Vragen en Antwoorden

Belgische Senaat

ZITTING 1995-1996


Bulletin 1-22

2 JULI 1996

Vragen van de Senatoren en antwoorden van de Ministers

(N.): Vraag gesteld in 't Nederlands ­ (Fr.): Vraag gesteld in 't Frans


Vice-Eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken

Vraag nr. 133 van de heer Olivier d.d. 30 april 1996 (N.) :
Taalwetgeving.

Graag had ik van de geachte minister een antwoord op volgende vragen :

1. a) Wordt de taalwetgeving toegepast op het tijdelijk en contractueel personeel van de federale ministeries ?

b) Zijn er nog andere personeelscategorieën (buiten de statutairen, de tijdelijken en contractuelen) binnen de federale ministeries waarop de taalwetgeving van toepassing is ?

2. Op welke personeelscategorieën van de Brusselse gemeente- en OCMW-besturen is de taalwetgeving van toepassing ?

3. Is de taalwetgeving van toepassing op instellingen, bedrijven, personen, enz. die taken of opdrachten van openbaar belang (bewakingsopdrachten, zelfstandige geneesheren in OCMW's ...) uitoefenen ?

4. Is de taalwetgeving van toepassing op de zogenaamde gemeentelijke VZW's ?


Antwoord : Ik heb de eer het geachte lid het volgende mede te delen.

1. De taalwetgeving wordt toegepast op alle personeelsleden van de federale ministeries, ongeacht tot welke categorie zij behoren. Volgens de vaste rechtspraak van de Vaste Commissie voor taaltoezicht dient het begrip «benoeming», zoals vermeld in artikel 21, § 2, en § 5, van het koninklijk besluit van 18 juli 1966 houdende coördinatie van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, als volgt geïnterpreteerd te worden : «elke inbreng van nieuw personeel ongeacht of het gaat om vast, tijdelijk, stagedoend voorlopig of contractueel personeel; dat tevens elke inbreng van nieuw personeel door transfer, mutatie, bevordering, belasting met uitoefening van bepaalde functies, enz., onder de toepassing van die bepalingen valt» (advies VCT nr. 2365 d.d. 28 mei 1970).

Hoewel artikel 21, § 2, en § 5, van het voormelde koninklijk besluit van 18 juli 1966 betrekking heeft op de plaatselijke diensten van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad, kan deze interpretatie naar analogie ook toegepast worden op de centrale diensten, meer bepaald de federale ministeries. De VCT bevestigt deze stelling trouwens in haar advies nr. 19.155 van 15 oktober 1987, dat betrekking heeft op de aanwerving van gesubsidieerde contractuelen door de federale overheid.

2. Uit het bovenstaande blijkt dat de taalwetgeving eveneens van toepassing is op alle personneelscategorieën van de Brusselse gemeente- en OCMW-besturen. Ook dit werd door de VCT bevestigd in talrijke adviezen : nr. 23.113 d.d. 2 juni 1993 (aanwerving van hulpagenten en sociale werkers), nr. 24.102 d.d. 5 november 1993 (OCMW-beambte), nr. 24.167 d.d. 20 januari 1993 (aspirant-politieofficieren) en nr. 25.080 d.d. 15 september 1993 (overlegassistenten).

3. Artikel 1, § 1, 2º, van het bovenvermelde koninklijk besluit van 18 juli 1966 bepaalt uitdrukkelijk dat de gecoördineerde wetten eveneens toepasselijk zijn op de natuurlijke en rechtspersonen die concessiehouder zijn van een openbare dienst of die belast zijn met een taak die de grenzen van een privaat bedrijf te buiten gaat en die de wet of de openbare machten hun hebben toevertrouwd in het belang van het algemeen (zie het advies van de VCT nr. 3794 d.d. 7 februari 1974 betreffende de automobielinspectie).

Een zelfstandig geneesheer, die zijn activiteit uitoefent in een OCMW-ziekenhuis, is eveneens aan de taalwetgeving onderworpen. Artikel 50 van de gecoördineerde wetten luidt immers als volgt : «De aanstelling, uit welke hoofde ook, van private medewerkers, opdrachthouders of deskundigen ontslaat de diensten niet van de toepassing van deze gecoördineerde wetten» (zie ook de adviezen van de VCT nr. 22.004 van 30 mei 1991 en nr. 21.183 van 18 november 1994).

4. Tenslotte is de taalwetgeving eveneens van toepassing op de gemeentelijke VZW's, zulks eveneens op basis van artikel 1, § 1, 2º, van de gecoördineerde wetten (zie daaromtrent de adviezen van de VCT nrs. 21.196 en 21.197 van 14 juni 1990, beide met betrekking tot door de gemeente gesubsidieerde VZW's).