2-493/3

2-493/3

Belgische Senaat

ZITTING 2000-2001

23 APRIL 2001


Wetsvoorstel tot wijziging van de artikelen 5 en 6 van de wet van 10 april 1990 op de bewakingsondernemingen, de beveiligingsondernemingen en de interne bewakingsdiensten


VERSLAG

NAMENS DE COMMISSIE VOOR DE BINNENLANDSE ZAKEN EN VOOR DE ADMINISTRATIEVE AANGELEGENHEDEN UITGEBRACHT DOOR MEVROUW PEHLIVAN


1. INLEIDENDE UITEENZETTING VAN DE HOOFDINDIENER

De hoofdindiener stelt dat de wet van 10 april 1990 op de bewakingsondernemingen tijdens de tien jaren van haar bestaan reeds verschillende wijzigingen heeft ondergaan.

Nooit werd eraan gedacht ze open te trekken voor niet-Europese vreemdelingen, zelfs al zijn die hier volledig geïntegreerd.

Zijn doel is om deze laatste bevolkingsgroep toegang te geven tot de bewakingssector. Om alle kritiek te vermijden, heeft hij de lat zeer hoog gelegd, door een aanwezigheid in België te voorzien van minstens vijf jaren.

Zulk een periode is lang genoeg om de betrouwbaarheid van de kandidaat na te gaan. Hij herinnert eraan dat om de Belgische nationaliteit te verkrijgen slechts een verblijf van drie jaren in België vereist is, en dat men deze termijn lang genoeg acht om een moraliteitsonderzoek te verrichten.

Deze maatregel zou niet alleen de integratie bevorderen, maar ook de veiligheid op vele punten verbeteren. Naar aanleiding van festivals waar veel allochtonen op afkomen, kan de aanwezigheid van allochtone bewakers zeer positief overkomen.

Ook het gelijkekansenbeleid dat door de regering hoog in het vaandel wordt gedragen wordt daarmee gediend.

Net zoals op het vlak van gewone werkgelegenheid dienen hier ook de belemmeringen te worden weggewerkt die het allochtonen mogelijk maken om dergelijke activiteiten uit te oefenen.

2. BESPREKING

Een lid is het helemaal eens met het principe, maar wil verder gaan. Hij vraagt zich af waarom er zo een lange wachttijd wort opgelegd, terwijl men al na drie jaar de Belgische nationaliteit kan krijgen.

Het is duidelijk da de discriminatie op basis van nationaliteit zich vooral in de privé-sector voordoet en minder in de openbare sector.

Dit soort van discriminatie doet zich het meest voor op het vlak van arbeid en ondernemen.

Vandaar dat de toegang tot die activiteiten moet worden geactiveerd. Een wachttijd van drie jaar is volgens hem ruim voldoende, aangezien men al na drie jaar in België te hebben verbleven tot Belg kan worden genaturaliseerd, iets waarop de hoofdindiener ook al had gewezen.

Hij dient daarom een amendement in (nr. 1).

Een lid vindt dit een interessant voorstel, maar vindt het voorbarig om dit onmiddellijk te stemmen. Het vereist een grondige studie vooraf.

De minister vestigt er de aandacht op dat hij zinnens is eerstdaags een ontwerp in te dienen in de Kamer van volksvertegenwoordigers tot wijziging van de bewakingswet, dat vrij omvangrijk is.

Het zal onder meer een wederzijdse erkenning invoeren binnen de EU van de aanvaarding van kandidaten voor het oprichten van bewakingsfirma's en voor het beroep van bewaker. Bovendien worden de administratieve procedures gewijzigd.

Het nu besproken voorstel is voor hem een goed initiatief, maar er zijn toch wat bezwaren. Vooreerst zijn de verschillen tussen de Europese landen enerzijds en de landen waaruit de meeste allochtonen komen anderzijds zo fundamenteel qua betrouwbaarheid van de controleprocedures, dat men met moeite zal te weten komen of een kandidaat-niet-EU-burger in zijn land van herkomst wat op zijn kerfstok heeft. Aldus loopt België het gevaar, mocht dit voorstel wet worden, om zware criminelen binnen te halen in de bewakingssector.

Het gevaar bestaat ook binnen de EU, maar de informatie is er betrouwbaarder. Zo heeft bijvoorbeeld Portugal een soepele wet voor deze sector, waarbij onderdanen van zijn ex-kolonies daar kunnen werken.

Om alle aspecten van een harmonisering binnen de EU te bestuderen, werd de UCL belast met een audit.

De minister stelt voor om minstens deze studie af te wachten.

Buiten de opportuniteitsproblematiek is er ook een proceduraal aspect verbonden aan deze wetgeving : elk initiatief in dit domein moet eerst aan de EU-Commissie worden voorgelegd. Dit is in casu nog niet gebeurd.

Wat dat betreft, kan men zeker een veto verwachten van de Commissie, indien het voorstel ongewijzigd blijft. Wél zou er een kans tot slagen bestaan indien men zich zou beperken tot het toelaten van allochtonen tot bewakingsopdrachten op basis van vrijwilligheid.

De hoofdindiener wenst eraan te herinneren dat hij reeds zeven à acht maanden geleden contact had met het cabinet van de minister, waar men hem liet doorschemeren dat zijn idee haalbaar was. Nu komt, tot zijn grote ergernis, plots de aap uit de mouw, en zou niets meer kunnen.

Het argument van een slechte informatiedoorstroming van de landen van herkomst is een vals argument.

Men heeft dit eigenlijk niet nodig, als men een allochtoon al vijf jaren in België heeft kunnen observeren.

Men gebruikt de argumenten die duidelijk niet terzake doen. Hij heeft de indruk dat elk initiatief dat moet leiden tot integratie wordt geboycot.

Het Nederlands systeem is liberaler dan het onze. Wij lopen dus niet het gevaar om « cavalier seul » te spelen.

Men kan en moet uiteraard nagaan of men technisch in orde is met de Europese regelgeving, maar het sybillijns onderscheid tussen vrijwilligers en professionelen is ten onrechte in het debat gebracht.

Een vorige spreekster begrijpt de bekommernis van de indieners om de integratie te bevorderen.

Natuurlijk is er in ons land een soepele naturalisatiewet. Maar er is niettemin een grondig onderzoek.

Waarom dan voor dit specifieke geval een andere procedure voorzien, namelijk een verblijfsduur ?

De hoofdindiener stelt dat men hem niet verkeerd moet begrijpen : hij voorziet geen specifieke procedure. De voorwaarde van vijf jaren verblijf is slechts een toevoeging. Vanzelfsprekend blijven de allochtone kandidaten voor de bewakingssector in zijn voorstel net zoals de andere EU-ingezetenen, onderworpen aan een zeer grondige screening.

De minister legt er de nadruk op dat de screening niet grondig genoeg kan zijn voor geldtransporten en dergelijke.

Voor security-diensten bij wedstrijden, fuiven, en dergelijke, is dit minder noodzakelijk.

Een ander lid wijst op het hypocriete karakter van de redenering van de minister.

Het spreekt vanzelf dat men leden van criminele bendes moet weigeren.

Men moet er echter rekening mee houden dat als ze in plaats van in België te blijven wonen zonder van nationaliteit te veranderen, kiezen voor de Belgische nationaliteit, ze die na drie jaar krijgen, ofschoon het helemaal niet zeker is dat ze voor ze naar Europa kwamen nooit lid zijn geweest van een georganiseerde bende.

Voor de BDAB is het zelfs niet meer nodig de Belgische of Europese nationaliteit te hebben als men deel wil uitmaken van het beheerscomité.

Wat de geldtransporten betreft, die vallen onder de verantwoordelijkheid van de werkgever. Niets belet hem een crimineel in dienst te nemen die over een blanco attest beschikt dat werd afgeleverd door zijn land van herkomst.

Het betoog van de minister is dus duidelijk niet gegrond.

Een lid is van mening dat de vereiste om in het bezit te zijn van de nationaliteit van een Europees land de misdaad niet doet afnemen. Als misdadigers willen iniltreren, kunnen ze dat via andere kanalen doen.

Een lid beaamt vorige spreker en vindt dat de bestaande wetgeving duidelijk discriminatoir is ten overstaan van bevolkingsgroepen van vreemde oorsprong die hier al heel lang wonen.

Een lid merkt op dat het inderdaad niet evident zou zijn zulke vreemdelingen toe te laten tot de sector indien de voorwaarde om vijf jaren in ons land te verblijven de enige zou zijn. Maar dit is niet het geval. Men bepaalt ook andere voorwaarden. Het verplicht verblijf van vijf jaar betekent niet dat de andere voorwaarden zouden vervallen. Hij vraagt zich af of Europa in haar motivatie met dat aspect voldoende rekening heeft gehouden.

De minister wijst erop dat het enige wat Europa bepaalt, is dat een lidstaat in zijn regelgeving geen regels mag opleggen die een beperking inhouden inzake de verblijfsduur in die lidstaat. De Europese Commissie zegt niet dat men geen aanvullende of andere regels mag uitwerken, maar dat dit enkel kan als het gaat om niet-commerciële activiteiten.

Een lid leidt daaruit af dat het probleem erin bestaat dat er een verblijf in België vereist wordt. Het probleem zou dus opgelost zijn als men een verblijf in de Europese Unie zou vereisen.

De vorige spreker ziet ook het probleem met betrekking tot de toegang tot het grondgebied van België. Hij wijst erop dat zodra men toegang tot België heeft, men automatisch toegang verkrijgt tot alle Schengen-landen. Het verblijf in België verleent automatisch toegang tot alle Schengen-landen. Het probleem is evenwel dat overeenkomstig de Europese richtlijn men geen duur, in casu vijf jaren, kan opleggen. Zulks is, volgens het lid, nochtans in tegenspraak met een andere Europese regelgeving die wél een duurtijd oplegt. Zo is er de richtlijn op grond waarvan het stemrecht aan Europese onderdanen kan worden verleend zodra zij gedurende een welbepaalde periode in Europa verblijven.

Het voorliggende probleem overstijgt de bewakingswetgeving, aldus de minister. Dit heeft telkens betrekking op het gegeven waarbij de arbeidsmarkt wordt opengesteld voor werknemers die niet de nationaliteit van een EU-land bezitten. Voorstel is daarom om een algemene regelgeving in dit verband uit te werken.

Een ander lid treedt de minister bij en benadrukt dat het terzake om een commerciële activiteit gaat. Bij commerciële activiteiten mag geen beperking worden opgelegd wat de duur van het verblijf betreft, om te voorkomen dat er discriminaties ontstaan op de interne markt.

Een lid merkt op dat het verbod op het inlassen van de verblijfsduur bijgevolg enkel voor Europese onderdanen geldt en dus niet voor andere niet-EU-burgers.

Nog een ander lid meent dat de enige oplossing erin zou bestaan terug te grijpen naar de technieken voor andere vormen van tewerkstelling waarvoor niet-Europese krachten in dienst mogen worden genomen. Daarom is het dan ook nodig de voorwaarde van de Belgische nationaliteit te schrappen. Zulks kan door Europa worden aanvaard, omdat het niet discriminerend werkt naar Europese onderdanen toe.

De minister wijst terzake nogmaals op de twee problemen : in de bestaande regelgeving wordt nergens de Belgische nationaliteit vereist aangezien de nationaliteit van een lidstaat van de Europese Unie wordt vermeld. Voorts is er een probleem van controlemogelijkheid met betrekking tot het verleden van de betrokken personen. Om tegemoet te komen aan de bezorgdheid van de minister en aan die van de indieners van het voorstel, is het zoeken naar een geschikte oplossing die zowel de betrouwbaarheid van de betrokken personen garandeert op het vlak van de openbare orde en zekerheid, als het verbod van beperkingen op grond van verblijf.

De hoofdindiener meent een contradictie te zien in wat de minister verklaard heeft. Ook hij stelt vast dat men binnen drie jaar Belg kan worden en vervolgens uiteindelijk kan doen wat men wil. Men gaat ervan uit dat binnen die drie jaren malafide personen eventueel kunnen worden herkend en hun Belgische nationaliteit kan worden geweigerd. Omdat het juist gaat om veiligheidsagenten, pleit hij ervoor een aanvullende periode van twee jaren in te bouwen. Na vijf jaren is het best haalbaar om toegelaten te worden tot de cursus van veiligheidsagent. Hij heeft ondertussen al ondervonden dat het ministerie van Binnenlandse Zaken een zeer degelijke checklist heeft opgesteld vooraleer men wordt toegelaten tot veiligheidsagent, of men nu Belg of buitenlander is.

De minister waarschuwt voor wetsbepalingen die strijdig zijn met het Europese recht. België is in maart van vorig jaar met betrekking tot deze wet reeds veroordeeld, omdat het naar het oordeel van de Europese Commissie en het Europese Hof van Justitie al te protectionistisch was. Er staat een volledig nieuw wetsontwerp op het getouw om de bepalingen in de bestaande wetgeving te schrappen die strijdig zijn met het Europese recht. Dit is in september 2000 met de Europese Commissie besproken en is een delicate evenwichtsoefening geweest. Indien er nu een nieuwe regel wordt uitgewerkt waarbij verblijfsvoorwaarden worden ingelast, stevent men opnieuw af op een conflict met de Europese Commissie.

Een lid vraagt zich af hoe men in het wetsontwerp het probleem kan oplossen.

De minister antwoordt hierop dat de Belgische nationaliteitsvereiste wordt vervangen door de nationaliteit van een EU-lidstaat. Voorts wordt een vereiste van gelijkwaardigheid gesteld met betrekking tot de bewakingsagenten uit een ander land van de EU die in ons land bewakingsactiviteiten uitvoeren. De onderzoeken die normaliter in België plaatsvinden moeten immers voorafgaandelijk door de overheid van het land van herkomst hebben plaatsgevonden. Het bewijs daarvan moet worden geleverd.

Een lid is van oordeel dat men hier twee grondregels van de EU moet afwegen : enerzijds is er het verbod van elke vorm van economisch protectionisme. Anderzijds is er de grondregel van de integratie van vreemdelingen om te komen tot een evenwichtige samenleving.

3. STEMMINGEN

Artikel 1

Dit artikel wordt aangenomen met 7 stemmen bij 1 onthouding.

Artikel 2

Amendement nr. 1 wordt verworpen met 7 stemmen bij 1 onthouding.

Het artikel wordt aangenomen met 7 stemmen bij 1 onthouding.

Artikel 3

Dit artikel wordt aangenomen met 7 stemmen bij 1 onthouding.

Stemming over het geheel.

Het geheel van het voorstel wordt aangenomen met 7 stemmen bij 1 onthouding.

Vertrouwen werd geschonken aan de rapporteur voor het uitbrengen van haar verslag.

De rapporteur, De voorzitster,
Fatma PEHLIVAN. Anne-Marie LIZIN.

4. BIJLAGE

Monsieur,

En faisant suite au récent courrier de Mme Guennelon et à votre fax du 7 mars 2001, dont je vous remercie, sur l'application des principes de la liberté d'établissement et de la libre prestation de services posés respectivement par les articles 43 et 49 du traité CE aux personnes morales, je voudrais vous signaler ce qui suit.

­ liberté d'établissement et libre prestation des services

Il serait avant tout essentiel qu'un régime juridique différencié soit clairement prévu dans le nouveau projet de loi à l'égard, d'une part, des sociétés établies en Belgique et, d'autre part, des sociétés opérant sur le territoire belge dans le cadre de prestations de services.

L'imposition d'un régime d'autorisation dans cette deuxiéme hypothèse qui implique le respect des conditions imposées aux entreprises établies en Belgique constitue une entrave à la libre circulation des services à l'égard des sociétés établies dans d'autres États membres où ils remplissent déjà des obligations équivalentes à celles imposées par la loi belge. Toute duplication devrait ainsi étre évitée et remplacée par une vérification du respect des conditions requises dans l'État membre d'établissement.

Je me permets de vous référer à l'arrét Gebhard du 30 novembre 1995, affaire C-55/94, pour toute indication quant à la distinction entre ces deux libertés.

­ possibilité pour les entreprises établies dans d'autres États membres d'utiliser leur propre personnel, conformément à leur législation d'origine

La loi belge ne saurait imposer aux entreprises établies dans d'autres États membres le fait de devoir employer des ressortissants d'États tiers résidents en Belgique ou résidents dans d'autres États membres depuis un nombre d'années fixé par la Belgique : la durée d'une résidence ne semble pas permettre, en tant que tel, de réaliser les objectifs indiqués dans votre lettre (absence de condamnation, bonne moralité, etc.).

­ distinction entre les activités à caractère occasionnel (effectuées en régime de prestation de services) et les activités « bénévoles »

Il est important de ne pas confondre ces deux aspects : l'activité occasionnelle d'une entreprise CE non-belge est une question à traiter séparément par rapport au régime juridique prévu pour les activités à caractère bénévole (qui peuvent d'ailleurs être effectuées tant par des entreprises établies en Belgique, selon la liberté d'établissement, que par des entreprises d'autres États membres, selon la libre prestation de services).

Par ailleurs méme une activité bénévole n'est pas ipso facto exclue de l'application d'une telle liberté du traité si et dans la mesure ou elle s'inscrit dans le cadre plus large d'une activité économique (par exemple, activités de gardiennage lors d'une manifestation assurées, parmi d'autres prestations, par le personnel de la société organisatrice). Il s'agit donc d'une question à vérifier en fonction des circonstances.

En espérant que ces indications, qui vous sont fournies dans un souci de répondre rapidement à votre demande urgente, vous seront utiles, je vous prie d'agréer, Monsieur, l'expression de mes salutations très distinguées.