Vragen en Antwoorden

Belgische Senaat


Bulletin 2-24

ZITTING 2000-2001

Vragen van de Senatoren en antwoorden van de Ministers

(N.): Vraag gesteld in 't Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in 't Frans


Minister van Binnenlandse Zaken

Vraag nr. 757 van de heer Malcorps d.d. 4 juli 2000 (N.) :
Radioactieve emissies. OSPAR-Verdrag. Implementatierappport.

Ons land moet in het kader van het OSPAR-Verdrag een implementatierapport maken over emissies van radioactieve stoffen via afvalwater. Werd dit rapport al opgemaakt en wanneer ? Geeft dit rapport een stijging of daling aan van de radioactiviteit in de lozingen van de twee kernsites (Doel, Tihange), enerzijds wat het totaal tritium betreft, anderzijds wat het totaal beta-gamma betreft ? Hoe verklaart de geachte minister de eventuele evolutie ? En wat zijn de bevindingen voor de andere nucleaire sites (SCK, Belgonucleaire, ...) ?

Antwoord : In antwoord op de vragen aangehaald door het geachte lid, kan ik de volgende informatie verstrekken.

Belgi heeft zijn rapport inzake de implementering voorgelegd op de vergadering van de OSPAR-Commissie die doorging te Kopenhagen van 26 tot 30 juni 2000.

De totale uitstoot aan tritium en aan bta en gamma van de nucleaire sites te Doel (4 reactoren) en van Tihange (3 reactoren) werden opgetekend voor de periode 1993 tot 1999. De gegevens tonen aan dat de radioactiviteit van de vloeibare uitstoot van dezelfde grootteorde blijft, niettegenstaande de opvoering van het vermogen van bepaalde delen (1994, 1995, 1996 en 1998 voor Tihange en 1994 en 1996 voor Doel).

In 1999 werd er evenwel voor de site van Tihange een verdubbeling van de uitstoot van tritium opgetekend, in vergelijking met deze van 1998 waarbij 45 % van de limietwaarde werd behaald. Dit is te wijten aan een overgang naar een maximale concentratie aan tritium, in het primaire circuit, in de loop van hetzelfde jaar n in de drie eenheden. Hoewel een dergelijke situatie een normaal stadium is in het verloop van de cyclus van de brandstof in een centrale, is het gelijktijdig optreden ervan in alle eenheden van een zelfde site eerder een zeldzaam gebeuren.

Het feit dat de uitstoot van de radioactiviteit in het vloeibare milieu stabiel is gebleven, ondanks de opeenvolgende verhogingen van het vermogen van de afdelingen, kan worden verklaard door het BAT-principe (Best Available Technology) waardoor een beperking van het volume van de uitstoot hand in hand kan gaan met de radioactieve zuivering ervan.

De vloeibare uitstoot in de Molse Nete afkomstig van de installaties gelegen in de streek van Mol (SCK/CEN en Belgoprocess 2 waar het afvalwater wordt verzameld) neemt sinds meer dan 10 jaar af : waarden die in 1989 nog op ongeveer 4 % van de grenswaarde lagen, behalen sinds 1997, en ook vandaag, nog slechts een niveau van 0,25-0,30 % hiervan (gegevens 1999).

Dit heeft echter geen betrekking op de installatie van Belgonucleaire gezien het hier enkel atmosferische alfa-emissie (Pu) betreft, deze uitstoot blijft onder de waarde van 37MBq/week. Deze vermindering van de uitstoot kan ook hier in verband worden gebracht met de verbeterde zuiveringstechnieken van de radioactieve uitstoot die mogelijk werden door de toepassing van het BAT-principe.