1-187

1-187

Sénat de Belgique

Belgische Senaat

Annales parlementaires

Parlementaire handelingen

SÉANCE DU MERCREDI 27 MAI 1998

VERGADERING VAN WOENSDAG 27 MEI 1998

(Vervolg-Suite)

VRAAG OM UITLEG VAN DE HEER VAUTMANS AAN DE VICE-EERSTE MINISTER EN MINISTER VAN FINANCIËN EN BUITENLANDSE HANDEL OVER « DE FINANCIËLE TOESTAND VAN DE HORECASECTOR »

VRAAG OM UITLEG VAN DE HEER GOOVAERTS AAN DE VICE-EERSTE MINISTER EN MINISTER VAN FINANCIËN EN BUITENLANDSE HANDEL OVER « DE MOEILIJKHEDEN BINNEN DE SECTOR VAN DE BEROEPSRESTAURATEURS »

DEMANDE D'EXPLICATIONS DE M. VAUTMANS AU VICE-PREMIER MINISTRE ET MINISTRE DES FINANCES ET DU COMMERCE EXTÉRIEUR SUR « LA SITUATION FINANCIÈRE DU SECTEUR HORECA »

DEMANDE D'EXPLICATIONS DE M. GOOVAERTS AU VICE-PREMIER MINISTRE ET MINISTRE DES FINANCES ET DU COMMERCE EXTÉRIEUR SUR « LES DIFFICULTÉS DANS LE SECTEUR DES RESTAURATEURS PROFESSIONNELS »

De voorzitter. ­ Aan de orde is de vraag om uitleg van de heer Vautmans.

Ik stel voor de vraag om uitleg van de heer Goovaerts eraan toe te voegen.

Het woord is aan de heer Vautmans.

De heer Vautmans (VLD). ­ Mijnheer de voorzitter, in een recente studie van Hubert Ooghe en Alexander Dehaene, beiden verbonden aan de Rijksuniversiteit van Gent, wordt een dramatisch beeld geschetst van de financiële toestand van de horecasector. De algemene conclusie van deze studie is : « Het wekt geen verwondering dat het risico van de horecasector veel groter is dan van om het even welke andere sector. »

De Belgische restaurateurs, die onder andere worden aangevoerd door de grootste chefs van het land, komen in opstand tegen de Horecafederatie die officieel is aangesteld om hun belangen te verdedigen. Ze hebben hun eigen federatie opgericht : de Patroonsfederatie der Beroepsrestaurateurs. De grieven van de Belgische restaurateurs raken vooral de bevoegdheden van de vice-premier.

Allereerst is er het probleem van de BTW-heffing voor de Belgische horecasector. In België bedraagt die 21 % en er zijn zelfs geruchten dat ze zou stijgen tot 25 %, hetgeen natuurlijk absurd zou zijn. Op het ogenblik wordt in Frankrijk 6 % BTW geheven en er zijn zelfs voorstellen om de BTW tot 3 % te verlagen. Ook in Luxemburg wordt slechts 6 % BTW geheven. Het gevolg hiervan is dat bij ons topklasserestaurants sluiten en overgaan naar « lichtere » situaties zoals brasseries. Kwaliteit wordt dus duidelijk tegengewerkt.

In de tweede plaats is er het probleem van de aftrekbaarheid van de restaurantkosten. Voor zakenlui wordt het inbrengen van de restaurantkosten gereduceerd tot 50 %. In de buurlanden Frankrijk en Luxemburg zijn de restaurantkosten voor zakenlui 100 % aftrekbaar. In België ontstaat dus weer eens een absurde situatie. Ik geef een voorbeeld : een bedrijf nodigt zes mensen uit om te eten in een goed restaurant. De factuur is voor 50 % aftrekbaar; in die factuur zit 21 % BTW. Als dat bedrijf een volgende keer in de zaak uitnodigt en een traiteur vraagt om de gerechten te leveren is de factuur voor 100 % aftrekbaar en betaalt men slechts 6 % BTW.

Een derde probleem is de deloyale concurrentie van hotelscholen, voetbalstadions met business-seats en staatsrestaurants.

Als de vice-eerste minister wil dat de culinaire kennis in België blijft bestaan, moet hij dringend maatregelen nemen. De laatste jaren moeten te veel kwaliteitsrestaurants hun deuren sluiten, terwijl de fastfood-zaken en grootkeukens als paddestoelen uit de grond rijzen.

Graag had ik van de vice-eerste minister vernomen of hij bereid is in de nabije toekomst de BTW-reglementering voor de restauranthouders op het peil van onze buurlanden te brengen en dus tot een maximum van 6 % te verlagen. Is de vice-eerste minister bereid de restaurantkosten voor zakenmensen 100 % aftrekbaar te maken, net zoals in onze buurlanden ?

Ik herhaal dat enkel een BTW-verlaging en het ongedaan maken van de maatregel die bepaalt dat restaurantkosten slechts voor 50 % aftrekbaar zijn, kunnen leiden tot een oplossing voor de dramatische situatie van onze horecasector. We mogen niet vergeten dat deze sector een belangrijke werkgever is en dat hij een vrij grote omzet heeft. De huidige situatie is niet van aard het zwartwerk te doen verminderen. De loonlasten zijn te hoog, de BTW-regulering is nefast en de 35-urenweek is niet haalbaar.

Ik dring erop aan dat er snel en efficiënt wordt gewerkt opdat België zijn culinaire kwaliteiten kan blijven behouden. Per slot van rekening eten we allemaal wel eens graag heel lekker.

De voorzitter. ­ Het woord is aan de heer Goovaerts.

De heer Goovaerts (VLD). ­ Mijnheer de voorzitter, ik heb de vice-eerste minister de jongste jaren reeds herhaaldelijk ondervraagd over de problemen in de horecasector.

In 1995 heb ik enkele grote restauranthouders die hun sociale en fiscale verplichtingen nakomen, inlichtingen gevraagd over hun financiële toestand. Een Brussels restaurant met wereldwijde faam bleek op de rand van het faillissement te staan. De chef van dit restaurant heeft de vice-eerste minister nadien overigens vergezeld op een missie naar Japan. Het faillissement kon gelukkig worden afgewend. Tijdens bijeenkomsten die werden gehouden over de problematiek van de beroepsrestaurateurs, is gebleken dat de vice-eerste minister wel degelijk oog heeft voor de problemen in deze sector.

Op 14 maart 1995 heeft de vice-eerste minister een onderzoek beloofd naar de situatie van de beroepsrestaurateurs. Na mijn vragen in 1993, 1994, 1996 en 1997 is hij in gesprek getreden met de horecasector. De sector heeft drie voorstellen geformuleerd. Het eerste voorstel bestaat erin gedurende een beperkte periode de 100 % aftrekbaarheid van restaurantrekeningen als proef opnieuw in te voeren. De heer Vautmans heeft zopas uiteengezet hoe dit systeem werkt in het buitenland en in sommige gevallen in België. Het tweede voorstel behelst 100 % aftrekbaarheid, maar beperkbaar naargelang van het zakencijfer. Volgens het derde voorstel is een bepaald percentage van een restaurantrekening voor 100 % fiscaal aftrekbaar en de rest voor 50 %.

Op deze voorstellen zijn tot nu toe weinig reacties gekomen. Ik hoop dat de vice-eerste minister mij niet opnieuw zal antwoorden dat de BTW-opbrengsten in de horecasector van jaar tot jaar belangrijker worden. Er moet immers een onderscheid worden gemaakt tussen de sector van de beroepsrestaurateurs en de horecasector in het algemeen. Iedereen kan vaststellen dat de beroepsrestaurateurs van een zekere klasse op het middaguur maar weinig klanten hebben en dat hun publiek 's avonds voor 80 % uit buitenlanders bestaat. Dit betekent dat de buitenlanders de weg hebben gevonden naar deze zeer goede restaurants. Dat is verheugend, maar dat betekent ook dat het Belgische cliënteel van die restaurants nagenoeg is weggevallen. De heer Vautmans heeft de mogelijke redenen hiervoor aangestipt.

De vice-eerste minister heeft dit dus begrepen toen hij die chef meenam naar Japan. Een grote Japanse firma, die hier 1 200 werknemers tewerkstelt, is zich in België komen vestigen omdat de echtgenotes van die Japanse ondernemers belang hechtten aan de reputatie van België op culinair gebied. Dit illustreert hoe een klein feit grote gevolgen kan hebben.

Sedert 1 april is er bovendien een zwaardere belasting op avond- en nachtwerk. Ook de werkweek van 39 uur vormt een grote handicap voor deze sector. Dit verplicht de restaurants eigenlijk om in drie ploegen te werken. Dat is sociaal onhoudbaar, want onrendabel.

Ik ben ervan overtuigd dat de vice-eerste minister voorstellen zal hebben om iets aan de situatie te veranderen. Ik weet immers dat deze problematiek hem na aan het hart ligt. Het zou zeer verheugenswaardig zijn indien hij vóór zijn vertrek uit de regering de mogelijkheden waarover hij beschikt, aanwendt om voor deze sector iets te doen. De sector zal hem er dankbaar voor zijn.

De voorzitter. ­ Het woord is aan vice-eerste minister Maystadt.

De heer Maystadt, vice-eerste minister en minister van Financiën en Buitenlandse Handel. ­ Mijnheer de voorzitter, sedert 1 januari 1993 kunnen de lidstaten enkel een verlaagd BTW-tarief toepassen voor de leveringen van goederen en diensten die zijn opgesomd in een beperkte lijst, opgesteld door de Raad van de Europese Gemeenschappen en opgenomen als bijlage bij de richtlijn 92/77/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 tot aanvulling van het gemeenschappelijk stelsel van de belasting over de toegevoegde waarde. Het verschaffen van spijzen en dranken voor gebruik ter plaatse is niet opgenomen in deze lijst. Enkel de lidstaten die op 1 januari 1991 een verlaagd tarief toepasten voor restaurantverrichtingen, kunnen hiervoor, bij wijze van overgangsmaatregel, voorlopig een verlaagd tarief blijven toepassen. De Belgische wetgever kan zich onmogelijk op deze Europese regelgeving beroepen, om alsnog een verlaagd BTW-tarief voor de restaurantverrichtingen in te voeren. Dat is overigens ook het geval voor Frankrijk aangezien daar terzake het normaal BTW-tarief van 20,6 % van toepassing is.

Momenteel heeft de commissie nog geen voorstel gedaan om wijzigingen in de huidige tariefstructuur mogelijk te maken. De commissie zou overigens vóór 1999 geen specifieke aanpassing overwegen van de van kracht zijnde overgangsregeling aangaande de BTW-tarieven die van toepassing zijn op de dienstverlening door restaurants.

Wat de aftrekbaarheid van restaurantkosten betreft, ben ik van mening dat niet zo zeer de beperking van die aftrekbaarheid, maar veeleer de economische conjunctuur een invloed heeft op de financiële toestand van de horecasector. Ik ben er dan ook van overtuigd dat de huidige opleving van de conjunctuur een grotere impact zal hebben op de gezondmaking van de sector dan een eventuele opheffing van die beperking.

Bovendien wil ik eraan herinneren dat de beperking van de aftrekbaarheid van de restaurant- en receptiekosten destijds onder meer tot doel had de voortdurende uitbreiding van fiscaal aftrekbare uitgaven tegen te gaan. Een gehele of gedeeltelijke opheffing van die maatregel zou dan ook opnieuw kunnen leiden tot een gevoelige toename van bedoelde aftrekpost.

Cela dit, je voudrais répondre de manière plus précise à un élément de la question de M. Goovaerts. En effet, il a établi une distinction, qui me semble tout à fait pertinente, entre le secteur Horeca en général et un sous-secteur constitué des restaurants de qualité supérieure qui font la réputation internationale de la gastronomie belge, et qui a été le plus affecté par la limitation de la déductibilité fiscale.

Il est clair que sur le plan de la T.V.A., il est impossible aujourd'hui pour la Belgique d'appliquer un tarif réduit pour les raisons que je viens d'évoquer. En revanche, en ce qui concerne la limitation de la déductibilité fiscale, j'ai proposé non pas de supprimer la limitation mais de l'adapter en l'alignant sur ce qui est prévu pour les frais de voitures. J'estime en effet qu'il serait raisonnable d'aligner la déductibilité des frais de restaurant sur celle des frais de voitures qui est, comme vous le savez, de 75 %. Il n'y a pas encore de consensus à ce jour sur cette proposition mais, personnellement, je suis convaincu que cette adaptation permettrait d'atténuer l'effet négatif que la mesure a pu avoir sur une partie limitée du secteur Horeca.

De voorzitter. ­ Het woord is aan de heer Goovaerts.

De heer Goovaerts (VLD). ­ Mijnheer de voorzitter, het antwoord van de vice-eerste minister verheugt mij ten zeerste. Het opent een weg die niet alleen de betrokkenen interesseert, maar die ook kan leiden tot de heropbloei van een hele economische sector. Ik heb de vice-eerste minister gedurende jaren over deze problematiek ondervraagd en heb altijd aangevoeld dat hij deze zaak genegen was. Ik wens hem ervoor te danken dat hij nu ook de hand aan de ploeg zal slaan.

De voorzitter. ­ Het incident is gesloten.

L'incident est clos.