2-697/1

2-697/1

Belgische Senaat

ZITTING 2000-2001

22 MAART 2001


HERZIENING VAN DE GRONDWET


Herziening van artikel 157 van de Grondwet

(Verklaring van de wetgevende macht,
zie « Belgisch Staatsblad » nr. 88
van 5 mei 1999)


VOORSTEL VAN DE REGERING


VERKLARENDE NOTA


A. Wat de militaire gerechten betreft :

In 1986 werd België veroordeel door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens omdat het Wetboek van militaire strafrechtspleging geen scheiding voorzag tussen onderzoek en vervolging. De Ministerraad van de Raad van Europa verwacht een wetswijziging.

Zoals onze Europese buurlanden, namelijk Nederland en Frankrijk, heeft de wil zich ook ontwikkeld bij de parlementsleden om de gezegde uitzonderingsrechtbanken af te schaffen. In Frankrijk werden de bestendige rechtbanken van de strijdkrachten afgeschaft bij wet van 22 juli 1982. Bij de voorstelling van zijn verslag aan de Assemblée nationale wees de voorzitter van de commissie voor Justitie erop dat « het Parlement zijn wil heeft bevestigd om alle uitzonderingsprocedures en -rechtbanken uit onze rechterlijke organisatie te weren, aangezien die, hoewel dat de taak van het gerecht is, zeker niet de vrijheden beschermden, maar evenveel bedreigingen vormden voor de uitoefening van de fundamentele burgerrechten. » (Assemblée nationale, Stuk nr. 758, 1981-1982, vergadering van 6 april 1982). De Franse wet van 10 november 1999 heeft de doelstelling van toenadering tussen het algemeen strafrecht en het militair strafrecht verder gezet.

De regeringsverklaring van 1992 voorzag in een algemene hervorming van de militaire rechtbanken. Mijn voorganger verdedigde dat principe in de kamercommissie voor Justitie op 12 december 1994. Hij stelde toen dat « de afschaffing van de legerdienst en de terugtrekking van de Belgische strijdkrachten uit Duitsland, de internationalisering van de militaire opdrachten en het feit dat heel wat bepalingen uit het militair strafrecht en de strafprocedure voorbijgestreefd zijn en niet meer voldoen aan de normen inzake bescherming van de mensenrechten de overwegingen zijn die aan de basis liggen van een herstructurering van de militaire rechtbanken » (Stuk Kamer, nr. 1630/5, 1994-1995).

Omwille van allerlei omstandigheden (demilitarisering van de rijkswacht, val van de Berlijnse muur en inkrimping van de Strijdkrachten, afschaffing van de dienstplicht) kende dit dossier geen evolutie. Er werd beslist enkele krijgsraden af te schaffen (artikelen 137 en 138 van de wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen) en het personeelsbestand te herleiden tot een derde.

De Octopusakkoorden (Stuk Senaat, nr. 1-994/2 ­ Stuk Kamer, nr. 1568-2, 1997-1998) voorzien « de afschaffing van de militaire rechtbanken ». De wetgever heeft de militaire strafrechtspleging ondertussen niet meer aangepast aan nieuwe wetgevingen (onder andere voorlopige hechtenis, alternatieve maatregelen en wet Franchimont) omwille van de nakende afschaffing.

De regeringsverklaring van 14 juli 1999 (Stuk Kamer, nr. 20/1, 1999) bepaalt dat de snelle en integrale uitvoering van het Octopusakkoord een topprioriteit is voor de regering. De federale beleidsverklaring, uitgesproken door de eerste minister bij de opening van de parlementaire zitting 1999-2000 (Parlementaire Beschikking nr. 008 van 12 oktober 1999) bevestigt dat de regering alle nodige maatregelen zal treffen om de uitvoering van deze Octopusakkoorden tot een goed einde te brengen.

Een ontwerp van wet tot wijziging van de wet van 15 juni 1899 houdende titel I en II van het Wetboek van militaire strafrechtspleging wordt thans onderzocht en zal nog enige tijd in beslag nemen alvorens aan het Parlement te kunnen worden voorgelegd. Het is inderdaad onontbeerlijk dit ontwerp aan een grondig onderzoek te onderwerpen gelet op de specificiteit van de behandelde materie, de internationale context in dewelke de militairen optreden en de uitzonderlijke omstandigheden die het rechtvaardigen dat een procedure afwijkt van het gewoon recht gelet op het overleven van de gemeenschap, dat de overhand heeft op elke andere overweging.

B. Wat de strafuitvoeringsrechtbanken betreft :

Het rapport van de parlementaire onderzoekscommissie Dutroux c.s. stelt dat in de toekomst een strafuitvoeringsrechtbank zal moeten « beslissen over alle modaliteiten en aspecten van de strafuitvoering, met inbegrip van de voorwaardelijke invrijheidstelling ». (Gedr. Stuk, Kamer, nr. 713/6, 1996-1997, blz. 183).

Deze eis werd overgenomen in het Octopusakkoord.

Onder de vorige legislatuur is een aanvang gemaakt met deze aanbeveling door de oprichting van commissies voor de voorwaardelijke invrijheidstelling. Naar aanleiding van de voorbereidende werkzaamheden werd duidelijk gesteld dat dit « commissiemodel » een overgangsfase vormt en men de oprichting van strafuitvoeringsrechtbanken geenzins wou hypothekeren (Gedr. Stuk, Senaat, nr. 1-589/1, 1996-1997, blz. 12).

In het regeerakkoord maar ook in het federaal veiligheids- en detentieplan wordt dan ook gesteld dat tijdens deze legislatuur werk zal worden gemaakt van de invoering van volwaardige strafuitvoeringsrechtbanken.

De voorgestelde wijziging van artikel 157 van de Grondwet houdt in dat er bij wet strafuitvoeringsrechtbanken dienen te worden opgericht. Deze wijziging is noodzakelijk omdat wij, enerzijds, opteren voor de invoering van volwaardige rechtbanken voor de tenuitvoerlegging van straffen en maatregelen en, anderzijds, overtuigd zijn van het feit dat deze rechtbanken multidisciplinair moeten worden samengesteld. Naast een voorzitter-magistraat dienen twee experten te worden toegevoegd met een andere domeinkennis dan de louter juridische. Deze experten moeten tevens over een voldoende terreinkennis beschikken inzake de mogelijkheden en beperkingen van het gevangenissysteem, inzake de sociale kaart, inzake de behandelingsmogelijkheden ...

De multidisciplinariteit geldt ook voor de huidige commissies voor de voorwaardelijke invrijheidstelling. Zowel uit de ervaringen van de commissieleden als uit de eerste resultaten van een wetenschappelijk onderzoek dat door het NICC werd gevoerd, blijkt deze multidisciplinariteit een enorme verrijking én een bijkomende waarborg naar de beveiliging van de maatschappij en een optimale reclassering en reïntegratie van de veroordeelde.

De huidige reeks van rechtscolleges waarin leken zetelen moet alsdan worden aangevuld met een nieuw organisme : de strafuitvoeringsrechtbanken.

Dit is, dames en heren, de teneur van het ontwerp van Grondwetsherziening dat de regering de eer heeft aan uw overleg voor te leggen.


VOORSTEL


Artikel 1

In artikel 157 van de Grondwet worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1º het eerste lid wordt vervangen als volgt :

« Er zijn militaire gerechten wanneer de staat van oorlog bepaald in artikel 167, § 1, tweede lid, is afgekondigd. De organisatie van de militaire gerechten, hun bevoegdheid, de rechten en verplichtingen van de leden van deze gerechten, alsmede de duur van hun ambt worden bij wet geregeld. »;

2º tussen het eerste en het tweede lid wordt het volgende lid ingevoegd :

« Er zijn strafuitvoeringsrechtbanken in de plaatsen die de wet aanwijst. Zij regelt hun organisatie, hun bevoegdheid, alsmede de wijze van benoeming en de duur van het ambt van hun leden. »

Art. 2

Artikel 1, 1º, treedt in werking op de datum van opheffing van de wet van 15 juni 1899 houdende titel I en II van het Wetboek van strafrechtspleging voor het leger.

De eerste minister,

Guy VERHOFSTADT.

De minister van Justitie,

Marc VERWILGHEN.

De minister van Binnenlandse Zaken,

Antoine DUQUESNE.

De minister van Landsverdediging,

André FLAHAUT.