1-176

1-176

Sénat de Belgique

Belgische Senaat

Annales parlementaires

Parlementaire handelingen

SÉANCES DU JEUDI 26 MARS 1998

VERGADERINGEN VAN DONDERDAG 26 MAART 1998

(Vervolg-Suite)

MONDELINGE VRAAG VAN DE HEER OLIVIER AAN DE VICE-EERSTE MINISTER EN MINISTER VAN FINANCIËN EN BUITENLANDSE HANDEL OVER « DE BTW-REGLEMENTERING VOOR UITVOERENDE ARTIESTEN »

QUESTION ORALE DE M. OLIVIER AU VICE-PREMIER MINISTRE ET MINISTRE DES FINANCES ET DU COMMERCE EXTÉRIEUR SUR « LA RÉGLEMENTATION T.V.A. POUR LES ARTISTES EXÉCUTANTS »

De voorzitter. ­ Aan de orde is de mondelinge vraag van de heer Olivier aan de vice-eerste minister en minister van Financiën en Buitenlandse Handel.

Het woord is aan de heer Olivier.

De heer Olivier (CVP). ­ Mijnheer de voorzitter, op 5 februari heb ik vice-eerste minister reeds om uitleg gevraagd over de gevolgen van de administratieve rondzendbrief van de federale BTW-administratie die de BTW-vrijstelling voor uitvoerende artiesten opheft. De vice-eerste minister deelde toen mee dat de nieuwe regeling van kracht wordt op 1 april. Ik feliciteer de vice-eerste minister en de regering omdat de Ministerraad van vorige vrijdag het licht op groen zette voor een nieuwe regeling, maar ondertussen is het bijna 1 april en sommige zaken blijven onduidelijk.

Kan de vice-eerste minister mij meer informatie verschaffen over de nieuwe BTW-reglementering voor uitvoerende artiesten ? Op welke activiteiten wordt het tarief van 6% toegepast ? Uitvoerende artiesten zijn voortaan in sommige gevallen BTW-plichtig, maar de organisatoren niet. De uitvoerende artiesten kunnen bijgevolg de BTW niet recupereren. Kan dit euvel worden hersteld ?

De culturele sector dringt erop aan dat de nieuwe regeling niet op 1 april 1998, maar pas op 1 januari 1999 van kracht wordt. Dit zou bijkomende problemen voor de sector vermijden, aangezien het culturele jaar loopt van september tot augustus. Is de vice-eerste minister bereid op dit verzoek in te gaan ? De vice-eerste minister beantwoordde deze vraag reeds, maar ik zou graag over meer precieze informatie beschikken.

Zal de vice-eerste minister in de toekomst overleg plegen met de gemeenschappen over de fiscale maatregelen met een belangrijke weerslag op hun bevoegdheden ?

De voorzitter. ­ Het woord is aan vice-eerste minister Maystadt.

De heer Maystadt, vice-eerste minister en minister van Financiën en Buitenlandse Handel. ­ Mijnheer de voorzitter, zoals ik de heer Olivier reeds verduidelijkte in mijn antwoord op zijn mondelinge vraag van 5 februari jongstleden, blijft de BTW-vrijstelling, zoals bedoeld in artikel 44, paragraaf 2, 8º,van het BTW-Wetboek, volledig van toepassing op uitvoerende artiesten die handelen als fysieke personen, zowel wanneer zij solo als in groep optreden.

Van april 1998 af zullen de prestaties van uitvoerende artiesten die via een VZW of een handelsvennootschap werken, aan de BTW worden onderworpen. Dit geldt evenwel alleen voor de contracten die na 1 april 1998 zijn gesloten, dus de contracten die normaal gezien betrekking hebben op het volgende seizoen.

De vrijstelling die bepaald is in artikel 44, paragraaf 2, 9º, van het BTW-Wetboek voor de prestaties verstrekt door culturele verenigingen die door de Gemeenschappen als dusdanig zijn erkend, blijft van toepassing.

Tot slot heeft de Ministerraad van vrijdag 20 maart 1998 een ontwerp van koninklijk besluit goedgekeurd dat tot doel heeft het verlaagd BTW-tarief van 6% toe te passen op de prestaties van uitvoerende artiesten, met uitzondering echter van prestaties die betrekking hebben op reclame, waarvoor wel het BTW-tarief van 21% zal gelden. Dit koninklijk besluit zal eveneens op 1 april 1998 in werking treden. De administratie werd verzocht circulaire 13 van november 1997 te wijzigen in het licht van de hierboven vermelde beslissingen.

De voorzitter. ­ Het woord is aan de heer Olivier voor een repliek.

De heer Olivier (CVP). ­ Mijnheer de voorzitter, ik ben de vice-eerste minister zeer erkentelijk; wat hij beloofde in zijn antwoord op mijn mondelinge vraag van 25 februari jongstleden, werd integraal in het koninklijk besluit van 20 maart jongstleden opgenomen.

Ik dank de regering namens de betrokken sector voor de duidelijkheid en vooral voor het verlaagd BTW-tarief van 6%. Heel wat vrees en ongenoegen zijn daarmee weggewerkt.

De voorzitter. ­ Het incident is gesloten.

L'incident est clos.