2-83

2-83

Sénat de Belgique

Annales parlementaires

JEUDI 7 DÉCEMBRE 2000 - SÉANCE DE L'APRÈS-MIDI

(Suite)

Demande d'explications de M. Wim Verreycken au premier ministre sur «les propos d'un des membres du gouvernement sur le Vlaams Blok» (n° 2-282)

M. le président. - M. Charles Picqué, ministre de l'Économie et de la Recherche scientifique, répondra au nom de M. Guy Verhofstadt, premier ministre.

De heer Wim Verreycken (VL. BLOK). - Het is hallucinant dat de regeringsleden hier zelf moeten antwoorden op vragen over hun eigen opmerkingen. Het lijkt me nogal evident dat minister Picqué zijn eigen uitspraken niet zal tegenspreken. Maar goed, ik laat deze werkwijze voor rekening van de regering.

Alle politici van alle partijen moeten tegen een stootje kunnen, zelfs tegen een serieuze duw. In alle mogelijke teksten, pamfletten en artikelen worden zij geviseerd en met alle mogelijke scheldwoorden bedacht. Dat geldt niet alleen voor alledaagse politici, maar ook voor ministers.

Ik hoef er niet op te wijzen dat de eerste minister door politieke tegenstrevers soms de politieke myxomatose word toegewenst, dat sommigen hier de eerste minister Caligula hebben genoemd, dat in de gemeenteraad van Antwerpen een schepen `kazakdraaier' wordt genoemd.

Scheldwoorden zeggen alles over het niveau van de schelder, maar niets over de uitgescholdene.

Dat politieke dissidenten zoals wij het doelwit zijn van scheldwoorden, deert ons niet. De woorden "geus" en "brigand" waren oorspronkelijk immers scheldwoorden en hebben een lange weg afgelegd tot ze uiteindelijk in van Dale zijn terechtgekomen en inmiddels bijna als eretitels kunnen worden beschouwd.

Erger wordt het wanneer de scheldwoorden niet meer doen denken aan "cafétermen", maar de basisrechten van de burger aantasten.

Een minister heeft in dat opzicht een belangrijker functie dan de opsteller van een pamflet dat in de periode vóór de verkiezingen wordt verspreid. Hij moet een voorbeeldfunctie vervullen omdat hij geacht wordt de Grondwet te belichamen en omdat hij de verdediger moet zijn van het recht dat de burger aan de Grondwet ontleent. Het recht op de vrijheid van vereniging en het recht om zich in een politieke formatie thuis te voelen, mag door een minister geenszins worden beknot.

Op 26 november 2000 verklaarde de minister voor de RTBF dat het Vlaams Blok moet worden verboden. Die verklaring sluit nauw aan bij de uitspraak van zijn collega staatssecretaris Deleuze die op 31 oktober 2000 in Humo zei dat er een vuile strijd moet worden geleverd. Zijn woorden luidden: "Het is niet genoeg om met de rode vlag op de barricaden te staan zwaaien. Neen, er moet een vuile strijd tegen hen worden geleverd, met processen". Het zwaaien met rode vlaggen op barricaden, doet denken aan een staat die zich vroeger ook democratisch noemde. Ook in de DDR stond men ooit met rode vlaggen op barricaden te zwaaien om een vuile strijd te voeren tegen politieke tegenstrevers. Desondanks is de muur gevallen.

Nadat de Raad van State onze rechtsmiddelen had aanvaard en een regeringsbesluit had geschorst, merkte minister Onkelinx op dat de Raad van State kan worden verdacht van "fascistoïde tendensen".

Wat wil men nu eigenlijk? Volgens staatssecretaris Deleuze moeten er processen worden gevoerd, maar wanneer de rechter het Vlaams Blok gelijk geeft, moet hij het ontgelden.

Het gaat zelfs nog verder. Minister Duquesne verklaarde in de commissie voor de Binnenlandse Zaken en de Administratieve Aangelegenheden van de Senaat dat "de Raad van State reageerde zoals een gebuisde student in de rechten".

Waar gaat het naartoe wanneer wij twijfelen aan onze eigen rechters en ze in de ogen van de burger ongeloofwaardig maken omdat ze een uitspraak doen die niet bevalt?

Het gaat duidelijk om een campagne van Franstaligen, zelfs van Franstalige ministers, tegen Vlaamse kiezers.

Ik besef dat minister Picqué niets anders kan doen dan het antwoord van de eerste minister voorlezen. Ik had graag van de eerste minister vernomen of hij wil voortleven met echte democratische beginselen dan wel of hij opteert voor een "betuttelingstotalitarisme" dat herinneringen oproept aan de voormalige DDR.

Een kiezer moet de kans krijgen iemand terecht te wijzen. Daartoe heeft hij slechts één gelegenheid: in het kieshokje.

De kiezer heeft maar één mogelijkheid om dat te doen en dat is in het kieshokje. Alleen daar kan de kiezer om de zoveel jaar tonen het niet eens te zijn met de situatie. Wanneer hem dat verboden wordt door een politieke partij monddood te maken, dan gebruik ik inderdaad het woord totalitair niet ijdel. Het geeft de indruk dat na de processen, - denk maar aan het proces van gisteren waarbij wij ook weer gelijk kregen - wanneer een rechter zich niet voor een politieke kar laat spannen, de regering meent ineens de beschuldigde te moeten monddood maken. Dit is een foute invulling van de grondwettelijke rechten en vrijheden. De rechtsstaat moet worden gerespecteerd, ook door ministers.

Meent de eerste minister dat minister Picqué, die in zijn plaats zal antwoorden, in persoonlijke naam die reacties aan de RTBF gaf, net zoals de eerste minister dat verklaarde over de voorgaande opmerkingen? Of is dit een regeringsstandpunt? Dat zou wel eens kunnen, want ik heb reeds vier tot vijf ministers opgesomd die hetzelfde standpunt vertolken. Meent hij dat een politieke partij kan worden verboden omdat zij dissident is? Meent de eerste minister dat de vrije meningsuiting en de vrijheid om zich in een politieke partij te verenigen afgeschaft kan worden of eenzijdig worden beperkt door het verbod op een politieke partij? Het is geen tendentieuze vraag, maar een vraag naar de wijze waarop wij onze instellingen laten werken. Ik kan de minister verzekeren dat, als ik hier zou staan als minister en hier in een extreem linkse fractie zou zitten, ik nooit zou vragen die te verbieden. In een discussie tussen mezelf en de toenmalige voorzitter van het Vlaams Parlement, citeerde de heer Vanvelthoven Voltaire. Hij stelde het volledig oneens te zijn met wat ik zegde maar er alles aan te willen doen dat ik het zou kunnen blijven zeggen. Ik ben het daarmee eens. Ik zou er nooit voor pleiten een politieke partij te verbieden. Dat gaat me te ver en overstijgt de pamflettaire stijl van een verkiezing. Het is misschien goed dat ik rechtstreeks aan minister Picqué kan vragen of hij meent dat een politieke partij kan worden verboden. Ging het om een strikt persoonlijke reactie die de regering niet bindt? In dat geval moet de regering aan de geviseerde politieke partij op een of andere wijze laten weten dat zij de democratische beginselen genegen is en er niet aan denkt initiatieven te nemen om een politieke partij te verbieden.

De heer Charles Picqué, minister van Economie en Wetenschappelijk Onderzoek. - Ministers zijn politici en hebben als dusdanig het recht hun mening te zeggen, en dus niet alleen in het kader van hun ministeriële bevoegdheid. Het is altijd mijn standpunt geweest dat extreem-rechts moet worden verboden.

Ik ben ervan overtuigd dat de verklaringen van de staatssecretaris Deleuze, minister Onkelinx en anderen geen onderdeel zijn van een Franstalige campagne tegen de Vlaamse kiezers. Hun verklaringen zijn geen teken van ostracisme ten aanzien van de Vlaamse kiezers, want hetzelfde debat werd gevoerd in Franstalige politieke kringen.

In heb in een interview inderdaad gezegd dat de mogelijkheid om extreem-rechts te verbieden zou moeten worden onderzocht. Ik blijf ervan overtuigd dat dit spoor moet worden bestudeerd. Ik ben ook niet de eerste die zich in die zin uitspreekt.

Als extremisme, en dus ook het Vlaams Blok, een bedreiging vormt voor de democratie, moeten de democraten de oorzaken wegnemen die mensen ertoe aanzetten voor het extremisme te stemmen en moeten ze de ontplooiing verbieden van politieke bewegingen die op termijn de werking van onze instellingen dreigen te blokkeren. Wij onderzoeken de mogelijkheid om eventueel maatregelen te nemen die het probleem kunnen regelen, zij het gedeeltelijk. Ik denk daarbij aan het niet-financieren van sommige partijen of aan wettelijke bepalingen om de verspreiding te verhinderen van berichten of van propaganda die als onaanvaardbaar worden beoordeeld.

De verklaringen waarover het hier gaat, heb ik afgelegd in het kader van een VRT-debat over stemrecht van niet-Europeanen en moeten dan ook in de context van dat debat worden gezien. In dat debat waarbij stemrecht in verband werd gebracht met burgerlijkheid, sociale cohesie en symboliek hebben we ons afgezet tegen het Vlaams Blok. Belgen en Europeanen moeten in staat zijn het succes van het extremisme te stuiten. We mogen ons niet overgeven. Dat was de teneur van mijn uitspraken.

We moeten de oorzaken bestrijden die het succes van het extremisme in de hand werken en het debat daarover overschrijdt het bestaan van het Vlaams Blok. Die oorzaken zijn drieërlei.

Het simplisme en de miskenning van de burgers moet worden tegengegaan door informatie en opleiding.

Het egoïsme moet worden bestreden door een sociaal beleid en solidariteit ten bate van de minstbedeelden voor wie de democratie te vaak een beeld van tegenslag en mislukking oproept.

Ook de laksheid moet worden bestreden, want die schendt het vertrouwen in het openbaar gezag. Een gebrek aan openbaar gezag brengt bij de burger angst en verwarring teweeg.

Ook overdreven nationalisme kan een oorzaak zijn. Ik ken het argument volgens hetwelk de democratie de uitdrukking is van een pluralistische opinie. Democratie is echter ook breekbaar, ze mag in haar schoot niet de kiemen van haar eigen vernietiging voeden.

Dat zijn de overwegingen van iemand die niet anti-Vlaming is, ik denk dat ik dat heb bewezen, en die zich ook bewust is van de sociale problemen als veiligheid en immigratie. Als Brusselaar en als burgemeester van een van de armste gemeenten van het land, weet ik waarover ik spreek. Ik zou niet willen dat onze instellingen op korte termijn of op middellange termijn verlamd worden door het bestaan van extremisten.

Mijn bijdrage tot het debat was de democraten ertoe aan te sporen formules te ontwikkelen die de extremisten bestrijden. Ik heb daar niet namens de regering gesproken, maar een persoonlijk standpunt verdedigd. Ik ben vastberaden die strijd voort te zetten, maar dat veronderstelt dat wij de oorzaken van de opkomst of de groei van extreem-rechts aanpakken.

De heer Wim Verreycken (VL. BLOK). - Ik apprecieer het antwoord van de minister. Misschien was het goed de vraag rechtstreeks tot hem te richten en niet via een omweg langs de eerste minister. Ik moet hem toch op enkele tegenstrijdigheden wijzen. Zo is er de opmerking dat het Vlaams Blok in staat zou zijn om de instellingen te verlammen. In enkele gemeenten rond Antwerpen en in Antwerpen zelf zijn de instellingen verlamd door het cordon sanitaire. Die instellingen worden helemaal niet verlamd door het Vlaams Blok, integendeel. Wij zijn een onverbrekelijk deel van "de essentie van democratie". Er is geen macht zonder tegenmacht. Er is geen meerderheid zonder oppositie. Er zijn geen werknemers en werkgevers zonder vakbonden. Indien iedereen zich bekent tot het grote heilige gelijk van het midden, dan is er geen tegenmacht meer. Er zullen dus altijd uitersten zijn, die uitersten zijn de tegenmacht. Dissidentie op zich is uiteraard een uiterste. Daar kunnen we niet buiten. Ik heb er respect voor dat de minister de term extreem-rechts gebruikt, maar ik heb er problemen mee omdat deze nooit gekozen werd door de betrokkenen zelf. Hij wordt gebruikt als een gemakkelijk alibi dat iedereen die hem in de mond neemt, ontslaat van argumenteren. Men zegt bijvoorbeeld van iemand dat hij extreem-rechts is en men moet niet meer argumenteren, want zelf is men heilig en onaantastbaar. Dat is intellectueel niet eerlijk, men moet minstens durven argumenteren.

Een tweetal maanden geleden werd ik uitgenodigd voor een voordracht in de landdag van Baden-Württemberg. Daar merkten enkele parlementsleden bijvoorbeeld op dat de rechtse partijen een meetbare ventielfunctie vervullen. In het voormalige Oost-Duitsland, waar er geen rechtse partijen zijn en waar via een stem niet kan worden gezegd wat men wil en waartegen men protesteert, vinden de meeste brandstichtingen en geweldplegingen tegen asielzoekers plaats. In de Länder waar een ventiel is, waar een partij is die kan verwoorden wat de burger wil zeggen, namelijk dat hij boos is, dat hij anders wil stemmen, ligt het aantal brandstichtingen en geweldplegingen veel lager. Ik heb geen enkel probleem met een ventielfunctie als tegenmacht van een partij. Dat is de essentie van een samenspel. Daarom heb ik zo uitgehaald naar het gebruiken van scheldwoorden. De minister heeft er hier geen gebruikt, maar ik wil er wel op wijzen dat wij opgezadeld worden met alle mogelijke scheldnamen: van fascisten en nazi's tot zwarten en noem maar op. Het stoort mij niet, zolang ik weet dat wij een deel zijn van het samenspel tussen macht en tegenmacht. Dat was de zin van mijn vraag om uitleg en daarom verheugt het mij dat de minister daarop iets dieper is ingegaan. Dat geeft mij ook de gelegenheid hem mijn visie kenbaar te maken. Misschien kunnen wij dan ooit nog eens debatteren over "de essentie van democratie", namelijk dat de oppositie de kans moet krijgen om de kiezer voor haar te laten stemmen.

-L'incident est clos.