1-964/2

1-964/2

Belgische Senaat

ZITTING 1997-1998

14 MEI 1998


Herziening van artikel 103 van de Grondwet

Herziening van artikel 125 van de Grondwet

Herziening van artikel 125 van de Grondwet


VERSLAG

NAMENS DE COMMISSIE VOOR DE INSTITUTIONELE AANGELEGENHEDEN UITGEBRACHT DOOR DE HEER HOTYAT


I. INLEIDENDE UITEENZETTING VAN DE EERSTE MINISTER OVER HET VOORSTEL TOT HERZIENING VAN ARTIKEL 103 VAN DE GRONDWET

Het voorliggend ontwerp tot herziening van artikel 103 van de Grondwet vloeit voort uit verschillende voorstellen tot herziening van dit artikel die in de Kamer ingediend werden.

Ter bespreking van deze zeer uiteenlopende voorstellen is in de Kamer in december 96 overgegaan tot de oprichting van een subcommissie. In deze subcommissie zijn de basisopties van het hier voorgestelde artikel 103 van de Grondwet genomen. Hierbij is overleg gepleegd met de Senaat.

Op basis van de werkzaamheden in de subcommissie is door de voorzitster, mevrouw de T'Serclaes, een voorstel tot herziening van artikel 103 van de Grondwet ingediend, waarin de meeste fracties zich konden vinden. In de Kamercommissie voor de herziening van de Grondwet en de hervorming van de instellingen is dit basisvoorstel verder verfijnd.

Het ontworpen artikel 103 gaat uit van de volgende krachtlijnen :

Artikel 103 is van toepassing op :

­ ministers in functie, voor de misdrijven die zij mochten hebben gepleegd zowel in als buiten de uitoefening van hun ambt;

­ gewezen ministers, enkel voor de misdrijven die zij mochten hebben gepleegd in de uitoefening van hun ambt. Hiermee is gelijk te stellen de misdrijven die gepleegd zijn voor de uitoefening van het ambt, maar berecht tijdens het ambt.

Het gemeen recht is bijgevolg van toepassing op een gewezen minister voor misdrijven gepleegd buiten de uitoefening van zijn ambt evenals op de misdrijven gepleegd voor de uitoefening van het ambt en vervolgd na de ambtsuitoefening.

Aanvankelijk was het toepassingsgebied beperkt tot ministers in functie. In overleg met de Senaat is men echter tot de conclusie gekomen dat dit zou betekenen dat het interessanter zou worden te wachten tot na de ambtsuitoefening van een minister, aangezien men dan zonder enige belemmering een minister zou kunnen vervolgen, zelfs voor misdrijven gepleegd in de uitoefening van het ambt.

Inzake de bevoegde berechtingsinstantie is geopteerd voor het hof van beroep. Na afweging van de alternatieven is men immers tot de conclusie gekomen dat het niet wenselijk zou zijn om voor ministers een nieuwe regeling in het leven te roepen. De bestaande regeling van voorrecht van rechtsmacht, die van toepassing is op rechters en de andere personen die opgesomd zijn in de artikelen 479 en volgende van het Wetboek van Strafvordering, bleek immers perfect toepasbaar op ministers.

Dit betekent dat het hof van beroep uitspraak zal doen in eerste en laatste aanleg, waarbij echter wel voorziening voor het Hof van Cassatie behouden blijft, zij het als cassatie. Hierbij is in de uitvoeringswet een onderscheid gemaakt tussen de misdrijven gepleegd in de uitoefening van het ambt, waarvoor het Hof van beroep te Brussel bij uitsluiting bevoegd is, en de misdrijven gepleegd buiten de uitoefening van het ambt, waar het bevoegde hof van beroep wordt aangeduid overeenkomstig de criteria van gemeen recht.

Het hof van beroep zal in deze gevallen zitting houden in algemene vergadering, waarvan de samenstelling bij de wet bepaald wordt. Aldus werden twee doelstellingen verzoend : enerzijds wou men de minister niet laten berechten door een kamer van drie rechters, anderzijds wou men de werking van het hof van beroep niet paralyseren. In de uitvoeringswet is geopteerd voor een kamer van zeven leden voor wat betreft de misdrijven gepleegd in de uitoefening van het ambt.

Deze keuze voor het hof van beroep heeft als consequentie dat de artikelen 111 en 147 van de Grondwet buiten werking gesteld zullen worden, aangezien ze geen nut meer hebben.

Overeenkomstig het vierde lid van het ontworpen artikel kan de vervolging in strafzaken enkel worden ingesteld en geleid door de procureur-generaal bij het hof van beroep. Het op gang brengen van de strafvordering door de burgerlijke partij wordt aldus uitgesloten.

Inzake de tussenkomst van een politiek orgaan is geopteerd voor een parallellisme met het nieuwe artikel 59 van de Grondwet.

Zo moet de Kamer verlof verlenen voor de vordering van de procureur-generaal tot regeling van de rechtspleging voor de kamer van inbeschuldigingstelling, voor de rechtstreekse dagvaarding voor het hof van beroep, evenals voor de aanhouding van een minister, behalve in geval van ontdekking op heterdaad.

Dit betekent enerzijds dat de Kamer slechts tussenkomt op het einde van het onderzoek, wat veronderstelt dat het onderzoek is afgerond. De procureur-generaal moet met andere woorden over een volledig en ernstig dossier beschikken, op basis waarvan hij, voor de kamer van inbeschuldigingstelling, de verwijzing naar het hof van beroep zal kunnen vorderen. Op te merken valt dat ook voor de vordering tot buitenvervolgingstelling, de procureur-generaal het verlof van de Kamer nodig heeft.

Anderzijds moet de Kamer niet de rol van de kamer van inbeschuldigingstelling op zich nemen : de kamer moet niet langer in beschuldiging stellen maar enkel een filterrol vervullen. In het wetsvoorstel tot uitvoering van artikel 103 van de Grondwet werden hiertoe een aantal criteria opgenomen. Deze zullen eveneens moeten worden opgenomen in het voorstel tot uitvoering van artikel 125 van de Grondwet.

Gelet op het feit dat enkel het openbaar ministerie bij het bevoegde hof van beroep de strafvordering kan instellen en haar leiden, is de vraag gesteld naar de burgerlijke aansprakelijkheid van ministers.

In de tekst van het ontwerp is ten aanzien van het oorspronkelijk voorstel van mevrouw de T'Serclaes het zesde lid verplaatst naar het einde van het artikel zodat beter tot uiting komt dat hiermee de volledige problematiek van de burgerlijke aansprakelijkheid bedoeld wordt en niet enkel die gebonden aan strafrechtelijke procedures.

In verband met de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van ministers, heeft de regering aan twee deskundigen, professor Bocken en professor Dalcq, gevraagd ter zake een advies op te stellen, zowel met betrekking tot de ministers als tot de andere verkozenen met een uitvoerend ambt, met name op lokaal vlak.

Bij de algemene bespreking van het voorstel in de Kamer heeft de regering haar engagement herhaald om een ontwerp of voorstel ­ indien het opnieuw gezamenlijk gedaan wordt ­ over de burgerrechtelijke aansprakelijkheid te bespreken.

Het ontworpen artikel 103 van de Grondwet regelt eveneens de cumulatieproblematiek, en dit op een dubbele wijze.

Enerzijds rijst de vraag naar de gezamenlijke toepassing van artikel 103 van de Grondwet en de artikelen 59 en 120 van de Grondwet, met name wanneer een lid van het parlement wordt vervolgd voor misdrijven gepleegd in de uitoefening van het ambt als federaal minister. De tekst van het ontwerp bepaalt ter zake dat artikel 103 voorrang heeft op beide laatste artikelen.

Anderzijds is er de cumulatieproblematiek met artikel 125 van de Grondwet, die zich zal voordoen wanneer bijvoorbeeld de betrokkene federaal minister is en gewezen gemeenschaps- of gewestminister, of omgekeerd. De uitvoeringswet neemt ter zake de oplossing van de tijdelijke wetten over : artikel 103 van de Grondwet is daarbij niet van toepassing op de misdrijven gepleegd in de uitoefening van het ambt van lid van een gemeenschaps- of gewestregering.

Tenslotte moet gewezen worden op de overgangsregeling. Hier is de regel dat een zaak wordt afgehandeld in de procedure waarin ze gestart is. Dit betekent dat voor de ministers die reeds verwezen zijn naar het Hof van Cassatie evenals voor de dossiers die momenteel aanhangig zijn bij het Hof van Cassatie, in welke vorm ook, het huidige artikel 103 en de tijdelijke wet van 17 december 1996 van toepassing blijft en dit zelfs nadat het nieuwe artikel 103 van de Grondwet en de uitvoeringswet zijn aangenomen. Ook voor de nieuwe dossiers die zijn geopend nadat het nieuwe artikel 103 van de Grondwet is aangenomen, maar vooraleer de uitvoeringswet ervan van kracht is, geldt dezelfde regeling.

Inzake de werkwijze is tussen Kamer en Senaat van bij het begin overeengekomen dat de Kamer artikel 103 van de Grondwet voor zijn rekening zou nemen, terwijl de Senaat het voorstel tot herziening van artikel 125 van de Grondwet als eerste zou herzien. Vandaar dat de heren Vandenberghe, Lallemand, Erdman, en mevrouw Willame in de Senaat een voorstel tot herziening van artikel 125 van de Grondwet hebben ingediend. Dit voorstel dient evenwel nog te worden aangepast aan de laatste wijzigingen die de Kamer in de plenaire vergadering heeft aangebracht.

II. BESPREKING

Een lid merkt op dat overeenkomstig het achtste lid van het ontworpen artikel de wet bepaalt in welke gevallen en volgens welke regels de benadeelde partijen een burgerlijke rechtsvordering kunnen instellen. Wat gebeurt er in de periode tussen de goedkeuring van de nieuwe tekst van artikel 103 van de Grondwet en de goedkeuring van de wet bedoeld in het achtste lid ?

De eerste minister antwoordt dat er een onderscheid moet worden gemaakt tussen de schade die veroorzaakt wordt door een misdrijf en de schade die veroorzaakt wordt door een fout. In het eerste geval kan de benadeelde partij geen vervolging instellen. Haar vordering kan daarentegen wel gevoegd worden bij de rechtsvordering die het openbaar ministerie instelt.

Voor het tweede geval ­ dat van de zuiver burgerrechtelijke aansprakelijkheid van ministers ­ moet zo vlug mogelijk een wettelijke regeling tot stand worden gebracht. Het is meer dan ooit noodzakelijk het probleem van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van leden van de uitvoerende macht op alle niveaus te regelen. Er zijn steeds meer gevallen waarin de vernietiging van een bestuurshandeling leidt tot een aansprakelijkheidsvordering. De mensen wenden zich gemakkelijker tot de rechter dan in het verleden.

Een lid verklaart dat de diverse wetgevende vergaderingen tijdens de afgelopen maanden uitvoerig van gedachten hebben gewisseld over de ontworpen teksten inzake de ministeriële aansprakelijkheid.

Het voorliggende ontwerp is de langverwachte invulling van de wens van de grondwetgever van 1831 om de ministers een definitief straf- en burgerrechtelijk statuut te geven. Dat statuut werd immers al die tijd geregeld door een overgangsbepaling, die door haar algemeenheid en haar vaagheid aanleiding gaf tot aanslepende discussies. Er hangt trouwens een geding voor de Europese Commissie voor de Rechten van de Mens over de vraag of de overgangsregeling van artikel 103 een voldoende wettelijke grondslag vormt voor het voeren van een strafrechtelijke vervolging.

In politieke doch ook juridische kringen groeide intussen de overtuiging dat de regeling waarbij het Hof van Cassatie ten gronde oordeelt over de ministeriële aansprakelijkheid, dient te worden gewijzigd. Hieraan wordt tegemoet gekomen door de beoordeling voortaan ten gronde toe te vertrouwen aan een hof van beroep dat in algemene vergadering zitting houdt. Het Hof van Cassatie is bevoegd voor de wettigheidstoetsing van de arresten van de hoven van beroep inzake de ministeriële aansprakelijkheid, zonder dat het daarbij in de beoordeling van de zaken zelf treedt.

De bijzondere regeling die in de artikelen 103 en 125 wordt uitgewerkt, is uitsluitend van toepassing op :

1. een minister in functie, ongeacht het feit of hij het misdrijf heeft gepleegd in of buiten de uitoefening van zijn ambt;

2. een gewezen minister voor de misdrijven die hij heeft gepleegd in de uitoefening van zijn ambt.

De regeling houdt optimaal rekening met de eigenheid van de ministeriële verantwoordelijkheid. Het verlof van de betrokken wetgevende vergadering is pas vereist op het einde van de procedure. Zo wordt de regeling van de ministeriële aansprakelijkheid afgestemd op de nieuwe regeling voor de parlementaire onschendbaarheid.

De tussenkomst van de betrokken wetgevende vergadering is gerechtvaardigd. Het is een noodzakelijke waarborg tegen vervolgingen die gesteund zijn op politieke beweegredenen.

Een ander lid verklaart dat zijn fractie niet kan instemmen met de voorliggende tekst. Hiervoor bestaan verschillende redenen.

Vooreerst hoort de berechting van ministers toe te komen aan het hoogste rechtscollege van het land, zij het uitsluitend voor de misdrijven gepleegd in de uitoefening van hun ambt.

Voor misdrijven gepleegd buiten de uitoefening van het ambt zou de tussenkomst van de Kamer beperkt moeten blijven tot de aanhouding en de voorlopige hechtenis. In essentie is de Kamer als politiek orgaan immers ongeschikt om een jurisdictionele rol te spelen.

Ten slotte mag de regeling van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid niet volledig aan de wetgever worden overgelaten. De krachtlijnen moeten in de Grondwet worden vastgelegd. De huidige regeling is in ieder geval onbevredigend : het slachtoffer kan immers geen vordering bij de burgerlijke rechtbank instellen indien de Kamer de minister niet verwijst naar een hof van beroep.

Een lid verklaart dat zijn fractie in de Senaat dezelfde houding zal aannemen als in de Kamer. De ontwerptekst is een goede manier om deze gevoelige materie te regelen.

Het lid is persoonlijk geen voorstander van een impliciete herziening van artikel 111 van de Grondwet. Dit zal immers aanleiding geven tot twee artikelen die met elkaar in strijd zijn. Luidens artikel 111 kan de Koning aan een door het Hof van Cassatie veroordeeld minister of lid van een gemeenschaps- of gewestregering genade verlenen terwijl artikel 103 van het ontwerp bepaalt dat een minister slechts veroordeeld kan worden door een hof van beroep. Dreigen er door die tegenstelling tussen twee grondwetsartikelen geen juridische problemen te ontstaan als men moet wachten tot een volgende zittingsperiode om het thans geldende artikel 111 te herzien of op te heffen ?

De eerste minister is van mening dat het gelijktijdig bestaan van de artikelen 103 en 111 niet echt aanleiding zal geven tot problemen. Vanuit juridisch-esthetisch oogpunt ware het beter geweest artikel 111 te kunnen opheffen. Artikel 111 blijft evenwel beperkt tot het geval van de veroordeling van een minister door het Hof van Cassatie. Aangezien ministers echter niet langer veroordeeld zullen worden door het Hof van Cassatie, zal artikel 111 niet toegepast moeten worden. Alleen nog in de overgangsfase kan het Hof van Cassatie ertoe gebracht worden een minister te veroordelen en alleen in dat geval zal artikel 111 nog steeds van toepassing zijn.

Een lid merkt op dat luidens het ontworpen derde lid de wet het bevoegde hof van beroep aanwijst. Wanneer het gaat om een feit dat door de minister is gepleegd in de uitoefening van zijn ambt, wordt hij berecht door het Hof van Beroep van Brussel. In de andere gevallen wordt hij berecht door het hof van beroep dat overeenkomstig de algemene regels territoriaal bevoegd is. In sommige gevallen zal in het begin niet altijd duidelijk uitgemaakt kunnen worden of de minister de feiten gepleegd heeft in de uitoefening van zijn ambt. Dit kan soms een feitenkwestie zijn waarover alleen de feitenrechter een oordeel kan vellen.

Volgens de eerste minister moet de gemeenrechtelijke procedure worden toegepast. Stelt een parket vast dat het niet bevoegd is, dan is het verplicht het dossier over te zenden aan het bevoegde parket. Daarvoor is geen wet nodig.

III. INLEIDENDE UITEENZETTING DOOR DE HOOFDINDIENER VAN VOORSTEL NR. 1-493/1 EN DE INDIENER VAN VOORSTEL NR. 1-899/1

De auteur van voorstel nr. 1-493/1 tot herziening van artikel 125 van de Grondwet beoogt voornamelijk een uitbreiding van de constitutieve autonomie van de Vlaamse Raad, de Waalse Gewestraad en de Franse Gemeenschapsraad. Zijn voorstel strekt ertoe elk van deze raden de constitutieve bevoegdheid inzake de rechtspositie van de leden van hun regering toe te kennen.

Hoogstwaarschijnlijk zullen de raden zich voor deze aangelegenheid spiegelen aan de regeling voor de leden van de federale regering, maar het verdient aanbeveling dat zij zelf verantwoordelijk zijn voor het uitwerken van hun eigen regeling.

De Raad van de Duitstalige Gemeenschap en de Raad van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest bezitten geen constitutieve autonomie. De rechtspositie van hun regeringen moet worden geregeld volgens de procedure die geldt voor de federale regeringsleden, met dien verstande dat de tussenkomst van de Kamer van volksvertegenwoordigers er vervangen wordt door die van de Raad waarvoor de minister politiek verantwoordelijk is.

De hoofdindiener van voorstel nr. 1-899/1 verklaart dat het voorstel tot herziening van artikel 125 de tekst van het ontworpen artikel 103 mutatis mutandis overneemt.

IV. BESPREKING

De eerste minister dient een amendement in (Stuk Senaat, nr. 1-899/2), amendement nr. 1, luidende :

« De wet bepaalt de procedure die moet worden gevolgd als de artikelen 103 en 125 beide van toepassing zijn evenals in geval van dubbele toepassing van artikel 125. »

Een lid vraagt enige verduidelijking over de regeling voor de ministers van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. Zij zijn terzelfder tijd lid van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, van het Verenigd College en van het College van de Franse of de Vlaamse Gemeenschapscommissie.

Veronderstel dat een minister van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest een misdrijf begaat in de uitoefening van zijn ambt van lid van een college. Is dan de betrokken vergadering het politieke orgaan waaraan verlof moet worden gevraagd ? Het lijkt alvast niet aangewezen dat de Brusselse Hoofdstedelijke Raad het bevoegde orgaan is wanneer de minister een misdrijf heeft begaan in een louter unicommunautaire aangelegenheid.

De eerste minister verklaart dat dit probleem duidelijk moet worden geregeld in de bijzondere wet tot uitvoering van artikel 125. Het voorstel van bijzondere wet bevat alvast een helder criterium : wanneer een minister vervolgd wordt voor een misdrijf begaan in de uitoefening van zijn ambt, wordt het verlof gegeven door de vergadering waaraan hij politieke verantwoording verschuldigd is.

Het voorstel van bijzondere wet biedt geen bevredigende regeling voor de hypothese waarin het misdrijf wordt begaan buiten de uitoefening van het ambt. Volgens het voorstel zouden dan immers meerdere wetgevende vergaderingen zich moeten uitspreken wanneer de betrokkene terzelfder tijd gewest- en gemeenschapsminister is.

Een alternatieve oplossing zou erin kunnen bestaan dat, voor de hypothese waarin het misdrijf wordt begaan buiten de uitoefening van het ambt, het verlof moet worden gegeven door de wetgevende vergadering waarvoor de betrokkene rechtstreeks verkozen werd. Die oplossing kan onder meer worden verantwoord doordat een minister na zijn ontslag opnieuw zitting neemt in de assemblee waarvan hij oorspronkelijk deel uitmaakte. Deze regeling biedt echter nog geen oplossing voor het ­ uitzonderlijke ­ geval van een buitenparlementair minister.

V. STEMMINGEN

Het ontwerp van herziening van artikel 103 van de Grondwet wordt aangenomen met 10 tegen 2 stemmen.

Met instemming van de Kamer besluit de commissie in de Franse tekst van het derde lid van het ontworpen artikel 103 de woorden « auprès de » te vervangen door het woord « devant ».


Amendement nr. 1 op het voorstel nr. 1-899/1 tot herziening van artikel 125 van de Grondwet wordt aangenomen met 10 tegen 2 stemmen.

Het aldus geamendeerde voorstel nr. 1-899/1 tot herziening van artikel 125 van de Grondwet wordt aangenomen met 10 tegen 2 stemmen.

De commissie besluit in de Nederlandse tekst van het vijfde lid van het voorgestelde artikel 125 de woorden « behalve bij ontdekking op heterdaad » te plaatsen tussen het woord « en » en de woorden « voor iedere aanhouding ». In de Franse tekst worden in het vijfde lid de woorden « sauf le cas de flagrant délit » geplaatst tussen het woord « et » en de woorden « toute arrestation ».

Ten gevolge van de aanneming van voorstel nr. 1-899 vervalt voorstel nr. 1-493/1.

Vertrouwen wordt geschonken aan de rapporteur voor het opstellen van dit verslag.

De rapporteur,
Robert HOTYAT.
De voorzitter,
Frank SWAELEN.

TEKSTEN AANGENOMEN DOOR DE COMMISSIE VOOR DE INSTITUTIONELE AANGELEGENHEDEN


Artikel 103 van de Grondwet


Enig artikel

Artikel 103 van de Grondwet wordt vervangen als volgt :

« Art. 103. ­ Ministers worden voor misdrijven die zij in de uitoefening van hun ambt mochten hebben gepleegd, uitsluitend berecht door het hof van beroep. Hetzelfde geldt voor misdrijven die ministers buiten de uitoefening van hun ambt mochten hebben gepleegd en waarvoor zij worden berecht tijdens hun ambtstermijn. De artikelen 59 en 120 zijn in voorkomend geval niet van toepassing.

De wet bepaalt op welke wijze tegen hen in rechte wordt opgetreden, zowel bij de vervolging als bij de berechting.

De wet wijst het bevoegde hof van beroep aan, dat in algemene vergadering zitting houdt, en bepaalt de samenstelling ervan. Tegen de arresten van het hof van beroep is beroep mogelijk bij het Hof van Cassatie, in verenigde kamers, dat niet in de beoordeling van de zaken zelf treedt.

De vervolging in strafzaken van een minister kan enkel worden ingesteld en geleid door het openbaar ministerie bij het bevoegde hof van beroep.

Voor elke vordering tot regeling van de rechtspleging, voor elke rechtstreekse dagvaarding voor het hof van beroep en, behalve bij ontdekking op heterdaad, voor elke aanhouding, is het verlof van de Kamer van volksvertegenwoordigers vereist.

De wet bepaalt de procedure die moet worden gevolgd als de artikelen 103 en 125 beide van toepassing zijn.

Aan een overeenkomstig het eerste lid veroordeeld minister kan geen genade worden verleend dan op verzoek van de Kamer van volksvertegenwoordigers.

De wet bepaalt in welke gevallen en volgens welke regels de benadeelde partijen een burgerlijke rechtsvordering kunnen instellen.

Overgangsbepaling

Dit artikel is niet van toepassing op de feiten waarvoor daden van opsporing werden verricht en op vervolgingen ingesteld vóór de inwerkingtreding van de wet tot uitvoering ervan.

Hiervoor geldt de volgende regeling : de Kamer van volksvertegenwoordigers heeft het recht ministers in beschuldiging te stellen en hen te brengen voor het Hof van Cassatie. Dit alleen is bevoegd om hen te berechten, in verenigde kamers, in de gevallen en met toepassing van de straffen die in de strafwetten zijn bepaald. De wet van 17 december 1996 houdende tijdelijke en gedeeltelijke uitvoering van artikel 103 van de Grondwet blijft terzake gelden. ».


Artikel 125 van de Grondwet


Enig artikel

Artikel 125 van de Grondwet wordt vervangen als volgt :

« Art. 125. ­ De leden van een Gemeenschaps- of Gewestregering worden voor misdrijven die zij in de uitoefening van hun ambt mochten hebben gepleegd, uitsluitend berecht door het hof van beroep. Hetzelfde geldt voor misdrijven die de leden van een Gemeenschaps- of Gewestregering buiten de uitoefening van hun ambt mochten hebben gepleegd en waarvoor zij worden berecht tijdens hun ambtstermijn. De artikelen 120 en 59 zijn in voorkomend geval niet van toepassing.

De wet bepaalt op welke wijze tegen hen in rechte wordt opgetreden, zowel bij de vervolging als bij de berechting.

De wet wijst het bevoegde hof van beroep aan, dat in algemene vergadering zitting houdt, en bepaalt de samenstelling ervan. Tegen de arresten van het hof van beroep is beroep mogelijk bij het Hof van Cassatie, in verenigde kamers, dat niet in de beoordeling van de zaken zelf treedt.

De vervolging in strafzaken van een lid van een Gemeenschaps- of Gewestregering kan enkel worden ingesteld en geleid door het openbaar ministerie bij het bevoegde hof van beroep.

Voor elke vordering tot regeling van de rechtspleging, voor elke rechtstreekse dagvaarding voor het hof van beroep en, behalve bij ontdekking op heterdaad, voor elke aanhouding, [...] is het verlof van de Gemeenschaps- of Gewestraad, ieder wat hem betreft, vereist.

De wet bepaalt de procedure die moet worden gevolgd als de artikelen 103 en 125 beide van toepassing zijn, evenals in geval van dubbele toepassing van artikel 125.

Aan een overeenkomstig het eerste lid veroordeeld lid van een Gemeenschaps- of Gewestregering kan geen genade worden verleend dan op verzoek van de betrokken Gemeenschaps- of Gewestraad.

De wet bepaalt in welke gevallen en volgens welke regels de benadeelde partijen een burgerlijke rechtsvordering kunnen instellen.

De wetten bedoeld in dit artikel moeten worden aangenomen met de meerderheid bepaald in artikel 4, laatste lid.

Overgangsbepaling

Dit artikel is niet van toepassing op feiten waarvoor daden van opsporing werden verricht en op vervolgingen ingesteld vóór de inwerkingtreding van de wet tot uitvoering ervan.

Hiervoor geldt de volgende regeling : de Gemeenschaps- en de Gewestraden hebben het recht de leden van hun Regering in beschuldiging te stellen en hen te brengen voor het Hof van Cassatie. Dit alleen is bevoegd om hen te berechten, in verenigde kamers, in de gevallen en met toepassing van de straffen die in de strafwetten zijn bepaald. De bijzondere wet van 28 februari 1997 houdende tijdelijke en gedeeltelijke uitvoering van artikel 125 van de Grondwet blijft terzake gelden. »