1-802/1 | 1-802/1 |
3 DECEMBER 1997
De institutionele hervormingen van 1993 hebben de respectieve taken van de Kamer van volksvertegenwoordigers en de Senaat en meer in het bijzonder de procedure voor het aannemen van wetsontwerpen aanzienlijk gewijzigd. De Grondwet bepaalt in haar artikelen 78 en 81 dat wanneer een wetsontwerp dat een in artikel 78 bedoelde aangelegenheid regelt, door één van de twee assemblees wordt aangenomen, de andere assemblee over een termijn van zestig dagen beschikt om de bespreking ervan af te ronden.
De wet van 6 april 1995 houdende inrichting van de parlementaire overlegcommissie bepaalt in haar artikel 10, § 2, tweede lid, dat indien « [...] de voorzitter van de Senaat het advies van de Raad van State [vraagt], [...] de termijnen bedoeld in de artikelen 78 tot 80 van de Grondwet en in deze wet [worden] geschorst. »
In de praktijk is naar aanleiding van de bespreking in tweede lezing van een betwist wetsontwerp gebleken dat het advies van de Raad van State was gevraagd zonder daarbij de urgentie aan te voeren. Dat leidde ertoe dat de voornoemde termijnen voor onbeperkte duur werden geschorst. Een dergelijke toestand beantwoordt, zonder strijdig te zijn met de ter zake onnauwkeurige bepalingen, niet aan de bedoelingen van de wetgever. De vraag om een advies van de Raad van State over de in tweede lezing ingediende amendementen mag immers niet het effect van een vertragingsmanoeuvre hebben.
Ofschoon er geen sprake kan zijn van een beperking van de mogelijkheid om het advies van de Raad van State te vragen, is het aangewezen bij elke vraag om advies, geformuleerd onder de in artikel 10, § 2, van de wet van 6 april 1995 bedoelde omstandigheden, de urgentie aan te voeren.
| José DARAS. |
Artikel 1
Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.
Art. 2
In artikel 10, § 2, van de wet van 6 april 1995 houdende inrichting van de parlementaire overlegcommissie bedoeld in artikel 82 van de Grondwet en tot wijziging van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, wordt tussen het derde en het vierde lid het volgende lid ingevoegd :
« Wanneer de vraag om advies met toepassing van een van de vorige twee leden tot opschorting van de erin vermelde termijnen leidt, dient de voorzitter van de Kamer van volksvertegenwoordigers of van de Senaat de mededeling van het advies te eisen binnen een termijn van ten hoogste drie dagen op grond van artikel 84 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. »
| José DARAS. Frederik ERDMAN. Jan LOONES. Pierre JONCKHEER. |