Vragen en Antwoorden

Belgische Senaat


Bulletin 2-24

ZITTING 2000-2001

Vragen van de Senatoren en antwoorden van de Ministers

(N.): Vraag gesteld in 't Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in 't Frans


Minister van Binnenlandse Zaken

Vraag nr. 723 van de heer Van Quickenborne d.d. 9 juni 2000 (N.) :
Brandweer. ­ Opstellen van gemeentelijke reglementen.

Op 17 januari 2000 werden volgende vragen gericht aan het ministerie van Binnenlandse Zaken, Algemene Directie van de civiele bescherming.

1º In verband met de opmaak en de inhoud van het organiek reglement van een brandweerdienst bepaalt artikel 1 van het koninklijk besluit van 6 mei 1971 tot vaststelling van de modellen van gemeentelijke reglementen betreffende de organisatie van de gemeentelijke brandweerdiensten het volgende : « Elk gemeentelijk reglement betreffende de organisatie van een gemeentelijke brandweerdienst moet worden opgemaakt overeenkomstig een van de modelreglementen, vastgesteld in de bijlagen 1, 2 en 3 van dit besluit, naargelang de dienst een beroeps-, een gemengde of een vrijwilligersdienst is. »

De vraag is of dit betekent of de tekst van de desbetreffende bijlage integraal en expliciet overgenomen wordt van het modelreglement en dat enkel waar het voorzien is deze tekst mag aangevuld of gewijzigd worden. Kan men artikelen tussenvoegen nummering van artikelen wijzigen ? Of moet bijvoorbeeld artikel 33 overal handelen over de onverenigbaarheden ?

Hierop antwoordt de administratie op 30 maart 2000 het volgende :

1. « Bedoeling van de modelreglementen (koninklijk besluit van 6 mei 1971) is dat de regelen betreffende de organisatie van de brandweerdiensten overal vrijwel dezelfde zijn ­ sommige artikelen worden aan het oordeel van de lokale overheden overgelaten omdat bepaalde noodwendigheden aanpassingen op plaatselijk vlak kunnen verantwoorden; het is evident dat het gemeentelijk organiek brandweerreglement ­ net als alle andere gemeentelijke reglementen ­ niet in strijd mag zijn met de wetten, decreten, ordonnanties, reglementen en besluiten van de Staat, gewesten, gemeenschappen, gemeenschapscommissies, de provincieraad en de bestendige deputatie van de provincieraad; in sommige reglementen is de nummering inderdaad niet meer conform met het modelreglement van 1971 wat hoofdzakelijk te wijten is aan de talrijke wijzigingen in de brandweerorganisatie in de loop van de voorbije 29 jaar ­ dit kan dan ook niet als strijdig met de wet beschouwd worden. »

2º Artikel 3 van het koninklijk besluit van 19 april 1999 tot vaststelling van de geschiktheids- en bekwaamheidscriteria alsmede van de benoembaarheids- en bevorderingsvoorwaarden voor de officieren van de openbare brandweerdiensten bepaalt dat « de gemeenteraad de nodige maatregelen neemt om de vacante betrekkingen onverwijld te verlenen ».

Door wie kan de gemeenteraad op zijn plichten worden gewezen, indien deze nalaat een vacante betrekking open te verklaren ?

Hierop antwoordde de administratie op 30 maart 2000 het volgende :

2. « Het is de gemeenteraad die middels het organiek reglement moet bepalen welk brandweerkader nodig is, rekening houdend met de minima van bijlage 1 van het koninklijk besluit van 8 november 1967 houdende, voor de vredestijd, organisatie van de gemeentelijke en gewestelijke brandweerdiensten en coördinatie van de hulpverlening in geval van brand; het is ook de gemeenteraad die over het bestaan van een vacature, de nood aan opvulling ervan en het tijdstip waarop dit moet gebeuren, oordeelt; de brandweerdiensten zijn onderworpen aan de door de Koning georganiseerde inspectie die onder meer controle moet uitoefenen op de toepassing van de wets- en verordeningsbepalingen; blijft een gemeente in gebreke te voldoen aan haar verplichtingen dan kan de provinciegouverneur van ambtswege de nodige maatregelen vaststellen en een bijzonder commissaris gelasten zich ter plaatse te begeven teneinde de maatregelen te doen uitvoeren. »

3º Artikel 32 van hetzelfde koninklijk besluit bepaalt dat « De proeftijd duurt één jaar. Zij kan door de gemeenteraad maximum tweemaal verlengd worden met een periode van één jaar. Op het einde van de proeftijd maakt de officier-dienstchef een verslag op over de geschiktheid tot bevelvoering van de kandidaat, ... »

Wat indien betrokkene na twee verlengingen nog niet in het bezit is van het vereiste brevet ?

Kan men nog een derde verlenging toestaan, bijvoorbeeld van zes maanden, omdat men slechts een tweede verlenging heeft toegestaan van zes maanden (eerste verlenging één jaar, tweede verlenging zes maand).

Kan een familielid (vader ­ zoon) het verslag waarvan sprake in artikel 32 opmaken ?

Hierop antwoordde de administratie op 30 maart 2000 het volgende :

3. « a) Wettelijk is voorzien dat de officier-dienstchef het verslag maakt waarin hij de benoeming, het ontslag of de verlenging van de proeftijd voorstelt terwijl het de gemeenteraad is die de geschikte kandidaat benoemt mits hij over het nodige brevet beschit ­ aldus moet het perfect mogelijk zijn dat een vader het stageverslag maakt van zijn zoon.

b) De proeftijd duurt één jaar en kan tweemaal met één jaar verlengd worden. »

Toch blijven na bovenstaande antwoorden een aantal vragen bestaan, die ik hierbij aan de geachte minister zou willen stellen :

1. Artikel 3 van het koninklijk besluit van 19 april 1999 tot vaststelling van de geschiktheids- en bekwaamheidscriteria alsmede van de benoembaarheids- en bevorderingsvoorwaarden voor de officieren van de openbare brandweerdiensten bepaalt : « De gemeenteraad neemt de nodige maatregelen om de vacante betrekkingen onverwijld te verlenen. »

Wat indien de gemeenteraad dit niet doet en de provinciegouverneur van ambtswege niet de nodige maatregelen vaststelt en geen bijzonder commissaris gelast zich ter plaatse te begeven ten einde de maatregelen te doen uitvoeren ?

2. Artikel 32 van hetzelfde koninklijk besluit bepaalt : « De proeftijd duurt één jaar. Zij kan door de gemeenteraad maximum tweemaal verlengd worden met een periode van één jaar. Op het einde van de proeftijd maakt de officier-dienstchef een verslag op over de geschiktheid tot bevelvoering van de kandidaat, ... ».

Wat als na verloop van deze verlengingen de stagiair nog niet in bezit is van het vereiste brevet ?

3. Hetzelfde koninklijk besluit bepaalt verder dat « Het ambt van beroepslid van een brandweerdienst en het ambt lid-vrijwilliger van dezelfde dienst is onverenigbaar ».

Is er onverenigbaarheid wanneer dit niet van dezelfde dienst is ?

Antwoord : Het geachte lid gelieve hieronder het antwoord op zijn vragen te vinden.

1. Conform de provinciewet is de gouverneur, als vertegenwoordiger van de Staat in de provincie, belast met de tenuitvoerlegging van de wetten,van de decreten en van de besluiten van algemeen bestuur. Het is dus de wettelijke opdracht van zijn of haar ambt.

2. Volgens artikel 36 van het veel door u geciteerde koninklijk besluit van 19 april 1999 wordt een personeelslid op proef dat niet zou beschikken over het brevet van onderluitenant, ontslagen.

3. Neen, iemand kan beroepslid zijn van brandweer A en vrijwillig lid van brandweer B.