2-657/1

2-657/1

Belgische Senaat

ZITTING 2000-2001

14 FEBRUARI 2001


HERZIENING VAN DE GRONDWET


Herziening van artikel 184 van de Grondwet

(Verklaring van de wetgevende macht,
zie « Belgisch Staatsblad » nr. 88
van 5 mei 1999)


VOORSTEL VAN DE REGERING


VERKLARENDE NOTA


Het voorliggende voorstel tot wijziging van artikel 184 van de Grondwet strekt er toe, als sluitstuk van de politiehervorming, de Grondwet aan te passen aan het nieuwe politielandschap waarvan het Octopusakkoord, dat in de Senaat tussen acht partijen werd ondertekend op 24 mei 1998, de aanzet én de motor was. Bovendien wenst dit voorstel iedere twijfel weg te werken omtrent de interpretatie van deze grondwetsbepaling wat de regelingsbevoegdheid betreft inzake het statuut van het personeel van de politiediensten.

Artikel 184 van de Grondwet bepaalt dat de organisatie en de bevoegdheid van de rijkswacht door een wet worden geregeld. Door de afschaffing van de rijkswacht en de radicale wijziging van de organisatie van onze politiediensten ingevolge de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geļntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus (Belgisch Staatsblad van 5 januari 1999, blz. 132) ­ die het Octopusakkoord concretiseert ­ is deze bepaling duidelijk achterhaald (cf. het ontwerp van verklaring tot herziening van de Grondwet, Stuk Kamer, 98/99, nr. 2150/1, blz. 4). De Raad van State maakte daarenboven in zijn advies bij de voornoemde wet (Stuk Kamer, 97/98, nr. 1676/5, blz. 2) de opmerking dat het wetsvoorstel dat leidde tot de genoemde wet van 7 december 1998 de rijkswacht niet zomaar vermocht op te heffen en dat deze wet, zonder voorafgaande herziening van de Grondwet ­ maar hetgeen wordt bepaald in artikel 184 van de Grondwet was op dat ogenblik niet voor herziening vatbaar ­ de organisatie en de bevoegdheden van de rijkswacht niet ongedaan mocht maken.

In de veronderstelling dat de nieuwe federale politie de opvolger zou zijn van de rijkswacht, waarvan sprake is in artikel 184 van de Grondwet, bestaat er bovendien een probleem omtrent de correcte draagwijdte van deze bepaling en meer bepaald omtrent de vraag of deze bepaling inhoudt dat de uitvoeringsbevoegdheid van de Koning inzake het vastleggen van de regels van het statuut van het personeel van de geļntegreerde politie, gestructureerd op twee niveaus, beperkt moet zijn. Deze lezing gaat er van uit dat artikel 184 van de Grondwet een wettelijk statuut vereist voor de personeelsleden van de rijkswacht ­ en dus « bij meesleep », of mutatis mutandis, ook voor de personeelsleden van het federale niveau van de geļntegreerde politie, gestructureerd op twee niveaus, met name de federale politie (zie inzonderheid het advies van de Raad van State bij het voorstel dat de genoemde Octopuswet van 7 december 1998 is geworden [Stuk Kamer, 97/98, nr. 1676/5, blz. 2 en 17 (commentaar bij artikel 121) en bij het ontwerp dat de wet van 27 december 2000 houdende diverse bepalingen met betrekking tot de rechtspositie van het personeel van de politiediensten (Belgisch Staatsblad van 6 januari 2001) is geworden (Stuk Kamer, 2000/2001, nr. 957/001, blz. 35-37)].

De wetgever van 7 december 1998 daarentegen, was de mening toegedaan dat de wet van 7 december 1998 ertoe strekte te bewerkstelligen dat het statuut van het personeel van de politiediensten van zowel het lokale als het federale niveau hetzelfde zou zijn ­ omdat « dit eenheidsstatuut (...) een voorwaarde (is) om aan de politieambtenaren de mogelijkheid van een mobiliteit te kunnen waarborgen wanneer een baan openstaat, of onder de vorm van detacheringen », derwijze dat deze mobiliteit op haar beurt toelaat een geļntegreerde politiecultuur te creėren ­ waarbij « sommige bepalingen (...) het voorwerp van wetten (zullen) uitmaken omdat zij regels met een dwingend karakter bevatten inzake gezag, beschikbaarheid, onpartijdigheid, integriteit en discretie. Voor het overige zal het statuut worden vastgesteld met besluiten vanuit de algemene beginselen die in het voorstel voorkomen » (Stuk Kamer, 97/98, nr. 1676/1, blz. 8). Dit komt onmiskenbaar tot uiting in de genoemde wet van 7 december 1998. Artikel 121 ervan verleent, de wettelijke basis waarmee de Koning het statuut van het personeel van de politiediensten kan bepalen en dit zowel wat het personeel van het federale als van het lokale niveau betreft. Bij de uitoefening van deze bevoegdheid beschikt de Koning niet over een onbeperkte bevoegdheid. De artikelen 122 tot en met 140 van de wet sommen een aantal essentiėle beginselen op die voornamelijk de discretionaire bevoegdheid van de Koning inperken wat het bepalen betreft van de rechtspositieregeling van de personeelsleden van zowel het lokale als het federale niveau.


Het voorliggende voorstel concretiseert het voorgaande, schaft in de Grondwet de rijkswacht af en bepaalt dat de bevoegdheden en organisatie van de geļntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus door een wet worden geregeld. De rechtspositieregeling van alle personeelsleden van de geļntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, wordt door of krachtens een wet geregeld, wat in overeenstemming is met de hiervoor gestelde bevoegdheidstoekenning aan de Koning. Met deze grondwetswijziging wordt aldus volkomen aangesloten bij de wil van de partners aan het Octopusakkoord van 24 mei 1998, zoals die werd geconcretiseerd in de reeds meermaals genoemde wet van 7 december 1998.

Wij hopen, dames en heren, dat dit voorstel uw eenstemmige goedkeuring moge wegdragen.


VOORSTEL


Enig artikel

Artikel 184 van de Grondwet wordt vervangen als volgt :

« Art. 184. ­ De organisatie en de bevoegdheid van de geļntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus worden door een wet geregeld. De rechtspositieregeling van de personeelsleden van de geļntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus wordt door of krachtens een wet geregeld. »

De eerste minister,

Guy VERHOFSTADT.

De vice-eerste minister
en minister van Buitenlandse Zaken,

Louis MICHEL.

De vice-eerste minister
en minister van Begroting,

Johan VANDE LANOTTE.

De minister van Binnenlandse Zaken,

Antoine DUQUESNE.

De minister van Justitie,

Marc VERWILGHEN.