2-465/1

2-465/1

Belgische Senaat

ZITTING 1999-2000

8 JUNI 2000


HERZIENING VAN DE GRONDWET


Herziening van titel II van de Grondwet, om een nieuw artikel in te voegen betreffende het recht op gelijkheid van vrouwen en mannen

(Verklaring van de wetgevende macht,
zie « Belgisch Staatsblad » nr. 88
van 5 mei 1999)


Herziening van titel II van de Grondwet, met de bedoeling er een bepaling in te voegen betreffende het recht van de vrouwen en de mannen op gelijkheid en de bevordering van de gelijke toegang tot door verkiezing verkregen en openbare mandaten


VOORSTEL VAN DE REGERING


VERKLARENDE NOTA


Het gelijkheidsbeginsel voor alle Belgen voor de wet wordt bekrachtigd in artikel 10, eerste lid, van de Grondwet. Dit beginsel omvat het principe van de gelijkheid tussen mannen en vrouwen. In de feiten stelt men vast dat het geslacht een ongelijkheidsfactor blijft. Mannen en vrouwen beschikken in België niet over dezelfde opportuniteiten, en dit gebrek aan evenwicht kan men vaststellen ten nadele van de vrouwen in elk domein : het maatschappelijke, het culturele, het economische en het politieke leven.

Meerdere internationale teksten nodigen dringend uit tot het in overweging nemen van dit verschijnsel. De uitnodiging om het principe van gelijkheid tussen mannen en vrouwen in de Grondwet in te schrijven, of elke andere geschikte bepaling, om het vast te leggen in actief en fundamenteel recht, kwam reeds voor in de overeenkomst van de VNO van 18 december 1979 over het wegwerken van elke vorm van discriminatie tegenover de vrouwen. Het verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap heeft in zijn artikel 2 de bevordering van de gelijkheid tussen mannen en vrouwen doen inschrijven als één van de middelen waaraan tegemoet moet gekomen worden om haar opdrachten uit te voeren. Artikel 3 van het verdrag preciseert dat de Gemeenschap ernaar streeft de gelijkheid tussen mannen en vrouwen te bevorderen in al de acties die bedoeld zijn om haar opdracht te vervullen.

De Grondwetsherziening die aan uw geachte vergadering wordt voorgelegd, beoogt de basis te verzekeren van de grondwettelijke erkenning van het recht op gelijkheid tussen mannen en vrouwen en om de bepalingen te vestigen die van aard zijn de gelijkheid in rechte om te zetten in feitelijke gelijkheid.

Aldus geeft zij een gevolg aan de verklaring van de herziening van titel II van de Grondwet teneinde er een nieuw artikel in te voegen betreffende de gelijkheid van mannen en vrouwen. In dit opzicht is het nuttig te verwijzen naar het voorstel voor herziening van artikel 10 van de Grondwet met de bedoeling er nieuwe bepalingen in te voegen betreffende het recht van de mannen en de vrouwen op gelijkheid, ingediend door de dames de Bethune, Lizin, Leduc, Van der Wildt, Bribosia-Picard, Dardenne, Dua, Cantillon, Thijs, en naar het advies van het Comité voor de gelijkheid van kansen tussen vrouwen en mannen betreffende dit voorstel (Stuk Senaat, nr. 1-584/1, 1996/1997).

Naast de bevestiging van het beginsel van het recht op gelijkheid van mannen en vrouwen, voorziet de nieuwe bepaling die u wordt voorgelegd, dat de wet, het decreet en de ordonnantie de gelijke uitoefening van hun rechten en vrijheden bevorderen, en meer bepaald de gelijke toegang voor mannen en vrouwen tot de verkiezings- en openbare mandaten.

Inderdaad, de ondervertegenwoordiging van de vrouwen in de instanties voor beleidsbeslissingen, en in de eerste plaats in de representatieve vergaderingen, is een vaststelling die sedert lang is gedaan zowel op Belgisch als op internationaal vlak.

De noodzaak om de vrouwen toe te laten hun deel te dragen in het beleid van de overheidszaken heeft, sedert de conventie over de politieke rechten van de vrouw van 31 maart 1953, gesloten te New York, en goedgekeurd door de wet van 19 maart 1964, het voorwerp uitgemaakt van opeenvolgende verklaringen en internationale overeenkomsten, evenals van actieprogramma's en plannen. Daartoe behoren de verklaring en het actieprogramma van Peking, waarvan de Organisatie van de Verenigde Naties de opvolging verzekert via de Conferentie van Peking + 5. Men zal nog verwijzen naar de aanbeveling 96/694/EG van de Raad van 2 december 1996 betreffende evenwichtige deelname van mannen en vrouwen aan de beslissingsprocessen.

Dit is, dames en heren, de teneur van het voorstel van grondwetsherziening dat de regering de eer heeft aan uw overleg voor te leggen.


VOORSTEL


Enig artikel

In de Grondwet wordt een nieuw artikel 10bis ingevoegd, waarvan de tekst luidt als volgt :

« Artikel 10bis. ­ Het recht van de mannen en van de vrouwen op gelijkheid is gewaarborgd. De wet, het decreet en de regel, bedoeld in artikel 134 van de Grondwet, bevorderen de gelijke uitoefening van hun rechten en vrijheden, en meer bepaald hun gelijke toegang tot de door verkiezing verkregen mandaten en de overheidsmandaten.

De federale regering, de gewestelijke en gemeenschapsregeringen, en de regeringen van de gewestelijke organen, bedoeld in artikel 39, omvatten ten minste een vertegenwoordiger van elk geslacht.

De wet, het decreet en de regel bedoeld in artikel 134 organiseren de aanwezigheid van ten minste één lid van elk geslacht binnen de colleges van burgemeester en schepenen, de bestendige deputaties van de provinciale raden en in de executieven van elk territoriaal intracommunaal, intercommunaal of interprovinciaal orgaan. »

De eerste minister,

Guy VERHOFSTADT.

De vice-eerste minister
en minister van Werkgelegenheid,

Laurette ONKELINX.

De vice-eerste minister
en minister van Buitenlandse Zaken,

Louis MICHEL.

De vice-eerste minister en minister van Begroting,
Maatschappelijke Integratie en Sociale Economie,

Johan VANDE LANOTTE.

De minister van Binnenlandse Zaken,

Antoine DUQUESNE.