1-218

1-218

Sénat de Belgique

Belgische Senaat

Annales parlementaires

Parlementaire handelingen

SÉANCE DU JEUDI 12 NOVEMBRE 1998

VERGADERING VAN DONDERDAG 12 NOVEMBER 1998

(Vervolg-Suite)

MONDELINGE VRAAG VAN DE HEER VERREYCKEN AAN DE VICE-EERSTE MINISTER EN MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN OVER « DE WETSOVERTREDINGEN VAN BURGEMEESTERS »

QUESTION ORALE DE M. VERREYCKEN AU VICE-PREMIER MINISTRE ET MINISTRE DE L'INTÉRIEUR SUR « LES VIOLATIONS DE LA LOI COMMISES PAR DES BOURGMESTRES »

De voorzitter. ­ Aan de ordre is de mondelinge vraag van de heer Verreycken.

Het woord is aan de heer Verreycken.

De heer Verreycken (Vl. Bl.). ­ Mijnheer de voorzitter, voormalig hoofdcommissaris van Schaarbeek, Johan Demol, werd ontslagen nadat hij documenten uit een onderzoek gebruikte om zijn stellingen kracht bij te zetten. Er werd hem verweten het geheim van het gerechtelijk onderzoek te hebben geschonden.

Tijdens de procedure die de heer de Donnéa tegen de intussen ontslagnemende gouverneur naar aanleiding van het totalitair verbieden van het Vlaams Blok-congres voor de Raad van State aanspande, legde de heer de Donnéa voor het oog van de media een origineel proces-verbaal ter publieke zitting aan de rechtbank voor om zijn stellingen kracht bij te zetten. Een en ander werd trouwens door de aanwezige griffier genoteerd en ter plaatse aangeklaagd door een vertegenwoordiger van Binnenlandse Zaken, die vaststelde dat het geheim van het gerechtelijk onderzoek werd geschonden.

Zal deze aangelegenheid even zwaar wegen voor de heer de Donnéa als destijds voor de heer Demol ? De omschrijving is alvast identiek. Is een burgemeester, administratief hoofd van de politie, verheven boven de normen waaraan de politiemensen zijn onderworpen ? Zal de politiecommissaris die het document aan de raadsman van de burgemeester bezorgde, ontslagen worden ?

Naar aanleiding van hetzelfde congres werd op 7 november 1998 door de burgemeester van Sint-Joost-ten-Node een samenscholingsverbod uitgevaardigd. Dezelfde burgemeester nam op 7 november jongstleden deel aan een betoging, elk samenscholingsverbod negerend. Staat een burgemeester boven de wet of boven de richtlijnen die hij zelf verstrekt ?

Over welke sanctiemiddelen beschikt de vice-eerste minister aan de voornoemde burgemeesters tot de orde te roepen ? Zal de vice-eerste minister deze sancties ook daadwerkelijk toepassen ?

De voorzitter. ­ Het woord is aan vice-eerste minister Van den Bossche.

De heer Van den Bossche, vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken. ­ Mijnheer de voorzitter, een raadsman van de burgemeester van Brussel heeft bij de Raad van State een proces-verbaal in verband met smaad ingediend. Volgens de wet kan dit proces-verbaal slechts één bestemmeling hebben, met name de procureur des Konings te Brussel. Het is juist dat mijn kabinetschef daarover op de zitting meteen zijn verwondering heeft laten blijken. In de lijn van de stelling die door mijn kabinetschef op de zitting werd verdedigd, zal ik aan de procureur des Konings een brief schrijven waarin ik de feiten op een rij zet. Als het om een strafrechtelijke inbreuk gaat ­ in dit geval schending van het geheim van het onderzoek en van het beroepsgeheim ­ dan kan die enkel slaan op de politie-ambtenaren van het Brussels gemeentekorps. Zij hebben immers het proces-verbaal overhandigd aan de burgemeester. Wat er precies is gebeurd, zal het onderzoek moeten uitwijzen.

In tegenstelling tot de heer Demol is burgemeester de Donnéa niet gebonden door het geheim van het onderzoek, noch door het beroepsgeheim en kan hem dus geen misdrijf ten laste worden gelegd. Daarom concentreert de hele zaak zich niet rond de burgemeester, maar rond de politieambtenaar of ambtenaren die zouden betrokken zijn bij het bekendmaken van dit proces-verbaal.

Wat burgemeester Cudell betreft, is er geen enkel element om te denken dat hij aan een betoging heeft deelgenomen. Overigens heeft hij al lang niet meer de leeftijd om in een kwikzilveren uitrusting in het rond te springen. (Gelach. ) Wel is het juist dat hij op het terrein aanwezig was. Dat lijkt mij ook logisch aangezien hij als burgemeester verantwoordelijk is voor de openbare orde en in die functie net een belangrijke beslissing had genomen. Bovendien is het zelfs een goede zaak dat hij zich als burgemeester tussen de manifestanten begeeft om met hen te spreken en de gemoederen te bedaren. Dat lijkt mij allemaal volkomen logisch en in overeenstemming met zijn opdracht als burgemeester. Dat uitleggen alsof de burgemeester zijn eigen samenscholingsverbod zou hebben overtreden is geheel naast te kwestie. In absurdo doorgedacht betekent dit dat een burgemeester die een samenscholingsverbod uitvaardigt niet meer buiten mag komen. Dat is al te gek. Ik heb dan ook geen enkele reden om wat dan ook te ondernemen tegen de heer Cudell.

De voorzitter. ­ Het woord is aan de heer Verreycken voor een repliek.

De heer Verreycken (Vl. Bl.). ­ Mijnheer de voorzitter, ik wil kort even reageren op wat de vice-eerste minister zegt over de heer Cudell.

Ten eerste komt mijn opmerking niet voort uit het de visu aanschouwen van de tegenbetoging, maar uit het bekijken van de TV-beelden op verschillende zenders zag ik de burgemeester verklaren : « Ik zal aan deze manifestatie deelnemen » en « Ik zal mee betogen tegen ... » De burgemeester verwoordde in alle duidelijkheid zijn intentie om aan de betoging deel te nemen, op dezelfde manier als andere politici ook deelnamen aan een betoging die door een samenscholingsverbod was verboden. Ik dring er bij de vice-eerste minister op aan dat hij dit iets grondiger onderzoekt.

Ook de kalmerende rol die de burgemeester volgens de vice-eerste minister heeft gespeeld blijkt niet uit de televisiebeelden. Ik zou zijn uitspraken eerder als ophitsend bestempelen. Aangezien deze kwestie echter geen deel uitmaakt van mijn mondelinge vraag, wil ik die niet verder ontwikkelen.

De voorzitter. ­ Het incident is gesloten.

L'incident est clos.