Vragen en Antwoorden

Belgische Senaat

ZITTING 1996-1997


Bulletin 1-46

27 MEI 1997

Vragen van de Senatoren en antwoorden van de Ministers

(N.): Vraag gesteld in 't Nederlands ş (Fr.): Vraag gesteld in 't Frans


Staatssecretaris voor Veiligheid, toegevoegd aan de minister van Binnenlandse Zaken, en staatssecretaris voor Maatschappelijke Integratie en Leefmilieu, toegevoegd aan de minister van Volksgezondheid (Maatschappelijke Integratie)

Vraag nr. 56 van de heer Olivier d.d. 28 maart 1997 (N.) :
Integratiecontracten OCMW-werkloze jongeren. ş Evaluatie.

De ge´ndividualiseerde projecten voor sociale integratie, of kortweg de integratiecontracten, werden ingevoerd bij wet van 12 januari 1993 houdende een urgentieprogramma voor een meer solidaire samenleving, en uitgewerkt bij koninklijk besluit van 24 maart 1993.

Graag had ik van de geachte staatssecretaris een antwoord op volgende vragen :

1. Hoe evalueert hij de integratiecontracten na vier jaar werking ?

2. In hoeveel procent van de gevallen leidt het sluiten van een integratiecontract ertoe dat jongeren tussen 18 en 25 onafhankelijk worden van OCMW-steun ?

3. Volgens ingewijden zijn het tekort aan jobs en opleidingskansen, het gebrek aan motivering bij de jongeren zelf en onvoldoende tijd of personeel bij het OCMW de voornaamste gebreken van het systeem. Kan de geachte staatssecretaris deze analyse onderschrijven ?

4. Is de onmogelijkheid van partnership met private werkgevers geen hinderpaal gebleken ? Is het dan ook niet aangewezen artikel 60, ž 7, van de OCMW-wet te wijzigen ?

5. Zijn de beschikbare middelen voldoende ? Bestaan er plannen tot een verhoging van het budget ?


Antwoord : Ik heb de eer het geachte lid de volgende inlichtingen mede te delen.

De ge´ndividualiseerde projecten voor sociale integratie (of integratiecontracten) werden ingevoerd door de wet van 12 januari 1993 houdende een urgentieprogramma voor een meer solidaire samenleving, als een antwoord op de vaststelling dat steeds meer jongeren een beroep deden op een OCMW. Het urgentieprogramma (UP) wou vermijden dat die jongeren terecht zouden komen in een uitzichtloze situatie van afhankelijkheid van bijstand. Er werd geopteerd voor een integratieve aanpak van dit verontrustende fenomeen : een ge´ndividualiseerd project, op maat van de betrokkene, onder de vorm van een contract, gericht op sociale integratie. Het doel was te werken met de jongeren in een bilaterale relatie op basis van onderhandelingen en overleg, waarbij concrete doelstellingen en een fazegewijze planning geformuleerd zouden worden. Integratie werd duidelijk ruimer opgevat dan louter integratie in het professionele leven, wat zich beperkt tot opleiding en werk : ook maatschappelijke en persoonlijke aspecten konden een rol spelen.

1. In oktober 1996 publiceerde de Koning Boudewijnstichting het verslag van een studie die uitgevoerd werd in mijn opdracht : ź Evaluatie van aspecten van het urgentieprogramma in de grote steden ╗. In deze studie worden de voornaamste maatregelen uit het UP geŰvalueerd aan de hand van een onderzoek van de concrete toepassing van het UP door tien grote OCMW's. Ik zal mij beperken tot enkele grote lijnen die naar voren kwamen in dit verslag.

Uit dit verslag blijkt dat de effectieve toepassing van de ge´ndividualiseerde projecten voor sociale integratie en de manier waarop ze toegepast werden, varieerden zowel over de OCMW's heen als binnen eenzelfde OCMW. In een aantal gevallen werd het ge´ndividualiseerd project voor sociale integratie gehanteerd op de manier waarop de wet het bedoeld had. In andere gevallen werd het echter gezien als een bureaucratische formaliteit. De oorzaak daarvan ligt niet noodzakelijk bij de inherente waarde van het ge´ndividualiseerd project voor sociale integratie zelf. Eerder is het zo dat de meeste OCMW's gebukt gaan onder een zware werkdruk als gevolg van een stijgend aantal hulpbehoevenden. Men kwam vaak niet toe aan de intensieve begeleiding die het ge´ndividualiseerd project voor sociale integratie vergde. Alvorens dus definitief kan overgegaan worden tot een evaluatie, moeten eerst de nodige voorwaarden worden bekeken om een betere toepassing van de ge´ndividualiseerde projecten voor sociale integratie te verzekeren. Het blijkt duidelijk uit de studie dat organisatorisch management bij de OCMW's en de kwaliteit van de contracten hand in hand gaan.

Uit de interviews die de onderzoekers afnamen van jongeren die een integratiecontract ondertekend hadden, bleek wel dat ze het ge´ndividualiseerd project voor sociale integratie eerder positief ervaarden, zeker wanneer de doelstellingen ervan in de praktijk omgezet waren.

2. Het aantal gevallen waarbij het afsluiten van een ge´ndividualiseerd project voor sociale integratie ertoe leidt dat jongeren onafhankelijk worden van OCMW-steun is niet bekend en maakte geen deel uit van de studie.

Enerzijds is dit toe te schrijven aan het feit dat de doelstelling van het ge´ndividualiseerd project voor sociale integratie ruimer is en anderzijds aan de vaststelling dat veel jongeren zich in een specifieke situatie bevinden, waarbij de begeleiding primeert boven het bereiken van snelle resultaten. Inderdaad, veel jongeren die een integratiecontract ondertekenden, volgen nog een opleiding (en kunnen dus nog niet zomaar aan het werk) of zitten nog in de wachtperiode voor het verkrijgen van wacht- of later stempelgeld. De diversificatie van de gevallen is te groot om er naakte cijfers op te plakken. Het zou trouwens fout en gevaarlijk zijn om aan zulk een getal conclusies en interpretaties te verbinden.

3. Een grote moeilijkheid van het systeem is inderdaad het gebrek aan tijd en personeel bij de OCMW's. Immers, het OCMW dat zich tot doelstelling gesteld heeft de ge´ndividualiseerde projecten voor sociale integratie in de praktijk te brengen volgens de geest van de wet, slaagt er in het algemeen in positieve resultaten te bereiken en de door het geachte lid vernoemde moeilijkheden te overwinnen.

4. De mogelijkheid van een partnership met de private werkgevers is reeds mogelijk; de bepalingen vervat in artikel 6, ž 2, tweede lid, van de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum voorziet inderdaad de mogelijkheid van tussenkomst door derden. Overigens dient een onderscheid gemaakt te worden tussen het ge´ndividualiseerd project voor sociale integratie en een arbeidsovereenkomst afgesloten in het kader van artikel 60, ž 7, van de organieke wet betreffende de OCMW's. Wat dit laatste betreft, vestig ik de aandacht van het geachte lid op het feit dat de wijzigingen van de wet voortaan het OCMW toelaten een werknemer ter beschikking van derden te stellen, met name de gemeente, een ander OCMW, een VZW met sociale of culturele doelstellingen. De Ministerraad van 30 april 1997 besliste bovendien nog een reeks maatregelen om de tewerkstelling van bestaansminimumgerechtigden te bevorderen, onder andere de ter beschikking stelling van artikel 60ers aan vennootschappen met sociaal oogmerk en de openstelling van de eerste werkervaringscontracten voor bestaansminimumgerechtigden.

Alvorens over te gaan tot nieuwe maatregelen in verband met de ge´ndividualiseerde projecten voor sociale integratie lijkt het mij eerder aangewezen de huidige werking te optimaliseren en erop toe te zien dat het ge´ndividualiseerd project voor sociale integratie effectief wordt toegepast door alle OCMW's. Het is bijvoorbeeld zo dat de inspectie op de OCMW's heel wat ge´ntensifieerd is, zodat er meer wordt toegekeken op de implementatie van de wettelijke bepalingen in het veld.

5. De begrotingskredieten voorzien voor de betaling van de staatstoelage in het kader van de ge´ndividualiseerde projecten voor sociale integratie zijn inbegrepen in het algemene budget van de wet van 7 augustus 1974.

De tweede vraag is dus zonder voorwerp.