1-224

1-224

Sénat de Belgique

Belgische Senaat

Annales parlementaires

Parlementaire handelingen

SÉANCES DU JEUDI 26 NOVEMBRE 1998

VERGADERINGEN VAN DONDERDAG 26 NOVEMBER 1998

(Vervolg-Suite)

MONDELINGE VRAAG VAN DE HEER OLIVIER AAN DE MINISTER VAN VOLKSGEZONDHEID EN PENSIOENEN OVER « DE ILLEGALE UITOEFENING VAN MEDISCHE BEROEPEN »

QUESTION ORALE DE M. OLIVIER AU MINISTRE DE LA SANTÉ PUBLIQUE ET DES PENSIONS SUR « L'EXERCICE ILLÉGAL DE PROFESSIONS MÉDICALES »

De voorzitter. ­ Aan de orde is de mondelinge vraag van de heer Olivier.

Het woord is aan de heer Olivier.

De heer Olivier (CVP). ­ Mijnheer de voorzitter, onlangs raakte bekend dat een 69-jarige man twintig jaar lang een tandartspraktijk heeft gehad zonder dat hij de vereiste diploma's en vergunningen had. De persoon werkte in penibele hygiënische omstandigheden en verspreidde medicamenten waarvan de vervaldatum was overschreden. Hij werkte met valse attesten van andere, gediplomeerde tandartsen en met gestolen stempels.

Dit is een heel ernstige zaak die ook in andere medische beroepen denkbaar is. Voor de betrokken patiënten en voor de volksgezondheid in het algemeen kan dit soort praktijken onherstelbare schadelijke gevolgen hebben.

Ik zou de minister volgende vragen willen stellen.

Welke zijn de vereisten waaraan kandidaat beoefenaars van medische beroepen moeten voldoen om een praktijk te kunnen opzetten ? Hoe worden deze beroepen gecontroleerd ? Is het mogelijk dat artsen en andere beoefenaars van medische beroepen na hun opruststelling nog attesten uitschrijven en prestaties declareren ? Welke maatregelen of sancties overweegt de minister om dergelijke praktijken in de toekomst te vermijden ?

De voorzitter. ­ Het woord is aan minister Colla.

De heer Colla, minister van Volksgezondheid en Pensioenen. ­ Mijnheer de voorzitter, het geval dat door de heer Olivier wordt aangehaald, is inderdaad ernstig.

Iemand kan pas een medische of paramedische praktijk beginnen als op het diploma van de betrokkene door de provinciale geneeskundige commissie een visum is aangebracht.

Men moet echter een onderscheid maken tussen artsen en tandartsen. Na de opleiding van zeven jaar moet een arts een specialisatie volgen ­ ook een huisarts moet twee tot drie jaar stage lopen ­ en kan hij worden erkend door het ministerie van Volksgezondheid. Het RIZIV baseert zich op die erkenning om de arts een nummer toe te kennen en tot terugbetaling over te gaan. Voor tandartsen bestaat niet zo een sluitend systeem. Daarom proberen we ook voor de tandartsen de erkenning bij het ministerie van Volksgezondheid verplicht te maken. De sector dringt overigens eveneens aan op specialisaties, zoals practicus of orthodontist. In de jongste programmawet hebben we trouwens een wettelijke basis voorgesteld voor registratie en erkenning voor de diverse paramedische beroepen. Apothekers zijn voorstander van registratie in een kadaster, maar ik heb niet de indruk dat artsen een kadaster van de praktijken wensen.

De controle op de onwettige uitoefening van de geneeskunde behoort tot de opdracht van de provinciale geneeskundige commissie, die momenteel echter over onvoldoende inspecteurs beschikt. Optreden gebeurt dan ook op basis van klachten. Ik heb me echter voorgenomen om in overleg met de provinciale geneeskundige commissie te onderzoeken welke maatregelen we in dit verband kunnen nemen.

Een arts die met pensioen gaat, kan nog getuigschriften voor verstrekte hulp afleveren en geneesmiddelen voorschrijven, maar het merendeel beperkt zich hierbij tot familie en vrienden. Van zodra zij gepensioneerd zijn, mogen zij net als andere beroepscategoriën slechts arbeidsprestaties leveren tot het maximum toegelaten supplementaire inkomen.

Wanneer artsen boekjes met getuigschriften voor verstrekte hulp bestellen bij de administratie van Financiën, doen ze meestal een voorraad in. Bij het overlijden van een arts, verloopt er uiteraard enige tijd tussen de datum van overlijden en de registratie van dat overlijden bij Financiën. Deze situatie kan aanleiding geven tot misbruiken. Ik zal overleg plegen met de bevoegde diensten om na te kijken of die registratie niet vlugger kan plaatsvinden.

Dat verklaart uiteraard niet dat iemand een voorraad voor twintig jaar heeft opgeslagen. Deze illegale situatie zal ik voorleggen aan mijn collega van Sociale Zaken. Ik zal haar verzoeken na te gaan hoe tegen deze misbruiken kan worden opgetreden en vooral ook hoe men ze kan voorkomen.

De voorzitter. ­ Het woord is aan de heer Olivier voor een repliek.

De heer Olivier (CVP). ­ Mijnheer de voorzitter, ik denk dat de aanpak die de minister voorstelt, inderdaad de meest adequate methode is om aan deze illegale praktijken een einde te maken.

De voorzitter. ­ Het incident is gesloten.

L'incident est clos.