2-54

2-54

Sénat de Belgique

Annales parlementaires

JEUDI 8 JUIN 2000 - SÉANCE DE L'APRÈS-MIDI

(Suite)

Demande d'explications de M. Wim Verreycken au ministre de la Défense sur «l'ordre donné par le ministre au service de sécurité militaire d'espionner les parlementaires» (n° 2-140)

De heer Wim Verreycken (VL. BLOK). - Zoals de minister weet, heeft het Vlaams Blok steeds verdedigd dat een geheime dienst zoals de Veiligheid van de staat noodzakelijk is, op voorwaarde dat die dienst zich vooral richt op werkelijk schadelijke activiteiten, zoals terrorisme, proliferatie van kernmateriaal, religieus fanatisme en fundamentalisme en dergelijke.

Als Vlaamsnationalisten weten wij echter dat de verschillende veiligheidsdiensten - en dus zeker niet alleen de militaire - zich in het verleden druk hebben bezig gehouden met het bespioneren van de Vlaamse beweging. Daarin is niets veranderd, want ik stel vast dat de wet op de staatsveiligheid het "nationalisme" nadrukkelijk als "te volgen" bestempelt en dat allerlei manoeuvres werden uitgehaald om nationalisten, in casu mijzelf, weg te houden uit de parlementaire toezichtscommissie op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten.

Deze bekommernissen leven uiteraard vooral bij het Vlaams Blok, maar andere zouden moeten leven bij alle politici, zoals de bekommernis dat parlementsleden niet het voorwerp mogen uitmaken van spionage. Ze behoren tot de wetgevende macht, in tegenstelling tot de Veiligheid van de staat, die tot de uitvoerende macht behoort. Parlementsleden moeten bijgevolg controle uitoefenen op de activiteiten van overheidsdiensten, en niet omgekeerd, tenzij we de kwaliteit van de democratie willen ter discussie stellen.

Het verslag 1999 van het Vast Comité van Toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten omvat een deel over de geheime dienst van het leger. Op bladzijde 17 lees ik dat informatie over parlementsleden wordt verzameld «die niet haar oorsprong vindt in open bronnen», maar wel in "nauwkeurige onderrichtingen van de minister van Landsverdediging". Ik leid dus uit het verslag af dat de minister instructies heeft gegeven om informatie te verzamelen over parlementsleden in functie uit bronnen die niet open zijn. Ik denk hierbij aan afluisteren, infiltreren, informanten en andere technieken die niet voor parlementsleden toegankelijk zijn.

Graag had ik dan ook vernomen welke vorm de nauwkeurige onderrichtingen van de minister hebben. Gaat het om een koninklijk besluit, een ministerieel besluit, een omzendbrief of een nota? Op basis waarvan werden de instructies gegeven?

Waarop baseert de minister, die ondergeschikt is aan de wetgevende macht, zich om instructies te geven inzake het bespioneren van leden van de wetgevende macht?

Het Comité van Toezicht levert ook kritiek op de werkwijze van de militaire veiligheidsdienst, die over te veel dossiers zou beschikken, waarvan een groot aantal niets te maken heeft met de opdracht of waarvan nummering en inventaris ontbreken. Wat zal de minister doen om dit te verhelpen?

In het verslag lees ik ook dat minder dan de helft van de dossiers over parlementsleden betrekking hebben op militaire aangelegenheden en dat meer dan de helft ervan geopend zijn wegens hun politieke activiteiten en dat sommige zelfs geopend zijn na de verkiezing van de parlementsleden in kwestie. Met andere woorden, brave burgers die nog nooit gevolgd werden en die niets met het leger te maken hebben, komen plotseling terecht in dossiers van de militaire veiligheidsdienst omdat ze verkozen zijn.

Deze vaststellingen roepen vragen op. Ik hoop dat de minister daarop een duidelijk antwoord kan geven.

Acht de minister het aanvaardbaar dat de militaire veiligheidsdienst over parlementsleden persoonlijke dossiers bijhoudt, die niets met de militare veiligheid te maken hebben en die soms geopend werden na de verkiezing van die parlementsleden? Acht de minister het ook aanvaardbaar dat technieken als infiltratie, informanten en afluisteren worden gebruikt tegen verkozen parlementsleden? Indien dit zo is, zou ik graag weten waarop de minister zich baseert voor het geven van nauwkeurige onderrichtingen aan de militaire veiligheidsdienst inzake het toepassen van deze technieken en het openen van de dossiers?

De heer André Flahaut, minister van Landsverdediging. - Het verslag van vorig jaar van het Comité I, de bron van de heer Verreycken, bevat ook het antwoord op zijn vraag. De conclusie van het eerste hoofdstuk, dat het onderzoeksrapport over de gegevensinzameling over parlementsleden door de inlichtingendiensten behandelt, luidt zeer duidelijk: "Het Comité I bevestigt dat noch de Veiligheid van de Staat noch SGR onderzoek instellen naar handelingen die in het kader van de eigen uitoefening van het parlementair mandaat worden ingesteld. SGR eerbiedigt bijgevolg de opdrachten die hem door de organieke wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten werden toevertrouwd."

De echt brave mensen kunnen dus rustig slapen!

Je serai très clair : aucune instruction, que ce soit sur la base d'un arrêté royal, d'un arrêté ministériel ou d'instructions verbales, n'a été donnée au SGR pour réaliser des enquêtes sur les parlementaires, de quelque parti qu'ils soient.

Dus de echte brave mensen kunnen rustig slapen.

De heer Wim Verreycken (VL. BLOK). - Uiteraard waardeer ik het antwoord van de minister, maar bladzijde 17 van het verslag vermeldt dat hij nauwkeurige onderrichtingen heeft gegeven om dossiers te openen. Dat kan ik toch niet zomaar negeren. Ik heb het verslag van het Comité P en het Comité I niet geschreven. Indien het verslag gewag maakt van nauwkeurige onderrichtingen van de minister van Landsverdediging, dan moeten die er toch zijn.

Ik heb er ten volle begrip voor dat de minister zegt dat SGR dat niet doet. Ik neem aan dat de Belgische Staat niemand bespioneert en geen dossiers bijhoudt van parlementsleden, tenzij het oude dossiers zijn. In het verslag wordt echter aangegeven dat er nieuwe dossiers zijn geopend, aangezien vermeld staat dat minder dan helft van de dossiers over parlementsleden oud zijn en meer dan de helft nieuw en dat deze mogelijk zelfs werden geopend na hun verkiezing.

Ik begrijp dat de minister een kort antwoord geeft, dat hij het helemaal niet prettig vindt veiligheidsdiensten te verdedigen of veel te vertellen over hun technieken, maar onze samenleving boet aan democratisch gehalte in indien parlementsleden worden bespioneerd, wie ze ook zijn en tot welke partij ze ook behoren. Welke positie ik ook bekleed, ik zal me daartegen blijven verzetten, want parlementsleden bespioneren doet me denken aan bepaalde GPU-toestanden waar we niet om vragen.

Indien het verslag niet klopt, dan is een duidelijke rechtzetting van de minister en misschien ook van de verantwoordelijke van de Veiligheid van de Staat absoluut noodzakelijk, want ik neem aan dat de minister niet alleen verantwoordelijk is voor dergelijke opmerkingen.

M. André Flahaut, ministre de la Défense. - Je n'ai rien à ajouter. Je ne vois pas pourquoi je mettrais en doute le rapport réalisé par le comité R, lequel travaille très bien et est contrôlé de manière démocratique.

- L'incident est clos.