eeuw en de ontdekkingen van Freud weet men dat in ieder individu een levens- en een doodsinstinct schuilen die naar boven komen al naargelang de gebeurtenissen in het leven, de opvoeding en het eigen temperament.

    Om het een beetje filosofisch te houden, keert spreekster terug naar Albert Camus die, onder meer in ę La mythe de Sisyphe Ľ, preciseert dat dit de enige vraag is voor de mens die de schijnbare absurditeit van het bestaan heeft ontdekt.

    Zal hij zich door deze absurditeit laten verpletteren, of ze, zoals Sisyphus, weigeren in naam van zijn vrijheid, zijn passie en zijn verzet ?

    Het antwoord is uiterst individueel maar laat niemand onverschillig.

    Spreekster vestigt er de aandacht op dat de zelfdoding, na de ongevallen op de weg, bij jongeren tussen 15 en 25 jaar in BelgiŽ op dit ogenblik de tweede doodsoorzaak vormt.

    Onder meer omdat deze tragische daad in 1997 bij de studenten aan de KUL de voornaamste doodsoorzaak was, maakte mevrouw Maesschalck, dokter in psychologie in het Psychotherapeutisch Centrum van de studenten van de Katholieke Universiteit van Leuven een studie met als titel Projet ter preventie van zelfmoordgedrag die op 13 januari 2001 aan de pers werd voorgesteld.

    Spreekster onderstreept dat haar woorden niet verkeerd mogen worden opgevat.

    Sommige personen stralen levenslust uit en andere weerspiegelen hoe moeilijk ze het hebben met het leven en dat heeft soms niets te maken met de sociale moeilijkheden of sociale welvaart van het individu. Een bezoek aan India is daarvoor erg overtuigend.

    We moeten er nauwlettend op toezien dat de werkzaamheden van de verenigde commissies en de tekst die ze zullen aanvaarden, de zelfmoordcultuur die in onze maatschappij al ingang gevonden heeft, zeker niet in de hand werken.

    Spreekster verwijst nog naar Marie de Hennezel die schreef : ę Het is mijn persoonlijke ervaring dat het aantal vragen om hulp bij zelfdoding spectaculair gedaald is vanaf het ogenblik dat ik aanvaard heb om met mijn patiŽnten over de dood te spreken. Ik heb, gedurende zeven jaar, meer dan duizend seropositieven gevolgd. Er waren er onder hen die, zelfs wanneer hun lichaam hen in de steek liet, zeer intense spirituele ervaringen beleefden. Ik zag mensen sterven, volledig in harmonie met zichzelf, met wat van hen geworden was. Ik kon zien wat er in hen veranderd was.

    Voor mij maakt de spiritualiteit deel uit van het leven. Ik gebruik dat woord niet op een religieuze manier, ik wil daarmee zeggen dat wij menselijke wezens zijn die nadenken, die emoties en gevoelens hebben. Ľ

    Spreekster eindigt met deze persoonlijke beschouwing, benadrukkend dat het geenszins haar bedoeling is om om het even wie een intentieproces aan te doen. Deze beschouwing gaat haar ter harte, omdat zij van oordeel is dat de zelfmoord in onze samenleving een belangrijk probleem vormt.

    Een lid merkt op dat momenteel alvast iedereen het erover eens is dat er een degelijke wettelijke regeling moet komen, zowel voor palliatieve zorgverlening als voor euthanasie. Wat haar betreft zijn de beide materies even belangrijk. Het wetsvoorstel inzake palliatieve zorgverlening heeft dan ook tot doel aan iedereen de toegang tot deze vorm van hulpverlening te garanderen en onder meer alle financiŽle drempels op dit vlak weg te nemen. Soms wordt de indruk gewekt dat diegenen die zich voorstander tonen van een depenalisering van euthanasie, geen of slechts in secundaire orde belang zouden hechten aan palliatieve zorgverlening. Niets is minder waar.

    Tegelijk moet men echter erkennen dat palliatieve zorgverlening nooit alle leed zal kunnen lenigen waarmee sommige ongeneeslijk zieke patiŽnten worden geconfronteerd. In die gevallen moet er een mogelijkheid open blijven voor euthanasie. Wanneer de medische wereld volkomen machteloos staat om een antwoord te bieden op het ondraaglijke lijden van de patiŽnt, en deze vraagt dat zijn leven wordt beŽindigd, dan moet de wet de mogelijkheid bieden dat hierop kan worden ingegaan.

    Volgens haar zijn in dit debat drie zaken van essentieel belang :

    Ten eerste moet bij alle beslissingen rond het levenseinde de patiŽnt centraal staan. Hij is het die in de eerste plaats beslist welke behandeling op hem wordt toegepast. Het meest schokkende besluit dat uit het reeds vermelde interuniversitaire onderzoek naar het medisch handelen in de laatste levensfase kan worden getrokken, is wel dat in ons land een groot aantal levens op actieve wijze wordt beŽindigd zonder dat de patiŽnt hier inspraak in had, laat staan hierom gevraagd heeft.

    Even goed echter moet het een recht zijn voor de patiŽnt om, wanneer hij zich in een uitzichtloze situatie bevindt en een onmenselijk lijden ondergaat, te vragen dat zijn leven wordt beŽindigd zodat hij op een waardige wijze afscheid kan nemen.

    Ten tweede moet iedereen het recht hebben om in een wilsverklaring vast te leggen dat zijn leven dient te worden beŽindigd indien men in een toestand van onmenselijk lijden terecht is gekomen, maar niet meer in staat is om euthanasie te vragen.

    Ten derde moet een regeling inzake euthanasie deze handeling volkomen uit de grijze zone halen via het uitwerken van een duidelijk wettelijk kader dat aan alle betrokkenen volledige rechtszekerheid biedt. Precies hierom is de juridische techniek van de noodtoestand volkomen inadequaat. De vraag a posteriori of er sprake kan zijn geweest van een noodtoestand zal altijd aanleiding geven tot subjectieve interpretatie door een arts of door een rechter, met alle juridische gevolgen vandien voor de behandelende arts.

    Vandaar dat het uitgangspunt van een euthanasieregeling niets anders kan zijn dan het recht van de patiŽnt om te vragen dat zijn leven wordt beŽindigd nadat hij volledig over zijn toestand is ingelicht.

    Spreekster is van oordeel dat deze beginselen zeer precies vertaald zijn in de wetsvoorstellen nrs. 2-244/1, 2-245/1 en 2-246/1. Indien echter zou blijken dat de tekst hiervan voor sommigen op bepaalde punten onduidelijk is, dat kan dit via amendementen worden rechtgezet. De hoorzittingen zullen op dit vlak in belangrijke mate uitsluitsel brengen. Er kan echter geen twijfel over bestaan dat dergelijke amendementen alleen aanvaardbaar zijn indien ze de patiŽnt ten goede komen.

    Het interuniversitaire onderzoek, waarvan nog maar zeer gedeeltelijke resultaten bekend zijn, maar dat in deze discussie al vaak is aangehaald, leidt alvast tot ťťn conclusie : er moet een duidelijke en transparante wettelijke regeling komen die de patiŽnten rechten verzekert. Dit is een zorg die bij iedereen in deze commissies vooropstaat. In de huidige situatie kan een arts die uit betrokkenheid met zijn patiŽnt tot euthanasie overgaat, strafrechtelijk worden vervolgd. Omgekeerd echter kunnen artsen ongevraagd het leven van patiŽnten beŽindigen zonder dat hierop enige controle is.

    Een dergelijke absurde situatie is voor niemand aanvaardbaar en misschien is het van hieruit mogelijk om tot een brede consensus over een wettelijke regeling te komen. Leden van zes partijen hebben hun nek uitgestoken en een gemeenschappelijk wetsvoorstel uitgewerkt op basis van hetgeen hen bindt. Zij hopen vanzelfsprekend dat het draagvlak van dit wetsvoorstel nog kan worden versterkt. Het zou evenwel bijzonder jammer zijn indien zij voor deze poging het deksel op de neus zouden krijgen en de Senaat het debat zou gaan voeren op basis van een ander wetsvoorstel.

    Voorgaande sprekers suggereerden om in de commissies een volledig nieuwe tekst uit te werken. Het is in de huidige stand van zaken inderdaad nog te vroeg om hierover uitspraak te doen. Ook wanneer voor deze techniek wordt gekozen zal men er echter niet naast kunnen, dat binnen zes fracties een fundament is gelegd waarop zal moeten worden voortgebouwd.

    Een ander lid verwijst naar de boodschap van dokter Englert. De tekst ervan werd aan de leden van de verenigde commissies uitgedeeld.

    Deze boodschap bevat enkele zeer interessante en helder geformuleerde beschouwingen over de medische ethiek, de wetgeving en het levenseinde.

    Die boodschap begint met een citaat van professor LadriŤre die stelt dat ę niemand een bevoorrechte bevoegdheid heeft inzake ethiek. Daarom kan de ethische reflectie niet meer zijn dan een gemeenschappelijke oefening, waarbij de verschillende standpunten met elkaar moeten worden geconfronteerd. Ľ

    Omdat hij daarin diep gelooft, sluit spreker zich aan bij de leden die uitvoerige hoorzittingen en een breed debat wensen. Hij dringt dus aan op een openbaar debat en hoopt dat de verschillende standpunten dichter bij elkaar kunnen worden gebracht. Hij hoopt dat er een tekst kan worden opgesteld waarover een breed debat wordt gevoerd. Het is hem daarbij om het even of dat nu gebeurt in de vorm van amendementen of op basis van nieuwe gemeenschappelijke teksten; het belangrijkste is de grote openheid van geest.

    Is het die richting die we thans uitgaan ?

    Hier is het beeld van de halfvolle of halflege fles wel van toepassing.

    Sommigen ontwaren nog diepe kloven tussen de verschillende voorstellen. Spreker deelt die mening niet helemaal.

    De uiteenzettingen van sommige collega's van de oppositie, waar hij aandachtig naar geluisterd heeft, hebben spreker het nodige vertrouwen gegeven om in een akkoord te blijven geloven.

    Hij werd onlangs trouwens nog getroffen door de commentaar van een Antwerps jezuÔet die in De Standaard is verschenen. De auteur maakte daarin, met een grote openheid van geest een vergelijkende, weliswaar synthetische, studie tussen de verschillende ingediende wetsvoorstellen. Hij deed daarbij een inspanning om er de punten uit te halen waarover een toenadering zou kunnen worden gevonden en degene die hij minder snel zag vooruitgaan.

    In diezelfde geest wenst spreker een voor hem fundamentele vraag te stellen, die bij hem opkwam tijdens de uiteenzetting van een vorige spreker.

    Spreker begrijpt de dubbele bezorgheid die tijdens het debat tot uiting kwam, namelijk de vraag van het medische korps om enerzijds, in het belang van de patiŽnten, geen enkele grijze zone toe te laten en om anderzijds de voorwaarden waarin euthanasie zou kunnen worden toegepast, duidelijk te definiŽren. De unanimiteit die er in de verenigde commissies bestaat over de noodzaak om wetgevend op te treden, berust derhalve, vůůr alles, op de nood aan duidelijkheid en rechtszekerheid, in het belang van zowel de patiŽnten als het medische korps.

    Spreker begrijpt ook dat sommigen absoluut willen voorkomen dat het verbod op doden zou worden geschonden. Hij is er echter van overtuigd dat het toestaan van euthanasie dit verbod niet de in weg staat.

    Hij begrijpt, onder voorbehoud van een juridische studie van het probleem, dat men dit probleem wenst te benaderen vanuit het oogpunt van de noodtoestand. De voorwaarden waaronder er geen juridische discussie mogelijk is over het bestaan van de noodtoestand, moeten dan wel duidelijk geformuleerd worden.

    Spreker ziet nochtans niet goed in dat de voorwaarden die zouden worden geformuleerd, andere situaties uitsluiten die een noodtoestand kunnen uitmaken. De voorwaarden voor een noodtoestand moeten zo gedefinieerd worden dat een strafrechtbank die zich moet uitspreken over een ander geval van euthanasie uitgevoerd in andere omstandigheden, kan aanvaarden dat er ook in dat geval vanwege de specifieke omstandigheden, een noodtoestand was.

    Indien men het probleem langs deze omweg wil aansnijden, wenst spreker te voorkomen dat de rechter zijn huidige appreciatiemogelijkheid wordt ontnomen, wat zich trouwens kan keren tegen degenen die vandaag bepaalde handelingen stellen in omstandigheden die door iedereen als een noodzaak worden erkend.

    Spreker verwijst naar de strijd tegen de therapeutische hardnekkigheid waarover in de pers onlangs commentaar is verschenen, naar aanleiding van een geval van stopzetting van sondevoeding die ≠ onder voorbehoud van een diepgaander onderzoek ≠ volgens spreker geen geval was van euthanasie, maar wel van het stopzetten van medische hardnekkigheid.

    De definitie van de noodtoestand mag geen reactie a contrario veroorzaken waarbij praktijken die vandaag worden aanvaard, of die door een strafrechter in bepaalde specifieke omstandigheden zouden kunnen worden aanvaard, morgen worden veroordeeld.

    Er moet dus duidelijkheid komen over bepaalde voorwaarden waarmee de wetgever zou kunnen instemmen, zonder evenwel afbreuk te doen aan de mogelijkheid die de strafrechters thans hebben om te oordelen dat er in bepaalde andere omstandigheden ook een noodtoestand is.

    Moet de uiteenzetting van de vorige spreker in die zin worden geÔnterpreteerd of wil hij komen, binnen de voorwaarden die hij voor het bestaan van een noodtoestand heeft bepleit, tot omstandigheden die elke andere appreciatie van het bestaan van een noodtoestand uitsluiten ?

    Een lid is verheugd over de wending die deze algemene bespreking heeft genomen. Iedereen kan vrij zijn mening uiten en er wordt naar elkaar geluisterd, waardoor men elkaars meningen en opvattingen leert kennen. Na dit algemene debat zullen nog een aantal hoorzittingen met deskundigen worden georganiseerd. Hopelijk kan daarna de artikelsgewijze bespreking van het meerderheidsvoorstel worden aangevat. De inleidende bespreking zal hiertoe alleszins een degelijk referentiekader bieden.

    Zij waardeert de open geest waarin het debat tot nog toe is verlopen, ook daar waar het betrekking heeft op fundamentele ethische beginselen. Dit is belangrijk aangezien in zowat alle wetsvoorstellen die ter bespreking voorliggen, duidelijk wordt verwezen naar de ethische basis waarop zij steunen. Dit aspect moet dan ook noodzakelijk deel uitmaken van het algemene debat dat de bespreking van een concrete regeling voorafgaat.

    Spreekster stelt vast dat ook dit debat over een ethische aangelegenheid te herleiden is tot een verschil tussen twee fundamentele zienswijzen, die grosso modo hierop neerkomen :

    ≠ ofwel is men de overtuiging toegedaan dat ethische voorschriften, zoals de mensenrechten, tot stand komen onafhankelijk zijn van het menselijke ingrijpen;

    ≠ ofwel is men van oordeel dat de rechten van de mens als het ware menselijke ę uitvindingen Ľ zijn.

    Zij is van oordeel dat de keuze voor ťťn van de beide benaderingen een verschil uitmaakt voor de wijze waarop ethische aangelegenheden worden benaderd. Men maakt een keuze tussen twee fundamentele opvattingen waarvan de eerste kan worden geÔllustreerd door het volgende persbericht dat onder de titel ę Bisschoppen wijzen euthanasie af Ľ op 10 december 1999 werd verspreid : ę Een wettelijke regeling vervangt nooit de ethische norm. De bisschoppen stellen dat zij allen dankbaar zijn die, ook als er een wettelijke regeling komt, zich inzetten om zo dicht mogelijk de oude basisnorm ę gij zult niet doden Ľ te benaderen ... Dat de zieke zelf vraagt om zijn leven te beŽindigen, lijkt ... geen afdoende verontschuldiging. ę Een mens beschikt niet zo totaal over zichzelf dat hij/zij mag beslissen over zijn/haar leven te verkorten en zo de geneeskunde in dienst te stellen van zijn/haar verlangen naar de dood. Ľ

    Dat het onderscheid tussen de beide opvattingen niet zonder meer langs religieuze scheidslijnen loopt bewijst het volgende opiniestuk van een arts waarin deze eerste visie op een andere wijze wordt verwoord :

    ę Indien de hedendaagse maatschappij, die regelgevend is voor de moraal en de ethiek, zich stap voor stap verwijdert van het essentiŽle recht op leven, en dus afstand neemt van de mensenrechten, dan wordt het hoog tijd om het recht van de Staat op morele regelgeving te betwisten. Waar houdt de afbraak van de mensenrechten op ? Zullen zij het recht ondergaan van Hippocrates : opeenvolgende amenderingen tot er niet meer overblijft ? Ľ

    Het lid verklaart dat zij zelf aanleunt bij de tweede opvatting, waarbij de visie centraal staat dat ethische normen door de mensen zelf worden gemaakt, en die als volgt kan worden omschreven.

    ę Bij het uitstippelen van een politieke gedragslijn inzake euthanasie dient de grote optiek te zijn : het totstandkomen van de persoonlijke gewetensvrijheid. Het politieke beleid mag niet zozeer een waardeoordeel, dan wel de keuzevrijheid inhouden. Als er wetgeving komt, moeten er waarborgen bestaan voor een ethisch pluralisme, zodat niemand in zijn persoonlijke aangelegenheid de ethische waarden van anderen opgedrongen krijgt, of op basis ervan wordt veroordeeld.

    Uit de wisselwerking van meerdere ethische opvattingen in een ethisch pluralisme ontstaan feitelijke zeden. Deze dienen zoveel mogelijk in hun ontwikkeling vrijgelaten te worden. In de ontwikkelingsgang zelf dient de wet slechts tussen te komen waar het nodig is de vrijheid van derden te beveiligen. Ľ

    Zij onderstreept dat het hier niet gaat om de vraag welke van deze opvattingen de juiste is. De beide benaderingen zijn in die zin gelijkwaardig, dat ze beiden het bestaan van regels en waarden erkennen, evenals de noodzaak om deze te respecteren. Door sommigen wordt wel eens de verkeerde indruk gegeven dat zij, die er van uitgaan dat morele normen ontstaan in de samenleving, helemaal geen ethische normen erkennen.

    Het verschil is dat men bij de ene benadering overtuigd is dat de regels van een goddelijke of van een natuurlijke orde komen (individuen hebben rechten en er zijn dingen die geen persoon of groep ze kan aandoen).

    Bij de anderen worden de regels door culturele evoluties ingegeven. Ze zijn gebaseerd op keuzes die gemaakt worden in het algemeen belang. De morele geboden worden aanvaard om minder gunstige menselijke driften aan banden te leggen.

    Hoewel zij zelf niet gelooft in een hogere orde van waaruit normen worden opgelegd, beseft spreekster ten volle dat anderen, overal ter wereld en doorheen heel de geschiedenis, dit wel doen. In onze moderne samenleving lijkt het draagvlak van de opvatting dat ethische normen tot stand komen via een consensus binnen die samenleving wel sterk te groeien.

    Hoe dan ook heeft geen zin hier trachten te gaan bewijzen wie gelijk en wie ongelijk heeft, want dit is onmogelijk. Het is daarentegen wel belangrijk een open dialoog tussen deze opvattingen te handhaven en dit in volle intellectuele openheid en in een sfeer van wederzijds respect.

    Euthanasie is wellicht een van de gevoeligste ethische onderwerpen die in onze samenleving momenteel ter discussie staan. Het debat raakt de overgang tussen leven en dood. Iedereen aanvaardt het bestaan en de noodzaak van regels die de rechten van de patiŽnt en de menselijke waardigheid in deze fase garanderen.

    Vaak beroept men zich in dit verband op het standpunt dat mensenrechten, in het bijzonder het recht op leven, onvervreemdbaar zijn, zo niet zou de universaliteit ervan in vraag worden gesteld. Deze visie komt ook tot uiting in een recente aanbeveling van de Raad van Europa die al door voorgaande sprekers is aangehaald.

    Men vergeet hierbij echter dat het niet-sterven geen recht is. Iedereen moet immers vroeg of laat sterven. Het recht op leven is eerder een recht dat anderen belet ę mij tegen mijn zin te doden Ľ. Het recht op leven is geen plicht tot leven. De keuze om zelf te bepalen wanneer het onvermijdelijke gebeuren van de dood zal plaatsvinden is een uiting van de autonomie van het individu en dus van de menselijke waardigheid.

    Een ander vaak gehoord argument is dat in het geval van euthanasie artsen, verzorgers en apothekers worden betrokken bij handelingen die de dood tot doel hebben, daar waar alleen de maatschappij het recht heeft om te doden. Dat het recht om te doden alleen de maatschappij toekomt is correct. Wat echter binnen een maatschappij als waarde of norm geldt, wordt door consensus of door een meerderheid bepaald en die meerderheid of consensus groeit uit de algemene evolutie van de beschaving en uit de discussie over wat voor de maatschappij het best zou zijn. In verband met euthanasie moet de vraag worden gesteld welk belang de maatschappij heeft bij het ontzeggen van euthanasie.

    Dezelfde redenering geldt voor artsen die geacht worden het leven in stand te houden. Ook zij leven niet in een vacuŁm. Zij moeten zich aanpassen aan de heersende mentaliteit die paternalisme afwijst en patiŽntenrechten en mondigheid vooropstelt. Is het overigens niet de taak van de arts om de optimale levenskwaliteit van de patiŽnt na te streven ? Als die kwaliteit naar het inzicht van de patiŽnt alleen verzekerd wordt door het leven zelf te beŽindigen, dient de arts hiermee rekening te houden. Uiteraard mag de arts zich het recht toe-eigenen zijn geweten te volgen en weigeren op de vraag van de patiŽnt in te gaan.

    Een ander argument dat naar voor wordt gebracht, bestaat erin dat een depenalisering van euthanasie een onverantwoorde druk zou kunnen leggen op terminaal zieken en stervenden, die vanzelfsprekend zeer zwak staan. Erger nog, euthanasie zou kunnen leiden tot uitwassen en misbruiken om economische redenen, waarbij het leven van de patiŽnt tegen diens wil of zonder dat die er om gevraagd heeft, zou worden beŽindigd.

    Deze bekommernis is reŽel, maar het zou precies een reden kunnen zijn om tot een duidelijke wettelijke regeling te komen, met een evaluatiecommissie die de praktijk opvolgt. In de huidige situatie heeft de patiŽnt terzake overigens geen enkel verweer en dit wordt bevestigd door het recente interuniversitaire onderzoek dat hier reeds enkele keren vermeld is.

    Spreekster verklaart dat hier overigens ook de reden ligt, waarom het noodzakelijk is het recht op palliatieve zorgverlening wettelijk te verankeren en structuren uit te bouwen die de toegang voor alle patiŽnten tot deze vorm van hulpverlening garanderen.

    Zij wenst ten slotte in te gaan op een van de belangrijkste verschilpunten tussen het wetsvoorstel nr. 2-244/1 en de voorstellen die door leden van de christen-democratische fracties werden ingediend, namelijk de vraag of moet worden gekozen voor een depenalisering van euthanasie, dan wel of er een beroep dient te worden gedaan op de juridische constructie van de noodtoestand.

    Zelf is zij voorstander van een depenalisering. Dit is juridisch de meest duidelijke en ook meest eerlijke optie. Tegelijk echter biedt alleen deze techniek voldoende rechtszekerheid. Een regeling gesteund op de noodtoestand houdt altijd in dat de rechter zal moeten toetsen of de voorwaarden voor deze noodtoestand inderdaad aanwezig waren.

    Een lid wenst een aantal opmerkingen te formuleren, zowel wat het verloop van het debat betreft als inzake de inhoud ervan.

    1. Het verloop van het debat

    Het lid is tevreden dat er ruimte is ontstaan voor een open, kritisch maar constructief debat, zeker nu ook de christen-democraten hun standpunten duidelijk gemaakt hebben. Bepaalde uitspraken die bijna dagelijks in de pers verschijnen, doen volgens haar niet ter zake. De echte bespreking heeft plaats binnen de commissie en niet in de krant of op TV, al lijkt de werkelijkheid soms anders.

    Zij wenst alleszins te onderstrepen dat, in tegenstelling tot wat in de pers is gesuggereerd, zij volledig achter het wetsvoorstel blijft staan dat door de leden van zes meerderheidsfracties is ondertekend. Dit neemt niet weg dat zij open staat voor alle voorstellen ter verbetering van de tekst.

    Een discussie op basis van ťťn tekst zal alleszins een stuk gemakkelijker zijn dan de zes wetsvoorstellen, die eerder werden ingediend, elk afzonderlijk te gaan bespreken. Sommigen zijn van oordeel dat het wetsvoorstel dat door leden van zes fracties is ingediend, onnauwkeurigheden bevat en overhaast is gemaakt. Dit is een reden te meer om via een constructief gesprek te komen tot degelijke amendementen die de tekst verduidelijken en vervolledigen.

    Bij dit alles mag overigens niet uit het oog worden verloren dat naast het eigenlijke wetsvoorstel over euthanasie, door dezelfde indieners ook een wetsvoorstel tot oprichting van een evaluatiecommissie en, vooral, een wetsvoorstel dat het recht op palliatieve zorgverlening wettelijk verankert, werd opgesteld.

    Spreekster verwacht veel van de hoorzittingen die in het vooruitzicht worden gesteld. Zij zouden een antwoord moeten bieden op een aantal pertinente vragen die het debat over de inhoud van de voorstellen verruimen. De hoorzittingen zijn een gedroomde kans om aan specialisten met jarenlange ervaring in deze materie een forum te bieden en om hen te laten getuigen van wat leeft in het veld.

    De hoorzittingen zullen alleszins stof tot discussie aanreiken, een aantal begrippen verduidelijken en, hopelijk, bruggen bouwen tussen de verschillende zienswijzen die werden uiteengezet.

    2. Palliatieve zorgverlening

    Het lid gaat vervolgens in op een aantal bedenkingen die door voorgaande sprekers werden geformuleerd met betrekking tot de palliatieve zorgverlening.

    Iedereen in deze vergadering is het er wel over eens dat de palliatieve zorgverlening verder moet worden uitgebouwd zodat zij toegankelijk is voor alle patiŽnten, in de door hun gekozen omgeving, ongeacht hun financiŽle toestand.

    Terecht werd door een andere spreker opgemerkt dat palliatieve zorg geen afzonderlijk pakketje hulpverlening is. Ze past in een voortgezette medische benadering waarin de bekommernis voor de patiŽnt centraal staat. Dit komt zeer goed tot uiting in de Franstalige benaming van deze vorm van hulpverlening, waar men spreekt over ę soins palliatifs et continuťs Ľ.

    Een degelijke palliatieve zorgverlening vergt evenwel de inzet van personeel : goed opgeleide artsen, verpleegkundigen en verzorgers die kennis hebben van de medische mogelijkheden (bijvoorbeeld pijnbestrijding) maar die ook een goede psychische en sociale ondersteuning kunnen geven aan de patiŽnt, zijn familie en zijn omgeving.

    Wie ervaring heeft met de praktijk weet dat dit geen evidente zaak is. Het kan toch niet dat in een rustoord met zestig bedden, slechts vier verzorgers ter beschikking staan van al de bewoners. Deze vier verzorgers staan, naast hun gewone taken, tegelijk in voor de stervensbegeleiding van twee mensen. Dit houdt onder meer in dat zij de familie moeten opvangen die een erg moeilijke periode doormaakt.

    Men mag zich dan ook gelukkig prijzen dat in deze sector vrijwilligers actief zijn. Moet hiermee overigens geen rekening worden gehouden wanneer op het vlak van de gemeenschappen maatregelen worden uitgewerkt ?

    Uit de ervaring op het terrein blijkt dat er erg veel vraag is naar euthanasie bij de aanvang van het palliatieve zorgenprogramma. Veel van deze vragen ebben echter weg indien de patiŽnt met goede zorg omringd wordt, indien de familie goed begeleid wordt.

    Er zijn echter vragen naar euthanasie die blijven en ook op die vragen moet de samenleving een antwoord kunnen bieden. In eerste instantie moeten deze patiŽnten gehoord, geÔnformeerd en begeleid worden. Daarnaast moet echter met hun terechte vragen in alle ernst en respect rekening worden gehouden.

    3. Euthanasie

    3.1. De patiŽnt centraal

    Het is duidelijk dat in het euthanasiedebat de patiŽnt centraal moet staan. Hij, en hij alleen, kan om euthanasie vragen. De arts moet trachten de echte vraag naar euthanasie te herkennen. Hij moet daarvoor meerdere gesprekken voeren met de patiŽnt die overigens volledig op de hoogte moet zijn van zijn toestand.

    De patiŽnt moet die informatie individueel en in een begrijpelijke taal krijgen. De arts moet tijd maken om met de patiŽnt tot een open relatie te komen en vooral bereid zijn te luisteren. In de opleiding van de artsen zal in de toekomst meer rekening moeten worden gehouden met dit soort opdrachten.

    Spreekster onderstreept dat vooral wanneer een beroep wordt gedaan op de ę nood Ľ waarin de patiŽnt verkeert, uiterste oplettendheid vanwege de arts vereist is. Hopelijk zullen de hoorzittingen meer duidelijkheid brengen over de precieze invulling van dit soort begrippen.

    Wanneer zij stelt dat het uiteindelijk de patiŽnt is die beslist, mag dit niet worden geÔnterpreteerd als een pleidooi voor een ę egoÔstische Ľ opstelling van de patiŽnt. Hij is immers niet alleen een individu, maar leeft binnen een relationeel veld. Indien hij dit wenst, moet hij volop de mogelijkheid krijgen zijn situatie te bespreken met zijn omgeving en zijn wil tegenover zijn naasten te verduidelijken, eventueel met begeleiding van de arts.

    Indien echter de patiŽnt zijn beslissing alleen wenst te nemen, zonder overleg met de familie of met het medisch team, dan is dit zijn volste recht en dient zijn wil gerespecteerd te worden.

    3.2. De arts

    Het lid acht het belangrijk dat een wettelijke regeling inzake euthanasie niet alleen oog heeft voor de situatie van de patiŽnt, maar ook de nodige steun biedt aan de arts. De zorgvuldigheidseisen zijn vanzelfsprekend een waarborg voor de zieke, maar tegelijk moeten ze zodanig geformuleerd zijn, dat de arts die ze naleeft, de nodige waarborgen heeft dat hij niet zal worden vervolgd.

    De aandacht voor de arts moet echter verder gaan dan het strikt juridisch terrein. De geneesheer moet geholpen worden met duidelijke richtlijnen die betrekking hebben zowel op de periode die de euthanasie vooraf gaat als die erna. Zoals reeds eerder gezegd is het van fundamenteel belang dat in de opleiding meer aandacht wordt geschonken aan de opdrachten die de arts heeft buiten het strikte medische domein.

    3.3. Het gedoogbeleid

    Spreekster merkt op dat door verschillende andere leden al is verwezen naar de interuniversitaire studie over het medisch handelen bij het levenseinde. Hoewel van dit onderzoek nog maar zeer gedeeltelijke resultaten bekend zijn, geven zij toch een duidelijke aanwijzing van de problemen waartoe het huidige gedoogbeleid aanleiding geeft. Ondanks de principiŽle verbodsbepalingen van het Strafwetboek, worden in ons land een groot aantal levens beŽindigd via actief medisch ingrijpen, zonder dat er terzake overleg met of een vraag van de patiŽnt geweest is. Dit is een situatie waar de beleidsverantwoordelijken niet blind voor kunnen blijven. De patiŽnt heeft in alle situaties recht op informatie en overleg.

    Belangrijk in dit verband is dat een aantal zaken niet door elkaar worden gehaald, zoals het tegengaan van medische hardnekkigheid, het toedienen van pijnstillers die levensverkorting tot gevolg kunnen hebben, euthanasie op verzoek van de patiŽnt, levensbeŽindiging zonder dat de patiŽnt op de hoogte is, etc. Het is in de huidige omstandigheden zeer moeilijk de medische praktijk op al deze vlakken in kaart te brengen. Een wettelijke regeling moet hier wel duidelijke scheidslijnen trekken en mede hierom is het zo belangrijk dat die wettelijke regeling er ook komt.

    4. Conclusie

    Het lid resumeert tot slot wat voor haar belangrijk is in een euthanasieregeling :

    ≠ de patiŽnt dient centraal te staan;

    ≠ een wettelijke regeling moet zowel de rechtszekerheid van de patiŽnt als die van de arts garanderen.

    Hierover is iedereen in deze vergadering het wel eens. De standpunten liggen evenwel nog zeer ver uit elkaar over een aantal andere thema's :

    ≠ moet een wetgeving voorzien in de mogelijkheid voor het opstellen van een wilsverklaring, waarbij men kan bepalen welke medische handelingen, in het bijzonder euthanasie, kunnen worden uitgevoerd op een ogenblik dat men niet meer in staat is zijn wil te kennen te geven ?

    ≠ is euthanasie alleen mogelijk wanneer de zieke in een terminale fase is, of kan ze ook worden toegepast bij patiŽnten die nog lange tijd te leven hebben maar die zich in een toestand van uitzichtloos lijden bevinden ?

    ≠ is euthanasie alleen mogelijk indien de patiŽnt ondraaglijke pijn heeft waaruit hij niet kan worden verlost of kan ook een algemene psychologische nood in aanmerking worden genomen ?

    Spreekster besluit dat zij het eens kan zijn met de opmerkingen van een ander lid in verband met de zelfmoord bij jongeren en het zou ongetwijfeld de moeite lonen dat de Senaat hier een debat aan wijdt. Het lijkt echter niet wenselijk dat die thematiek bij deze besprekingen wordt betrokken. De twee zaken moeten los van elkaar worden gezien.

    Een lid verklaart dat ze in haar uiteenzetting achtereenvolgens drie aspecten zal behandelen : het filosofische en ethische, het juridische en strafrechtelijke en het medische aspect.

    De rode draad daarin zijn haar fenomenologische benadering evenals de vragen van de patiŽnten.

    Eenieder is het ermee eens dat aan deze vragen moet worden tegemoetgekomen. De kwestie is dan echter hoe dat best gebeurt.

    Op filosofisch en ethisch vlak is er, enerzijds, het fundamentele principe dat het verboden is iemand te doden en, anderzijds, de vrijheid van het individu om zijn lot te bepalen en om over zichzelf te beschikken.

    Een vorige spreker citeerde een filosoof die van oordeel is dat de democratie een lege doos is, waarin het er dan op aan komt een plaats te vinden voor alle vertolkte filosofische keuzen.

    Spreekster is zelf van oordeel dat de democratie een ę overvolle Ľ doos is door de veelheid en de rijkdom van de opinies die erin worden vertolkt.

    In plaats van het ene principe de overhand te geven op het andere, moet men proberen ze aan elkaar te koppelen.

    Het verbod om iemand te doden, moet ingeschreven blijven in het Strafwetboek dat dezelfde essentiŽle functie heeft als de Staat, namelijk bakens uitzetten om het geweld te verhinderen, vooral ten opzichte van de zwaksten en de armsten.

    Het optreden van de arts ten opzichte van de patiŽnt mag niet worden opgevat als een ontmoeting van twee individuele vrijheden.

    Het gaat hier niet om privť-relaties. Het gaat om een relatie waarin de arts een sociale functie vervult.

    Hij staat daarin overigens niet alleen : hij oefent een beroep uit en wordt daarbij omkaderd door een deontologie.

    Spreekster onderstreept dat het concept van vrijheid en autonomie op het einde van het leven vrij abstract wordt.

    Over dat concept kan maar worden gedebatteerd in correlatie met de anderen; het moet globaal worden opgevat en niet alleen vanuit het standpunt van het individu.

    Over welke autonomie beschikken sommige bejaarde personen trouwens nog wanneer ze seniel of dement geworden zijn in een wereld waarin steeds meer mensen vereenzamen ?

    Volgens spreekster mag het Strafwetboek niet louter een catalogus van normen zijn. Het moet bakens bevatten en het moet door een sociaal project worden ondersteund.

    In dat opzicht, en in tegenstelling tot een aantal hedendaagse auteurs die zich willen beperken tot het vastleggen van regels voor formele procedures ≠ waarbij de inhoud van die normen door elkeen kan worden ingevuld ≠ wil spreekster de weddenschap aangaan dat het in onze maatschappij nog mogelijk is om tot een gemeenschappelijke moraal te komen.

    Zij hoopt dat er in het huidige debat een formule kan worden gevonden die de enkele essentiŽle waarden die er nog overblijven en die we aan de toekomstige generaties moeten kunnen doorgeven, niet te grabbel gooit.

    Vanuit juridisch en strafrechtelijk oogpunt behoort het behoud in het Strafwetboek van het verbod om iemand te doden tot een elementair voorzorgsprincipe.

    Volgens de algemene filosofie van het strafrecht kan men geen wet maken door een algemene maatregel uit te vaardigen over iets wat een uitzondering blijft. De zogenaamde herhaalde en bewuste vragen zijn immers erg zeldzaam. Het gaat hier om de coherentie in de maatschappijvisie.

    In tegenstelling tot de opvatting van vorige sprekers, is spreekster van oordeel dat de symbolische waarde van de dingen in dit debat een bijzondere plaats inneemt. Het recht is trouwens de plaats bij uitstek waar symbolen gedefinieerd worden en vorm krijgen.

    Een vorige spreker stelde voor om inzake euthanasie buitengewone rechtvaardigingsgronden te creŽren.

    De noodtoestand is wel een objectieve maar geen buitengewone rechtvaardigingsgrond.

    Het voordeel van deze bepaling is dat klaar en duidelijk wordt gezegd dat we hier bij de uitzonderingen terechtkomen, bij de beoordeling geval per geval.

    De arts kan optreden, op voorwaarde dat er een noodtoestand aanwezig is.

    Het parket moet vervolgen en de arts zal voor de rechtbank moeten aantonen waarom hij oordeelde dat er een noodtoestand was die zijn handeling rechtvaardigde en de rechter zal die noodtoestand vrij kunnen beoordelen.

    In het systeem dat de zes leden van de meerderheid voorstellen, wordt de euthanasie behandeld als gelijk welke andere medische handeling en zal de persoon die een onregelmatigheid meldt, hiervoor de nodige bewijzen moeten leveren.

    Men weet echter hoe moeilijk het is om bewijzen aan te voeren als het gaat om medische handelingen.

    Spreekster vraag zich overigens af wie er in de huidige stand van zaken vragende partij is voor de invoering van buitengewone rechtvaardigheidsgronden in het Strafwetboek.

    Vele artsen, verplegers en verenigingen zijn dat niet. De Orde van geneesheren evenmin. De wetgever moet toch wetten maken in het belang van de personen die ze nodig hebben.

    Er zou een ernstig sociaal probleem kunnen ontstaan wanneer een tekst zou worden aangenomen die indruist tegen het standpunt van de Orde van geneesheren en waarvoor op het terrein geen enkele consensus kan worden gevonden. Bepaalde krachtsverhoudingen zullen moeten worden geregeld.

    Deze materie valt eerder onder de algemene regelgeving dan onder het strafwet. Het zou interessant zijn na te gaan welke procedures andere landen terzake hebben uitgewerkt.

    Om al die redenen lijken hoorzittingen noodzakelijk. Een vraag daartoe werd ingediend.

    Vanuit medisch oogpunt moet worden onderstreept dat de geneeskunde evolueert; ook de pijnverlichting gaat er jaarlijks aanzienlijk op vooruit.

    We kunnen ons dan ook afvragen of de juristen werkelijk goed geÔnformeerd zijn over alle aspecten van deze evolutie en of de definitie die aan euthanasie wordt gegeven nog overeenstemt met de huidige medische praktijken ?

    In dat opzicht zouden hoorzittingen met artsen die in palliatieve en intensieve diensten werken, bijzonder verhelderend zijn.

    Er moet een medische toelichting komen over het onderscheid tussen bewuste en niet bewuste patiŽnten. Volgens de geneesheren is dat onderscheid niet zo gemakkelijk te maken als op het eerste gezicht lijkt.

    Met betrekking tot de palliatieve zorg verklaart de spreekster dat, ook al wordt er geen direct verband gelegd met euthanasie, het in deze materie essentieel is dat aan de vraag wordt tegemoetgekomen.

    De sector van de palliatieve zorg heeft al laten weten dat zij vrezen dat de toekomstige wet een rem zal zetten op de ontwikkeling van de palliatieve zorg; ze zal ten minste zo worden opgevat.

    Dit aspect verdient alle aandacht, vooral omdat de palliatieve zorg van het grootste belang is voor zowel de patiŽnt als de familie.

    Spreekster vraagt zich voorts af of het systeem van het beroep op een gevolmachtigde het normale rouwproces niet zal belemmeren.

    Tot besluit drukt spreekster de wens uit dat er een reguleringsprocedure voor het uitoefenen van de geneeskunde kan worden gevonden waardoor zowel de willekeurige euthanasie kan worden verhinderd als tegemoet kan worden gekomen aan de vraag naar euthanasie in uitzonderlijke gevallen.

    Ze vraagt zich in dat opzicht af of het voorstel nummer 3 van het Raadgevend Comitť voor bio-ethiek niet een goede, misschien zelfs de beste, oplossing zou zijn om een consensus te vinden tussen alle filosofische strekkingen.

    Een ander lid wenst, vertrekkend vanuit een aantal concrete ervaringen, enkele algemene bedenkingen te geven bij deze aangelegenheid.

    Onlangs woonde zij de begrafenis bij van een man van 37 die een hersentumor had en al een tijdlang steun vond in het palliatief dagcentrum waarvan zij de meter is. Hij had twee kleine kinderen en is tot de laatste dag, met nog een laatste reeks bestralingen in het ziekenhuis, blijven vechten voor zijn leven, hoewel hij enkele weken voordien in het dagcentrum met een toneelstuk zijn testament had neergezet. Hij wou het zo.

    Enkele maanden geleden heeft zij het sterven begeleid van een vrouw van 85 die darmkanker had, en voor wie elke dag dat ze leefde er een te veel was. Zij kon niet meer naar huis en lag in het ziekenhuis. Om complicaties te vermijden die men in de palliatie met de beschikbare pijnbestrijding niet onder controle zou kunnen houden, heeft zij nog een zware operatie ondergaan (met plaatsen van een stoma) een week (maar het had maanden kunnen zijn) voor haar dood. Zij wou het niet zo, maar werd onder druk gezet en zag zelf geen uitweg. Deze fiere vrouw is op de voor haar meest onwaardige manier gegaan, terwijl ze alsmaar bleef vragen : heb ik nu nog niet genoeg geleefd ?

    Zij getuigt vervolgens van het afscheid van een jongen van 13 in een terminale fase, die wekenlang met zijn ouders gepraat heeft om hen ervan te overtuigen dat hij echt niet meer kon, dat de pijn ondraaglijk was en alleen nog zou verergeren, en dat hij van hen in schoonheid afscheid wou nemen. Zij hebben hem daarin gevolgd en hij is gelukkig gestorven.

    Zij vermeldt deze situaties omdat ze aangeven hoe persoonlijk de naderende dood is, en hoe een ander noch in de ene, noch in de andere richting, radicaal voor de stervenden kan spreken.

    Euthanasie (de zachte dood) is een daad van barmhartigheid. Het is niet, zoals sommigen beweren in een karikaturaal verband, de vijand die achter de deur van zwakke zieken loert. Het is een hulpmiddel voor wie te zeer lijdt, voor wie er geen uitweg is, en voor wie verlost wil worden in schoonheid. Voor wie het anders wil en kan, is euthanasie niet relevant.

    Zij gelooft in een sterk uitgebouwde palliatieve zorg, en heeft met ę Kom op tegen Kanker Ľ vanaf 1991 de eerste uitbouw ervan in Vlaanderen van dichtbij kunnen volgen ≠ dit gebeurde, naast de inspanningen van de overheid, met gelden die waren ingezameld en een sensibiliseringscampagne. Palliatieve zorg is zeer belangrijk en kan veel. Niet alleen op fysiek en psychisch vlak, maar ook op spiritueel vlak. Het verleggen van grenzen, het waarmaken van de laatste dromen. Denk maar aan wat zich deze week heeft afgespeeld in de splinternieuwe hospice in het Middelheimziekenhuis in Antwerpen, waar kunstenaar Albert Szukalski met de hulp van vrienden kunstenaars zijn laatste beeld heeft kunnen maken, zijn testament.

    Spreekster vertelt dat zij al 8 jaar goed vertrouwd is met de palliatieve centra en weet dat er zo vele voorbeelden zijn van kleine en grote wensen, die met de hulp van vrijwilligers en grote inzet van het personeel worden verwezenlijkt.

    Pijnbestrijding moet beter. Die evolutie komt er, maar het is niet omdat alles kan dat het ook in elk geval wenselijk is.

    Palliatieve zorg lost evenwel niet alles op, en dat heeft te maken met de persoonlijkheid, de draagkracht en het ziektebeeld van de patiŽnt. Waar binnen de palliatieve zorg alles wordt gedaan om de mens in de patiŽnt centraal te stellen en om die laatste maanden, weken, dagen te organiseren zoals hij dat wil, met zijn persoonlijkheid en zijn draagkracht, zo moet ook voldoende respect worden opgebracht als de persoonlijkheid en de draagkracht van de patiŽnt gebieden dat het anders moet, dat het einde bereikt is. Men moet daar begrip en bewondering voor opbrengen. De samenleving moet zich bekommeren om diegenen die ons om de mogelijkheid van euthanasie vragen, uit barmhartigheid en respect.

    Natuurlijk mag men niet blind zijn voor mogelijke gevaren, en precies daarom (daarover is iedereen het wellicht eens) zijn de punten die een collega aanbracht om de zorgvuldigheid te vergroten, zo belangrijk.

    Maar men moet ook niet blind zijn voor de realiteit van vandaag. Uit het recente onderzoek van de Belgische en Nederlandse professoren blijkt dat aan 20 000 van de jaarlijks 56 000 sterfgevallen in Vlaanderen een medische handeling voorafgaat die levensverkortend is. En dat in minstens 2 000 gevallen dodende middelen worden gebruikt. In zeker 1 000 gevallen zou dit zonder medeweten van de patiŽnt gebeuren. Sommige collega's hebben dit gisteren verontrustend genoemd, maar haar verbaast dit eerlijk gezegd niet.

    Spreekster vraagt of dit nu moet betekenen dat op tal van plaatsen berekenende artsen en ongeduldige erfgenamen de handen in elkaar hebben geslagen ? In uitzonderlijke gevallen misschien wel. Maar zelf heeft zij ≠ niet als arts maar als medemens ≠ naast te veel terminale zieken (heel jonge en oudere) gestaan om niet te weten dat ook hier een ≠ vaak stilzwijgende, vaak smekende ≠ daad van barmhartigheid is vervuld. Mensen gaan door de hel bij het overlijden van hun dierbaren ≠ of het nu gaat om een partner, ouder of kind, of een goede vriend. Het einde van een geliefde versnellen gebeurt nooit lichtzinnig. Net zomin als euthanasie in hoofde van de patiŽnt, gaan de naasten of de behandelende arts lichtzinnig te werk. Amerikaans onderzoek in Nederland heeft uitgewezen dat het plegen van euthanasie voor een arts nooit een gewoonte wordt, het is altijd weer de eerste keer en het emotionele proces is ook voor de arts een moeilijke zaak, ondanks het serene karakter, of de dankbaarheid en het geluk van de patiŽnt voor hij inslaapt.

    Een van de grote problemen in het geheel van de stervensbegeleiding, is de communicatie. De palliatieve zorgcultuur heeft al veel veranderd op dit vlak. Terecht heeft een ander lid opgemerkt dat de scholing van artsen veel te wensen over laat en dat dit in opleidingen en bijscholingen prioritair zou moeten worden ingehaald. Een goede en correcte communicatie, de wil en de vaardigheden om te luisteren en correct te antwoorden, dit moet zelfs veel vroeger dan bij de stervensbegeleiding een normale houding worden binnen de geneeskundige wereld. Want het is vanaf het ogenblik dat men voor het eerst hoort dat men aan een ongeneeslijke ziekte lijdt, dat deze wederzijdse communicatie optimaal zou moeten zijn.

    Maar ook in onze cultuur in het algemeen is spreken over de dood, over afscheid nemen van elkaar, iets waar wij het zeer moeilijk mee hebben. PatiŽnten verbergen hun lijden en hun verdriet voor hun familieleden, en omgekeerd willen diegenen die het dichtst bij de patiŽnt staan niet laten zien dat de dood zich toont, dat zij bang zijn. Vaak willen ze het zelf ook niet zien. Er wordt dus meestal niet echt afscheid genomen, ook niet als mensen dit echt zouden willen, omdat wij dit in onze cultuur niet geleerd hebben. Hierdoor wordt het rouwproces achteraf bemoeilijkt.

    Spreekster acht ook daarom, omwille van die communicatie over het sterven, dit euthanasiedebat zo belangrijk. In tegenstelling tot een vorige spreker, is zij van oordeel dat het debat hierbuiten terecht en goed gevoerd wordt. Men leest en hoort meer en meer getuigenissen van betrokken mensen die over de essentie van het sterven gaan, en niet over de punten en komma's waar de commissies zich hier over buigen. Vandaar dat de commissies ook meer de patiŽnten zelf moeten horen.

    Zij was verbaasd omdat niemand dit heeft aangebracht wanneer er sprake was van hoorzittingen. Niet alleen artsen en verpleegkundigen, maar ook de patiŽnten moeten worden gehoord.

    Hier wordt gepraat over het sterven van mensen, en dat zou met meer deemoed moeten gebeuren, met minder lawaai dan soms het geval is geweest. In alle sereniteit. En het valt toch op dat de gesprekken hier binnenskamers daar meer aan voldoen dan wat er soms van naar buiten gaat eens de deuren openzwaaien. Hoe dan ook, de leden van deze commissies moeten er wel uit geraken, en de standpunten liggen ver uiteen. Niet alleen wat betreft de punctuele zaken, maar vooral ook wat betreft het uitgangspunt.

    Spreekster vindt dat andere leden dit zeer goed hebben verwoord. Het gaat hier om de vraag of we ja dan nee de patiŽnt zelfbeschikkingsrecht willen geven. Mag de patiŽnt over zijn draagkracht, zijn lijden en waardigheid oordelen samen met zijn arts en zijn meest dierbaren (want dit gebeurt in de regel samen), of moet hij hierbij door een aantal wijze ≠ of minder wijze ≠ mensen die hij niet kent, die hem niet kennen, worden beoordeeld ? Dat is de vraag waaruit zal moeten blijken of de kloof te diep is of overbrugbaar.

    Zij heeft goed geluisterd naar een lid, dat gezegd heeft dat dit een symbooldiscussie is, en dat daarachter een samenlevingsproject zit (daaronder verstaat zij dat dit project niet mag worden veranderd).

    Wat dit betreft was de uiteenzetting van een ander lid verhelderend.

    Symbolen veranderen. Zij begrijpt dat mensen zich aan bepaalde symbolen vastklampen terwijl de symbolen in de gemeenschap langzaam een andere invulling krijgen.

    Zij begrijpt dit, maar het is slechts ťťn invalshoek, niet dť invalshoek.

    Persoonlijk denkt zij dat zij met bepaalde collega's tot een goede uitgebalanceerde tekst zou kunnen komen, maar betwijfelt stilaan of dit met anderen ook zo is. Toch moet het gesprek voortgaan. Niet tot in het oneindige. Want elke dag worden mensen ongeneeslijk ziek en elke dag sterven er mensen, van wie velen verwachten dat hier eindelijk werk van wordt gemaakt.

    Een lid stelt vast dat een aantal leden telkens opnieuw beweren het debat sereen te willen voeren maar tegelijk van de gelegenheid gebruik maken om de polemiek aan te wakkeren. Hij herinnert eraan dat hijzelf en de fractie waarvan hij voorzitter is, zich de voorbije legislatuur sterk hebben ingespannen om een aantal ethische thema's, waaronder euthanasie, aan de agenda te plaatsen en het gesprek op gang te brengen.

    Hij heeft overigens ook nogal wat bedenkingen bij de wijze waarop een ander lid onlangs de grondslagen van deze bespreking heeft geschetst. Hier werd zonder meer een karikatuur gegeven van een bepaalde visie die binnen deze commissie naar voor werd gebracht.

    Een ander lid stelt vast dat een debat haast op een natuurlijke wijze leidt naar een meer nauwkeurige identificatie van de verschillen die er blijven bestaan tussen de diverse standpunten.

    Anderzijds mag men niemand een intentieproces aandoen voor zijn persoonlijke strijd in zijn eigen milieu.

    Spreker heeft bovendien bepaalde karikaturale uitspraken en zelfs totaal onoorbare beledigingen gehoord waarop hij echter niet wenst te antwoorden.

    Het komt hem alleszins voor dat sommige reacties die bepaalde uitspraken teweeg hebben gebracht niet als argumenten mogen worden gebruikt.

    Een lid stelt vast dat er al heel wat uiteenzettingen met uiteenlopende strekkingen werden gehouden.

    Sommigen verklaarden absoluut gekant te zijn tegen een gedeeltelijke legalisering van euthanasie of, maar dat was soms dubbelzinnig, tegen een regeling van de uitoefening van euthanasie in de Strafwet. Er werden daarvoor meerdere argumenten naar voor gebracht. Spreker wil het niet hebben over de argumenten die voortspruiten uit de fundamentele overtuiging van personen die gehecht zijn aan filosofische of religieuze dogma's. Hij kan er naar luisteren maar het komt hem niet toe ze in twijfel te trekken. Hij voelt er zich alleszins niet door gebonden.

    Hij voelt zich meer aangesproken door de sprekers die, vanuit sociologische of juridische overwegingen, twijfelen aan de opportuniteit om wetgevend op te treden. Hij benadrukt dat hij er met belangstelling naar luistert.

    Hij heeft met dezelfde belangstelling geluisterd naar de juridische commentaren bij de tekst van het wetsvoorstel dat door zes leden van de meerderheidspartijen werd ingediend. Sommige constructieve opmerkingen zullen deze tekst ongetwijfeld verbeteren, zonder de essentiŽle oriŽntaties ervan in het gedrang te brengen.

    Met betrekking tot zijn eigen benadering van het basisprobleem wenst spreker te beklemtonen dat hij naar dit debat gekomen is zonder a priori en, zoals ook andere ę nieuwe senatoren Ľ verklaarden, met een minder grondige kennis van het dossier dan sommige collega's. In dit stadium van het debat, na geluisterd, gelezen, gediscussieerd en nagedacht te hebben, voelt hij zich gesterkt in zijn overtuiging dat er een wetgeving voor euthanasie moet worden uitgewerkt.

    Hij stelt vast dat euthanasie in de praktijk vrij veel wordt uitgevoerd. De weinige studies over de situatie in BelgiŽ kunnen worden vergeleken met de twee grote Nederlandse studies van 1990, het rapport Van Remelink, en 1995. Deze vergelijkingen bevestigen de beschikbare cijfers, al blijken er enkele verhelderende verschillen te zijn.

    Volgens de interuniversitaire studie waarover men sinds kort beschikt, zou er in Vlaanderen bij 1 % van de 56 000 jaarlijkse sterfgevallen van een echte euthanasie sprake zijn. In 3 % van de gevallen zouden er echter dodelijke substanties zijn ingespoten zonder de patiŽnt te raadplegen. Zoals de auteurs onderstrepen, moeten deze twee cijfers worden vergeleken met de Nederlandse, namelijk 2,4 % voor de echte euthanasie tegen slechts 0,7 % voor de ongevraagde levensbeŽindigingen !

    Deze gegevens bevestigen wat voorstanders van een wettelijke omkadering van euthanasie al lang verklaren : het absolute strafrechtelijke verbod dat op de medische handeling weegt, moet worden geheven om met meer vrijheid te kunnen spreken en om de dialoog tussen de patiŽnt en zijn arts te herstellen. Het verbod beperkt de communicatie en het clandestiene karakter veroorzaakt haastige, niet overlegde beslissingen.

    Het veroorzaakt zelfs ontsporingen. Spreker wil het geval waarmee het gerecht in Luik vandaag geconfronteerd wordt niet uitbuiten. Hij bevestigt wel de talrijke getuigenissen. Hij verwijst ook naar de talrijke lezersbrieven die dagelijks in de kranten verschijnen en naar de verhalen die zuster Lťontine in haar werk over euthanasie vertelt.

    Met de cijfers voor ogen is het niet langer mogelijk dit argument zomaar weg te wuiven omdat het zou gaan om een ę zeer uitzonderlijke Ľ toestand : 3 % is enorm veel. De wetgever moet hier optreden.

    Men kan niet langer zeggen ę wij weten dat dit gebeurt, wij tolereren het, maar wij willen de wetgeving niet veranderen Ľ. Het gaat hier natuurlijk om de strafwetgeving. Op dit debat weegt immers het strafrechtelijk taboe.

    Alleen een wijziging van het strafrecht kan juridische zekerheid brengen. De invoering van het begrip ę euthanasie Ľ via een wet of een wijziging van een koninklijk besluit, zonder het strafrecht te wijzigen, zal de onzekerheid niet wegnemen. Euthanasie blijft formeel immers gebonden aan het begrip ę moord Ľ. De artsen zullen bij hun handelingen, welke die ook zijn, nog altijd de dreiging voelen van een veroordeling wegens moord. Dat wil men nu juist veranderen omdat de waardeveranderingen in de samenleving dit vereisen : als bepaalde objectieve voorwaarden en strikte procedures in acht worden genomen zou euthanasie geen moord meer zijn.

    Met de andere voorgestelde maatregelen kan dat doel niet worden bereikt. In Nederland, waar de sociale consensus, op basis van de instemming van de grote meerderheid van de artsen en de magistraten, het mogelijk heeft gemaakt een controle op de praktijk te organiseren zonder wijziging van het Strafwetboek, denkt men vandaag aan de depenalisering als het middel om uit de nog bestaande problemen te geraken.

    We stellen vast dat in BelgiŽ de hele regeling inzake medische deontologie niet voldoet. De raad van de Orde van geneesheren wordt geconfronteerd met de dubbelzinnigheden van een deontologische Code waarin ongenuanceerd staat dat de arts zijn patiŽnt niet opzettelijk mag doden. Tegelijkertijd echter roept diezelfde code de vrijwaring van de waardigheid van de patiŽnt in als een middel om aan het eerste absolute verbod te ontsnappen.

    Het gaat ook hier om een vorm van collectieve hypocrisie : uit angst om de dingen duidelijk bij naam te noemen, wordt een strikte tekst opgesteld en gaat men er van bij de redactie al van uit dat overschrijdingen zullen worden getolereerd.

    Hetzelfde probleem bestaat op het niveau van de corporatieve regels. Ze bevatten dezelfde dubbelzinnigheid als de wettelijke regels.

    Spreker heeft de indruk dat het gezag van een tekst op die manier evenveel, of zelfs nog meer, wordt ondermijnd dan door hem een andere beperkte wending te geven waarover een openbaar debat heeft plaatsgevonden en die wordt aanvaard.

    De zogenaamde ę symboolwaarde Ľ van het strafrecht, die zo vaak wordt ingeroepen, wordt dagelijks ondermijnd door de contradictie tussen courante sociaal aanvaarde praktijken en de tekst zelf van het strafrecht.

    Er wordt beweerd dat deze tekst het gebod ę gij zult niet doden Ľ in absolute termen moet afkondigen teneinde te worden nageleefd, waarbij de uitzonderingen die sedert lang werden opgelegd, en die spreker persoonlijk veel meer storen, over het hoofd worden gezien : de doodstraf en het recht op oorlog.

    Spreker besluit, na alle uiteenzettingen te hebben beluisterd, dat hij veeleer voorstander is van een tekst die klaar en duidelijk omschrijft welke beperkingen de samenleving wil opleggen aan een praktijk die ze wettelijk acht, dan van een integere tekst die dagelijks wordt overtreden, soms in alle openheid, soms in het duister.

    Over deze beperkingen moet er op een serene wijze worden gedebatteerd. Het is van essentieel belang dat dit debat plaatsvindt na de komende hoorzittingen en ter gelegenheid van de artikelsgewijze bespreking.

    Een ander lid verwijst naar het citaat van professor LadriŤre, dat ook al door een vorige spreker werd aangehaald : ę Niemand beschikt over een geprivilegieerde bevoegdheid inzake ethiek. Daarom mag de ethische reflex slechts een collectieve onderneming zijn, waarbij de verschillende standpunten nader tot mekaar moeten kunnen komen, hopend op een gelijkgerichtheid die gerechtvaardigd wordt door een fundamenteel geloof in de universele rede. Ľ

    Het lid heeft de debatten van vorige week erg geapprecieerd en dankt de sprekers voor de kwaliteit van het fundamenteel debat dat eruit voortvloeide.

    Hij stelt voor, met het oog op de helderheid in de relaties tussen de commissie en de buitenwereld, om tot een akkoord te komen over de namen die de verschillende voorstellen in de discussies krijgen. Zo kunnen verwarringen en verkeerde interpretaties worden voorkomen.

    Hij is voorstander van de naam die een spreker gegeven heeft aan de voorstellen van de meerderheidspartijen, namelijk ę de voorstellen van de zes indieners Ľ. De andere voorstellen zouden de naam kunnen krijgen van de eerste van de ondertekenaars.

    Aldus kan worden vermeden dat de benaming van de voorstellen al onmiddellijk naar een partijstandpunt verwijst. Het betreft hier immers een bio-ethisch debat, waarin iedereen volgens zijn eigen geweten een standpunt moet innemen en waarin partijtucht en regeringsaanwijzingen geen rol mogen spelen. Bovendien heeft de algemene bespreking onder meer tot doel een zo breed mogelijke consensus of alleszins een maximum aan klaarheid en begrijpelijkheid te bereiken.

    Tijdens een vorige vergadering sprak iemand opnieuw over een verborgen agenda. Spreker zegt daar geen kennis van te hebben. Hij baseert zich op de woorden van de voorzitter van de commisie zelf : ę geen haast, geen rampzalig getalm. Ľ

    Spreker herinnert eraan dat hij geen jurist is en dat hij een bijkomende juridische toelichting nodig vindt. De teksten die in de Senaat zullen worden aangenomen, zullen immers door juristen, rechtsgeleerden en experts uit de hele wereld worden gelezen en becommentarieerd.

    De teksten over palliatieve zorg en euthanasie moeten daarom alle nodige juridische waarborgen bieden om te kunnen beantwoorden aan de doelstellingen inzake het recht van de patiŽnt op een humane en technisch passende algemene verzorging, aan de doelstellingen van een gepersonaliseerde en diepgaande eerbied voor de autonomie waarover hij als menselijk wezen moet kunnen beschikken en aan de doelstellingen inzake hulp voor de verwanten en steun aan de zorgverstrekkers en de begeleiders.

    In welke mate volgen en hernemen de voorstellen de vooruitgang en de verworvenheden van de meerderheid van de leden van het Raadgevend Comitť voor de bio-ethiek ? Volgens spreker situeren deze voorstellen zich, wat de grond van de zaak betreft, tussen de voorstellen 2 en 3 van het Comitť.

    Ter attentie van een vorige spreker wenst het lid een verduidelijking te geven inzake het citaat dat hij heeft voorgelezen over de democratie.

    Hij preciseert niet verklaard te hebben dat de democratie een lege doos is, maar dat het lijkt alsof de macht in die democratie een lege doos is. Hij citeerde namelijk Hugues Poltier die in zijn boek ę Claude Lefort ≠ De ontdekking van de politiek Ľ het volgende schrijft : ę Een formule kruipt voortdurend in de pen van Lefort, als een Leitmotiv : een specifiek karakter van de democratie is dat de macht voor de eerste keer in de geschiedenis een lege doos blijkt te zijn. Ľ (...)

    ę De zin van deze formule wordt maar duidelijk als aan een dubbele voorwaarde wordt voldaan. Men moet zich in de eerste plaats goed bewust zijn van het verschil tussen de symboliek en de werkelijkheid en inzien dat de formule van toepassing is op het gezag dat eerder als symbolisch wordt aangezien. Voorts moet de nieuwe formule met vorige regimes worden vergeleken en moet er rekening worden gehouden met de achteruitgang van het geloof in de transcendente principes van de sociale orde. Ľ

    Doorheen deze evolutie ę hebben onze democratieŽn de neiging zich te identificeren met een ruimte die geregeld wordt door regels voor sociale verhoudingen en coŽxistentie Ľ. De symbolische en sociale band wordt vooral gevormd door de deelname aan het democratisch proces en door de impliciete erkenning van de legitimiteit van de vaak procedurele regels die haar ontwikkeling sturen.

    Voor meer verduidelijking verwijst spreker naar het geciteerde boek en naar Claude Lefort zelf.

    Het zou er in de democratie niet meer op aankomen te bepalen welke filosofische optie of ę zekerheid Ľ de voorrang moet krijgen. Er moet wel worden gestreefd naar de coŽxistentie van een veelheid aan fundamentele opties, zonder ze aan de andere te willen opleggen, in alle eerbied voor de democratische regels en het menselijk recht op vrijheid en solidariteit die onlosmakelijk met de democratie zijn verbonden.

    De sociale band wordt gevormd door de naleving van de procedures voor een vreedzame samenleving en voor pluralistische, vrije debatten.

    In dit democratische proces wordt de ontwikkeling van levenskeuzen voor en door iedereen aangemoedigd en wordt in de nodige middelen voorzien om solidair die ontwikkeling te stimuleren.

    Bestaat er in dat vooruitzicht van extreme situaties, die wij op het einde van het leven moeten ondergaan, geen bijna heilige ruimte waarin de collectieve wet, geconfronteerd met de ultieme keuze van een mens, ophoudt te evolueren en gedoemd is te zwijgen ? Er moet dan wel voor gezorgd worden dat alle mogelijke materiŽle en humane middelen worden aangewend om die mens een eigen stem te geven en niet slechts een echo van de sociaal-economische, psychologische of om het even welke druk die met het menselijk respect niets te maken heeft.

    Vanuit die optiek vindt spreker de dialoog van fundamenteel belang, en dat in tegenstelling tot het onherstelbare, de non-dialoog of de schijndialoog.

    Als personen die daartoe opgeleid zijn niet de nodige tijd hebben uitgetrokken om naar de patiŽnt te luisteren of als er geen dialoog is geweest tussen personen, tussen generaties, kan er misschien sprake zijn van een psychologische, culturele of spirituele moord gepleegd. Een medische handeling daarentegen, uitgevoerd in extreme omstandigheden, bij een ondraaglijk lijden dat niet gelenigd kan worden, zelfs indien de dood er het gevolg van is, in het raam van een echte dialoog en wederzijds menselijk respect, kan dan nog moeilijk een moord worden genoemd.

    Door dit debat treedt de kwestie van onze sterfelijkheid, van ons bestaan als sterfelijk wezen, opnieuw op de voorgrond. Nu de dood weer bespreekbaar wordt, zou ťťn van de grootste gevaren erin bestaan dit debat te omzeilen door er in een confrontatie ŗ la Don Camillo een karikatuur van te maken.

    Men spreekt niet over de dood omdat sterfelijkheid niet past in een tijd waarin de mens tot mateloze consumptie wordt aangezet.

    Sommigen willen het debat een andere richting uitsturen omdat, nu de mensen almaar ouder worden, dit niet meer als ę levensverwachting Ľ maar als een sociale last wordt gepercipieerd.

    Gelukkig heeft onze maatschappij in het recente verleden enige weliswaar nog broze ervaring opgedaan inzake het omgaan met en de begeleiding van mensen aan het einde van hun leven.

    De grootste nood doet zich niet voor naar aanleiding van euthanasieverzoeken, maar bij lijden, angst en menselijk eenzaamheid.

    Als men weet hoe vaak deze problemen voorkomen en welke ervaringen zijn opgedaan en men vindt dat deze problemen verholpen moeten worden, dan is het belangrijk, zoals de verschillende wetsvoorstellen aantonen, dat voortdurende en zo nodig ook palliatieve zorg voor iedereen toegankelijk zijn.

    De palliatieve zorg ligt in het verlengde van een kwaliteitsverzorging en -behandeling die toegankelijk moeten zijn voor iedere burger die er nood aan heeft.

    In die continuÔteit moet de palliatieve zorg afstralen op de gehele zorgverlening, of het nu gaat om luisteren, dialogeren, begeleiding of zoeken naar doeltreffende pijnstillende behandelingen of het comfort van de patiŽnt. Die verworvenheden moeten de zorgverlening menselijker maken. Men moet niet in een ongeneeslijke fase zijn aanbeland om een menselijke benadering in de zorgverlening te kunnen genieten.

    Een wetgeving die de voortdurende en palliatieve zorg een volwaardige plaats bezorgt binnen de gezondheidszorg en de ziekte- en invaliditeitssverzekering, zorgt ervoor dat ze opgenomen worden in het kader van de algemene toegang tot een passende en kwaliteitsvolle gezondheidszorg. Op die manier krijgen ze een plaats in de algemene solidariteit die de sociale zekerheid op een zo ruim mogelijke basis organiseert.

    De norm moet dus federaal zijn en de ervaringen, die van plaats tot plaats kunnen verschillen, moeten kunnen worden gedeeld, geŽvalueerd en gevaloriseerd in het kader van de samenwerking tussen gewesten en gemeenschappen.

    De voortdurende en palliatieve zorg is geen alternatief voor euthanasie maar leidt ertoe ≠ zonder dat dit haar hoofddoel is ≠ dat de vraag en de herhaalde vraag afneemt, zodat alleen nog zeldzame, vaak extreme gevallen overblijven.

    De kunst van het luisteren en van de dialoog die in de palliatieve zorgverlening werd herontdekt en die de geneeskunde nooit verloren had mogen laten gaan, kan en moet volgens spreker licht werpen op de betekenis van luisteren naar een verzoek om euthanasie, op de menselijke en psychische belasting ervan voor de zorgverlener en op de onontbeerlijke intermenselijke dialoog op die ogenblikken.

    Spreker onderstreept dat ook met betrekking tot de raadplegingen, die naar aanleiding van een verzoek nodig zijn, op de ervaring moet worden gesteund. Dat zal de leidraad zijn bij de voorstellen van hoorzittingen die zullen worden geformuleerd. Spreker citeert professor Guy Haarscher over dit thema. Hij wil ook nog kort het psychologische aspect behandelen, omdat de verschillende voorstellen die nu besproken worden, onvoldoende bakens uitzetten voor het luisteren naar het verzoek.

    Hij verwijst naar de psychiatrie en bijvoorbeeld naar problemen als melancholie, erfelijke afwijkingen, en euthanogene familiale interacties.

    Dergelijke problemen vergen een deskundigheid, ervaring en kennis waarover een groot aantal artsen op dit ogenblik niet beschikt, zodat een beroep op specialisten noodzakelijk is.

    De hoorzittingen moeten een licht werpen op de begeleiding, het luisteren naar en de behandeling van deze patiŽnten en hun vragen.

    Spreker onderstreept ook het onderscheid tussen multi- en interdisciplinariteit. Multidisciplinariteit leidt tot een opeenstapeling van adviezen en de kritiek over een ę rechtbank Ľ is dan ook terecht. Bij interdisciplinariteit gaat het om een uitwisseling tussen competente personen zodat men op een menselijke manier afstand kan nemen en echt kan luisteren en begrijpen wat er gebeurt. De interdisciplinariteit is ťťn van de belangrijkste doorbraken in de geneeskunde van de jongste jaren.

    Ook hier zouden hoorzittingen meer klaarheid kunnen scheppen.

    Spreker besluit dat zijn houding er een is van kritische, beredeneerde en antidogmatische twijfel, die hem in staat stelt alle meningen zo aandachtig mogelijk te beluisteren.

    Een ander lid verwijst naar de definitie van euthanasie die in dit debat gehanteerd wordt : ę het opzettelijk levensbeŽindigend handelen door een andere dan de betrokkene op diens verzoek Ľ. In deze omschrijving wordt euthanasie als basisprincipe door bijna iedereen aanvaard, zij het dat de uitvoering ervan slechts mogelijk is onder strikte voorwaarden.

    Spreker vervolgt dat in de optiek van het wetsvoorstel dat door leden van zes fracties is ingediend, een wilsbekwame patiŽnt in een uitzichtloze situatie en met irreversibele ziekte om euthanasie kan verzoeken.

    Dit roept de vraag op naar de autonomie van de mens. Welke plaats heeft ieders recht op zelfbeschikking in de gezondheidszorg ? Wie beslist hoe en wat iemand dagelijks eet, hoeveel hij drinkt, of hij rookt, hoeveel stress hij op zich neemt ? In hoeverre kan men de mensen de vrijheid geven tot een medisch onverantwoorde en ongezonde levenswijze die een vroegtijdige dood bewerkstelligt, wetende dat de consumptie van ťťn glas whisky het afsterven van 1 miljard hersencellen tot gevolg heeft, dat elke sigaret het leven met 6 minuten verkort ?

    Heeft de patiŽnt niet de vrije keuze om zijn medicijnen te nemen of te laten : antihypertensiva, insuline voor diabetes, geneesmiddelen om het cholesterolgehalte te verlagen, om hart en bloedvaten te beschermen ? Heeft de patiŽnt niet het recht en de vrijheid om onderzoeken, medicatie en operaties te weigeren ? In charters voor patiŽntenrechten wordt aan dit zelfbeschikkingsrecht gewerkt.

    Men kan nog een stap verder gaan en de vraag stellen of bijvoorbeeld getuigen van Jehova al dan niet mogen weigeren om bloed te krijgen ? Zijn dit niet vaak jonge gezonde mensen, moeders in de verloskamer, die zelfstandig kiezen voor hun geloof en zo een jong gezin verward en ontredderd achterlaten ? Moet men deze mensen verplichten hun functie in de gemeenschap op te nemen ?

    Deze vragen zullen zich nog scherper gaan stellen wanneer in de toekomst, en vroeg of laat zal dit het geval zijn, de anti-verouderingspil op de markt komt. Deze heeft tot doel telomerasen-inhibitoren aan te brengen die verhinderen dat bij elke splitsing van de cellen de celvernieuwing trager en moeilijker verloopt. Zal, eenmaal dergelijke middelen beschikbaar zijn, iedereen verplicht worden om die te nemen en niet 100, maar 300 jaar te worden ? Wat kan, buiten het zelfbeschikkingsrecht van de patiŽnt, de limiet zijn wanneer de natuurlijke grenzen van het leven wegvallen ?

    Het lid verwijst in dit verband naar de brief van 21 januari jongstleden die door dokter Roland Lemye, voorzitter van de Franstalige artsenkamer, aan de leden is gezonden. In deze brief wordt de vraag gesteld of dit euthanasiedebat per toeval nu plaats vindt, op een ogenblik dat infectieziektes zijn overwonnen, cardiovasculaire aandoeningen kunnen worden teruggedreven en straks ook kanker zal kunnen worden genezen. In een dergelijke situatie gaat men naar een sterke toename van oude en zeer oude mensen en wordt de ziekte van Alzheimer de ziekte van de nieuwe eeuw. Dokter Lemye verwijst naar landen zoals Denemarken, Zweden, Groot-BrittaniŽ, waar behandelingen zoals niertransplantaties en nierdialyse geweigerd worden op basis van de leeftijd (70 jaar) en om economische redenen. Deze weigering om een behandeling toe te staan impliceert de veroordeling tot de dood.

    Hier tegenover worden wij geconfronteerd met de verleiding om behandelingen of palliatieve verzorging hardnekkig voort te zetten. Euthanasie mag niet moeten, maar euthanasie moet wel mogen. Een samenleving die niet van euthanasie wil weten, had nooit mogen beginnen aan de gezondheidszorg zoals die nu is uitgebouwd.

    Spreker is van oordeel dat het verkeerd is oogluikend te blijven toestaan dat het ingaan op een vraag tot euthanasie moet worden overgelaten aan het individuele oordeel van de arts. Dit gedoogbeleid heeft het probleem in mist en onzekerheid gehouden voor de patiŽnt, voor de arts, voor de hele gemeenschap. Dit gedoogbeleid, ook gevoerd door de Orde der geneesheren, mag niet langer aanvaard worden. De deontologische code van de Orde der geneesheren is een operationele code die de regels van de plichtenleer bevat voor de beoefenaars van de geneeskunde maar de wetgever behoudt het recht om zelf de deontologische normen op te leggen.

    De PSC- en de CVP-fractie interpreteren de Universele Verklaring van de rechten van de mens blijkbaar op een andere wijze dan bijvoorbeeld professor Van den Ende en met hem vele anderen van christelijken huize, die het zelfbeschikkingsrecht als een centrale waarde in dit verdrag interpreteren. De Universele Verklaring verzet zich immers tegen de bevoogding, de betutteling en het onmondig houden van de mens.

    Zo bepaalt artikel 1 van deze verklaring dat alle menselijke wezens vrij en gelijk in waardigheid en in rechten geboren worden. Zij zijn begaafd met rede en geweten en moeten elkaar bejegenen in een geest van broederlijkheid.

    Artikel 3 bepaalt dat elk individu recht heeft op het leven, de vrijheid en de veiligheid van zijn persoon.

    Spreker onderstreept dat het verzoek tot euthanasie van de patiŽnt, die goed geÔnformeerd is, bewust en in alle vrijheid, nadrukkelijk, herhaaldelijk en weloverwogen moet gebeuren. Natuurlijk verwacht de patiŽnt van zijn arts alle informatie over zijn toestand, de behandeling, de prognose en de risico's. Er is een grotere mondigheid en bewustwording.

    De patiŽnt heeft evenwel geen absoluut recht op de uitvoering van de euthanasie, evenmin als de arts een absolute verplichting heeft hiertoe over te gaan. Het overleg tussen de patiŽnt en de arts moet een dialoog zijn, een vrije discussie over de dood zonder verbod en dogma in welke zin ook.

    Onder meer hierom moet de procedure in de wet duidelijk worden vastgesteld. Bij ieder verzoek is de behandelende arts verplicht een collega in consult te roepen. De wijze waarop dit consult verloopt moet, zoals reeds door een ander lid werd onderstreept, nader omschreven worden. Deze onafhankelijke derde persoon moet eveneens een arts zijn, die als medicus de technische problemen kan beoordelen en die als ethicus de ethisch-medische problemen kan inschatten. De arts heeft zowel een medische als een ethische opleiding en ervaring. Dit is niet het geval voor een ethicus, die geen of een beperkte kennis heeft van pathologieproblemen.

    Hij vindt een ethische commissie die van bovenaf opgelegd wordt een pure ontkenning van het feit dat mensen zelfstandig humaan kunnen denken. Deze ethische commissie was trouwens geen voorstel van het Raadgevend Comitť voor bio-ethiek, onder meer omdat op deze wijze de privacy van de patiŽnt ę te grabbel Ľ wordt gegooid. In tegenstelling tot wat hier al vaak is beweerd, is het evenmin waar dat binnen het Raadgevend Comitť een consensus of een meerderheid zou bestaan voor ťťn van de vier voorstellen, in het bijzonder de derde optie, die in het advies nr. 1 worden gedaan.

    Het lid besluit dat de miskenning van het zelfbeschikkingsrecht in verband met euthanasie alleen kan berusten op een religieuze of relationele basis. Wat dit laatste betreft zijn de plichten in onze relatie tot de andere echter niet onbeperkt, ook op dit vlak zijn er grenzen. Wij doen niet met ons leven wat wij willen omdat wij gemeenschapswezens zijn. De gemeenschap heeft rechten op ons als individu omdat ze in ons geÔnvesteerd heeft, maar deze rechten zijn niet oneindig. Niemand kan worden verplicht tot het uiterste te gaan om het leven te behouden. Het leven is zeer waardevol, maar het is geen absolute waarde. Dit geldt ten aanzien van anderen, bijvoorbeeld in geval van wettige zelfverdediging, oorlog of doodstraf, maar ook ten aanzien van het eigen leven.

    Mensen die door omstandigheden het belang dat moet worden gehecht aan een menswaardig leven verschillend invullen, zullen toch nog altijd een minimale consensus hebben over wat een goed leven is. Er is wel altijd een menselijk verlangen om kwaliteitsvol te overleven. Niet de dood, maar het uitzichtloos lijden is onze grootste vijand.

    Het is dan ook maar normaal dat de mens beschikt over een wilsautonomie en een zelfbeschikkingsrecht, bepaald door de menselijke vrijheid, voor zover die niet in strijd is met de persoonlijke vrijheid van de medemens.

    Dit neemt niet weg dat iedereen bereid is om bij de bespreking van de concrete wetsartikelen de veiligheid van de patiŽnt centraal te stellen en de zorgvuldigheidseisen aan een grondig onderzoek te onderwerpen, zodat stervende mensen beter beschermd worden en hun waardigheid als mens gewaarborgd blijft.

    Een ander lid stelt vast dat de verschillende tot nu toe gehouden uiteenzettingen de standpunten hebben verduidelijkt en het mogelijk hebben gemaakt bepaalde punten preciseren.

    Een eerste punt betreft de standpunten ten aanzien van de noodzaak of de wil om voor mensen te zorgen en het wegnemen van de dubbelzinnigheid die ertoe kan leiden dat sommigen denken dat diegenen die euthanasie uit de strafwet willen, niet weten hoe moeilijk het is te luisteren en de vraag te decoderen, dat ze onbewust, onbekwaam, incompetent zijn of geen aandacht hebben voor de moeilijke verhouding tussen de mensen en voor de ernst van het probleem.

    De bespreking heeft aangetoond dat luisterbereidheid, decoderen, zorgverlening en toegankelijkheid absoluut noodzakelijk zijn en dat velen daar ook voor opkomen.

    Als we met professionele palliatieve zorgverleners, zowel in verticale (namelijk in palliatieve zorgeenheden), als in horizontale diensten, of met anderen die zieken palliatief begeleiden spreken, is het bijzonder belangrijk dat ze weten dat we op de hoogte zijn van wat op het terrein gebeurt en dat we kunnen aantonen dat we met dergelijke wetsvoorstellen niet over ťťn nacht ijs gaan.

    Er zal ongetwijfeld een consensus bestaan, zo niet over de verticale of transversale methode, dan toch over de nood aan een groter aanbod en een grotere beschikbaarheid van palliatieve zorgverlening.

    Nochtans moet men zo eerlijk zijn toe te geven dat, naast sommige punten waarover een consensus kan bestaan, de standpunten over sommige andere uiteenlopend en onverzoenbaar blijven.

    Wat de problematiek van de euthanasie op zich betreft, bestaat een fundamentele hinderpaal die voortvloeit uit het al dan niet verdedigen van het principe van de individuele vrijheid van de patiŽnt, of, integendeel, van een principe dat deze vrijheid overstijgt.

    De spreker heeft de lange debatten in de Senaat opnieuw nagelezen, met de standpunten die hierbij naar voren zijn gebracht over de mogelijke grondslag voor een rechtvaardiging om euthanasie uit het strafrecht te halen of, integendeel, over een volledige verwerping van het principe van euthanasie.

    In het huidige debat zijn de vrijheid en de autonomie van het individu ter sprake gekomen. Er werd gezegd dat de mens maar betekenis heeft in zijn relatie tot de anderen en dat hij daarin niet over een totale vrijheid beschikt.

    Als de persoonlijkheid wordt bepaald door de wederzijdse relaties die men opbouwt met de anderen, bestaat de menselijke vrijheid erin dat men, op een wijze die doorheen de tijd kan veranderen, het domein definieert dat de eigen persoonlijkheid bepaalt tot en met de overweging dat dit domein, op een bepaald moment van zijn bestaan, zich beperkt tot de eigen persoon.

    Dit fundamentele principe staat duidelijk haaks op sommige stellingen die hier werden verwoord.

    Het gaat om het principe van de vrijheid van elke mens om te beslissen een einde te maken aan zijn bestaan, wanneer hij vindt dat zijn leven geen zin meer heeft, zelfs rekening houdend met de personen die hem omringen.

    Sommigen hebben verklaard dat het verzoek om euthanasie gerechtvaardigd is. De spreker hoopt dat hierover geen discussie bestaat.

    Er rijst echter een probleem over het antwoord op dat verzoek. De spreker en zij die zijn standpunt delen, zijn van oordeel dat dit antwoord evenzeer gerechtvaardigd is. Hier ligt het essentiŽle verschil tussen de verschillende stellingen. Zelfs als de algemene bespreking breedvoerig wordt voortgezet, is het weinig waarschijnlijk dat de verschillende standpunten nog meer worden uitgeklaard.

    De spreker heeft respect voor de standpunten die verschillen van het zijne en aanvaardt zelfs dat sommigen de rechtmatigheid of de noodzaak van euthanasie op eender welk moment aanvechten.

    In een pluralistische samenleving moeten de rechten van elk individu evenwel worden gerespecteerd. De spreker legt over het voorstel van de zes auteurs de volgende vraag voor : zijn er, gelet op de vrijheid van het individu en op de tolerante maatschappij waarin wij leven, elementen in de tekst van het voorstel die kunnen worden beschouwd als een aanslag op de vrijheid en op de verschillende opvattingen ?

    Wat de patiŽnt betreft, zou men kunnen zeggen dat hem in de huidige situatie soms geweld wordt aangedaan. Volgens het voorstel daarentegen heeft de patiŽnt het recht een verzoek te uiten in de hoop een antwoord te krijgen in een juridisch kader dat hem een vrij antwoord garandeert.

    De arts tot wie hij zich richt beschikt immers over een totale gewetensvrijheid : hij is vrij om al dan niet in te gaan op het verzoek en om het al dan niet te horen, al is het wenselijk dat hij het inderdaad volledig hoort en dat hij tracht alle signalen te begrijpen.

    Ook kan de arts beslissen op het verzoek in te gaan, indien bepaalde voorwaarden zijn vervuld.

    De spreker heeft geen enkel argument gehoord dat erop wijst dat een bepaald element van het voorstel in tegenspraak zou zijn met de eis tot eerbiediging van eenieders opvattingen in een pluralistische en tolerante maatschappij, waar een menselijke houding tegenover zijn gelijke voorrang moet krijgen en het beantwoorden van een verzoek om euthanasie bijgevolg mogelijk moet zijn.

    De spreker bevordert de rechtszekerheid op twee manieren.

    Er is uiteraard geen absolute zekerheid dat elke handeling zonder gevolg zal blijven.

    Men kan er evenmin van uitgaan dat een wettekst in elke situatie uitkomst zal bieden.

    De spreker omschrijft het toepassingsgebied van het voorstel, dat door sommigen als ruim wordt beschouwd, als volgt : een ongeneeslijke ziekte, die een ondraaglijk fysiek of moreel lijden of nood tot gevolg heeft, die niet kunnen worden gelenigd; een uitdrukkelijk en herhaald verzoek vanwege de patiŽnt; de verplichte raadpleging van een andere arts inzake het ongeneeslijk karakter van de ziekte en inzake het lijden en de nood zoals hiervoor beschreven; de controle door de arts dat de patiŽnt advies heeft kunnen inwinnen bij iedereen bij wie hij dit wenste; de verplichting voor de arts om advies te vragen aan alle personen die de patiŽnt hem heeft aangewezen.

    Binnen dit welomschreven kader strekt het voorstel tot een depenalisering omdat de handeling in dat geval niet meer als moord kan worden omschreven.

    Deze handeling is een antwoord op een wanhopig verzoek, het enige dat mogelijk is als wij tegelijkertijd onze humanitaire plicht willen vervullen en het verzoek van patiŽnt willen inwilligen.

    Door de depenalisering wordt niet iedereen aan de gerechtelijke controle onttrokken.

    Wat de aangifte aan de procureur des Konings betreft, heeft de spreker de reacties van bepaalde rechtbanken genoteerd.

    Terloops merkt hij op dat de rechtbanken sedert ongeveer dertig jaar zelden originele of zeer open standpunten hebben ingenomen ten opzichte van dergelijke problemen. Het standpunt van de Orde der geneesheren komt neer op de vraag hen zich te laten bezighouden met wat ze kunnen.

    De spreker onderstreept dat de zieke moet worden beschermd en dat er grenzen moeten worden gesteld aan de medische vrijheid.

    Er wordt verwezen naar de deontologische code. Deze is van toepassing op de artsen zelf, maar is niet tegen iedereen tegenstelbaar. Die tekst biedt dus geen enkele waarborg of juridische bescherming voor de betrokken derden.

    Men mag niet vergeten dat het gezondheidsbeleid en het medisch beleid in de eerste plaats ten dienste staan van de patiŽnt.

    Sommigen stellen veeleer een wijziging van het koninklijk besluit op de geneeskunst voor.

    De spreker is van oordeel dat de impact van de tekst van het voorstel krachtiger is dan die van een koninklijk besluit.

    Wat is het belang van een wijziging van dat koninklijk besluit wanneer een rechtbank zich moet uitspreken over strafbare feiten die onder het Strafwetboek vallen ?

    De spreker acht een dergelijke wijziging ontoereikend om het doel te bereiken dat door de depenalisering wordt beoogd.

    De spreker acht de aangifte aan de procureur des Konings noodzakelijk omdat de medische praktijk controleerbaar moet zijn, zelfs indien die soms tot overdreven reacties leidt. Deze voorstellen zouden immers een aanslag kunnen betekenen op de macht van de medische wereld, die door sommigen als onaantastbaar wordt beschouwd.

    Het moet duidelijk zijn dat de vertrouwensrelatie tussen de arts en zijn patiŽnt van fundamenteel belang is en dat men hieraan in geen geval wil raken. Integendeel, de voorgestelde controle kan deze relatie nog versterken omdat ze leidt tot een grotere transparantie van de medische praktijk.

    A contrario, tegenover hen die zeggen dat de euthanaserende handeling uiteindelijk een zaak is van de arts, die daardoor een enorme macht krijgt, merkt de spreker op dat dit, binnen de voorwaarden die in de tekst staan, een deel is van de medische verantwoordelijkheid die ondeelbaar is.

    Als men ziet wat er anderhalf jaar geleden in Frankrijk is gebeurd, is het duidelijk dat de verantwoordelijkheid van medische aard is. Dit blijkt in het bijzonder uit het antwoord dat werd geformuleerd en de uitwerking hiervan.

    Rekening houdend met de definitie die het Raadgevend Comitť voor bio-ethiek heeft gegeven, verbaast de spreker zich over de verklaringen volgens dewelke sommige handelingen niet als euthanaserende handelingen zouden worden beschouwd.

    Hij vindt dat hierover grote meningsverschillen bestaan.

    Volgens sommigen is er enkel sprake van euthanasie wanneer er een dodelijke cocktail wordt toegediend die binnen enkele minuten na de toediening ervan tot de dood van de zieke leidt.

    Volgens de spreker omvat euthanasie meer dan alleen deze hypothese.

    De omschrijving van euthanasie kan niet worden beperkt tot handelingen die binnen enkele minuten tot het overlijden leiden. Dit is bespottelijk en strookt niet met de realiteit op het terrein.

    Misschien is deze beperking van het toepassingsveld van euthanasie voor sommigen een manier om handelingen, die al dan niet worden uitgevoerd, te rechtvaardigen.

    Persoonlijk beschouwt de spreker euthanasie veeleer als een methode, ongeacht het middel, op voorwaarde dat men de zieke, zijn wil en de omstandigheden waarin hij sterft, respecteert. Deze methode kan zeer veel verschillende vormen aannemen, maar het uiteindelijke resultaat is hoe dan ook hetzelfde.

    De spreker beschouwt euthanasie als een nobele, menselijke en moedige daad en hij vindt dan ook niet dat men de aandacht enkel mag richten op het mogelijk spectaculaire aspect ervan.

    Ten slotte verklaart de spreker dat hij gelooft in de toekomst van de mensheid, ondanks alle beperkingen en gevaren die er op dat vlak bestaan.

    Hij gelooft in de positieve bijdrage van de wetenschap, zonder daarom blind in de wetenschap te geloven, en hij gelooft in de grote vooruitgang die op dit vlak nog zal worden geboekt.

    Ons bestaan op aarde is toevallig en het ogenblik van onze geboorte is onder meer bepalend voor onze levensverwachting, voor de kans op genezing van een bepaalde ziekte en voor de mogelijkheid om degeneratieve processen af te remmen.

    De wetgever moet rekening houden met de toestand van de personen die hier en nu met dit probleem worden geconfronteerd. Er moet dus vooruitgang worden geboekt in het debat en nadat alle mogelijkheden zijn overwogen, moet er een beslissing worden genomen door zich in alle vrijheid uit te spreken over een wettekst die de overtuiging van alle partijen respecteert.

    De spreker vindt dat het tijd is om de algemene bespreking te sluiten en de hoorzittingen waartoe werd beslist, aan te vatten.

    In dat verband stelt hij voor de hoorzittingen te organiseren op een manier die het mogelijk maakt zoveel mogelijk zaken op te helderen. Bovendien moet er een akkoord worden bereikt over de elementen die het meest bijdragen tot het verfijnen van de persoonlijke standpunten en moeten nodeloze herhalingen worden vermeden (te volgen procedure, redelijke periode voor de algemene hoorzittingen enz.).

    Een lid verheugt zich over de sereniteit van de debatten. Toch betreurt hij dat de hoorzittingen niet bij het begin van het debat zijn gehouden. Dit heeft de kwaliteit van de algemene bespreking beÔnvloed.

    Iedereen heeft zijn persoonlijke contacten met dokters, verplegend personeel en juristen vermeld, maar dit impliceert uiteraard een zekere selectiviteit.

    Het feit dat er vooraf geen hoorzittingen zijn gehouden vormt ongetwijfeld ťťn van de redenen dat de standpunten van de indieners van de voorstellen, van beide zijden, weinig zijn geŽvolueerd.

    De voorzitter herinnert eraan dat de commissie gestemd heeft over het houden van hoorzittingen. De algemene bespreking is dus nog niet gesloten, maar zal worden hervat na de hoorzittingen.

    De vorige spreker verklaart dat het hem belangrijk lijkt dat men het eens is over bepaalde definities en dat men daarbij de definities van het Raadgevend Comitť voor bio-ethiek in gedachten houdt.

    De euthanaserende handeling verschilt fundamenteel van andere handelingen van het medisch korps bij het levenseinde doordat zij de bedoeling heeft het leven te beŽindigen of een handeling te stellen die het leven verkort.

    Er moet een duidelijk onderscheid worden gemaakt tussen euthanasie en het verwerpen van het hardnekkig voortzetten van uitzichtloze behandelingen omdat een brede definitie van euthanasie zou impliceren dat de weigering om een therapie onnodig lang voort te zetten, wordt onderworpen aan de procedures die zijn vastgelegd voor de uitvoering van de euthanaserende handeling in de strikte zin van het woord, wat uiteraard niet de bedoeling is.

    Een ander lid merkt op dat hij nooit heeft gezegd dat het hardnekkig voortzetten van uitzichtloze behandelingen binnen dat soort definitie zou vallen. Wanneer na een lange evolutie is gebleken dat het hardnekkig voortzetten van uitzichtloze behandelingen bekritiseerd moest worden, is de afwijzing ervan buiten het toepassingsveld van deze definitie geraakt.

    De spreker bedoelde veeleer de periode binnen dewelke het overlijden van de patiŽnt plaatsvindt en het feit dat men opzettelijk het leven van iemand op diens verzoek beŽindigt.

    De vorige spreker antwoordt dat hij het verschil tussen de twee soorten handelingen wil benadrukken, niet alleen om verwarring op het vlak van de procedure te vermijden, maar ook omdat er een fundamenteel verschil is tussen een stervensproces van een zieke waarbij men het lijden zoveel mogelijk tracht te verzachten en de waardigheid zo veel als mogelijk steunt, enerzijds, en het doelbewust verkorten van het leven, anderzijds.

    In contacten en discussies valt het op dat de mensen vooral bang zijn voor het hardnekkig voortzetten van uitzichtloze behandelingen, waardoor pijn en ongemak veeleer worden verhoogd dan verminderd en waardoor de waardigheid van de zieke in het gedrang komt.

    De vrees voor het onnodig voortzetten van bepaalde onderzoeken is nog veel groter : de mensen vrezen bijkomende klinische onderzoeken, radiografieŽn, scanners. De verantwoordelijke van een dienst intensieve zorg te Luik verklaarde ruwweg dat ziekenhuispatiŽnten door sommigen als geldmachines worden beschouwd. In het huidige financieringssysteem van de ziekenhuizen is men verplicht voor een voldoende bezettingsgraad te zorgen en een bepaald aantal onderzoeken uit te voeren.

    Hoewel dit fenomeen gekend is, wordt het niet als ťťn van de kernproblemen beschouwd van de manier waarop de zorg vandaag, al dan niet bij het levenseinde, wordt georganiseerd.

    Dit alles heeft te maken met het economische aspect van de volksgezondheid en met het financieel evenwicht dat men voor de ziekenhuizen wil bereiken.

    Bij de discussies moeten deze aspecten centraal staan.

    De vrees voor nutteloze onderzoeken en voor het onnodig lang voortzetten van de therapie, is gedeeltelijk irrationeel, maar voor een deel ook gegrond. PatiŽnten wensen geen reeks manipulaties, ingrepen en technische handelingen te ondergaan die meestal geen deel uitmaken van een echte therapie. Waarschijnlijk dekt de term ę therapeutische hardnekkigheid Ľ slechts een deel van de problematiek.

    De spreker vraagt zich af of het niet raadzaam zou zijn over dit onderwerp een amendement in te dienen, ook op het voorstel dat hij zelf mede heeft ondertekend.

    Artsen verrichten handelingen die volledig in tegenspraak zijn met de deontologie en met een gezonde medische praktijk, omdat ze zich te veel bezighouden met de economische belangen die op het spel staan omwille van het feit dat er druk op hen wordt uitgeoefend door de ziekenhuizen, die op hun beurt door de openbare instanties onder economische druk worden gezet.

    Sommige artsen, in het bijzonder de vertegenwoordigers van de wetenschappelijke vereniging voor algemene geneeskunde, hebben erop gewezen dat het verzoek om euthanasie in grote mate uitgaat van gezonde mensen aan het einde van hun leven, die de omstandigheden waarin zij zouden kunnen sterven, vooral de therapeutische en diagnostische hardnekkigheid, vol onrust tegemoetzien.

    Een tweede punt heeft betrekking op de vrijheid en de autonomie als principes en fundamentele waarden, die door sommigen worden geplaatst tegenover de principes van de bescherming van het leven en het leven als hoogste waarde.

    De spreker begrijpt dat men deze elementen tegenover elkaar plaatst, maar hij vindt dit een idealistische voorstelling van de zaken.

    Zelfs in het voorstel van de zes indieners van de meerderheid wordt het principe van vrijheid en autonomie terecht beperkt tot de gevallen waarin er sprake is van belangrijk lijden en ongeneeslijke ziekte.

    In feite is de bescherming van het leven het belangrijkste onderliggende principe, waarvan in bepaalde gevallen kan worden afgeweken op basis van bepaalde waarden, die weliswaar belangrijk zijn, maar toch niet op de eerste plaats komen.

    Het vrijheidsprincipe kan overigens maar worden toegepast wanneer het is verbonden met de even belangrijke principes van gelijkheid en billijkheid.

    Bovendien kent het vrijheidsprincipe al beperkingen, in de houding die men aanneemt tegenover het eigen lichaam.

    Zo zijn seksuele verminkingen niet toegelaten en werden er reeds voorstellen ingediend om het bestaande verbod op dit vlak te versterken.

    Een gezonde persoon kan dus ook niet zonder meer een artsenpraktijk binnenstappen en in naam van de vrijheid en het zelfbeschikkingsrecht aan de arts vragen om zijn leven te verkorten.

    Deze beperkingen hebben niets te maken met de ideologische tegenstellingen waarover men het soms heeft.

    Het geweld in de samenleving speelt in de ogen van de spreker een belangrijke rol. Een maatschappij die, waar ze wordt geconfronteerd met de problemen van mensen die aan het levenseinde zijn gekomen en die zich in een toestand van ontreddering bevinden ten gevolge van lijden, eenzaamheid en isolement, de euthanasie uit het strafrecht wil halen, zonder trouwens enige waarborg op permanente verzorging, gelijke rechten op deze verzorging en specifieke opleiding van medische personeel, is een gewelddadige maatschappij.

    De spreker denkt dat het interessant zou zijn de mening van de artsen te horen over de problematiek van de rechtzekerheid. De artsen die rechtstreeks bij euthanasie betrokken zijn, zijn het er blijkbaar over eens dat het voorstel van de zes indieners van de meerderheid op het vlak van de rechtszekerheid niet alle waarborgen biedt.

    Volgens de spreker kan men voor de patiŽnt enkel over een virtuele zekerheid spreken in het kader van een a posteriori-procedure.

    De macht van de artsen is soms enorm groot.

    Het is dan ook belangrijk dat men voorrang geeft aan het interdisciplinaire, dat thans op het terrein wordt toegepast. De geneeskunde wordt niet meer op dezelfde manier beoefend als 20 of 30 jaar geleden. De rol van het verplegend personeel is op dit ogenblik bijzonder groot.

    Wetteksten mogen niets veranderen aan deze realiteit die inzake euthanasie bijzonder belangrijk is.

    Als men euthanasie uit het strafrecht haalt, wordt de verregaande macht van de artsen nog vergroot omdat zij de enige sociale groep zullen vormen die volgens het Strafwetboek deze handeling zal mogen uitvoeren.

    We moeten ons bezinnen over dit vergroten van de macht en ook over de extra last die dit voor de arts meebrengt.

    Ten slotte is er nog het koninklijk besluit dat de fractie van de spreker via een wet wil wijzigen. Het gaat om een genummerd koninklijk besluit, dat in sancties voorziet. Het gaat dus om een tekst die op juridisch vlak een fundamentele waarde heeft.

    Een ander lid wenst, nu de algemene bespreking haar einde nadert, nogmaals te onderstrepen dat de drie wetsvoorstellen, betreffende euthanasie, betreffende de evaluatiecommissie en betreffende de palliatieve zorg, die door leden van zes verschillende fracties werden ingediend, een onverbrekelijk geheel vormen.

    Iedereen in deze vergadering heeft de voorbije weken de mogelijkheid gehad om in alle openheid zijn visie op deze materie te geven en dit vanuit juridisch, vanuit ethisch, maar vooral vanuit diepmenselijk oogpunt. De leden hebben niet alleen hun eigen standpunten, maar ook die van de partijen die zij vertegenwoordigen uiteen kunnen zetten.

    De commissie heeft weliswaar met gesloten deuren vergaderd, maar ze heeft niet in een vacuŁm gewerkt. Verschillende leden hebben getuigenis afgelegd van hun eigen ervaringen met deze problematiek, van hun contacten met artsen, met verplegenden, met de mensen uit de palliatieve zorg en met de patiŽnten. Zij hebben hiertoe volop ruimte gekregen.

    Zoals dat voor haar zelf het geval was, zullen ook de andere leden sinds het begin van het debat wel overspoeld geweest zijn met stellingnamen van organisaties en personen die in deze sector actief zijn. Deze waren overigens heel vaak ook terug te vinden in de pers die sinds het begin van het debat zeer uitvoerig over euthanasie heeft bericht.

    Zij is dan ook van oordeel dat wie nu nog beweert dat hij onvoldoende geÔnformeerd is, de voorbije weken zijn werk niet heeft gedaan. Dit neemt niet weg dat zij akkoord kan gaan met de beslissing van de commissies om nog een aantal hoorzittingen te organiseren. Deze hebben evenwel, mede in het licht van het voorgaande, alleen zin indien de personen die gehoord worden in volledige vrijheid, zonder enige druk van buiten en zonder angst kunnen spreken. Zij moeten in alle oprechtheid en sereniteit hun visie op de situatie kunnen geven. Dit maakt het noodzakelijk dat de hoorzittingen met gesloten deuren verlopen. Alleen zo zullen de commissies een antwoord kunnen krijgen op die specifieke vragen waarop na al deze debatten nog geen antwoord is gekomen.

    Het lid vervolgt dat niemand in dit debat, waar leven en dood in het geding zijn, onbewogen gebleven is. Wie om zich heen kijkt, weet dat voor iedereen het leven dierbaar is. Bij dit leven hoort echter onverbrekelijk ook het sterven.

    Voor sommigen komt de dood plots en onaangekondigd. Anderen gaan zachtjes heen, zoals een kaars die uitdooft. Voor deze wijze van sterven zijn de meeste mensen niet bevreesd.

    In dit debat gaat het echter om heel wat anders. Velen hebben in hun familie of in hun vriendenkring mensen gekend die hun leven zijn geŽindigd in de vreselijkste toestand en voor wie de best beschikbare zorg niet kon baten. Men moet respect betonen voor patiŽnten die een dergelijke verschrikking niet willen doormaken.

    Zij merkt op dat wellicht ook de andere leden een dossier hebben ontvangen van de Federatie Palliatieve Zorg Vlaanderen. Zij deelt ten volle de bekommernissen die hierin worden geuit. Het is de maatschappelijke opdracht van de beleidsmakers om toereikende, voor iedereen toegankelijke en betaalbare palliatieve verzorging ter beschikking te stellen. Het is intussen wel duidelijk dat er in dit domein, zowel op het budgettaire als op het organisatorische vlak, nog een hele weg moet worden afgelegd. Zoals reeds eerder gezegd is, moet het duidelijk zijn dat deze aangelegenheid in de optiek van de indieners van de drie wetsvoorstellen onverbrekelijk verbonden is met een regeling inzake euthanasie.

    Een humane samenleving die naam waardig, moet echter ook oog hebben voor diegenen die niet kunnen worden geholpen via palliatieve zorgverlening. Dit zijn vooreerst de patiŽnten die aanhoudend een ondraaglijke en niet te lenigen pijn lijden, maar ook zij die in nood verkeren omdat hun toestand als volkomen uitzichtloos en mensonwaardig wordt ervaren.

    Centraal hierbij staat de weloverwogen, herhaalde en duurzame vraag van de patiŽnt. Door andere leden is opgemerkt dat deze zijn beslissing moet nemen op een ogenblik dat hij erg zwak staat. Dit belet echter geenszins dat een dergelijke patiŽnt zijn vraag in volle bewustzijn stelt en beter dan enig ander persoon weet wat zijn lijden voor hem betekent. Wie kan zich overigens het recht aanmatigen om het tegenovergestelde te beweren ?

    Spreekster merkt op dat de wetsvoorstellen tot doel hebben te verzekeren dat met de vragen van de patiŽnt rekening wordt gehouden. Indien andere leden vinden dat deze doelstelling onvoldoende bereikt wordt, of indien de bescherming van de patiŽnt dient te worden versterkt, dan kunnen hierover amendementen worden ingediend en besproken.

    Zij vervolgt dat iedereen, wat ook de filosofische of religieuze achtergrond is, in zijn benadering tot de terminale patiŽnt, ernaar streeft dat deze op een zachte en serene wijze kan heengaan. Het beeld dat men van deze patiŽnt heeft is vaak dat van een ouderling die de tekenen draagt van een lang en zwaar ziekteproces. Men mag echter niet uit het oog verliezen dat ook jonge mensen volkomen onverwacht in een situatie terecht kunnen komen waarin zij nog wel leven in de fysieke betekenis van het woord, maar niet meer beschikken over een aantal essentiŽle levensfuncties. Indien deze situatie uitzichtloos en voor de betrokkenen niet langer draaglijk is, wie heeft dan het recht om te weigeren op hun vraag tot levensbeŽindiging in te gaan ?

    Een vorige spreker citeerde Simonne de Beauvoir, die schreef dat de mens zijn leven wel in handen heeft, maar dat anderen zijn dood moeten ondergaan. Dit is inderdaad het geval voor de familieleden van een stervende patiŽnt. Zij moeten getuige zijn van de aftakeling van hun dierbare tot in het mensonwaardige, zijn lijden ondergaan en machteloos vaststellen dat geen antwoord kan worden gegeven op diens schreeuw om op een menswaardige manier te kunnen heengaan.

    Een ander lid uitte tijdens een vorige vergadering de vrees dat het toestaan van euthanasie de universaliteit van het recht op leven zou kunnen aantasten. Het moet duidelijk zijn dat niemand in dit debat het recht op leven in vraag stelt. Wel is het zo dat een patiŽnt niet kan worden verplicht in mensonwaardige omstandigheden te leven of, met andere woorden, dat naast het fundamentele recht op leven van eenieder ook een fundamenteel recht staat om in menswaardige omstandigheden te sterven. De mens is weliswaar een gemeenschapswezen, maar dit neemt niet weg dat hij ook een zelfbeschikkingsrecht heeft, waardoor hij niet kan worden verplicht tegen zijn wil in mensonwaardige omstandigheden voort te leven.

    Spreekster gaat vervolgens in op de wetsvoorstellen die hier op de agenda staan. Het reeds vermelde interuniversitaire onderzoek en een aantal recente gebeurtenissen, zoals de feiten die zich in Luik hebben voorgedaan, tonen meer dan voldoende aan dat een wettelijke regeling in dit domein absoluut noodzakelijk is, wat een deel van de Orde van geneesheren ook mag beweren. Ook binnen de orde zijn er overigens groepen die pleiten voor een duidelijke wetgeving waarin een aantal beginselen centraal staan.

    De mens heeft het recht om in bepaalde omstandigheden over zijn leven te beschikken, maar dit neemt niet weg dat dit recht slechts kan worden uitgeoefend indien een aantal strikte zorgvuldigheidseisen zijn nageleefd. Zowel in de media als in deze commissies werd gesuggereerd dat wat dit betreft, het voorstel dat door leden van de meerderheidsfracties is ingediend, onzorgvuldig en overhaast is geschreven.

    Zij is het niet eens met deze kritiek, die het gevolg is van een al te oppervlakkige lezing van de tekst :

    ≠ De patiŽnt wordt niet voor een keuze geplaatst tussen palliatieve zorg en euthanasie.

    ≠ De patiŽnt heeft het recht om niet alleen met de arts, maar met iedereen in zijn omgeving, inclusief de verplegenden, te overleggen vooraleer hij een beslissing neemt. Dit laatste betekent overigens dat er voldoende personeel beschikbaar moet zijn om naar de patiŽnt te luisteren, niet alleen in de diensten voor palliatieve zorgverlening maar ook in de gewone ziekenhuisdiensten.

    ≠ De tekst voorziet in duidelijke regels die de patiŽnt moeten beschermen tegen druk van de omgeving en die garanderen dat hij volledig geÔnformeerd is over zijn situatie, vooraleer hij een verzoek formuleert.

    ≠ De tekst biedt de arts de nodige rechtszekerheid. Situaties zoals die in Luik, waarbij een arts uit betrokkenheid bij zijn patiŽnt tot euthanasie overgaat, en nadien hiervoor gerechtelijk wordt vervolgd, dienen ten alle prijze te worden voorkomen.

    In het wetsvoorstel wordt een belangrijke plaats toegekend aan de wilsverklaring. Sommige leden hebben het hiermee zeer moeilijk, onder meer omdat zij vinden dat niemand kan voorzien in welke omstandigheden men zijn laatste levensfase zal ervaren. De wilsverklaring is echter meer dan louter de vraag van een persoon om zijn leven te beŽindigen wanneer hij niet meer bij bewustzijn is. Men bepaalt, liefst in overleg met zijn arts, welke behandeling men in welke omstandigheden wenst. Zoals reeds tijdens deze bespreking is gebleken, is er hier een brede waaier van mogelijke situaties (afzien van uitzichtloze behandelingen, stopzetten kunstmatige beademing, zware pijnstilling, enz.).

    Hoewel zijzelf vindt dat het wetsvoorstel ook op dit vlak voldoende garanties biedt, kan zij begrip opbrengen voor diegenen die wensen dat voor de uitvoering van de wilsverklaring de zorgvuldigheidseisen dienen te worden versterkt en met het oog hierop amendementen indienen.

    Zij meent derhalve dat het wetsvoorstel nr. 2-244/1 een heldere, toepasbare regeling inzake euthanasie inhoudt die zowel de arts als de patiŽnt de nodige zekerheid biedt. Sommigen zijn van oordeel dat het wetsvoorstel nr. 2-105/1, dat zij initieel heeft ingediend, de voorkeur verdient op deze tekst. Zelf is zij het hier niet mee eens. Onder meer prof. Adams van de UFSIA, heeft in het artikel dat aan de commissies werd bezorgd, gewezen op mogelijke problemen in verband met de praktische toepassing van dat wetsvoorstel. De tekst hiervan was in belangrijke mate geÔnspireerd op de regeling die momenteel van toepassing is in Nederland. Daar stelt men vast dat nog steeds euthanasie in een grijze zone wordt toegepast omdat de procedure die wordt opgelegd, te complex is.

    Zij vervolgt dat het wetsvoorstel nr. 2-244/1 de arts weliswaar de nodige rechtszekerheid biedt, maar dat hij in geen enkele omstandigheid kan worden gedwongen tot euthanasie over te gaan.

    Een van de belangrijkste geschilpunten in dit debat is de vraag of euthanasie uit het strafrecht moet worden gehaald, dan wel een beroep dient te worden gedaan op de juridische techniek van de noodtoestand, waarbij actieve levensbeŽindiging wordt gereguleerd maar niet gedepenaliseerd. Het wetsvoorstel kiest juridisch voor een depenalisering, zij het dat euthanasie slechts kan worden uitgevoerd indien strenge zorgvuldigheidseisen vervuld zijn. Deze zorgvuldigheidseisen liggen overigens, zoals een ander lid reeds opmerkte, in de praktijk zeer dicht bij de eisen die worden gesteld in bijvoorbeeld het wetsvoorstel van de heer Vandenberghe c.s.

    De commissies mogen zich derhalve niet al te zeer laten leiden door persberichten waar soms een te sterke nadruk wordt gelegd op de verschillen in de standpunten en te weinig op de mogelijke overeenkomsten. Dit neemt niet weg dat het debat evenmin gebaat is door tal van zaken in te brengen die niets met deze aangelegenheid te maken hebben, zoals de toestand in Duitsland in het begin van de eeuw, zelfmoord, levenslange gevangenisstraffen, enz.

    Zij herinnert eraan dat een lid verwees naar de wijze waarop president Mitterrand zijn laatste levensfase heeft doorgemaakt. Nog los van het feit dat de president, die aan een traag ontwikkelende kanker leed, allicht op de allerbeste zorg heeft kunnen rekenen en naar verluidt in de allerlaatste fase ook euthanaserende middelen gekregen heeft, is het gevaarlijk op basis van een dergelijk individueel geval, algemene regels te gaan vaststellen. Tegenover het voorbeeld van Mitterrand kunnen er immers duizenden andere worden geplaatst waaruit net de tegenovergestelde conclusies kunnen worden getrokken.

    Spreekster besluit dat, ondanks de meningsverschillen die er ongetwijfeld zijn, in de commissie een aantal zaken naar voor zijn gekomen die de leden binden en die soms te weinig uit de verf komen. In de eerste plaats is dit de overtuiging dat er een wettelijke regeling moet komen die de patiŽnt in zijn laatste levensfase een betere bescherming en rechtszekerheid biedt. Daarnaast is er het respect voor de universele waarden waarop onze samenleving gegrondvest is. Dit is natuurlijk het recht op leven dat, hierover mag geen onduidelijkheid bestaan, voor iedereen in deze commissie even belangrijk is. Naast dit recht is er echter ook het recht om in menswaardige omstandigheden te leven en om geen mensonwaardige behandelingen te ondergaan.

    Zij hoopt dat de commissies vanuit deze zeer belangrijke uitgangspunten tot een regeling kunnen komen die een zeer breed draagvlak heeft. Dit moet ook een signaal zijn dat de Senaat als reflectiekamer in staat is een dergelijke problematiek op een volwassen en serene wijze te benaderen.

    Een ander lid stelt vast dat de democratische leden van de gemeenschappelijke commissies allen een menselijke benadering van deze uiterst moeilijke problematiek nastreven.

    Op het vlak van de gezondheid zijn individuele vrijheid en autonomie inderdaad beperkt. Deze vrijheid en autonomie moeten het soms afleggen tegen de eisen van de volksgezondheid en van de collectieve solidariteit. Enkele voorbeelden hiervan zijn de verplichte inenting tegen polio, het medisch onderzoek op school en op het werk, het verbod tot het besturen van een voertuig voor personen die een bepaalde aandoening hebben. Het vrijwaren van de volksgezondheid primeert in bepaalde gevallen op de individuele vrijheid.

    Deze verplichtingen en verboden zijn natuurlijk bij wet vastgelegd.

    Wat de vrije keuze van de terminale patiŽnt betreft, komt het er volgens de spreker op aan uitdrukkingen te vermijden die zouden kunnen doen uitschijnen dat er ťťn bepaalde waardige manier om te sterven bestaat.

    Elke persoon heeft een andere opvatting over wat waardevol is. Wellicht rijst dan de vraag of deze opvatting de volksgezondheid of het algemeen welzijn in gevaar brengt.

    Als dat niet het geval is, moet men ervoor zorgen dat de persoon die vindt dat zijn waardigheid in het gedrang komt en die zijn lijden wil beŽindigen, kan worden geholpen volgens de voorwaarden die in de wet zijn vastgelegd.

    E. WETSVOORSTELLEN OVER DE PALLIATIEVE ZORG

    a) Wetsvoorstel strekkende om het recht op palliatieve zorg voor eenieder te garanderen en om het kader voor het verlenen van de palliatieve zorg vast te stellen (van mevrouw Nyssens c.s.); nr. 2-249/1

    Inleidende uiteenzetting van de hoofdindiener van het wetsvoorstel

    De spreekster verwijst naar de uiteenzetting van een voorgaande spreekster over de oorsprong en de evolutie van de palliatieve zorg.

    Ze onderstreept dat deze materie in andere landen, met name in Spanje en Canada, snel evolueert.

    Er bestaat reeds verscheidene jaren een Europese vereniging voor palliatieve zorg, die jaarlijks bijeenkomt en waarbij actuele informatie kan worden verkregen over de evolutie van de palliatieve zorg in Europa.

    De doelstelling van het wetsvoorstel op de palliatieve zorg is onze houding terzake in BelgiŽ te bepalen.

    Waarom moet er een wet komen als er al zoveel teksten bestaan, met name koninklijke besluiten, en er verschillende machtsniveaus bij zijn betrokken ?

    De mensen op het terrein verlangen dat men zich baseert op een filosofie voor de palliatieve zorg en dat er wordt gezorgd voor een zo breed mogelijke waaier in het aanbod en de plaatsen waar de zorgen kunnen worden verstrekt. Ze pleiten voor een kaderwet die de algemene beginselen bepaalt van de filosofie waarop de palliatieve zorg is gebaseerd. Het gaat immers om een complexe materie.

    Wat de doelstelling van de palliatieve zorg betreft, kan men vaststellen dat die in de praktijk meer en meer met de helende geneeskunde wordt verbonden.

    De ontwikkeling van de palliatieve zorg kan wellicht gepaard gaan met het humaner maken van andere domeinen van de geneeskunde, met een herziening van de manier waarop onze instellingen voor gezondheidszorg zijn georganiseerd en met een modernisering van de medische wereld.

    Palliatieve zorg betekent de persoonlijke begeleiding van personen aan hun levenseinde, waarbij men hun lijden, dat zowel van fysieke als van psychische aard kan zijn, erkent. De taak van de palliatieve geneeskunde begint waar die van de helende geneeskunde stopt.

    De palliatieve zorg wordt gekenmerkt door een interdisciplinair georganiseerde benadering, die tot stand komt via overleg, ≠ men noemt dat de discussie-ethiek ≠ niet alleen tussen de arts en de patiŽnt, maar ook met het verzorgend personeel, in het bijzonder de verpleegsters, de kinesitherapeuten en de paramedici, die de terminale patiŽnten, hun familie en hun naasten omringen.

    Deze ethiek van overleg en dialoog zal leiden tot de democratisering van de medische macht, waarvoor de jonge generaties artsen en verpleegsters pleiten.

    De hiŽrarchische structuur van de verzorgingsinstellingen is vaak nog zeer klassiek en zeer beklemmend voor wie onderaan de ladder staat. De recente reacties van de verpleegsters zijn hiervan een duidelijk bewijs.

    De tekst stelt een ruime definitie voor van het begrip palliatieve zorg. Het gaat hierbij om een permanente verzorging, in combinatie met de helende geneeskunde.

    Waar de palliatieve zorg al in ruime mate wordt toegepast, wordt erop aangedrongen om een hechtere samenwerking tot stand te brengen met de helende geneeskunde en met de geneeskunde in het algemeen.

    In het voorstel of bij de discussie zou men ook een verband kunnen leggen met de euthanasie. Dit onderwerp werd reeds besproken.

    In verscheidene koninklijke besluiten wordt het begrip ę palliatieve zorg Ľ reeds gedefinieerd, maar misschien moet deze definitie worden verruimd. De definitie die in het wetsvoorstel is opgenomen, kan uiteraard worden geamendeerd.

    Het voorstel heeft tot doel een reeks principes met betrekking tot de toepassing van de palliatieve zorg in een kaderwet in te schrijven.

    Het betreft :

    ≠ het recht van eenieder op palliatieve zorg; het gaat wel degelijk om een recht en niet om een verplicht stadium dat de patiŽnt moet doorlopen. Anderzijds is het medisch team verplicht de palliatieve behandeling voor te stellen;

    ≠ het recht van de patiŽnt op vrije keuze en de eerbiediging van eenieders overtuiging;

    ≠ het recht op kwalitatief hoogstaande palliatieve zorg (dit veronderstelt een aangepaste vorming van het personeel, waarbij verschillende gezagsniveaus zijn betrokken);

    ≠ het recht op begeleiding voor de medische hulpverleners. De praktijk wijst immers op ontreddering bij de hulpverleners die, ongeacht de plaats waar de zorg wordt verleend, vaak geen opleiding hebben gehad, noch over de noodzakelijke begeleiding beschikken om de zorg te verlenen;

    ≠ het recht een beroep te kunnen doen op vrijwilligers. De meeste diensten waar palliatieve zorg wordt verleend, functioneren dankzij de belangrijke inzet van vrijwilligers. Ook zij moeten op hun taak worden voorbereid en worden opgeleid.

    De indieners van het voorstel dringen erop aan dat de federale Staat zijn politieke en budgettaire verantwoordelijkheid opneemt (door het opstellen van een algemeen plan voor de palliatieve zorg).

    Daarom willen ze de tekst met de betrokken ministers bespreken.

    De voorgestelde kaderwet is in grote mate gebaseerd op bestaande koninklijke besluiten en legt herhaaldelijk de nadruk op de financiering, die ontoereikend en niet op structurele wijze is georganiseerd.

    De spreekster onderstreept de punten waarover een politieke bewustwording tot stand moet komen teneinde bijkomende vooruitgang te kunnen boeken.

    Het laatste koninklijk besluit, dat sedert 1 januari van kracht is, toont de op dit vlak afgelegde weg.

    Het recht van eenieder op palliatieve zorg veronderstelt een definitie van het begrip ę palliatieve patiŽnt Ľ.

    De huidige definitie is opgesteld door de geneesheren-directeurs van het RIZIV. De indieners van het voorstel pleiten ervoor dat deze definitie in een wet wordt ingeschreven met een eventuele vermelding van de tijdsduur, ook al lijkt dit zeer moeilijk.

    De palliatieve diensten kunnen hierover statistische gemiddelden ter beschikking stellen.

    De spreekster wil de minister ondervragen over de mogelijkheid om een gemiddelde te bepalen dat als basis kan dienen voor een budgettaire evaluatie.

    Met betrekking tot de plaatsen waar palliatieve zorg wordt verleend en de personen die actief zijn op dat terrein, vestigt de spreekster de aandacht op de platformen, verenigingen en bonden in de verschillende gewesten.

    Deze zogenaamde platformen stellen wijzigingen voor. Zij trachten de initiatieven op het terrein te evalueren en te coŲrdineren.

    De verenigde commissies zouden de eisen van deze platformen, verenigingen en bonden moeten herlezen om na te gaan of de voorgestelde tekst tegemoetkomt aan de verwachtingen.

    In een kaderwet moeten de opdrachten van de platformen precies worden gedefinieerd.

    Ze geven adviezen over het aanbod en de noden op het vlak van de palliatieve zorg in het gewest, coŲrdineren de werking van de palliatieve diensten, overleggen met andere verenigingen en voorzien in de opleiding van de personen die de palliatieve zorg verstrekken. Ze zijn dus de meest geschikte onderhandelingspartner van de overheid.

    Ze moeten de huidige praktijk evalueren en, in samenwerking met de gewesten, de noodzakelijke verzoeken formuleren ten aanzien van de verschillende overheidsinstanties ten einde hun taak nauwkeuriger te omschrijven en beter te vervullen, en meer subsidies te krijgen.

    Thans ontvangt elk platform ongeveer 1 250 000 frank per 300 000 inwoners. Dit bedrag wordt verhoogd met hetzelfde bedrag voor elke bijkomende schijf van 300 000 inwoners. Er rijzen vragen over deze cijfers en over deze financieringswijze.

    De patiŽnten verlangen uiteraard in de eerste plaats dat zij thuis worden verzorgd.

    In sommige provincies van ons land, bijvoorbeeld in Luxemburg, overlijden 60 tot 70 % van de patiŽnten thuis.

    In de steden is dit aandeel aanzienlijk lager. Thuis kunnen sterven moet worden aangemoedigd. De meerderheid van de mensen wenst dit.

    Er kan een steeds grotere beweging worden geconstateerd tussen de ziekenhuizen, de residentiŽle diensten voor palliatieve zorg en de woonplaats.

    De evolutie van de palliatieve zorg biedt niet alleen de mogelijkheid om de mensen zoveel mogelijk thuis te verzorgen, maar kan het overbrengen van de ene plaats naar de andere misschien ook vergemakkelijken.

    De manier waarop de thuisverzorging in de provincie Luxemburg is georganiseerd, onder meer met begeleidingsteams en opleiding in het buitenland, is zeer interessant en moet nader worden bekeken.

    Een lid wijst erop dat er in de provincie Luxemburg twee platformen werden opgericht omdat men er niet in slaagde een akkoord te bereiken over de oprichting van een enkel pluralistisch platform. De spreker vindt dat men in de andere provincies misschien ook een dergelijke manier van werken moet overwegen. Een zekere ę verzuiling Ľ van de palliatieve zorg kan tot meer efficiŽntie leiden.

    De spreekster antwoordt dat dit een ander debat is. Ze wou enkel de aandacht vestigen op de organisatie van de palliatieve thuisverzorging in de provincie Luxemburg.

    De palliatieve dienstverlening is de jongste jaren sterk geŽvolueerd. Het is helemaal geen star concept want de ervaring leidt tot verfijning van de methodes.

    Als men de patiŽnten thuis verzorgt, moet er uiteraard een forfaitair bedrag worden vooropgesteld. De indieners van het voorstel zijn blij met het forfaitair bedrag dat in het Belgisch Staatsblad van 30 december 1999 werd gepubliceerd.

    Ze wensen een hogere en structurele financiering, vooral voor de begeleidingsteams (tweedelijnsteams, multidisciplinaire teams die steun bieden aan de hulpverleners die instaan voor de eerstelijnszorg bij de patiŽnt thuis).

    Momenteel wordt de forfaitaire vergoeding voor deze begeleidingsteams berekend op een basisaantal van 150 patiŽnten en wordt dit bedrag verhoogd wanneer het om meer patiŽnten gaat.

    Het aantal patiŽnten en de geografische zones waarop men zich baseert, roepen eveneens vragen op.

    De spreekster vraagt zich af in welk budgettair kader men een verhoging van de financiering moet situeren.

    De cijfers die in het wetsvoorstel worden aangehaald, moeten worden gezien als indicatoren, waarvan de uitvoerbaarheid moeten worden getoetst aan de budgettaire mogelijkheden waarover men beschikt.

    De financiering van de begeleidingsteams door het RIZIV op basis van conventies moet worden besproken.

    In het begin heeft men ervaring opgedaan in het werken met conventies en nu loopt dit systeem naar wens. Men vraagt om de conventies niet te vaak te herzien en niet zo vaak te verbreken. De verbrekingsgronden moeten minder ruim worden, de conventies moeten van onbepaalde duur zijn en er moet worden gestreefd naar een structurele financiering in plaats van een financiering die afhankelijk is van onderhandelingen met het RIZIV.

    De tekst van het voorstel is op sommige punten gebaseerd op de koninklijke besluiten, maar op andere punten gaat hij verder, namelijk met betrekking tot de erkenningsvoorwaarden van de begeleidingsteams.

    Het voorstel gaat ook in op de wijze van samenstelling van al deze teams en pleit voor een uitbreiding van het profiel van de personen die er deel van uitmaken.

    Het overleg tussen de begeleidingsteams en de eerstelijnszorg verloopt, afhankelijk van het geval, vrij goed. Het moet beter worden georganiseerd en de wet moet de opdrachten van eenieder precies omschrijven, opdat de eerste en de tweede lijn efficiŽnt kunnen samenwerken in plaats van elkaar als rivalen te zien.

    De indieners van het voorstel vragen meer verplegers en administratief personeel voor de teams en ze vinden dat de geneesheer die het team leidt, een hogere vergoeding moet krijgen (betaling van zes arbeidsuren in plaats van vier).

    Ook kinesisten, maatschappelijk werkers en geeestelijke of andere begeleiders moeten een plaats krijgen in de teams.

    Het voorstel bepaalt dat deze teams 24 uur per dag paraat moeten zijn, dat er moet worden voorzien in een permanente opleiding van alle teamleden en dat er wekelijks multidiscplinaire vergaderingen moeten worden georganiseerd.

    Er moet aandacht zijn voor het aandeel van de patiŽnt in de kosten van de thuisverzorging.

    Het theoretisch recht van elke patiŽnt op palliatieve verzorging dreigt dode letter te blijven als er op financieel vlak geen hulp wordt geboden.

    Momenteel moet er geen remgeld worden betaald, maar de indieners van het voorstel willen verder gaan wat de tussenkomst van het RIZIV betreft voor de bezoeken en consultaties van de huisartsen of de geneesheren-specialisten en voor de huisbezoeken van verplegers en paramedici.

    Er wordt voorgesteld dat het RIZIV de kosten voor deze prestaties volledig op zich zou nemen.

    Ook op dit vlak zijn een evaluatie van het budget en een dialoog met de minister nodig.

    De palliatieve verzorging wordt niet enkel bij de patiŽnt thuis verleend, maar ook op andere plaatsen, vooral in de palliatieve diensten van de ziekenhuizen.

    In ons land wordt de palliatieve zorg door een gespecialiseerde verzorgingseenheid of door mobiele teams verstrekt, afhankelijk van het ziekenhuis. Voor de ziekenhuizen die voor de eerste mogelijkheid hebben gekozen, moeten er eveneens financiŽle inspanningen worden gedaan. Zo moet de vergoeding van de arts die het team leidt en die tegelijkertijd coŲrdinator en directeur is, worden verhoogd.

    De huidige vergoeding is niet toereikend. De normen voor erkend verplegend personeel zijn dat evenmin.

    Een andere manier om palliatieve zorg in een ziekenhuis te verstrekken, is dat deze dienst op een algemene wijze wordt uitgeoefend.

    Een ziekenhuis moet in principe over een palliatieve dienst beschikken. Voor een ziekenhuis met meer dan 500 bedden wordt hiervoor ongeveer 750 000 frank toegekend.

    De directeurs (beheerders) van ziekenhuizen onderstrepen dat deze financiering niet toereikend is. De ziekenhuizen die werkelijk hebben besloten een palliatieve dienst op te richten, dringen aan op bijkomende middelen en opleiding.

    Bovendien is er vaak te weinig aandacht voor de sector van de rust- en verzorgingstehuizen. In deze sector wordt er in geen enkele financiering voorzien voor palliatieve zorg, hoewel er een tekst bestaat waarin de rust- en verzorgingstehuizen worden uitgenodigd een palliatieve dienst op te richten. De zeldzame instellingen die dit hebben gedaan, moeten hiervoor putten uit middelen die niet voor palliatieve zorg bestemd zijn.

    De directeurs van deze tehuizen hebben een dringende oproep gedaan voor meer middelen.

    Een voorstel van kaderwet mag niet de ene of de andere instelling bevoordelen. Het voorstel heeft de verdienste het probleem op te werpen. De financiering moet volgens het voorstel op dezelfde manier worden opgevat als voor de thuisverzorging omdat de twee situaties een zekere gelijkenis vertonen.

    Ten slotte verklaart de spreekster dat het voorstel zeer technisch en complex is.

    Het is voor de federale wetgever inderdaad niet gemakkelijk een wet over deze materie op te stellen omdat er verschillende bevoegdheidsniveaus bij zijn betrokken. Deze zaken worden momenteel bij koninklijk besluit geregeld, de gewesten kennen de subsidies toe, terwijl de opleiding onder de bevoegdheid valt van de gemeenschappen en misschien ook van de geneesheren zelf. Het zijn immers zij die nu naar het buitenland gaan voor een opleiding en die de kennis die zij daar hebben verworven, doorgeven aan wie het wenst.

    Het bijeenbrengen van al deze elementen in een voorstel van kaderwet biedt eenieder de mogelijkheid zijn eigen positie te bepalen, draagt bij tot de ontwikkeling van een palliatieve cultuur en geeft ons de kans de achterstand ten opzichte van sommige buurlanden in te halen. Op die manier kan het probleem van de euthanasie ≠ althans gedeeltelijk ≠ worden opgelost.

    Een lid merkt op dat in het voorstel een algemeen plan wordt uiteengezet waardoor de kosten voor palliatieve zorg aanzienlijk verhogen. Hij vraagt zich af of de indieners van het voorstel de financiŽle gevolgen hebben berekend en zo niet, of ze dat niet zouden moeten doen.

    De spreekster antwoordt dat ze herhaaldelijk heeft aangedrongen op de aanwezigheid van de bevoegde ministers omdat een precieze berekening van de financiŽle implicaties van het voorstel een bijzondere expertise vereist.

    De kosten die het voorstel, zoals het thans is ingediend, meebrengt, zijn aanzienlijk in vergelijking met het budget dat hiervoor thans ter beschikking staat.

    Momenteel zijn er in ons land 360 bedden voor palliatieve zorg, waarvan 140 in WalloniŽ.

    De mensen op het terrein vinden dit aantal ontoereikend. Er wordt dan ook voorgesteld de palliatieve zorg uit te breiden, binnen de grenzen die de indieners van het voorstel redelijk achten.

    Wat bijvoorbeeld de palliatieve thuisverzorging betreft, vraag men dat de storting van de onlangs verhoogde forfaitaire toelage meer dan twee keer kan worden herhaald, rekening houdend met het feit dat de gemiddelde levensduur in een instelling voor palliatieve zorg varieert van enkele dagen tot vier maanden.

    Een andere techniek bestaat erin om elke plaats te evalueren en na te gaan of de voorgestelde gemiddelden overeenkomen met de huidige behoeften aan palliatieve bedden. Maar het is duidelijk dat 360 bedden voor heel BelgiŽ niet volstaan.

    Hoewel zij van oordeel is dat het niet de taak is van een parlementslid om de gevraagde begrotingsevaluatie te maken, stelt spreekster voor om de cijfers mee te delen die zij heeft ontvangen van de coŲrdinaties en federaties die rond het onderwerp werkzaam zijn.

    De bevoegde minister zou moeten meewerken aan de evaluatie op grond van de gegevens van de gewesten.

    Ook het RIZIV zou aan het debat moeten deelnemen.

    Een vorige spreker is van oordeel dat men toch niet tegelijkertijd zeer precieze cijfers kan voorstellen en staande kan houden dat het niet de taak is van de indieners van het voorstel om de budgettaire weerslag ervan te ramen.

    De parlementsleden zijn goed genoeg geÔntroduceerd bij de gewesten en gemeenschappen opdat die het nodige werk laten zouden uitvoeren.

    Een ander lid verheugt er zich over dat de zes leden van de meerderheid drie wetsvoorstellen hebben ingediend, waaronder een apart wetsvoorstel over de palliatieve zorg. Op institutioneel vlak veroorzaakt het zopas toegelichte voorstel een hele reeks problemen omdat verschillende bevoegdheidsniveaus worden vermengd.

    Wanneer in een ruim wetsvoorstel aan de bevoegdheden van de gemeenschappen wordt geraakt, bestaat er een reŽel risico dat het wordt afgewezen om de eenvoudige reden dat de federale wetgever niet bevoegd is voor sommige onderdelen.

    Spreker verheugt er zich tevens over dat zoveel mensen belangstelling hebben voor de ontwikkeling van de palliatieve zorg. Hij is er echter geenszins van overtuigd dat het de rol is van de wetgever om zover te gaan als in het zopas toegelichte wetsvoorstel, want sommige punten behoren veeleer tot de bevoegdheid van de regering.

    Spreker merkt verder op hoe moeilijk het is om pluralistische structuren in het leven te roepen.

    Zo is in de provincie Luxemburg een poging om een coŲrdinatie voor de palliatieve zorg op te richten gestrand, zodat twee coŲrdinaties moesten worden opgericht.

    Tien jaar geleden heeft spreker naar aanleiding van de oprichting van een structuur voor palliatieve zorg voorgesteld om een pluralistische inrichtende macht in het leven te roepen. Hij heeft zijn verzoek herhaald, maar kreeg nooit een antwoord.

    Er bestaan vandaag eenheden voor palliatieve zorg, die zich allemaal pluralistisch noemen, maar hun inrichtende macht is niet pluralistisch.

    Het probleem is dus niet eenvoudig. Het is trouwens bijzonder moeilijk voor de federale wetgever om het onderscheid te maken tussen zijn eigen bevoegdheden en die van de gewesten en gemeenschappen.

    Vandaar dat het beter in de regelgeving niet te ver gaan om te vermijden dat het proces wordt afgeremd in plaats van gestimuleerd.

    Een lid merkt op dat, zoals uit dit debat is gebleken, iedereen in deze commissies het er wel over eens is dat de deskundigheid inzake pijnbestrijding, de morele verlichting en de menselijke nabijheid voor alle patiŽnten op gelijkwaardige wijze toegankelijk moet zijn. De Senaat heeft geen bevoegdheid meer op het vlak van de begroting en inzake de politieke controle op de uitvoerende macht. Hij kan vanzelfsprekend niet tussen komen in de bevoegdheden van de gemeenschappen. De Senaat heeft wel als opdracht een aangelegenheid zoals palliatieve zorg te onderzoeken en op basis hiervan een wettelijke regeling voor te stellen.

    De Senaat moet in dit domein derhalve meer doen dan als aanhangsel van een euthanasiewet een mooie politieke verklaring afleggen waarin een aantal intenties worden geformuleerd. Niemand kan betwisten dat een euthanasiewet een morele druk op de patiŽnt legt. De Senaat zou onzorgvuldig te werk gaan indien hij geen regeling uitwerkt die de regering ertoe dwingt op zeer korte termijn de nodige middelen voor palliatieve zorg vrij te maken en een voor iedereen toegankelijk stelsel uit te bouwen. De verdeling van de bevoegdheden op dit vlak mag de Senaat er niet van weerhouden om binnen zijn eigen opdracht een maximale inspanning te doen en een zo hoog mogelijke druk op de uitvoerende macht te leggen.

    Een ander lid onderstreept nogmaals dat de wetsvoorstellen over euthanasie en over palliatieve zorg die door leden van zes fracties werden ingediend, volkomen gelijkwaardig en onverbrekelijk met elkaar verbonden zijn. Men mag de zaken derhalve niet zo voorstellen als zou het ene een ę aanhangsel Ľ zijn van het andere. Dit is blijkbaar een misverstand dat ook in kringen buiten de Senaat leeft en dat zeer moeilijk uit de wereld kan worden geholpen.

    Het is inderdaad zo dat een stelsel van palliatieve zorgverlening alleen met medewerking van de gemeenschappen kan worden uitgebouwd. Het is aan de leden van deze commissies om ook in deze richting initiatieven te nemen. De noodzaak van een gedegen en algemeen toegankelijk systeem inzake palliatieve zorg wordt derhalve door niemand in vraag gesteld, maar men moet er ook begrip voor hebben dat een dergelijk systeem geen antwoord kan bieden op het lijden van sommige patiŽnten.

    Zij stipt nog aan dat zij eerder een voorstel van resolutie in verband met de palliatieve zorgverlening mede heeft ondertekend (Stuk Senaat, nr. 2-106/1). Dit wordt vanzelfsprekend vervangen door het wetsvoorstel nr. 2-246/1 dat het recht op palliatieve zorg meteen wettelijk verankert.

    De vorige spreekster antwoordt dat zij geenszins twijfelt aan de bedoelingen van de indieners van deze wetsvoorstellen. Men kan er echter niet omheen dat er tussen de beide wetsvoorstellen een duidelijk verschil is. Eenmaal het wetsvoorstel met betrekking tot euthanasie gestemd is, kan dit vrijwel meteen in werking treden. Op het ogenblik echter dat het wetsvoorstel inzake palliatieve zorg in het Belgisch Staatsblad verschijnt, moet de opbouw van het systeem nog van start gaan. Wie het met dit voorstel ernstig meent zal derhalve zowel ten aanzien van de uitvoerende macht als ten aanzien van de gemeenschappen alles in het werk moeten stellen opdat ook die op korte termijn hun deel van de verantwoordelijkheid opnemen.

    b) Wetsvoorstel strekkende om het recht op palliatieve zorg in te voeren en de palliatieve zorgverlening te verbeteren (van mevrouw Ingrid van Kessel c.s.); nr. 2-402/1

    De hoofdindienster van het wetsvoorstel strekkende om het recht op palliatieve zorg in te voeren en de palliatieve zorgverlening te verbeteren (Stuk Senaat, nr. 2-402/1) benadrukt dat niemand het belang van de palliatieve zorg in vraag stelt. Dit is duidelijk gebleken uit de hoorzittingen die de bespreking van het wetsvoorstel betreffende de euthanasie (Stuk Senaat, nr. 2-244/1 en volgende) voorafgingen.

    Een cruciaal punt in het wetsvoorstel nr. 2-402 bestaat erin dat het recht op palliatieve zorg als uitgangsprincipe naar voor wordt geschoven. Het lid stelt met genoegen vast dat dit ook het geval is in het wetsvoorstel nr. 2-246. Daarentegen heeft het federaal plan inzake de palliatieve zorg het enkel over de palliatieve zorg op aanvraag van de patiŽnt in terminale fase. Dit betekent dat, volgens het federaal plan, de palliatieve zorg slechts wordt gegarandeerd voor diegenen die binnen afzienbare tijd zullen overlijden. Het lid is van oordeel dat de palliatieve zorg dient te worden gegarandeerd aan de patiŽnten die ongeneeslijk ziek zijn. Deze ruimere omschrijving wordt ook gehanteerd in het wetsvoorstel nr. 2-246.

    Spreekster vindt het essentieel te benadrukken dat elkeen die ongeneeslijk ziek is toegang heeft tot palliatieve zorg, ongeacht of de betrokkene al dan niet binnen afzienbare tijd zal sterven. Uit de hoorzittingen die in het kader van de euthanasieproblematiek werden georganiseerd kan men de conclusie trekken dat palliatieve zorg veel verder gaat dan louter terminale zorg.

    Het lid meent voorts dat er een verschil bestaat tussen de hier besproken wetsvoorstellen wat de invulling van de palliatieve zorg betreft. Volgens het federaal plan maakt de palliatieve zorg weliswaar deel uit van de algemene gezondheidszorg, maar blijft ze beperkt tot de hoofdzakelijk materiŽle aspecten. Hoewel niemand betwist dat de verhoging van de budgetten voor de palliatieve zorg een flinke stap in de goede richting is, moet volgens spreekster worden onderstreept dat palliatieve zorg ook immateriŽle zorg omvat, zoals psychologische comfortzorgen of spirituele omkadering. Terecht wordt in het voorstel nr. 2-246 de nodige aandacht geschonken aan de familiale omkadering. Het lid verwijst naar de bezorgdheid die tot uiting is gekomen bij de bespreking van de verschillende wetsvoorstellen inzake euthanasie, met name dat een verzoek tot euthanasie niet tot stand mag komen als gevolg van enige druk. De betrokkenheid van de familie bij de palliatie van de patiŽnt kan deze mogelijke sociale of familiale druk wegnemen.

    Het lid verwijst naar de bepaling van het wetsvoorstel nr. 2-246 die de regering een resultaatsverbintenis oplegt. Zij meent dat moet vermeden worden dat er een verschil in financiŽle kost zou ontstaan tussen enerzijds de patiŽnten die in een ziekenhuis of een rust- of verzorgingstehuis worden opgenomen en anderzijds de patiŽnten die thuis wensen verzorgd te worden en aldaar te sterven. Het is een goede zaak dat de concrete uitwerking van deze resultaatsverbintenis aan de regering wordt overgelaten, die hiermee overigens reeds gestart is aan de hand van haar palliatief plan. Niettemin blijven enkele vragen open, waarover meer duidelijkheid gewenst is.

    Het is op dit ogenblik mogelijk om, gedurende een periode van 30 dagen, eventueel verlengbaar tot twee maanden, een thuiszorgforfait te ontvangen van 19 500 frank. Deze periode is vrij kort. De minister van Sociale Zaken gaat hiermee principieel akkoord en heeft er tijdens de hoorzittingen in oktober 2000 in de Senaat voor gepleit dat een evaluatie van deze regeling zou plaatsvinden in het begin van het jaar 2001. In de Kamer van volksvertegenwoordigers heeft de minister evenwel gesteld dat de evaluatie slechts zou plaatsvinden aan het einde van het jaar 2001. Dit is bijzonder jammer, vermits een verlenging van deze periode het voor heel wat mensen zou mogelijk maken om er bewust voor te kiezen om thuis te sterven. Thans maakt de termijn van twee maanden het bijzonder moeilijk om deze keuze te maken, vermits men werkelijk op het precieze moment de aanvraag dient in te dienen. Vandaar dat het lid een verlenging van deze periode, waarop men recht heeft op het thuiszorgforfait, te verlengen tot 6 maanden.

    Een tweede element dat dient te worden uitgeklaard betreft de uitbreiding van de thuiszorgequipes. De betrokkenheid van de huisarts in de eerste lijnszorg is essentieel. De thuiszorgequipes moeten zich dan ook maximaal kunnen beroepen op de huisarts. Ook het advies van een pijndeskundige zou ervoor kunnen zorgen dat de thuiszorgequipes beter kunnen functioneren.

    Wat betreft de palliatieve functie in de RVT's en ROB's, erkent het lid dat reeds heel wat positieve stappen worden gezet. Niettemin wijst zij erop dat, waar ook mensen sterven, de mogelijkheden van palliatieve zorg beschikbaar moeten zijn. Bijvoorbeeld in de psychiatrische verzorgingstehuizen laten deze mogelijkheden op vandaag heel wat te wensen over. Nochtans zou ook daar het recht op palliatieve zorg onverkort van toepassing moeten zijn.

    Verder wijst spreekster op de problemen die thans bestaan met betrekking tot de honorariumsupplementen voor die personen die worden opgenomen in een palliatieve afdeling van een ziekenhuis. De akkoorden, die in de schoot van het RIZIV zijn gesloten tussen artsen en patiŽnten, geven geen duidelijk antwoord op de vraag of het al dan niet mogelijk is voor deze personen een honorariumsupplement te vragen. Het is essentieel dat de wetgever een krachtig signaal geeft dat zulks uitgesloten is.

    Bovendien meent het lid dat men ook in de palliatieve functie in een ziekenhuis een beroep moet kunnen doen op een pijndeskundige. Pijnbestrijding is immers een essentieel onderdeel in de palliatieve zorg.

    Spreekster wijst er ten slotte op dat, wanneer een ziekenhuis wordt geconfronteerd met financiŽle moeilijkheden, vaak in de eerste plaats wordt gesnoeid in de uitgaven van de geriatrische en de psychiatrische afdelingen, vermits deze afdelingen het minst te maken hebben met medisch-technische handelingen. Voor dergelijke handelingen wordt een ziekenhuis immers zeer goed gefinancierd. Men mag vrezen dat ook de palliatieve afdeling van een ziekenhuis bij de eerste besparingsoperaties wordt betrokken, daar het eveneens gaat om een afdeling die ę niets opbrengt Ľ. Nochtans is dit wellicht de afdeling waar de patiŽnt het zwakst staat. Het lid stelt voor om deze problematiek te evalueren in de verenigde commissies, samen met de Federatie Palliatieve Zorg.

    F. HOORZITTINGEN

    Tijdens de bespreking heeft een aantal leden voorgesteld een reeks hoorzittingen te organiseren.

    Na een brede gedachtewisseling hebben de verenigde commissies met dit voorstel ingestemd omdat, gelet op het netelige karakter van het onderwerp, de consultatie van vertegenwoordigers van verschillende sectoren die bij een wetgeving over euthanasie en palliatieve zorgverlening betrokken zijn, de werkzaamheden vooruit kan helpen.

    De verenigde commissies hebben bijgevolg een lijst opgesteld van personen uit verschillende disciplines en met uiteenlopende opleidingen, onder wie mensen die werkzaam zijn op het terrein, huisartsen en specialisten, verpleegkundigen, ethici, juristen, apothekers en vertegenwoordigers van verschillende verenigingen.

    De vraag werd gesteld of de hoorzittingen in openbare of in gesloten vergadering moesten plaatsvinden.

    Daarover waren de meningen verdeeld.

    Sommige leden toonden zich voorstander van gesloten vergaderingen, omdat de getuigen dan vrijuit kunnen spreken en om te vermijden dat de media het debat beÔnvloeden.

    Anderen gaven de voorkeur aan openbare hoorzittingen omwille van de belangstelling en de verwachtingen die de commissiewerkzaamheden bij de bevolking hebben gewekt.

    De commissies hebben uiteindelijk beslist dat :

    ≠ de hoorzittingen van ethici, juristen en vertegenwoordigers van verenigingen openbaar zullen zijn, behalve als deze personen een geheel of gedeeltelijk gesloten vergadering wensen;

    ≠ de hoorzittingen van diegenen die op het terrein werkzaam zijn in gesloten vergadering zullen plaatsvinden, behalve als ze het anders wensen.

    De verenigde commissies hebben 21 vergaderingen besteed aan de hoorzittingen, die plaatsvonden tussen 15 februari en 9 mei 2000.

    Het volledige verslag van de openbare hoorzittingen wordt als bijlage bij dit verslag gepubliceerd (10).

    G. HERVATTING VAN DE ALGEMENE BESPREKING (NA DE HOORZITTING)

    Een lid verwijst naar het verloop van de werkzaamheden tot nog toe. Eerst werden een aantal wetsvoorstellen ingediend en toegelicht. Vervolgens werden hoorzittingen georganiseerd en nadien werd een rustperiode ingelast. Tot op heden werd er echter nog geen echt debat gevoerd.

    De fractie van spreekster is van oordeel dat de openbare hoorzittingen een brede belangstelling hebben gewekt voor de problematiek van de euthanasie, vooral in het Zuiden van het land waar de RTBF telkens een samenvatting heeft uitgezonden. Voor de senatoren van de fractie waarvan spreekster deel uitmaakt, waren de hoorzittingen nuttig maar niet essentieel, zeker niet voor diegenen die zich, zoals spreekster, reeds lang met de problematiek bezighouden. Voor dergelijke personen hebben de hoorzittingen dan ook vaak slechts bevestigd wat ze reeds wisten. Niettemin zullen de hoorzittingen ongetwijfeld essentieel zijn geweest voor diegenen die minder vertrouwd waren met de problematiek.

    Het lid wijst op het onafwendbaar gegeven dat eenieder die geboren wordt, ook zal sterven. De dood is echter niet identiek voor elk individu. Sommige personen merken niet dat ze sterven, maar anderen ondergaan een verschikkelijk lijden dat soms jaren duurt. Ook voor deze laatste personen is echter elke dood anders. De draagkracht van personen verschilt, al naargelang van de aard van de ziekte en van de pijnbestrijding. Uit de hoorzittingen is gebleken dat pijnbestrijding voor vele mensen een onbekend gegeven is. Er is dan ook nood aan een snelle inschrijving ≠ dit wil zeggen vanaf het nieuwe academiejaar ≠ van een cursus pijnbestrijding voor studenten in de geneeskunde of in de verpleegkunde. Ook bijscholing van de reeds bestaande practici is onontbeerlijk. De manier waarop een zieke wordt omringd heeft immers een grote invloed op diens eventuele vraag om sneller te mogen sterven. De kille ziekenhuisomgeving en het gebrek aan tijd van de medici en de familie is soms een determinerende factor. Maar zelfs indien de zieke goed omringd is, is een goede pijnbestrijding vereist. De Senaat dient hier een krachtig signaal te geven.

    Vervolgens verwijst spreekster naar de opvatting die wordt gehuldigd door sommige personen die werden gehoord, dat gecontroleerde sedatie geen vorm is van actieve, noch van passieve euthanasie. Wanneer men de literatuur erop naslaat, onder meer het werk van Marie de Hennezelle, leert men dat bij gecontroleerde sedatie de intentie van de zorgverlening anders is, met name de persoon minder te laten lijden en op een humane manier de ziekte te laten ondergaan. Heeft men, bij het ingaan op een vraag naar euthanasie, echter ook niet de intentie de persoon minder te laten lijden ? Dit is niet duidelijk, noch voor spreekster, noch voor haar fractie. De gecontroleerde sedatie, waarbij men de patiŽnt op geregelde tijdstippen terug tot bewustzijn laat komen, is voor spreekster alvast geen humane handelswijze.

    Het lid is sceptisch over de bewering van palliatieve zorgverstrekkers dat, wanneer de euthanasieaanvraag wordt ę gedecodeerd Ľ, ze in feite meestal verdwijnt en wordt omgezet in een vraag naar pijnbestrijding. Uit contacten die spreekster heeft gehad met de verpleegkundigen op het terrein, blijkt het tegendeel. Zij is van oordeel dat de palliatieve zorgverstrekkers de euthanasievraag zťlf al te vaak interpreteren en daarom het leven trachten te rekken met alle mogelijke middelen. Dit is geen humane ingreep. Een dergelijke aanpak moet bestreden worden. Men moet vermijden dat er, naast de bestaande ę therapeutische hardnekkigheid Ľ, ook een ę palliatieve hardnekkigheid Ľ ontstaat. Belangrijk is wel dat de palliatieve zorgverstrekking toegankelijk en betaalbaar wordt voor iedereen. Hiervoor dienen de nodige middelen te worden vrijgemaakt. Bovendien moet erop toegezien worden dat de vrijgemaakte middelen daadwerkelijk worden aangewend voor de palliatieve zorgverlening en niet voor andere doeleinden worden gehanteerd. Ook de openheid naar de patiŽnt is daarin essentieel : de patiŽnten moeten op de hoogte worden gebracht van het feit dat er geen curatieve mogelijkheden meer zijn en dat zij in een instelling worden opgenomen waar slechts palliatieve zorg wordt toegediend.

    Verder wenst het lid te onderstrepen dat de keuze niet is : euthanasie of palliatieve zorgverlening. Wanneer curatief niet meer kan worden opgetreden, moeten palliatieve zorgen worden toegediend; eventueel kan later worden ingegaan de vraag naar euthanasie indien :

    ≠ de vraag uitgaat van de patiŽnt en van hem alleen;

    ≠ de arts oordeelt dat de patiŽnt zich in een medisch uitzichtloze situatie bevindt, zonder dat hij kan worden verplicht om euthanaserend te handelen;

    ≠ wordt beantwoord aan een aantal zorgvuldigheidscriteria, die nauwgezet worden vastgelegd en gecontroleerd.

    Er dient eveneens een oplossing te komen voor de herhaalde en voortdurende vraag van de patiŽnt naar euthanasie, wanneer deze onderhevig is aan ondraaglijke pijnen en zijn situatie medisch onomkeerbaar is.

    Met betrekking tot de strafbaarstelling van een levensbeŽindigend optreden door de arts, hetzij via gecontroleerde sedatie, hetzij door middel van euthanasie, huldigt spreekster de opvatting dat het uitgesloten is dat zij hiervoor strafrechtelijk veroordeeld worden. Eťn van de grote bekommernissen van de verenigde commissies moet zijn dat de voorgestelde wetgeving klaar, duidelijk en niet tť omvattend is. Zij moet een deur openlaten naar sommige situaties, zoals het lijden van kinderen of de wilsbeschikking.

    Concluderend stelt het lid dat men dient te streven naar een meer humane maatschappij, waarin voldoende aandacht wordt geschonken aan de lijdende mens. Wanneer deze uit zijn lijden wenst verlost te worden, moet dit mogelijk zijn.

    Een ander lid herinnert eraan dat de voorstellen zijn ingegeven door wat wij thans in ons land, net zoals in vele andere landen ter wereld, meemaken, namelijk dat niet echt aandacht wordt besteed aan de problemen rond het levenseinde, met inbegrip van het aspect euthanasie ervan, tenzij misschien individueel en op sommige plaatsen.

    De problemen rond het levenseinde worden niet ervaren als een maatschappelijk probleem noch als een drama dat zieken meemaken die geen antwoord krijgen op hun vraag naar verzachting van hun pijn en in voorkomend geval hun vraag om een einde te maken aan hun leven.

    Het probleem was niet aan de orde. Alles gebeurde in de grootste onduidelijkheid, waarbij gebrek aan doorzichtigheid troef was.

    Spreker heeft reeds gewezen op de vergissingen die begaan zijn omdat er niet werd ingegaan op bepaalde vragen wegens de wetgeving zoals ze er nu uitziet en op de vergissingen die begaan zijn omdat er al te snel werd ingegaan op een verzoek van de patiŽnt en die wellicht eveneens te wijten zijn aan het ontbreken van wetgeving, en waarbij helemaal geen reactie is gekomen op euthanasie die werd uitgevoerd zonder dat de zieke erom gevraagd had.

    De hoorzittingen hebben die twee fenomenen bevestigd alsmede enkele feiten die losstaan van de werkzaamheden van de commissie. In Luik heeft men immers kunnen vaststellen dat euthanasie beschouwd werd als moord daar twee artsen werden aangeklaagd wegens moord terwijl uit de gekende omstandigheden bleek dat voldaan was aan de voorwaarden die in het door spreker medeondertekende wetsvoorstel gesteld worden.

    Men is geneigd ervan uit te gaan dat een ideologische aanpak van de maatschappelijke problemen bestreden moet worden.

    Spreker verklaart hierover verbaasd te zijn omdat de ethische problemen, met inbegrip van de politieke, met ideologie te maken hebben, dit wil zeggen met verschillende opvattingen die men over de maatschappij kan hebben en die juist het pluralistische karakter van die maatschappij uitmaken.

    Stellen dat standpunten waarover iedereen het eens is, de grondslag vormen voor de organisatie van de samenleving, komt erop neer dat vaagheid en willekeur worden bevorderd of dat men weigert verschillen in opvattingen over bepaalde onderwerpen vast te stellen.

    Men moet respect opbrengen voor die verschillen in opvatting maar op een gegeven ogenblik ≠ zo bleek uit de hoorzittingen ≠ moeten de politici beslissingen nemen.

    Niemand betwist noch de kwaliteit van wat gezegd werd, noch de kwaliteit van de mannen en de vrouwen die verklaringen hebben afgelegd, los van het feit dat in het begin deskundigen zijn gekozen om redenen die niet neutraal zijn.

    Een deskundige is nooit onpartijdig, zeker niet wat betreft belangrijke problemen als die rond het levenseinde, recht op waardig sterven, euthanasie en palliatieve zorg.

    Hoewel de sprekers ongetwijfeld zeer deskundig zijn en veel ervaring hebben, hebben zij toch toegegeven dat zij een persoonlijke kijk hadden op het probleem ≠ en dat is ook goed zo ≠ en dat de analyse die zij maken, niet losstaat van die persoonlijke kijk.

    Er werden dus heel wet subjectieve verklaringen afgelegd.

    Daarenboven hebben veel sprekers erkend dat hun uiteenzetting niet altijd representatief was.

    Er werden tal van uiteenlopende meningen verkondigd. Men kan derhalve geen conclusies trekken over de zin waarin de deskundigen zich zouden hebben uitgesproken en het lijkt niet wenselijk iets dergelijks te doen voor de komende commissiewerkzaamheden.

    Spreker merkt op dat het probleem van de vrijheid en de autonomie van de patiŽnt fundamenteel is gebleken tijdens de hoorzittingen alsook in de aanpak van dit probleem die elke deskundige expliciet of impliciet heeft kunnen toelichten. Sommigen hebben vrij duidelijk verklaard dat de mens bepaalde dingen niet kan vatten. Die transcendentie is niet noodzakelijk van religieuze aard maar zou te maken kunnen hebben met een soort impliciete superstructuur waarbij dit alles ertoe leidt dat de autonomie van de patiŽnt niet volledig erkend wordt. Die volstrekt eerbiedwaardige mening is niet die van de spreker.

    Het is precies de autonomie van de zieke in al de fasen van zijn leven die de grondslag vormt van het voorstel en meer in het bijzonder op de ogenblikken waarop een vraag om euthanasie wordt geformuleerd.

    Spreker werd getroffen door alles wat gezegd werd over het ontleden van die vraag.

    Is er ook maar iemand die denkt dat de auteurs van het wetsvoorstel over problemen rond het levenseinde waarin de autonomie en de vrijheid van de zieke wordt erkend, geen rekening zouden houden met het feit dat het absoluut noodzakelijk is de vraag te ontleden ?

    In alle fasen van het leven en in het bijzonder van het leven dat door een arts begeleid wordt, maakt die analyse juist deel uit van de stappen die ondernomen worden, die ook betrekking hebben op de diagnose, en die bepalend zijn voor het antwoord op het geformuleerde verzoek.

    Het ontleden van de vraag is dus onontbeerlijk maar het lijkt duidelijk dat indien die ontleding leidt tot de stelling dat het euthanasieverzoek niet bestaat en dat de echte vraag niet die is welke uitdrukkelijk wordt geformuleerd, omdat het verzoek a priori onontvankelijk is, men eigenlijk impliciet het beginsel van de vrijheid van de zieke miskent.

    Velen hebben aangedrongen op een dergelijke ontleding van de vraag en sommigen zijn aldus tot het besluit gekomen dat er nagenoeg geen echte euthanasieverzoeken zijn.

    In dit verband werden tijdens de hoorzittingen zaken gezegd die niet overeenstemden met wat men zou gehoord hebben in andere omstandigheden : sommigen hebben immers het bestaan van euthanasieverzoeken ontkend, terwijl zij in andere omstandigheden hadden erkend dat die verzoeken wel degelijk bestonden.

    Wat betreft de palliatieve zorg, is het duidelijk dat verder gestreefd moet worden naar een verbetering van het aanbod en de toegankelijkheid. Er zijn nog situaties waarin die toegankelijkheid te wensen overlaat.

    Sommige sprekers hebben echter gepoogd de nood aan aandacht voor het euthanasieverzoek tegenover het streven naar een aangepaste en meer toegankelijke zorgverlening te plaatsen ten einde beter te kunnen inspelen op de situatie waarin de patiŽnt verkeert.

    Doch daar gaat het niet om. Het doel van de wetsvoorstellen sluit in werkelijkheid perfect aan bij het bijkomend verzoek om beter rekening te houden met de toestand van de zieke op elk ogenblik van zijn bestaan, ook wanneer hij ervan uitgaat dat de enige oplossing voor hem het verzoek om euthanasie is.

    Het streven naar een beter verankerd recht op waardig sterven beschouwen als een oplossing die in strijd is met de verbetering van de zorgverlening en de toegang tot die zorgverlening, lijkt derhalve onaanvaardbaar en zelfs enigszins ergerlijk.

    Spreker is immers de mening toegedaan dat de stap die de zes indieners gezet hebben, juist perfect aansluit bij het uitdrukkelijk en ook politiek streven naar de verbetering van de zorgverlening aan terminale patiŽnten, waarbij die zorgverlening aangepast moet zijn aan de situatie waarin de patiŽnt verkeert.

    Wat het probleem van de vrijheid van de zieke betreft, stelt spreker vast dat die problemen doet rijzen omdat het om een ideologische kwestie gaat. Hij is van mening dat dit cruciale principe onverkort gehandhaafd moet worden, ongeacht allerlei ideologische of politieke overwegingen.

    Spreker wijst vervolgens op het belang van het verplegend team in ruime zin (omgeving, familie, ...) bij de begeleiding van de patiŽnt.

    Spreker heeft in de getuigenissen van het verplegend personeel gezocht naar hun deel van de gedeelde verantwoordelijkheid bij euthanasie.

    Hij heeft daarbij de indruk gekregen dat die verantwoordelijkheid eigenlijk niet deelbaar is. Bij het streven naar een betere communicatie met de patiŽnt die in een stervensfase verkeert, moet men beseffen dat er automatisch een medeverantwoordelijkheid is waarvan de deskundigen juist gezegd hebben dat zij onbestaande is aangezien de verantwoordelijkheid ligt bij degene die antwoordt en die handelt.

    Er zou zeker belangrijke vooruitgang geboekt worden indien het verplegend team meer betrokken zou worden bij de behandeling zonder daarom de autonomie van de zieke te miskennen.

    Er zij aan herinnerd dat de handeling zelf door een arts moet worden verricht en dat elk soort antwoord dat erin bestaat dat de arts een soort volmacht heeft, derhalve onaanvaardbaar is.

    Een groot aantal sprekers hebben verklaard dat het uiterst moeilijk is het begrip terminale fase te definiŽren. Zo een begripsomschrijving in de wet lijkt dus niet mogelijk.

    Zoals blijkt uit een brief die de commissieleden onlangs hebben ontvangen, lijkt het daarenboven ethisch niet aanvaardbaar het recht op een waardige dood te weigeren aan ongeneeslijk zieken die niet in een terminale fase verkeren.

    Voor zover de toestand van die laatste zieken in de wet in aanmerking wordt genomen, wordt het misschien toch mogelijk die fase in de wet te definiŽren.

    Wat betreft de procedure, hebben sommige artsen gevraagd dat ze hun werk zouden mogen doen.

    Het is duidelijk dat men de artsen hun beroep moet laten uitoefenen, ook in de bijzondere context van het levenseinde. Doch rechtvaardigt dit het feit dat de samenleving zich afzijdig houdt, wel wetende dat er thans vergissingen worden begaan door overijld op te treden of helemaal niet op te treden ?

    De status-quo kan niet geduld worden omdat hij leidt tot drama's in beide richtingen. Sommigen hebben gevraagd dat de procedure er niet zou toe leiden dat elke medische werkwijze onmogelijk wordt. Dit punt is belangrijk want het is de bedoeling de toestand van de zieken te verbeteren en terzelfder tijd het werk van de verpleegkundigen te vergemakkelijken.

    Uit de hoorzittingen blijkt dat er thans plaatsen zijn waar er helemaal geen procedure gevolgd wordt. Op andere plaatsen is er een expliciete of impliciete werkwijze zonder dat men weet of de problemen rond het levenseinde, het waardig sterven, de palliatieve zorg behandeld werden in de bestaande ethische structuren.

    Spreker heeft zich vragen gesteld over de eventuele omslachtigheid van de procedures.

    Het lijkt hem dat die procedures niet overdreven zijn indien men ervan uitgaat dat zij ook tot doel hebben de zieke te beschermen. Daarom moeten ook verschillende stadia worden doorlopen die heel veel aandacht en luisterbereidheid van de arts en het verplegend personeel vergen.

    Eigenlijk stemmen de stadia die in het voorstel van de zes auteurs zijn vastgelegd, overeen met het bijhouden van een normaal medisch dossier.

    Wat betreft de aangifte bij het parket waarin het voorstel voorziet, zijn juristen en anderen van mening dat die in de context van een gedeeltelijke verwijdering van euthanasie uit het strafrecht, niet verplicht moet zijn. Zij hebben gepleit voor de invoering van een bufferstructuur tussen de arts die de aangifte moet doen en het parket.

    Die structuur zou tot taak hebben de aangiften te behandelen waarbij de arts anoniem zou blijven. Die anonimiteit zou slechts in een bepaald stadium van de procedure kunnen worden opgeheven wanneer er onregelmatigheden aan het licht zouden komen. Dit is een mogelijk denkspoor.

    Sommigen hebben verklaard dat welke formule er ook uit de bus komt, het uit het strafrecht halen van euthanasie niets zal uithalen. Dit komt neer op pleiten voor een status-quo.

    Het recht is wellicht, net zoals de geneeskunde, een discipline met veel ruimte voor interpretatie.

    Thans moet men evenwel vaststellen dat er fouten gemaakt worden en dat er op grond van de huidige wet mensen worden aangeklaagd. Op juridisch vlak is de status-quo dus niet aanvaardbaar.

    Daarenboven wordt euthanasie, op voorwaarde dat aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan, in ruime kring beschouwd als een ethisch positieve handeling.

    Men kan moeilijk begrijpen dat een dergelijke handeling strafrechterlijk vervolgbaar moet blijven.

    Het voorstel van de zes indieners bepaalt dat er geen misdrijf is wanneer euthanasie wordt uitgevoerd onder de voorwaarden die het bepaalt. Die formule heeft de verdienste duidelijk te zijn in de huidige situatie.

    Aanwijzingen of interpretaties in de parlementaire voorbereiding van de wet zijn niet voldoende.

    In de pers kon in een heel andere context recentelijk worden vernomen hoeveel belang de onderzoeksrechters en het parket aan de tekst van de wet hechten.

    Dit belang werd opgeworpen tegenover de directeur-generaal van het onderwijs van de Franse Gemeenschap in een zaak waarin hij verwees naar een commentaar bij de wettekst.

    In de zaak waarover wij ons buigen, is het dan ook uiterst belangrijk dat de wet zelf bepaalt dat er noch misdaad noch wanbedrijf is wanneer euthanasie in bepaalde omstandigheden wordt toegepast.

    Anderzijds heeft men ≠ wellicht meer uit de mond van een aantal parlementsleden dan tijdens de hoorzittingen ≠ de vraag horen opwerpen welk respect men nog kan opbrengen voor een wet die het verbod tot doden opheft.

    De spreker vraagt zich af wat op het vlak van de eerbied voor de wet het ergste is : in een wet vermelden dat de euthanasiedaad onder beperkte en duidelijk bepaalde voorwaarden niet meer strafbaar is, of tolereren dat de wet dagelijks met voeten wordt getreden ? Het is belangrijk over duidelijke teksten te beschikken, zoals een aantal experts hebben onderstreept.

    Tijdens de hoorzittingen is veel gesproken over palliatieve zorgverlening en spreker verheugt zich daarover.

    Hij verklaart bijzonder geboeid te zijn door de uiteenzettingen over de organisatie van de palliatieve verzorging. Er bestaan verschillende organisatievormen, maar men kan wellicht hoofdzakelijk twee organisatiemodellen onderscheiden : een verticaal model en een ander veeleer transversaal model.

    Volgens het verticale model bestaan in en buiten het ziekenhuismilieu palliatieve bedden die losstaan van de andere verzorgingsstructuren, hetgeen contacten met de buitenwereld niet uitsluit.

    Vele sprekers hebben gepleit voor een veeleer transversale organisatie van de palliatieve verzorging. Daar is de wetgever bij betrokken, die de impulsen moet geven, maar wellicht nog meer de uitvoerende macht, die de zaak concreet moet regelen.

    De oriŽntering naar een geÔntegreerde palliatieve verzorging, zowel binnen als buiten het ziekenhuismilieu, en naar een logica van continue palliatieve verzorging, biedt een passende benadering voor de ervaringen en problemen, want zo ontstaat de mogelijkheid de problematiek van het levenseinde niet te isoleren van de rest van de gezondheidszorg, en op een of andere wijze de dood opnieuw in het leven te integreren.

    Velen hebben gepleit voor een versterking van het aanbod inzake palliatieve verzorging. De wetgever heeft de plicht wettelijke maatregelen uit te vaardigen en de regering aan te sporen om dat te doen, wat overeenstemt met de vraag van het verzorgend personeel in het algemeen.

    Vele sprekers, zoals met name de dames Kempeneers en Henry, hebben tenslotte uiting gegeven aan hun vrees. Sommigen hebben vanuit een kritische houding opgemerkt dat het voorstel van de zes indieners niet alle problemen regelt.

    Spreker is zeer verheugd dat de twee voornoemde personen zijn komen getuigen, enerzijds omdat ze daardoor een spreekbuis krijgen tegenover de bevolking, en hij onderstreept hoe moeilijk en complex de situatie is van geesteszieken, van Alzheimer-patiŽnten en van hun families.

    Anderzijds konden de zes indieners bij die gelegenheid verklaren dat de vrees ten aanzien van hun voorstel niet gegrond was.

    Vele angsten kunnen immers worden weggenomen, wanneer men nauwkeurig vermeldt wat de inhoud en de grenzen van de wetsvoorstellen zijn.

    Het staat vast ≠ en dat is vaak als een verwijt aangehaald ≠ dat wetten niet alle problemen regelen. Dat moet worden onderstreept. Spreker meent dat men, in een vraagstuk als dat van het levenseinde, te werk moet gaan met een gevoel voor menselijkheid, scherpzinnigheid en omzichtigheid.

    De situaties waarvoor een gedeeltelijke depenalisering voorgesteld wordt, zijn duidelijk bepaald : het gaat om zieken die bij bewustzijn zijn, of om zieken die het bewustzijn hebben verloren, maar die vooraf een wilsverklaring hebben afgelegd en een gelastigde hebben aangewezen.

    Er blijven zones die het wetsvoorstel niet regelt : minderjarigen, personen met een verminderd onderscheidingsvermogen, ...

    Daarom kon men terecht het impliciete verwijt maken dat de wijzigingen in het Strafwetboek die voorgesteld worden, hun rechtvaardigingsgrond vinden in de noodtoestand, want nu lopen personen die niet aan de wettelijk omschreven voorwaarden voldoen, het gevaar uitgesloten te worden van elk mogelijk antwoord op een verzoek van een waardige dood.

    Voor die mensen moet evenwel de huidige toestand blijven bestaan, dat wil zeggen dat het mogelijk zal blijven zich op de noodtoestand te beroepen.

    Maar in het wetsvoorstel dat euthanasie gedeeltelijk depenaliseert, is het niet mogelijk het gestelde kader te verruimen op het vlak van de voorwaarden.

    In het wetgevend optreden moet het beginsel, zoals in de geneeskunde ę primum non nocere Ľ zijn.

    Indien men kijkt naar het gamma van alle situaties die tijdens de hoorzittingen beschreven zijn, is het niet juist te zeggen, zoals sommigen al te vaak herhaald hebben, dat het voorstel van de zes senatoren op geen enkele wijze tegemoetkomt aan de situaties die men dagelijks in het veld ontmoet.

    Kortom, men moet vooruit, zelfs al zijn de overtuigingen, de politieke opvattingen, de ideologieŽn verschillend.

    Men moet hierbij trachten alles wat aan de omstandigheden gebonden is buiten beschouwing te laten, in een geest van openheid, maar op basis van een gehechtheid aan bepaalde beginselen en een weigering van het status-quo en van teksten die menselijk en juridisch gesproken geen vooruitgang opleveren.

    Een senator meent dat de hoorzittingen niet altijd accurate antwoorden hebben opgeleverd op de vragen die door de commissieleden werden gesteld. Deze vaststelling geldt met name voor een aantal juridische aspecten van de problematiek van de euthanasie. Twee beroepsgroepen, met name de artsen ≠ en in mindere mate ook verpleegkundigen ≠ en de juristen hebben zich grotendeels afgezet tegen een wettelijke regeling van de euthanasie. Spreker betreurt dit, vooral omdat hun houding enerzijds werd ingegeven door een paternalistische houding, en anderzijds door hun machtspositie. Hoe minder er wordt geregeld, des te groter is immers de eigen beoordelingsmacht van een bepaalde beroepsgroep.

    Precies om deze veeleer enge benadering ≠ de positie van de beroepsgroep ≠ hebben beide groepen bepaalde filosofische en ideologische overtuigingen overschreden. Dit is minder nobel dan op het eerste gezicht zou blijken.

    Anderzijds verheugt de senator zich over de aandacht, die werd geschonken aan de palliatieve zorg. Het is belangrijk erop te wijzen dat de palliatieve geneeskunde niet mag worden gescheiden van het geheel van het geneeskundig handelen. Concreet betekent dit dat, indien een arts een behandeling van een kankerpatiŽnt start, dit in de meerderheid van de gevallen een louter palliatieve behandeling zal zijn. Hij dient hiermee rekening te houden in zijn houding ten opzichte van de patiŽnt. Naar de betrokken beroepsgroep en naar de publieke opinie moet het signaal worden gegeven dat de palliatieve zorg integraal deel uitmaken van het streven naar een betere kwaliteit van het leven, ook in het geneeskundig handelen. Spreker merkt overigens op dat het wetgevend werk met betrekking tot de palliatieve zorg reeds grotendeels is gebeurd. Hoewel het van belang kan zijn enkele principes en uitgangspunten op te nemen in de wetgeving, staat BelgiŽ reeds ver in de reglementering. Het grote probleem is de financiering van de palliatieve zorg, die door de gemeenschappen moet gebeuren. Alle fracties dienen in dit kader hun verantwoordelijkheid op te nemen.

    De senator is van oordeel dat de hoorzittingen in de Senaat hebben geleid tot een grotere maatschappelijke belangstelling voor de problematiek van het levenseinde en dat meer tijd en ruimte werd uitgetrokken voor het debat hieromtrent. Vanuit de medische beroepsgroep wordt dit debat echter niet altijd op een faire manier gevoerd. Het echte debat wordt onmogelijk gemaakt door het voor te stellen alsof het enkel gaat om de vraag of euthanasie in de strafwet moet worden opgenomen of niet. De handtekeningactie daaromtrent is dan ook betreurenswaardig.

    Vervolgens ontkent spreker dat slechts een kleine groep van mensen wordt betrokken bij deze problematiek. Zo'n 40 % van de personen die overlijden worden immers geconfronteerd met een arts die levensverkortende handelingen stelt. Wellicht daarom is er een zekere ongerustheid ontstaan bij de bevolking. Nochtans moet men een duidelijk onderscheid maken tussen enerzijds euthanasie, dat niet tot het normale geneeskundige handelen behoort, en anderzijds de zgn. ę HALP Ľ, dit zijn de Handelingen van Artsen bij het Levenseinde van hun PatiŽnten. Dit laatste aspect behoort wťl tot het normale geneeskundige handelingen. In de wetgeving dienen beide elementen dan ook van mekaar gescheiden te worden. Men moet een wetgeving omtrent euthanasie uitwerken, maar tegelijk dient het andere aspect in een wet omtrent de patiŽntenrechten te worden opgenomen, vermits patiŽnten doorgaans zeer slecht geÔnformeerd zijn over levensverkortende of levensverlengende geneeskundige handelingen.

    De senator heeft in dit verband dan ook een wetgevend initiatief genomen en betreurt dat de minister van Volksgezondheid hiermee talmt. Hij is van oordeel dat de verenigde commissies zich ook over dit element moeten uitspreken.

    Voorts merkt spreker op dat een aantal wetenschappelijke elementen omtrent de problematiek van de euthanasie niet weerlegd zijn tijdens de hoorzittingen. Vooreerst wordt niet ontkend dat euthanasie bestaat. Door een gebrek aan wetgeving in ons land is de kwaliteit echter minder hoog dan die van de landen waar wťl een wetgeving bestaat, zoals bijvoorbeeld in Nederland. Ten tweede is het zo dat er, door het gebrek aan wetgeving, thans handelingen worden verricht die geen euthanasie zijn, maar als moord dienen bestempeld te worden. Ten derde is duidelijk gebleken dat men zich op een gladde helling zou begeven indien niet wetgevend wordt opgetreden De bewering, dat het de jurisprudentie is die de bakens moet bepalen binnen dewelke men zich dient te begeven, is derhalve tegengesproken, onder meer door de CVP. Het is de wet, die deze grenzen moet aangeven.

    De senator onderstreept dat er op dit ogenblik nog steeds een gerechtvaardigde vraag bestaat naar euthanasie, waarop geen antwoord wordt gegeven. Het is de wetgever die nu een antwoord moet bieden.

    Spreker wenst een aantal punten aan te geven die, zijns inziens, moeten worden opgenomen in de wetgeving met betrekking tot euthanasie.

    Ten eerste moet hulp bij zelfdoding op dezelfde manier worden geÔnterpreteerd als euthanasie, zoals professor Adams tijdens zijn hoorzitting terecht heeft aangegeven.

    Ten tweede bestaat er, internationaal gesproken, de tendens om de medische meerderjarigheid te definiŽren op 16 jaar. Naar analogie hiermee, moet men ook in de euthanasiewetgeving de keuzevrijheid vanaf 16 jaar laten spelen, hetgeen niet wegneemt dat ook maximaal met de mening van jongere patiŽnten rekening moet worden gehouden.

    Vervolgens dienen de commissies zich uit te spreken over het aspect van de ę terminale patiŽnt Ľ. Hoe moet men dit definiŽren ? Is het wel te definiŽren ? Moet dit gedefinieerd worden ? In tegenstelling tot het voorstel dat door een aantal senatoren van de meerderheid werd ingediend, is spreker van oordeel dat deze definitie wel moet worden gegeven omdat twee procedures moeten worden uitgewerkt. Niettemin mag dit begrip niet te sterk worden afgelijnd en mag er zeker geen periode worden bepaald. De senator stelt voor om over een ę terminale patiŽnt Ľ te spreken ę indien blijkt dat de patiŽnt binnen afzienbare tijd zal overlijden Ľ. Ook het evolutief karakter van de ziekte, die onafwendbaar tot de dood zal leiden, moet vooropstaan. Hoe dan ook moet het onderscheid duidelijk zijn tussen een ziekte of een letsel met een stabiel karakter en een ziekte die progressief is. Uiteindelijk moet de behandelende arts uitsluitsel geven, waardoor deze de ene of de andere procedure volgt : ofwel een ę gewone Ľ procedure voor de terminale ziekten, waar slechts in de beginfase de mening van een andere arts wordt gevraagd, ofwel een procedure voor niet-terminale ziekten, waar de voorafgaande fase zwaarder is. In dit laatste geval is er meer tijd om te handelen, zodat de opvatting van de arts meervuldig kan worden getoetst aan andere opvattingen. Overigens is het de patiŽnt die de noodtoestand vaststelt en niet, zoals bijvoorbeeld door de CVP-fractie wordt voorgesteld, de behandelende arts.

    Als vierde element haalt de senator aan dat het belangrijk is een buffer in te bouwen tussen de behandelende arts, enerzijds, en de rechtbanken die oordelen over de gevolgde procedure, anderzijds. Er dient een toetsingscommissie te worden opgericht, die mťťr doet dan de loutere registratie, en dit om twee redenen. Vooreerst zal er, bij een gewone mededeling aan de procureur, geen onderzoek naar de zorgvuldigheid komen tenzij er klacht wordt neergelegd. Bovendien zal de drempel om meteen aan de procureur te rapporteren, zo groot zijn dat er minder meldingen zullen zijn. Een toetsingscommissie kan met een vrij grote deskundigheid oordelen over de euthanasie en zal in alle situaties een zorgvuldigheidsonderzoek doen. In bepaalde situaties zal zij wellicht tot de bevinding komen dat de zaak door een rechtbank moet worden beoordeeld.

    Wat ten slotte de vraag betreft, of euthanasie al dan niet in de strafwet dient te worden opgenomen, merkt spreker op dat in alle voorliggende wetsvoorstellen wordt gezocht naar een rechtvaardigheidsgrond om euthanasie te plegen. In alle voorstellen blijft euthanasie die op een niet zorgvuldige wijze wordt gepleegd, strafbaar. Dit geldt ook voor het voorstel van de CVP-fractie, waarin een rechtvaardigheidsgrond wordt gezocht om euthanasie in bepaalde gevallen toe te laten. De wijze waarop dit debat soms wordt gevoerd, maakt een consensus onmogelijk.

    Nochtans heeft de senator de indruk dat het niet onmogelijk is om tot een consensus te komen omtrent de voorwaarden binnen dewelke men euthanasie kan plegen. Het enige verschil is dat, volgens het CVP-voorstel, de arts zich in een noodtoestand moet bevinden, terwijl de andere voorstellen er van uitgaan dat het de patiŽnt is die zich in een noodtoestand moet bevinden. Spreker is voorstander van de laatste optie en bepleit een voorstel dat, zowel voor de arts als voor de patiŽnt, zekerheid biedt. Rekening houdend met het terechte argument dat het Strafwetboek mťťr is dan een voorschriftenbundel en ook een morele standaard is, stelt hij voor uitdrukkelijk in het Strafwetboek op te nemen dat het doden op vraag van de patiŽnt strafbaar is. Op die manier wordt het duidelijk dat euthanasie ≠ en, in afgeleide vorm, hulp bij zelfdoding ≠ een strafrechtelijk misdrijf uitmaakt, hoewel het onder bepaalde voorwaarden mogelijk is de dader een rechtvaardigheidsgrond te verschaffen.

    Een lid wijst erop dat bijna vijf maanden geleden de verenigde commissies hebben beslist, onder meer op voorstel van zijn fractie, tot het organiseren van hoorzittingen. Op deze manier zouden de verschillende inzichten met betrekking tot de mate van en de wijze waarop een wetgevend optreden met betrekking tot ę euthanasie Ľ vorm zou kunnen krijgen, kunnen worden getoetst aan de ervaringen van al diegenen die in de dagdagelijkse praktijk betrokken zijn met deze problematiek, en worden aangevuld met commentaren van ethische en juridische deskundigen.

    Meer dan 40 getuigen werden gehoord. Spreker bedankt hen voor hun bijdragen, omdat ze een concrete toetsing van een regelgevend initiatief aan de praktijk ook daadwerkelijk mogelijk hebben gemaakt. De tegenstanders van de hoorzittingen hebben ongelijk gekregen in hun vrees : de getuigen werden geenszins onder druk gezet of beÔnvloed. Integendeel, de meeste getuigen hebben, welke ook hun ideologische of spirituele achtergrond, de problematiek van de handelingen en verwachtingen omtrent het levenseinde objectief benaderd. Dat deze serene benadering paradoxaal genoeg soms aanleiding gaf tot tendentieuze interpellaties door sommigen die ę objectiviteit Ľ enkel aanvaarden zolang deze beantwoordt aan hun eigen inzichten, is alvast niet de verantwoordelijkheid van de gehoorde getuigen.

    Spreker is van oordeel dat het horen van de getuigen een uitzonderlijke gebeurtenis is geweest, in het bijzonder omwille van de menselijke rijkdom die daarbij werd geŽtaleerd, die de complexiteit van het probleem heeft aangeduid en die de kennis van de materie heeft vergroot. Een dergelijke levenservaring komt weinig voor in de parlementaire werkzaamheden, hoewel ze een zware belasting met zich heeft meegebracht. Zeker in vergelijking met het buitenland, werd een ruime wetenschappelijke kennis ter beschikking gesteld van de commissie.

    De discussie kan op twee manieren worden gevoerd. Ze kan a priori worden gevoerd, zoals dat gebeurt in het voorstel van de meerderheid of van de fractieleiders. Eenieder kan dan zijn argumenten naar voren brengen, om vervolgens de koppen te tellen. De discussie kan ook op een andere manier worden gevoerd, vanuit de standpunten van elkeen, maar tegelijk met de nodige aandacht voor de complexiteit van het probleem en de maatschappelijke en internationale weerslag ervan. De getuigenissen zouden de commissieleden moeten aanzetten tot een grote voorzichtigheid. Zij komen immers over als een ę crie du coeur Ľ om dit debat niet te laten herleiden tot een partijpolitiek steekspel, dat per definitie over de lijnen van meerderheid en oppositie moet verlopen. Dit onderscheid is immers zeer wisselvallig en hangt af van de datum waarop men debatteert. Het voorstel van de meerderheid gaat er van uit dat er een maatschappelijke consensus zou bestaan om euthanasie te depenaliseren, terwijl zulks helemaal niet blijkt uit de hoorzittingen. Men stelt zich integendeel veelal kritisch op tegen het meerderheidsvoorstel, of tegen bepaalde aspecten ervan. Het meest opvallende daarbij is dat de grote meerderheid van de gehoorde personen de discussie niet voeren voor of tegen het zelfbeschikkingsrecht. Het debat moet integendeel gaan over de wijze waarop een aantal dramatische omstandigheden bij het einde van het leven op een menselijke wijze kunnen worden opgelost. De rol van de patiŽnt staat daarbij centraal, maar men mag de rijkdom van dat moment niet herleiden tot ę de wil van de patiŽnt Ľ. Uit de getuigenissen blijkt dat het veel delicater ligt, en dat die weg niet dient gevolgd te worden wanneer men tot een oplossing wenst te komen.

    De fractie waarvan het lid deel uitmaakt heeft het door haar neergelegde voorstel getoetst aan de verschillende getuigenissen. Vooraleer deze eerder punctuele analyse nader toe te lichten, moeten een aantal algemene conclusies worden geformuleerd.

    Vooreerst hebben de hoorzittingen benadrukt dat over euthanasie niet kan worden geredeneerd in de absolute termen, zoals die in het wetsvoorstel van 20 december 1999 werden gepostuleerd. Reeds van bij de aanvang van de debatten heeft de fractie van het lid erop gewezen dat de euthanasievraag ≠ en het antwoord erop ≠ dient te worden gekaderd in de algemene problematiek van de medische handelingen die worden gesteld bij het naderend levenseinde.

    Vele getuigen wezen er inderdaad op dat het euthanasie-vraagstuk eigenlijk slechts ę het topje van de ijsberg Ľ is : wie over euthanasie spreekt en er een transparante regeling voor wil uitwerken, dient zich minstens ook te buigen over elke andere medische handeling omtrent het levenseinde, en ook hier de rechten van de patiŽnt te vrijwaren. Het voorstel dat door spreker is medeondertekend erkent daarom een aantal beschermingsvoorwaarden in het geval van staken of nalaten van een medische behandeling, indien een therapie wordt afgebouwd of bij een pijnbestrijdingstherapie met levensverkortend gevolg wordt opgestart. Het voorstel van 20 december 1999 voorziet op dit vlak geen enkele bepaling !

    Anderzijds mag men de balans nu ook niet in de andere richting laten doorwegen ! Uit de getuigenissen blijkt dat ę euthanasie Ľ niet kan beschouwd worden als een gewone medische handeling ę temidden de andere Ľ. Euthanasie is een uitzonderlijke medische handeling, die specifieke waarborgen en voorwaarden moet kennen, en geenszins mag worden gebanaliseerd. Een voorstel waarbij euthanasie omfloerst wordt opgenomen als ę een handeling die de dood bespoedigt Ľ en als normale medische handeling wordt beschouwd ontkent dit uitzonderlijke karakter. Om die reden ook is een wetgevend initiatief voor euthanasie noodzakelijk, en kan het geenszins louter ressorteren onder een deontologische code.

    Meteen wordt zo de link gelegd naar drie andere essentiŽle punten in het debat. Het uitzonderlijke karakter van euthanasie, als een opzettelijk levensbeŽindigend handelen, motiveert precies ook de handhaving van het strafrechtelijk verbod erop. Omgekeerd : wie akkoord gaat dat het strafrechtelijk karakter van het ę bespoedigen van de dood Ľ behouden blijft, dient ook te erkennen dat dergelijk handelen onmogelijk kan worden opgenomen temidden een louter algemeen kader van patiŽntenrechten met betrekking tot medische handelingen bij het levenseinde.

    Ten tweede wordt dit uitzonderlijk karakter duidelijk bevestigd eenmaal men het belang van de palliatieve en intensieve zorgen erkent. Het is incorrect ťn onverantwoordelijk te stellen dat ę euthanasie Ľ het enige antwoord is op de wens om ę waardig te kunnen sterven Ľ. Alle gehoorde artsen en verplegers bevestigen dat de vraag naar euthanasie slechts in zeer uitzonderlijke gevallen voorkomt indien voorzien wordt in een goede palliatieve zorgverlening.

    Ten slotte is een debat over de patiŽntenrechten niet alleen noodzakelijk, maar beantwoordt het ook slechts aan zijn doel indien euthanasie als uitzonderlijke handeling hierin betrokken wordt ten opzichte van ≠ of tegenover ≠ alle andere medische handelingen bij het levenseinde. De mogelijke conclusie dat therapeutische hardnekkigheid de ę onwil tot euthanasie Ľ versluiert, en dat het toekennen van een ę recht op euthanasie Ľ de enige manier is om dit te ę bestrijden Ľ is foutief. Integendeel werd door de getuigen benadrukt dat voor een goed geÔnformeerde patiŽnt, die in zijn noden en lijden wordt gehoord, de euthanasievraag vrijwel onbestaande is, dan wel strikt uitzonderlijk. Niet enkel de ę informed consent Ľ, maar ook de ę informed request Ľ is daarbij belangrijk. Deze benadering vermijdt zowel de therapeutische, psychologische, palliatieve maar ook de euthanatische hardnekkigheid.

    Op deze wijze krijgt het beginsel van de zelfbeschikking zijn ware invulling gegeven : het erkennen dat het individu een eigen, autonome inbreng heeft in de besluitvorming rond zijn persoon die ernstig moet worden genomen, en waar de samenleving een antwoord dient op te formuleren.

    Na het belang van een algemene benadering te hebben geschetst, komt het lid tot een tweede algemene conclusie : het centraal stellen van de patiŽnt. Dit uitgangspunt ligt voor de hand, is niet voor betwisting vatbaar en schraagt reeds van voor de start van het debat het standpunt van zijn fractie. Niettemin maakt het lid enkele kanttekeningen, nu soms wordt gesteld als zou het voorstel van zijn fractie eerder het belang van de arts centraal stellen dan dit van de patiŽnt. Eens te meer zorgt het begrip ę noodtoestand Ľ hier voor de verwarring, ofschoon dit begrip tijdens de hoorzittingen door de juristen voldoende werd geduid.

    Uiteraard staat de situatie van de lijdende en stervende patiŽnt centraal, en moet men zoveel als mogelijk ingaan op diens vragen. De vraag naar euthanasie brengt voor de behandelende arts echter een eigen verantwoordelijkheid mee, die een eigen toetsing onderstelt. Deze opvatting is niet contradictoir met de vaststelling dat het belang van de patiŽnt centraal staat. De vraag van de patiŽnt volstaat evenwel niet om de euthanasie te verantwoorden. Wanneer juridisch-technisch de oplossing van de noodtoestand wordt voorgesteld, in geval van een conflict tussen rechten en plichten in hoofde van de arts, dan is dit geen nieuwe weg. Deze weg wordt overigens verdedigd in verschillende juridische publicaties, die de aandacht vestigen op het conflict tussen enerzijds het recht op leven, zoals bepaald in artikel 2 van het EVRM, en anderzijds artikel 3 van datzelfde verdrag, overeenkomstig hetwelk niemand verplicht is een onmenselijke behandeling te moeten ondergaan. In de oplossing van dat conflict moet de patiŽnt centraal staan, doch diens eenvoudige vraag om euthanasie volstaat niet als oplossing.

    Als derde algemene conclusie stelt spreker dat alle getuigen hebben gewezen op het belang van de rechtszekerheid voor patiŽnt ťn arts, en het hiertoe noodzakelijke vertrouwen in de arts. De hoorzittingen toonden aan dat de invulling van dit begrip rechtszekerheid in elk geval verschilt van de oplossing die wordt aangereikt door het voorstel van 20 december 1999. Het vaak gehoorde argument dat rechtszekerheid wordt geboden door euthanasie uit het strafrecht te halen, wordt niet bevestigd door de getuigenissen. De rechtszekerheid voor de patiŽnt wordt er integendeel door ondermijnd omdat die onvoldoende rechtsbescherming heeft. Uit de hoorzittingen blijkt dat de overgrote meerderheid van de artsen en verpleegkundigen net gťťn vragende partij is voor een depenalisering.

    Het gebrek aan rechtszekerheid situeert zich inderdaad op een ander vlak. Terecht werd gesteld dat het euthanaserend handelen, bevestigd als uitzonderlijke handeling, en zťlfs met de nodige waarborgen, ook in dat geval binnen een te uitgesproken strafrechterlijke sfeer wordt erkend, die de arts geen enkel referentiepunt biedt met betrekking tot de ę toelaatbaarheid Ľ van dit handelen. Hiermee is het belang van een efficiŽnte en transparante meldingsprocedure en a posteriori-controle benadrukt. Een procedure zonder buffer zoals in het voorstel van 20 december 1999, of een procedure die uit te werken valt door de Koning, zijn niet in staat deze rechtszekerheid te bieden. Anderzijds kan rechtszekerheid alleen worden gegarandeerd door in concreto voldoende waarborgen in te bouwen, opdat een arts zou weten waaraan zich te houden, maar ook ≠ omgekeerd ≠ omdat de geneesheer anders altijd geremd zal zijn in zijn handelen. Wanneer men tot een regulering van euthanasie wenst over te gaan, kan men aan de artsen enkel voldoende rechtszekerheid bieden door formules met betrekking tot een a priori-toetsing uit te werken, zodat door het volgen van welbepaalde parameters de geneesheer er in redelijkheid van verzekerd is dat hij binnen de grenzen van het toelaatbare heeft gehandeld.

    De wettelijke waarborgen die een a priori- ťn een a posteriori-procedure bieden, bevestigen en versterken tevens het vertrouwen dat een patiŽnt in zijn behandelende arts dient te hebben. Het is tegen deze achtergrond dat het Raadgevend Comitť voor de bio-ethiek zijn derde advies uitbracht; het is tevens vanuit deze optiek dat de gewone medische handelingen, mits inachtneming van de patiŽntenrechten, voldoende kunnen worden gereguleerd door de eigen beroepsdeontologie.

    Tot slot van de algemene conclusies, wijst spreker erop dat rechtszekerheid, vertrouwen en waarborgen voor de bescherming van de rechten en de waardigheid van de patiŽnt in vrijwel alle getuigenissen de sleutelwoorden vormden, die als leidraad moeten gelden bij het medisch handelen in het algemeen, en bij de beslissingen in de fase van het levenseinde in het bijzonder. Deze begrippen lagen en liggen eveneens ten grondslag aan het standpunt ontwikkeld door de partij van het lid.

    De punctuele benadering van de verschillende deelaspecten van het debat, wordt gespreid over een achttal punten.

    Vooreerst is er de prioritaire noodzaak van een voldoende palliatief zorgaanbod. Alle getuigen uit de palliatieve zorgsector (artsen en verplegers) benadrukken het belang van een uitgewerkt zorgaanbod, dat prioritair is en voorafgaandelijk dient te zijn aan enige wettelijke regeling omtrent euthanasie. Ook de patiŽntenverenigingen (Alzheimerstichting/Vereniging Steun Mentaal Gehandicapten) benadrukten het belang van een uitgewerkt kwantitatief en kwalitatief zorgaanbod voor de gezondheidszorg, de ouderenzorg en in het bijzonder de palliatieve zorg.

    De stellingnames van de Federatie Palliatieve Zorgen en de 60 palliatieve zorgartsen tonen bovendien aan dat het concept van palliatieve zorgen ook veel ruimer als ę geÔntegreerde zorgen Ľ, dit wil zeggen als een reŽle palliatieve cultuur dient te worden beschouwd met oog voor de noodzaak van opleiding, onderzoek en voorlichting; bovenal bevestigden zij dat de uitbouw van een palliatieve zorgverlening in BelgiŽ onvoldoende ontwikkeld is. Deze opmerkingen zijn van cruciaal belang, nu diezelfde artsen en verplegers stellen dat palliatieve zorg de vraag naar euthanasie uiterst uitzonderlijk maakt.

    De fractie van het lid heeft op 6 april 2000 twee wetsvoorstellen ingediend tot invoering van een verplichte pijnfunctie in elk ziekenhuis, en tot erkenning van het recht op de palliatieve zorg en de verbetering van de palliatieve zorgverlening. Beide voorstellen integreren de verschillende opmerkingen die werden gemaakt tijdens de hoorzittingen, en zijn daarom een ideale vertrekbasis. In deze voorstellen wordt aandacht besteed aan het recht op palliatieve zorg, een uitbreiding van het thuiszorgforfait, versterking van de eerstelijnszorg door middel van mobiele equipes en samenwerkingsverbanden, en de koppeling van de palliatieve functie aan een uit te bouwen algologische functie in het ziekenhuis.

    De fractie van het lid stelt met genoegen vast dat meerdere leden van de commissies erkennen dat palliatieve zorg gťťn alternatief, maar een preventief voor euthanasie is, gťťn of-of. Indien men dit erkent, moet men echter ook consequent zijn : als men patiŽnten deze palliatieve zorg wil aanbieden, moet zij ook reŽel aanwezig zijn. Een regeling omtrent euthanasie is van alle grond ontdaan als niet eerst de noodzakelijke voorwaarden voor een goede zorg in de laatste levensfase worden geschapen.

    Professor Adams gaf ook een belangrijk juridisch argument om die palliatieve zorg voorafgaandelijk uit te bouwen. Het niet-uitbouwen van de palliatieve zorg alvorens een euthanasiewet van kracht is, dreigt de toets van artikel 2 EVRM immers niet te doorstaan.

    Volgens de logica van artikel 2 kan de Staat de mogelijkheid tot euthanasie immers maar erkennen in zeer uitzonderlijke omstandigheden. LevensbeŽindigend handelen mag slechts als ultieme remedie, met andere woorden, wanneer euthanasie werkelijk het enige middel is dat overblijft om het ondraaglijk lijden te verzachten. Indien het lijden niet kan worden verzacht door pijnstillers of palliatieve zorgen, maar alleen door het euthanaserend handelen, is het aldus onmogelijk om de beide plichten van artikel 2 en artikel 3 EVRM te verzoenen. Dit betekent echter ook dat minstens alle mogelijkheden om het lijden te verzachten moeten aangeboden worden aan de patiŽnt : de Staat heeft daarom de verplichting deze middelen uit te werken.

    Op basis van deze argumenten, is de partij van het lid van mening dat een euthanasie-regelende wet niet van kracht kan worden vooraleer een palliatief zorgsysteem op een kwalitatief en kwantitatief volwaardige wijze wettelijk is omkaderd en uitgevoerd.

    Vervolgens is er de bescherming van de patiŽnt bij de Medische Beslissingen bij het Levenseinde (MBL). Ook palliatieve zorgen kennen hun grenzen, en in de hoorzittingen werd soms gewag gemaakt van ę palliatieve hardnekkigheid Ľ. Inderdaad, palliatieve zorgen sluiten bepaalde medische beslissingen bij het levenseinde niet uit. PatiŽnten wensen bovendien beschermd te worden tegen therapeutische hardnekkigheid waarbij hun visie wordt veronachtzaamd. Het voorstel ingediend door de fractie van het lid bepaalt de beschermingsvoorwaarden. In de hoorzittingen werd onder meer door professor Schotsmans en dokter Van den Eynden gepleit om bovendien in een regulering van de MBL's te voorzien door richtlijnen en codes te uniformiseren en wettelijk verplicht te maken. Het is inderdaad correct dat een transparante regeling van de MBL's noodzakelijk is om de patiŽnt te beschermen tegen therapeutische hardnekkigheid en als waarborg tegen ę sluikwegen Ľ voor euthanaserend handelen, waarbij niet aan de vereiste voorwaarden wordt voldaan.

    Niettemin is het volgens de fractie van het lid niet aangewezen om ook met betrekking tot de MBL's een wettelijk repressief controlesysteem uit te werken, zolang er geen aanwijzingen zijn die een algemeen wantrouwen in de artsenstand rechtvaardigen. Het is essentieel dat het vertrouwen in de arts ook in deze omstandigheden wordt bestendigd : het is dan ook aan de beroepsgroep van de artsen om deze regulering, mits inachtneming van de patiŽntenrechten, door de medische deontologie vorm te geven. Deze opdracht dient in de wet te worden ingeschreven, opdat de voorwaarden voor medische beslissingen, die een waardig levenseinde moeten verzekeren, nader zullen worden gepreciseerd.

    Ten derde is er de discussie over het al dan niet depenaliseren van euthanasie. De partij van het lid heeft herhaaldelijk benadrukt dat het depenaliseren van euthanasie onaanvaardbaar is. De belangrijkste argumenten hierbij waren zowel van filosofische, maatschappelijke als juridische aard.

    Door euthanasie in de strafwet te behouden :

    ≠ wordt het uitzonderlijke karakter van het euthanaserend handelen gevrijwaard;

    ≠ blijft er een ultieme waarborg tegen misbruiken bestaan;

    ≠ blijft het normatief karakter van de strafwet gehandhaafd.

    De hoorzittingen stelden de commissies in staat deze argumenten bijkomend te toetsen. Hieruit blijkt dat een overgrote meerderheid van de gehoorde artsen gťťn vragende partij is voor een depenalisering : de Orde van de geneesheren acht een ongewijzigde strafwet de beste bescherming tegen misbruiken, net zoals dokters Vincent, Clumeck, Cosyns, Van den Eynden en 58 palliatieve zorgverleners. Vandeville wees bovendien terecht op de banalisering die de depenalisering van euthanasie zal betekenen. Menten en Bouckenaere, en bij de verplegers Cambron-Diez, Pesleux, Schoonvaere en psycholoog Diricq refereren aan de morele en maatschappelijke druk die op de schouders van zieke en stervende mensen worden gelegd, de maatschappelijke integriteit en sociale perceptie van onze gezondheidszorg.

    Het tegenargument van de rechtsonzekerheid die zou worden weggewerkt door een depenalisering wordt aldus door de meest belanghebbenden zelf weerlegd.

    Een ander vaak aangehaald tegenargument stelt dat een depenalisering het mogelijk maakt de ideologie van de patiŽnten te kunnen respecteren in een pluralistische maatschappij. Het is op basis van deze filosofie van de individuele autonomie en uiterste wilsbeschikking dat verenigingen zoals ę Recht op Waardig Sterven Ľ en de ę Association pour le droit de mourir dans la dignitť Ľ een ę recht op euthanasie Ľ bepleiten. Dit subjectief recht op de dood, gebaseerd op het individuele zelfbeschikkingsrecht, is juridisch evenwel niet erkenbaar en ressorteert intrinsiek buiten de aflijning van het euthanasiedebat. Bovendien moet bij dit alles de vraag worden gesteld of de vraag tot levensbeŽindiging van een patiŽnt inderdaad de uiting is van zijn wil tot zelfbeschikking, dan wel of er onder deze vraag een kreet om hulpverlening, om niet alleen te worden gelaten, ligt.

    Een volgend tegenargument ten slotte luidt dat een depenalisering misbruiken tegengaat. Doorheen de hoorzittingen werden hierbij kwistig de cijfers uit het niet-officiŽle rapport Deliens verspreid, terwijl tijdens dezelfde hoorzittingen bleek dat het rapport geen uitsluitsel geeft over de precieze toestand van de patiŽnt in 3 % sterfgevallen ten gevolge van een aangenomen levensbeŽindiging zonder verzoek van de patiŽnt.

    Zowel dokter Menten als dokter Vermeylen bevestigden dat de parameters van het onderzoek zeker niet toelieten om elk sterfgeval hieronder als euthanaserend handelen te beschouwen. Dokter Ingels van de Universiteit Nijmegen stelde zelfs dat de 3 % levensbeŽindiging zonder verzoek eerder te koppelen valt aan de problematiek van de patiŽntenrechten dan aan een strafbaarstelling als dusdanig.

    Het argument dat een depenalisering misbruiken uitsluit gaat niet op. Wanneer men besluit euthanasie uit het strafrecht te halen, is het noodzakelijk dat wordt uitgegaan van een ę worst-case-scenario Ľ. Men doet er verkeerd aan om vanuit een grenzeloos optimisme de ogen te sluiten voor dit soort situaties. Onze samenleving wordt gekenmerkt door een sterke regulering in de meeste domeinen. Het zou op zijn minst vreemd zijn dat in een dergelijke context de regeling van de problemen rond het levenseinde wordt overgelaten aan de goede wil van de verschillende betrokkenen. Ook vanuit dit oogpunt moet een regeling die steunt op de vrije wilsbeschikking als volstrekt ontoereikend worden beschouwd.

    De hoorzittingen met de juristen tenslotte creŽerden de mogelijkheid om het standpunt ontwikkeld door de partij van het lid ook op juridisch vlak te toetsen. Zowel staatsraad Messine als professor Adams maakten duidelijk dat het strafrecht meer is dan een instrumenteel middel alleen : het meet zich ook een moreel oordeel aan en legt de algemene ethische norm vast.

    Belangrijk is dat nu ook de juristen opmerkten dat een depenalisering van euthanasie in conflict treedt met de bepalingen van artikel 2 EVRM, dat de Staat de verplichting oplegt het menselijk leven te beschermen. Dat deze argumentatie op grond van artikel 2 EVRM steek houdt, wordt bovendien bevestigd door een recente beslissing van het Europees Patentenkantoor te MŁnchen dat een ingeschreven patentaanvraag ę euthanatica voor mensen Ľ op 23 mei 2000 heeft geweigerd, precies op grond van het EVRM. In tegenstelling tot wat sommigen beweren, is dit juridisch argument dus welzeker valabel.

    De vraag blijft welke dan de beste juridische constructie is om euthanasie in deze meest uitzonderlijke gevallen wel te rechtvaardigen. Door de juristen werd bevestigd dat de door de partij van het lid voorgestelde noodtoestand allicht de enige verdedigbare constructie is in het licht van het EVRM. Door het gebruik van de noodtoestand voor de arts, wordt benadrukt dat het toestaan van euthanasie geen normaal medisch handelen betreft, maar wel een maatschappelijk handelen waarvan de arts zich rekenschap dient te geven. Het begrip ę noodtoestand Ľ drukt zeer goed uit met welke situatie men wordt geconfrontreerd en is iets helemaal anders dan het opsommen van de voorwaarden waaronder de levensbeŽindiging mogelijk is. Het werken met de noodtoestand legt de bewijslast van deze noodtoestand bij de arts, zodat de zwakke patiŽnt steeds de bescherming van de strafwet kan inroepen. Of zoals Staatsraad Messine het uitdrukte : de redenen spelen een belangrijker rol dan het louter vervullen van de voorwaarden. Het gaat derhalve niet om het louter invullen van voorwaarden, maar wel om het inleven in de concrete situatie.

    Spreker erkent dat verschillende juridische formules mogelijk zijn om ťťn en ander concreet in wetteksten om te zetten, maar benadrukt dat zulks, zijns inziens, dient te gebeuren aan de hand van het begrip ę noodtoestand Ľ.

    Een tweede vraag is waar deze invulling van de noodtoestand voor het concrete euthanaserend handelen juridisch kan worden geconcipieerd. Verschillende voorstellen werden hieromtrent gedaan. Men zou kunnen werken met een bijzondere wet over het naderend levenseinde. Een oplossing kan eventueel worden gevonden in het kader van het koninklijk besluit nr. 78 nopens de uitoefening van de geneeskunde, maar deze optie lijkt minder wenselijk omdat euthanasie geen ę medisch handelen Ľ vormt wanneer men dit begrip hanteert in de curatieve definiŽring. Dit hoeft echter geen struikelblok te zijn. In dat geval moet men wťl de relatie tussen de strafwet en het koninklijk besluit nr. 78 uitklaren. Dit zou eventueel kunnen gebeuren door in het Strafwetboek een artikel 71bis in te voegen, waarin kan worden verwezen naar een wet die de voorwaarden kan omschrijven waarbinnen de noodtoestand kan worden ingeroepen.

    De hoorzittingen hebben uitgewezen dat een depenalisering van euthanasie noch feitelijk of maatschappelijk gewenst noch juridisch risicoloos is. Toch blijven sommigen vasthouden aan een depenalisering, aldus BelgiŽ op wereldvlak een unieke plaats gevend, terwijl elk tegenargument werd weerlegd. Het strafbaar houden van euthanasie is helemaal niet terug te brengen tot een louter ideologische discussie, maar gaat over de kern van het probleem : euthanasie is en moet een uitzonderlijke handeling blijven. De strafrechterlijke norm ę gij zult niet doden Ľ, die het leven van de mens onvoorwaardelijk beschermt, moet onverkort blijven gelden. Aan de bescherming van dit leven kýnnen en mogen geen voorwaarden worden gekoppeld, die een inbreuk erop toelaten. Door in de strafwet zelf het verbod om te doden onder bepaalde voorwaarden wel toe te laten, zou worden aangegeven dat bepaalde levens als minder waard worden beschouwd dan andere.

    De bestaande strafrechtelijke techniek conform artikel 422bis, dat handelt over het schuldig verzuim, kan onverkort worden gehandhaafd in de gevallen van hulp bij zelfdoding.

    Een vierde discussiepunt betreft het al dan niet terminale karakter waarin de betrokken persoon zich bevindt. Het voorstel medeondertekend door het lid, zoals het werd ingediend, stelt dat enkel de patiŽnt die lijdt aan een ondraaglijke en onbehandelbare pijn, en die zich in een medisch uitzichtloze terminale situatie bevindt, een verzoek tot euthanasie kan richten.

    Het moet gezegd dat tijdens de hoorzittingen slechts weinig getuigen, met uitzondering van de ethici Vermeersch en Englert en de verenigingen van Favyts en Herremans, uitdrukkelijk in de euthanasie-mogelijkheid voor niet-terminale patiŽnten voorzien.

    Professor Vanneste maakte de terechte opmerking dat de ę existentiŽle nood Ľ op zich, in de euthanasieproblematiek niet in aanmerking mag komen voor het definiŽren van een noodtoestand. De arts bevindt zich in dat geval immers niet in een noodtoestand. Hij bevindt zich maar in een noodtoestand wanneer hij geconfronteerd wordt met een situatie waarin hij met zijn medische deskundigheid wil blijven helpen, maar waarbij de medische middelen waarover hij beschikt, niet meer afdoend zijn om de fysieke nood van de terminale patiŽnt te lenigen. Dit veroorzaakt precies zijn gewetensnood.

    Een uitbreiding van de rechtvaardiging van het euthanasieverzoek dat gebaseerd is op het louter subjectieve oordeel van de patiŽnt is, opnieuw in het licht van de bepalingen van het EVRM, juridisch niet te verantwoorden. Een euthanasieverzoek vraagt echter vanuit het exceptioneel karakter ervan een objectieve, minimaal intersubjectieve benadering. Om die reden ook wordt de psychische nood uitgesloten.

    Uit de hoorzittingen blijkt anderzijds dat het gebruik van de term ę terminaal Ľ niet altijd even duidelijk is. Het gaat immers om een kwalitatief en niet om een mathematisch begrip. Er dient dan ook gewezen te worden op het gebrek aan logica bij diegenen die stellen dat het begrip ę terminaal Ľ niet te definiŽren valt of niet relevant is, maar die anderzijds verschillende procedures voorstellen voor terminale en niet-terminale patiŽnten, waarbij voor deze laatste categorie meer procedurele waarborgen worden ingebouwd.

    Spreker is van oordeel dat moet worden nagedacht over een definitie van het woord ę terminaal Ľ, die duidelijk aangeeft dat men zich in de eindfase van het leven bevindt. Verschillende geneesheren hebben echter aangegeven dat men eigenlijk wťl weet wanneer een patiŽnt zich in een eindfase bevindt of terminaal is. Het beantwoordt volkomen aan het begrip ę noodtoestand Ľ dat men niet exact kan zeggen hoelang de betrokkene nog te leven heeft. Indien er een omschrijving zou komen van het begrip ę noodtoestand Ľ, dan kan dit slechts een kaderomschrijving zijn, waarbij niet wordt gesproken over termijnen.

    Om deze reden zal de fractie van het lid haar voorstel verfijnen : wanneer een behandelende arts zich wil beroepen op de noodtoestand bij opzettelijk levensbeŽindigend handelen moet hij er zich derhalve van overtuigen dat :

    ≠ het overlijden binnen afzienbare tijd voorzienbaar is;

    ≠ de patiŽnt voorwerp is van ondraaglijk en niet-behandelbaar lijden, naar heersend medisch inzicht.

    Deze laatste bepaling, die aan de Nederlandse regelgeving is ontleend, benadrukt precies het intersubjectief aspect, waardoor euthanasie niet louter afhankelijk is van het beweerde absolute zelfbeschikkingsrecht van de patiŽnt.

    Als vijfde discussiepunt, verwijst spreker naar het al dan niet bestaan van een ę a priori-procedure Ľ. Omzeggens alle getuigen bevestigden dat het echt uitgedrukte euthanasieverzoek, zoals bedoeld in de voorstellen die voorliggen, vrij uitzonderlijk is. ę Decodering Ľ was een sleutelwoord bij de verschillende getuigen, die bevestigden dat vooral de vrees voor toekomstig lijden, toenemende afhankelijkheid en het verlies van waardigheid, de vrees voor therapeutische hardnekkigheid tot de vraag naar euthanasie aanzetten.

    De hoorzittingen toonden aan dat het van het grootste belang is dat het verzoek (la ę demande Ľ) voorafgaandelijk grondig wordt beoordeeld op zijn waarachtigheid (ę le dťsir Ľ).

    Mede om deze reden benadrukken alle getuigen het belang van een gestructureerd overleg. Weinigen verzetten zich tegen de voorgestelde obligatoire a priori-procedure, waarbij de beslissing het ę colloque singulier Ľ overstijgt. Enkel de vereniging ę Waardig Sterven Ľ, ethisch comitť-voorzitster Bron en Pesleux sluiten elk verplicht overleg uit.

    Vooral vanuit de verplegershoek en de palliatieve deskundigen werd gewezen op de noodzaak hen in de besluitvorming te betrekken, nu hun band met de patiŽnt vaak veel sterker is dan die van de geneesheer. In het voorstel ingediend door de fractie van het lid is reeds voorzien in het verplicht overleg met een palliatief deskundige. Het is wenselijk dat dit overleg ook wordt uitgebreid naar het verplegend personeel van het verzorgend team.

    De vrees voor tribunalisering, zoals vaak wordt tegengeworpen, lijkt door de getuigen niet aldus te worden ervaren. Verschillende getuigen bevestigen bovendien het ondersteunend karakter van een a priori-procedure. Dokter Ingels verklaarde zelfs openlijk dat de minimale melding van euthanaserende handelingen en het hieruitvolgend gebrek aan controle in Nederland, in eerste orde te wijten is aan het gebrek aan een verplichte zorgvuldigheidsprocedure a priori.

    Een veel gebruikt argument tegen deze a priori-procedure is dat de dringendheid en de tijdsdruk dergelijke procedure niet toelaten (onder andere professor Vermeersch). Hiernaar gevraagd, antwoordden verschillende getuigen in de commissie ontkennend. De Federatie Palliatieve Zorg wees erop dat juist deskundigen inzake palliatieve zorg er zich bewust van zijn hoe belangrijk tijd voor de ongeneeslijke ziekte is.

    Het is daarom onduidelijk wat er nog tegen een a priori-procedure kan zijn, nu zij als referentiepunt voor de arts en als bescherming voor de patiŽnt precies de optimale rechtszekerheid op het oog heeft. De hoorzittingen hebben het ę tribunaal Ľ-argument hoe dan ook doorprikt. Een overleg a priori dient niet om de patiŽnt te betuttelen maar is noodzakelijk ter ondersteuning van de besluitvorming en om de rechtszekerheid van de verschillende betrokkenen te waarborgen. De keuze voor de term ę overleg Ľ in plaats van ę controle Ľ is een welbewuste keuze omdat aan dit laatste begrip een positieve invulling dient te worden gegeven.

    Ten slotte dient vermeld te worden dat verschillende getuigen heil zien in een externe belichting van het overleg omdat de geneesheren en verzorgers vaak zodanig betrokken zijn bij de situatie van hun patiŽnten dat het voor hen moeilijk is om afstand te nemen. Zelfs professor Englert was hier voorstander van. Voor de fractie van het lid kan dergelijke externe belichting plaatsvinden door de ethisch verantwoordelijke van de ziekenhuisinstelling, dan wel door een derde persoon, niet-arts, aangewezen in overleg met de patiŽnt, voorkomend op een pluralistisch, multidisciplinair samengestelde lijst opgemaakt door de provinciale raad van de Orde van de geneesheren, als de patiŽnt een thuiszorgbehandeling geniet.

    Als zesde discussiepunt verwijst spreker naar de voorafgaande wilsbeschikking als interpretatief element. Uit de hoorzittingen blijkt dat, met uitzondering van de Waardig Sterven-Verenigingen en MS-patiŽnt Mario Verstraete en ethisch comitť-voorzitster Bron, geen enkele getuige een wettelijk bindende kracht aan het levenstestament wenst te verbinden.

    Hierbij worden de door de fractie van het lid reeds eerder vertolkte argumenten aangehaald (niet weten hoe men zich in een bepaalde situatie zal voelen, onzekerheid van de toekomst), of wordt verwezen naar de deshumanisering van de medische relatie, waarbij de geneesheer enkel nog een ę marsorder Ľ dient uit te voeren. Het is in dit kader significant dat ook MS-patiŽnt Mario Verstraete stelde een maand bedenktijd te zullen vragen tussen het ogenblik waarop hij voor het eerst het verzoek om hem te helpen zal formuleren en het voorziene tijdstip van de euthanasiebehandeling, om te vermijden meegesleurd te worden door een tijdelijke depressie.

    Evenwel waren bijna alle getuigen het er over eens dat een wilsverklaring wel een belangrijk element kan zijn bij het nemen van medische beslissingen in de dagelijkse palliatieve en intensieve zorgverlening. Voor de patiŽnten biedt dergelijke wilsbeschikking ook een groter psychologisch comfort, transparantie en beschermingszekerheid tegen bijvoorbeeld therapeutische hardnekkigheid. Deze wilsbeschikking kan echter ook positief begrepen worden : een patiŽnt kan even goed neerschrijven dat als er zelfs maar ťťn kans op 100 bestaat hem te redden, de artsen die kans moeten grijpen.

    Het lid onderstreept dat het door zijn partij ingediende voorstel geen bepaling bevatte met betrekking tot deze wilsbeschikking. De hoorzittingen hebben hem echter overtuigd dat de wilsbeschikking met betrekking tot de medische handelingen bij het levenseinde wettelijke erkenning moet krijgen.

    Maar deze wilsbeschikking heeft gťťn juridisch verbindende kracht, en kan enkel in rekening genomen worden in zoverre :

    ≠ deze wilsverklaring van recente datum is dan wel werd opgesteld op een ogenblik waarop de patiŽnt de draagwijdte en het verloop van zijn ziekte ten volle kan inschatten;

    ≠ de inhoudelijke toelaatbaarheidsvoorwaarden die gelden bij het opzettelijk levensbeŽindigend handelen op verzoek werden nageleefd.

    De waarde van deze wilsbeschikking kan dan ook niet meer zijn dan louter indicatief.

    Met betrekking tot de meldingsprocedure ≠ het zevende punt in het debat ≠ merkt spreker op dat verschillende getuigen zich tijdens de hoorzittingen uitlieten over het irrealistische karakter van de in het voorstel van 20 december voorziene meldingsprocedure. Het belangrijkste obstakel hierbij lijkt de directe controle door het openbaar ministerie te zijn, een conclusie die los staat van de vraag of euthanasie al dan niet in het strafrecht wordt opgenomen.

    Het voorstel ingediend door de fractie van het lid voorziet reeds in een dergelijke ę buffer Ľ tussen arts en parket. Deze buffer kan echter, na de ervaringen van de hoorzittingen, worden verfijnd om een efficiŽnte melding en controle te verzekeren. De toetsingscommissies zoals die in Nederland werden opgericht zijn hierbij bijzonder inspirerend.

    Een voorstel kan er daarom als volgt uitzien. Elke behandelende arts dient binnen 24 uur na het euthanaserend handelen een schriftelijk verslag over te maken aan de wetsarts, die onmiddellijk nagaat of alle zorgvuldigheidsvereisten werden nageleefd.

    Bij kennelijke niet-naleving van de zorgvuldigheidsvereisten, maakt de wetsarts onmiddellijk zijn bevindingen over aan de procureur des Konings, die hierop kan besluiten dat niet tot teraardebestelling mag worden overgegaan. Indien de wetsarts geen onregelmatigheden vaststelt, maakt hij het verslag samen met zijn bevindingen over aan een op te richten regionale toetsingscommissie, die op haar beurt de naleving van de voorwaarden onderzoekt en verslag uitbrengt aan de procureur des Konings.

    Een wettelijke regeling voor euthanasie staat of valt met de mate waarin controle kan worden uitgeoefend op de naleving van de noodzakelijke voorwaarden. Dergelijke controle moet positief worden ingevuld, moet ervoor zorgen dat er voldoende voorwaarden voor de rechtszekerheid kunnen worden gecreŽerd en moet derwijze gebeuren dat een geneesheer die te goeder trouw handelt, erop moet kunnen rekenen dat, wanneer hij in eer en geweten oordeelt dat hij de wettelijke regeling heeft nageleefd, hij ook op een eerlijke en correcte besluitvorming mag rekenen.

    Als achtste punt van de bespreking, wijst spreker op het cruciale belang van de patiŽntenrechten. Zij zijn onlosmakelijk verbonden met het euthanasievraagstuk in het bijzonder en de gezondheidszorg in het algemeen.

    De fractie van het lid heeft terzake een wetsvoorstel ingediend betreffende het ę medisch zorgcontract en de rechten van de patiŽnt Ľ en een tweede voorstel ę tot inrichting van een klachtenprocedure Ľ. In beide wetsvoorstellen krijgt de patiŽnt een centrale plaats. Het is echter uit den boze om, naar aanleiding van de bespreking van de voorstellen omtrent het naderend levenseinde, het geheel van de problematiek van de patiŽntenrechten te regelen.

    Spreekster verwijst concluderend naar uitspraken van senatoren in de pers, die stellen dat haar partij in het euthanasiedebat de feiten achterna holt, verstard en verouderd is, en achterhaalde denkbeelden koestert. De hoorzittingen hebben niettemin bewezen dat haar voorstel maatschappelijk wordt gedragen en verre van behoudsgezind of in ideologische of confessionele dogma's verankerd is.

    De partij waarvan spreekster deel uitmaakt heeft met betrekking tot het waardig levenseinde steeds een proactief beleid gevoerd. Zij was mee met de meest recente stromingen op het gebied van geneeskunde en verzorging. Palliatieve zorgverstrekking en geneeskunde zijn inderdaad nieuwe mogelijkheden; onderwijs in palliatieve geneeskunde komt wereldwijd pas nu van de grond. De partij ijvert er al jaren voor dat deze palliatieve zorg in Vlaanderen zou gerealiseerd worden.

    Het standpunt van die partij is dan ook niet achterhaald, maar gaat ervan uit dat wanneer in de politiek over leven en dood wordt gesproken, een andere toon gepast is. Complexe situaties maken een complex antwoord noodzakelijk. Daarbij mogen fundamentele beginselen niet overboord worden gegooid, ook niet in een postmoderne samenleving, maar moet wel rekening worden gehouden met maatschappelijke evoluties.

    Opkomen voor de rechtsbescherming van de stervende mens ≠ de zwakke bij uitstek ≠ is geen verstarde houding, maar heeft oog voor de eventuele misbruiken die aanwezig zijn in de samenleving en voor de maatschappelijke druk die kan ontstaan om de levensbeŽindiging door andere factoren te laten bepalen dan door het belang van de patiŽnt. De vraag om euthanasie en het antwoord dat daarop moet worden gegeven, moet niet enkel worden bekeken vanuit het individuele belang van de patiŽnt, maar moet maatschappelijk overwogen worden. Dit is van in den beginne ≠ reeds vanaf december 1997 ≠ de opstelling geweest van de partij van het lid.

    De fractie verheugt zich over het voorstel van senator Zenner e.a. De benadering om euthanasie niet te banaliseren en alleszins in de strafwet te houden, wordt dan ook door haar fractie bijgetreden. Hoewel niet alle aspecten van het voorstel voldoende werden uitgewerkt, staat de partij van het lid er positief tegenover en lijkt het mogelijk dat dit de basis vormt voor een consensus over de partijgrenzen heen.


    Een lid verklaart dat volgens hem vrijheid het sleutelwoord is in dit debat. Die vrijheid is de ware inzet van het debat over euthanasie.

    Men kan zoveel diverse informatiebronnen aanboren als men wil, adviezen inwinnen van ethici en juristen, van artsen in intensieve verzorging en spoedopnames, van practici in palliatieve verzorging, van verpleegkundigen en specialisten, toch blijft de vrijheid van de mens de kern van het probleem.

    Alvorens te komen tot de conclusies die kunnen worden getrokken uit de hoorzittingen met deskundigen en aan het einde van de werkzaamheden, wenst spreker even stil te staan bij het begrip vrijheid.

    Hij geeft toe dat hij niet begrijpt hoe en waarom, in een wereld waarin alle groepen, alle leeftijdscategorieŽn, alle individuen beweren houder te zijn van rechten en de concrete toepassing ervan eisen, de mens het fundamentele recht wordt ontzegd zelf te kiezen hoe hij wil sterven.

    Kinderen en jongeren hebben rechten. Vrouwen eisen terecht gelijke rechten. De grondwetten en zelfs het Europees Handvest pogen naast de traditionele rechten ook economische en sociale rechten (recht op arbeid, recht op een degelijk leven, recht op huisvesting) ingang te doen vinden. Het recht op de eigen dood blijven sommigen echter beschouwen als een bijna satanische eis, die moet worden afgewezen, of waaraan zulke voorwaarden moeten worden verbonden dat dit recht eigenlijk wordt uitgehold.

    Spreker begrijpt die houding niet; het is immers niet de bedoeling de maatschappij, de regels die worden voorgeschreven voor de omgang met de anderen of de openbare orde in het geding te brengen.

    Het Burgerlijk Wetboek heeft zelf duidelijk en kernachtig aangegeven waar de grens ligt tussen de wilsvrijheid van de mens en zijn verantwoordelijkheid. Artikel 1382 bepaalt immers : ę Elke daad van de mens, waardoor aan een ander schade wordt veroorzaakt, verplicht degene door wiens schuld de schade is ontstaan, deze te vergoeden. Ľ

    Welke schade wordt veroorzaakt door een patiŽnt in terminale fase, die wil dat een einde wordt gemaakt aan zijn leven ?

    De straffen die het Strafwetboek voorschrijft, hebben hoofdzakelijk betrekking op overtredingen tegen personen, goederen, de openbare orde, maar niet op handelingen van de mens die alleen op zichzelf gericht zijn.

    Een misdaad is strafbaar, zelfmoord is het niet, ook al is de poging mislukt, en ook al is er een dode gevallen.

    Alcoholgebruik achter het stuur of op straat wordt gestraft, maar niet thuis.

    Daartegen zou men kunnen inbrengen dat bepaalde gedragingen gestraft worden, zonder dat iemand anders schade is berokkend.

    Dat geldt voor het algemene verbod op het drugsgebruik, ook voor het persoonlijke gebruik van softdrugs.

    Als reactie op deze opmerking kan worden verwezen naar de tendens om een onderscheid te maken tussen gebruiker en dealer of belangrijke producent van drugs, een tendens om de kleine gebruiker niet meer te vervolgen omdat hij niemand anders schade berokkent, maar vervolging en sancties te handhaven ten opzichte van degenen die deelnemen aan de drugshandel.

    De huidige burgerlijke verbodsbepalingen zijn het gevolg van de opvatting van de maatschappij op een bepaald ogenblik, en ze vallen ťťn na ťťn weg, al naargelang men zich bewust wordt van de maatschappelijke veranderingen. Dat is het geval voor het huwelijk tussen homoseksuelen. Het debat, dat tien jaar geleden nog tot mislukken gedoemd was, is volledig veranderd, want in Frankrijk bestaat een ę pacte civil de solidaritť Ľ (burgerlijk solidariteitspact) en in BelgiŽ een enigszins vergelijkbare regeling.

    Er zijn al meer oplossingen in de noordelijke landen. We evolueren ongetwijfeld naar een niet-discriminatieregeling.

    Waarom wordt dan een zo elementair recht als het recht op zijn eigen leven, zonder enig gevolg voor de anderen, ontkend of worden er zodanige voorwaarden aan verbonden dat het niet meer tot de wilsvrijheid van de houder ervan behoort ?

    Een antwoord daarop schuilt in de angst voor het onbekende, het risico dat men niet waarneemt maar dat men veronderstelt.

    Deze angst is weliswaar aanwezig in alle waarnemingen van de vooruitgang van de wetenschap want elke uitvinding heeft een schaduwzijde.

    De zeer recente ontcijfering van het menselijk genoom is daar een voorbeeld van.

    Het klonen van embryonale stamcellen voor therapeutische doeleinden kan weliswaar ziekten overwinnen of eventueel het tekort aan organen opvangen, maar het klonen van mensen voor reproductieve doeleinden opent vanzelfsprekend andere perspectieven, waarbij angst de kop opsteekt, omdat een bepaalde opvatting over onze maatschappij in vraag wordt gesteld.

    Voor euthanasie liggen de zaken anders. Euthanasie is niet uitgevonden toen het debat is aangevat, en het opent ook geen ondoorgrondelijke perspectieven.

    Er is alleen voorgesteld in te gaan op een bewust geformuleerde vraag van personen die geconfronteerd worden met hun naderende dood, of met een leven dat naar hun mening moet worden verkort, als gevolg van eenieders opvatting over zijn menselijke waardigheid.

    Dat is trouwens niets nieuws, want tijdens de hoorzittingen heeft niemand ontkend dat euthanasie overal wordt toegepast, in ziekenhuizen, rusthuizen, en zelfs op bepaalde palliatieve diensten, met of zonder instemming van de patiŽnten.

    Sommigen vinden dat dit probleem niet moet worden aangeroerd. Bepaalde artsen, die menen dat zij alleen weten hoe ze moeten handelen, hebben gezegd dat de dood tot het domein van de medische wereld behoort.

    In die opvatting zou het wetgevend optreden zich begeven op het terrein van de beoordeling van het medisch handelen, dat in zijn geheel moet worden gezien, en niet mag worden opgesplitst in verschillende beslissingen die door de wet worden gecodificeerd.

    We hebben echter niet de bedoeling ons te bemoeien met de medische handeling zelf.

    Spreker wil bijvoorbeeld geen definitie opleggen van therapeutische hardnekkigheid, of voorwaarden bepalen waaraan de arts zou moeten voldoen.

    Hij wil de keuze van de rechter niet in de plaats stellen van de keuze van de arts.

    Hij meent echter dat zodra een patiŽnt, onder bepaalde voorwaarden, zijn wil heeft geuit, rekening moet worden gehouden met diens vrijheid.

    Het voorstel van de zes indieners is trouwens geen medische wet, maar een procedurewet, die de wijze bepaalt waarop het verzoek om te sterven wordt uitgedrukt en opgevangen, alsook de wijze waarop het moet worden beantwoord.

    Andere gehoorde personen hebben zich afgevraagd of het wel opportuun is het debat te openen, omdat euthanasie weliswaar verboden is, maar het parket niet vervolgt. Het parket heeft echter wel al vervolgd, en men zou zich kunnen afvragen waarom het dat niet zou blijven doen.

    Er bestaat een wet, en euthanasie is een misdrijf dat het gerecht moet vervolgen.

    Daarom zijn artsen beschuldigd en zijn sommigen enkele dagen opgesloten. Dat herinnert vreemd genoeg aan andere debatten die we vroeger gekend hebben.

    Dat betekent niet dat de zes indieners wetgevend willen optreden omdat personen die euthanasie hebben uitgevoerd in de gevangenis zitten of beschuldigd zijn, maar omdat ze denken dat die personen onder bepaalde voorwaarden niet moeten worden vervolgd en omdat ze, na een grondige reflectie over de vrijheid van de mens, menen dat de wet moet worden gewijzigd.

    Als evenwel een meerderheid de wet niet wil wijzigen en het status quo wil behouden, dan is euthanasie verboden en moeten degenen die de wet overtreden, worden vervolgd.

    Deze logica wordt soms bewust genegeerd door degenen die iedereen tevreden willen stellen, door het wettelijk verbod te handhaven maar te hopen dat het nooit wordt toegepast, en soms zelfs kritiek uit te oefenen op magistraten die toevallig de wet toepassen.

    Systematisch wordt het internationale argument ingeroepen dat BelgiŽ inzake euthanasie een geavanceerd standpunt zou innemen, en dat argument wordt gebruikt naargelang van de belangen van degenen die het inroepen.

    Zij die er thans op wijzen dat Frankrijk veel voorzichter is dan BelgiŽ, hoeden zich ervoor vast te stellen dat Frankrijk inzake bio-ethiek of het burgerlijk solidariteitspact, duidelijk veel verder gaat dan wij.

    Bovendien heeft spreker er geen bezwaar tegen dat BelgiŽ een voortrekkersrol speelt met betrekking tot een ethisch onderwerp. In tegenstelling tot wat sommigen leken te vrezen is BelgiŽ overigens niet door andere landen uitgesloten of veroordeeld omdat het dit probleem, dat men trouwens overal begint te bespreken, naar zich heeft toegetrokken.

    Wat de beslissing van het Europees Bureau van MŁnchen betreft, waar de vorige spreker naar verwijst, en volgens wie euthanasie in strijd zou zijn met artikel 2 EVRM, wijst spreker erop dat het Europees Bureau van MŁnchen alleen uit ambtenaren is samengesteld en daarom thans wordt bekritiseerd, want het is dat bureau dat bepaalt welke octrooien in strijd zijn met de openbare orde en de goede zeden.

    In dat verband geeft het bureau blijk van laxisme, en laat het in feite alle octrooien toe, zonder zich af te vragen of ze in strijd zijn met de openbare orde en de goede zeden.

    De adviezen van een administratieve ≠ en niet een jurisdictionele of een politieke ≠ instelling die andersluidend zijn, moeten dus met enige terughoudenheid worden beoordeeld.

    Die instantie is overigens niet bevoegd om een politiek of moreel oordeel te vellen, maar om te bepalen of het gaat om een uitvinding met een innoverende activiteit en een industriŽle toepassing, voorwaarden die vereist zijn voor het indienen van een octrooi.

    Volgens sommige verzoekschriften, die inzonderheid ondertekend zijn door parlementsleden die aan de werkzaamheden deelnemen, zou het debat dat pas is aangevat, moeten worden verdiept en uitgebreid.

    Spreker acht het nuttig erop te wijzen dat het euthanasieprobleem sedert 1984 wordt gesteld. Volksvertegenwoordiger D'Hose sprak toen voor het eerst over euthanasie, in 1988 gevolgd door Edouard Klein en, in 1995, door de heren Boutmans, Moureaux, Lozie, Bacquelaine en door spreker zelf.

    Die voorstellen zijn zonder gevolg gebleven door het verbod in openbare vergadering. Het debat was echter op gang gebracht en sommigen, onder wie spreker, hebben hun opvattingen al sedert meer dan vijf jaar uiteengezet in diverse kringen.

    Op 12 mei 1997 heeft het Comitť voor bio-ethiek zijn advies uitgebracht, dat later door de Senaat is besproken.

    Zodra het verbod werd opgeheven en de paars-groene meerderheid de parlementsleden de vrijheid heeft gelaten om dit probleem te bespreken, zijn alle voorstellen opnieuw ingediend en eventueel aangepast.

    Sedertdien hebben 11 commissievergaderingen plaatsgehad, van 17 november 1999 tot 10 februari 2000, gevolgd door 12 andere vergaderingen van 15 februari tot 9 mei, met 44 hoorzittingen van 2 tot 3 uur per gehoorde persoon, en met meer dan 400 tussenkomsten van de in de commissie aanwezige parlementsleden.

    Als we daar de laatste vergaderingen bijtellen, alsook de vergaderingen die tot de maand december 2000 zullen plaatshebben, zullen meer dan 40 vergaderingen met twee parlementaire commissies gewijd zijn aan euthanasie. Nooit heeft een wetsvoorstel voordat het is aangenomen, zo'n groot aantal vergaderingen gevergd.

    Toen in de Grondwet de wijzigingen zijn aangebracht waarvan men nu weet dat ze de Senaat gedeeltelijk hebben ę vermoord Ľ, was minder tijd nodig dan nu voor de bespreking van euthanasie.

    Tijdens de vergaderingen en daarbuiten hebben de senatoren zich bij diverse gelegenheden in het openbaar uitgesproken. Gelet op die inspanning is het verwijt dat ze het debat niet zijn aangegaan onaanvaardbaar, temeer daar zij die om een debat vragen verontwaardigd zijn als parlementsleden die een voorstel hebben ingediend, openlijk zeggen wat ze slecht vinden aan een ander voorstel. Ze willen dus wel een debat, maar niet dit debat.

    Tenzij men aanneemt dat alleen een debat dat uitmondt in een algemene consensus, een goed debat is.

    Kan men alleen van een democratie spreken wanneer er een consensus is ? Leidt het respect voor de opvattingen van de anderen tot het opgeven van de eigen voorstellen ? Ligt de vreedzame confrontatie van standpunten niet aan de basis van de democratie ? Hoe dikwijls is de jongste jaren de vervaging van de waarden niet betreurd ?

    Nu de Senaat het eerste van de ethische debatten die het zal moeten voeren, aanvat, zou men willen dat ę de kleinste gemene deler Ľ als regel geldt of erger nog, dat de massa teksten bijna alle parlementsleden achter zich zou moeten scharen en wellicht geruststellen.

    Spreker wenst een dergelijk debat niet. Hij heeft nooit dubbelzinnig taalgebruik gehanteerd en wil er ook niet van weten.

    De wetsvoorstellen en de diverse tussenkomsten hebben aangetoond, en tonen nog aan, dat op het gebied van de principes tussen de parlementsleden nog zogenaamde levensbeschouwelijke tegenstellingen bestaan, die steunen op de opvatting over en de plaats van de mens.

    Waarom zouden we die tegenstellingen verdoezelen ? Zijn die ook niet tot uiting gekomen in het abortusdebat ?

    Het bestaan van die tegenstellingen belet niet dat men de andere kan tegemoetkomen. Door naar iedereen te luisteren kon de reflectie worden verdiept en konden conclusies worden getrokken voor het opstellen van de voorstellen. Men is echter niet radicaal als men vasthoudt aan zijn eigen opvattingen en ze uiteenzet.

    Dat is veeleer streven naar een levendige democratie, die geen genoegen neemt het onuitgesprokene, met uitvluchten, dubbelzinnige teksten of sussende verklaringen.

    Na een eerste rondvraag heeft iedereen zijn basisfilosofie ter zake uiteengezet. Al vlug bleek dat de commissies verdeeld waren tussen twee strekkingen en dat daartussen een kloof bestond en nog bestaat :

    ≠ enerzijds, de autonomie van de persoon en het gevoel van de eigen waardigheid, die moeten leiden tot het respecteren van de vrije keuze van een patiŽnt om zijn leven niet te verlengen in het geval van een ongeneeslijke ziekte die een toestand van pijn en lijden veroorzaakt die hij alleen als ondraaglijk kan beoordelen;

    ≠ anderzijds de overtuiging dat de autonomie van de persoon niet absoluut is en moet worden opgevat in het kader van een maatschappij die noodzakelijkerwijze het individuele gedrag beÔnvloedt en de autonomie van de persoon beperkt, aangezien niemand volledig meester is van zijn bestaan.

    Die tegenstelling is tot uiting gekomen in de ingediende voorstellen : depenalisering versus noodtoestand, subsidiair karakter van euthanasie versus het luisteren naar de patiŽnt, ...

    Na 44 hoorzittingen is die kloof gebleven. Hoe kan het ook anders, aangezien het niet gaat om technische gegevens die door een deskundige konden opgehelderd, maar om de opvatting die elkeen heeft over zijn eigen leven en over de graad van autonomie die hij zich toekent ten opzichte van de maatschappij.

    Ook de standpunten binnen het Comitť voor bio-ethiek, waar vier voorstellen zijn ingediend, konden niet worden verzoend.

    Spreker ziet niet in welk element een arts, een verpleegkundige, een jurist zouden kunnen voorleggen om zijn eigen opvatting over de individuele autonomie ten opzichte van de maatschappij te doen veranderen.

    Dit fundamenteel probleem is de kern van het debat.

    Kan voor euthanasie een uitzondering worden gemaakt op het verbod om te doden dat is opgenomen in het Strafwetboek ?

    Die vraag geeft aanleiding tot verschillende antwoorden, die tot uiting komen in de ingediende wetsvoorstellen.

    Sommigen hebben gepoogd deze fundamentele tegenstelling te overbruggen door een hypothetische derde weg te bedenken.

    Spreker meent dat inzake fundamentele principiŽle kwesties als ethiek, en meer bepaald euthanasie, geen derde weg mogelijk is.

    Wie probeert de voorstanders van de ene en de andere visie over de menselijke autonomie te verzoenen, stelt in feite een algemene consensus voor, en hoopt dat de vage begrippen ertoe leiden dat eenieder de tekst op zijn manier interpreteert en het gevoel heeft iets gewonnen te hebben.

    Dat past niet voor een dergelijk debat.

    Ook al kan over een aantal punten een overeenkomst worden bereikt, dan nog kan het debat niet uitmonden in een compromis, waarbij fundamenteel niemand iets wint.

    De bevolking vraagt teksten die klaar en duidelijk zijn, en de parlementsleden mogen evenmin genoegen nemen met een dubbelzinnigheid die kan leiden tot afwijkingen of tegenstrijdigheden in de rechtspraak.

    Spreker zegt dat hij alleen een tekst zal aannemen waarvan hij exact weet wat hij betekent.

    De hoorzittingen zijn gestart in de vorm van vragen en korte antwoorden na een uiteenzetting, maar ze zijn vlug uitgemond in een gedachtewisseling tussen deskundigen en commissieleden en zelfs tussen commissieleden onderling.

    Het aantal bladzijden verslag van de hoorzittingen en het aantal uren televisie-uitzending bewijzen de lange duur van de besprekingen en het aantal tussenkomsten.

    De televisie leek minder belangstelling te hebben voor de tussenkomsten van de parlementsleden dan voor die van de deskundigen. Spreker dankt dan ook de vertegenwoordigers van de schrijvende pers die ook de tussenkomst van de parlementsleden na de hoorzittingen volgden.

    De deskundigen hadden niet hetzelfde gezichtspunt. De vertegenwoordigers van het Comitť voor bio-ethiek benaderden de problematiek uit filosofisch oogpunt, de apothekers bezonnen zich over de technische elementen met betrekking tot hun praktijk; er was dus een ruim arsenaal van doelstellingen en de draagwijdte van de tussenkomsten was uiteenlopend.

    Zoals mocht worden verwacht van een soortgelijk maatschappelijk debat met ruime mediabelangstelling, hebben de hoorzittingen interessante elementen aan het licht gebracht, maar gaven ze ook aanleiding tot discussies die niet echt met euthanasie te maken hebben : uitweidingen over de algemene werking van de ziekenhuizen, kritiek van sommige paramedici op artsen, pleidooien pro domo van verantwoordelijken van palliatieve zorgeenheden die hun eisenbundel aan de regering toelichtten, ...

    Uit het geheel van informatie en adviezen onthoudt spreker enkele punten die hem belangrijk lijken :

    1) Euthanasie bestaat, niet alleen in de vorm van het afwijzen van uitzichtloos medisch handelen, maar ook als wil om een einde te maken aan het leven van de patiŽnt, al dan niet op zijn verzoek.

    Het was immers onmogelijk te weten te komen of uit de uitgevoerde studies bleek of euthanasie wordt uitgevoerd zonder instemming van de patiŽnt.

    2) Er wordt veel gesproken over het gebrek aan internationale voorbeelden van wetgeving ter zake.

    Nochtans bestaan zulke voorbeelden, met name in Nederland. De Nederlandse wetgeving is geen mislukking, maar toont aan dat het mogelijk is ter zake wetgevend op te treden.

    De artsen aanvaarden steeds meer om samen te werken met het gerecht. Ze willen het experiment helemaal niet beŽindigen, integendeel, er wordt geprobeerd euthanasie te legaliseren, rekening houdend met de ervaring.

    In dat verband moet worden gewezen op het debat betreffende de vergelijkingen die, vooral op basis van een in Vlaanderen gehouden onderzoek, kunnen worden gemaakt tussen de wijze waarop euthanasie hier en in Nederland wordt toegepast.

    Er kon ook worden vastgesteld dat, zelfs al zijn bepaalde percentages gelijklopend, euthanasie zonder verzoek van de patiŽnt in Vlaanderen vaker voorkomt dan in Nederland.

    Het Nederlandse voorbeeld werkt dus en heeft niet geleid tot de dramatische resultaten die sommigen voorspellen in het geval in BelgiŽ een wetgeving zou worden aangenomen die euthanasie legaliseert.

    3) De artsen lijken minder bang voor een legalisering van euthanasie dan voor de juridische controle a posteriori die zou worden georganiseerd.

    De terughoudendheid ten opzichte van administratieve formaliteiten is een traditie die reeds lang in de medische wereld bestaat.

    De artsen willen niet dat hun gedragingen onder een wetgeving vallen, tenzij dan een wetgeving zonder sancties.

    Die redenering heeft sommige artsen ≠ en sommige parlementsleden ≠ ertoe aangezet te zeggen dat de medische praktijk in zekere zin uit de algemene regels van het Strafwetboek zou moeten worden gelicht en dat de wijze waarop elke overtreding van een gedragscode die is opgesteld door artsen zelf, zou moeten voortvloeien uit een verdieping van het corporatistisch recht.

    In zekere zin zou de Code van de geneeskundige plichtenleer in de plaats komen van het Strafwetboek.

    Deze ontwikkeling lijkt voor spreker niet aanvaardbaar. Talrijke beroepen hebben hun specifiek karakter, waarvoor een beroepsvereniging garant staat, maar het beroep wordt uitgeoefend met in achtneming van de voorschriften die de maatschappij oplegt, inzonderheid met betrekking tot de elementen van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid. Dat gaat zelfs nog verder, want onlangs oordeelden bepaalde rechtbanken, in een zaak over de concurrentie tussen apothekers, dat de beroepsverenigingen niet mogen ingaan tegen de algemene bepalingen inzake concurrentie.

    Het verwijt tegen het voorstel van de zes indieners, dat ze een te abrupte procedure voorschrijven tussen het euthanaserend handelen en de overzending naar het parket, zou als gegrond kunnen worden beschouwd.

    Om het vertrouwen van de artsen te winnen en om het verwijt te voorkomen dat het probleem naar het gerecht wordt verschoven, zou men bijvoorbeeld kunnen overwegen dat de evaluatiecommissie optreedt als tussenschakel tussen de arts die euthanasie heeft toegepast en het gerecht.

    In eerste instantie zou het om een anoniem dossier gaan. Als hiervoor geen probleem rijst, zou de commissie het kunnen seponeren. In het tegenovergestelde geval zou ze de arts kunnen ontbieden. In het geval van een ernstig probleem zou de commissie de anonimiteit kunnen opheffen en het dossier overzenden aan het parket.

    Wat dat punt betreft, lijkt vooruitgang mogelijk.

    4) De grens tussen euthanasie en andere vormen van levensbeŽindiging is vaag. Dat is vooral het geval voor de gecontroleerde sedatie, toegepast door centra die niet over euthanasie willen spreken, die leidt tot een geprogrammeerde dood van de patiŽnt.

    Het is overigens vreemd dat de antwoorden op de vragen of gecontroleerde sedatie een vorm van euthanaserend handelen is, zeer uiteenlopend zijn.

    De wetgever zou hieromtrent een duidelijk standpunt moeten innemen. Het is immers al te gemakkelijk om te zeggen dat men geen euthanasie toepast, terwijl men de dood van de patiŽnt op een andere manier veroorzaakt, door progressief de doses toegediende producten te verhogen.

    5) Het begrip terminale fase is moeilijk te bepalen. Ook hier wil spreker niet dogmatisch optreden. Er is zelfs gezocht naar formules die kunnen bepalen of iemand zich al dan niet in een terminale fase bevindt. In zijn persoonlijke naam is spreker nagegaan of het mogelijk is een ietwat verschillende procedure uit te werken naargelang iemand zich al dan niet in die fase bevindt.

    De vraag blijft echter : hoe kan men medisch zeker zijn dat men zich niet vergist ?

    Spreker besluit dat het moeilijk is te voorzien in gedifferentieerde procedures uitgaande van een begrip dat niet nauwkeurig kan worden afgebakend.

    We moeten in ieder geval vermijden dat geen gevolg wordt gegeven aan het verzoek van een persoon die niet noodzakelijk fysiek lijdt, maar die meent dat zijn menselijke waardigheid in het gedrang komt door de gevolgen van zijn aandoening.

    Er is veel gesproken over het geval van de heer Lorand, die niet lijdt, maar verlamd is. Spreker is verbaasd dat na de oproep van de heer Lorand tot de parlementsleden, en waarvan hijzelf niet op de hoogte was, op ťťn uitzondering na, niemand is ingegaan op zijn verzoek.

    Het is echter nuttig na te gaan wat de situatie is van iemand die zich niet in een terminale fase bevindt, maar wel in een noodtoestand verkeert.

    Als men op een humane wijze wil tegemoetkomen aan deze dramatische verzoeken, moet men rekening houden met de morele noodsituatie, ook al is er geen fysiek leed.

    Dat is ťťn van de fundamentele punten aan de basis van het voorstel van de zes indieners.

    6) Talrijke sprekers wezen op de noodzaak om er zeker van te zijn dat het verzoek om euthanasie gewild en vastberaden is, en dat het geen verdoken vraag om hulp is. De ingediende voorstellen houden rekening met deze noodzaak. Spreker heeft er geen bezwaar tegen dit punt te verduidelijken, als dat sommigen kan geruststellen, zolang de beslissing, die de patiŽnt toekomt, maar niet wordt miskend.

    Ook wat de informatie van het verplegend team betreft, lijkt het mogelijk om overeenstemming te bereiken, zolang men maar niet tot een verschuiving naar het gerecht komt. Als we de lijst van personen zien die de patiŽnt moet raadplegen alvorens op zijn verzoek wordt ingegaan, lijkt het daar echter wel op neer te komen, wat tot gevolg kan hebben dat interne psychologische problemen van het verplegend team voorgaan op de wens van de patiŽnt ≠ deskundigen hebben daarop gewezen.

    De verantwoordelijkheid voor de ultieme beslissing moet bij de arts blijven.

    7) De kwestie palliatieve zorg heeft langdurige debatten met zich meegebracht en heeft aanleiding gegeven tot twee soorten opmerkingen : van principiŽle aard en van financiŽle aard.

    Wat de eerste betreft, meenden sommige deskundigen en parlementsleden dat palliatieve zorg het antwoord is op het verzoek om euthanasie en dat, indien die zorg goed wordt georganiseerd en aan de patiŽnten voorgesteld ≠ of zelfs opgelegd ≠ zij heel snel zouden afzien van hun verzoek om euthanasie.

    In deze optiek zou de palliatieve zorg een soort verplicht parcours zijn.

    Spreker deelt dit standpunt niet. Euthanasie mag niet tegenover palliatieve zorg worden geplaatst, maar het belang van deze zorg mag evenmin worden ontkend. Elkeen heeft het recht te bepalen hoe hij zijn eigen dood ziet, zonder verplicht te worden een bepaalde weg te volgen die zou beginnen bij palliatieve zorg. Dat is een weg die aan de patiŽnt kan worden voorgesteld. De zes indieners menen zelfs dat die zorg moet worden voorgesteld, maar dat ze in geen geval het verzoek van de patiŽnt mag verdoezelen of in de plaats daarvan komen.

    Er dient te worden opgemerkt dat ook over het begrip palliatieve zorg is gediscussieerd : continue zorg of een specifieke dienstverlening. Die categorieŽn zijn verder ontwikkeld naargelang van de hoedanigheid van de gehoorde personen, bijvoorbeeld personen uit de spoedopnames of verantwoordelijken van een palliatieve zorgeenheid.

    Het tweede aspect is van financiŽle aard. Om te kunnen spreken van het recht van de patiŽnt, moet de continue zorg voor iedereen toegankelijk zijn. Dat is een politieke keuze. Daarom werd voorgesteld de bevoegde ministers te horen (mevrouw Aelvoet en de heer Vandenbroucke).

    8) Er is ook meermaals gewezen op het risico voor uitbreiding van euthanasie. Dat is des te verrassender daar de zes indieners er van bij het begin van de besprekingen op gewezen hebben dat ze de toepassingssfeer wilden beperken tot meerderjarige patiŽnten, die hun wil kunnen uiten en bewust zijn ≠ onder voorbehoud van een levenstestament ≠ en dat ze weigerden wetgevend op te treden ten opzichte van gehandicapten of wilsonbekwamen, en van minderjarigen.

    Volgens deze indieners zou euthanasie dan ook alleen moeten worden gedepenaliseerd als ze wordt toegepast volgens de voorwaarden van de wet en op verzoek van een meerderjarige en handelingsbekwame persoon.

    Spreker verklaart, in zijn persoonlijke naam, dat hij nooit een voorstel zal ondertekenen dat verder gaat.

    Voor de gevallen die niet aan deze voorwaarden voldoen, zou men opnieuw in de thans toegepaste regeling van de noodtoestand terechtkomen.

    9) De wilsverklaring lijkt niet te worden verworpen. Er zijn hoogstens verduidelijkingen gevraagd over de datum van het document en de inhoud ervan, die duidelijk de wil van de persoon moet weergeven. Dat is ťťn van de elementen waarop de overtuiging van de arts moet steunen.

    Dat document zal nog meer beslissend zijn naarmate het is opgesteld zo kort mogelijk voordat de patiŽnt niet meer bewustzijn is.

    Het is ook mogelijk een vertegenwoordiger aan te stellen. Spreker is er persoonlijk geen voorstander van om een VZW aan te stellen als vertegenwoordiger, hij wil immers niet dat artsen optreden als professionele euthanasieplegers, maar hij wil evenmin dat VZW's optreden als vertegenwoordigers van de dood, met verschillende wilsverklaringen ę in portefeuille Ľ.

    Er moet een persoonlijke band bestaan tussen de patiŽnt en de vertegenwoordiger, die trouwens kan veranderen. Van dit soort document mag men geen instrument maken.

    10) De hoorzittingen hebben een merkwaardige vorm van paternalisme aan het licht gebracht van de wetenden ten opzichte van de niet-wetenden.

    Sommigen hebben zich immers vragen gesteld over het ontoereikende niveau van een gedeelte van de bevolking, waardoor die niet in staat zouden zijn een levenstestament op te stellen, of zich een precies oordeel te vellen over hun toestand, wat de waarde van een eventueel verzoek om euthanasie in vraag zou kunnen stellen.

    Spreker aanvaardt dit argument niet. Het opstellen van een levenstestament of de formulering van een verzoek om euthanasie is geen kwestie van medische uitdrukkingen. Voor de dood is iedereen gelijk.

    Het is trouwens niet bewezen dat de reactie van de academicus bedaarder, bedachtzamer, adequater en intelligenter zou zijn dan die van een patiŽnt die alleen basisonderwijs heeft gevolgd.

    Met dergelijke argumenten zou men het algemeen stemrecht kunnen afschaffen.

    Dit is des te meer onaanvaardbaar in een tijdperk waarin de burgers vragen overal te worden gehoord, op alle domeinen, en waarin de overheid zich buigt over procedures om de bevolking te betrekken bij de beslissingen die haar aanbelangen (volksraadpleging, referendum, burgerforums, ...).

    Tot besluit stelt spreker vast dat dit debat sinds een jaar onbetwistbaar een belangstelling heeft opgewekt die weinig ander wetgevend werk te beurt is gevallen.

    Wie heeft immers in zijn omgeving geen voorbeeld van wat wij bespreken ?

    Over deze kwestie is des te meer gedebatteerd daar het de eerste maal is sedert jaren dat de Senaat een debat over bio-ethische problemen aangaat. De parlementsleden staan volop in de actualiteit. De hoorzittingen hebben plaatsgehad. Het dossier is volledig. Nu moeten de parlementsleden debatteren over de ingediende of in te dienen voorstellen, en de artikelen en eventuele amendementen bespreken.

    Men zou het de senatoren nooit vergeven dat ze hun verantwoordelijkheden ontlopen. In de Senaat zal evenmin als onder de bevolking unanimiteit bestaan over dit onderwerp. Consensus geldt trouwens niet als regel op ethisch gebied. Het belangrijkste is dat men uitkomt voor zijn eigen mening, het standpunt van de anderen respecteert en punten van overeenkomst zoekt, zonder evenwel een mank compromis te aanvaarden.

    De Senaat heeft nog enkele weken of maanden om te bewijzen dat hij in staat is wetgevend op te treden in een ethisch debat. Het is het eerste debat van dit soort, maar er zullen er nog vele andere volgen.

    In deze zaak moet wetgevend worden opgetreden, niet om te verplichten of te verbieden, maar om toe te laten. Toelaten dat wie volledig autonoom beslist heeft op welke wijze hij wil sterven gehoord wordt wanneer hij zijn verzoek om euthanasie formuleert; toelaten dat wie lijdt, beslist of zijn menselijke waardigheid niet eist dat zijn leven wordt beŽindigd omdat het niet meer in overeenstemming is met zijn eigen definitie van waardigheid; toelaten dat een vrijwillige vraag van de patiŽnt wordt opgevangen en dat er gevolg aan wordt gegeven door een vrijwillige handeling van de arts.

    Voor spreker is de inzet van het debat in wezen de menselijke vrijheid, en het is die zorg voor de vrijheid die hem ertoe heeft aangezet het voorstel van de zes indieners te ondertekenen.

    In eigen naam wenst hij dat een meerderheid van de senatoren en van de volksvertegenwoordigers ook menen dat in het geval van nood en lijden als gevolg van een ongeneeslijke ziekte, het einde van het leven toekomt aan de patiŽnt. Hem dit recht ontkennen zou erop neerkomen dat men hem tweemaal laat sterven.

    Een lid wenst niet in te gaan op algemene beschouwingen, die hun plaats hebben bij de algemene bespreking van de verschillende wetsvoorstellen, maar wenst enkele punctuele opmerkingen te geven bij de hoorzittingen.

    Vooreerst onderschrijft haar fractie het belang van de verdere uitbouw van de palliatieve zorgverstrekking. Verschillende partijen hebben hieromtrent reeds goede voorstellen ingediend. Hoe dan ook is het van belang dat een goed resultaat wordt bereikt, zodat eenieder toegang heeft tot de palliatieve zorgen wanneer zulks nodig is. Het is niet nodig de commissieleden hiervan te overtuigen.

    Ten tweede heeft spreekster uit de hoorzittingen vooral onthouden hoe belangrijk een goede communicatie met en informatiedoorstroming naar de patiŽnt is. Verschillende sprekers hebben op het gebrek hieraan gewezen. Niet enkel moet hieraan aandacht worden besteed in de opleiding van de arts ≠ ook tijdens de hoorzittingen hanteerden de artsen een apart taalgebruik ≠, maar in het algemeen moeten de patiŽnten mondiger worden gemaakt. Dit element dient deel uit te maken van de op stapel staande wetgeving.

    Vervolgens wijst het lid erop dat, in sommige situaties, artsen heel goed weten dat euthanasie de enige oplossing is. Het feit dat dit dan ook vandaag gebeurt, is voor haar fractie een bevestiging van de wil om ťťn en ander wettelijk te regelen. In de procedure die moet worden uitgewerkt, moeten ook de verpleegkundigen hun plaats krijgen, vermits zij zeer dicht bij de betrokken patiŽnt staan. Hoewel de uiteindelijke beslissing bij de arts dient te liggen, moet het verplegend personeel nauw betrokken worden bij de begeleiding van de patiŽnt.

    Het lid verwijst naar de vraag of gecontroleerde sedatie nu al dan niet een vorm van euthanasie uitmaakt. Hierop kwam geen eenduidig antwoord. De essentie van euthanasie bestaat erin de pijn te verzachten. Dit is ook het geval met gecontroleerde sedatie. Er moet vermeden worden dat bepaalde instellingen zouden weigeren euthanasie uit te voeren, maar anderzijds wťl gecontroleerde sedatie toelaten.

    Tijdens de hoorzittingen werden de meest uiteenlopende antwoorden gegeven op de vraag wanneer een patiŽnt zich in een terminale situatie bevindt. Het is dan ook zeer moeilijk om uit te maken of nu al dan niet een verschillende procedure moet worden gevolgd al naargelang het gaat om terminale of niet-terminale patiŽnten. Indien een wettelijke regeling hieromtrent zou worden ontworpen, moet deze zeer duidelijk zijn. Wanneer zulks onmogelijk zou blijken, dan kiest spreekster er liever voor gťťn wettelijke regeling uit te werken en de verantwoordelijkheid bij de arts te leggen.

    Inzake de zogenaamde ę wilsverklaring Ľ werden eveneens uiteenlopende opvattingen verdedigd door de gehoorde personen, zodat er geen ťťnduidig antwoord uit te distilleren valt. De fractie van het lid blijft bij haar standpunt dat een wilsverklaring wel degelijk van groot nut kan blijken, zeker naar de patiŽnten toe die op die wijze vat kunnen krijgen op hun levenseinde en tenminste de geruststelling kunnen hebben om niet te eindigen op een mensonwaardige manier. Dit punt dient in de wetgeving te worden opgenomen.

    Bij voor- en tegenstanders weerklinkt de vraag naar duidelijkheid en rechtszekerheid. In tegenstelling tot een andere fractie, die vraagt dat euthanasie niet zou worden gedepenaliseerd maar de artsen in sommige omstandigheden toch toelaat ze uit te voeren, vraagt de fractie van het lid dat een duidelijke keuze wordt gemaakt : ofwel is euthanasie in bepaalde gevallen toegelaten en moet zulks uit de strafwet worden gehaald, ofwel is het in alle gevallen verboden. De fractie van het lid opteert voor de eerste mogelijkheid. Men kan niet tegelijk euthanasie in de strafwet laten, en toch de mogelijkheid geven ze uit te voeren. Daardoor blijft alles in de schemerzone. Indien artsen oordelen dat er een mogelijkheid moet bestaan om in te grijpen, is het belangrijk dat deze mogelijkheid buiten de strafwet valt. Dit is vereist om de nodige transparantie te garanderen.

    Een duidelijke controle achteraf is enorm belangrijk. Wanneer de mogelijkheid wordt gecreŽerd om, in sommige gevallen, euthanasie uit te voeren, betekent dit niet dat alles zomaar mag en dient derhalve een controlemechanisme de grenzen te bewaken.

    De fractie van het lid blijft de rechten van de patiŽnt bij het levenseinde prioritair vinden. De rechtszekerheid moet niet enkel voor de arts, maar ook voor de patiŽnt worden gegarandeerd. Dit is geen juridische, maar ook een psychologische zaak. PatiŽnten moeten immers vaak over een psychologische barriŤre worden geholpen.

    Spreekster deelt de opvatting niet, als zou de discussie over het al dan niet behouden van euthanasie in de strafwet, slechts een symbolisch karakter hebben. Het is belangrijk om de situaties waarin euthanasie toegelaten is, buiten de strafrechtelijke sfeer te houden. In die zin zijn de wetsvoorstellen, die door sommige fracties, waaronder de fractie van het lid, werden ingediend, een heel goede stap in de juiste richting. Dit neemt niet weg dat enkele verduidelijkingen nodig zijn, met name op het tekstuele vlak, zodat mogelijke begripsverwarringen worden uitgesloten. Voorts oordeelt spreekster dat deze voorstellen moeten worden aangevuld met een procedure waarbij het verpleegkundig personeel nauw betrokken worden bij de beslissing over euthanasie. Ten derde dient de controle a posteriori zodanig worden uitgebouwd dat de arts niet voortdurend met de vrees zit zich voor de rechter te moeten verantwoorden. Dit neemt niet weg dat de rechtbanken uiteraard moeten optreden in situaties die duidelijk in de strafrechtelijke sfeer zullen blijven.

    Concluderend, stelt spreekster dat de hoorzittingen niet steeds een eenduidig antwoord hebben opgeleverd op de vragen waar de commissieleden mee zaten. Dit mocht men ook niet verwachten. Het is nu aan de parlementsleden om hun politieke verantwoordelijkheid op te nemen en de nodige beslissingen te nemen.

    Een ander lid wijst op het feit dat de hoorzittingen, waarbij vooral mensen uit het veld aan bod kwamen en die heel leerrijk waren, voor een kleine fractie heel arbeidsintensief zijn geweest. Zij betreurt evenwel dat vele tussenkomsten heel ę gekleurd Ľ waren, hetgeen kan worden verklaard door het feit dat de sprekers voorgesteld zijn geweest door enkele senatoren, zodat men de nodige evenwichten diende te respecteren op het taalkundige en levensbeschouwelijke vlak. Ondanks de aanwezigheid van de pers, is de sfeer altijd zeer sereen gebleven.

    De fractie van het lid is van mening dat de hoorzittingen zeer essentieel waren, eerst en vooral omdat op die wijze de maatschappij betrokken werd bij het euthanasiedebat. Het openbaar karakter van de vergadering heeft dit nog versterkt. Als gevolg daarvan zijn er enorm veel brieven en uitnodigingen voor werkbezoeken toegestroomd. De hoorzittingen zijn nog in een ander opzicht essentieel gebleken. Het is wellicht voor de eerste maal dat zoveel over het begrip ę palliatieve zorgen Ľ werd gesproken. De hoorzittingen hebben een belangrijke bijdrage geleverd aan het ontwikkelen van de nodige politieke aandacht voor de palliatieve zorgen. De hoorzittingen hebben ook bepaalde groepen, zoals personen met een handicap en bejaarden, die zeer ongerust waren over de voorstellen die werden ingediend, kunnen geruststellen door duidelijk uit te leggen wat de bedoeling was. Naast de verhoogde aandacht voor de palliatieve zorgen, werd ook aandacht besteed aan de ruimere problematiek van het levenseinde en aan de patiŽntenrechten. Ook dit is een gevolg van de hoorzittingen.

    Wat alle commissieleden wellicht het meeste bindt, zijn de palliatieve zorgverstrekkingen. Over de structuren, het personeel en het tekort aan middelen in deze sector werd zodanig veel uiteengezet, dat de problemen op het terrein wellicht een oplossing zullen kunnen krijgen. Dat er, naast de medische hardnekkigheid, ook zoiets bestaat als ę palliatieve hardnekkigheid Ľ, is voor spreekster een nieuw gegeven. Dit geldt ook voor het begrip ę gecontroleerde sedatie Ľ, hoewel het helemaal niet duidelijk is wat precies onder deze term dient te worden verstaan. Alle sprekers, behalve ťťn, hebben er tevens de nadruk op gelegd dat er, ondanks alle goede zorgen en pijnbestrijding, in sommige gevallen toch nog een vraag naar euthanasie blijft bestaan. Het gaat weliswaar om een kleine vraag. Hoe klein die echter ook is, zij verdient een antwoord.

    Een oplossing voor de vraag naar euthanasie dient bovendien te worden gevonden om uit de grijze zone te treden waarin men zich thans bevindt. Ook al worden de cijfers van het onderzoek-DeliŽns gehalveerd, dan nog gaat het om cijfers die niet door de beugel kunnen, temeer omdat het in dat onderzoek ging over levensbeŽindiging zonder dat de patiŽnt hierom had gevraagd. Het euthanasiedebat komt dan ook niet te vroeg.

    Spreekster is van mening dat een regeling omtrent euthanasie moet worden uitgewerkt in een breder kader : niet enkel de palliatieve zorgen, maar ook de opleiding van de artsen en verpleegkundigen op het vlak van pijnbestrijding en communicatie. Daarbij gaat het niet alleen om communicatie met de patiŽnt, maar ook met het ganse medisch team. Opleiding op het vlak van sociale begeleiding is evenzeer vereist.

    Tijdens de hoorzittingen werden enkele pijnpunten in het debat niet uit de weg gegaan. Vooreerst is er de discussie omtrent de wilsverklaring. Volgens het lid hebben de hoorzittingen uitgewezen dat een dergelijke wilsverklaring toch nodig is, hoewel deze nooit helemaal sluitend of juridisch bindend voor de arts kan zijn. Maar toch heeft een dergelijke wilsverklaring haar nut : de patiŽnt kan erin verzoeken om euthanasie toe te passen, of dat integendeel juist niťt te doen. Een oplossing dient evenwel gevonden te worden voor de mensen die, volledig wilsbekwaam, een wilsverklaring opstellen en vervolgens wilsonbekwaam worden.

    Een ander pijnpunt betreft het overleg met het medisch team. Dit is zeker nodig, behalve wanneer de patiŽnt zulks uitdrukkelijk niet wenst.

    Een groot probleem wordt gevormd door de categorie van de niet-terminale patiŽnten. Het is niet duidelijk wat onder dit begrip precies moet verstaan worden. Daaruit afleiden, zoals sommigen doen, dat er dan ook geen verschillende procedure voor terminale en niet-terminale patiŽnten mogelijk is, is niet correct. Integendeel : nu het begrip ę niet-terminale patiŽnt Ľ niet duidelijk kan worden omschreven, is er geen reden een wettelijke mogelijkheid voor euthanasie te beperken tot de louter terminale patiŽnten. Deze mogelijkheid, waarbij de arts uiteindelijk oordeelt, is dan ook niet uitgesloten. Het is bovendien enkel de patiŽnt die kan oordelen over de uitzichtloosheid van zijn situatie.

    Spreekster beklemtoont dat het debat voortdurend gaat over een recht op ≠ en niet over een plicht tot ≠ euthanasie. Sommigen wekken ten onrechte de indruk dat in het wetsvoorstel van de meerderheidspartijen een plicht tot euthanasie wordt ingeschreven. Niets is echter minder waar.

    Met de uitbreiding van de a priori-procedure naar zieken die zich verder van de stervensfase bevinden, is spreekster het eens. Op de vragen die door de parlementsleden tijdens de hoorzittingen hieromtrent werden gesteld, werd meermaals beklemtoond dat daarbij geen ethicus diende aan bod te komen.

    Het wettelijk kader inzake euthanasie mag niet te eng worden gemaakt, zodat steeds ruimte blijft voor het medisch verantwoord handelen. Op die manier kan ook een uitkomst worden geboden voor die categorieŽn van personen die niet worden opgenomen in de wet, met name de wilsonbekwamen en de kinderen.

    De fractie van het lid is nog steeds voorstander van depenalisering van euthanasie, zodat de patiŽnt en de arts duidelijk weten dat, door euthanasie te plegen, een humaan verantwoorde daad wordt gesteld. Dergelijke handelingen horen niet thuis in de strafwet. Niettemin is spreekster bereid om op het juridische niveau de nodige besprekingen te voeren, bijvoorbeeld over het onderscheid tussen de noodtoestand en de depenalisering en de mogelijke tussenoplossingen die kunnen worden gevonden. Depenalisering van de euthanasie is voor haar fractie evenwel het uitgangspunt. Het lid zegt overigens problemen te hebben met het begrip ę symbooldiscussie Ľ dat vaak in de mond wordt genomen. Zij heeft de indruk dat sommigen kunstmatig aansturen op een dergelijke symbooldiscussie om de voorstanders van depenalisering in een kwaad daglicht te stellen. Dergelijke symbooldiscussie wordt kunstmatig in het leven geroepen door belangengroepen en sommige media, terwijl deze in de samenleving als dusdanig niet bestaat.

    De afstand tussen de arts en het gerechtelijk apparaat mag niet te kort zijn. Desgevallend moet aan de evaluatiecommissie een grotere bevoegdheid worden gegeven, zodat de arts sneller geneigd zal zijn gevallen van euthanasie te melden en deze grondiger zullen worden getoetst. De grijze zone moet alleszins verdwijnen.

    Concluderend zegt spreekster te hopen dat er vanaf oktober 2000, na de gemeenteraadsverkiezingen, een sfeer zal ontstaan waarin op een open manier kan worden gediscussieerd over de verschillende pijnpunten in het debat, met name het wettelijk kader, het debat over de verschillende behandeling van terminale en niet-terminale patiŽnten en over de wilsbeschikking. Deze discussie zal reeds moeilijk genoeg zijn en hoeft niet te worden verzwaard door andere vraagstukken, zoals het lot van de kinderen en min-16-jarigen, de hulp bij zelfdoding, enzovoort. Het gevaar bestaat immers dat de verenigde commissies verzinken in een oeverloze discussie, zonder dat een oplossing wordt bereikt voor de prioritaire essentiŽle vragen.

    Een lid verklaart dat hij de tijd gedurende de onderbreking van de werkzaamheden benut heeft om alle hoorzittingen opnieuw grondig te bestuderen, zodat hij er een aantal bevindingen uit kan puren en er de eerste conclusies uit kan trekken.

    De werkzaamheden zijn immers zo rijk geweest dat de geesten evolueren.

    In het licht van de uitspraken van de vorige sprekers meent spreker op verschillende punten een toenadering te kunnen ontwaren, de bewustwording dat er zich een aantal problemen voordoen, die moeten worden onderzocht en op zijn minst moeten worden geamendeerd.

    De conclusies die volgen, zijn zelf dan ook nog voorlopig en het is niet onmogelijk dat de standpunten van de spreker onder invloed van de werkzaamheden nog zullen evolueren.

    Hij heeft voor zijn collega's een tekst opgesteld waarin een aantal verwijzingen opgenomen zijn naar de werkzaamheden van de commissies, zodat men in de mate van het mogelijke aan de subjectiviteit van de beoordeling kan ontsnappen. Die tekst wordt hier weergegeven.

    Stand van het probleem

    1) Euthanasie is een realiteit in de dagelijkse praktijk.

    In zijn gewone betekenis wordt de term euthanasie, in al zijn vormen, passieve of actieve euthanasie (11), zeer vaak gebruikt. Zo heeft de arts, volgens de gegevens die aan de verenigde commissies verstrekt zijn, een doorslaggevende invloed op het juiste moment van het overlijden, en beslist hij zelf, in bijna 40 % van de gevallen (12), over het overlijden; dat percentage stijgt tot 80 % in de afdelingen intensieve verzorging.

    Rekening houdend met het feit dat een afdeling intensieve verzorging als die van het Erasmusziekenhuis jaarlijks zowat 3 000 ziekenhuisopnamen telt en dat het sterftecijfer gemiddeld 15 % bedraagt, dus ongeveer 450 overlijdens, dan zijn daar jaarlijks 360 gevallen van vrijwillige levensbeŽindiging bij. In deze afdeling gebeurt het dus meer dan een keer per dag dat de arts over het juiste ogenblik van overlijden moet beslissen (13).

    Zelfs in de engste betekenis van het woord, tenminste in zijn gebruikelijke betekenis (14), kan het aantal euthanasieŽn in de huidige stand van de beschikbare gegevens redelijkerwijs geraamd worden op 3 tot 4 % van de overlijdens in ons land.

    Uit een recent grootschalig onderzoek in Vlaanderen van Deliens en anderen blijkt dat ongeveer 4,4 % van alle sterfgevallen, dus ongeveer 2 480 gevallen (hetgeen overeenstemt met ongeveer 5 000 gevallen voor heel BelgiŽ) het gevolg waren van het toedienen van dodelijke stoffen, waarvan 1,1 % bij euthanasie, 0,1 % bij hulp bij zelfdoding en 3,2 % bij levensbeŽindiging zonder verzoek van de patiŽnt (15).

    Toch moet men weten waarover men praat : in geval van actieve euthanasie wordt de dood in 24 % van de gevallen met enkele uren (minder dan een dag) bespoedigd, in 80 % van de gevallen met enkele dagen (minder dan een week) (16).

    Euthanasie wordt overigens met of zonder de instemming van de patiŽnt uitgevoerd (17), of hij bij bewustzijn is of niet, of hij handelingsbekwaam is of niet.

    In verband met euthanasie vermelden we de volgende beschouwing van professor Englert : ę In tegenstelling tot wat men zegt, denk ik dat ze [de niet-gevraagde levensbeŽindigingen] niet noodzakelijk onwettig zijn. (...) Ik denk [echter] dat deze situaties niet het voorwerp van een legitimatie kunnen uitmaken. Ze kunnen enkel geval na geval in zeer specifieke omstandigheden door een noodtoestand gemotiveerd worden. (...) Men moet proberen de minst verschrikkelijke wijze te vinden om een bestaan te beŽindigen dat hoe dan ook ongeneeslijk is Ľ (blz. 36).

    2) Het probleem van de euthanasie is zo oud als de dood, aldus dokter Englert : ę Als er in de eed van Hippocrates wordt gezegd dat de arts geen vergiftigde planten aan zijn patiŽnt mag geven, is het omdat euthanasie reeds in de oudheid werd toegepast en dat de zieken zich tot de artsen wendden om door hen te worden geholpen Ľ (blz. 31). Dokter Hache heeft ons verteld dat het begrip in 1605 door Francis Bacon (ę The advancement of learning Ľ) werd ingevoerd, evenwel in een andere betekenis, waardoor Bacon beschouwd kan worden als een voorloper in de palliatieve verzorging (18). Professor Baum verwees naar de aanmaning die Kafka, ondermijnd door de ziekte, tot zijn arts richtte : ę Dood me, anders bent u een moordenaar Ľ (blz. 152). Professor Messine anderzijds haalde enkele mooie bladzijden aan uit de Franse vooroorlogse literatuur, namelijk uit ę Les Thibault Ľ (blz. 210).

    Maar dertig jaar geleden nog diende het vraagstuk dat deze praktijken doet ontstaan, zich niet op dezelfde manier aan.

    De houding tegenover pijn was heel anders : ę In 1805 werd morfine uit opium geÔsoleerd. In 1985 werd gestart met palliatieve zorg. In de industrielanden hebben personen gedurende ten minste 150 jaar afschuwelijk geleden, alhoewel dit lijden in zeer grote mate had kunnen worden voorkomen door een zeer verregaand gebruik van morfine Ľ (19). En over de dood werd niet gediscussieerd.

    Het vraagstuk van de euthanasie is pas vanaf de jaren '60 opgekomen, met de ontwikkeling van de kunstmatige beademing, waardoor onomkeerbare hersendode patiŽnten onbepaald lang in leven kunnen worden gehouden.

    ę Na de totaal hersendode patiŽnten kreeg men te maken met patiŽnten die zich in een onomkeerbare permanente vegetatieve staat bevinden, waarvan de hersenen slechts gedeeltelijk vernietigd zijn en die hun ademfunctie behouden hebben. Hun voortbestaan is afhankelijk van voeding met een maagsonde. Aangezien deze patiŽnten spontaan ademen, was het moeilijk ze dood te verklaren. Men was dus in principe gedoemd ze gedurende jaren te voeden en in leven te houden, ondanks de geleidelijke achteruitgang van hun fysieke toestand. Dat was het geval, en nu nog steeds, met vele patiŽnten. Het verzoek om toestemming voor de stopzetting van de voeding om de dood mogelijk te maken, werd herhaaldelijk bepleit bij de hoogste gerechtelijke instanties, in Groot-BrittanniŽ en in de Verenigde Staten, op verzoek van de families die een marteling ondergingen. Soms werd de toestemming gegeven en soms geweigerd, met verschillende motiveringen Ľ (20).

    ę Bij patiŽnten die bij bewustzijn zijn, is geleidelijk de regel toegepast dat men het lijden van de patiŽnt niet langer aanziet. Zo heeft de gedachte ingang gevonden dat massale doses van pijnstillers en verdovende middelen in het gevorderde stadium van bepaalde kankers gebruikt worden om bijzonder zware pijnen te bestrijden, zelfs als dit de verkorting van het leven tot gevolg kan hebben Ľ (21).

    3) De meeste beslissingen over levensbeŽindiging houden tegenwoordig verband met het niet-verrichten of het stopzetten van therapieŽn, wat al dan niet gepaard gaat met het toedienen van pijnstillers die een verschillende uitwerking en kracht hebben. Professor Schotsmans heeft een overzicht gegeven van de wijze hoe deze handelingen beoordeeld werden, in het buitenland, sinds wat er gebeurd is met Karen Ann Quinlan, of in BelgiŽ, zoals aan de Universiteit van Leuven, zonder de leerstellingen van de encyclieken te vergeten (blz. 109 tot 111).

    In de meeste gevallen verloopt de begeleiding van het levenseinde, al is het niet zonder moeilijkheden, dan toch wel zonder zware problemen.

    De artsen en het verplegingsteam hebben niet het gevoel dat ze doden maar wel dat ze hun patiŽnten helpen te sterven. ę Vrijwillige euthanasie is geen keuze van de dood tegen het leven, het is een keuze tussen twee wijzen van sterven Ľ, schrijft Jacques Pohier in zijn boek ę La mort opportune Ľ. Het is het leven dat zijn oordeel velt over de patiŽnt en de arts doet niets anders dan hem daarin bijstaan.ę Het is de ziekte die de stervende met zich meeneemt. Ik heb niemand gedood maar ik heb vele patiŽnten helpen sterven Ľ, vertelt ons professor Vincent (22). In dezelfde zin meent professor Schotsmans : ę Het beslissen om iemand in een terminale fase waardig te laten sterven, is radicaal verschillend van het doden Ľ (blz. 112).

    De beslissingen worden genomen op basis van een aantal deontologische principes (principe van weldadigheid, principe van niet-kwaadwilligheid), van de wil van de patiŽnt en van overwegingen van verdelende rechtvaardigheid (men moet soms beslissen wie over een bed mag beschikken of wie een transplantatie mag ondergaan).

    In bijna alle gevallen worden deze beslissingen, hoe pijnlijk ook, op een adequate manier genomen, in overleg met het verplegend team, dat hiervoor geraadpleegd wordt net zoals voor alle andere beslissingen op het vlak van de behandeling.

    4) Actieve euthanasie echter gebeurt zeer vaak tersluiks, uit vrees voor vervolging.

    Deze situatie leidt ertoe dat de noodzakelijke vertrouwensrelatie tussen patiŽnt, familie, artsen en verplegende teams in het gedrang komt. Het weegt ę op de relaties tussen de arts en de zieke bij het levenseinde Ľ (23).

    Zo wordt de wil van de patiŽnt dikwijls miskend of verkeerd begrepen. De meningen van zijn naasten worden genegeerd. Het verplegend team wordt niet geraadpleegd. Beslissingen worden niet met de nodige kennis van zaken genomen, en zijn dus niet altijd terecht. Dit alles kan spanningen veroorzaken in het ziekenhuis, en schuldgevoelens opwekken bij familieleden die zichzelf verwijten de dood mee te hebben veroorzaakt of de uiterste wilsbeschikking van de patiŽnt niet te hebben nageleefd (24).

    In dergelijke omstandigheden slaat de dood al te vaak in alle stilte toe. De ę waardige dood Ľ waartoe euthanasie zou moeten bijdragen komt erdoor in het gedrang.

    Bovendien zou een open dialoog er waarschijnlijk toe bijdragen dat euthanasie minder toegepast wordt.

    Dokter Ingels, van de Katholieke Universiteit van Nijmegen, heeft dit kunnen vaststellen : ę De vraag naar euthanasie neemt af omdat men weet dat een arts daartoe bereid zal zijn als het moment daarvoor gekomen is. Deze bespreekbaarheid heeft het voordeel dat artsen in hun dossiers kunnen bijhouden wat hun patiŽnten willen Ľ (blz. 64). Dokter Distelmans van de VUB maakte een soortgelijke uitspraak toen hij een geval aanhaalde dat hij zelf meegemaakt had : ę Het feit dat euthanasie bespreekbaar was, was voor haar al voldoende. Zij verzekerde ons dat zij uitgebreid ingelicht was, dat ze zich goed voelde en dat ze op die manier gerust nog verder wilde leven. Daarmee wens ik aan te tonen dat het openbaar bespreken van deze materie paradoxaal genoeg levensverlengend kan zijn Ľ. (blz. 73). En mevrouw Aubry verklaarde het volgende, dat ze later zou nuanceren (zie verderop) : ę Een ander argument bij het huidige wetsvoorstel is dat een wettelijke regeling de bespreekbaarheid van de euthanasie zal bevorderen, wat de gemoedsrust van de patiŽnt ten goede komt, en dat dit de uiteindelijke vraag niet zal aanwakkeren, maar zelfs overbodig maken. Ik geloof daar in. Bij een ongeneeslijk zieke patiŽnt heeft de garantie van hulp en ondersteuning, in welke vorm dan ook, op zich al een helend effect. Het stelt hem gerust Ľ (blz. 366).

    5) Volgens de wet is actieve euthanasie een misdrijf dat gestraft kan worden op basis van de artikelen 393 tot 397 van het Strafwetboek, maar zij kan wel gerechtvaardigd worden door de bepalingen van artikel 71 van hetzelfde wetboek betreffende de rechtvaardigings- en verschoningsgronden (gevallen van overmacht en/of noodtoestand). Hierbij moet onderstreept worden ≠ want dit wordt blijkbaar over het hoofd gezien door degenen die de wijsheid van het gerecht in twijfel trekken ≠ dat vervolgingen uitzonderlijk zijn. De heer Messine merkte op (blz. 4) dat in heel BelgiŽ ę sinds veertig jaar geen enkele veroordeling meer uitgesproken is voor euthanasie en dat met uitzondering van de schamele twee gevallen die het gerecht aan het onderzoeken is, de vervolgingen in dezelfde periode uiterst zeldzaam geweest zijn Ľ (25). In Nederland, waar de praktijk net zoals in ons land een toestand van overmacht vereist, en bovendien verbonden is aan een systeem van wilsverklaring, werd geen enkele veroordeling uitgesproken, zelfs niet in een honderdtal gevallen waarin de richtlijnen niet strikt gevolgd werden.

    Dokter Ingels verklaarde : ę Voor het jaar 1991, is in 120 op de 2 300 gevallen van euthanasie tot vervolging overgegaan. In die 120 gevallen ging het telkens om het niet voldoen aan zorgvuldigheidsvereisten. Het is nooit tot een veroordeling gekomen. Men is steeds tot het inzicht gekomen dat het blijkbaar op een of andere manier verantwoord was Ľ (blz. 61).

    Natuurlijk is een maximale rechtszekerheid hier vereist, maar men mag toch niet te vlug besluiten dat de magistraten in deze materie onvoorzichtig of overdreven handelen. Zoals verschillende juristen opmerkten, hebben zij zeer omzichtig en met de nodige terughoudendheid gehandeld.

    Dit neemt niet weg dat de omstandigheden waarin euthanasie toegepast kan worden, vaag blijven.

    In ťťn woord, de wet is niet duidelijk genoeg, heeft de laatste ontwikkelingen in de geneeskunde niet opgenomen en biedt dus geen rechtszekerheid voor een deugdelijke ethiek van het levenseinde. Euthanasiezaken kunnen aanleiding geven tot ongelijke uitspraken naargelang de rechtsmacht en de procedure. Het is niet denkbeeldig dat met de aandacht die tegenwoordig ten gevolge van het debat aan deze kwestie besteed wordt, sommige meer extreme of emotionele mensen geneigd zouden zijn tot daden over te gaan.

    Er bestaat dus een ę grijze zone Ľ die zoveel mogelijk opgehelderd moet worden.

    Opening van het debat : vrijheid van meningsuiting, maar ook vrees

    6) Vandaar de verschillende wetsontwerpen die bij de Senaat ingediend werden.

    Wat ook de meningen over deze voorstellen mogen zijn, iedereen is het erover eens dat de initiatiefnemers een belangrijke rol gespeeld hebben, net zoals degenen die ertoe bijgedragen hebben dat de hoorzittingen, die van het grootste belang geweest zijn, konden plaatsvinden.

    Het debat over de ethiek van het levenseinde is lange tijd taboe geweest maar wordt nu eindelijk geopend. De noodzaak van aangepaste palliatieve zorg wordt in het licht gesteld.

    Men kan zich verheugen op de duidelijke belangstelling van toekomstige artsen voor deze kwestie : ę Enkele jaren geleden, toen ik aan mijn studenten van de cursus deontologie vroeg om een persoonlijk eindwerk over een ethisch onderwerp te maken, hebben 78 % onder hen de problematiek van de benadering van het levenseinde gekozen Ľ, verklaart dokter Englert (blz. 31).

    Zeer vele sprekers (zoniet allemaal) hebben aangegeven dat de opening van dit debat een beslissende wending in de ontwikkeling van onze maatschappij betekent en dat het reeds geleid heeft tot een zeer positieve vrijheid van meningsuiting.

    ę De problematiek van euthanasie is enkel een klein deel van een veel ruimere problematiek waarin we ons hebben geŽngageerd en die naar mijn mening zeer gunstig is : we gaan ons opnieuw bezighouden met de dood nadat men tijdens een dertigtal jaren heeft gemeend dat de geneeskunde alles kon oplossen. Men kon niet meer sterven. Het was dus niet nodig zich met dit alles bezig te houden; het was alleen een kwestie van tijd. Met de ontwikkeling van de technieken kon men alles oplossen. Vandaag neemt de dood een sociale plaats in (...). Dit debat over euthanasie maakt deel uit van deze evolutie Ľ (26).

    7) Deze voorstellen brengen echter enkele problemen met zich mee.

    In de eerste plaats verwekken zij onrust, zelfs bij geneesheren (27), en worden zij verkeerd begrepen.

    Sommige mensen zijn ervan overtuigd dat euthanasie reeds gelegaliseerd is. ę De mensen hebben nu de indruk dat euthanasie mag. Ze begrijpen soms niet dat er nog maar sprake is van een wetsvoorstel Ľ, getuigde mevrouw Bouckenaere (blz. 50).

    In alle voorstellen is euthanasie ondergeschikt aan de herhaalde en aandringende vraag van de patiŽnt en aan andere zeer strikte inhouds- en vormvereisten, om misbruik te voorkomen. Desondanks vrezen families dat men euthanasie toepast op hun verwanten (28) en patiŽnten lijken te vrezen het slachtoffer te worden van een beŽindiging van het levenseinde zonder hun toestemming. Sommige oudere mensen, die nochtans kerngezond zijn, vragen aan hun kinderen : ę Zo, je zal ons de dood kunnen injagen ? Ľ

    Het toepassen van euthanasie, verklaart de heer Schoonvaere, houdt het risico in dat men het vertrouwen tussen de arts en de patiŽnt ernstig schaadt en dat men de patiŽnt zwaar verontrust : ę Als ik nu het bewustzijn verlies of beschouwd wordt als een last, kan de arts mijn dood versnellen zonder mij te zeggen wat hij eigenlijk aan het doen is, zonder mijn mening te vragen ... ? Ľ (blz. 268).

    Men vreest voor de druk van sommige families, die het vertrek van hun naasten zouden willen bespoedigen in plaats van hun fysieke aftakeling te moeten meemaken, wat in de eerste plaats de kwetsbaarste mensen zou treffen : de oudsten en de eenzaamsten.

    Zo heeft mevrouw Aubry, nadat zij de positieve aspecten van een wettelijke regeling had benadrukt (zie supra), daaraan toegevoegd : ę Maar ik geloof ook dat een wettelijke regeling het omgekeerde effect kan hebben, meer bepaald bij ouderen en gehandicapten. Het feit dat men euthanasie mag vragen, verplicht iedereen deze mogelijkheid te overwegen. Ik geloof niet in een ultieme vrijheid van keuze, want we worden steeds beÔnvloed door talrijke factoren, door de personen rondom ons, door de media Ľ (blz. 366). Mevrouw Roelandt is het daar niet mee eens : ę Ik heb ... niet de indruk dat het bestaan van een wettelijk kader voor euthanaserend handelen, noodzakelijkerwijze gepaard gaat met een morele druk van de maatschappij op het individu om zijn leven toch maar te beŽindigen... Dat bestaat nu ook... Ik denk niet dat het een groot verschil zal uitmaken Ľ (blz. 315).

    Professor Vermeersch meent hierover : ę Ik erken dat er argumenten zijn die tegen euthanasie en levensbeŽindiging pleiten, maar er is er slechts ťťn dat ik overtuigend vind, namelijk de vrees dat de wijze waarop dit probleem maatschappelijk geregeld wordt tot misbruiken zou kunnen leiden, meer bepaald dat de bescherming van het leven van de burgers, waartoe elke maatschappij verplicht is, in het gedrang zou kunnen komen Ľ (blz. 3).

    Dokter Vandeville van zijn kant vreest dat de legitimering van euthanasie ertoe kan leiden dat men de patiŽnt in de terminale fase naast de palliatieve zorg ook meteen euthanasie als alternatief zal voorstellen (blz. 293).

    Er wordt ook gevreesd dat euthanasie om economische redenen zou worden toegepast : ę ņ une ťpoque oý il nous est rťpťtť chaque jour que la santť coŻte trop cher ≠ les ťconomistes nous le disent, les dťpenses de santť sont les plus ťlevťes dans les derniers mois de la vie. Supprimons ces derniers mois, les ťconomies seront ťnormes ! Ľ aldus professor Bernard Debrť (29).

    ę Een andere vraag is in welke mate de vrijwilligheid van de patiŽnt in het gedrang zal worden gebracht door de druk van naastbestaanden of anderen, verklaart dokter Hache. We kennen veel situaties, zowel in klinieken als bij zieken thuis, waarin deze mensen druk uitoefenen en vragen `dat er maar snel een einde aan komt'. Het komt er altijd op neer dat de verzorging veel kost ... Hier loert toch een reŽel gevaar van sociale of economische euthanasie Ľ (blz. 85).

    Professor Baum bevestigt dat : ę ... economische uitwassen zijn geen loutere illusie, maar een reŽle bedreiging voor de meeste bejaarde patiŽnten Ľ (blz. 143).

    Mevrouw Kempeneers van haar kant verklaart : ę U moet onze bezorgdheid begrijpen. Wij leven in een maatschappij die prestaties belangrijk vindt, een maatschappij die personen die niet produceren, verwerpt of ze in ieder geval geen belangrijke plaats toekent Ľ (blz. 227).

    Er moet dus grote zorg worden besteed aan de uitwerking van een regelgeving en aan het pedagogische aspect van de formulering ervan.

    Dubbelzinnige concepten

    Het concept euthanasie

    8) Een ander probleem is dat vele gebruikte termen dubbelzinnig zijn. Dat geldt eerst en vooral voor het concept euthanasie zelf.

    Mevrouw de T' Serclaes heeft erop gewezen dat men in het debat over euthanasie alle mogelijke delicate medische handelingen rond het levenseinde betrekt (blz. 18). Dr. Philippart komt tot een soortgelijke vaststelling : ę Het woord euthanasie dekt vele werkelijkheden, zelfs in medische kringen. Het stopzetten van de behandeling wordt vaak euthanasie genoemd. (...) Men zou immers willen dat ťťn welbepaald woord verschillende werkelijkheden dekt Ľ (blz. 95). Dokter Diricq bevestigt dat rond de termen ę actieve euthanasie Ľ, ę passieve euthanasie Ľ, ę hulp bij zelfdoding Ľ, ę hardnekkig voortzetten van een uitzichtloze behandeling Ľ de grootste verwarring blijft bestaan (blz. 340). Professor Baum beweert dat zij negen definities van euthanasie kent (blz. 154).

    Professor Vermeersch, nochtans een fervent voorstander van de door het Raadgevend Comitť voor bio-ethiek voorgestelde definitie, verklaarde : ę Wat mij betreft is het concept euthanasie hetzelfde als de term mercy death in het Engels en die is helemaal duidelijk Ľ (blz. 17) !

    Ook dokter Cosyns, die in dat verband het adagium van Talleyrand citeerde, ę l'homme a inventť la parole pour cacher ses idťes Ľ, verwierp de definitie van het Raadgevend Comitť voor bio-ethiek en stelde voor om de term euthanasie niet meer te gebruiken.

    ę Het begrip euthanasie wordt op veel verschillende manieren gedefinieerd. Ik heb getracht de opvatting van de patiŽnten met betrekking tot dit begrip samen te vatten. Een mogelijke definitie zou kunnen zijn : goed, mild en waardig sterven zoals hij of zij het wenst of zoals men denkt dat het goed is voor haar of hem ťn voor degenen die achterblijven. Deze definitie kan eventueel ook van toepassing zijn op de categorie van de wilsonbekwamen. Ik weet dat men hier een andere definitie gebruikt, namelijk `levensbeŽindigend handelen op verzoek'. In de media constateer ik een enorme verwarring rond dit begrip, ondanks de pogingen ťťn enkele definitie te gebruiken. Er worden voortdurend nieuwe adjectieven aan de definitie toegevoegd : actief en passief, vrijwillige, economische, omgekeerde en wilde euthanasie. Professor Nys had het onlangs ook over de therapeutische euthanasie. Het loont de moeite ons te bezinnen over dit fenomeen. Ik zou eerder voorstellen deze term niet meer te gebruiken. Het begrip euthocie inzake geboorte is eveneens in onbruik geraakt omdat er zeer veel verschillende manieren zijn om rond de geboorte te werken. Waarom zou dit dan niet kunnen voor het begrip `sterven' ? Ľ (blz. 324).

    Spreker deelt deze bedenkingen bij de definitie van het Raadgevend Comitť voor bio-ethiek. Zoals professor Dalcq heeft opgemerkt, wijkt die af van de gebruikelijke betekenis die aan de term wordt gegeven doordat zij een intentie vertolkt en het debat in een bepaalde richting stuurt : ę In werkelijkheid gaat het niet om een eenvoudige, algemene definitie die uitgaat van een vaststelling. Zij impliceert immers reeds een voorwaarde opdat de opzettelijke levensbeŽindiging niet kan worden bestraft Ľ (blz. 239). In navolging van de Nederlandse definitie scheert ook deze definitie de actieve euthanasie in de terminale fase en de hulp of medewerking bij zelfdoding buiten de terminale fase over ťťn kam. Dat bevordert de duidelijkheid van de debatten geenszins.

    In haar boek ę Nous ne nous sommes pas dit au revoir Ľ, schrijft Marie de Hennezel : ę Le concept mÍme d'euthanasie est plein de piŤges. Quand on ťvoque ce mot, on ne parle pas toujours, ni tous, de la mÍme chose Ľ. Zij verklaart dat het woord, etymologisch gezien, ę zachte dood zonder lijden Ľ betekent : ę Jusqu'ŗ la fin du XIXe siŤcle, l'euthanasie garde le sens que lui a donnť l'inventeur du mot, Francis Bacon, homme d'…tat et philosophe anglais ... On parle alors de ę science de l'euthanasie Ľ et les moyens employťs sont simples comme l'atteste un texte de 1826 que j'ai dťcouvert gr‚ce ŗ Patrick Verspieren (Face ŗ celui qui meurt, 1984) : ę aťration de la chambre, attention portťe ŗ la position du malade dans son lit, prťsence des proches, abstention de tout recours inutile ŗ la chirurgie et traitements symptomatiques et palliatifs Ľ. On veille le mourant et on se rťconforte mutuellement, soutenus par le mťdecin et le prÍtre. Le mot euthanasie recouvre alors ce que nous entendons aujourd'hui par soins palliatifs. Mais le sens actuel du mot a changť. Il ne dťsigne plus les qualitťs de la mort (douce, belle, bonne) mais l'acte qui consiste ŗ mettre fin dťlibťrťment et rapidement ŗ la vie d'une personne atteinte d'une maladie incurable et ťvolutive ... Cette confusion existe toujours dans l'esprit du grand public. Elle se complique par l'arrivťe d'une troisiŤme dťfinition : la dťcision de s'abstenir de prolonger la vie d'un malade incurable quand les moyens employťs sont sources de souffrance ou d'inconfort Ľ.

    ę Wat, zo vraagt mevrouw de Hennezel zich af, betekent ę euthanasie Ľ vandaag concreet ? De kunst om het lijden van de stervende te verlichten, de beslissing om nutteloze en futiele behandelingen stop te zetten, of het opzettelijk beŽindigen van een leven om een einde te maken aan het lijden ? Ľ (blz. 29 en 30).

    Wellicht om dezelfde redenen, heeft professor Vincent ≠ net als dokter Cosijns overigens ≠ het woord ę euthanasie Ľ geen enkele keer gebruikt in zijn uiteenzetting, waarin hij zijn eigen handelwijze op dat vlak heeft toegelicht en verklaarde dat het er voor hem om gaat de zieke de verzorging te geven die hij verdient.

    Waardige dood

    9) Centraal in deze materie staat het concept waardige dood Ľ, dat onze medeburgers steeds meer bezighoudt : ę Er bestaat een toenemende angst van de burgers over de menswaardigheid van hun sterven Ľ, verklaarde dokter Mullie (blz. 441).

    Euthanasie, in de ruime zin van het woord, betekent dus in de eerste plaats ervoor zorgen dat de patiŽnt waardig kan sterven in de wetenschap dat hij continue verzorging zal krijgen. Dokter Cosyns zegt daarover : ę Stervenszorg en stervensbegeleiding zie ik als de laatste episode van een continuum van medische zorgbehandeling. Ľ (blz. 326).

    Mevrouw Chris Aubry beschrijft haar idee van een waardige dood in de volgende, opmerkelijke termen :

    ę Mijn idee van menswaardig sterven wil ik met u delen. Ik wil vooral omringd zijn door mensen die mij dierbaar zijn en die ondanks alles de moed zullen hebben om mij terzijde te staan tot aan de grens. Ik hoop ook niet te veel te moeten lijden. Maar het is voor mij op dit ogenblik zeer moeilijk te voorspellen wat te veel lijden inhoudt op dat moment. In alle gevallen heb ik ervaren dat mensen hun grenzen heel ver verleggen op het ultieme ogenblik. Ik stond vaak versteld van hun kracht en levenswil. Terwijl de hulpverleners dachten dat de toestand niet meer menswaardig was, wenste de persoon in kwestie toch door te gaan. Ik ben wel zeker dat ik dat ultieme moment niet alleen zal kunnen doormaken. Ik zal zeker de steun van moedige en ervaren deskundige hulpverleners nodig hebben. Wat vereist is om die bijstand te krijgen, is al herhaaldelijk verteld. Adequate zorg bij het levenseinde houdt heel wat meer in dan een goede pijn- en symptoomcontrole. De palliatieve zorg spreekt niet voor niets over totale pijn en totale zorg. Ľ (blz. 360).

    In dezelfde zin, verklaarde dokter Mullie wat hij verstaat onder een ę mooie dood Ľ : `De goede dood', niet de zachte-pijnloze dood, maar de levende liefdevolle dood, waarin het `niemand leeft voor zichzelf, niemand sterft voor zichzelf' voelbaar is ... Wij moeten het uitzichtloos lijden van stervenden niet al te verregaand regelend oplossen, de wintermaanden niet bestrijden of zelfs afschaffen, maar wel regelend de menselijke warmte maximaal zijn pijnstillend effect laten hebben. Ľ (blz. 442).

    Handelingen rond het levenseinde

    10) Wat houden de handelingen rond het levenseinde in de praktijk in ? In dat verband laten de hoorzittingen spreker een beetje op zijn honger, omdat ze geen duidelijkheid verschaffen over de typologie van deze handelingen. ę Wij beschikken over bitter weinig informatie om ons een duidelijk beeld te kunnen vormen van het echte euthanaserend handelen Ľ, verklaarde mevrouw Roelandt, blijkbaar terecht (blz. 299).

    Dokter Ingels heeft zich de moeite getroost om de handelingen bij het levenseinde in drie categorieŽn onder te brengen, waarin hij een onderscheid maakt op basis van de bedoeling achter deze beslissingen. Hij geeft wel toe dat die niet altijd duidelijk is vast te stellen en dat er dus ę nuances Ľ blijven bestaan in een ę grijs gebied Ľ (blz. 53) :

    ę Artsen kunnen iets doen met het uitdrukkelijke doel het levenseinde te bespoedigen. Ze kunnen ook bijvoorbeeld pijnstillende middelen of morfine voorschrijven die het lijden verzachten, maar die ook het levenseinde bespoedigen. Dat laatste kan ook het doel zijn. Het gaat hier dus om een enorm grijs gebied, omdat men nooit zeker is van de intentie van de arts. Tot slot is het ook mogelijk dat pijnstillende middelen worden toegediend, niet met het doel het levenseinde te bespoedigen, maar men weet dat het kan gebeuren. Ľ

    ę Er zijn dus drie nuances te onderscheiden ... Een medische beslissing kan zijn dat men de behandeling niet instelt of staakt. Het kan uitzonderlijk, niet of mede de intentie zijn het levenseinde te bespoedigen. Pijn- en symptoombestrijding is een tweede vorm van medische beslissing rond het levenseinde. De pijnbestrijding kan met of zonder intentie tot levensbeŽindigend handelen worden opgedreven. Een derde medische beslissing rond het levenseinde is het voorschrijven, verstrekken of toedienen van middelen met het uitdrukkelijk doel het levenseinde van de patiŽnt te bespoedigen. De ethische discussie spitst zich toe op het laatste onderwerp omdat het niet opstarten van een behandeling en het intensieveren van pijn- en symptoombestrijding eigenlijk tot het verantwoorde medische handelen behoort en ik durf er bijna mijn hand voor in het vuur steken dat er in de moderne Westerse medische wereld eigenlijk geen artsen meer zijn die kost wat kost echt hardnekkig therapeutisch willen handelen. Dat wordt trouwens ook door de code van geneeskundige plichtenleer niet meer toelaatbaar geacht. Het probleem is het voorschrijven, verstrekken of toedienen van middelen. Ľ

    Vandaar dat men moeilijk een onderscheid kan maken tussen gecontroleerde verdoving en euthanasie. Mevrouw de T' Serclaes heeft dit probleem in een vraag aan dokter Bouckenaere als volgt samengevat : ę Het is moeilijk om een onderscheid te maken tussen gecontroleerde sedatie en euthanasie Ľ (blz. 39). Dokter Distelmans heeft in dat verband gezegd : ę Dat noemt men de schemerzone. Men kent de oorspronkelijke intentie van de arts niet ... Artsen doen wat ze willen, ze kunnen het altijd in een ander vakje schuiven en zelfs bijvoorbeeld zichzelf wijsmaken dat ze aan ultieme pijnstilling hebben gedaan terwijl ze eigenlijk een levensbeŽindiging zonder verzoek deden. Ľ (blz. 71).

    Gecontroleerde sedatie

    11) Wij staan even stil bij gecontroleerde sedatie en bij de kenmerken die gecontroleerde sedatie volgens sommigen onderscheiden van euthanasie.

    Dokter Mullie heeft het procťdť als volgt uitgelegd :

    ę Gecontroleerde sedatie is een techniek van verdoving waarbij slaap (tot en met continue intraveneuze barbituraat-toediening) toegevoegd wordt. Dit ę diep verdoven Ľ en, zeker in eerste instantie, ę de dood afwachten Ľ is een kunst (cf. narcose bij chirurgie) waarbij niet een onmiddellijk dodelijk inslapen beoogd wordt, maar wel slaap ≠ rust ≠ samen een tijdlang herademend om de terug draaglijk geworden uitzichtloosheid. Gecontroleerde sedatie is, in die zin, echt in de lijn van, in de sfeer van palliatieve zorg, zorgend afwachten ... Ľ (blz. 445).

    ę Gecontroleerde sedatie wordt in ons Netwerk PZ Noord West-Vlaanderen (ervaring met ongeveer 1 000 sterfgevallen per jaar) toegepast bij ongeveer 1 % van onze stervenden. ... Ook in de gecontroleerde sedatie breekt soms de vraag voor euthanasie door, vooral als het hem niet juist gaat om een extreme vorm van symptoomcontrole, maar om een terugkomende echte euthanasievraag ... Binnen onze PZ werking in Noord West-Vlaanderen wordt dan (heel uitzonderlijk) de sedatie belangrijk verhoogd, wat volgens de definitie van het wetsvoorstel als euthanasie kan genoemd worden. Wij zijn geen organisatie die primair euthanasie uitvoert ..., maar van binnen onze zorg willen we geen gruwel rond sterven toelaten en geen mensen in de steek laten. Ľ (blz. 446).

    ę Bij de gecontroleerde sedatie wordt altijd met een lichte sedatie begonnen. Hierbij wordt de patiŽnt ervan verwittigd dat de lichte sedatie hem eerst rust zal geven in een situatie die ondraaglijk is geworden, maar dat hij nadien opnieuw zal ontwaken. Pas nadien krijgt hij de diepere sedatie. Ľ (blz. 451).

    ę De sedatie geeft een gevoel van rust. Indien er na de toestand van rust een gevoel van onwaardigheid optreedt, verdiepen wij de sedatie ... Op dat ogenblik leidt de sedatie tot euthanasie en wij voorkomen dat er gruwel ontstaat bij de patiŽnt, of de familie daarna. Ľ (blz. 452).

    ę Het is juist dat gecontroleerde sedatie soms ę slow euthanasia Ľ wordt genoemd. Dit wordt zo niet aangevoeld. Het wordt aangevoeld als rustgevend. Het gaat mij niet om woorden. Als de situatie bij gecontroleerde sedatie ondraaglijk wordt, verdoven wij dieper ... Wij geven wel intrinsiek de voorkeur aan de slow euthanasia. Dit is ingegeven vanuit de ervaring dat men achteraf verassende effecten kan hebben. Men kan een gerust gemoed hebben indien men voorzichtig is geweest. Ľ (blz. 452).

    De heer Schoonvaere geeft een andere definitie van gecontroleerde sedatie. Hij maakt een onderscheid tussen sedatie als psychologische begeleiding, onderbroken sedatie en ononderbroken sedatie (blz. 273) :

    ę Sedatie wordt voorgeschreven om hardnekkige pijn te bestrijden, om oncontroleerbare angst te bedwingen, of wanneer een patiŽnt het risico loopt een zeer pijnlijke dood te sterven, bijvoorbeeld door zware bloedingen. In het geval van keelkanker kan op een bepaald moment bijvoorbeeld de halsslagader scheuren en ziet de patiŽnt zichzelf doodgaan omdat het bloed uit zijn hals spuit, wat zeer beangstigend is ≠ als men het eenmaal heeft zien gebeuren, vergeet men het nooit meer ≠ of stikt hij in zijn eigen bloed. In dergelijke gevallen moet men meteen sedatie kunnen toepassen. In de diensten voor palliatieve zorg die deze technieken beheersen legt men dit risico aan de patiŽnt uit en zorgt men ervoor dat er een kistje met spoedhulpbenodigheden in zijn kamer ligt. Wanneer het gevreesde voorvalt, heeft men immers geen tijd om medicijnen of een spuitje te gaan halen en moet er binnen een minuut ingegrepen worden. Dit type sedatie is dus bestemd voor een extreme psychologische angst die men kalmeert. Ľ (blz. 273).

    ę De tweede vorm van sedatie is de intermittente sedatie of de sedatie met tussenpozen. Zoals ik al zei is sederen helemaal niet hetzelfde als een leven beŽindigen. Bij de intermittente sedatie stelt men de patiŽnt en zijn omgeving voor om sedatie toe te dienen op een goed bestudeerde manier, waarvoor duidelijke protocollen zijn opgesteld. Ľ

    ę Intermittente sedatie gaat in de mate van het mogelijke uit van het natuurlijke slaap- en waakritme van de patiŽnt. Dat kan een dag-en-nachtritme zijn, maar in de laatste levensfase heeft de patiŽnt vaak andere ritmes dan de meeste mensen. Men brengt de patiŽnt in slaap en wekt hem dan volgens zijn eigen ritme. Om hem te wekken volstaat het de sedatie stop te zetten. Gedurende de tussenperiodes waarin zij wakker zijn, vragen vele patiŽnten niets meer. De sedatie heeft hen ergens van bevrijd. Een kalmeermiddel heeft de patiŽnt tot rust gebracht. Ľ

    ę Er zijn ook sedaties die min of meer doorlopend zijn. Men brengt de patiŽnt dan in een lange slaap ... Het is belangrijk de patiŽnt en zijn omgeving te informeren en het contact met hen te verzorgen. Bij langdurige sedatie moet men de patiŽnt ook blijven verzorgen alsof hij nog volledig bij bewustzijn is. De volledige verzorging gaat gewoon door. Men laat de patiŽnt niet aan zijn lot over, zoals het 15 of 20 jaar geleden in Frankrijk gebeurde. Men noemde dat de ę cocktails de dťconnexion Ľ (uitschakelingscocktails). Sedatie is iets anders dan uitschakelen met de bedoeling gerust te zijn. Sedatie is een medische en humane aanpak. De twee gaan samen. Het gaat niet gewoon om medicatie die in de laatste levensmomenten wordt toegediend, het is iets veel nauwkeurigers. Ľ (blz. 274).

    12) Mevrouw Kempeneers heeft tijdens haar hoorzitting gesproken van ę indirecte euthanasie, waarbij de dosering van pijnstillers wordt verhoogd met als doel het lijden van de patiŽnt te verkorten in de wetenschap dat de dood op een bepaald moment zal intreden. Ľ (blz. 218).

    We kunnen ons inderdaad afvragen wat het verschil is tussen gecontroleerde sedatie in zijn uiterste vorm en euthanasie in de strikte zin van het woord.

    Voor sommigen heeft het verschil te maken met de duur of met de bedoeling of beleving van de arts.

    De heer Schoonvaere verwoordt het zo : ę Het toedienen van kalemeermiddelen (sedatie) is iets anders. (...) Het verschil tussen sedatie en euthanasie ligt in de eerste plaats bij de intentie van degene die de medicijnen voorschrijft. Ľ (blz. 273).

    Dokter Bouckenaere en dokter Menten volgen dezelfde redenering. De eerste stelt : ę Ik denk dat de bedoeling verschillend is. U moet begrijpen dat sommige artsen een verschil ervaren. De bedoeling is het de patiŽnt draaglijk te maken. Ľ (blz. 46). De tweede zegt : ę Er is bij gecontroleerde sedatie alleen maar de intentie om het lijden van de patiŽnt te verlichten, er is geen intentie om het leven te beŽindigen. Ľ (blz. 86)

    De heer Schoonvaere beschrijft euthanasie ook nog als ę dodelijke cocktails die snel aan de patiŽnt worden toegediend zonder dat hem zijn mening wordt gevraagd. Ľ (blz. 284). De heer Menten verwoordt het zo : ę De bedoeling van actieve euthanasie is mensen binnen een aantal minuten dood te krijgen. Bij actieve euthanasie worden mammoetdosissen gebruikt die we nooit in de gecontroleerde sedatie zouden gebruiken. Dat is het grote verschil. Ľ (blz. 108).

    Als dokter Cosyns zegt dat ę De keuze tussen een spuitje of een langzaam verlopend stervensproces, moet door de betrokkenen zelf worden gedaan. Ľ (blz. 323), is het verschil duidelijk : spuitje met een snelle uitwerking enerzijds, toediening van substanties die op langere termijn werken anderzijds.

    Voor andere deskundigen is er geen verschil tussen beide vormen van levensbeŽindiging. Zo noemt professor Baum het onderscheid ę hypocriet Ľ (blz. 152) en zegt dokter Van Camp dat ę de palliatieve zorg die een verkorting van het leven meebrengt ... (is) voor mij eveneens een vorm van euthanasie Ľ (blz. 428).

    Verscheidene collega's-senatoren delen dit standpunt :

    ≠ Mevrouw Vanlerberghe : ę Ik vind de gecontroleerde sedatie ... een onmenselijk trage euthanasie. Het doel is uiteindelijk hetzelfde, namelijk iemand laten sterven omdat hij dat zelf wil wanneer er geen medische alternatieven zijn. Ľ (blz. 133).

    ę De stekker uittrekken, vochttoediening stopzetten, een meer dan noodzakelijke dosis morfine toedienen is voor Professor Schotmans geen euthanasie, maar voor mij wel, zij het dat het om een andere gradatie gaat. Barbituraten toedienen is euthanasie. Men kan dat gecontroleerde sedatie noemen en dokter Moreels noemt dat `orthonasie', maar waarom noemt men dat eigenlijk ook niet euthanasie ? Voor mij als oud-student van de KUL, is dat wel euthanasie. Is het niet een beetje hypocriet het een andere naam te geven ? Maakt men zichzelf niet iets wijs ? Ľ (blz. 123 en 124).

    13) Net als dokter Cosyns vermijdt professor Vincent de term ę euthanasie Ľ. Hij heeft deze term tijdens zijn hoorzitting geen enkele keer gebruikt, iets wat niet onopgemerkt is voorbijgegaan (30).

    Hij beschrijft zijn methode als volgt : ę (...) hetgeen ons geregeld overkomt als we een behandeling stopzetten, een beademingsapparaat uitschakelen. De vraag is : hoe gaan we te werk ? We kunnen gewoon de stekker uit het stopcontact trekken met de bekende gevolgen : de patiŽnt kan niet meer uit zichzelf ademen in terminale gevallen waarbij de geneeskunde jammer genoeg geen oplossing meer kan bieden. Een andere optie is om het beademingsapparaat aan te laten maar de dosering tranquillizers, morfine, benzodiazepinen en barbituraten te verhogen, zodat deze persoon in vrede kan heengaan, zonder enige pijn. Sommigen zullen een wezenlijk onderscheid maken tussen deze twee opties : in het eerste geval wordt volgens hen de behandeling alleen stopgezet, hetgeen naar hun mening vanuit ethisch oogpunt is toegestaan, terwijl in het andere geval actief wordt ingegrepen door medicijnen in hogere doseringen toe te dienen. Er wordt dus gehandeld. Maar deze reactie is volstrekt hypocriet. Het komt hierop neer : jammer dat mensen aan het eind van hun leven nog even op hun tanden moeten bijten op het moment dat het beademingsapparaat wordt uitgeschakeld, maar er wordt in ieder geval niet actief ingegrepen. Maar een actieve ingreep is er juist op gericht, in overeenstemming met de ethische principes die ik heb opgesomd, om de betrokkene zo min mogelijk te laten lijden. Dit is precies wat er op dit moment gebeurt in veel ziekenhuizen. Ľ (blz. 235).

    Hij voegt eraan toe : ę Persoonlijk heb ik ooit iemand gedood. Het is nooit mijn bedoeling geweest om iemand te doden, maar ik heb wel verschillende mensen over de drempel geholpen en dat zou ik nog doen. Gelukkig maar, want anders zou ik mijn vak niet goed kunnen uitoefenen en zou ik het volgende niet meer kunnen doen : mensen helpen om te sterven zonder dat ik de bedoeling heb hen te doden. Het is de ziekte die zich meester maakt van de patiŽnt en ik help hem om te sterven in overeenstemming met de ethische principes die ik heb gedefinieerd, door te voorkomen dat hij lijdt en zijn toestand onnodig verslechtert. Ľ (blz. 237).

    De ę ontcijfering Ľ van het verzoek om euthanasie

    14) Tijdens de hoorzittingen werd ook veel aandacht besteed aan de wil van de patiŽnt en aan de noodzakelijke ę ontcijfering Ľ van zijn verzoeken.

    Dokter Bouckenaere legt uit dat ę men dikwijls (ziet) dat het verzoek dat de patiŽnt echt uitdrukt, een ander verzoek verbergt. (blz. 46). De heer Schoonvaere vertelt : een patiŽnte vraagt om euthanasie maar dringt er een paar uur later op aan dat men niet mag vergeten haar vitaminen in haar sinaasappelsap te doen. Ľ (blz. 266). Uit meerdere getuigenissen blijkt hetzelfde. Toch zijn er ook echter verzoeken (31).

    Getuigenissen :

    ≠ Dokter Vincent : ę De nadrukkelijke vraag van mensen om te sterven wordt in de huidige debatten vaak te eenvoudig voorgesteld. Men denkt dat we systematisch mensen moeten helpen die in de eindfase van hun ziekte vragen om te sterven. We zullen deze mensen uiteraard helpen, maar we kiezen daarbij niet per se voor een spuit met barbituraten. We moeten proberen de vraag te analyseren. In zeer veel gevallen hebben deze mensen pijn. Als er sprake is van een ernstig, ondraagbaar lijden, heeft een arts mijns inziens de plicht om meer tranquillizers toe te dienen. Ik zie niet in op wat voor manier een individu gebaat kan zijn bij pijn. Ik geloof dat zelfs de meest gelovige mensen vraagtekens plaatsen bij ideeŽn over ę gerechtvaardigd lijden Ľ. Er kan ook sprake zijn van een moreel lijden. Iemand vindt bijvoorbeeld dat hij zijn waardigheid verliest ten aanzien van zijn vrouw en kinderen. He is mogelijk dit lijden te verlichten door bepaalde factoren te verbeteren. Soms verdraagt de zieke de omgeving niet meer. Misschien bestaat de mogelijkheid om iets te doen, om hem in een andere kamer of op een andere afdeling te leggen. U zou verbaasd staan als u ziet welke oplossingen soms kunnen worden verzonnen, waarbij een combinatie van verschillende factoren belangrijk is, zoals het benaderen van de familie of het installeren van een televisie. Dit klinkt misschien belachelijk, maar niet alle kamers van het ziekenhuis of de intensive care hebben televisie, omdat men nooit heeft gedacht dat iemand hier iest aan zou kunnen hebben. Il wil niet al te zeer in detail treden, maar er zijn allerlei factoren waaraan kan worden gedacht. Er hoeft dus niet zonder meer naar medicijnen te worden gegrepen om iemand te laten inslapen. Ľ (blz. 241).

    Dokter Vincent benadrukt dat dit bijzonder belangrijk is voor mensen die niet in een terminale fase verkeren : ę Er schiet me ineens een voorbeeld te binnen van een quadriplegiepatiŽnt die geen zelfmoord kan plegen. Neemt u maar van me aan dat er weinig quadriplegiepatiŽnten zijn die daadwerkelijk willen dat er een eind aan hun leven wordt gemaakt. Het gaat vaak om ambivalente verzoeken. ę Wat doe ik hier, het heeft allemaal geen zin meer. Ľ Dit zijn altijd mensen die het op prijs stellen als u met de bewuste spuit komt aanzetten. Zelfs in dit geval moet zorgvuldig een benadering worden gekozen. Ľ (blz. 241).

    ≠ Dokter Bouckenaere : ę In onze praktijk is gebleken dat de vragen om euthanasie zeer ambivalent zijn. In zeer emotionele situaties is de communicatie vaak verward. Er is dan geen oveeenstemming tussen wat wordt uitgesproken, wat elkeen wil zeggen en wat elkeen kan horen. (...). In zeer veel gevallen is de autonomie van de patiŽnt sterk afgenomen. Hij is ontredderd, hij heeft zijn identiteit verloren, hij is afhankelijk van anderen. Hij is verdeeld tussen de zin om te leven en de zin om er een einde aan te maken en daardoor is zijn beslissingsvermogen afgenomen. Dan kunnen talrijke elementen spelen : wat de arts goed acht voor hem, hoe de gemeenschap met het probleem omgaat, de signalen van zijn naasten en zijn verzorgers (...). Vaak oefenen familieleden druk uit op de arts om het leven van de patiŽnt ≠ die niets gevraagd heeft ≠ te verkorten, omdat hij zijn waardigheid verliest. Ľ (blz. 30 en 31).

    ≠ Mevrouw Aubry : ę Euthanasie verlost niet alleen de patiŽnt, maar ook de mensen rond hem uit het lijden. Daarom moeten verpleegkundigen en artsen uiterst voorzichtig zijn wanneer ze mee moeten beslissen of euthanasie wel of niet verantwoord is bij de patiŽnten die ze zelf zorg verlenen Ľ (blz. 363).

    15) De interpretatie van het verzoek van een patiŽnt is uiterst delicaat omdat zij zo subjectief is.

    Mevrouw Lindekens wijst de heer Schoonvaere, die zich hierover erg ongenuanceerd uitspreekt, op het volgende : ę Als echter de patiŽnt, die toch al zwak is, merkt dat zijn vraag eigenlijk veroordeeld wordt en dat er weinig openheid bestaat om erop in te gaan, zou hij dan uiteindelijk zijn vraag niet kunnen opgeven, ook als zijn lijden verder duurt ? Ľ (blz. 274).

    De heer Mahoux reageert op wat mevrouw Diricq zegt : ę Ik vroeg me af welke van de gestelde vragen de goede is. De subjectiviteit van diegene aan wie de vraag wordt gesteld, kan doorslaggevend zijn, ook al tracht men te objectiveren, maar de objectivering kan ook een bepaalde richting uitgaan. Ľ Haar antwoord : ę Ik zal antwoorden met een andere vraag. Bestaat er maar ťťn goede vraag ? Wat een zieke op een bepaald ogenblik aan een verpleegster zegt, is even juist en waar als wat hij op een ander ogenblik aan een familielid of een arts vertelt. Dankzij de interdisciplinariteit kan men met al deze flarden van vragen rekening houden. (...) Mijn specifieke bijdrage is rekening te houden met de onbewuste dimensie van een vraag, of het verband te leggen met het verleden van de patiŽnt, of met de onderhuids levende spanningen binnen een equipe. Het is al gebeurd dat ik tijdens een wat heftige vergadering vroeg of men het wel over de patiŽnt had, of dat men wellicht een ander conflict aan het uitvechten was. Ľ (blz. 357).

    Mevrouw Aubry bevestigt deze subjectiviteit, die afhangt van de persoonlijke opvattingen van degene die het verzoek om euthanasie krijgt : ę Iemand die de visie deelt dat de grens van het leven mag worden overschreden zal die vraag misschien op een andere manier interpreteren dan de hulpverlener die vindt dat die grens niet mag worden overschreden. Zuster Leontien zegt dat op haar afdeling geen palliatieve zorg (lees : euthanasie) wordt verstrekt maar dat de patiŽnt wordt doorverwezen naar een collega en dat de vragen op haar afdeling dan ook wegebben. Ik denk dat de manier waarop de vraag wordt geÔnterpeteerd en behandeld, daar waarschijnlijk gedeeltelijk door wordt bepaald. Ľ En zij vat samen : ę Dat hangt, tenminste ten dele, af van de visie van de persoon die de aanvraag aanhoort. Ľ (blz. 376 en 377).

    Vandaar ook dat de heer Remans aan mevrouw Bouckenaere het volgende zegt over de uiteenlopende statistieken van ę echte Ľ verzoeken om euthanasie : ę Als statistieken over de verkoop van metalen deuren, gebaseerd zijn op de verkoopcijfers van schrijnwerkers, dan dreigen ze scheefgetrokken te zijn. Wie een specialist kiest, kiest ook voor een behandeling. Ľ (blz. 49).

    16) Meerdere sprekers menen dat echte verzoeken om euthanasie zelden voorkomen. Zowel dokter Clumecq als dokter Van Camp delen deze mening : ę De euthanasievragen zoals ze worden omschreven in het wetsvoorstel zijn marginaal en zeldzaam. Ze kunnen evenwel het enige alternatief vormen in de ę buitgengewone omstandigheden Ľ die zouden moeten worden geÔnventariseerd en gedefinieerd na een evaluatieperiode (...) Ľ (blz. 383). ę Wij hebben ... zeer zelden patiŽnten die een zuivere vorm van euthanasie vragen. Ľ (blz. 428).

    Volgens mevrouw Bouckenaere, blijkt ę Uit onze praktijk (...) dat, indien de continue zorg correct wordt aangepakt, er maar 1 % herhaalde en ondubbelzinnige (...) verzoeken om euthanasie blijven bestaan. Dit cijfer is een gemiddelde tussen het cijfer van 0,5 % in mijn praktijk en 2 % uit andere bronnen, maar met betrekking tot een andere patiŽntenpopulatie. Ľ (blz. 31). Ľ Ik heb het cijfer 0,5 % genoemd. Het cijfer 1 % is voor mij een gemiddelde ten opzichte van de 2 % die door een instelling als Bordet wordt vooropgesteld, een instelling die geconfronteerd wordt met een andere patiŽntenbevolking. Ľ blz. 37). Maar als reactie op een opmerking van de heer Remans geeft zij toe : ę Ik ben het met u eens dat de cijfers zeer uiteenlopend zijn naar gelang van de palliatieve zorgeenheid. Ľ (blz. 49).

    Alle sprekers, ook zij die erg terughoudend staan tegenover euthanasie, lijken te erkennen dat er echte verzoeken om euthanasie bestaan, ook al wordt de beste palliatieve zorg toegediend.

    Hulp bij zelfdoding

    17) Tijdens de hoorzittingen is ook het onderscheid tussen euthanasie en hulp bij zelfdoding ter sprake gekomen.

    Wij citeren hier alleen dokter Ingels : ę De Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter Bevordering van de Geneeskunst ziet ethisch geen verschil tussen euthanasie et het voorschrijven van middelen. Want als je een patiŽnt pilletjes voorschrijft en je blijft erbij zitten als hij ze opdrinkt, dan is dat voor mij hetzelfde dan als je die patiŽnt die zo ziek is, helpt bij het drinken. Je zou dan van hulp bij zelfdoding naar euthanasie stappen. Dat onderscheid is zo moeilijk te maken. Het zijn vooral patiŽnten die dat zelf willen omdat zij hun arts niet tot een dergelijke moreel zware handeling willen dwingen. Sommige patiŽnten willen dat graag in eigen handen houden.

    In de Verenigde Staten hebben ze daar veel ervaring mee. In Oregon bijvoorbeeld maakt een dokter met een bepaald infuussysteem dergelijke levensbeŽindigende handelingen mogelijk waarbij de patiŽnt dan zelf het kraantje moet open zetten. Ik gruwel daarvan. Ik vind dat geen geneeskunde. Ik voel me ook verantwoordelijk voor de patiŽnten die ik niet heb kunnen helpen, die ik vaak zwaar mutilerende ingrepen heb aangedaan en waarbij we het gevecht toch verloren hebben. De medische wereld heeft gefaald. Ik wil dan ook graag de verantwoordelijkheid opnemen om op de manier dat de patiŽnt het wil, het levenseinde te bespoedigen. Ľ (blz. 64).

    Terminale fase, ongeneeslijke ziekte, naderende dood

    18) De definitie van het begrip ę terminale fase Ľ is al even delicaat.

    Wat wordt er bedoeld met de terminale fase van het leven ? Voor sommigen gaat het om de laatste zes levensmaanden. Voor anderen kan het gaan om een erg korte periode, van acht tot twintig dagen voor de dood (32). In ieder geval kan de terminale fase dus pas na de dood bepaald worden, wat niet zo handig is om te dienen als leidraad. Er wordt ook wel gezegd dat het vrij absurd is om een tijdsgebonden criterium te willen vastleggen. ę Voor een persoon bij wie euthanasie werd uitgevoerd, zal de termijn waarna hij zou gestorven zijn indien deze daad niet werd uitgevoerd, nooit meer verifieerbaar zijn. Ľ (33)

    Verschillende verklaringen kunnen in dit verband herlezen worden om het debat te belichten.

    ≠ Professor Vermeersch : ę Volgens de gangbare medische inzichten zal de dood binnen de twintig dagen intreden. Ľ (blz. 6). ę Het begrip `terminaal' moet worden gedefinieerd. Dat is een kwestie van conventie. Dat kan 8, 9, 10, 11 of 12 dagen voor de dood willen zeggen. Bij wijze van voorbeeld heb ik een termijn van 20 dagen geciteerd ... Iemand doden die nog een paar maanden te leven heeft is uiteraard een acutere ingreep dan iemand doden die nog twee uur te leven heeft. De wetgever moet een lijn trekken. Ľ (blz. 11). ę De terminale fase is normaal gezien korter dan twintig dagen, maar ik heb het cijfer twintig gegeven om geen discussie uit te lokken. Met dat cijfer is er geen enkel probleem. Ľ (blz. 19).

    De heer Vermeersch beaamde het voorstel van de heer Vankrunkelsven ę dat terminaliteit zou omschreven worden door bijvoorbeeld de duidelijkheid dat een bepaalde patiŽnt binnen afzienbare tijd en onafwendbaar zal overlijden aan de aandoening of ziekte die hij heeft Ľ, ę Alleen zullen de artsen dan vragen wat wordt bedoeld met afzienbare tijd. Is dat acht dagen, veertien dagen of een maand ? Dat is het probleem. Ľ (blz. 11).

    ≠ Professor Schotmans : ę Wat is terminaal ? Als ik de artsen in mijn omgeving beluister, dan stel ik vast dat je pas na het overlijden van de patiŽnt zou weten of hij al dan niet terminaal was. Dat is het moeilijke probleem van dit begrip. Sta mij toe te zeggen dat een patiŽnt voor mij terminaal is, als het vaststaat dat hij of zij binnen afzienbare tijd gaat overlijden. Ik heb het er wel lastig mee als ťťn van mijn voorgangers in deze commissie daarop een aantal dagen plakt... Het begrip terminaal blijft voor mij makkelijk hanteerbaar als men ervan uitgaat dat een patiŽnt terminaal is wanneer de medische wereld ervan overtuigd is dat de patiŽnt inderdaad binnen afzienbare tijd zal overlijden. Ľ (blz. 127).

    ≠ Dokter Philippart : ę De toevoeging in een vorig voorstel van het criterium van het naderende levenseinde, lijnde de context toepasbaar op de bedoelde situaties beter af. Ľ (blz. 79).

    ≠ De heer Schoonvaere legt uit dat het Foyer Saint-FranÁois een structuur voor palliatieve zorgverlening buiten het ziekenhuis is die kankerpatiŽnten en andere terminale zieken opvangt. In zijn uiteenzetting verklaart hij dat de wettelijke tegemoetkoming voor palliatieve zorgverlening toegekend wordt voor een verblijf van drie weken, en dat de gemiddelde duur van de verblijven ę van drie weken tot een maand Ľ bedraagt (blz. 278). Vandaar trouwens dat ę de `Foyer' betekent dat men werkelijk binnenkort gaat sterven Ľ (blz. 281). Nochtans : ę Sommigen zijn heel helder en komen met de auto. Anderen zijn in een comateuze toestand en hebben statistisch gezien niet lang meer te leven Ľ (blz. 280 en 289). Hij citeert het geval van een patiŽnte die in een comateuze toestand aangekomen is en die een maand later opnieuw kon eten, zes maanden later opnieuw helder was en die zich nu levend en wel in een rusthuis bevindt (blz. 289). ę 10 % van onze patiŽnten verlaten de instelling om ergens anders heen te gaan. Ľ (blz. 289).

    ≠ Mevrouw Aubry : ę Volgens mij is een patiŽnt terminaal wanner hij binnen een relatief korte termijn zal overlijden. Ľ (blz. 371).

    ≠ De heer Ingels : ę Bijna 70 % van de 2 300 gevallen (van euthanasie in Nederland) zou binnen de maand overlijden. In Nederland besluiten de artsen pas om over te gaan tot euthanasie wanneer er echt geen andere alternatieven meer zijn en de patiŽnten de terminale fase van hun ziekte hebben bereikt. Ľ (blz. 55). ę In 80 % van de gevallen wordt het levenseinde binnen de maand verwacht Ľ (blz. 60).

    ≠ Dokter Van den Eynde : ę Artsen associŽren euthanasie spontaan met een levensbeŽindigend handelen in een uiterst moeilijke, terminale situatie. De enquÍte van wetenschappers van RUG, VUB en KU Nijmegen over handelwijzen van artsen bij het levenseinde van patiŽnten toont immers aan dat de euthanasiepraktijk slechts een verkorting van het leven met ťťn tot vier weken impliceert. Ľ (blz. 12). ę Voor mij is de terminale periode de tijd die de dood voorafgaat, dat kan dan variŽren van een paar dagen tot enkele maanden, maar niet tot tien jaar. Ľ (blz. 18).

    ≠ Dokter Menten : ę Toch kunnen we zeggen dat een patiŽnt terminaal is als zijn organen beginnen te falen, zijn zelfredzaamheid achteruit gaat, zijn tumor niet meer onder controle is, kortom als er geen weg meer terug is. Of het dan twee weken of twee maanden zal duren is een terechte vraag die niet onmiddellijk beantwoord kan worden. Ľ (blz. 107).

    Dokter Englert pleit ervoor dat de ongeneeslijke zieke en niet de terminale toestand in aanmerking wordt genomen (blz. 33). Maar hij erkent zelf dat deze notie ook moeilijk te definiŽren is : ę De evolutieve aard van de ongeneeslijkheid is uiteraard een probleem. Ik herinneer u eraan dat Boris Vian minder dan tien jaar voor de eerste transplantie van de hartklep gestorven is door een insufficiŽntie van de mitraalklep. We leven in onze tijd en wat in de 22e eeuw geneeslijk zal zijn, zal onze pijnen niet kunnen verlichten Ľ (blz. 38). De heer Philippart herinnert eraan dat de lijst van ongeneeslijke ziekten spijtig genoeg lang is, en verwijst onder meer naar de suikerziekte (blz. 79). Mevrouw Henry heeft erop aangedrongen dat de ziekte van Alzheimer ongeneeslijk is (blz. 170). De heer Distelmans geeft andere voorbeelden : ę Volgende aandoeningen worden onder andere als niet geneesbaar beschouwd : suikerziekte, reuma, artrose, hartdecompensatie, emfyseem, chronische bronchitis, chronische nierinsufficiŽntie, hepatitis, kanker. Ľ (blz. 67). Dokter Vincent besloot dat het geen zin heeft over ongeneeslijke ziekten te spreken (blz. 240). Zij verkiezen dan ook het criterium van de imminente dood.

    Natuurlijk laat dit ruimte over voor interpretatie maar in het recht, vooral wanneer het om ethische zaken gaat, heeft men niet te maken met mathematische, maar met kwalitatieve waarden, en het is onvermijdelijk dat hierbij begrippen optreden die voor interpretatie vatbaar zijn. Wat betekenen openbare orde, goede zeden, rechtvaardigheid, rechtsmisbruik, ... ?

    Hardnekkig voortzetten van uitzichtloze behandelingen

    19) Evenveel vragen bij de definitie van het hardnekkig voortzetten van uitzichtloze behandelingen.

    Wat het principe betreft, betekent deze term dat ę buitensporige middelen worden gebruikt om een persoon in leven te houden, als het medisch corps van oordeel is dat het overlijden in de gegeven situatie onvermijdelijk is Ľ (34). Men maakt een ę onderscheid tussen gewone en buitengewone middelen, dat teruggaat tot de Middeleeuwen Ľ ...

    Wanneer men deze zorgverlening en buitengewone middelen van de geneeskunde inzet om mensen in leven te houden en men vaststelt dat dit geen positief effect zal hebben, moet men ze niet meer gebruiken. In de praktijk is de grens echter niet zo eenvoudig te leggen.

    ę Toen Karen Quinlan negentien jaar in persisterende vegetatieve status lag, sprak men in Amerika nog niet van medische verbetenheid, ..... Toen Nancy Cruzan zes jaar in persisterend vegetatieve status lag, vonden haar artsen dat evenmin medische verbetenheid. Als men momenteel in Leuven drie maanden in persisterende vegetatieve status ligt, of voor sommige uitzonderingsgevallen zes maanden, stopt men met de toevoer van voedsel en bevochtiging. In Engeland zou men voor dezelfde handelwijze in de gevangenis terechtkomen. Daar moet men, bijvoorbeeld na een jaar persisterende vegetatieve status, de toestemming van de rechter vragen om de voeding en de bevochtiging te stoppen. Het is dus volkomen onjuist te denken dat er een algemene medische deontologie of ethiek bestaat die aan de artsen duidelijk maakt wat ze in bepaalde gevallen moeten doen. Ľ (blz. 8).

    ę Zelfs indien men in een wet kan bepalen dat men de therapeutische hardnekkigheid moet tegengaan, moet men zich ervan bewust zijn dat de definitie van wat therapeutische hardnekkigheid is in specifieke gevallen niet vanzelfsprekend is. Laat ons als voorbeeld een jonge vrouw nemen die leukemie heeft. Er worden verschillende behandelingen geprobeerd. De overlevingskansen worden kleiner en kleiner. Wie zal zeggen dat de behandeling moet worden gestopt ? Ofwel zet men de behandeling verder en is er een zeer kleine overlevingskans maar met veel pijn. Ofwel stopt men de behandeling en is er geen pijn meer, maar er is geen enkele overlevingskans meer. Dat is niet eenvoudig. Het is een vraag die moet worden besproken tussen de ouders, indien het over een kind gaat, het kind zelf en de medische ploeg. Ľ

    Zo zou men in enkele specifieke situaties, zoals het recente geval in Luik, even goed kunnen spreken van therapeutische stopzetting die gepaard gaat met de toediening van sterke pijnstillende middelen die de dood tot gevolg hebben, als van euthanasie (35).

    Andere onduidelijkheden

    20) Ook op andere punten is er nog onduidelijkheid.

    Wat is een bewuste zieke ? Uit de getuigenissen blijkt dat de toestand van een zieke op het einde van zijn leven niet altijd duidelijk omschreven kan worden als bewust of onbewust. De patiŽnt bevindt zich in een deels bewuste, deels onbewuste schemerzone. Bewuste patiŽnten zijn een minderheid. De meeste patiŽnten zijn ofwel half bewust, ofwel niet meer zeer helder van geest, ofwel onbewust.

    ę De grens tussen een wilsonbekwame patiŽnt en een wilsbekwame patiŽnt is (immers) niet altijd evident. Er zijn overgangssituaties mogelijk Ľ, verklaart professor Vermeersch. Aan de heer Mahoux, die hem verwijt over wilsonbekwame mensen te spreken ę terwijl wij daar absoluut niet over spreken in de wetsvoorstellen Ľ, antwoordt de heer Vermeersch : ę Wat het begrip wilsonbekwamen betreft, beschouw ik het inderdaad als een vergissing dat uw wetsvoorstel spreekt over onbewuste personen en niet over wilsonbekwame personen. De onbewustheid is een soort ziekte, maar er zijn veel wilsonbekwamen die hun wil niet kunnen uitdrukken zonder onbewust te zijn. Er is een grens tussen het bewustzijn en de onbewustheid. Sommige personen slaan onzin uit wegens veranderingen in de hersenen, of wegens de aanwezigheid van bloed in de hersenen of door een schedelbreuk. Deze personen hebben een bewustzijn maar zijn onbekwaam om hun wil uit te drukken. Mijn vader had een beroerte, hij was in de kliniek en zei ę ik ga terug naar huis Ľ. Het is iets wat hij nooit zou hebben gezegd als hij bij zijn verstand was geweest. De wilsonbekwamen zijn dus personen die niet in staat zijn een helder concept van de dingen te hebben of dat te formuleren. Het is dus beter te spreken over wilsonbekwamen. Het is uiteraard veel eenvoudiger wanneer er een voorafgaande wilsverklaring is maar het begrip van onbewustheid past niet bij het merendeel van de wilsonbekwamen die een of andere vorm van bewustzijn hebben. Ľ (blz. 16 en 17).

    Dokter Philippart : ę Overigens vallen niet alle mogelijke gevallen onder deze vier categorieŽn, want er zijn nog de talrijke gevallen van aangetast maar niet uitgedoofd bewustzijn en andere gevallen waarin het bewustzijn wisselt, zoals bij de ziekte van Alzheimer. Ľ (blz. 48).

    Dokter Vincent : ę De meeste mensen (zijn) buiten kennis ten gevolge van hun ziekte of medicijnen, tranquillizers die zijn toegediend zodat ze zich niet meer bewust zijn van de ongemakken die deze toestand met zich meebrengt. Ľ (blz. 234).

    Wat is een wilsbekwame zieke ? In naam van de gehandicapten heeft mevrouw Kempeneers haar bezorgdheid geuit voor het gebruik van deze termen : ę Moet het begrip `handelingsbekwaam' in wezen worden gezien als iets anders dan juridische (on)bekwaamheid ? Ľ (blz. 218). Bovendien, aangezien deze term de meerderjarige betreft, met andere woorden de patiŽnt ouder dan 18 jaar, of de ontvoogde minderjarige, sluit hij de kinderen uit. In een opiniestuk ę Le Soir Ľ van 7 maart 2000, verzette de algemeen afgevaardigde voor de rechten van het kind van de Franse Gemeenschap, de heer Claude LeliŤvre, zich tegen deze opvatting (36).

    ę De meeste pasgeborenen die sterven zijn reeds in medische behandeling. Voor de pasgeborene en zijn familie gaat het er dus om te vermijden dat een uitzichtloze behandeling voortgezet wordt en dat onnodig lijden verlengd wordt. Het probleem van de euthanasie doet zich echter ook voor in diensten die oudere kinderen verzorgen, waaronder kinderen met een onderscheidingsvermogen ... Om de twee dagen sterft een kind aan kanker. Er zijn tweehonderd twintig nieuwe gevallen van kanker per jaar onder de kinderen jonger dan vijftien jaar. Al heeft de geneeskunde grote vooruitgang geboekt in de behandeling en de genezing van kanker, toch blijkt deze ziekte kinderen doden ... Er wordt nu aangenomen dat de adolescent vrij een arts mag raadplegen en recht heeft op de naleving van het beroepsgeheim, zelfs ten overstaan van zijn ouders. Kan men niet aanvaarden dat medische ingrepen slechts mogelijk zijn met de instemming van de minderjarige die voldoende maturiteit bezit om de betekenis en de toedracht ervan te begrijpen ? ... Indien men aanneemt dat iedere bewuste en handelingsbekwame persoon die lijdt aan een ernstige en ongeneeslijke ziekte aan de arts onder bepaalde omstandigheden mag vragen zijn lijden te beŽindigen door euthanasie toe te passen, is er geen reden om kinderen met een onderscheidingsvermogen deze moegelijkheid te ontzeggen. Het zou dus onbegrijpelijk zijn dat men regels opstelt ten behoeve van volwassenen maar dat men geen rekening houdt met de moeilijkheden die verbonden zijn aan de toestand van kinderen die lijden aan een ongeneeslijke ziekte en op het einde van hun leven gekomen zijn. Kinderen zijn volwaardige personen. Indien zij bovendien over onderscheidingsvermogen beschikken, mogen zij, met betrekking tot zulk een fundamentele kwestie als die van hun leven en dood, niet uitgesloten worden van de bestaande procedures en behandelingen, des te meer daar de Grondwet thans bepaalt dat kinderen recht hebben op het behoud van hun morele, fysiele en seksuele integriteit. Ľ

    Wij verwijzen ook naar professor Moulin die antwoordt op een opmerking van mevrouw Lindekens : ę U heeft dus veel kankerpatiŽntjes ontmoet die vele jaren hebben gestreden en u vond hen zeer rijp. Het is inderdaad zo dat bij deze kinderen een uitzonderlijke rijpheid kan worden aangetroffen, alsof de tijd een andere dimensie krijgt. Ľ (blz. 415).

    En bovendien, indien men het verplegend team, de familie, de naasten moet raadplegen, over wie heeft men het dan ? Over de verpleegsters of over de kinesitherapeuten, of over de poetsvrouwen die vaak voor de zieken toegankelijker zijn ? (37) Over de kinderen of over de ouders, de grootouders, de levensgezel of de levensgezellin ? En wat gebeurt er als er geen naasten zijn ? Of als er een meningsverschil is in het team of bij de naasten ? Bovendien, voegt de heer Englert eraan toe, is er niet altijd een verplegend team. Men geeft steeds meer de voorkeur aan het thuis sterven en men mijdt het ziekenhuis waar men omringd is door medische apparatuur. Thuis zal er niet altijd een verplegend team zijn. Men moet dus ook denken aan de mensen die sereen thuis willen sterven omringd door hun familie. Ľ

    Tenslotte is ook het begrip ę dood Ľ dubbelzinnig : ę Ik denk dat we de dood opnieuw moeten definiŽren, zei professor Vincent. Ik denk dat we de dood opnieuw moeten definiŽren. Een mens is niet dood als hij eenvoudigweg stopt met ademhalen, zoals men eeuwen geleden van mening was, of als zijn hart ophoudt met kloppen, zoals men dacht voordat hartmassage en beademing was ontdekt. Als het hart stilstaat, kan het gelukkig in veel gevallen weer op gang worden gebracht. Zeg dus niet dat het leven ophoudt op het moment dat het hart niet meer slaat. De wetgeving erkent hersendood en geeft ons het recht om organen te verwijderen zodra is voldaan aan alle criteria ten aanzien van hersendood. Soms worden we geconfronteerd met het probleem van zieken bij wie het volstrekt onmogelijk is om de hersenfunctie te herstellen, bij wie de hersenen geen activiteit meer vertonen, maar die nog niet hersendood zijn volgens de geldende criteria. Ľ (blz. 236).

    Akkoord over de behoefte aan palliatieve zorg

    21) Het is duidelijk dat er behoefte is aan meer palliatieve zorg.

    Dokter Mullie gebruikte daarover dit mooie beeld : ę PZ is als de navelstreng tussen kind en moeder (tussen patiŽnt en familie) : het kind maakt evenzeer de moeder als de moeder het kind maakt; de stervende `maakt' evenzeer zijn familie ≠ tot en na het sterven ≠ als de familie de stervende maakt. PZ vermijdt het sterven niet, het maakt het alleen heel natuurlijk, heel levend, liefdewekkend leven tot de laatste uren. Ľ (blz. 443).

    Het is daarom niet altijd duidelijk hoe die moet worden georganiseerd. Er lijken verschillende opvattingen over te bestaan alsmede verschillende structurele benaderingen die elk hun voordelen hebben. Spreker verwijst in dit verband naar de beschrijving van de verschillende manieren waarop palliatieve zorg kan worden verstrekt, waarbij de heer Distelmans de teams in de thuiszorg, de ziekenhuisteams voor palliatieve zorg, de verblijfseenheden en de dagcentra heeft onderscheiden (blz. 66).

    Men zou kunnen hopen dat de ontwikkeling van palliatieve zorg euthanasie overbodig maakt. In diezelfde zin heeft de heer Schoonvaere meegedeeld dat professor Lťon Schwarzenberg tijdens een bijeenkomst in Quebec, gezegd heeft dat men, wanneer de palliatieve zorg zich in Frankrijk volledig ontwikkeld zal hebben, niet meer over euthanasie zal spreken en dat hij geen euthanasie meer zal toepassen (blz. 268).

    Maar zoals de heer Schoonvaere zelf toegeeft : ę zoals dat in alle medische branches het geval is, heeft ook palliatieve zorg zijn grenzen Ľ (blz. 285). Zelfs de beste ononderbroken en palliatieve zorg kan niet verhinderen dat er toch echte euthanasieverzoeken zullen zijn.

    De ontwikkeling van palliatieve zorg wordt gehinderd door financiŽle problemen. Dokter Mullie bevestigt het : ę Op heden zijn er hoogstens middelen om de zorg van ťťn op drie stervenden te ondersteunen. Ľ (blz. 444). De opmerking van mevrouw Aubry is het onthouden waard : ę Om ervoor te zorgen dat bij verpleegkundigen en artsen voldoende deskundigheid inzake pijncontrole aanwezig is, ontbreekt het niet zozeer aan geld dan wel aan de nodige wil en moed. Ľ (blz. 363). De geformuleerde eisen worden onvoldoende begroot en onvoldoende realistisch ingeschat.

    Ten slotte is het duidelijk dat palliatieve zorg een recht moet zijn maar nooit een verplichting kan zijn.

    Ruime consensus over de behoefte aan regelgeving

    22) Vastgesteld kon worden dat er bij de gehoorde personen een zeer ruime meerderheid en nagenoeg eensgezindheid was, over de nood aan een regelgeving die euthanasie toestaat en er de voorwaarden van vastlegt, tenminste wat betreft de terminale fase.

    De voorstellen terzake zijn jammer genoeg zeer schaars gebleven en de meningen over de aard van de regelgeving lopen uiteen. De ambities staan haaks op elkaar : men moet de rechten van de patiŽnt waarborgen, luisteren naar de vraag, de veiligheid van de arts waarborgen en luisteren naar het verplegend team en de naasten, doch zonder overdreven formalisering.

    Tot de voorstanders van een regelgeving behoren in de eerste plaats de leden van het Raadgevend Comitť voor Bio-ethiek die ongeacht hun persoonlijke overtuiging en de nadere regeling waaraan zij die overtuiging ondergeschikt maken, gekozen hebben voor de opties 2 en 3 in het advies : professor Vermeersch (blz. 2), dokter Englert (blz. 28), professor Van Neste (blz. 50) en professor Schotsmans (blz. 110).

    Er zij aan herinnerd dat tijdens de tweede hoorzitting van 15 februari 2000 professor Vermeersch heeft voorgesteld een verschillende regeling toe te passen naargelang de patiŽnt zich al dan niet in een terminale fase bevindt (blz. 5).

    Men kan zich erover verheugen dat verschillende sprekers die het gemeenschappelijk standpunt van 20 december 1999 verdedigen, verklaren dat zij er zich bewust van zijn dat misschien twee aparte procedures moeten worden overwogen.

    Dat lijkt een goed voorteken te zijn van een akkoord over de regeling van de inhoudelijke voorwaarden waaraan euthanasie in de terminale fase moet voldoen.

    Namens de Orde van geneesheren heeft dokter Philippart gemeend dat hij zich niet diende uit te spreken als patiŽnt en dat voor de geneesheren de deontologische code alle antwoorden bevat (blz. 76), terwijl dokter Hache verklaard heeft : ę De (Nationale) Raad heeft zich noch voor noch tegen een wetgevend initiatief ter zake willen uitspreken. Ľ (38). Dokter Hache heeft uitgelegd dat het voorbehoud van de orde verband houdt met het feit dat het niet zeker is dat een wet voldoende de rechtzekerheid van de arts waarborgt (blz. 85).

    Ondanks haar voorbehoud bij het voorstel van 20 december 1999 en hoewel ze voorstander is van een handvest van de rechten van de patiŽnt waardoor een therapeutisch project kan worden uitgestippeld en het naderende levenseinde van de patiŽnt kan worden georganiseerd, meent mevrouw Baum eveneens dat een regelgeving noodzakelijk is en dat juridische middelen moeten worden gevonden om de misbruiken te bestraffen (39). Ze heeft zelfs verklaard dat de ingediende wetsontwerpen een verbetering zijn ten opzichte van de huidige toestand waarin de wet voortdurend wordt geschonden en niemand beschermt. Volgens haar is iedereen het daarover eens (blz. 155).

    Zij onderstreept in dit verband dat veel sprekers een voorzichtig opgestelde tekst hebben voorgelegd die zij met hun naaste omgeving hebben gewikt en gewogen.

    In het debat is vaak veel duidelijker gebleken wat zij echt denken.

    Hoewel zij kennelijk een tegenstander was van euthanasie buiten de terminale fase heeft mevrouw Henry het volgende verklaard : ę Het Alzheimer-verbond benadrukt de noodzaak om de wens en de mening van de persoon te respecteren tijdens zijn ziekteperiode en op het einde van zijn leven, wetende dat de demente persoon steeds minder in staat zal zijn om zijn bewuste en weldoordachte wens uit te drukken. Men moet dus alles in het werk stellen om de zieke de kans te geven om dit in de beginfase van de ziekte te doen. Vandaar de noodzaak van een vroegtijdige diagnose die wordt meegedeeld aan de betrokken persoon voor wie het van belang is dat hij de kans krijgt om zich als een volwaardig individu uit te drukken. Ľ Aan het slot van haar uiteenzetting heeft zij eraan toegevoegd : ę Het wetsvoorstel ter discussie biedt in zijn huidige staat geen betere bescherming van de persoon dan de bestaande wet. Het is belangrijk om de bepalingen met betrekking tot deze problematiek te nuanceren en te specificeren. Ľ (blz. 166 en 167). In antwoord op een vraag heeft zij verklaard : ę De dodelijke injectie is niet dat wat wij willen, dat maakt ons bang. Wanneer men zeker is dat men psychologisch bijgestaan wordt en dat de fysieke pijn verlicht wordt, zal men misschien vertrouwen krijgen (blz. 171) en men moet hierover verder nadenken maar misschien moet men in de huidige stand van zaken niet zo ver gaan dat men euthanasie uit het strafrecht haalt. Ľ (blz. 175). Op de vraag welke van de vier opties van het Comitť voor bio-ethiek haar voorkeur wegdroeg, heeft zij geantwoord : ę de derde Ľ (blz. 178).

    De verantwoordelijken van de Vereniging voor het recht op waardig sterven, mevrouw Herremans en de heer Favyts alsook mevrouw Roelandt zijn duidelijk voorstander van het gemeenschappelijk voorstel.

    Mevrouw Kempeneers heeft gewezen op het geval van de mentaal gehandicapten. In verband met het begrip ę bekwaamheid Ľ vraagt zij zich af wie bedoeld wordt in het gemeenschappelijk wetsvoorstel en zij heeft haar vrees geuit dat euthanasie gehandicapten kan worden opgelegd. Zij begon haar verklaring als volgt : ę Als men ervan uitgaat dat in het wetsvoorstel geen sprake is van een terminale fase, kan hieruit een gevaarlijke conclusie worden getrokken voor sommige gehandicapte personen en met name voor sommige verstandelijke gehandicapten Ľ (blz. 219), rekening houdend met de opmerkingen die door de indieners van het voorstel zijn gemaakt, onderschrijft zij de volgende mening : ę Als de tekst wordt verduidelijkt met de strekking zoals die hier aan de orde is gekomen, denk ik dat die angst wel weer verdwijnt. Ľ (blz. 226).

    Dokter Vincent verklaarde voorstander te zijn van een regelgeving zonder er helemaal in te geloven : ę Ja, alstublieft, doe iets om ons te helpen. Haal het uit het Strafwetboek of maak een nieuwe wet. Ľ (blz. 240 en 243).

    De heer Schoonvaere is duidelijk geen voorstander van de legalisering van euthanasie; die vindt hij in ieder geval voorbarig hoewel hij aanvaardt dat een gecontroleerde sedatie niet alles regelt (blz. 284).

    Mevrouw Vandeville deelt de aarzeling van de heer Schoonvaere. ę De waaier aan verschillende mogelijke situaties maakt het moeilijk om wetgevend op te treden. Het lijkt mij beter om een regelgeving op te stellen en de ondersteuning van medische beslissingen vast te leggen met betrekking tot de belangrijkste situaties die zich kunnen voordoen in de laatste levensfase. Ľ (blz. 294).

    De heer Cosyns heeft verklaard voorstander te zijn van een regelgeving (ę een wetswijziging is dringend noodzakelijk Ľ), zonder dat voor hem de strafwet moet worden gewijzigd (blz. 326 en 327).

    Ook mevrouw Diricq is gekant tegen het uit het strafrecht halen van euthanasie. Zij wenst een regeling die de patiŽnt in het middelpunt van het besluitvormingsproces plaatst (blz. 341 en 350).

    Mevrouw Aubry pleit voor een regeling doch die moet beperkt blijven tot de terminale fase (blz. 365, 366, 367 en 371).

    Dokter Clumeck ę wil een zeer groot voorbehoud maken met betrekking tot de depenalisering van euthanasie Ľ (blz. 384). Hij heeft eraan toegevoegd : ę Ik heb gezegd dat ik geen voorstander ben van depenalisering. Ik heb niet gezegd dat een wet op de euthanasie niet nuttig zou zijn. Ik verlang vurig naar een wet op de euthanasie, maar dan wel een goede wet, zodat de artsen, het verzorgend personeel, niet langer hoeven te aarzelen tussen ontmoediging en lafheid. Ľ (blz. 389).

    Hoewel professor Moulin van mening was dat, ę zoals het wetsvoorstel er nu uitziet, het hem een gevoel van gebrek aan realisme en van idealisme geeft Ľ en hij zich afvraagt of het geen betrekking heeft op een relatief beperkte groep van personen die op cultureel en educatief vlak zeer goed gewapend zijn en over een sterk karakter beschikken, meent hij toch dat ę de bedoelingen van de indieners van het voorstel ongetwijfeld lovenswaardig zijn Ľ (blz. 412).

    Hoewel professor Van Camp van mening is dat het gemeenschappelijk wetsvoorstel op heel weinig mensen zal worden toegepast, wat de echte actieve euthanasie betreft, verklaart hij : ę Mijn persoonlijke mening is dat de rechtsonzekerheid nu te groot is en dat er absoluut een wet moet komen. Ľ (blz. 439).

    Hoewel dokter Mullie enige voorzichtigheid aanbeveelt wil hij toch een regeling : ę Mijn hart gaat naar hen die euthanasie vragen. Mensen vragen dat niet zo maar. Ik hoop dat de wetgever de juiste weg vindt opdat die mensen hun wens kunnen volbrengen zonder anderen daarbij in het geniep te moeten betrekken. Ľ (blz. 449).

    Mevrouw Bouckenaere wil niet dat euthanasie uit het strafrecht wordt gehaald : ę Het Strafwetboek moet zeker niet worden gewijzigd. Het verbod om te doden is een krachtig signaal, een duidelijke aanwijzing van de noodzaak om elk menselijk leven te beschermen. Het is des te belangrijker nauwlettend op die ethische grens te blijven toezien, daar de confrontatie met de dood moeilijk is. Wij moeten ons zeer goed beveiligen tegen het risico dat de actoren op het terrein tot de daad overgaan op legitieme wijze, zonder verantwoording te moeten afleggen of zich schuldig te moeten voelen. Als euthanasie uit het strafrecht wordt geschrapt, zal ze vlug als iets gewoons worden beschouwd. Ze zal meteen als een te overwegen keuze worden beschouwd, zodat niet langer naar andere mogelijkheden hoeft te worden gezocht. Hij lijkt mij belangrijk dat euthanasie een uitzondering blijft, waartoe men maar overgaat als alle menselijke en medische mogelijkheden ontoereikend zijn Ľ (blz. 33). Maar, nadat zij heeft gepleit voor een handvest van de patiŽntenrechten waarnaar kan worden verwezen, heeft zij eraan toegevoegd : ę Er bestaan uitzonderingen waarvoor het mogelijk zou moeten zijn op te treden zonder het risico te lopen vervolgd te worden. Ľ (blz. 36).

    Op grond van Nederlandse ervaring oordeelt dokter Ingels dat de huidige toestand noch de arts, noch de patiŽnt genoegdoening schenkt (blz. 57). Hij is heel duidelijk voorstander van een wetgeving (blz. 59 en 64) maar hij koppelt euthanasie voornamelijk aan de terminale fase (blz. 55, 59 en 64).

    Daar het geoorloofd zijn van passieve euthanasie niet ter discussie staat, zie dokter Distelmans niet in waarom de arts niet actief zou mogen optreden (blz. 71 en 76). Dokter Van den Eynde verklaart : ę Wij zijn niet a priori tegen een wettelijke regeling van de mogelijke ethische problemen bij het levenseinde. De bedoeling van een dergelijke regeling moet echter zijn te komen tot een deskundigere, zorgvuldigere en ethisch meer verantwoorde medische verzorging bij het levenseinde. Dit impliceert dat een wettelijke regeling misbruiken moet verminderen en niet vermeerderen, zodat de zwaksten beter worden beschermd. Dit is immers de bedoeling van elke wet. Daarom zijn voorzichtigheid en bedachtzaamheid hier op zijn plaats en is haast ongepast ... Wij vinden het ethisch en maatschappelijk onverantwoord om euthanasie voor niet-terminale patiŽnten wettelijk mogelijk te maken Ľ (blz. 12). ę Euthanasie is banaal noch eenvoudig, onder meer omdat de euthanasievraag zo complex is. Daarom moet een wettelijke regeling de euthanasiepraktijk niet gemakkelijker maar zorgvuldiger maken zodat onechte euthanasievragen of vragen op verzoek van derden niet worden ingewilligd. Dit impliceert reŽle controle voor- en nadien. Het huidige wetsvoorstel biedt vrijwel geen garantie op een dergelijke zorgvuldigheid Ľ (blz. 13). Hij voegt eraan toe : ę Ook ik ben ervan overtuigd dat palliatieve zorg de vraag naar euthanasie niet helemaal uit de wereld helpt Ľ (blz. 16) en ę In bepaalde zeer extreme omstandigheden moet euthanasie mogelijk zijn, kan afgeweken worden van de strafwet waar euthanasie niet expliciet in staat maar wel impliciet ... Als de wetgever dan toch wil reglementeren, kan beter een algemene regeling worden uitgewerkt. Ľ (blz. 25 en 26).

    In het licht van het in zijn ogen zeer beperkte aantal echte vragen om euthanasie, is dokter Menten geen voorstander van euthanasie. Hij vraagt : ę Hebben we daar een wet voor nodig ? Dat is een zeer moeilijke vraag. Ľ (blz. 103).

    De heer Verstraete die aan MS lijdt, wil wel zo'n wet (blz. 110).

    Alvorens achter gesloten deuren te getuigen heeft dokter Leroy openlijk betreurd dat hij als huisarts in de apotheken geen toegang heeft tot alle noodzakelijke producten (blz. 128).

    De apothekers die zijn gehoord, alsmede sommige artsen die patiŽnten thuis behandelen, hebben gewezen op de farmacologische problemen waarmee zij geconfronteerd werden op ogenblikken waarop zij meenden tot euthanasie te kunnen overgaan.

    Professor Bron meent niet ę dat het uit het strafrecht halen van euthanasie tot ontsporingen kan leiden en in het bijzonder tot onverantwoorde gevallen van euthanasie Ľ (blz. 135). Zij pleit er dus vastberaden voor ę dat de wet elke patiŽnt het recht verleent om zelf te kiezen hoe hij wil sterven ≠ volgens zijn eigen overtuigingen Ľ (blz. 136).

    Mevrouw Cambron-Diez formuleert een aantal bedenkingen in haar uiteenzetting. Maar als haar nadien om meer gedetailleerde uitleg gevraagd wordt, verklaart zij : ę Ik heb geen kritiek op de geplande wet die de vrijheid van de patiŽnt garandeert. Mijn kritiek vloeit voort uit de vrees voor wat er in het veld staat te gebeuren. Ik schiet het voorstel dus niet af omdat ik van mening ben dat over euthanasie gepraat moet worden en dat dit soort debatten uiterst belangrijk is. Ľ (blz. 161).

    Mevrouw Rťmy heeft haar getuigenis met gesloten deuren afgelegd (blz. 178).

    Mevrouw Pesleux is geen voorstander van het gezamenlijk voorstel, maar is eerder voor een euthanasieregeling die de rechten van de patiŽnt vastlegt en verzorgingsteams, alsook eventueel gespecialiseerde derden, betrekt bij de besluitvorming (blz. 190 en 192).

    Mevrouw Vantournhout heeft haar getuigenis met gesloten deuren afgelegd, maar tijdens haar korte openbare uiteenzetting scheen zij de gecontroleerde sedatie op ťťn lijn te stellen met euthanasie en een wettelijke regeling nodig te achten.

    Professor Messine heeft duidelijk te kennen gegeven dat het volgens hem niet wenselijk was hieromtrent regels op te stellen. Maar hij gaf toe dat het niet onmogelijk zou zijn euthanasie te reglementeren binnen een wettelijk kader betreffende de begeleiding bij het levenseinde (blz. 231).

    Professor Dalcq heeft, zoals men weet, een alternatieve manier voorgesteld om euthanasie te legaliseren in de eindfase binnen het kader van een reglement betreffende de begeleiding bij het levenseinde (blz. 251).

    Uit het oogpunt van een jurist opperde de heer Panier dat het gezamenlijke voorstel ę zijn verdiensten reeds bewezen heeft Ľ.

    Professor Adams was voorstander van een euthanasieregeling buiten het Strafwetboek (blz. 8).

    De heren Denecker en Delporte waren voor een reglementering die euthanasie toelaat, met inbegrip van de farmaceutische aspecten ervan. De eerste is voorstander van een depenalisatie (blz. 28).

    Men stelt dus vast dat, met uitzondering van drie sprekers, allen die gehoord werden op de een of de andere manier voorstanders zijn van een reglementering die het toepassen van euthanasie toelaat (en in het algemeen zeer terughoudend wat depenalisatie betreft), zij het in zeldzame en uitzonderlijke gevallen, en met voldoende rechtszekerheid om de arts te verzekeren dat hij niet vervolgd zal worden en om een dialoog tussen alle betrokkenen bij het levenseinde tot stand te laten komen.

    Noodzaak van een globale reglementering

    23) Euthanasie is slechts een onderdeel van de globale problematiek van de medische ingrepen bij het levenseinde. Het is dus aangewezen een globale reglementering in te voeren.

    Getuigenissen

    ≠ Dokter Englert : ę De euthanasieproblematiek is enkel een klein deel van een veel ruimere problematiek waarin we ons hebben geŽngageerd en die naar mijn mening zeer gunstig is : we gaan ons opnieuw bezighouden met de dood nadat men tijdens een dertigtal jaar heeft gemeend dat de geneeskunde alles kon oplossen ... Het werkelijke probleem is dat de patiŽnten niet over hun levenseinde kunnen beslissen en dat de relatie zieke-arts intens verstoord is door het feit dat er geen middel is om het fundamenteel probleem waarmee de patiŽnt wordt geconfronteerd aan te roeren. Ľ (blz. 35).

    ≠ Professor Van Neste : ę Om de onaanvaardbare praktijken van levensbeŽindiging te bestrijden, volstaat het niet een euthanasieprocedure te ontwerpen en de verbodsbepaling daaromtrent op te heffen. Men moet ook een regulering invoeren voor het legitiem medisch handelen Ľ (blz. 49). ę Mijn conclusie is dat men er alle belang bij heeft een verlichtingsinstallatie aan te brengen, niet alleen op de tot nu toe verboden weg, maar ook op alle wegen in het hele grensgebied van het medische handelen bij het levenseinde. Ľ (blz. 50 en 51). ę Mijn standpunt is altijd geweest dat als de wetgever zich enkel met euthanasie bezighoudt, hij zich beperkt tot het topje van de ijsberg in het medisch handelen bij levenseinde. Ľ (blz. 73).

    ≠ Dokter Philippart : ę De levensbeŽindiging vertoont verschillende aspecten waarmee rekening gehouden moet worden. Haar herleiden tot euthanasie als enige mogelijkheid zou spijtig zijn, omdat daardoor andere belangrijke elementen en noden, die we dringender vinden, verloren dreigen te gaan. Ľ (blz. 81).

    ≠ De heer Schoonvaere : ę De waaier aan verschillende mogelijke situaties maakt het moeilijk om wetgevend op te treden. Het lijkt mij beter om een regelgeving op te stellen en de ondersteuning van medische beslissingen vast te leggen met betrekking tot de belangrijkste situaties die zich kunnen voordoen in de laatste levensfase. Ľ (blz. 294).

    ≠ Dokter Distelmans, als antwoord op een vraag van mevrouw de T' Serclaes : ę De discussie rond het levenseinde (is) maar het topje van de ijsberg ... de patiŽntenrechten (moeten) reeds in een veel vroeger stadium worden verkracht. Ľ (blz. 76).

    ≠ Dokter Clumeck : ę Daarom meen ik dat men het debat over euthanasie en permanente zorg niet mag loskoppelen van een echt maatschappelijk debat over de rechten van de patiŽnt, het recht op gezondheid en het soort geneeskunde dat wij wensen. Ľ (blz. 384).

    ≠ Mevrouw Pesleux : ę Tijdens deze hoorzittingen heeft iemand gezegd dat het wetsvoorstel over euthanasie het zichtbare gedeelte was van de ijsberg. Zo ervaren wij dat ook. Ľ (blz. 199).

    Vanuit dit oogpunt lijkt het spreker aangewezen om in het wetsontwerp duidelijk de rechten van de patiŽnt te bepalen en alle medische ingrepen die de dood kunnen bespoedigen, in overweging te nemen.

    Gelet op de verscheidenheid van de gevallen, kunnen de rechten van de patiŽnt waarschijnlijk alleen in de vorm van algemeen geldende principes bepaald worden. Zijn het daarom lapalissades ? Niemand onder degenen die de hoorzittingen gevolgd hebben, en in het bijzonder degenen die de hierboven aangehaalde opmerkingen gehoord hebben, zal dit denken. De wet is er trouwens niet alleen om details te regelen en in repressieve maatregelen te voorzien : zij drukt een sociale en morele waarde uit waarnaar iedereen geacht wordt zijn gedrag te richten. Het is niet omdat het voor mensen die de dagelijkse praktijk niet kennen evidente zaken zijn dat deze principes niet verwoord moeten worden. Trouwens, was de heer de la Palisse niet een van de grootste juristen van zijn tijd, zoals wijlen Meester Marcel Gregoire graag opmerkte ?

    Rechten van de patiŽnt

    24) Verschillende experten hebben met nadruk gewezen op het belang van het behoud van de rechten van de patiŽnt op informatie en instemming

    Zo verklaarde professor Baum : ę Ik zal nu uitleggen waarom ik een standpunt a priori verdedig. Door met een mobiel palliatief verzorgingsteam te werken is het mij duidelijk geworden dat dit het meest democratische standpunt was voor de patiŽnt. Dit standpunt a priori moet echter versterkt worden door een charter van de rechten van de patiŽnt. Het lijkt mij immers onmogelijk, noch in positief recht, noch in de ethiek, een consensueel ethisch of juridisch standpunt te vinden. De Staat moet ervoor zorgen dat tegenstrijdige overtuigingen naast elkaar kunnen bestaan (blz. 146). ę In dit charter zouden regels worden opgenomen met betrekking tot het recht op informatie, zoals u vermeld heeft, tot de plaats van informatie, tot de personen die moeten worden opgeroepen, ... Ľ (blz. 152).

    Professor Van Neste verklaarde hieromtrent : ę Bij het volgen van deze codes (met betrekking tot beslissingen bij het levenseinde) moeten de rechten van de patiŽnt worden nageleefd. Ik denk hierbij vooral aan het recht op toestemming, medezeggingschap in het beslissingsproces om van de ene code op de andere over te schakelen, duidelijke informatie voor de patiŽnt, maar ook het inzagerecht in het medisch dossier omtrent het naleven van deze codes en van de patiŽntenrechten. Ľ (blz. 51).

    Dr. Bouckenaere vroeg om ę een wettelijk geregeld handvest van de patiŽntenrechten waarnaar kan worden verwezen Ľ (blz. 36).

    Behalve de hierboven vermelde deskundigen, betoogden Dr. Cosyns (blz. 327), mevrouw Aubry (blz. 363) en mevrouw Pesleux (blz. 203) in dezelfde zin.

    ę Verantwoordelijkheid opnemen ..., verklaarde mevrouw Aubry, betekent mijns inziens voldoende deskundigheid bezitten om de juiste keuze te kunnen maken uit de bestaande alternatieven. Dit veronderstelt informatie en begeleiding, die mensen nog regelmatig onthouden wordt. PatiŽntenrechten zijn onvoldoende uitgebouwd. Ľ

    Er werd aangegeven dat gepaste informatie bijdraagt tot het geruststellen van de patiŽnten, en verrassende economische gevolgen heeft.

    De heer Schoonvaere betreurde ook dat ę de patiŽnten worden behandeld zonder dat ze ergens vanaf weten en zonder dat ze hun toestemming hebben gegeven Ľ, en haalde het voorbeeld van de Verenigde Staten aan : ę in de Verenigde Staten worden de pre-operatieve behandelingen met de patiŽnt besproken. Studies hebben aangetoond dat de patiŽnt, wanneer hij duidelijk wordt voorgelicht voor de behandeling, minder pijnstillers nodig heeft, minder last heeft van misselijkheid en 10 % minder tijd in het ziekenhuis moet doorbrengen. Dit maakt dus grote besparingen op de begroting van volksgezondheid mogelijk. Ľ (blz. 287).

    Informatie

    25) Het principe is duidelijk : elke patiŽnt heeft het recht alle nuttige en gepaste informatie te verkrijgen aangaande zijn gezondheidstoestand en de behandelings- en verzorgingsmogelijkheden.

    Spreker meent dat dit principe zowel moet gelden voor minderjarige als voor meerderjarige patiŽnten (40).

    Het spreekt echter vanzelf dat het principe genuanceerd moet worden, naargelang van de dringende noodzaak, de wensen of de persoonlijke toestand van de patiŽnt.

    ę De patiŽnt moet de nodige informatie krijgen om het verloop te kunnen beheersen, maar niet op elk ogenblik en niet onverschillig hoe Ľ, verduidelijkte mevrouw Diricq. ę Dat neemt soms tijd in beslag. Ik ben soms verbaasd als ik de arts van onze palliatieve equipe op een duidelijke manier uitleg hoor geven aan een patiŽnt, als ik hoor hoe hij de vragen van de patiŽnt beantwoordt. Nochtans stelt de patient's anderendaags opnieuw dezelfde vragen, ook al is de persoon nog volledig bij zijn verstand. Andere processen spelen een rol, ontkenning bijvoorbeeld, waardoor sommigen de waarheid niet willen zien. Ik vind dat men de patiŽnt zo volledig mogelijk moet informeren. Maar men moet de weerstand van de patiŽnt niet al te sterk op de proef stellen. Niet iedereen is bij machte om op om het even welk moment te vernemen wat hem nog te wachten staan. Hoe moet men hem die informatie geven ? Men moet zich ergens plaatsen op een schaal tussen een overdreven paternalisme en het andere extreem, het overbenadrukken van zijn autonomie. Tussen die twee bevindt zich de therapeutische band. Om hem bepaalde zaken te kunnen zeggen, moet er vůůr alles een vertrouwensband bestaan tussen arts en patiŽnt. Ľ (blz. 356)

    Natuurlijk moet de informatie waarop de patiŽnt in principe recht heeft, hem meegedeeld worden op een manier die aangepast is aan zijn beoordelingsvermogen en zijn lichamelijke en geestelijke toestand.

    Het kan ook gebeuren dat de patiŽnt niet geÔnformeerd wenst te worden, dat hij de sereniteit van de onwetendheid verkiest en aan de dokter of anderen de moeilijke beslissingen waarmee bij geconfronteerd wordt, overlaat (41) (42).

    De instemming

    26) Nog steeds met betrekking tot de rechten van de patiŽnt, lijkt het tevens nuttig het principe te formuleren dat geen enkele medische daad gesteld, voortgezet of stopgezet mag worden zonder de vrije en weloverwogen instemming van de patiŽnt.

    Ook hier moet het principe genuanceerd worden : het kan alleen toegepast worden onder hetzelfde voorbehoud als het recht op informatie, namelijk behoudens een dringende noodzaak of andersluidende aanwijzing betreffende de wensen of de toestand van de patiŽnt.

    Deze instemming moet te allen tijde ingetrokken kunnen worden. Opdat de patiŽnt met kennis van zaken zou handelen, moet de arts hem in voorkomend geval wijzen op de te verwachten gevolgen van zijn beslissing.

    De wilsverklaring

    27) Tijdens de hoorzittingen werd vaak gesproken over de wilsverklaring aangaande het levenseinde die een patiŽnt mag vastleggen in het geval hij niet meer bij machte zou zijn zijn wensen uit te drukken, en die in de omgangstaal oneigenlijk ę levenstestament Ľ genoemd wordt.

    Zeer vele deskundigen hebben het belang van dergelijke richtlijnen benadrukt, maar vermelden erbij dat zij slechts een indicatieve waarde kunnen hebben.

    In het wetsvoorstel dat hij ingediend heeft was de heer Monfils terughoudend ten overstaan van een dergelijk document, aangezien ę degene die een levenstestament opmaakt, vanzelfsprekend in goede gezondheid verkeert en niet weet of en wanneer hij aan een zware aandoening zal lijden. Hij weet niets af van de maatschappelijke omstandigheden waarin hij op dat ogenblik zal verkeren, hij weet nog niets af van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid en weet al evenmin hoe hij zal reageren op de ziekte. Het ging destijds om de waarde van een levenstestament, ongeacht de leeftijd waarop de patiŽnt dit had opgesteld. Ik heb toen het voorbeeld aangehaald van een student van 25 die tijdens een avondje stappen een levenstestament heeft opgesteld, dat men zou bovenhalen wanneer de man 65 was. Ľ (43). Dit neemt niet weg dat de aldus aangegeven wens van de patiŽnt omzichtig geÔnterpreteerd moet worden.

    Uit de hoorzittingen leidt spreker ook af dat het opstellen van een levenstestament niet overdreven geformaliseerd mag worden. Het is beter de vrije keuze te laten aan de patiŽnt, die zich kan inspireren op typedocumenten van bijvoorbeeld de ADMD (Franse vereniging voor het recht op waardig sterven). Het spreekt echter vanzelf dat de voorwaarden waaronder de wil uitgesproken wordt de autenticiteit ervan waarborgen.

    Ten slotte heeft spreker ook nota genomen van het feit dat het nuttig is de patiŽnt toe te laten een vertrouwenspersoon aan te wijzen indien hij niet zelf zijn informatie- en instemmingsrecht zou willen of kunnen doen gelden. Niet iedereen denkt eraan zijn richtlijnen op te stellen of te hernieuwen, of kan rekenen op de nodige personen om als getuigen op te treden. ę Ook de eenzame mens moet een dergelijke wilsverklaring kunnen opstellen Ľ, zei professor Vermeersch (blz. 9).

    Dienaangaande kan men verschillende verklaringen uit de hoorzittingen aanhalen :

    ≠ Professor Vermeersch : ę De voorafgaande wilsverklaring is heel belangrijk voor de arts, want dat kan hem in een richting sturen. Ľ (blz. 7). ę Naarmate de garanties rond de wilsverklaring groter zijn, mag de arts er zich met meer vertrouwen op steunen. Naarmate de garanties zwakker zijn, mag de arts er zich minder op steunen. Zelfs de zogenaamd meest progressieven in het Raadgevend Comitť voor bioethiek hebben nooit gezegd dat de voorafgaande wilsverklaring noodzakelijkerwijze door de arts moet worden gevolgd. Het is voor de arts een middel tot verschoning, maar hij moet zelf een oordeel vellen ... Ľ (blz. 9). En, als antwoord op een vraag van de heer Remans : ę Kent U een betere bescherming tegen euthanasie om economische redenen dan de uitdrukkelijke wilsuiting ... ≠ Neen. Ľ (blz. 22 en 23).

    ≠ Professor Van Neste : ę Ik hoop dat deze rechtsfiguur zonder meer door alle partijen wordt aanvaard ... In Aanbeveling nr. 14187 van de Raad van Europa over palliatieve zorgen die betrekking heeft op de bescherming van de mensenrechten en de waardigheid van de terminale en ongeneeslijk zieke patiŽnten, wordt er aangedrongen op de juridische erkenning van de ę living will Ľ in de Europese landen. Ľ (blz. 51).

    ≠ Professor Schotsmans : ę Ik ben geen voorstander van een inbakken van de wilsverklaring in het medisch handelen in de zin van het wettelijk inbakken. Je kan nooit voorspellen hoe je zal evolueren in situaties die je als bewuste, gezonde mens niet kunt voorzien. Ik heb zelf de wilsverklaring ę de dood op papier Ľ, de kille dood van het papier genoemd. Wat er op de laatste ogenblikken gebeurt tussen de arts en patiŽnt is te belangrijk om dat zomaar op papier vast te leggen en dat nadien bureaucratisch te laten opvolgen. Als er dan toch een regeling moet komen, zou ik er daarom bijna om smeken de figuur van de vertrouwenspersoon daarbij te betrekken. Dat lijkt me veel meer toetsbaar aan de dagelijkse medische praktijk. Er waren heel wat vragen over wat die vertrouwensfiguur dan precies kan doen, maar het belangrijkste lijkt me dat die er is, dat er iemand kan optreden als vertegenwoordiger van de patiŽnt. Hij moet daarbij ook weer niet alles uitvoeren, maar samen met de arts de situatie voortdurend evalueren. Die werkwijze kan het strikte van het papier wat tussen haakjes plaatsen. De medische realiteit is trouwens te complex om die met een wilsverklaring op papier te zetten. Ľ (blz. 123) (44).

    ≠ Dokter Philippart : ę De mogelijkheid van een voorafgaande wilsverklaring roept eveneens enkele vragen op. Eerst en vooral kan haar inhoud, voor zover ze alle mogelijkheden van levensbeŽindiging vermeldt, inderdaad nuttig en indicatief zijn als het ogenblik gekomen is, maar de arts, die toch een belangrijke rol speelt, moet bij de redactie al zijn mening kunnen geven en op de grenzen van zijn optreden kunnen wijzen. Overigens houdt deze verklaring geen rekening met een mogelijke veranderde geestesgesteldheid van de opsteller of met zijn bewustzijnsniveau. Is er geen reeks van intermediaire toestanden mogelijk tussen volledig bewustzijn en volledig onbewustzijn ? Op dezelfde wijze zijn belangrijke veranderingen in de gemoedstoestand van de opsteller van een wilsverklaring mogelijk tussen het moment dat hij de verklaring opstelt, bijvoorbeeld na een overlijden dat hem bijzonder getroffen heeft, en het moment van zijn eigen levenseinde. De overtuiging die hij gisteren had, kan zich wijzigen als hij geconfronteerd wordt met zijn eigen levenseinde, een realiteit die hij zich vroeger niet kon voorstellen. Ľ (blz. 80).

    ≠ Dokter Hache : ę Sterke twijfels hebben we ook over de waarde van een wilsbeschikking die jaren op voorhand werd opgemaakt, op een moment dat de patiŽnt nog volledig helder van geest, compos mentis, was. Iedere arts, zowel ziekenhuisarts als huisarts, ervaart dat de geestesgesteldheid omtrent te nemen maatregelen op het einde van het leven, kan veranderen naarmate dit nader komt. Heel veel mensen die met ons en meer nog met hun huisarts over euthanasie spreken, spreken daar met geen woord meer over wanneer ze in een terminaal stadium komen. Niet omdat ze dement of wilsonbekwaam geworden zijn, maar omdat ze zeer goed opgevangen worden door hun omgeving, omdat ze de aanwezigheid van de mensen die hen omringen zeer intens beleven en daar op dat ogenblik uitzonderlijk veel belang aan hechten. Daarom hechten we geen geloof aan dergelijke wilsbeschikkingen. We hebben daar zelf zeer slechte ervaringen mee. Ľ (blz. 86; zie ook blz. 100).

    ≠ Professor Baum : ę Het gaat erom te zeggen welke behandeling men wil geven aan zijn patiŽnt en hoe men het naderende levenseinde van de patiŽnt ziet met betrekking tot zijn ziekte. Ľ (blz. 162).

    ≠ Mevrouw Sabine Henry : ę In Groot-BrittanniŽ pleit (het Alzheimerverbond) eveneens voor een wilsbeschikking, voor voorafgaande richtlijnen, voor het aanwijzen van een referentiepersoon ... Ľ (blz. 165) ę De vertrouwenspersoon is de getuige en de woordvoerder van de zieke. Deze persoon werd tijdens de periode van helderheid gekozen en heeft van de zieke het recht gekregen om beslissingen te nemen in zijn plaats. Hij is op de hoogte van de verwachtingen van de persoon. Het is een rol die hier niet goed is ontwikkeld, maar in Canada is het normaal en wij kunnen er ons misschien laten door inspireren. Ľ (blz. 168).

    Zie de documenten ingediend door mevrouw Herremans en de heer Favyts en hun toelichting daarbij, blz. 181, 185, 186, 204 en 207.

    ≠ Dokter Vincent : ę Deze bieden geen echte oplossing, ook al vormen ze een stukje van de puzzel. Ľ (blz. 234).

    ≠ Dokter Vandeville : ę De wilsverklaring kan niet als een wettelijke verbintenis worden beschouwd, maar kan misschien een rol spelen bij de discussie over de laatste levensfase. Wat is immers de waarde van deze uitdrukkelijke verklaring, als men geen rekening kan houden met de reŽle situatie op het moment dat men moet ingrijpen ? Ľ (blz. 295).

    ≠ Dokter Roelandt : ę De wilsverklaring kan belangrijk zijn. Om de twijfels rond de wilsverklaring weg te nemen, kan men in de wilsverklaring de namen laten akteren van personen die in nauw contact staan met de betrokkene en die deze persoon kunnen vertegenwoordigen in situaties waarin die daartoe zelf niet meer in staat is. Ľ (blz. 303).

    ≠ Dokter Cosyns : ę Dit begrip is ... cruciaal ... Een behandelingsbeschikking is in de eerste plaats een vorm van overlegovereenkomst. Bij voorkeur worden bij deze overeenkomst nog andere personen betrokken, namelijk de directe familieleden, de echtgenoot, de vriend/in ... Ik neem zelf het initatief om deze mensen bij het overleg te betrekken. De behandelingsbeschikking of wilsverklaring zou moeten deel uitmaken van het medisch dossier. Ľ (45).

    ≠ Mevrouw Diricq : ę Wat het levenstestament betreft, denk ik dat men ermee rekening kan houden, maar dat dit niet het enige element is waarop men moet steunen. (...) Het levenstestament geeft dus een aanwijzing, meer niet. Ľ (blz. 359).

    ≠ Dokter Clumeck, blz. 390 : ę (Het levenstestament) heeft onmiskenbaar een betekenis voor de patiŽnt zelf. Voor sommige patiŽnten is het zeer belangrijk om zich onder bepaalde omstandigheden een beeld te vormen van hun toekomst die ik dan als een soort waangedachte van de dood moet bestempelen, want de dood dient zich niet aan. In die waanvoorstelling zien sommige mensen zich niet in omstandigheden die strijdig zouden zijn met hun waardigheid of hun wensen. Het is zeer belangrijk om de verzoeken te aanhoren en om nota te nemen van het levenstestament. Deze laatste wilsbeschikking geeft mijns inziens echter niets meer dan een indicatie. Ľ (blz. 390).

    ≠ Dokter Van Camp : ę Met een wilsverklaring kunnen we op een aantal voorwaarden wel rekening houden. Ze moet repetitief zijn, afgelegd in het bijzijn van getuigen, ze moet recent zijn, zoals in het voorstel terzake wordt beschreven. De toepassing ervan verschilt naargelang van de ziekte. Kanker is een evolutieve ziekte met een duidelijke eindrichting, zij het een negatieve. Iets totaal anders is een patiŽnt die plots een hersenbloeding krijgt. Onlangs had ik zo'n patiŽnt die lang voordien een wilsverklaring had afgelegd of alleszins met veel getuigen erbij iets dergelijks gezegd, maar die na de hersenbloeding niet meer naar euthanasie vroeg. Zulke patiŽnten maken nochtans juist dan een situatie door waarvan ze in hun wilsverklaring gezegd hadden dat ze die niet wilden aanvaarden. Uiteraard zal geen enkele arts dan toch euthanasie toepassen. Ľ (blz. 429).

    ≠ Dokter Van den Eynden : ę ... (er dient) een regeling inzake wilsbeschikking, de zogenaamde ę advanced directives Ľ, te worden uitgewerkt Ľ (blz. 13).

    ≠ Dokter Distelmans : ę Ik vind de wilsverklaring een zeer waardevol element voor de uiteindelijke besluitvorming, alhoewel het niet het ultieme document is. Men zal er wettelijk nooit iets kunnen mee afdwingen, maar zoals ik zei, staan de zorgverleners op het terrein vaak met de rug tegen de muur. Zij moeten vaak beslissingen nemen waar ze zich niet zo goed bij voelen. Een levenstestament kan de eindbeslissing in een of andere richting beÔnvloeden. Hoe meer beslissingselementen er zijn, hoe beter. Ľ (blz. 73).

    ≠ Professor Bron : ę Voor patiŽnten die bewusteloos zijn of wier bewustzijn te zeer aangetast is om nog een duidelijk en ondubbelzinnig verzoek toe te staan, lijkt de enige mogelijke oplossing mij de voorafgaande wilsverklaring (het levenstestament) met een gemandateerde die voor de uitvoering moet instaan. Uiteraard mag tussen het moment dat deze verklaring is opgesteld of herzien en het intreden van de bewusteloosheid niet te veel tijd verlopen zijn, zodat de waarde niet betwist kan worden. Ľ (blz. 131).

    ≠ Mevrouw Cambron-Diez : ę Het is een van de delen van de puzzel op het ogenblik waarop men de vraag van de patiŽnt ontleedt. (...) Ik heb de woorden van (de heer Verstraete) die hier getuigd heeft, ten zeerste op prijs gesteld. Ľ (blz. 172).

    ≠ De heer Messine heeft gesproken over ę Jean Barrois Ľ van Roger Martin du Gard, ę een filosofische roman in de vorm van een dialoog waarvan de hoofdpersoon, die grootgebracht in de katholieke godsdienst, als adolescent zijn geloof verliest, een bittere antiklerikaal wordt en een soort testament schrijft waarin hij verkondigt dat hij elke priester verbiedt hem te benaderen op zijn stervensuur. Heel zijn leven lang bewaart hij die houding die hij telkens wanneer hij kan publiekelijk hernieuwt. En dan, op de dag van zijn doodsstrijd, is hij het die om bijstand van een priester vraagt. Ik ben getroffen door het parallellisme tussen deze situatie en die van het ę levenstestament Ľ : het toont dat men op het laatste ogenblik van gedachte kan veranderen. Hoe kan men er zich van vergewissen dat de persoon die niet meer bij bewustzijn is op het ogenblik dat men klaarstaat om, overeenkomstig de richtlijnen die hij gegeven heeft, een einde aan zijn leven te maken, niet van gedachte veranderd is alvorens zijn bewustzijn te verliezen ? Ľ (blz. 211).

    Verplichting voor de arts om zijn standpunt bekend te maken

    28) Het is bekend dat er artsen en instellingen zijn die uit principe elke euthanasiepraktijk afwijzen (46).

    De patiŽnt moet worden ingelicht over de principiŽle houding van zijn arts. Professor Schotsmans heeft dit recht bevestigd : ę Het zou mij irriteren als een arts zou weigeren zijn ethische overtuiging aan de patiŽnt bekend te maken. Ľ (blz. 119).

    Bijgevolg moet de arts, die uit principe meent niet te kunnen ingaan, geheel of gedeeltelijk, op de wensen van de patiŽnt in verband met het verloop van diens levenseinde, ertoe worden verplicht daarover inlichtingen te geven wanneer hij door de patiŽnt wordt ondervraagd.

    Voorwaarden voor het levensbeŽindigend handelen

    Verplichting tot bijstand

    29) Een algemeen principe van positief medisch handelen kan volgens de spreker als beginsel gelden : bij het levenseinde is de arts aan de patiŽnt volledige morele en medische bijstand ≠ genezend of palliatief ≠ verschuldigd teneinde zijn fysieke en morele lijden te verzachten en zijn waardigheid te vrijwaren.

    Geen hardnekkig voortzetten van nutteloze behandelingen

    30) Ondanks het feit dat iedereen het erover eens is dat het hardnekkig voortzetten van nutteloze behandelingen ongerechtvaardigd is, en ondanks de overtuiging van sommigen dat het niet bestaat, blijkt uit sommige getuigenissen dat bepaalde medische behandelingen nog steeds tot deze categorie gerekend kunnen worden, en soms zelfs uit eigenbelang toegepast worden.

    ę In het ziekenhuis is nog heel vaak sprake van hardnekkig voortzetten van nutteloze behandelingen, een fenomeen dat in theorie door iedereen wordt verworpen. Deze houding van de geneeskunde veroorzaakt nutteloos lijden voor de patiŽnt, wekt de bezorgdheid op van het grote publiek en maakt dat zieken en gezonden denken aan euthanasie Ľ, verklaarde mevrouw Pesleux (blz. 189).

    Mevrouw Aubry weet dit aan een miskenning van de palliatieve zorgverlening of aan een weigering van sommige artsen om hun grenzen te erkennen : ę ... op sommige plaatsen worden mensen nog steeds geconfronteerd met therapeutische verbetenheid, niet alleen omdat het aan palliatieve kennis ontbreekt maar ook omdat hulpverleners niet tijdig erkennen dat de patiŽnt in een palliatieve fase is gekomen, of omdat de hulpverleners nog niet hebben leren omgaan met het gevoel te falen Ľ (blz. 362).

    Dokter Bouckenaere heeft een verontrustende getuigenis afgelegd door een uitspraak van de kabinetschef van de minister van Volksgezondheid, mevrouw Magda Aelvoet, te citeren : ę De therapeutische hardnekkigheid zal blijven bestaan zolang de ziekenhuizen worden gesubsidieerd op basis van technische prestaties. Ľ (blz. 42) (47).

    Het lijkt spreker dus niet overbodig te stellen dat de arts moet afzien van elke handeling die niet redelijkerwijze de gezondheid of de toestand van de patiŽnt kan verbeteren, meer bepaald handelingen die onnodig zijn of niet in verhouding staan tot zijn toestand, in die zin dat zij volgens de nieuwste ontwikkelingen in de geneeskunde geen enkel redelijk uitzicht bieden op genezing, verbetering, of verzachting van het lijden, maar alleen bedoeld zijn om de dood uit te stellen.

    Algemeen principe. Mening van het verplegend team en van derden

    31) Uit de hoorzittingen leidt spreker ten slotte een algemene regel af die in alle handelingen betreffende het levenseinde van de patiŽnt (therapeutische onthouding of stopzetting van de behandeling, gecontroleerde sedatie, euthanasie) in acht genomen moet worden : de arts moet in geweten handelen, volgens de huidige stand van de genees- en verpleegkunde en volgens de algemeen aanvaarde principes van het medisch handelen, met inachtneming van de rechten van de patiŽnt, van het advies van het verplegend team en, in de mate van het mogelijke, van het eventuele advies van derden.

    32) Het betrekken van de verplegende teams bij de beslissingen aangaande het levenseinde lijkt mij, althans principieel, absoluut noodzakelijk, met dien verstande dat de arts steeds de eindbeslissing neemt en de verantwoordelijkheid draagt voor de levensbeŽindigende handelingen : de arts moet er rekening mee houden, maar is er vanzelfsprekend niet aan gebonden.

    Verschillende deskundigen hebben de noodzaak van zo'n samenwerking benadrukt, en de meesten waren voorstanders van een verplichte raadpleging van het verplegend team.

    ≠ Dokter Englert : ę Vervolgens bestaat er volgens mij geen enkel verbod voor de arts om de personen te raadplegen van wie hij meent hun advies te moeten vragen. Dat zou totaal in strijd zijn met de logica van het medische advies. Ik heb persoonlijk geen enkel bezwaar dat er een goede samenwerking is met de verpleegsters want ze weten veel dingen over de patiŽnten die de artsen niet weten. Het zou totaal verschillend zijn er een verplichting van te maken ... Persoonlijk ben ik heel terughoudend om van het advies van het verplegend personeel een wettelijke verplichting te maken. Men mag niet overdrijven met procedures, alhoewel in de praktijk dat advies meestal wel wordt gevraagd. De gebeurtenissen die zich in Luik hebben afgespeeld, tonen trouwens hoe de dingen in het tegengestelde geval aflopen. Conflicten tussen het personeel zijn altijd nadelig voor de patiŽnt. Ľ (blz. 46). Hij voegt eraan toe : ę ... ik zou niet de indruk willen geven dat ik denk dat de verpleegsters niet moeten worden betrokken ... Ik denk dat men realistisch moet zijn, wat niet wil zeggen dat ik afwijzend sta tegenover het advies van het verplegend personeel. Ik wil er geen verplicht element van maken omdat ik denk dat dit advies niet toepasselijk is op alle situaties en dat men in de praktijk zeer grote moeilijkheden zal ondervinden om te bepalen of de arts al dan niet aan die verplichting heeft voldaan. Ľ (blz. 46).

    ≠ Professor Schotsmans : ę Zelfs de meest eenvoudige medische ingreep wordt omstandig met adviezen en contacten voorbereid; waarom dan niet als men een onomkeerbare beslissing neemt ? Ľ (blz. 46).

    ≠ Dokter Bouckenaere : ę Over ethische vragen nopens het levenseinde moet verplicht vooraf een gemeenschappelijke bespreking worden gehouden met het verzorgend team en, indien mogelijk, ook met de naasten van de patiŽnt. In de meest complexe gevallen zoals een aanhoudend verzoek om euthanasie, lijkt het mij nuttig om over een cel te beschikken die adviseert bij het nemen van beslissingen. Ľ (blz. 31). ę Daarom zou ik willen dat het collegiaal overleg bij wet wordt opgelegd. Ľ (blz. 36) (48).

    ≠ Dokter Clumeck, blz. 393 : ę Mijns inziens moet de raadpleging van het verzorgend team verplicht worden gemaakt. Ľ

    ≠ Mevrouw Aubry : ę Verpleegkundigen vragen hier formele inbreng. Zij vragen niet het laatste woord, zij willen niet het beslissingsrecht, maar zij verwachten een transparant overleg en een consequent beeld. Ľ (blz. 365).

    ≠ Dokter Mullie : ę De PZ equipe is ons inziens, zeker bij (pre)terminale patiŽnten, de meest geschikte ethische instantie voor advies, bedside en met interdisciplinaire ervaring. Ľ (blz. 445). ę Ook voor de arts die tot euthanasie overgaat, is het heel belangrijk om te kunnen terugvallen op een team. Ľ

    ≠ Mevrouw Pesleux : ę Om zo'n verzoek te analyseren en er een aangepast antwoord op te geven, is overleg nodig tussen alle personen die contact hebben met de patiŽnt. Vanuit hun specifieke ervaring en hun bijzonder contact met de zieke en zijn familie, kunnen de verpleegsters daarbij een belangrijke rol spelen. Samen met de andere paramedici dragen zij zo bij tot een algemene benadering van de patiŽnt. Doordat zij veel tijd in de dienst doorbrengen en intieme en voortdurende zorg verlenen aan de patiŽnten, hebben de verpleegsters vaak een nauwe band met de patiŽnten en kunnen zij veel informatie over hen verstrekken ... Een beslissing genomen door de arts alleen zonder overleg met het verplegend team, druist in tegen de pluridisciplinaire aanpak die momenteel in de geneeskunde wordt aanbevolen. Het lijkt mij ondenkbaar om ťťn persoon met zo'n zware beslissing te belasten ... Overleg beschermt tegen willekeur. Ľ (blz. 185).

    ≠ Professor Dalcq : ę ... denk ik dat het wenselijk is dat een arts zich laat voorlichten vooraleer een beslissing te nemen over de zorg die het leven van een zieke kan verkorten. Het volledige verzorgend team, zowel verpleegsters als artsen, moet zich dus beraden over de vraag of de patiŽnt zich al dan niet in een ongeneeslijke toestand bevindt. Deze toestand moet zo mogelijk worden bevestigd door een andere arts. De familie of naasten moeten ingelicht worden, indien dat psychologisch mogelijk is, en moeten hun advies kunnen geven. We moeten echter niet te veel in details treden, omdat elk geval anders is. Het verzorgend team moet in die gevallen een overlegcel zijn, geen beslissingcel ... Juridisch maakt dit overleg het de arts mogelijk zich te verantwoorden als hem iets wordt verweten, maar de overlegcel is geen rechtbank. Ľ (blz. 249).

    Handelingen die het sterven kunnen bespoedigen

    33) Over het verschil tussen gecontroleerde sedatie en euthanasie in de strikte betekenis van het woord kunnen de meningen uiteenlopen, maar in de praktijk maakt men nog steeds een onderscheid tussen de medische handelingen die het sterven kunnen bespoedigen door het toedienen van verschillende stoffen, de handelingen die als secundair gevolg hebben dat het sterven bespoedigd wordt, en de handelingen die er specifiek op gericht zijn het sterven te bespoedigen.

    Niemand betwist dat de handelingen van eerste soort geoorloofd zijn, maar dat betekent niet dat ze niet omkaderd moet worden.

    In dit verband kan men professor Baum citeren : ę Volgens mij is euthanasie enkel wettig wanneer de patiŽnt dit vraagt, hetzij door middel van voorafgaande richtlijnen hetzij rechtstreeks aan zijn geneesheer. Ik stel enkel vast dat, bij verschrikkelijke dilemma's waar de geneesheren mee geconfronteerd worden, de niet-vrijwillige euthanasie de minst slechte oplossing blijkt te zijn. Om aan deze willekeur te ontsnappen denk ik dat deze beslissing omkaderd moet worden, zodat ze niet genomen wordt op het moment dat men de controle verliest. Ľ (blz. 150).

    De tweede soort handelingen lijkt ook aanvaard te zijn, tenminste wanneer de dood onvermijdelijk is en een aantal voorwaarden vervuld zijn.

    Voorwaarde waaronder euthanasie kan worden toegepast

    34) Spreker meent dat een zo ruim mogelijk akkoord kan worden gevonden voor het principe op grond waarvan de arts euthanasie straffeloos kan toepassen onder de te bepalen voorwaarden en voor zover de arts zich daaraan houdt.

    Professor Vermeersch heeft dit uit de hoorzittingen opgemerkt, hij verwijst naar het gemeenschappelijk voorstel van 20 december 1999 en naar dat van de PSC en de CVP : ę Dat euthanasie nu en dan mogelijk moet zijn zonder dat het wordt bestraft, daarover is er in deze drie voorstellen alleszins een minimale consensus. ... Vandenberghe ... suggereert en Nyssens stelt expliciet, dat de arts die zich aan de voorwaarden houdt, normaal vrijuit gaat. Ľ (blz. 3).

    Naast het principe zelf kan ook een overeenstemming worden gevonden over de bedoelde voorwaarden.

    Er moet evenwel worden voorkomen dat vorm en inhoud door elkaar worden gehaald zodat het debat in alle rust kan verlopen. Zoals een andere spreker heeft opgemerkt, ontstaat in het euthanasiedebat al te vaak verwarring tussen de grondvoorwaarden waaraan euthanasie moet worden onderworpen en de juridische inkleding van het vraagstuk. De spreker verwijst terzake naar de zeer relevante opmerking van de heer Remans die in die zin antwoordde op de uiteenzetting van professor Van Neste : ę Het is op dit moment bijzaak voor welke juridische vorm wordt gekozen. We willen enkel legitimeren wat nu in de schemerzone gebeurt. Een volgende stap is welke juridische weg moet worden gevolgd. Ľ (blz. 68).

    35) Tijdens de tweede hoorzitting van 15 februari 2000 heeft professor Vermeersch de voorwaarden van het gemeenschappelijk voorstel van 20 december 1999 opnieuw onderzocht en heeft terzake de voorwaarden in de volgende bewoordingen te kennen gegeven (blz. 5) :

    ę Ten eerste, de patiŽnt moet een weloverwogen en duurzame wil tot sterven hebben. Hij mag niet worden beÔnvloed door derden en het mag niet gaan om een voorbijgaande depressie. Ten tweede, de medische toestand moet objectief onomkeerbaar zijn en het lijden moet door de patiŽnt als ondraaglijk en uitzichtloos worden ervaren. Ten derde, de arts die de euthanasie uitvoert, moet een collega-arts raadplegen die advies geeft over de medische toestand, het uitzichtloze karakter van het lijden en de mogelijkheid dat te verhelpen, en over de duurzaamheid en de authenticiteit van het euthanasieverzoek. Deze arts moet hiertoe een uitvoerig persoonlijk onderhoud met de patiŽnt hebben. Ten vierde, de familieleden en het verzorgend personeel die volgens de patiŽnt relevant zijn, moeten worden ingelicht en kunnen, mits akkoord van de patiŽnt ook hun mening te kennen geven. Ten vijfde, indien de patiŽnt bij zijn besluit blijft, wordt de uiteindelijke beslissing genomen door de arts die de euthanasie uitvoert en ten slotte moet deze arts op deskundige wijze het gepaste euthanaserend middel kiezen. Ľ

    Hij voegde er het volgende aan toe : ę Ik ben het volkomen eens met de gedachte dat elke beslissing tot euthanasie moet worden voorafgegaan door een diepgaande ethische overweging. Ľ

    Tijdens de hoorzitting met de vertegenwoordigers van de Academie voor geneeskunde (Franstalige afdeling) waarbij de spreker samen met enkele collega's aanwezig was, hebben de vertegenwoordigers hun standpunt in onderling overleg uiteengezet. Dit is later in een officiŽle mededeling van de Academie bevestigd :

    ę De leden van de Academie zijn het erover eens dat men omzichtig moet omspringen met een vraag om euthanasie van de patiŽnt. Een dergelijk verzoek vereist steeds een grondig gesprek tussen patiŽnt en arts teneinde de zin en de motivatie te kennen.

    Verpleegkundigen en artsen hebben eveneens te rekenen met zware psychologische druk wanneer zij patiŽnten bij het levenseinde moeten begeleiden. De leden van de academie zouden het op prijs stellen indien denk-, evaluatie- en zelfhulpgroepen voor de verpleegkundigen worden georganiseerd. Zulks kan de mogelijkheid bieden in alle objectiviteit en rust ervaring op te doen ...

    Wanneer een arts aanvaardt een patiŽnt bij een actieve levensbeŽindiging te begeleiden, stemt het tot aanbeveling dat hij het (zo nodig geschreven) prognostisch advies van een vakgenoot inwint. Deze moet erkend zijn als expert in de pathologie waaraan de patiŽnt lijdt. Hij moet er zich van vergewissen dat hij een beroep kan doen op een gepaste farmaceutische deskundigheid teneinde een optimaal verloop te waarborgen van het tot stand gebrachte levenseinde. Ľ

    In vergelijking tot wat voorafgaat, lijken de verschillende ingediende wetsvoorstellen niet zodanig van elkaar verwijderd dat men de standpunten met betrekking tot het levensbeŽindigend handelen niet kan verzoenen. De spreker wenst terzake enkele opmerkingen te maken over sommige vraagstukken die tijdens de hoorzittingen aan bod zijn gekomen.

    Lijden

    36) Verscheidene opvattingen worden er blijkbaar op nagehouden in verband met het lijden dat aanleiding kan geven tot het plegen van euthanasie. De vraag is of het lijden dan wel fysiek of psychisch moet zijn. Moet dit lijden ťn onomkeerbaar ťn ondraaglijk dan wel onomkeerbaar of ondraaglijk zijn ? De vraag rijst hoe over die kenmerken van het lijden moet worden geoordeeld.

    Wat het eerste punt betreft, heeft dokter Mullie op de vraag van mevrouw De Schamphelaere een doorslaggevend antwoord gegeven : ę Ik kan daarop alleen maar zeggen dat psychisch lijden een even groot, zoniet groter lijden is dan fysiek lijden. Enerzijds is het misschien langer omkeerbaar, maar anderzijds kan het even uitzichtloos zijn Ľ (blz. 455). In dezelfde zin heeft dokter Englert verklaard dat ę in de analyses die in Nederland zijn verricht, is in de verzoeken om euthanasie die fysieke pijn, in tegenstelling tot wat men denkt, betrekkelijk weinig aanwezig in vergelijking met de ontreddering en met de morele pijn. Enkel 10 % van de verzoeken om euthanasie worden verantwoord door een probleem van echte fysieke pijn. Ľ (blz. 37).

    Met betrekking tot het derde punt meent de spreker dat het aanvaardbaar is dat er een vereiste van onomkeerbaar lijden moet zijn met verwijzing naar het heersend medisch inzicht, onder voorwaarde dat hierover enkel moet worden geoordeeld door de behandelende arts en de gespecialiseerde vakgenoot die voorafgaand moet worden geraadpleegd.

    Raadpleging van een derde gespecialiseerde arts

    37) De spreker meent dat het nodig is een specialist te raadplegen. Naast de Academie voor geneeskunde en de heer Vermeersch kan ook worden verwezen naar andere sprekers zoals dokter Englert (blz. 44), op een vraag van de heer Galand :

    ≠ De heer Galand : ę Professor, waarin zou volgens u de interventie van een tweede arts moeten bestaan ? Ľ

    ≠ Dokter Englert : ę Volgens mij is het cruciale belang van de interventie van een tweede arts dubbel. Enerzijds zie ik een veiligheid ten opzichte van de duidelijke misbruiken. Het is raadzaam na te gaan dat het wel degelijk om een ongeneeslijke ziekte gaat, dat men in een situatie zonder uitweg is en dat men niet bezig is de legitimiteit van euthanasie te omzeilen. Anderzijds kunnen er geheel te goeder trouw situaties bestaan die ik ę fusioneel Ľ heb genoemd, waarin de arts door de duur van zijn relatie met de patiŽnt en zijn implicatie in deze relatie de noodzakelijk erkende afstand verliest bij het nemen van gepaste beslissingen. Dat is de reden waarom artsen wordt afgeraden hun eigen familie te verzorgen. Deze oude regel wordt niet altijd gerespecteerd, en dat is een vergissing. Er kunnen andere situaties bestaan waarbij men deze afstand verliest, geheel te goeder trouw. Een nieuwe blik van een buitenstaander brengt de noodzakelijke controle en afstand met zich mee die toelaten te bepalen dat er niets anders te doen is, dat de ziekte ongeneeslijk is. Hierdoor kan vermeden worden dat de arts in een logica wordt meegenomen waarbij hij de objectieve werkelijkheid niet meer waarneemt. Ľ

    ≠ De heer Galand : ę Gelooft u dat deze tweede arts een eventueel standpunt kan geven over de onomkeerbare aard van het lijden of van de ontreddering ? Ľ

    ≠ Dokter Englert : ę Ik situeer zijn interventie in die zin dat hij niets anders kan voorstellen dan wat reeds gedaan of overwogen werd om de pijn voor de patiŽnt te verlichten. Ik bemerk een moeilijker aspect van uw vraag, namelijk of hij moet ramen dat het verzoek aanhoudend is, wat misschien delicater is. In elk geval maakt de vaststelling dat de patiŽnt gedeprimeerd is deel uit van de evaluatie die hij moet doen. Hij kan suggereren om hem antidepressiva toe te dienen wegens zijn toestand van intense depressie. Op dezelfde wijze zou hij het plaatsen van een periduraal met een pijnstiller kunnen suggeren. Voor mij maakt dat deel uit van dezelfde medische evaluatie die bijvoorbeeld aspecten van depressie in aanmerking kan nemen. Ľ

    Professor Van Neste : ę Ik ben er wel voorstander van om een derde persoon erbij te betrekken. Ľ (blz. 57) ę De derde persoon kan, wat mij betreft, gerust een arts zijn, aangezien ook artsen deel uitmaken van het team van palliatieve zorgverleners. Ľ (blz. 67).

    We kunnen ook dokter Clumeck citeren : ę Binnen de vertrouwensrelatie met zijn patiŽnt, is de arts in fine de enige die de eindbeslissing neemt. Om niet alleen de last van bijwijlen zeer moeilijke beslissingen te moeten dragen moet hij, naast het advies van een onafhankelijke deskundige collega, de vraag van de patiŽnt toetsen aan het advies van het verzorgende team en, in voorkomend geval, van het lokale palliatieve team. Ľ (blz. 383).

    Dokter Mullie heeft het volgende gezegd over het optreden van een tweede arts : ę Het is aangewezen ... de rol van de tweede arts uit te breiden. De tweede arts geeft niet alleen zijn advies over het ongeneeslijk karakter van de ziekte maar ook over de voorwaarden gesteld aan het verzoek van de patiŽnt en over de toestand van aanhoudende en ondraaglijke pijn of nood die niet gelenigd kan worden waarin deze zich bevindt. Ľ (blz. 447).

    Professor Bron hield een pleidooi in dezelfde zin : ę Er moet een beveiliging ingebouwd worden in de vorm van de raadpleging van een tweede arts. Ľ (blz. 144). Ook mevrouw Pesleux deelt deze mening : ę Als het euthanasieonderzoek bevestigd wordt, lijkt het ons nuttig om het advies in te winnen van een buitenstaander of een instantie die vanuit zijn eigen bekwaamheid een licht kan werpen op de situatie. Ľ (blz. 185).

    Hier moet aan worden toegevoegd dat de beslissing om euthanasie toe te passen, niet makkelijk is. ę Een soortgelijke daad is voor de arts echter nooit onbeduidend. Het is zeer zwaar om te dragen en het laat sporen na. Ľ, zei mevrouw Bouckenaere (blz. 29) en dokter Mullie deelt deze mening (blz. 452 en 464).

    Uiteraard moet de arts zelf de euthanasie toepassen. De heren Vermeersch, Englert en Adams zijn hierover erg duidelijk (49). De Academie voor geneeskunde drukt dezelfde mening uit en het wekt verbazing dat dokter Hachť over dit onderwerp wordt ondervraagd (blz. 100).

    Het medisch dossier

    Spreker meent dat dit dossier een sleutelelement is en dat de opgelegde formaliteiten niet verder mogen gaan dan dit.

    38) Verscheidene deskundigen hebben het belang van het medisch dossier voor de historiek van de procedure benadrukt.

    ≠ Professor Van Neste : ę Ten behoeve van de transparantie en van de controleerbaarheid moet er van alle beslissingen melding worden gemaakt in het medisch dossier. Ľ (50). ę Sommigen, onder wie ikzelf, merken op dat ook de vaststelling dat er een duurzaam herhaald verzoek is van de patiŽnt, expliciet in het dossier moet worden opgenomen. Ľ (51). ę Op de vraag over de transparantie van alle medische beslissingen dan wel alleen van beslissingen inzake euthanasie ben ik uiteraard voorstander van een zo groot mogelijke transparantie voor alle medische beslissingen en om deze in het medisch dossier te laten vastleggen, ... Dat wil zeggen dat alle beslissingen in het dossier van de patiŽnt moeten bewaard blijven. Daarom hebben we daar een doorslagformulier van gemaakt, zowel voor het medisch als het verpleegkundig dossier, zodat er geen twijfel kan bestaan over de toestand van de patiŽnt. Ľ (blz. 137).

    ≠ Dokter Cosyns : ę De behandelingsbeschikking of wilsverklaring zou deel moeten uitmaken van het medisch dossier. Ľ (blz. 324).

    ≠ Mevrouw Diricq kloeg over de ontoereikendheid van de dossiers : ę Sommige medische dossiers in heelkundige diensten spreken in dat opzicht boekdelen : de notities verminderen stelselmatig naarmate de patiŽnt aftakelt en de dood nadert. Men komt trouwens ook minder vaak bij hem langs. ę Er is niets meer aan te doen. Ľ De sociale dood gaat de klinische dood vooraf. Men spreekt over de patiŽnt al in de onvoltooid verleden tijd. De patiŽnt moet zich net nog niet verontschuldigen dat hij er nog is. Ľ (blz. 343).

    Andere formaliteiten

    39) Alle andere a priori of a posteriori formaliteiten vindt spreker ongeschikt.

    Volgens hem is er voldoende a priori controle door de raadpleging van een derde arts en verplichte voorafgaande bespreking met het verplegend team, samen met de raadpleging van derden zoals bijvoorbeeld de cellen die hulp geven bij beslissing.

    Deze zienswijze geniet de steun van dokter Bouckenaere (blz. 40) en dokter Mullie (blz. 445), mevrouw Pesleux (blz. 190) en de heer Adams : ę De medisch-ethische beoordeling vooraf moet vooral worden gezien als een ondersteuning van de arts en de patiŽnt, en niet als een toetsing waarvan de mogelijkheid om tot euthanasie over te gaan afhankelijk is. Ľ (52).

    Professor Vermeersch heeft gewezen op het volgende : ę Alle voorstellen, ... die geen rekening houden met het vaak hoogdringende karakter van de beslissing tot euthanasie, zijn in de praktijk onhoudbaar. Kortom, in de terminale fase is een ingewikkelde procedure niet nodig, omdat misbruiken geen belangrijk effect kunnen hebben, maar vaak is ze ook niet werkzaam omdat ze trager verloopt dan het natuurlijke stervensproces. Ľ (blz. 4).

    Spreker is eveneens de mening toegedaan dat het medisch dossier volstaat om de legaliteit van de handeling a posteriori te controleren en dat de verplichte aangifte strijdig is met het medisch geheim. Bovendien zou ze de parketten overbelasten.

    Dokter Clumeck verklaart aldus : ę Een aangifte a posteriori is zinloos. Ze heeft geen pedagogische waarde. Ze maakt het alleen voor de procureur des Konings mogelijk de zeldzame gevallen waarbij de wet wordt overtreden, te onderzoeken. Wie zal echter een geval melden als hij weet dat hij de wet heeft overtreden ? Waarschijnlijk zullen twijfelgevallen niet worden gemeld, wat in Nederland in meer dan 20 % van de gevallen gebeurt. Ľ (blz. 383).

    Dokter Ingels die verwijst naar de Nederlandse ervaring, merkt op dat het moeilijk is euthanasie te laten beoordelen door een niet medische instantie : ę In Nederland probeert men de toetsingscommissies een andere samenstelling te geven opdat de artsen zich er als beroepsgroep beter zouden in vinden. Men wil in die toetsingscommissie liever een groter aantal artsen-collega's, omdat men vindt dat in een commissie met ťťn arts, ťťn jurist en ťťn ethicus, twee mensen misschien nogal ver van de dagelijkse praktijk staan. Men wil daar dus twee artsen in en eventueel ook een aantal verpleegkundigen. Ľ (blz. 62).

    Professor Vermeersch : ę Ofwel onderzoekt het parket alle gevallen ernstig, maar dan vraag ik me af wat daarvan de zin is. De meeste gevallen zullen immers volkomen aanvaardbaar zijn. Bovendien staat iets doorsturen naar het parket in zekere zin gelijk met een zelfbeschuldiging. Ofwel schuift het parket wat het krijgt, gewoon opzij en heeft de hele procedure eigenlijk geen betekenis ... Ľ (blz. 22).

    Professor Van Neste : ę ... ook in het wetsvoorstel van de meerderheid is er een artikel waarin wordt bepaald wat de arts moet nagaan vooraleer een beslissing te nemen. Dit is in feite een procedure a priori : er wordt aangegeven aan welke voorwaarden het beslissingsproces moet voldoen vooraleer de beslissing wordt genomen. Ľ (blz. 7).

    Dokter Philippart : ę Afgezien nog van de bereidheid van het gerecht om in een zo korte tijd een beslissing te nemen, zal de wachtperiode niet alleen voor de arts onhoudbaar blijken, maar meer nog voor de familie voor wie de rouwverwerking wordt uitgesteld en verstoord. Moedigt dit niet aan om de verklaring te vermijden door te verzwijgen dat het om euthanasie ging en aan de ambtenaar van de burgerlijke stand te verklaren dat het een natuurlijke dood betrof ? Ľ (blz. 78).

    Professor Dalcq : ę Ik geloof niet dat er een wetgeving moet komen voor de controleprocedure a posteriori zoals bepaald in artikel 5 van het voorstel van 20 december 1999. Deze procedure lijkt me onwerkbaar. Wie in de krant de rubriek over rechtspraak bekijkt, kan meteen vaststellen dat de feiten die nu voor de correctionele rechtbanken komen, dikwijls drie, vier of vijf jaar of zelfs langer geleden hebben plaatsgevonden. Het parket beschikt niet over de vereiste middelen om de controle te doen die een oordeel mogelijk moet maken over de in artikel 5 van het voorstel opgenomen vermeldingen. Om dit te kunnen realiseren, zou het parket moeten worden bijgestaan door geneesheren die een uitgebreide medische kennis hebben om de verschillende vormen van levenseinde te kunnen beoordelen. Dat kan ik me niet voorstellen. Laten we ons geen illusies maken over de kennis van de huisartsengeneeskunde van de wetsartsen. Het betreft twee volledig verschillende specialisaties. Men moet er zich evenmin illusies over maken dat, indien de geneesheer werkelijk met een ontoelaatbare euthanasie zou worden geconfronteerd er veel kans bestaat dat dit in het aan het parket meegedeelde dossier zou staan. Die formaliteit lijkt me dus overbodig. Indien het Parlement de concrete invloed van de wet wil nagaan, zoals voor abortus, zou het normaal zijn dat er een federale evaluatiecommissie komt. Ľ (blz. 250).

    De heer Panier : ę Mijn twijfels bij het meest besproken voorstel betreffen met name de rol van de parketten en het systematische opsporingsonderzoek Ľ (blz. 277). ę De systematische aangifte waarin hier wordt voorzien, lijkt mij niet echt haalbaar en een soort morele afwenteling in te houden : ik heb de procureur verwittigd, dus alles is in orde. Ľ(blz. 290).

    Professor Vincent : ę Het administratieve aspect schrikt af. Wij willen graag dat de dood een volledig natuurlijk fenomeen blijft en dat we geen documenten moeten invullen om een persoon te laten sterven. Ľ (blz. 256).

    Spreker meen evenwel dat de controle op de overlijdens gemoderniseerd moet worden. Daartoe moet aan de Koning een machtiging worden verleend volgens de beginselen die vermeld worden in het wetsvoorstel dat bepalingen in die zin bevat (53).

    Er wordt hier veel gesproken over een zgn. ę buffer Ľ tussen het parket en de arts en over het eventuele optreden van de evaluatiecommissie.

    Spreker is daartegen. Terwijl velen pleiten tegen de legitimering van euthanasie, begrijpt hij persoonlijk niet waarom een specifieke procedure voor de aangifte van euthanasiegevallen moet worden ingevoerd. De voorwaarden waaronder euthanasie in zeer uitzonderlijke gevallen kan worden toegepast in de terminale fase, vormen samen met het medisch dossier een voldoende waarborg. Als het er, in de terminale fase, om gaat het overlijden met enkele uren (20 % van de gevallen) of met enkele dagen (80 %) te versnellen, dan meent spreker dat het overlijden als natuurlijk moet worden beschouwd, en dat het dan niet nodig is om via een aangifte te rechtvaardigen dat in zekere zin een levensbeŽindiging zou zijn uitgevoerd.

    Volgens hem bestaat er een tegenstrijdigheid bij de voorstanders van de verplichte aangifte. Spreker vindt wel dat de aangifte van en de controle op overlijdens moeten worden gemoderniseerd. Het CVP-voorstel bevat hierover een aantal technisch zeer interessante suggesties.

    Een globale rapportering bij een evaluatiecommissie lijkt eveneens aanvaardbaar, maar de spreker is persoonlijk gekant tegen een procedure waarin geval per geval bij een dergelijke commissie aangifte wordt gedaan.

    Juridische overwegingen

    40) Voorgoed een einde maken aan clandestiene euthanasiegevallen en een vertrouwensrelatie bevorderen tussen artsen, verplegende teams, patiŽnten en verwanten : zulks vereist dat de voorwaarden waaronder euthanasie kan worden uitgevoerd, nauwkeurig worden omschreven alsook de wijze waarop kan worden gewaarborgd dat de arts geen veroordeling treft. Om tot een volstrekte rechtszekerheid te komen, moet elke schemerzone worden voorkomen.

    De heer Panier zei het in de volgende bewoordingen : ę In een situatie van leven en dood is een duidelijk afgebakende verantwoordelijkheid voor eenieder altijd te verkiezen boven de harde aanpak, de stok achter de deur, het gezwaai met concepten die als een zwaard van Damocles boven de hoofden van de beroepsmensen hangen. Ľ (blz. 278).

    Dit betekent evenwel niet dat de arts die euthanasie heeft toegepast niet ę voor de rechter kan worden gedaagd Ľ, dat wil zeggen verantwoording aflegt over de wijze waarop hij gehandeld heeft. Elke burger is steeds in rechte aansprakelijk ongeacht de daden die hij stelt. Hij moet er zeker van zijn dat hij geen straf ondergaat wanneer blijkt dat aan de wettelijke bepalingen is voldaan.

    De vraag rijst dan ook op grond waarvan voor de nodige rechtszekerheid kan worden gezorgd. Twee formuleringen zijn terzake voorgesteld : ę objectivering Ľ van de noodtoestand en de wettelijke toestemming.

    Terzake moet worden voorkomen om dubbelzinnige begrippen te gebruiken, zoals de Franse term ę dťpťnalisation Ľ. In materiŽle zin betekent ę pťnaliser Ľ een straf opleggen en bijgevolg ę dťpťnaliser Ľ geen straf meer opleggen. In die zin hebben alle voorstellen tot gemeenschappelijk doel onder bepaalde voorwaarden een euthanasiehandeling niet meer te bestraffen. In formele zin betekent de term ę dťpťnaliser Ľ die door de indieners van het gemeenschappelijk voorstel van 20 december 1999 wordt gebruikt : ę uit het Strafwetboek halen Ľ. Het woord bezit een dubbele betekenis en die dubbelzinnigheid is niet bevorderlijk voor het debat. Dit heeft professor Van Neste trouwens impliciet opgemerkt door terecht te weigeren dat woord te gebruiken ę Ik heb het woord ę depenaliseren Ľ ... niet in de mond genomen. Ik zoek enkel naar een legitieme vorm van levensbeŽindigend handelen. Ľ (blz. 74).

    Noodtoestand

    41) Sommigen hebben geopperd dat de noodtoestand in dit opzicht kan worden ę geobjectiveerd Ľ.

    Deze oplossing mag niet ambtshalve worden uitgesloten.

    Professor Vermeersch heeft op een vraag van de heer Vandenberghe aldus geantwoord : ę Ik vind dat een interessante gedachte omdat ze een compromis inhoudt door, enerzijds, te stellen dat het in onze samenleving belangrijk is dat het beginsel ę u zult niet doden Ľ in de strafwet blijft, maar door, anderzijds, ook voldoende middelen ter beschikking te stellen om op het terrein tegemoet te kunnen komen aan ondraaglijke, onheilzame of onbehandelbare situaties (...) Ik kan u daarin wel volgen, maar wat zeker niet mag blijven staan, is dat men alleen in die gevallen de noodtoestand mag inroepen. Een noodtoestand moet in een particulier geval altijd kunnen worden ingeroepen. Dat is precies de definitie van de noodtoestand. Men kan niet in een wet inschrijven dat men in die of die gevallen de noodtoestand niet kan inroepen. Die bepaling moet er in elk geval uit. Ik neem aan dat u het daarover met mij eens kan zijn. Men kan de noodtoestand niet beperken. Hij moet in alle gevallen kunnen worden ingeroepen. Dat is duidelijk. Men kan wel, zoals in het PSC-voorstel, in de wet inschrijven, dat als men de noodtoestand onder die voorwaarden inroept, men niet lastig wordt gevallen. Men kan echter niet het omgekeerde zeggen. Ľ (blz. 25).

    Professor Vermeersch stelde verder : ę Het is dan ook mijn bescheiden mening, dat de figuur van de noodtoestand geen echt goede oplossing is, hoewel ik ermee zou kunnen leven als ze in de feiten die euthanasiehandelingen, die echt verantwoord zijn, mogelijk maakt. Een toenadering tussen de standpunten lijkt mij in dit opzicht mogelijk. Ľ (blz. 4). Hij voegde er het volgende aan toe : ę Men kan wel, zoals in het PSC-voorstel, in de wet inschrijven, dat als men de noodtoestand onder die voorwaarden inroept, men niet lastig wordt gevallen. Ľ (blz. 25).

    Uit de opmerkingen van de juristen die in de gemeenschappelijke commissies zijn gehoord blijkt die oplossing niet ideaal voor de spreker.

    Wat is een noodtoestand ?

    42) Professor Messine heeft terzake de volgende definitie gegeven : ę De noodtoestand is een rechtvaardigingsgrond die, zoals u terecht opgemerkt hebt, geen wettelijke maar een jurisprudentiŽle creatie is, een toestand waarin iemand zich bevindt die de keuze heeft tussen het plegen van een misdrijf maar om zo een hogere waarde te redden dan die welke verdedigd wordt in de wet die het feit strafbaar stelt, of dit misdrijf niet plegen maar dan wel die waarde verloren laten gaan. Indien hij het feit pleegt en de hogere waarde redt, dan wordt hij in tegenstelling tot andere rechtvaardigingsgronden gefeliciteerd omdat hij de goede keuze heeft gemaakt; indien hij integendeel het feit niet gepleegd heeft, indien hij verzuimd heeft de wet te overtreden, zal hij daarvoor uit moreel oogpunt berispt worden. Ľ (blz. 212).

    De noodtoestand houdt een ethische rechtvaardiging in van alle voorstellen.

    43) Het is van belang te beklemtonen dat de noodtoestand een ethische rechtvaardiging inhoudt van alle voorstellen. In elk voorstel dat tot dusver in de gemeenschappelijjke commissies wordt onderzocht, zo heeft de heer Messine tijdens de hoorzitting opgemerkt, wordt uitdrukkelijk verwezen naar het begrip ę noodzaak Ľ. In het gemeenschappelijk voorstel van 20 december 1999 is er in het nieuwe voorgestelde artikel 417bis van het Strafwetboek sprake van ę de noodzaak om een einde te maken aan de niet te lenigen, aanhoudende en ondraaglijke pijn of nood Ľ (54).

    Vanuit juridisch oogpunt lijkt het onredelijk een beroep te doen op de ę objectivering Ľ van de noodtoestand.

    Is het mogelijk de noodtoestand te objectiveren ?

    44) Professor Vermeersch verwees in dit verband naar het citaat van Paul Foriers van 1951 : ę Il ne serait pas plus rationnel de gťnťraliser l'ťtat de nťcessitť que l'ťtat de contrainte. Il n'y a pas de droit gťnťral de nťcessitť. Il y a des cas de nťcessitť et la question de savoir si la nťcessitť existe sera toujours une question de fait. Ľ (blz. 4).

    Professor Messine heeft dit bevestigd in antwoord op een vraag van mevrouw Nyssens : ę Op de eerste vraag van mevrouw de senator over de objectivering van de noodtoestand door middel van wettelijke voorwaarden, antwoord ik dat zoiets onmogelijk is, juist krachtens de definitie van de noodtoestand. U hebt het zelf vermeld : de noodtoestand is de situatie waarin iemand zich bevindt, niet omdat hij een misdrijf kan plegen maar omdat hij een misdrijf moet plegen, hij daarvoor kiest, en dat om een hogere waarde te redden dan die welke bepaald is door de tekst die het feit strafbaar stelt, of die ervoor kiest die overtreding niet te plegen en die waarde verloren te laten gaan. Doen wat de plicht gebiedt te doen door de wet te overtreden, ofwel de wet niet overtreden en niet doen wat de plicht gebiedt te doen. Hoe wilt u dat objectiveren ? Ľ (blz. 217).

    De ę geobjectiveerde Ľ noodtoestand is hetzelfde als een machtiging door de wet.

    45) Voortgaande op het wetsvoorstel van de CVP onderstreepte de heer Messine dat de ę geobjectiveerde Ľ noodtoestand hetzelfde is als een machtiging door de wet : ę Maar indien het werkelijk om een noodtoestand ging, was het niet noodzakelijk wetgevend werk inzake euthanasie te verrichten omdat de noodtoestand een rechtvaardigingsgrond is die voor alle misdrijven bestaat en dus ook voor doodslag. In beide voorstellen gaat het in werkelijkheid wel degelijk om een machtiging door de wet ... Het gaat om een machtiging door de wet en helemaal niet meer om een noodtoestand en niemand zal zich daarin vergissen. Ľ (55).

    Het gebruik van het begrip noodtoestand is dus niet alleen weinig opportuun, het is ook nutteloos.

    46) Professor Van Neste heeft zich in dit verband duidelijk uitgesproken : ę Het begrip noodtoestand heeft een belangrijke rol vervuld bij het zoeken naar wat men de objectieve voorwaarden noemt om euthanasie te legitimeren (...). Wanneer deze noodtoestandvereiste zoals wij die geleidelijk hebben gepreciseerd ≠ met name een terminale patiŽnt met een ondragelijk lijden dat niet meer kan gelenigd worden ≠ als essentiŽle voorwaarde voor het legitimeren van euthanasie zou worden vermeld (...), dan is er geen reden meer om uitdrukkelijk een beroep te doen op het begrip van de noodtoestand.

    ę Ik ben er echter van overtuigd dat de discussie over het begrip noodtoestand een heel belangrijke rol heeft gespeeld in het geleidelijk ontdekken van wat het essentiŽle is om over een noodtoestand te spreken. Het begrip noodtoestand heeft dan als het ware in zekere mate de functie gehad van de raket die een capsule in haar baan moet brengen. Op het ogenblik dat de capsule in de vereiste baan is, wordt de raket afgeworpen. Het begrip noodtoestand is niet meer nodig want het essentiŽle krijgt nu zelfs een wettelijke omschrijving (...) Ľ (blz. 52).

    De heer Adams heeft praktisch hetzelfde verklaard maar in andere bewoordingen : ę Belangrijk voor mij als burger is hoe de wet er inhoudelijk uitziet, wat de materiŽle en formele voorwaarden zijn waaronder euthanasie mogelijk moet zijn. Of men dat een noodtoestand noemt of niet, maakt dan niet veel uit, hoewel er wel een zekere symboliek van uitgaat. Ľ (blz. 18).

    De machtiging door de wet als uitzondering op het strafrechtelijk verbod.

    47) De machtiging van de arts om in de omschreven omstandigheden euthanasie toe te passen kan worden ingesteld door middel van een uitzondering op het strafrechtelijk verbod tot doden, zoals bepaald wordt door het gemeenschappelijke wetsvoorstel van 20 december 1990.

    Sommige juristen werpen op dat deze oplossing op twee bezwaren zou stuiten : enerzijds de toepassing van het begrip noodtoestand op andere situaties dan die welke in de wet worden beoogd, en anderzijds de voorschriften van de artikelen 2 en 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens.

    Spreker heeft als eerste de aandacht gevestigd op de eerste vraag, nog voordat de hoorzittingen werden gehouden, in antwoord op een betoog van de heer Vandenberghe. Het antwoord daarop is eenvoudig : om deze klip te omzeilen moet men gewoon gebruik maken van een passende redactietechniek, bij voorbeeld door een typeformule toe te voegen als ę onverminderd de toepassing van enige andere verschoningsgrond op andere feiten Ľ, zoals de heer Panier heeft opgemerkt (blz. 284).

    Het vraagstuk van de artikelen 2 en 3 van het Europees Verdrag werd anderzijds door verschillende deskundigen aangevoerd. Ook hier deelt spreker de mening van de heer Panier die betoogde : ę Persoonlijk vraag ik mij af of men deze kwestie voor ogen had bij de redactie van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en dan meer bepaald van de artikelen 2 en 3. Ik ben niet zeker dat Straatsburg op basis van artikel 2 of a fortiori van artikel 3 een veroordeling zou uitspreken. Ľ (blz. 283). Niettemin blijft daar een schemerzone bestaan.

    Er is ook gesproken over de symbolische waarde van een aantasting van het verbod tot doden.

    Deze aantasting zou in werkelijkheid zeer relatief zijn.

    Professor Vermeersch merkte hierover op : ę Ik begrijp dat dit beroep op de noodtoestand bedoeld is om in het Strafwetboek een algemeen verbod op doden te handhaven, vooral wegens de symbolische betekenis ervan, maar er blijft van deze symboliek niet veel over zodra men weet dat een bestaande praktijk in feite wordt getolereerd. Nederland is in heel de wereld bekend als een land waar euthanasie mogelijk is, ook al is de strafwet nog niet veranderd. Ľ (blz. 4).

    De heer Messine was dezelfde mening toegedaan : ę De aantasting van de functie van de strafwet is in de ogen van de burger overal gelijk, waar de wetgever zijn machtiging ook inlast. Of u die in het Strafwetboek dan wel in het koninklijk besluit nr. 78 plaatst, maakt in dit verband niets uit : het is voldoende dat de burger weet dat de wet euthanasie toestaat in het Wetboek of elders. Het voorbeeld van Nederland is in dit verband zeer verhelderend : iedereen denkt dat de wet euthanasie toestaat, zelfs al is dat technisch gezien, zoals u weet, net het geval. Ľ (blz. 213) ę Het wetboek of het koninklijk besluit ? Dat blijft me gelijk. Indien u euthanasie toestaat, in het wetboek of in een koninklijk besluit, veroorzaakt u een verzwakking van het verbod om iemand anders te doden. (blz. 216). ę Of deze opsomming in het Strafwetboek staat of in een andere wetsbepaling, zal niemand misleiden. Iedereen zal weten dat de wet in BelgiŽ in die en die gevallen euthanasie toestaat. Ľ (blz. 222).

    De heer Panier merkte anderzijds op dat de uitzondering, in plaats van de regel te ontkrachten, de regel bevestigt : ę Zodra men het Strafwetboek of zelfs het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens opent, stelt men vast dat er weinig bepalingen zijn waarop geen uitzonderingen bestaan ... Ľ (blz. 273)

    Niettemin hebben talrijke sprekers zich zorgen gemaakt over elke aantasting van het verbod tot doden, hoe licht ze ook is.

    48) Dat heeft spreker ertoe aangezet de euthanasieregels in een andere wettekst dan in het Strafwetboek voor te stellen.

    Hij onderstreept in dit verband het feit dat voor de voorstanders van het ę depenaliseren Ľ van euthanasie de kwestie niets uitmaakt, op voorwaarde dat ze maar dezelfde rechtszekerheid biedt.

    Naast de heer Vermeersch, reeds aangehaald, vertolkte ook mevrouw Herremans deze mening wanneer spreker haar daarover ondervroeg (blz. 195).

    Mevrouw Herremans : ę Volgens mij is het van wezenlijk belang om een dialoog in alle rust te kunnen voeren, in alle duidelijkheid. Ik heb het niet zo op halfslachtige maatregelen ten aanzien van rechtszekerheid. Ľ

    Vraag : ę Welke stelling zou u innemen als voorzitter van de Association pour le droit de mourir dans la dignitť in de veronderstelling dat we een oplossing zouden vinden die dezelfde rechtszekerheid biedt ? Zou u blijven pleiten voor het schrappen van euthanasie uit het Strafwetboek in plaats van een koninklijk besluit ? Ľ

    Mevrouw Herremans : ę Ik wacht uw tekst af. Overtuig me dat u de oplossing hebt. Ľ

    Vraag : ę Ik wil graag een antwoord. Met andere woorden, zou u nog steeds erop aandringen dat de uitzondering wordt opgenomen in het Strafwetboek als wij u kunnen overtuigen dat de rechtszekerheid dezelfde is ? Ľ

    Mevrouw Herremans : ę Dit is een bedrieglijke discussie. Als u me kunt bewijzen dat een oplossing deze rechtszekerheid kan garanderen, welke oplossing dan ook, dan geef ik me gewonnen.

    De machtiging door de wet in een aparte regelgeving

    Er moet een onderscheid worden gemaakt tussen het Strafwetboek en de strafwet. Tal van strafbepalingen zijn immers opgenomen in wetten die los staan van het Wetboek.

    49) Zo blijkt de mogelijkheid te bestaan dat de wettelijke machtiging, met dezelfde rechtszekerheid als die welke een uitzondering op de strafwet heeft, in een aparte regelgeving wordt opgenomen, rekening houdende met de opmerkingen van de professoren Van Neste, Messine en Adams en ingaande op het voorstel van professor Dalcq.

    Tijdens de hoorzitting had professor Van Neste reeds in de volgende bewoordingen gesproken over het koninklijk besluit nr. 78, dat zoals bekend is, kracht van wet heeft : ę Sommigen willen de euthanasieprocedure inschrijven in het Strafwetboek. Ik beweer dat die rechtszekerheid evengoed gegarandeerd is als die procedure wordt opgenomen in het koninklijk besluit nr. 78 ... Het koninklijk besluit nr. 78 met de daarin opgenomen deontologische regels hebben kracht van wet. Dat besluit geeft de arts een heel grote rechtszekerheid. Ľ (blz. 62 en 64). De heer Van Neste .... : ę Ik denk dat we eigenlijk hetzelfde willen bereiken, namelijk dat mensen die ondraaglijk lijden en vragen om geholpen te worden, inderdaad op een legitieme manier geholpen kunnen worden. Ik beschouw dat dan inderdaad als een positieve daad. Waarom mag dit dan niet in het strafwetboek worden opgenomen ? Ik kan de vraag ook omkeren. Volstaat het niet dat we dit inschrijven in het koninklijk besluit nr. 78 ? Dit is een wettelijke basis die voldoende rechtszekerheid biedt. Ľ (blz. 75).

    Spreker vermeldt ook het betoog dat de heer Messine hierover heeft gehouden (blz. 231) :

    Vraag : ę Zou men door een gedraging voor te schrijven bij de begeleiding van het levenseinde, door te bepalen dat de artsen op de ene of de andere wijze moeten handelen, niet kunnen bereiken wat u omschreven hebt als een stilzwijgende machtiging, waarin de toetsing van de voorwaarden ≠ het spreekt vanzelf dat er een controle moet blijven maar de onzekerheid zou minder groot zijn ≠ een controle van de redenen zou inhouden, iets wat u terecht ter harte gaat ? Ľ

    De heer Messine : ę Dat is mogelijk maar dat is natuurlijk een grote verandering in de manier van denken. Op dat ogenblik beoogt men niet meer dat de wet euthanasie uitdrukkelijk toestaat in een aantal gevallen die in de wet omschreven zijn, men doet iets anders, men reglementeert. Ľ

    Vraag : ę Het is onze bedoeling alle mogelijkheden te onderzoeken, zonder a priori's. Wij zijn niet aan het debatteren over een of meerdere welbepaalde wetsvoorstellen. Wij debatteren over een geheel van voorstellen en wij trachten de meest gepaste formules te vinden om tegemoet te komen aan de bezorgdheid waarvan wij getuige zijn in het kader van de hoorzittingen. Ľ

    De heer Messine : ę Ik denk dat deze bezinning kan leiden tot oplossingen die minder sterk afbreuk doen aan wat mijn voornaamste zorg is, namelijk de eigenlijke waarde van de wet. Dat is wellicht niet onmogelijk. Ľ

    50) Professor Dalcq is in dat verband zeer duidelijk geweest en heeft aangetoond dat de machtiging door de wet reeds de grondslag vormt voor een aantal handelingen van artsen die a priori strijdig zijn met het Strafwetboek.

    Van bij de aanvang wees hij op het volgende feit : ę Nochtans brengt een chirurg, telkens als hij een patiŽnt opereert, opzettelijk verwondingen toe, wat in principe verboden is door artikel 398 van het Strafwetboek. Telkens als een arts aan een zieke geneesmiddelen voorschrijft of toedient, dat wil zeggen middelen die in bepaalde gevallen de gezondheid kunnen aantasten, stelt hij een handeling die op het eerste gezicht verboden is door de artikelen 402 en volgende van het Strafwetboek. Toch ontsnapt de arts in al die gevallen aan strafrechtelijke vervolging, indien hij geen enkele onopzettelijke fout in de zorgverlening heeft begaan. We moeten ons afvragen waarom dat zo is. De heer Messine heeft het antwoord daarop vanochtend al gegeven (56). Ik ga daar wat meer in detail op in. Ľ (blz. 236).

    De heer Dalcq schetste vervolgens een beeld van de ontwikkelingen in de jurisprudentie terzake en citeerde ten besluite uit een vonnis : ę De arts die zijn beroep uitoefent op de wijze die de wetgever heeft gereglementeerd, toegestaan of opgelegd, geniet een wettelijke rechtvaardigingsgrond die hem voor alle vervolgingen behoedt. De immuniteit van de chirurg vindt aldus haar grondslag in de door de wet verleende toestemming. Dat komt neer op het principe van de toestemming waarover de heer Messine vanmorgen sprak. Zijn ingreep wordt verondersteld gerechtvaardigd te zijn, maar deze veronderstelling is relatief en het komt aan het openbaar ministerie toe om het eventuele misbruik van het wettelijk voorschrift te bewijzen. Ľ (blz. 237).

    In dit verband zij vermeld dat het openbaar ministerie altijd uit eigen beweging kan optreden. Het principe is hetzelfde, namelijk dat in het Strafwetboek een uitzondering wordt bepaald of dat dit in een aparte wet wordt bepaald. Het openbaar ministerie zal altijd moeten bewijzen dat de wettelijke voorwaarden niet aanwezig waren.

    Professor Dalcq formuleerde tenslotte een concreet voorstel, dat volgens spreker een inspiratiebron zou kunnen vormen voor de wetgever (blz. 251 en 252).

    Dit voorstel bestond in het invoeren in de wet van regels voor de handelingen van levensbeŽindiging. De heer Dalcq, zoals de heer Vanneste, verwees in dit opzicht naar koninklijk besluit nr. 78 van 10 september 1967 dat aangezien het om een bijzonderemachtenbesluit gaat, kracht van wet heeft. Maar voor een aantal personen vermeldde hij dat deze regelgeving vanzelfsprekend in een autonome wet zou kunnen worden opgenomen.

    51) De heer Adams lijkt dezelfde mening toegedaan te zijn : ę Op welke plaats moeten we de legalisering van een wetsconform euthanaserend handelen veruitwendigen : is dat in de strafwet zelf of moet dit gebeuren door middel van een wettelijke bepaling op een andere plaats ? Een heel aantal mensen noemen de discussie of je euthanasie al dan niet door middel van het strafwetboek zelf moet regelen een symbooldiscussie. Dat is inderdaad een juiste evaluatie, omdat een regeling met betrekking tot euthanasie, of ze nu al dan niet in het strafwetboek zelf staat opgenomen, in ieder geval minstens de bedoeling heeft om euthanasie onder bepaalde voorwaarden toe te staan. Ľ (blz. 8).

    Hij voegde hieraan toe : ę Ik heb gezegd dat het koninklijk besluit nr. 78 mij minder geschikt lijkt, niet omdat euthanasie geen medische handeling is, maar omdat het geen gewone medische handeling is ... Indien echter de regulering van euthanasie daarin wel wordt opgenomen, zal ik daar niet van wakker liggen ... Kunnen we euthanasie via de strafwetprocedure regelen ? Eigenlijk is het in Nederland tot nog toe min op meer op die manier gegaan ...

    Alleen maar een procedure ontwerpen is in BelgiŽ echter onaanvaardbaar. De wetgever zal toch de materiŽle en formele voorwaarden moeten geven, als er nog geen rechtspraak is. In Nederland was het mogelijk dat slechts een procedure werd uitgewerkt, juist omdat de formele et materiŽle voorwaarden door de rechtspraak bekend waren. Als dat niet het geval is, moet de wetgever zijn verantwoordelijkheid nemen. Ľ (blz. 21). ę Als er ťťn les kan worden getrokken uit de Nederlandse situatie, dan is het dat het gewoon niets uitmaakt of de toestemming om euthanasie te plegen nu al dan niet in het Strafwetboek wordt opgenomen. Het gaat wel om de strafrechtelijke sfeer die rond de melding hangt. Ľ (blz. 23).

    Op een vraag betreffende de rechtszekerheid gaf de heer Adams het volgende antwoord : ę De rechtszekerheid die door de arts wordt ervaren, ligt in de strafrechtelijke sfeer, wat losstaat van de vraag waar de bepalingen omtrent euthanasie worden opgenomen, hetzij in het strafwetboek zelf, hetzij in een andere wet, in het koninklijk besluit nr. 78 of in een afzonderlijk wetsvoorstel. Het moet alleszins in een formele wet worden opgenomen. Maar de discussie gaat niet over rechtszekerheid in de context van het al dan niet betrekken van het strafwetboek zelf. Het gaat echter wel om de criminele sfeer die er rond hangt. Ľ (blz. 23).

    52) Spreker meent in elk geval dat een regelgeving slechts opportuun en nuttig zal zijn indien ze gedragen wordt door een brede maatschappelijke basis, zowel in de medische en de verzorgingswereld als bij de bevolking (57) en bijgevolg ook door een brede parlementaire basis, dat wil zeggen ze moet de traditionele politieke, levensbeschouwelijke, religieuze of partijgebonden tegenstellingen overstijgen.

    Het is verbazend dat een tweederde meerderheid nodig is om de landbouw of de buitenlandse handel te regionaliseren, terwijl een gewone meerderheid, waart het op ťťn stem aankomt, genoeg zou zijn om een wet op te leggen die over leven en dood gaat.

    Voor alles wat betrekking heeft op onderwijs en cultuur, bestaat in BelgiŽ bovendien sinds ongeveer 45 jaar een cultuurpact dat de verplichting oplegt rekening te houden met eenieders overtuigingen en ook een ruim akkoord na te streven.

    Men kan zich immers afvragen of het euthanasievraagstuk geen culturele dimensie inhoudt.

    Een ruim akkoord nastreven veronderstelt natuurlijk dat elkeen een inspanning levert.

    Spreker verklaart dat hij wil blijven openstaan en hij er zich dus niet toe verbindt een wet goed te keuren die euthanasie uit het strafrecht zou halen, indien er geen andere mogelijkheid bestond.

    Maar hij wil mee vorm geven aan een consensus, zolang hij het gevoel blijft hebben dat aan weerszijden de wil bestaat om vooruitgang te boeken.

    Natuurlijk gaat het over een regelgeving die betrekking heeft op de terminale fase, die geen regels aanreikt voor andere vraagstukken die tijdens het debat rijzen en die volgens spreker in het kader van de huidige wetgeving kunnen worden opgelost.

    De heer Dalcq heeft duidelijk gesteld dat zelfdoding geen misdrijf is. Bijgevolg is het verlenen van medewerking aan een dergelijke handeling evenmin een misdrijf. De voorwaarden voor het misdrijf van het niet-verlenen van bijstand aan een persoon die in gevaar verkeert, zijn vrij duidelijk : iemand die herhaaldelijk verzoekt een euthanasie te willen ondergaan, en voor wie de nodige voorzorgen zijn genomen, zou volgens spreker bijstand kunnen krijgen zonder dat hiervoor een straf wordt uitgesproken.

    Er zijn ook andere gevallen, van patiŽnten die het bewustzijn hebben verloren of niet in staat zijn hun wil te uiten. In die gevallen volstaat de noodtoestand zoals die thans bestaat.

    Op basis van de ervaring zou de voorgestelde regelgeving verder verfijnd en verduidelijkt kunnen worden.

    In zijn eenparig advies van 27 januari 2000 over het thema Fin de vie, arrÍt de vie, euthanasie, dat op 23 maart aan de commissieleden werd meegedeeld, en dat door de voorzitter, professor Sicard, tijdens een hoorzitting met enkele commissieleden werd toegelicht, haalde het Franse Comitť consultatif national d'ťthique Jean de La Fontaine aan : ę Un riche laboureur, sentant sa mort prochaine, fit venir ses enfants, leur parla sans tťmoins Ľ ≠ en merkte op dat de stervende indertijd de dood voelde naderen en zich daarop kon voorbereiden, en dat het sterven toen een familie- en openbare aangelegenheid was waarin de stervende omringd was. Spreker formuleert de wens dat de verenigde commissies, door middel van hun werkzaamheden, deze stervenskunst mee helpen terugvinden.


    Een lid verklaart namens zijn fractie en in persoonlijke naam dat de hoorzittingen nuttig en verrijkend zijn geweest. Een reeks uitzonderlijke getuigen zijn gehoord : zij hebben met hun medische, ethische en filosofische overwegingen de grote verdienste gehad stevig in de werkelijkheid geworteld te zijn.

    Dankzij deze hoorzittingen is het mogelijk geweest zowel hier als in het veld, in hun verdere werking, personen uit uiteenlopende netwerken ≠ en in heel BelgiŽ ≠ te ontmoeten.

    Het debat heeft de zaak kunnen ę opentrekken Ľ buiten de verenigde commissies. Spreekster is ervan overtuigd dat het debat vele parlementsleden ertoe heeft aangezet zichzelf te bevragen. Volgens haar moet men zich in een zo complexe en aan evolutie gebonden materie vragen blijven stellen.

    In dit verband verklaart zij zich op bepaalde ogenblikken een beetje ongemakkelijk te hebben gevoeld toen een aantal gehoorde personen niet werden beluisterd met het respect dat ze verdienden.

    De eerste conclusie die zij trekt uit dit maandenlange werk is dat het euthanasieprobleem niet enkel kan worden opgelost door een eenvoudige wetswijziging : wij moeten onze kijk op de geneeskunde veranderen alsook de manier waarop wij met geneeskunde omgaan.

    Zij stelt ook vast dat zoals bij vele andere aangelegenheden die in het Parlement behandeld worden, de vraag naar een wijziging van de rechtsregels (zoals ze ook in andere landen geformuleerd wordt) erop wijst dat het recht meer dan ooit een vergelijkingspunt bij uitstek is in onze samenleving ... De redenen die pro euthanasie worden aangehaald worden juridisch vertaald : recht op waardig sterven, recht op sterven, recht om te beslissen over het ogenblik waarop men sterft, rechten van de patiŽnt, maar ook recht op bescherming van de zieken. Dit alles kadert in een meer algemene mensenrechtenbeweging, in een juridisering waaraan positieve en negatieve aspecten verbonden zijn. De erkenning van een recht is een zaak, de uitoefening van dit recht een andere en het uitoefenen van controle nog een andere.

    Spreekster stelt nochtans vast dat het niet altijd makkelijk is een ontmoetingspunt te creŽren voor artsen en juristen en voor artsen en politici.

    De hoorzittingen hebben, zo meent zij, de grote verdienste dat zij die beroepscategorieŽn met elkaar in contact hebben gebracht.

    De te behandelen aangelegenheid heeft volgens haar meer te maken met medische handelingen dan met het recht in het algemeen en met het strafrecht in het bijzonder.

    Medische handelingen veranderen mettertijd en passen zich ook aan de nieuwe realiteit en aan bijzondere gevallen.

    De belangrijke boodschap die spreekster uit de hoorzittingen onthouden heeft is dat de ę medische wetenschap Ľ onophoudelijk ertoe aangezet moet worden oog te hebben voor het lijden waarbij de prioritieit van de prioriteiten de pijnbestrijding is. De behandeling van pijn heeft voorrang op de filosofische toepassing van principes zoals de ę autonomie van de rede Ľ.

    Zij onthoudt daarenboven vooral dat ervaring met palliatieve zorg nuttig is voor de hele geneeskunde en dat palliatieve zorg een essentiŽle rol speelt in het ethisch proces van het opnieuw controle krijgen over het sterven. Het succes ervan wordt juist verklaard door het centraal stellen van de patiŽnt dat wil zeggen door rekening te houden met zijn wensen, zijn woorden en zijn levenskwaliteit en door het doorbreken van het isolement van die patiŽnt.

    Tenslotte is spreekster zich bewust geworden van de macht die de geneeskunde heeft over leven en dood maar ook over de grenzen van die macht. Zij beseft dat die macht moet worden begeleid, dat zij slechts mag worden uitgeoefend in het kader van een verantwoordelijkheidsethiek.

    Vroeger werd de stervensproblematiek gekenmerkt door het streven naar het overleven van het individu.

    Vandaag ligt die problematiek anders. Door de vooruitgang van de geneeskunde, de langere levensduur van het individu, de complexe klinische gegevens is de vraag ę hoe overleven Ľ verandert in ę wanneer en hoe sterven Ľ.

    Bij terminale patiŽnten weegt de arts drie zaken af :

    1. Het recht op fysiek leven : zolang er hoop is op een behandeling kan er geen sprake van zijn de behandeling stop te zetten, de patiŽnt te laten sterven of hem te helpen bij zelfdoding (ę vitalisme Ľ).

    2. Het recht op zelfbeschikking van de patiŽnt : de patiŽnt heeft het recht zijn wil te kennen te geven, hij heeft er recht op dat naar hem geluisterd wordt en dat zijn wensen aanhoord worden. Om in te stemmen met een behandeling of om een behandeling te weigeren moet hij eerst vooraf correct geÔnformeerd zijn.

    3. De noodzaak om de pijn en het lijden in de stervensfase tot een minimum te reduceren.

    De afweging moet evenwichtig zijn. Gebeurt dat niet, dan leidt dit tot ontsporingen. Gaat men tot het uiterste in de strijd tegen de pijn, dan beperkt men het zelfbeschikkingsrecht van het individu.

    Gaat men tot het uiterste om het recht op zelfbeschikking te garanderen, dan leidt dit tot een ongenuanceerde liberalisering, komt men in aanvaring met de behandelingsvrijheid van de arts en bestaat het gevaar voor ontsporingen (cf. beperking van de autonome wil om te sterven : extreme afhankelijkheid, pressie ...).

    Gaat men tot het uiterste in het wettigen van het recht op fysiek leven, dan rijst het gevaar voor zinloos medisch handelen.

    Voor ons is het duidelijk dat elke wetgeving of regelgeving betreffende de medische beslissingen rond het levenseinde, drie beginselen in acht moet nemen :

    1. De eerbied in alle omstandigheden voor de waardigheid van de mens als een relatiebekwaam wezen : ę Een individuele aanpak vereist dat men de zieke niet alleen als een zieke ziet, maar dat men hem beschouwt als een menselijk wezen, dat zijn waardigheid ontleent aan zijn betrokkenheid op anderen Ľ (58).

    2. Groeiende aandacht voor de kwetsbaarste individuen.

    3. Het in acht nemen van een verantwoordelijkheidsethiek (voorzorgs- en waakzaamheidsbeginsel).

    De hoorzittingen hebben de diversiteit en de complexiteit van de terminale levensfase aangetoond alsook de grenzen van de geneeskunde in sommige situaties. Een wet maken die voor al deze vaak ingewikkelde toestanden een oplossing biedt, is een moeilijke zaak.

    Tijdens de hoorzittingen werd verwezen naar leemten op het stuk van de opleiding : medische (op het gebied van de pijnverlichting), psychologische (op het gebied van de begeleiding, het luisteren naar de patiŽnt) ethische (bevraging), zowel bij de artsen als bij het verplegend personeel. Tijdens de hoorzitting kwam ook de eenzaamheid en de vermoeidheid van het verplegend personeel aan het licht.

    De invoering van palliatieve zorgverlening in ziekenhuizen, in de thuiszorg, in de rust- en verzorgingstehuizen heeft evenwel aangetoond dat een rijkere en menselijke weg mogelijk is en die de minst slechte oplossing is voor de wanhoop en het uitzichtloos lijden van stervende patiŽnten.

    Veel mensen die gehoord werden, hebben gewezen op de vaagheid van de gebruikte begrippen en op de uiteenlopende medische praktijken of op de interpretatie van die praktijken door de artsen.

    Het belang van de definities en van nauwgezetheid in de gebruikte begrippen

    Wat is euthanasie ? Alle gevallen zijn niet over ťťn kam te scheren. Er moet een onderscheid worden gemaakt. Men kan immers de definities die internationaal en in de hele medische literatuur erkend worden, niet naast zich neerleggen. Vele sprekers hebben ook gewezen op de noodzaak het eens te worden over de definities van begrippen die in een eventuele wet worden gebruikt (59).

    Zo is het belangrijk actieve euthanasie (soms directe actieve euthanasie genoemd) te onderscheiden van wat soms indirecte euthanasie wordt genoemd (of indirecte actieve euthanasie) alsook van de euthanasie die onjuist passieve euthanasie genoemd wordt (rechtstreeks gekoppeld aan de weigering een zinloze medische behandeling voort te zetten).

    Spreekster en haar fractie onderschrijven het standpunt van vele sprekers die op dit onderscheid (60) gewezen hebben. Dit sluit overigens perfect aan bij het standpunt dat ook verdedigd wordt in vele internationale teksten.

    In Aanbeveling 1418 van 25 juni 1999 van de Raad van Europa betreffende de bescherming van de mensenrechten en de waardigheid van ongeneeslijk zieken en stervenden beveelt de Assemblee de Ministerraad aan de lidstaten van de Raad van Europa ertoe aan te zetten de waardigheid van ongeneeslijk zieken en stervenden in alle opzichten te respecteren en te beschermen door het recht van de ongeneeslijk zieken en van de stervenden op integrale palliatieve zorgverlening te bekrachtigen en te beschermen, waarbij maatregelen genomen worden die nodig zijn opdat, ę vii. (...) behalve indien de patiŽnt dit weigert de ongeneeslijk zieken en stervenden de nodige pijnbestrijdende behandelingen en palliatieve zorg krijgen, zelfs al kan de behandeling als neveneffect hebben dat het leven van de patiŽnt verkort wordt Ľ en ę c. waarbij het absolute verbod op het opzettelijk beŽindigen van het leven van ongeneeslijk zieken en stervende personen gehandhaafd wordt maar waarbij wel de volgende noodzakelijke maatregelen worden genomen :

    i. het recht op leven, met name wat ongeneeslijk zieken en stervenden betreft, wordt gewaarborgd door alle lidstaten overeenkomstig artikel 2 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, dat bepaalt ę niemand mag opzettelijk van het leven worden beroofd Ľ;

    ii. de door de ongeneeslijk zieke of stervende persoon uitgedrukte wens om te sterven mag nooit een juridische grond zijn voor zijn dood door toedoen van een derde;

    iii. de door een ongeneeslijk zieke of stervende persoon uitgedrukte wens om te sterven kan op zich nooit een wettelijke rechtvaardiging zijn voor handelingen die bedoeld zijn om de dood tot gevolg te hebben Ľ.

    Dezelfde aanbeveling onderscheidt duidelijk het recht voor de stervende patiŽnt op een niet langer rekken van zijn leven van zijn wil om over te gaan tot euthanasie : ę 42. De idee dat de onderbreking van de behandeling wettelijk kan zijn en strikt gescheiden moet worden gehouden van de hulp bij zelfdoding en van euthanasie moet worden medegedeeld aan de medische begeleiders Ľ. Verder leest men nog : ę 44. Hoewel de arts de wil van een zieke die wenst af te zien van sommige behandelingen, moet kunnen erkennen en zich daarnaar moet kunnen schikken, moet hij weigeren in te gaan op de wens dat actief een einde wordt gemaakt aan het leven van de patiŽnt. De arts moet nooit de integriteit van het lichaam of de geest van een zieke aantasten, ook niet op diens verzoek Ľ.

    De Wereldgeneeskundige Associatie zegt in haar Verklaring over de terminale fase van ziekten (1983) uitdrukkelijk :

    ę a) De arts kan een patiŽnt de pijn besparen die gepaard gaat met een terminale aandoening door een behandeling na te laten met instemming van de patiŽnt of zijn verwanten indien de patiŽnt zelf niet in staat is zijn mening te kennen te geven. De arts moet de stervende echter wel blijven bijstaan en hem kalmeermiddelen en medicijnen toedienen die hem verlichting kunnen brengen in de stervensfase.

    b) De arts dient zich volgens de verklaring te onthouden van uitzichtloze therapieŽn, dat wil zeggen speciale behandelingen waaruit de patiŽnt geen enkel voordeel zal halen (...) Ľ.

    In haar Verklaring van Madrid (1987) bevestigt de Wereldgeneeskundige Associatie dat het ę opzettelijk beŽindigen van het leven van een zieke zelfs op diens verzoek of op het verzoek van de naaste verwanten strijdig is met de ethiek. Dit belet de arts geenszins de wens van de zieke te respecteren om het natuurlijk stervensproces zijn gang te laten gaan tijdens de terminale fase van de ziekte Ľ.

    In haar Verklaring van Marbella (1992) bevestigt de Wereldgeneeskundige Associatie dat ę de hulp van een arts bij zelfdoding stirjdig is met de ethiek en door de beroepsbeoefenaars van de geneeskunde moet worden veroordeeld Ľ.

    Het nalaten of stopzetten van zinloos geworden behandelingen is een medisch aanvaarde praktijk en moet dat blijven, net zoals de toediening van pijnstillende middelen waarvan het indirect en ongewild gevolg een eventuele levensverkorting is. Niettemin zijn het handelingen die ook ethische problemen doen rijzen (het onderscheid dat moet gemaakt worden tussen gewone medische verzorging en buitengewone medische verzorging (61). Het is derhalve noodzakelijk om met dit onderscheid voor ogen het debat te verruimen tot het probleem van de toetsing van alle beslissingen rond het levenseinde. Gebeurt dit niet, dan zou men, zoals een spreker terecht opmerkt, in het kader van die beslissingen tot het stopzetten of nalaten van de behandeling die thans beschouwd worden als legitieme medische handelingen, dezelfde technieken kunnen gebruiken als voor euthanasie, zonder gebonden te zijn door de strikte procedures die men dan alleen voor euthanasie zal hebben vastgelegd (62).

    Het is van belang op te merken dat wat uiteindelijk het verschil maakt tussen al die beslissingen rond het levenseinde de bedoeling is die aan de handelingen ten grondslag ligt. Het zou te eenvoudig zijn te beweren dat het in alle gevallen de bedoeling was de pijn te verlichten.

    Er moet een duidelijk onderscheid gemaakt worden tussen de situatie van het levenseinde enerzijds en de handelingen op het ogenblik van het overlijden anderzijds (zie huidige deontologische code) :

    ≠ wanneer geneesmiddelen gebruikt worden die de dood kunnen versnellen;

    ≠ wanneer het niet-opstarten van een behandeling of het stopzetten van een behandeling tot de dood leidt;

    ≠ wanneer men de dood opzettelijk veroorzaakt.

    De ethische legitimiteit van de handeling moet altijd worden afgewogen aan de intentie (63). Het concept intentie moet terdege geanalyseerd worden en heeft gevolgen op strafrechtelijk vlak.

    Dat betekent niet dat met het oog op de bescherming van de patiŽnt geen nood zou zijn aan een omkadering van alle medische beslissingen met betrekking tot het levenseinde (zie infra).

    Ook de concepten palliatieve zorg en euthanasie moeten van elkaar worden losgekoppeld.

    Verschillende sprekers hebben benadrukt hoe belangrijk het is dat een onderscheid wordt gemaakt tussen palliatieve zorg en euthanasie. In alle handvesten van Amerikaanse, Canadese en Australische palliatieve zorgverenigingen is uitdrukkelijk vastgesteld dat de eenheden voor palliatieve zorg geen gebruik maken van euthanasie. Het oorspronkelijke Handvest van de Nationale federatie voor palliatieve zorg (nu geregionaliseerd en dus opgesplitst) bepaalde eveneens dat palliatieve zorg zowel het hardnekkig voortzetten van uitzichtloze behandelingen als het gebruik van euthanasie uitsluit (64). Het Frans Handvest voor palliatieve zorg om een Europees voorbeeld te geven sluit euthanasie volledig uit in het kader van de palliatieve zorgverlening. Zowel het Foyer Saint-FranÁois in Namen als de eenheid voor palliatieve zorg van het Sint-Jansziekenhuis in Brussel, zeggen uitdrukkelijk dat euthanasie niet wordt toegepast, wat niet betekent dat verzoeken niet worden gehoord en overwogen (65).

    Volgens mevrouw Vandeville liggen aan palliatieve zorg en euthanasie verschillende denkwijzen ten grondslag. Zij stelt de volgende vraag : ę Zal een wet niet tot misbruiken leiden indien men euthanasie voorstelt aan een patiŽnt, zonder hem de mogelijkheid van palliatieve verzorging aan te bieden ? Jammer genoeg zijn er nu reeds getuigenissen in die zin van bepaalde families en zelfs van patiŽnten. Het gevaar bestaat ook dat men aan een patiŽnt die in zijn laatste levensfase is beland, voorstelt om over te stappen naar palliatieve zorg en dat men hem tegelijkertijd euthanasie suggereert als een alternatief Ľ (66).

    Dokter Bouckenaere deelt dit standpunt, en voegt eraan toe dat artsen nood hebben aan een bepaalde coherentie in hun praktijk (67).

    Sommige sprekers hebben hun twijfels bij gecontroleerde sedatie in de palliatieve zorgverlening, wanneer die niet met tussenpozen wordt gebruikt maar steeds verder wordt opgedreven tot de patiŽnt overlijdt (68). Dokter Mullie neemt een meer genuanceerd standpunt in en zegt over gecontroleerde sedatie in het kader van palliatieve zorg terecht het volgende : ę Wij zijn geen organisatie die primair euthanasie uitvoert (...). Palliatieve zorg ≠ inclusief gecontroleerde sedatie ≠ en euthanasie blijven hierbij duidelijk te onderscheiden begrippen maar kunnen in extreme gevallen in mekaar overgaan Ľ (69). Voor dokter Bouckenaere is het ę het minste kwaad Ľ. Gecontroleerde sedatie gedurende de langere tijd kan het leven van de patiŽnt verkorten, zegt dokter Bouckenaere, niet vanwege de geneesmiddelen maar omdat de patiŽnt de hele tijd in bed blijft en niet meer gehydrateerd wordt (70). De bedoeling is het de patiŽnt draaglijk te maken (71). Volgens dokter Menten kan gecontroleerde sedatie niet beschouwd worden als een ę slow euthanasia Ľ (72).

    Er dient gewezen op twee studies die aantonen dat de levensduur van bepaalde patiŽnten onder gecontroleerde sedatie zelfs langer kan zijn omdat ze minder te lijden hebben van pijn en stress (73).

    Euthanasie is slechts het topje van de ijsberg. Aan dit probleem gaan andere kwesties vooraf

    In de eerste plaats gaat het dan om de manier waarop in onze samenleving met de dood wordt omgegaan, namelijk slecht, om de manier waarop de dood in het ziekenhuis of in de rust- en verzorgingstehuizen wordt ervaren, wat dan weer te maken heeft met de werking van de ziekenhuizen en rust- en verzorgingstehuizen (sociale en economische aspecten ...), en de manier waarop de dood thuis wordt ervaren (relaties met de naasten, met de huisarts ...). Kernbegrippen die we in dit verband vaak hebben gehoord zijn : luisterbereidheid, partnerschap, overleg, raadpleging, beschikbaarheid, allemaal concepten die niet in het Strafwetboek staan, maar die behoren tot het domein van de mentaliteit en de medische praktijk.

    Dokter Philippart benadrukt in dit verband : ę Is het niet paradoxaal dat men, op het ogenblik dat de gemeenschap oproept tot een meer humane zorgverlening, vaststelt dat er minder personeel beschikbaar is, zodat er te weinig tijd overblijft om aan die humanisering te werken ? De levensbeŽindiging vertoont verschillende aspecten waarmee rekening moet worden gehouden. Haar herleiden tot euthanasie als enige mogelijkheid zou spijtig zijn, omdat daardoor alle belangrijke elementen en noden die we dringender vinden, verloren dreigen te gaan. Ľ (74).

    De kwestie van euthanasie houdt ook verband met heter soort relatie dat tussen de patiŽnt en de arts moet bestaan : overdreven paternalisme is uit den boze, maar het andere uiterste, waarbij de autonomie van de patiŽnt als enige leidraad geldt, wordt eveneens verworpen. Alle sprekers zijn het erover eens dat de stervende en de patiŽnt in het algemeen, opnieuw de centrale plaats moet innemen die hem toekomt in het debat. ę De opleiding van artsen en verpleegkundigen gaat nog al te vaak uit van de idee dat de patiŽnt een object is van verzorging in plaats van uit te gaan van relationele verzorging die de patiŽnt in het middelpunt stelt van het zorgproces Ľ, verduidelijkt mevrouw Cambron-Diez (75). Anderen zijn voorstander van een contractuele relatie, waarbij de patiŽnt, goed geÔnformeerd over zijn rechten, een echte partner zou zijn in een contractuele zorgrelatie (76). Volgens dokter Cosyns moet de relatie met de zieke gebaseerd zijn op overleg en vertrouwen (77). Volgens hem moet niet de vraag centraal staan, maar het overleg. In de relatie tussen arts en patiŽnt is elke vraag in werkelijkheid een vraag om hulp waarbij het de bedoeling is via overleg en de bespreking van het probleem samen de beste beslissing te nemen (78). Volgens mevrouw Diricq is er nood aan samenhorigheid en vertrouwen (79).

    Mevrouw Aubry maakt een scherp onderscheid tussen curatieve zorg waar de artsen en de verpleegkundigen zichzelf als deskundigen beschouwen omdat zij weten wat nodig is voor de genezing, en de palliatieve zorg waar de patiŽnt de deskundige is met betrekking tot zijn eigen lijden omdat de levenskwaliteit op dat moment belangrijker wordt dan de levensduur (80).

    De meeste sprekers vinden dat het debat niet beperkt mag blijven tot euthanasie omdat men op die manier kan voorbijgaan aan de echte problemen.

    Dit is niet zonder belang. De vraag is of men de problemen vooraf of achteraf moet aanpakken. Zo bepaalt het wetsvoorstel betreffende de euthanasie van een aantal senatoren van de meerderheid dat de arts zich ervan moet vergewissen dat de patiŽnt de gelegenheid heeft gehad om over zijn verzoek te spreken met alle personen die hij wenst te ontmoeten, met inbegrip van het verplegend personeel. Tijdens verschillende hoorzittingen is evenwel vermeld dat palliatieve zorg niet voor iedereen beschikbaar is en dat het verplegend personeel ondanks alle goede wil gewoon niet de tijd heeft om een echt contract met de patiŽnt op te bouwen en naar zijn problemen te luisteren, en dat het bovendien soms niet over de nodige kennis beschikt om de problemen rond het levenseinde aan te pakken. Mevrouw Cambron-Diez benadrukt dat de eerstelijnsteams nood hebben aan ondersteuning en opleidingen : opleiding in het luisteren (81), in de ethiek en vooral in de oprechte relatievorming met de patiŽnt (82), opleiding in de rouwverwerking (83). Artsen worden opgeleid om te vechten voor de genezing. Zij voelen zich machteloos ten overstaan van wat zij beschouwen als een mislukking. Zij zijn niet opgeleid om symptomen te verlichten noch om de problemen rond het levenseinde globaal aan te pakken.

    Bovendien beschikken de artsen nog niet over ethische reflectieinstrumenten die hen bij hun handelingen kunnen leiden. Slechts in enkele diensten is er interdisciplinaire samenwerking (84). Mevrouw Pesleux heeft het uitgebreid gehad over de moeilijke levensomstandigheden in het ziekenhuis (het ziekenhuis moet een rendabele onderneming zijn, werklast van het medisch en het verplegend personeel, gebrek aan communicatie tussen verpleegkundigen en artsen, het fenomeen van de burn-out...). ę In het ziekenhuis is er geen geld voor overleg, bezinning, luisterbereidheid, ondersteuning Ľ, voegt zij eraan toe (85).

    Als de voorwaarden die onontbeerlijk worden geacht voor de toepassing van de wet, in de praktijk ≠ en met name in de ziekenhuizen ≠ niet aanwezig zijn, bestaat het risico dat de wettekst, zonder dat de indieners dat willen, een dode letter blijft. Zal dit alles niet leiden tot ongevraagde toepassingen van euthanasie ? (86) Met andere woorden moet niet eerst werk worden gemaakt van de problemen die de kwestie euthanasie voorafgaan ? In dat verband heeft mevrouw Aubry de verschillen benadrukt tussen BelgiŽ en Nederland :

    ≠ mentaliteitsverschillen (meer openheid, communicatie, opleiding in de communicatie);

    ≠ de rechten van de patiŽnt zijn er reeds verworven;

    ≠ er zijn meer verpleegsters in de ziekenhuizen en zij hebben meer tijd voor de begeleiding van de patiŽnten omdat zij minder medisch-technische handelingen moeten verrichten.

    Doctor Clumeck heeft ook benadrukt dat de problematiek van de euthanasie in een ruimere context moet worden beschouwd van patiŽntenrechten, het levenseinde, de begeleiding van patiŽnten ... (87).

    ę Vooraleer zich op de euthanasie te concentreren, moet men zich eerst toeleggen op wat er aan voorafgaat. Ik wil palliatieve equipes niet idealiseren, maar ik denk dat zij daaraan kunnen meewerken. Ľ (88).

    Tijdens een informele hoorzitting antwoordde de voorzitter van de vereniging voor gerontologie op de vraag ę Wat moeten we doen ? Ľ, met twee woorden ę luisteren Ľ en ę spreken Ľ (89).

    Belang van een geneeskunde die gericht is op het verlichten van pijn en palliatieve zorg

    Eťn unanieme vaststelling : Palliatieve zorgverlening is onvoldoende ontwikkeld en niet overal en voor iedereen toegankelijk. De mogelijkheden van de palliatieve zorg moeten volledig worden ingezet. De patiŽnt moet vrij kunnen kiezen voor een bepaalde vorm van begeleiding en de toegang tot palliatieve zorg moet voor iedereen gelijk zijn (kostprijs thuiszorg/ziekenhuis/rust- en verzorgingstehuizen).

    Zoals dokter Clumeck heeft benadrukt, moeten de middelen rechtvaardig verdeeld worden onder de mensen. Het is niet normaal dat patiŽnt A over een televisie en een waterbed beschikt en patiŽnt B niet, en dat patiŽnt B daar misschien zo wanhopig over wordt dat hij vraagt om euthanasie. Dokter Clumeck meent dat voor sommige ziekten moet worden vastgesteld welke middelen vereist zijn : de prognose moet worden gemaakt en de optimale opvang gedefinieerd.

    Meerdere sprekers hebben de noden op dit vlak benadrukt :

    ≠ meer tijd en middelen, meer gemengde projecten met de eenheden over palliatieve zorg ťn de mobiele palliatieve zorgteams in de ziekenhuizen (90);

    ≠ een betere financiering (91);

    ≠ eenheden voor palliatieve zorgen : eenheden van 6 of van 12 bedden. De eenheid voor palliatieve zorg van Sint-Jan in Brussel moet 30 % van de aanvragen weigeren. De bezettingsgraad bedraagt 80 %. Voor alles wat boven dit percentage ligt, worden het extra werk van het personeel en de werkingskosten niet meer terugbetaald. De dagverblijfprijs in de eenheden dekt de intellectuele kant van de zaak en het beheer van een pluridisciplinair team niet. Ook de opleidingen, de gesprekken met de psychotherapeuten, de rouwbegeleiding en de praktische contacten die de eenheden onderhouden met de rust- en verzorgingstehuizen zijn niet gedekt (92). Bovendien is het toezichtshonorarium van de artsen in de rust- en verzorgingstehuizen onvoldoende (93).

    ≠ ziekenhuis : de ziekenhuizen moeten palliatieve zorg aanbieden, maar krijgen slechts 450 000 tot 750 000 frank (afhankelijk van het aantal bedden) om dit te doen. Dat is onvoldoende (94);

    ≠ rust- en verzorgingstehuizen : hier komen de meest schrijnende situaties voor. Dokter Mullie meent dat in de rusthuizen 1 voltijds equivalent verpleegkundige nodig is per 120 bewoners van het rusthuis. Dat vraagt een bijkomend budget van 1 350 miljard (95).

    Volgens dokter Mullie dekken de middelen die nu voor de palliatieve zorg worden uitgetrokken de noden van ťťn stervende op drie (96). Hij voegt eraan toe : ę De wetgeving in verband met palliatieve zorg dient niet voor einde 2001 een plan uit te werken in verband met PZ, maar het al 10 jaar bestaande plan van uitbouw te bevestigen en er voldoende bijkomende (ongeveer 2 miljard) budgetten voor vrij te maken; op heden zijn er hoogstens middelen om de zorg van ťťn op drie stervenden te ondersteunen. Ľ

    ≠ onderricht in de begeleiding van zieken en hun familieleden (97), in de begeleiding van het rouwproces, nadruk op de opleiding en de voortgezette opleiding (98);

    ≠ stages in de eenheden voor palliatieve zorg (99);

    ≠ kwalitatieve en kwantitatieve evaluatieprogramma's met betrekking tot de palliatieve zorg in de eenheden, in de mobiele urgentieteams van de ziekenhuizen, in de rusthuizen en in de thuiszorg (100).

    Alle sprekers zijn het erover eens dat palliatieve zorg in de meeste gevallen een adequaat antwoord is op de euthanasieverzoeken van de patiŽnten (101) :

    ≠ ę Palliatieve zorg is een juist antwoord op het uitzichtloos lijden (...) Wij staan niet voor palliatieve hardnekkigheid (...) maar wel `er zal geen mensonwaardigheid zijn, er zullen optimaal menswaardige zorgen echt aan bod komen bij de naderende dood' ... het aantal suicides beperken door een gedegen aanbod van psychiatrische zorg, het aantal euthanasieuitvoeringen beperken door een gedegen aanbod van palliatieve zorg. Ľ (102).

    ≠ ę Als de continue zorg correct wordt aangepakt, blijft slechts 1 % herhaalde en ondubbelzinnige verzoeken om euthanasie overeind. Ľ (103).

    ≠ ę Goed uitgebouwde palliatieve verzorging en gecontroleerde sedatie kunnen het aantal euthanasievragen overigens tot een minimum reduceren. Ľ (104).

    ≠ ę Optimale palliatieve zorg doet, zeker in de oncologie, het merendeel van de euthanasievragen verdwijnen. De zeldzame restsituaties of refractaire symptomen behandelden wij met succes door een zorgvuldige toepassing van gecontroleerde intermittente of continue sedatie. Ľ (105).

    De ontwikkeling van de palliatieve zorg komt in feite neer op een verschuiving naar een nieuwe zorgcultuur, de zogenaamde continue zorg

    De palliatieve zorg wordt momenteel ontwikkeld, maar enkel voor patiŽnten in de laatste levensfase. Vele sprekers hebben benadrukt dat er sprake moet zijn van continue, veeleer dan van palliatieve zorg. De ontwikkeling van de palliatieve zorg komt op middellange en lange termijn neer op een verschuiving naar een nieuwe zorgcultuur, de zogenaamde continue zorg (106). Voor deze nieuwe zorgcultuur is er nood aan (107) :

    ≠ specifieke medische bekwaamheden (verlichten van pijn);

    ≠ een relationele aanpak (begeleiding van patiŽnt en naasten, ook in rouwperiodes);

    ≠ ethische bakens en een ethische vraagstelling (discussie tussen collega's interdisciplinair overleg ...).

    Het gaat niet alleen om de laatste weken van het leven. Zoals een spreekster benadrukt, ę aan menswaardig sterven gaat menswaardig ziek zijn en menswaardig oud zijn vooraf. Het concept van palliatieve zorg zou dus in de hele gezondheidszorg ingang moeten vinden en dan pas kunnen we spreken van een echte continuÔteit van zorgen waar ę de zorg Ľ voor mensen een prioriteit wordt. Ľ (108).

    Mevrouw Pesleux benadrukt dat de verspreiding van de palliatieve zorgcultuur in het ziekenhuis bijdraagt tot de erkenning en de bevordering van de rechten van de patiŽnten (109).

    Sommigen spreken zelfs van ę ondersteunende Ľ zorg (zie de onlangs opgerichte eenheid in Bordet), die tot doel heeft de toestand van de patiŽnt te verlichten, zelfs als hij zich niet in de terminale fase bevindt.

    A priori raadpleging

    De ontwikkeling van de palliatieve zorgcultuur impliceert dat ruimte moet worden geschapen voor pluridisciplinair collegiaal overleg (110). Het is niet de bedoeling de kwestie voor een soort tribunaal te brengen, maar licht te werpen op de moeilijke beslissing. De laatste levensfase moet altijd op een globale manier worden beschouwd : de medische, psychische, sociale, familiale, geestelijke en levensbeschouwelijke problemen van de patiŽnt moeten met zijn toestemming het onderwerp vormen van een interdisciplinaire collegiale discussie tussen de arts, de leden van het verplegend team en mogelijke derden [psychologen die gespecialiseerd zijn in pijnbestrijding, psychiaters (bijvoorbeeld : Bordet), diŽtisten, kinesitherapeuten, ergotherapeuten ...] en eventueel de naasten. De palliatieve geneeskunde toont aan hoe belangrijk communicatie is voor de preventie van problemen.

    De meeste sprekers hebben dit benadrukt.

    ≠ De arts moet de mogelijkheid hebben om als hij dat wenst het verplegend team, de verplegers, hulpverplegers, psychologen, maatschappelijke assistenten, eventueel de naasten en een vertegenwoordiger van de levensbeschouwelijke strekking die de patiŽnt aanhangt, samen te brengen (111). Dit moet niet beschouwd worden als een tribunaal.

    ≠ Binnen de vertrouwensrelatie met zijn patiŽnt, is de arts degene die de eindbeslissing neemt. Om niet alleen de last van bijwijlen zeer moeilijke beslissingen te moeten dragen, moet hij, naast het advies van een onafhankelijke deskundige collega, de vraag van de patiŽnt toetsen aan het advies van het verplegend team en, in voorkomend geval, van het lokale palliatieve team (112).

    ≠ Dokter Mullie heeft lang stilgestaan bij de noodzaak van een ę a priori toetsing via de palliatieve zorg Ľ. Volgens hem is het palliatief team daarvoor de meest geschikte ethische instantie. Als er al een wetgeving moet komen, moet die het palliatief team veel nauwer bij de zaak betrekken, de rol van de tweede arts uitbreiden (hij moet niet alleen advies geven over de ongeneeslijke aard van de ziekte, maar ook over de voorwaarden met betrekking tot het verzoek van de patiŽnt, het aanhoudend en ondraaglijk lijden dat niet gelenigd kan worden), het verplegend team bij de zaak betrekken en een evaluatie-instantie oprichten die zich buigt over het advies van het palliatief team en van de tweede arts teneinde de toepassing van de wet te beoordelen (113).

    ≠ Andere sprekers stellen ook voor dat verwezen wordt naar een instantie, een ę comitť van wijzen Ľ. De instantie zou geen beslissingsbevoegdheid hebben, maar de arts helpen om zijn intern debat te verdiepen (114).

    ≠ Het voorafgaand collegiaal overleg moet verplicht worden gemaakt teneinde ongevraagde toepassingen van euthanasie te voorkomen, de patiŽnt zekerheid te bieden (115), en ervoor te zorgen dat euthanasie niet wordt toegepast uit moedeloosheid of uit lafheid (116). De interdisciplinaire aanpak maakt bovendien een globale benadering van de laatste levensfase en een meer diepgaande ethische analyse (117) mogelijk. Er mag geen categorie van geneesheren-euthanasieerders ontstaan, een soort van subspecialiteit met almachtige en alwetende artsen die het overbodig vinden enig advies in te winnen omdat ze nu eenmaal specialisten zijn, benadrukt dokter Clumeck.

    ≠ Professor Baum benadrukt dat gebruik moet worden gemaakt van de bestaande cellen voor hulp bij de besluitvorming in de ziekenhuizen (118).

    ≠ De naasten moeten worden betrokken bij de beslissingen, maar dat moet oordeelkundig gebeuren en met toestemming van de patiŽnt. Dat vraagt tijd en luisterbereidheid.

    ≠ De uiteindelijke verantwoordelijkheid voor elke medische handeling berust bij de arts. Overleg betekent niet dat verantwoordelijkheden worden gespreid of gedeeld (119) ! Daarom moet de arts zijn behandelingsvrijheid behouden. De eerste opdracht van de arts is zijn patiŽnt te verzorgen. Men mag de mogelijke behandelingen niet a priori opgeven : er moet een duidelijk onderscheid worden gemaakt tussen hardnekkigheid en koppigheid in de behandeling. Er moeten meerdere meningen voorhanden zijn (120).

    ≠ In dergelijke omstandigheden dient de arts in samenspraak met de patiŽnt, het verzorgend team, de naastbestaanden of vertrouwenspersonen en minstens ťťn bevoegde collega een beslissing te nemen die hij steeds moeten kunnen verantwoorden (121).

    ≠ Voorafgaandelijk overleg met collega's, dat vermeld wordt in het medisch dossier (korte weergave van de adviezen, van de uitgevoerde handelingen, enz.) biedt de beste garantie voor het voorkomen van clandestiene euthanasie (122).

    ≠ ę Het euthanasiegebeuren inkapselen in de ę colloque singulier Ľ alleen is mijns inziens de deur openzetten naar misbruiken Ľ, verklaart professor Schotsmans, die voorstander is van voorstel 3 van het Raadgevend Comitť voor de bio-ethiek (123).

    ≠ Sommige sprekers benadrukten de noodzaak van een derde persoon : volgens professor Van Neste moet de ethische toets, die een totaalbenadering van de patiŽnt omvat in al zijn dimensies, niet enkel fysiek maar ook psychologisch, spiritueel en sociaal, gebeuren door een lid van het palliatieve team in plaats van door een ethicus (124).

    Sommige sprekers hebben benadrukt dat de procedure voor voorafgaand overleg momenteel moeilijk kan worden toegepast in bepaalde ziekenhuisdiensten, zoals bijvoorbeeld de intensieve zorgen, de thuisverpleging en de rust- en verzorgingstehuizen (125). Toch moet elke patiŽnt op dezelfde manier behandeld worden, ongeacht zijn sociale, economische of culturele positie en ongeacht de manier waarop hij wordt opgevangen. Dokter Mullie wil de palliatieve zorg erbij betrekken via de coŲrdinator voor de palliatieve zorg, het thuisbegeleidingsteam (met de vertrouwensarts als sleutelfiguur) en de palliatieve teams van de RVT's en de ziekenhuizen (126). Waar er nog geen procedures zijn, moeten er opgesteld worden.

    Dokter Clumeck zegt eveneens : ę Euthanasie is geen dringende medische ingreep, al kan euthanasie soms in hoogdringende omstandigheden moeten worden gepleegd .Ľ (127).

    Aangifte a posteriori

    De controle a posteriori, als voorgesteld in het gemeenschappelijk wetsvoorstel van de zes senatoren, houdt verscheidene problemen in waarop meerdere sprekers hebben gewezen (128) :

    ≠ Om te beginnen kan men zich afvragen of het gerecht in staat zal zijn een beslissing te nemen binnen de erg korte termijn van drie dagen.

    ≠ Er zal zowel voor de betrokken arts als voor de familie een periode van bang afwachten zijn. De familie kan het rouwproces nog niet aanvatten, iets wat nog pijnlijker zou kunnen zijn als er een autopsie wordt uitgevoerd.

    ≠ De arts kan geconfronteerd worden met een lawine aan bureaucratische rompslomp.

    ≠ Aangezien vervolging nog steeds mogelijk is als de procureur meent dat bepaalde van de voorgestelde criteria niet zijn nageleefd, zal de rechtszekerheid van de arts niet onvoorwaardelijk gegarandeerd zijn (tenzij er, zoals professor Messine zei, wordt aanvaard dat het wel degelijk gaat om een wettelijke machtiging, met een eenvoudige formele controle van de voorwaarden waaronder tot euthanasie is overgegaan. Dit zou echter de rechtszekerheid van de patiŽnt schaden).

    ≠ Een verklaring a posteriori is zinloos. Wie zal een daad aangeven als hij weet dat hij een overtreding heeft begaan ? Waarschijnlijk zullen, net zoals in Nederland, twijfelgevallen niet worden gemeld (129).

    Dokter Philippart besloot : ę Alleen een verklaring a priori kan de arts, het gezin en de maatschappij de nodige zekerheid bieden. Ľ Hier zijn meerdere sprekers het mee eens.

    Sommige sprekers toonden zich veeleer voorstander van een controle a posteriori, naar analogie van de ę toetsingscommissie Ľ uit het Nederlands recht, waaraan eventueel wetsdokters kunnen deelnemen (130).

    De hoorzitting met professor Sicard, voorzitter van het Comitť d'ťthique franÁais, was erg indrukwekkend.

    Spreekster onthoudt daaruit dat het volledige comitť gekant is tegen het uit de strafwet halen. Om het met de woorden van professor Sicard te zeggen, de samenleving moet geconvoceerd worden voordat euthanasie wordt toegepast (controle a priori) en het gerecht moet controle kunnen uitoefenen nadat de euthanasie is toegepast (controle a posteriori).

    Hij stelt een processuele exceptie voor, waaruit wij onthouden dat, wanneer een dossier aanhangig wordt gemaakt bij een magistraat, deze hulp moet kunnen krijgen van bekwame deskundigen uit andere disciplines.

    Vertrekken vanuit de zieke en zijn verzoek

    Er moet een duidelijk onderscheid gemaakt worden tussen de vraag van de zieke en wat hij werkelijk wil. Wat vraagt de patiŽnt wanneer hij om euthanasie vraagt ? Houdt zijn vraag werkelijk een verlangen om te sterven in ?

    Spreekster heeft het antwoord van mevrouw Diricq erg geapprecieerd, die net als andere sprekers (131) de dubbelzinnigheid van het verzoek van de patiŽnt benadrukt heeft. Als de patiŽnt om euthanasie vraagt, vraagt hij niet om te sterven, ę hij vraagt om in leven te blijven en op een andere manier te leven Ľ (132). Zoals een andere spreker het verwoordde, is het in veel gevallen ę een hulpkreet van een zieke en/of van zijn familie om beter of minder slecht te leven Ľ (133).

    De vraag rijst dus : wat wil de zieke echt ? Welke behoefte spreekt uit deze vraag ?

    Het kan gaan om de vraag naar hoe hij zich de dood moet voorstellen, waaruit de nood spreekt aan een beeld van de onvoorstelbare overgang van leven naar dood. Het kan ook een vraag zijn naar contact, een vraag naar erkenning. De stervende zieke vraagt ons of de anderen met hem nog een relatie willen hebben, of hij daartoe nog waardig wordt bevonden (134). Uit bepaalde medische dossiers blijkt dat ę de notities stelselmatig verminderen naarmate de patiŽnt aftakelt en de dood nadert. Men komt trouwens ook minder vaak bij hem langs (...) Ľ. De sociale dood gaat de klinische dood vooraf. Men spreekt al in de onvoltooid verleden tijd over de patiŽnt. De patiŽnt moet zich net niet verontschuldigen dat hij er nog is ! Marie de Hennezel zegt dat de arts de patiŽnt twee keer doodt als hij op een dergelijk moment ingaat op de vraag van zijn patiŽnt. Hij doodt hem dan echt, maar ook symbolisch, door zijn gevoel van nutteloosheid te bevestigen.

    ę Een menselijk wezen is voor zijn bestaan afhankelijk van de aanwezigheid van anderen, vanaf zijn geboorte tot aan zijn dood (...). De blik van de andere vormt tot op het einde van ons leven de grondslag van onze menselijkheid Ľ, zegt mevrouw Diricq ons nog (135). De zieke mag niet alleen als zieke beschouwd worden, hij moet gezien worden als een menselijk wezen, dat zijn waardigheid ontleent aan zijn betrokkenheid op anderen (136).

    De sprekers die de patiŽnt in het middelpunt van het besluitvormingsproces plaatsen, benadrukten dat de patiŽnt ę in relatie Ľ staat, ę in een context Ľ, en dat die context niet genegeerd mag worden. Mevrouw Baum verwerpt te theoretische definities van autonomie en vrijheid. ę Vrijheid staat altijd in een bepaalde context en de context van de stervende is die van een juridisch erkende autonomie en een feitelijke kwetsbaarheid. De wetsvoorstellen lijken mij wat idealistisch op dit vlak aangezien ze geen rekening houden met de fenomenologie van het sterven Ľ, benadrukt zij (137) (= bijdrage menswetenschappen).

    Autonomie ≠ Waardigheid

    Dit leidt tot de vraag naar de autonomie van de patiŽnt. Nagenoeg alle sprekers wensen dat ę de patiŽnt het middelpunt blijft Ľ, maar velen van hen hebben ook benadrukt dat de autonomie van de stervende patiŽnt erg beperkt is, aangezien hij erg afhankelijk is (hij is afhankelijk van de welwillendheid van de verzorgers en van zijn naasten en hij is uiterst gevoelig voor druk, zelfs als die onuitgesproken blijft, ...). Zoals mevrouw Baum het erg juist verwoordt, ę lijkt sterven een fenomeen te worden dat steeds minder cultureel en steeds meer socio-economisch is. Alles gebeurt alsof de afhankelijkheid van de stervende persoon en het ideaal van de autonomie, dat de westerse mens in goede gezondheid hoog in het vaandel voert, onverenigbaar zijn (138). Bovendien belangt een beslissing over het levenseinde niet alleen de patiŽnt aan (hoewel hij wel de enige is die deze beslissing kan nemen) : zij belangt ook zijn naaste, het verplegend team en de hele samenleving aan. Het debat moet dus niet zozeer gaan over wie mag beslissen als wel over wat in een bepaalde situatie de juiste beslissing is (139).

    Mevrouw Baum voegt eraan toe dat niet moet worden gezocht naar de juiste oplossing, maar naar de minst slechte voor iedereen. Om haar uitgebreid te citeren : ę De geŽiste vrijheid moet dus een vrijheid inhouden met gedeelde verantwoordelijkheid tussen arts en patiŽnt, wat volgens mij het tegendeel is van een verwatering van de verantwoordelijkheid. Ľ Zij voegt daaraan toe : ę Men kan niet beweren pluralistisch te zijn en tegelijkertijd minachting hebben voor het relativeren van de autonomie door andere waarden, bijvoorbeeld door de kwetsbaarheid van de patiŽnt. Het gaat hier niet om een debat tussen individu en gemeenschap, want zoals Sartre zei : ę Alleen kan men niet vrij zijn. Ľ (140). ę Men hoort vaak zeggen dat de legalisering van euthanasie de autonome mensen vertegenwoordigt die de moed hebben hun eigen dood te beheersen. Achter deze eis voor autonomie, en daar ligt nu het probleem, verbergen zich socio-economische determinismen die ervoor zorgen dat deze wens geen vrije maar een geÔnduceerde wens is.

    De sociologe Anita Hocquard heeft aangetoond in haar studie, die gebaseerd is op een onderzoek bij de mensen van de ADMD (vereniging voor recht op waardig sterven), dat de schaamte over de aftakeling leidt tot de vraag naar een ę burgerschap Ľ ten aanzien van de dood. Kan men in dit verband van een autonome eis spreken ? Moeten we geen rekening houden met de feitelijke kwetsbaarheid van de aanvragers van vrijwillige euthanasie zonder te vervallen in een paternalisme dat hun daden beoordeelt ? Wat is dan de eis van het recht tot sterven ? Een eenvoudige vrijheid of een schuldvordering ? Ľ, vraagt zij.

    Mevrouw Baum benadrukt de toename van het individualisme dat onze moderne samenleving kenmerkt, een legitimatie-individualisme, dat geŽvolueerd is naar een pluraliteit van conflicterende individualismen. ę Deze conflicten zetten aan tot reflectie over de grenzen van het individualisme in een pluralistische democratie. Wij zijn overgegaan van een universaliserend individualisme, dat aan de basis lag van de rechten van de mens, naar een narcistisch individualisme. Ľ Zij gaat verder met : ę Het profiel van de leden van de ADMD is dat van een individualist die probeert de controle over zijn dood te gebruiken om op die manier lijden te vermijden, zo toonde Anita Hocquard aan. Dit profiel doet ons nadenken over zaken zoals de politieke rechtvaardiging van euthanasie door een bepaalde sociale klasse die zich misschien niet bewust is van de gevolgen ervan voor patiŽnten die economisch zwak staan en minder goed zijn opgeleid. Ľ (141).

    Mevrouw Aubry toonde ook aan dat stervende patiŽnten in extreme situaties het niet makkelijk hebben om volledig autonoom te blijven. ę De grens tussen vrijheid en druk is erg smal. Als degenen die de patiŽnt de keuze zouden moeten aanbieden, bovendien zelf belang hebben bij de uitkomst van de keuze, is het gevaar voor ervaren druk nog groter. Ľ (142).

    Euthanasie-aanvragen : door wie ? Waarom ?

    Uit de hoorzittingen blijkt :

    ≠ dat zij vaker uitgaan van de verwanten dan van de patiŽnt zelf (143). Zoals mevrouw Henry eraan herinnerde in naam van de Alzheimer Liga : is men niet in de eerste plaats verplicht zorg te verlenen en een zekere levenskwaliteit te bieden aan de patiŽnt alvorens een voorafgaande richtlijn uit te voeren (144) ? Met betrekking tot euthanasie-aanvragen, die meestal door de familie ≠ die de situatie als zeer pijnlijk ervaart ≠ geformuleerd worden, verklaarde mevrouw Henry : ę Actief luisteren helpt mij om deze verzoeken te ontcijferen (145) en te zeggen : ę U kan niet meer; maar ja, dit verhaal heeft geen einde. Ľ De ziekte van Alzheimer is ook zeer duur. ę Men moet deze verzoeken kunnen ontvangen en behandelen zoals het past. Dat wil niet zeggen dat er moet gepleit worden voor een palliatieve hardnekkigheid maar men zou eerder de raad moeten geven na te denken over het probleem en ondertussen psycho-medisch-sociale hulp moeten verlenen. Ľ (146). Hiermee wordt het belang aangetoond van ondersteunende en begeleidende maatregelen voor de verwanten, die vaak te kampen hebben met gevoelens van uitputting of van onmacht. Deze aandacht voor de verwanten maakt integraal deel uit van de palliatieve bijstand;

    ≠ dat zij een gevolg kunnen zijn van het hardnekkig voortzetten van zinloze behandelingen (147). Vandaar dat het belangrijk is de medische beslissingen omtrent het levenseinde in een algemeen kader te plaatsen. Dit hangt samen met de idee dat euthanasie niet afzonderlijk van de andere problemen aangaande het levenseinde behandeld mag worden;

    ≠ dat zij veroorzaakt kunnen worden door fysische of psychische pijn :

    ∑ slecht beheerste fysische pijn,

    ∑ psychische pijn en vooral (148) : het verpletterende en ontmoedigende gevoel van alleen te zijn, overbodig, niet meer waardig (angst voor aftakeling), niet meer waard bemind te worden en niet meer bemind, de angst om alleen en verlaten te sterven, de angst om afhankelijk te zijn, een last voor de anderen, zorgen omtrent de financiŽle gevolgen voor de verwanten (149), verkeerde voorstelling van de prognose of van de ontwikkeling van de ziekte (150) ...

    Dokter Van den Eynden (151) gaf aan dat sommige euthanasie-aanvragen veroorzaakt werden door existentieel of spiritueel lijden. Dokter Bouckenaere benadrukte dat het belangrijk was een psychiater in te schakelen om het verschil te bepalen tussen een zwaar depressieve toestand en een vastberaden weigering om te blijven leven (152).

    Hier moet de aanzienlijke vooruitgang van de geneeskunde in de strijd tegen de pijn benadrukt worden (bijvoorbeeld het experiment van dokter Lossignol aan het Bordet-Instituut).

    Mevrouw Pesleux verduidelijkt : ę Momenteel kunnen de meeste vormen van pijn worden verlicht, wat niet wil zeggen dat ze helemaal worden uitgeschakeld. Inderdaad kan de pijn in zeldzame gevallen slechts gedeeltelijk worden verlicht. Moet de wetgeving echter gewijzigd worden alleen voor deze uitzonderlijke situaties ? Ľ (153). Deze kennis moet echter nog verspreid worden. De opleiding in de strijd tegen de pijn is nog onvoldoende verspreid en sommige artsen zijn terughoudend wat betreft het gebruik van sommige medicamenten zoals morfine (154).

    Verschillende sprekers hebben aangetoond dat de wens om te sterven meestal verdween indien gepaste palliatieve zorgverlening gegeven werd. Vandaar dat deze zorgverlening ontwikkeld moet worden, zoals ik reeds heb aangegeven (zie hoger).

    Desondanks bestaan er situaties, die de meeste sprekers als uitzonderlijk bestempeld hebben, waarbij er een blijvende vraag is naar actieve, directe euthanasie of hulp bij zelfdoding. Volgens dokter Bouckenaere worden ę echte verzoeken om euthanasie Ľ ingegeven door een ę fysiek lijden dat de huidige geneeskunde niet kan verlichten, of door een persoonlijke filosofische opvatting van de waardigheid waartegen de meest respectvolle begeleiding niet vermag Ľ (155).

    Rekening houdende met de aanzienlijke vooruitgang van de geneeskunde op het vlak van pijnverzachting, mag men er van uitgaan dat uiteindelijk voornamelijk aanvragen die ingegeven worden door een persoonlijke filosofische opvatting (intellectuele of rationele euthanasie-aanvragen) zullen blijven bestaan. De volgende vragen moeten dus gesteld worden :

    ≠ Heeft men werkelijk het recht het ogenblik van zijn dood te kiezen ? Geen enkel voorstel voorziet in dit subjectief recht.

    ≠ Kan men van autonomie spreken wanneer men deze vraag stelt, aangezien deze vraag noodzakelijkerwijze het bestaan van een derde impliceert ?

    Hier wordt verwezen naar de pertinente vraagstelling van mevrouw Baum, die de sociologe A. Hocquard aanhaalt (zie hoger) : ę Wat is de coherentie van een recht van schuldvordering, die de tussenkomst van een derde impliceert ? Hoe kunnen we begrijpen dat een individu er de sociale solidariteit bijhaalt ≠ en daar legt de auteur de paradox ≠ om te ontsnappen aan de sociale omgeving en haar solidariteit ? Kunnen we tegenwoordig zeggen dat er een dodelijk burgerschap opduikt, dat er een suÔcidogene strekking bestaat ? Het is onmogelijk aan te tonen dat een legalisatie van euthanasie een suÔcidogene strekking zou aanmoedigen, maar het is eveneens onmogelijk aan te tonen dat het niet zo is. Ľ (156).

    ≠ Mag men aan artsen zulk een macht geven (157) ?

    Ontsporingen ≠ Gestolen doden ≠ Klandestiene euthanasie

    Mevrouw Baum is waarschijnlijk de spreekster die op de meest overtuigende manier heeft aangetoond dat economische ontsporingen niet denkbeeldig zijn, zoals professor Englert beweerde, maar een reŽel gevaar betekenen, met name voor de oudste patiŽnten. Zij baseert zich op een studie van de sociologe Anita Hocquard. Daaruit blijkt dat :

    ≠ het hardnekkig voortzetten van zinloze behandelingen geen gevolg is van overdreven rationalisme maar van een gebrek aan rationaliteit in de zorgverlening.

    ≠ het onderbreken van behandelingen ingegeven is door een subjectief oordeel van de arts over de afwezigheid van toekomstig kwalitatief leven. Vervolgens gelden de criteria van de nutteloosheid van zorgverlening en de leeftijd van de patiŽnt. De vraag van de familie komt slechts op de derde plaats. Economische overwegingen spelen mee in 4 tot 8 % van de gevallen en leiden tot de levensbeŽindiging van patiŽnten die dat niet gevraagd hebben.

    In de komende jaren verwacht men dat in de zorgafdelingen het aantal 75-jarigen zal verdrievoudigen en het aantal 85-jarigen en meer zal verviervoudigen. Het economisch gewicht van de vergrijzing in onze oude wereld leidt tot een vermindering van de medische behandeling van de oudsten en, daarentegen, een grotere afhankelijkheid van deze bevolkingsgroep. Tegen 2040 verwacht men een stijging van ten minste 30 % van de kosten ten gevolge van de vergrijzing.

    Voor haar biedt een a priori regeling de enige bescherming tegen socio-economische ontsporing en ongevraagde euthanasie. ę Daarom lijkt het mij essentieel om een regeling a priori te treffen om er zo voor te zorgen dat de perceptie van de menselijke waardigheid door de patiŽnt wel degelijk voortkomt uit een visie op de persoonlijke waardigheid, zodat ze door bepaalde patiŽnten, die een andere opvatting hebben over de menselijke waardigheid, niet als een inbreuk op hun fysieke en socio-economische kwetsbaarheid word beschouwd. Ľ (158).

    Zij verduidelijkt deze stelling als volgt : ę Door het voorstel voor een regeling a priori is het volgens mij mogelijk om een juridische regeling uit te stellen, terwijl het op de eerste plaats aanzet om vragen te stellen over de clandestiene en gebagatelliseerde euthanasiepraktijken in de ziekenhuizen. Deze eerste etappe zou er moeten voor zorgen dat het recht zich kan afstemmen op de werkelijkheid. Ľ (159).

    Dit gevaar voor economische ontsporingen is reŽel wanneer men weet dat 10 % van de zieken 75 % van de uitgaven voor hun rekening nemen. Sommige westerse landen weigeren eenvoudigweg een aantal levensbelangrijke behandelingen terug te betalen. De laatste weken en vooral de laatste dagen van een leven zijn de duurste (160).

    Verschillende andere sprekers hebben gewezen op dit reŽle gevaar voor euthanasie om sociaal-economische redenen (161).

    Euthanasie wordt soms ongevraagd uit demotivatie, wegens tijdsgebrek, gebrek aan bekwaamheid, gebrek aan communicatie tussen de arts en het verplegend team, gebrek aan gehoor voor de patiŽnt (162). De voorzitter van de Vereniging voor de gerontologie bevestigde dat de begrippen ę communicatie Ľ en ę tijd Ľ essentieel zijn.

    Wij denken hierbij opnieuw aan de uitspraken van mevrouw Baum, die A. Hocquard citeerde : in een maatschappij die de ouderdom in ere houdt, is de vrijheid om al dan niet te kiezen voor een verzoek tot euthanasie volgens haar groter, minder bepaald dan wanneer men zich nutteloos voelt. Hoe moeten we deze vierde levensfase, die de biogeneeskunde ons heeft geboden, in de samenleving integreren opdat het recht om te sterven nooit een plicht wordt (163) ?

    De beste manier om ongevraagd euthanasie tegen te gaan is een a priori regeling in te voeren voor de beslissingneming met betrekking tot het levenseinde (zie ook infra). Dit is de zienswijze die in voorstel 3 van ons Raadgevend Comitť voor de bio-ethiek aangedragen wordt, en die trouwens uitdrukkelijk door vele spelers gesteund wordt (164). Deze procedure a priori maakt integraal deel uit van de palliatieve cultuur, die noodzakelijkerwijze communicatie en wederzijdse mededeling impliceert :

    Zo benadrukt mevrouw Baum dat ę palliatieve zorg, en dan vooral de mobiele palliatieve zorg, die probeert een revolutie tot stand te brengen in de geneeskunde, namelijk een overgang van de curatieve geneeskunde naar de continue geneeskunde, probeert met al deze aspecten rekening te houden om het verzoek om te sterven te contextualiseren en om ervoor te zorgen dat men geen depressief verzoek goedkeurt, maar dat het verzoek in alle vrijheid kan worden uitgedrukt Ľ (165).

    Het tweede onontbeerlijke middel in de strijd tegen clandestiene euthanasie is het bijhouden van een nauwkeurig, gedetailleerd en volledig medisch dossier. (In de beschouwingen over de toekomst van de geneeskunde van juni 2000, stelt dokter Wynen zich vragen bij het medisch geheim indien de gevallen van euthanasie aan de overheid of instanties gemeld moeten worden.)

    De getuigenis van mevrouw Diricq heeft aangetoond hoezeer de omgeving ≠ zelfs indien het mensen van goede wil zijn die gehoor hebben voor de patiŽnt ≠ en de zieke zelf zeer uiteenlopende zienswijzen kunnen hebben over wat men met ę kwaliteit van het levenseinde Ľ bedoelt. Deze vragen omtrent de betekenis van woorden roepen andere vragen op : wie moet over de beŽindiging van het leven beslissen ? De arts en de patiŽnt ? De arts, zijn team en de omgeving ? Iedereen samen (166) ?

    Onderscheid terminale patiŽnt-niet-terminale patiŽnt

    Zoals vele sprekers wil spreekster dat het onderscheid tussen terminale patiŽnt en niet-terminale of ongeneeslijke patiŽnt behouden blijft. Ook wil zij duidelijk het samengaan van onherroepelijk fysisch lijden, dit wil zeggen dat in de huidige stand van de geneeskunde niet verzacht kan worden, en ondraaglijk lijden voor de patiŽnt als voorwaarden behouden voor het toepassen van euthanasie. Fysisch lijden alleen is dus niet voldoende. Het is inderdaad zeer moeilijk om het louter psychisch lijden of de ontreddering te aanvaarden als verantwoording voor het toepassen van euthanasie.

    Verschillende sprekers hebben benadrukt dat de ondraaglijke wanhoop die ongeneeslijk zieke patiŽnten kan overmannen, een existentieel probleem is dat euthanasie niet kan rechtvaardigen (167), maar volgens sommigen eventueel wel hulp bij zelfdoding.

    De gevaren voor ontsporingen indien het toepassingsgebied van een eventuele wet uitgebreid wordt tot de patiŽnten die niet in een terminale fase zijn, zijn te groot om zulk een uitbreiding toe te laten.

    Het probleem dat zich in zulke gevallen voordoet is veelal een probleem van aanvaarding, door de samenleving, van mensen met hun eigen kenmerken en verschillen (168).

    De ambiguÔteit in de redenering van professor Englert hieromtrent moet verworpen worden wanneer hij de volgende vraag stelt : Wat zou de zin van een maatschappij zijn die de gehandicapten verwerpt en hen geen enkele plaats geeft, hen in een hoek laat zonder hen te voeden maar elk verzoek tot euthanasie weigert, wegens de discriminatie die dat zou veroorzaken ? Dezelfde ambiguÔteit vindt men terug in de volgende verklaring van professor Englert : ę Aanvaarden dat ouderen in afschuwelijke gasthuizen creperen zonder hen ooit te bezoeken en tegelijk zeggen dat hun leven zeker niet mag worden afgebroken, is een maatschappij die de rechten van de mens en van haar burgers respecteert, of zij al dan niet economisch actief zijn, onwaardig Ľ (169). Dit komt erop neer dat euthanasie in onze samenleving gewettigd wordt louter door het feit dat de opvang van ouderen en gehandicapten niet altijd ideaal is. Ziet men dan niet in dat euthanasie een verkeerd antwoord biedt in deze gevallen waar het juist gaat om de aanvaarding en de erkenning van elk individu in de samenleving, en tot welke ontsporingen een legalisatie van de euthanasie in deze gevallen kan leiden ?

    Er is veel gediscussieerd over het moeilijk te bepalen begrip ę terminale fase Ľ. Het beperkende criterium van het ę naderende levenseinde Ľ werd door dokter Philippart voorgesteld (170).

    Mevrouw Cambron-Diez wijst in dit verband op het belang om voldoende ruimte te laten voor onzekerheid, inzonderheid wat betreft de diagnoses of de prognoses. ę Ik maak het de patiŽnt mogelijk in het middelpunt van het zorgproces te gaan staan Ľ. ę De onzekerheid voorkomt dat wij van ons ę weten Ľ gebruik maken om macht over de andere te verwerven Ľ (171), verduidelijkt zij.

    Noodzaak om wetten uit te vaardigen over de rechten van de patiŽnt en om de bestaande geneeskundige praktijk in te kaderen ≠ voorafgaande wilsverklaring

    i. Rechten van de patiŽnt

    Mevrouw Baum opperde dat een controle a priori, aangevuld met een wetgeving houdende een Charter van de rechten van de patiŽnt, haar de beste waarborg leek te zijn om clandestiene euthanasie te voorkomen. Dit aspect werd door vele andere sprekers benadrukt (172).

    Hierbij is het essentieel zich te laten leiden door internationale voorbeelden zoals het Verdrag over de rechten van de mens en de biogeneeskunde (Oviedo, 4 april 1997), de Verklaring van de rechten van de patiŽnt (Verklaring van Lissabon, 1995), van de Wereldgeneeskundige Associatie, of van de Verklaring betreffende de bevordering van de rechten van de patiŽnt in Europa (zogeheten Verklaring van Amsterdam) van de Wereldgezondheidsorganisatie.

    Tijdens de hoorzittingen was er meer sprake van de informatie van de patiŽnt dan van de instemming van de patiŽnt en van het ingaan op de weigering van de patiŽnt om behandelingen of medische verzorging te ondergaan.

    ≠ Informatie : het gaat er niet zozeer om de koude en harde waarheid te vertellen, maar de werkelijkheid van de toestand. Er moet een authentieke relatie tot stand komen, die de persoon dicht benadert en respecteert.

    ≠ Wetten uitvaardigen om het hardnekkig voortzetten van zinloze behandelingen te voorkomen impliceert tevens dat er over de instemming nagedacht wordt :

    Wie mag instemmen ? Welke zijn de betrokken categorieŽn van patiŽnten ?

    Onder de patiŽnten bij bewustzijn, kan men de instemming van de meerderjarigen en wilsbekwamen inwinnen, alsook van de ontvoogde minderjarigen.

    Wilsonbekwamen : welke regeling ?

    Wat de goederen betreft, bestaat er een vertegenwoordigingsregeling (onder curatele gestelden, verlengde minderjarigen, ...). Hoe regelt men beslissingen aangaande de persoon ? Men moet ook nadenken over het onderscheid tussen minderjarigen met en zonder oordeelsvermogen. Dokter Moulin heeft tijdens zijn hoorzitting bijzonder interessante uitspraken gedaan over het luisteren naar wat adolescenten zeggen.

    Met betrekking tot goederen werd een bijstandsregeling ingevoerd voor personen die onder curatele gesteld zijn, namelijk de verkwisters en zwakzinnigen. Hoe dient men beslissingen aangaande hun persoon te nemen ?

    Wat moet er gebeuren met de geesteszieken (wet van 26 juni 1990) en personen onder een voorlopige bewindvoerder (bedoeld in de wet van 18 juli 1991) ?

    In het geval een patiŽnt niet bij bewustzijn verkeert : wie moet men informeren ? Wie geeft de instemming ? Mevrouw Pesleux merkte op dat in het algemeen, de meeste probleemgevallen betrekking hebben op patiŽnten die buiten bewustzijn zijn (173).

    Mevrouw Kempeneers benadrukte dat, afgezien van de moeilijkheden die het opstellen van een wet over de rechten van de patiŽnt met zich meebrengen, het gezamenlijke voorstel van sommige senatoren van de meerderheid gevaren inhoudt ten aanzien van de meerderjarige gehandicapten wiens goederen onder een voorlopige bewindvoerder geplaatst werden en de gehandicapten die geen aanpraak kunnen maken op een juridische beschermingsregeling.

    Hoewel het voorliggende voorstel geen betrekking heeft op de wilsbekwamen, is het ook zo da