2-45

2-45

Belgische Senaat

Parlementaire handelingen

DONDERDAG 11 MEI 2000 - NAMIDDAGVERGADERING

(Vervolg)

Vraag om uitleg van de heer Patrik Vankrunkelsven aan de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken over «de nieuwe militair-strategische houding van de NAVO» (nr. 2-127)

De heer Patrik Vankrunkelsven (VU-ID). - Twee weken geleden heb ik over dit onderwerp een vraag gesteld aan minister Flahaut. Uit zijn antwoord heb ik echter opgemaakt dat ik mij moest wenden tot vice-eerste minister Michel, zijn echte baas.

Momenteel wordt binnen de NAVO het militair-strategisch document MC400/1 herzien en wordt de nieuwe versie MC400/2 voorbereid die op de NAVO-top in Firenze op 24 en 25 mei ter goedkeuring zou worden voorgelegd. Deze vraag is ook van belang in het licht van de toetsingsconferentie inzake het non-proliferatieverdrag, die van 24 april tot 19 mei in New York plaatsheeft. Op deze conferentie wordt immers geëvalueerd hoe de geest van het non-proliferatieverdrag, de totale kernontwapening, wordt nageleefd.

De voorlopige versie van het MC400/2 voorziet in een rol voor kernwapens in de counterproliferatiestrategie tegen chemische en biologische massavernietigingswapens. Dit heeft minister van Defensie Flahaut in de Senaat op 27 april jongstleden bevestigd. Toch wil ik aan de vice-eerste minister bijkomende vragen stellen, die binnen zijn bevoegdheid liggen.

Ten eerste, komt het aanvaarden van deze counterproliferatierol voor kernwapens niet neer op het aangaan van een nieuwe verbintenis in NAVO-verband? Is dit geen al te ruime interpretatie van het strategische concept dat in april 1999 op de NAVO-top te Washington is vastgelegd? Minister Flahaut stelde dat deze nieuwe versie een uitwerking was van een algemeen concept. Is de Belgische regering het eens met deze interpretatie? Welke actie onderneemt de regering in verband met deze evolutie?

Ten tweede houdt dit nieuwe concept ook een mogelijke rol in voor kernwapens bij out-of-area-operaties? Schendt deze nieuwe counterproliferatierol voor kernwapens niet de negatieve veiligheidsgaranties die de kernwapenstaten geven? Houdt dit niet in dat de kernwapenstaten die normaliter geen gebruik maken van kernwapens bij conflicten met landen die over geen kernwapens beschikken, nu zeggen dat ze dit mogelijk toch zullen doen, zij het dan tegen biologische en chemische wapens?

Ten derde, ondergraaft deze herziening van het MC400/1 niet de lopende NPT Review Conference?

Ten vierde stellen we vast dat heel de besluitvorming geschiedt achter de rug van het Parlement en zelfs van de regering. Is de vice-eerste minister bereid een parlementair debat te organiseren over de nucleaire ontwapeningsagenda die werd voorgesteld door de landen van de New Agenda Coalition en de UNO-resolutie? België heeft zich bij de stemming hierover onthouden, wat ik betreur. Ik weet dat de vice-eerste minister heet niet met mij eens is, maar misschien is er in het Parlement een meerderheid die dit wel wenst te steunen. Om die reden meen ik dat hierover in een parlementaire democratie moet worden gedebatteerd.

De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken. - Ik kan de heer Vankrunkelsven meedelen dat ik bereid ben een parlementair debat te organiseren. Op een ander gebied moet ik hem echter teleurstellen.

Het strategisch concept van de NAVO dat op de NAVO-top van Washington in april 1999 werd goedgekeurd, is het enige politieke referentiedocument voor de NAVO-strategie en blijft, ondanks de interpretatie die de heer Vankrunkelsven verbindt aan NAVO-document MC400. In zijn antwoord van 27 april heeft de minister van Landsverdediging dit militair document gesitueerd. Sindsdien is er geen wijziging gekomen in het strategisch concept van de NAVO.

In zijn tweede vraag bouwt de heer Vankrunkelsven voort op zijn stelling van de eerste vraag, namelijk dat er sprake is van een nieuwe strategie. Er is geen nieuwe strategie. Het non-proliferatieverdrag handelt over het bezit, de overdracht en de productie van kernwapens en niet over de strategische concepten waarin zulke wapens figureren.

Vermits er geen nieuwe besluitvorming is over een nieuwe NAVO-strategie, vervalt de veronderstelling waarop de vierde vraag van de heer Vankrunkelsven gebaseerd is. A fortiori is er geen sprake van besluitvorming achter de rug van het Parlement. Niettemin was het een mooi spel.

De heer Patrik Vankrunkelsven (VU-ID). - Ik dank de vice-eerste minister voor zijn mooie uitleg, die volgens mij kadert in een spel dat minder fraai is.

Volgens een persbericht bevestigde kolonel Frank Salis, een woordvoerder van de NAVO, in een interview op 25 april jongstleden dat de negentien NAVO-lidstaten "are bent on widening the role for nuclear weapons in alliance strategy". Met andere woorden, veertien dagen geleden bevestigde de woordvoerder van de NAVO dat de NAVO-strategie omtrent kernwapens wordt verruimd. Hierover zou ik toch graag de mening van de vice-eerste minister kennen.

Bovendien zouden NAVO-ambassadeurs op 9 mei, dus gisteren, hun goedkeuring hebben gehecht aan het nieuwe document MC400/2, wat zij verdedigen als volgt: omdat de alliantie geen biologische of chemische wapens heeft, "it can only threaten by nuclear weapons". Met andere woorden, landen die geen nucleaire, maar wel biologische en chemische wapens hebben, kan de NAVO enkel bedreigen met haar nucleaire wapens. In het NPT heeft de NAVO deze landen echter de garantie gegeven dat ze niet zal dreigen, laat staan aanvallen, met nucleaire wapens.

Hiermee keur ik uiteraard niet goed dat landen biologische wapens hebben, maar dit standpunt van de NAVO wijkt af van het oorspronkelijk strategisch concept, wat de woordvoerder trouwens bevestigt. Daarom vind ik het niet helemaal fair dat de vice-eerste minister antwoordt dat dit helemaal kadert in de strategie die in april 1999 werd overeengekomen.

Volgens het persbericht bevestigde de woordvoerder ook "that NATO ambassadors intend to give political approval to NATO's new strategic doctrine before May 9." Ik ben het er niet mee eens dat ons land instemt met deze veranderde strategie, die zou kaderen in het concept dat in april 1999 werd overeengekomen. Hierover bestaat binnen de NAVO blijkbaar ook discussie. Anders moet u de NAVO-woordvoerder, de heer Salis, bij de volgende bijeenkomst terechtwijzen omdat hij zijn boekje te buiten is gegaan.

De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken. - Ik wil graag dieper op dit onderwerp ingaan en meer antwoorden geven tijdens een echt debat over dit onderwerp. Het is een beetje te gemakkelijk hierover enkel onder ons te debatteren. Rond zulke gevoelige thema's kan ons land niet alleen werken; we moeten rekening houden met het standpunt van de anderen. Het is allemaal een kwestie van invloed van de verschillende staten. Een echt parlementair debat zou eigenlijk voor mij veel comfortabeler zijn, want nu krijg ik bijna elke week vragen over mijn houding, mijn standpunt op dit vlak. Dergelijke vragen stellen is zeer gemakkelijk, want wie ze stelt - ik maak hen geen verwijten, het is een normale zaak - draagt in die kwestie geen echte politieke verantwoordelijkheid tegenover onze partners.

Ik sta dus open voor zo'n debat en voor een wijziging van ons standpunt, als men mij tenminste kan overtuigen dat we daar belang bij hebben rekening houdend met onze belangen in the circle of influence in de wereld, want ik ben niet naïef of gek. Ik wil rekening houden met wat het Parlement eventueel beslist, maar wil niet meegaan in een te simplistische aanpak van de problemen. Ik stel voor dat we het debat dus breed opentrekken en van gedachten wisselen, maar ik ben natuurlijk niet de voorzitter van de Senaat.

De heer Patrik Vankrunkelsven (VU-ID). - Ik wil hier even op ingaan. Ik heb van de minister geen heel duidelijk antwoord gekregen op de vraag welke houding hij op de NAVO-bijeenkomst zal aannemen. Ik ben het echter met hem eens dat vragen over bepaalde details van de militaire en nucleaire strategie het mij wat gemakkelijker maken om stekelig te zijn en de minister wat moeilijker om duidelijke antwoorden te geven. Ik begrijp dat wel. Daarom hoop ik dat de voorzitter van de Senaat goed heeft geluisterd en dat we onze assemblee misschien weer wat werk kunnen bezorgen, boeiend werk, in de vorm van een debat over deze problematiek.

M. le président. - Je le ferai avec plaisir. J'y exprimerai également mon point de vue, notamment sur l'évolution de la stratégie nucléaire russe au cours des dernières semaines. C'est un des éléments essentiels qui doivent être pris en compte pour aboutir à une position belge.

M. Louis Michel, vice-premier ministre et ministre des Affaires étrangères. - Je suis ouvert à un tel débat, mais il n'entre pas dans mes prérogatives de conseiller le Sénat sur ce point. Cependant, j'estime que si un tel débat se tient, il faudra que l'on entende des experts et que l'on recueille aussi les points de vue des différents partenaires. Dans ce type de politique, on ne peut être isolé sinon on perd toute influence. Laisser croire qu'une position isolée de la Belgique pourrait avoir la moindre influence sur l'évolution de ce concept n'est pas raisonnable.

Je voudrais dire à M. Vankrunkelsven que je n'ai pas arrêté d'avis définitif à ce sujet car ce type de matière est en évolution constante. Vous savez fort bien que, pour le moment, les Américains discutent avec les Russes sur une série de nouveaux concepts qui concernent aussi les Européens. J'ai encore eu hier un entretien avec le ministre russe des Affaires étrangères, M. Ivanov, qui a porté en partie sur les relations entre la Russie et l'OTAN. Il n'est pas inutile de le signaler.

J'ajoute que nous partageons l'objectif du désarmement nucléaire militaire, mais il faut qu'il se fasse de manière équilibrée et avec des garanties. Sur le fond, il ne faut pas laisser croire que les positions des uns et des autres sont radicalement opposées, qu'il y a, d'une part, les tenants de positions bonnes et honorables, généreuses et pacifiques et, d'autre part, des aigles méchants et guerriers. Il faut s'abstraire de ce discours manichéiste qui n'est en rien ma « tasse de thé ».

M. le président. - J'ajoute, monsieur le vice-premier ministre, que le désarmement nucléaire progresse de manière considérable. À la fin des années septante, la Russie et les États-Unis avaient chacun plus de trente mille têtes nucléaires, situation tout à fait absurde.

Les accords START II viennent d'être votés par la Douma après des années d'hésitations car, pour la Russie, l'arme nucléaire est le dernier attribut qui subsiste de la superpuissance russe. La Russie s'y accroche donc avec énormément de vitalité. Mais la Douma ayant voté l'accord START II, les têtes nucléaires seront ramenées de chaque côté à moins de cinq à six mille. En outre, les membres de l'OTAN, donc aussi les États-Unis, sont prêts à négocier un accord START III qui ramènerait le nombre de têtes nucléaires à moins de mille dans chaque camp. Cela signifie que cette désescalade nucléaire que nous espérons tous est en cours. Cependant, il ne faut jamais, comme l'indique le vice-premier ministre, isoler un élément des autres. Ainsi faut-il prendre en compte les systèmes anti-missiles à propos desquels un nouveau débat s'engage.

Nous entrons peu à peu dans le monde du post-nucléaire, dans un système de protection contre tout type de missile. Il faut aussi tenir compte, comme l'a souligné le vice-premier ministre, des armes chimiques et bactériologiques mais aussi de l'existence de gouvernements instables, comme ceux de l'Irak et de l'Iran qui, en tout cas, disposent d'armes chimiques et bactériologiques. La dissuasion est une stratégie globale dans laquelle s'inscrit l'arme nucléaire dont l'importance ne fait heureusement que décroître.

De heer Patrik Vankrunkelsven (VU-ID). - Ik wil zeker niet zeggen dat de pacifisten de enige goeden zijn, want ik ben ervan overtuigd dat de aanhangers van de afschrikkingstrategie vaak hetzelfde doel hebben, namelijk het bewaren van de vrede. Ik wil het dus zeker niet zo scherp stellen. Ik hoop dat we het debat ten gronde kunnen voeren.

- Het incident is gesloten.

(Voorzitter: de heer Jean-Marie Happart, ondervoorzitter.)