1-1281/1

1-1281/1

Belgische Senaat

ZITTING 1998-1999

25 FEBRUARI 1999


Wetsvoorstel betreffende het eigendoms- en exploitatierecht van apotheken

(Ingediend door de heer Olivier)


TOELICHTING


Dit wetsvoorstel is in feite het voorstel dat door de heer Stefaan De Clerck ingediend werd op 23 november 1993 onder nr. 1228-1, 93/94 bij de Kamer van volksvertegenwoordigers. Het werd op 12 januari 1996 opnieuw ingediend als stuk nr. 366-1, 95/96 door mevrouw Trees Pieters en de heer Luc Willems, zij het enigszins aangepast. Zo werd het in overeenstemming gebracht met de jongste Staatshervorming (artikel 1) en werd de overgangsperiode ingekort van 10 tot 6 jaar.

Op 8 mei 1998 werd het voorstel dan opnieuw door de heer Stefaan De Clerck overgenomen, samen met de heer Luc Willems (Stuk Kamer, nr. 366-2, 95/96).

Met dit wetsvoorstel willen we de toenemende concentratie van apotheken tegengaan.

Wanneer de wetgever in 1973 een vestigingswet invoerde voor apotheken was het vanuit een bezorgdheid om de kwaliteit van de aflevering van geneesmiddelen te garanderen. Men ging er vanuit dat een te grote concurrentie ten koste zou gaan van de volksgezondheid, dit zou leiden tot een druk tot omzetmaximalisatie per apotheek en op die wijze tot extra uitgaven voor de ziekteverzekering.

In het concept van de vestigingswet is de persoon van de apotheker-officinahouder erg belangrijk. Hij is verantwoordelijk. Die verantwoordelijkheid moet in al zijn consequenties worden doorgetrokken.

We stellen vast dat in de rest van de Europese gemeenschap ­ buiten het Verenigd Koninkrijk en Ierland ­ men daarom voorschrijft dat de eigenaar van een apotheek apotheker moet zijn. (In het Verenigd Koninkrijk en Ierland hebben de apotheken ook geen monopolie op de geneesmiddelenverkoop.)

Vandaag zien we dat steeds meer apotheken opgekocht worden door een investeerder en ondergebracht worden in een vennootschap. Volgens de Weekberichten van de Kredietbank van 21 september 1990 waren toen reeds 20 % van de apotheken in handen van niet-apothekers. De evolutie is zorgwekkend te meer daar de regeling om de overnameprijs te beperken niet werkt. Onder tafel wordt in vele gevallen een belangrijke meerprijs betaald naast de wettelijke vastgelegde overnameprijs.

Omdat een apotheek een beleggingsobject wordt waar veel kapitaalkrachtigen in geïnteresseerd zijn, ontstaat een speculatieve markt met hoge prijzen. In een systeem met gereglementeerde winstmarges worden zo onnodige bijkomende kosten gecreëerd. De jonge apotheker die er in slaagt een apotheek te verwerven heeft het bijzonder moeilijk om zijn lening te kunnen afbetalen.

We geloven dat het voor de volksgezondheid en voor de ziekteverzekering best zou zijn dat de regel volgens welke de gediplomeerde apotheker-uitbater van de officina ook eigenaar van de officina zou zijn, wordt gerespecteerd.

Zodoende worden aan de jonge afgestudeerden de meeste kansen geboden om het vrij beroep waarvoor ze gekozen hebben ook echt vrij uit te oefenen. Ongezonde concentraties en belangenvermenging worden vermeden.

In het wetsvoorstel opteren we voor een aanpassing van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de geneeskunst, de verpleegkunde, de paramedische beroepen en de geneeskundige commissies waarin vandaag reeds het openen van een officina onderworpen wordt aan een voorafgaande vergunning.

Vandaag reeds stelt deze wet : « de vergunning is persoonlijk ». We willen niet onmogelijk maken dat een afgestudeerd apotheker een vennoot-kapitaalverschaffer bij de overname betrekt doch essentieel is dat de apotheker zelf de zeggenschap heeft over zijn apotheek.

Met dit wetsvoorstel willen we terugkeren naar de situatie waar de gediplomeerde apotheker werkzaam is in zijn eigen zaak. Deze apotheker kan dan een band ontwikkelen met zijn cliënteel die hem in staat stelt verantwoord geneesmidelen af te leveren. Meer jongeren krijgen de kans om het beroep vrij uit te oefenen.

De overgangsbepaling moet er voor zorgen dat de patrimoniale rechten van diegenen die één of verscheidene officina's aangekocht hebben niet geschaad worden.

Binnen de 6 jaar moet de gediplomeerde apotheker minstens 51 % van de aandelen en dus ook de zeggenschap over de officina bezitten, wat impliceert dat een voldoende lange termijn wordt geboden om geleidelijk tot regularisatie van de eigendomsstructuur te komen. Niets belet dat een vennootschap in verscheidene officina's een (minderheids-)participatie aanhoudt.

Marc OLIVIER.

WETSVOORSTEL


Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2

In artikel 4, § 3, 1º van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de geneeskunst, de verpleegkunde, de paramedische beroepen en de geneeskundige commissies worden de volgende wijzigingen aangebracht :

In fine van het eerste lid worden de woorden « aan de natuurlijke of de rechtspersoon die de aanvraag doet. » vervangen door de woorden « aan de apotheker die de aanvraag doet. »;

2º Tussen het tweede en het derde lid worden de volgende bepalingen ingevoegd :

« De aanvrager moet, op de datum van zijn aanvraag, in het bezit zijn van een diploma van apotheker en mag de leeftijd van 65 jaar niet bereikt hebben. Verscheidene gediplomeerde apothekers kunnen samen één vergunning aanvragen.

Aan een persoon kan slechts één vergunning toegekend worden.

De apotheker mag de officina waarvoor hij een vergunning bekomen heeft onderbrengen in een vennootschap. De aandelen van de vennootschap dienen op naam te zijn. De apotheker vergunninghouder dient steeds minstens 51 % van de aandelen in de vennootschap te bezitten, op straffe van verval van de vergunning. Aan de Orde wordt kennis gegeven van de statuten van de vennootschap en de wijzigingen ervan.

De houder van een vergunning dient daadwerkelijk beroepsmatig verbonden te zijn met de apotheek waarvoor hij de vergunning heeft bekomen.

In geval de vergunninghouder overlijdt of niet meer daadwerkelijk beroepsmatig verbonden is aan de officina, dienen hijzelf of zijn erfgerechtigden, op straffe van verval van de vergunning, er voor te zorgen dat binnen de twee jaar na het definitief ontstaan van deze toestand of na de datum van het overlijden de officina opnieuw geëxploiteerd wordt in overeenstemming met bovenstaande bepalingen. »

Art. 3

Overgangsbepaling

De eigenaars van een vergunde apotheek beschikken over een periode van 6 jaar na de publikatie van deze wet in het Belgisch Staatsblad om er voor te zorgen dat zij aan de bepalingen van artikel 2 voldoen.

Na afloop van de bovenvermelde termijn vervallen van rechtswege alle vergunningen voor de houders die zich niet hebben geschikt naar artikel 2.

Marc OLIVIER.