1-1121/2

1-1121/2

Belgische Senaat

ZITTING 1998-1999

23 OKTOBER 1998


HERZIENING VAN DE GRONDWET


Herziening van artikel 151 van de Grondwet


AMENDEMENTEN


Nr. 1 VAN DE HEER BOUTMANS

Enig artikel

In de ontworpen tekst van § 2, tweede lid, in de tweede zin, tussen de woorden « verkozen worden door deze laatsten » en « op de wijze en onder de voorwaarden » de woorden « waarbij de rechters en de ambtenaren van het openbaar ministerie telkens verschillende kiescolleges vormen » invoegen.

Verantwoording

De rol van de zittende magistratuur enerzijds en die van de staande magistratuur anderzijds zijn voor de beide groepen nogal specifiek en dit verschil vertaalt zich ook in een andere verhouding tegenover de uitvoerende macht, zoals onder meer is aangegeven in de vooropgestelde § 1 van het nieuwe grondwetartikel 151. Het is dan ook wenselijk dat het onderscheid tussen beide gerespecteerd wordt bij de verkiezing van de respectievelijke vertegenwoordigers in de Hoge Raad voor de Justitie. Elke groep verkiest haar eigen vertegenwoordigers. Bovendien zullen magistraten die van het openbaar ministerie overstappen naar de zetel of omgekeerd, onmiddellijk worden vervangen in de Hoge Raad zodat een billijke vertegenwoordiging van beide groepen gegarandeerd blijft.

Nr. 2 VAN DE HEER BOUTMANS

Enig artikel

In de ontworpen tekst van § 2 tweede lid , in de tweede zin, de woorden « met een meerderheid van twee derde van de uitgebrachte stemmen » weglaten.

Verantwoording

Enerzijds is dit een bepaling die in de wet kan worden geregeld, maar anderzijds zijn wij geen voorstander van een aanduiding via een tweederde meerderheid. Op die wijze vraagt men in feite om de onderhandelingen tussen verschillende politieke fracties in de Senaat in de hoop een politiek akkoord te bereiken over een groep kandidaten die dan verzekerd is van een tweederde steun. Precies dit partijpolitieke afwegen wil de grondwetgever tegengaan. Wanneer individuele kandidatuurstelling mogelijk is en de verkiezingsprocedure in de Senaat belet dat een politieke meerderheid meteen ook vlot alle kandidaten kan aanduiden, dan lijken er meer garanties voor depolitisering aanwezig dan bij het voorgestelde systeem van tweederde meerderheid.

Nr. 3 VAN DE HEER BOUTMANS

Enig artikel

De ontworpen § 3 vervangen door de volgende bepaling :

« § 3. De Hoge Raad voor de Justitie is onder meer bevoegd voor :

1º de voordracht van kandidaten voor een benoeming tot rechter, zoals bedoeld in § 4, of tot ambtenaar van het openbaar ministerie;

2º de voordracht van kandidaten voor een aanwijzing in de functies bedoeld in § 5, eerste lid, en in de functies van korpschef bij het openbaar ministerie;

3º het geven van adviezen en voorstellen inzake de algemene werking en organisatie van de rechterlijke orde;

4º het evalueren en bevorderen van de interne controlemiddelen;

5º het ontvangen en het opvolgen van klachten inzake de werking van de rechterlijke orde, inbegrepen het opstarten van een tuchtrechtelijke of strafrechtelijke procedure bij hiervoor bevoegde instanties;

6º het instellen van een onderzoek naar de werking van de rechterlijke orde.

Een wet aan te nemen met de meerderheid bepaald in artikel 4, laatste lid, bepaalt de overige bevoegdheden van de Hoge Raad voor de Justitie. »

Verantwoording

In het voorgestelde artikel 151 wordt in § 3 teveel in de Grondwet ingeschreven. Enerzijds wordt een hele opsomming gegeven van bevoegdheden van de Hoge Raad voor de Justitie en anderzijds wordt in de mogelijkheid voorzien om deze bevoegdheden nog uit te breiden via een wet gestemd met een bijzondere meerderheid. In de combinatie van enerzijds het inschrijven van bevoegdheden in de Grondwet en anderzijds de mogelijke uitbreiding via een bijzondere wet kunnen we inkomen. Maar op dat ogenblik dient men de grondwettelijke bevoegdheden tot de meest essentiële te beperken. Deze worden terecht in de Grondwet verankerd. De noodzaak van een bijzondere meerderheid voor een uitbreiding van de bevoegdheden garandeert dat de wetgever hier niet lichtzinnig mee kan omspringen maar toch soepel kan inspelen op nieuwe behoeften, buiten de loodzware procedure van een grondwetsherziening om. De concrete wijze waarop deze bevoegdheden worden uitgeoefend en verdeeld over de verschillende organen van de Hoge Raad voor de Justitie dienen niet in de Grondwet verankerd. Het volstaat hierbij te verwijzen naar de wet waarvan sprake in § 2 van het ontworpen artikel 151.

Nr. 4 VAN DE HEER BOUTMANS

In de ontworpen tekst van § 3, eerste lid, het 8º vervangen als volgt :

« 8º klachten ontvangen inzake de werking van gerechtelijke instanties, met inbegrip van de bevoegdheid om aan de bevoegde overheid het aanhangig maken van een tuchtvordering of het instellen van een strafrechtelijk onderzoek op te dragen. »

Nr. 5 VAN DE HEER BOUTMANS

Enig artikel

In de ontworpen § 4, het tweede en het derde lid weglaten.

Verantwoording

Dit amendement strekt er eveneens toe de tekst van de Grondwet niet onnodig lang te maken. Door invoeging van de criteria bekwaamheid en geschiktheid in het eerste lid van deze paragraaf beschikt de wetgever over voldoende aanbevelingen van de grondwetgever om de concrete benoemings- en bevorderingsprocedures bij wet uit te werken. Hierbij dient vermeden te worden dat al te vaak de voorwaarde van een tweederde meerderheid wordt vooropgesteld.

Het blijft belangrijk dat, zelfs met een herhaalde en gemotiveerde voordracht door de Hoge Raad voor de Justitie, uiteindelijk de Koning zijn verantwoordelijkheid neemt voor de eindbeslissing. Afwijking van een voordracht van de Hoge Raad waarbij kandidaten in volgorde van voorkeur worden gerangschikt, moet mogelijk blijven, uiteraard alleen mits grondige motivering en met de garantie dat een beroep bij de Raad van State mogelijk blijft en de normale politieke controle van het Parlement op de uitvoerende macht ten volle kan spelen. In een procedure waarbij de Hoge Raad tweemaal de kans krijgt een gemotiveerde voordracht te doen, en met een duidelijke motiveringsplicht voor de Koning indien Hij daarvan wenst af te wijken, zal in de praktijk doorgaans de voordracht van de Hoge Raad worden gevolgd. Het kan echter nuttig zijn, in uitzonderlijke omstandigheden, toch een andere beslissing te nemen dan degene die door de Hoge Raad werd geadviseerd. Op deze wijze ontstaat een beter evenwicht tussen het belangrijke advies van de Hoge Raad en de uiteindelijke politieke verantwoordelijkheid van de minister die de beslissing neemt.

Nr. 6 VAN DE HEER BOUTMANS

Enig artikel

In de ontworpen § 5, het eerste tot het vierde lid vervangen door het volgende lid :

« De voorzitters van de hoven en van de rechtbanken worden door de hoven en de rechtbanken in deze functies aangewezen onder de voorwaarden en op de wijze die de wet bepaalt. »

Verantwoording

In de eerste plaats lijkt het nuttig na te gaan of het niet wenselijk is de overvloed aan mandaten (eerste voorzitters, voorzitters, ondervoorzitters) wat te beperken en ­ waarom niet ­ te beperken tot het aanwijzen van één korpsoverste.

Wij opteren ook voor een éénvormige aanwijzingsprocedure van deze korpsoversten : elke rechtbank of elk hof kiest uit eigen midden de meest geschikte kandidaat. Een tussenkomst van de Koning lijkt ons niet meer noodzakelijk.

Op deze wijze wordt de procedure sterk vereenvoudigd en kan ze volledig bij wet geregeld worden. Dit kan het grondwetsartikel opnieuw sterk vereenvoudigen.

Nr. 7 VAN DE HEER BOUTMANS

Enig artikel

In de ontworpen § 6 de woorden « , vierde lid » weglaten.

Verantwoording

Deze weglating is het logische gevolg van amendement nr. 6 waarbij in § 5 het eerste tot en met het vierde lid worden vervangen door één lid.

Nr. 8 VAN DE HEER BOUTMANS

Enig artikel

Het tweede lid van de ontworpen overgangsbepaling vervangen door het volgende lid :

« Vanaf dat moment worden alle functies bedoeld in § 5 vacant. De zetelende korpsoversten blijven de functie waarnemen tot de nieuwe aanwijzing volgens de procedure bij wet bepaald. De zetelende korpsoversten kunnen op dat ogenblik uitzonderlijk dan ook voor deze nieuwe aanwijzing kandideren. De korpsoversten worden geacht te zijn benoemd in het hof of de rechtbank waar zij op dat ogenblik deze functie uitoefenen. »

Verantwoording

De hervorming van de justitie is zeer dringend noodzakelijk. De korpsoversten zullen een cruciale rol dienen te spelen bij de implementatie van de hervorming in de praktijk. Elk hof en elke rechtbank dient dan ook zo snel mogelijk over de mogelijkheid te beschikken een korpschef aan te duiden die deze hervorming kan en wenst door te voeren. Waar dit met de huidige korpsoversten mogelijk is, bieden de overgangsbepalingen bij deze grondwetsherziening de mogelijkheid om voor één maal als zetelend korpschef voor dit nieuwe soort mandaat te kandideren. Zo voorkomt men dat te veel waardevolle kandidaten niet eens de kans krijgen om voor deze nieuwe functies te solliciteren. Eens overal de nieuwe korpsoversten werden aangewezen kan de normale procedure zoals bij deze hervorming bepaald met tijdelijke, wellicht niet verlengbare mandaten, haar beloop krijgen.

Nr. 9 VAN DE HEER BOUTMANS

Enig artikel

In de ontworpen overgangsbepaling, het derde tot het negende lid vervangen door het volgende lid :

« Tot dan blijven de volgende bepalingen van toepassing :

1º de vrederechters en de rechters in de rechtbanken worden rechtstreeks door de Koning benoemd op basis van bekwaamheid en geschiktheid;

2º de raadsheren in het Hof van Cassatie en in de hoven van beroep en de voorzitters en ondervoorzitters der rechtbanken van eerste aanleg binnen hun rechtsgebied worden door de Koning benoemd uit een lijst voorgelegd door de hoven en rechtbanken in rangorde van voorkeur.

De Koning kan slechts gemotiveerd van de rangorde afwijken;

3º alle voordrachten worden openbaar gemaakt ten minste vijftien dagen voor de benoeming;

4º de hoven kiezen uit hun leden, hun voorzitters en ondervoorzitters. »

Verantwoording

Dit amendement strekt ertoe ook tijdens de overgangsfase tot aan de installatie van de Hoge Raad voor de Justitie enkele belangrijke objectiveringsmechanismen in te stellen.

In een eerste bepaling wordt erop gewezen dat bekwaamheid en geschiktheid criteria worden waarop de Koning zich moet baseren bij een benoeming tot rechter of vrederechter, zoals als principe in de Grondwet zal worden ingeschreven bij aanvaarding van een ander amendement.

In een tweede bepaling wordt de voordracht door politieke organen zoals de provincieraden, de Raad van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, de Kamer en de Senaat, onmiddellijk afgeschaft. Vermits volgens een ander amendement de mandaten van korpsoversten bij de installatie van de Hoge Raad voor de Justitie worden vacant verklaard, is er geen risico dat tijdens deze overgangsperiode op het laatste ogenblik een explosie plaatsheeft van politieke benoemingen. Waar echter dringend nood is aan een invulling van een vacature kan dit via deze vereenvoudigde en deels gedepolitiseerde procedure. Meteen wordt aan de instantie die de voordracht doet, gevraagd de kandidaten te rangschikken in volgorde van voorkeur waarbij van een benoeming door de Koning alleen gemotiveerd kan afgeweken worden. Dit garandeert ook in deze overgangsfase een beroepsmogelijkheid bij de Raad van State en de normale controle vanuit het Parlement. De derde en vierde bepaling werden ongewijzigd overgenomen uit het oorspronkelijke voorstel tot herziening van artikel 151 van de Grondwet.

Eddy BOUTMANS.