1-751/1

1-751/1

Belgische Senaat

ZITTING 1997-1998

14 OKTOBER 1997


Inleiding tot een debat over de gevolgen van de informatiemaatschappij

(Ingediend door de dames Milquet, Bribosia-Picard, de heer Foret, mevrouw Lizin, de heren Jonckheer, Boutmans, mevrouw de Bethune en de heer Goris)


I. INLEIDING

De pijlsnelle technologische ontwikkelingen van de jongste jaren confronteren ons met nieuwe uitdagingen. De informatiemaatschappij en in het bijzonder de informatiesnelwegen zijn duidelijk materies die een exponentiële groei kennen. Het komt erop aan die ontwikkelingen in goede banen te leiden in plaats van zich erdoor te laten leiden; de voordelen ervan te plukken zonder de negatieve gevolgen erbij te moeten nemen; die ontwikkelingen de baas te blijven en zich niet door de misbruiken in een keurslijf te laten dwingen.

In periodes van technologische veranderingen zoals wij die nu beleven, zijn alle blikken gericht op de toekomst, maar zijn de geesten wel rijp ? Er moet nagedacht worden over de gevolgen van de genomen beslissingen en van de ingenomen standpunten. Wij mogen ons vooral niet laten meeslepen door de omstandigheden. Hoogleraar Marcus-Helmons zei zeer terecht dat nadenken meer dan ooit geboden is indien wij niet willen worden meegesleurd naar een wereld waarin wij niet wensen te leven. (Silvio Marcus-Helmons, « Qui contrôle Internet ? », La Libre Belgique van maandag 22 januari 1996).

Het lijkt derhalve nuttig dat de Senaat ingaat op de uitdagingen die voortvloeien uit de informatiemaatschappij. De heren Jonckheer en Boutmans hebben in dit verband een voorstel van resolutie ingediend waarin de oprichting van een bijzondere commissie wordt gevraagd om de impact van de informatiemaatschappij te analyseren (Stuk Senaat, nr. 136/1 van 24 oktober 1995). Het onderwerp heeft te maken met de toekomst, het raakt alle lagen van de bevolking en alle disciplines (justitie, economie, cultuur,...).

Vandaag zijn in de Verenigde Staten immers meer dan 26 miljoen mensen aangesloten op Internet. Op wereldschaal zijn dat er meer dan 40 miljoen !

Ons voorstel spitst de aandacht toe op Internet dat ­ moet het herhaald worden ­ slechts een net onder de netwerken is. Internet lijkt een voorafbeelding te zijn van wat morgen de informatiesnelwegen zullen zijn.

De Senaat als « reflectiekamer » is de plaats bij uitstek om die materie te behandelen :

­ reflectiekamer met wetgevende functie : dit maatschappelijk debat zal leiden tot concrete wetsvoorstellen waar dat nodig is;

­ bevoorrechte gesprekspartner wanneer het gaat over internationale kwesties : onze gedachtewisseling over de multimedia kan slechts plaatshebben in een Europees en mondiaal perspectief;

­ ontmoetingsplaats tussen de federale staat en de gemeenschappen en gewesten : sommige aspecten die tijdens de debatten over de informatiemaatschappij zullen worden behandeld, raken onvermijdelijk de gewest- en gemeenschapsbevoegdheden. De commissie voor de Institutionele Aangelegenheden, uitgebreid met de gemeenschapssenatoren, vormt dus het ideale gespreksforum.

Gelet op de omvang van de problematiek en op het dringend karakter van een politieke gedachtenwisseling over dit onderwerp is het onontbeerlijk dat de Senaat zijn eerste groot debat in de commissies en in de plenaire vergadering organiseert met experts teneinde de uitdagingen te bepalen, de problemen die rijzen door de revolutie in de informatietechnologie af te bakenen en de passende wettelijke oplossingen te vinden. Dat debat zou het daarenboven mogelijk maken een stand van zaken op te maken over onder meer de beslissingen en de onderhandelingen in de UNO, de Europese Unie, de federale staat en de deelgebieden. Na dat debat en na het uitbrengen van een omstandig verslag van de debatten zouden de betrokken commissies dieper moeten ingaan op de federale problemen die tijdens dat debat aan de orde zijn gekomen en een verslag moeten voorbereiden dat concrete voorstellen bevat voor onontbeerlijke wetswijzigingen alsmede voorstellen in verband met het te voeren beleid.

Wegens het groot aantal materies die verband houden met deze revolutie in de informatietechnologie kan het debat moeilijk beperkt blijven tot de federale materies. Ook de vertegenwoordigers van de gewesten en de gemeenschappen zullen worden uitgenodigd en zullen vervolgens conclusies kunnen trekken in hun respectieve assemblees.

II. BELANGRIJKSTE THEMA'S VAN HET DEBAT

Het debat zou onder meer betrekking moeten hebben op de volgende thema's :

1. Werkgelegenheid, delocalisatie en telewerken

Het is vanzelfsprekend onmogelijk om alle gevolgen van de informatiesnelwegen voor de werkgelegenheid op middellange of lange termijn zeer precies in te schatten. Wel is het zeker dat die maatschappij van het immateriële de totale werkgelegenheidsstructuur grondig zal wijzigen. Vandaag zijn wij in staat een stand van zaken op te maken over de huidige toestand. Die moeten wij vervolgens proberen te extrapoleren.

De economische uitdaging is groot en er zijn reeds vele grensoverschrijdende allianties gevormd. Die allianties verdienen onze aandacht want zij kunnen schadelijke gevolgen hebben (delocalisatie, verdwijning van Belgische ondernemingen,...).

Vandaag de dag laten verschillende bedrijven hun computergegevens (codering, verwerking, berekening,...) verwerken in landen zoals China of Indië die veel lagere lonen betalen dan wij en die dat kunnen omdat de sociale bescherming er minimaal is of zelfs niet bestaat. Het is onze taak onze bedrijven voldoende te wapenen om die concurrentie aan te kunnen maar ook om ze ertoe aan te zetten niet te kiezen voor delocalisatie. Daartoe kunnen uiteenlopende methodes worden toegepast. Zo kan een strategisch kader worden ontworpen dat onze bedrijven in staat stelt in de concurrentiestrijd tegenover die lagere prijzen een hogere kwaliteit te plaatsen.

Die informatiemaatschappij zal eveneens leiden tot veel nieuwe vormen van dienstverlening aan personen. Zij zal ook nieuwe banen in het leven roepen en er andere vernietigen. Het is moeilijk vooraf te weten of die uiteindelijke balans van de teloorgegane werkgelegenheid en de nieuwe banen positief of negatief zal zijn. We weten daarentegen nu reeds dat de nieuwe banen hooggekwalificeerd personeel vereisen. Daarom moeten wij de nadruk leggen op het aanleren van de nieuwe technologieën aan de bevolking in het algemeen en aan de jongeren in het bijzonder (zie punt 4).

Wat de werkgelegenheidsstructuur betreft, zij opgemerkt dat een van de uitvloeisels van een informatiemaatschappij wel het telewerken of het thuiswerken lijkt te zijn. We stellen vast dat telewerken in België thans nog niet zeer verspreid is. In de andere landen van de Europese Unie is het telewerken daarentegen fors toegenomen. Na een analyse van dit fenomeen blijkt de Europese Commissie trouwens gewonnen voor meer telewerken.

Die manier van werken heeft grote voordelen, niet alleen voor het milieu (minder woon-werkverkeer, ...) en de combinatie met het privé-leven, maar ook voor de integratie van sommige mindervaliden in het beroepsleven. Het is trouwens in diezelfde geest dat de federale regering gestart is met enkele proefprojecten.

Toch mag men zich geen rad voor de ogen laten draaien. Telewerken zal zeker meer mogelijkheden bieden aan mindervaliden, doch een betere integratie kan niet zonder een mentaliteitswijziging bij de potentiële werkgevers.

Telewerken kan a contrario ook schadelijke gevolgen hebben want het leidt tot een ontmenselijking van de werksfeer en de verdwijning van elke vorm van gemeenschapszin. Bovendien gaat het onderscheid tussen de werksfeer en de persoonlijke levenssfeer dan volledig verloren met alle misbruiken van dien. Alle studies hebben tot op heden aangetoond dat telewerken alleen niet voldoende is. Degelijk werk veronderstelt vergaderingen en fysiek contact op regelmatige tijdstippen.

Tenslotte brengt telewerken een interne en externe flexibiliteit van de bedrijven mee, wat evenveel voordelen als nadelen blijkt te hebben.

Uit wat voorafgaat blijkt dat het arbeidsrecht en meer in het algemeen het sociaal recht, met inbegrip van de werking en de rol van de vakbonden, wijzigingen moet ondergaan zodat rekening kan worden gehouden met de nieuwe ontwikkelingen in de sector arbeid.

2. Eigendom, lokalisatie en gebruik van de netwerken en van hun infrastructuur

Vanaf 1 januari 1998 zal de telecommunicatiesector in Europa volledig geliberaliseerd zijn. Wij moeten ons daarop blijven voorbereiden om de concurrentieschok te kunnen opvangen. Naar het voorbeeld van de Europese Unie zullen wij meer moeten investeren in onderzoek en ontwikkeling alsmede in het onderzoek naar nieuwe financieringen voor ondernemingen die nieuwe technologieën ontwikkelen (zie verslag Bangemann, « L'Europe et la société de l'information planétaire » , Aanbevelingen aan de Raad van Europa, 26 mei 1994, Brussel).

Het lijkt van het allergrootste belang vandaag reeds na te denken over de mogelijkheden die geboden worden door de liberalisering van de kabel alsmede over de mogelijkheid om de synergieën tussen de kabeldistributiesector en de spraaktelefoniesector institutioneel en financieel te bevorderen. De intercommunale Ale-Teledis te Luik is thans een voorloper : de intercommunale heeft zeer onlangs in de provincie Luik het computernetwerk EPL-net, gebaseerd op de kabeltelevisiekanalen (optische vezel), in dienst genomen. Het proefproject van Louvain-la-Neuve (Campus Net) is eveneens veelbetekenend in dit verband : sinds het academiejaar 1996 is het via de kabeltelevisie op Internet gegaan.

Dit systeem zou het mogelijk maken zonder grote kosten de meeste gezinnen te bereiken en zou veel sneller werken dan het reeds overbelaste telefoonnet. In ieder geval moet de ontwikkeling van de echte informatiesnelwegen in de toekomst via satellietcommunicatie verlopen.

Om België in staat te stellen het hoofd te bieden aan de concurrentie in Europa maar ook aan de concurrentie van landen zoals de Verenigde Staten of Japan, moet een wetgevingsbeleid en een gedurfd economisch beleid worden gevoerd. Onze regering moet nadenken over de steun die zij onze industrieën kan bieden.

Anderzijds weet men dat de investeringen die nodig zijn voor de totstandbrenging van de informatiesnelwegen zo aanzienlijk zijn dat zij voornamelijk door de privé-sector moeten worden gedragen. Het Witboek van de Europese Commissie stelt overigens voor slechts op marginale wijze en bij wijze van aanmoediging een beroep te doen op de financiële medewerking van de nationale- en gemeenschapsoverheid (Europese Commissie, 1994, Groei, concurrentievermogen, werkgelegenheid ­ Naar de XXIe eeuw : wegen en uitdagingen, Witboek, Luxemburg, 1994).

Dit moet ons tot nadenken stemmen : kunnen de regels van de democratische ethiek boven die van de markt worden geplaatst ? (M. d'Udekem-Gevers, « Autoroutes de l'information et multimédia : quelques problèmes éthiques et risques pour la société », cahiers de la CITA AI 2, FUNDP, Namen).

Vandaag al weten wij dat, zodra de eerste investeringen gedaan zijn, de economische activiteit vooral tot stand zal worden gebracht door degenen die diensten met toegevoegde waarde verlenen.

Bijgevolg moet de mogelijkheid onderzocht worden om die activiteitensector te stimuleren teneinde te voorkomen dat België zijn belangrijkste concurrenten achternahinkt. Wij moeten dus een beleid ontwikkelen dat steun verleent aan het wetenschappelijk onderzoek en de investeringen stimuleert.

3. Toegang tot informatie en universele dienst

De telefoon en de televisie zijn lange tijd « publieke » diensten geweest waardoor ze universeel en toegankelijk voor iedereen waren. Thans rijzen verschillende vragen in verband met de informatiemaatschappij :

­ Hoe een rechtvaardige toegang voor iedereen tot stand brengen ?

­ Zullen de toegepaste prijzen deze diensten toegankelijk maken voor iedereen of zal het noodzakelijk zijn de prijzen te reglementeren ?

­ Bestaan er diensten van vitaal belang die essentieel zijn voor iedereen ?

­ Zal het afstandsonderwijs tot die essentiële diensten behoren ?

­ Welke infrastructuur wordt ter beschikking van het publiek gesteld opdat het toegang kan verkrijgen tot de massa informatie die op deze « informatiesnelwegen » te vinden is ?

De informatiemaatschappij en de massa informatie die op het net circuleert, vormen een onbetwistbare troef voor al wie in staat zal zijn zich toegang te verschaffen en er gebruik van te maken.

Daarom mogen noch economische regels noch institutionele regels verhinderen dat iedereen toegang krijgt tot de « essentiële » diensten die op deze informatiesnelwegen aangeboden kunnen worden.

Willen we een rechtvaardige maatschappij, dan moeten maatregelen worden genomen die zelfs de meest kansarmen in staat stellen zich tegen een betaalbare prijs en in openbare plaatsen (bibliotheken, gemeentediensten, gewestelijke diensten voor arbeidsbemiddeling, ...) een vlotte toegang te verschaffen tot deze massa informatie.

Dit is het enige middel om te voorkomen dat er een nieuwe discriminatie ontstaat tussen degenen die toegang hebben tot de informatie, en degenen die geen toegang hebben. Wij weten dat het grootste deel van de informatie tegenwoordig reeds geconsulteerd wordt door een zeer kleine minderheid van de bevolking. Als men wil voorkomen dat deze kloof zich op de informatiesnelwegen opnieuw voordoet en wellicht nog breder wordt, moeten de nodige middelen ontwikkeld worden om het stelsel te democratiseren en moeten plaatsen ingericht worden waar alle leeftijdscategorieën van de bevolking in deze nieuwe communicatietechnieken opgeleid worden (bijvoorbeeld in cursussen maatschappelijke vorming).

Indien men geen rekening houdt met deze essentiële gegevens, zal de toekomstige maatschappij steeds meer uitsluiting, ongelijkheid, isolement, technologisch analfabetisme, ... teweegbrengen. We zouden dan een nieuwe breuklijn doen ontstaan tussen informatie-armen en informatie-rijken.

We moeten integendeel vermijden dat alleen al de mogelijkheid dat deze kloof alsmaar dieper wordt, ertoe leidt dat de nieuwe technologieën zonder meer verworpen worden.

Heden ten dage is Internet zowel een maatschappelijk verschijnsel als een economisch belangenspel, ook al blijven sommigen sceptisch.

In België wordt het aantal regelmatige gebruikers geraamd op ongeveer 200 000 personen en dit cijfer stijgt maandelijks met 10 tot 15 %. Het aantal Internet-sites voor heel België wordt geraamd op 1 700. Toch moet vastgesteld worden dat 80 tot 85 % van de desbetreffende initiatieven uit Vlaanderen komen terwijl Brussel en Wallonië achterophinken.

Er zijn weinig vrouwen op het net, ook al neemt hun aantal regelmatig toe (8 % in 1995). De gemiddelde leeftijd neemt eveneens toe en is gestegen van 31 jaar in 1994 tot 35 jaar. Maar om dit cijfer aanzienlijk te laten stijgen moet de regering een echt educatiebeleid op touw zetten.

Om iedereen toegang te verschaffen moeten er eveneens overal « access providers » zijn, dat wil zeggen firma's die de gebruikers toegang kunnen verschaffen tot de informatie die via het Internet verzonden wordt. Het zuiden van België is evenwel veel minder goed bedeeld want, terwijl de gebruiker te Brussel de keuze heeft tussen 26 providers, hebben sommige streken geen enkel toegangspunt.

Indien we werkelijk een universele dienst wensen, zullen we bijgevolg eveneens de vestiging van « access providers » over heel het Belgische grondgebied moeten stimuleren.

Het spreekt vanzelf dat men niet over universele dienst kan spreken zonder zich te buigen over de economische problemen die hierboven in verband met de informatiesnelwegen vermeld zijn. Indien de particuliere sector alleen of nagenoeg alleen de kostprijs van de informatiesnelwegen moet dragen, bestaat het gevaar immers dat de inhoud van de informatie ontaardt. Men kan zich terecht afvragen hoe de niet-winstgevende diensten die echter een maatschappelijk of cultureel belang vertegenwoordigen (bijvoorbeeld de hulp aan personen op afstand en het onderwijs op afstand) dan gefinancierd zullen worden. Bestaat het gevaar ook niet dat de « access providers » de aangeboden diensten zullen beperken en de ter beschikking staande informatie zullen controleren ?

Om zowel de democratische waarden als de universele toegang veilig te stellen, is het dus beter de informatiesnelwegen niet alleen in handen te laten van de marktmechanismen. Zoals mevrouw Marie D'Udekem-Gevers opmerkt, hebben de regeringen een rol te spelen, niet alleen door het aanpassen en het opstellen van regelgeving, maar ook om het openbaar belang te waarborgen. Daarom moeten we de behoeften van de investeerders en de reële verwachtingen van de bevolking harmonieus met elkaar trachten te verzoenen (Benoît Lips, Internet en Belgique , Ed. Best Of, 1996).

Het gebruik van een aan een interactief netwerk verbonden computerterminal zal altijd moeilijker zijn dan het gebruik van een bankkaart. Niettemin ondervinden met name de meest kwetsbare mensen van onze bevolking (ouderen, kansarmen, analfabeten) tegenwoordig nog moeilijkheden bij het gebruik van bankterminals. Indien het leerproces niet op natuurlijke wijze kan verlopen, moeten met het oog op de harmonieuze ontwikkeling van onze maatschappij plaatsen worden ingericht waar deze bevolkingscategorieën een specifieke vorming kunnen krijgen. Men moet immers voorkomen dat ouderen uitgesloten worden van wat door sommigen de grootste revolutie van dit millennium genoemd wordt.

4. Educatie en democratie

De informatiesnelwegen kunnen voor de maatschappij een uitzonderlijke kans vormen, want elk informatienetwerk, a fortiori wanneer het om een multimedianetwerk gaat, is in de grond een potentieel instrument om de maatschappelijke samenhang te bevorderen (bijvoorbeeld er bestaat geen vooroordeel ten aanzien van natuurlijke personen) en om de ongelijkheid te verminderen. Maar wegens belemmeringen in de toegang tot de informatiesnelwegen en tot de informatie kunnen deze zelfde informatiesnelwegen de ongelijkheden versterken of een verlies aan maatschappelijke samenhang meebrengen (bijvoorbeeld vermindering van menselijke contacten).

De belemmeringen zijn hoofdzakelijk van financiële aard, maar vaak gaat het ook om intellectuele belemmeringen. Het gebruik van deze technologieën vereist immers een bepaald niveau van opleiding, leervermogen en ... kennis van elementair Engels !

De informatiesnelwegen zullen ons ertoe dwingen een aantal van onze onderwijsmethodes aan te passen. Iedereen is het in elk geval erover eens dat de school van de toekomst de nieuwe technologieën op alle onderwijsniveaus zal moeten integreren.

Het staat hoe dan ook vast dat men geen nieuwe democratie kan scheppen zonder zich af te vragen welke actuele problemen kunnen voortvloeien uit een soort van mediacratie waarin de controle zwakker wordt en opinies doorslaggevender zijn dan verkiezingen. Het gevaar bestaat dat een samenleving georganiseerd op basis van de representatieve democratie door de werkelijkheid achterhaald wordt. Zoals reeds is gezegd, brengen de informatie- en communicatietechnologieën kansen en gevaren mee die de meeste politici niet opmerken. Dankzij de nieuwe technologieën kunnen de burgers op een andere wijze aan het leven van hun gemeenschap deelnemen en krijgen zij de kans veel beter geïnformeerd te zijn. Door de snelheid waarmee de informatie doorgezonden wordt en door de directe relaties die deze technologieën kunnen ontwikkelen, bestaat de kans dat de democratische procedures en het beginsel van de democratische vertegenwoordiging op de tocht komen te staan. Het menselijk en relationeel aspect zou kunnen verdwijnen, politiek zou geautomatiseerd worden en met die technologie zou een democratie kunnen ontstaan waarin « met een druk op de knop » beslist wordt terwijl de politieke formaties de gebruikelijke plaatsen van « politieke socialisering » moeten verlaten.

Deze nieuwe technologieën lijken bevorderlijk te zijn voor vormen van directe democratie. De argumenten die tijdens debatten over het referendum aangehaald zijn, en met name het representatieve karakter van onze democratie of het probleem van de formulering van de gestelde vragen, kunnen hier ten volle toegepast worden.

5. Cultuur en taalgebruik

De toekomst is ongetwijfeld aan de technologie ... maar dat betekent niet dat onze historische achtergronden en eigenheden zonder meer mogen worden opgeofferd aan een weliswaar wereldwijde maar sterk verarmde cultuur.

De verscheidenheid maakt de rijkdom van een cultuur, zo wordt beweerd. Zij mag dus niet worden teruggebracht tot het minimum minimorum.

Dankzij de drie nationale talen en de enorme verscheidenheid van het culturele patrimonium bekleedt België een unieke plaats. De informatiesnelweg moet een middel bij uitstek worden om onze cultuur en onze talen een wereldwijde uitstraling te bezorgen. Daarom moeten we het gebruik van onze nationale talen op de internationale netwerken stimuleren en zo de alleenheerschappij van het Engels trachten te voorkomen, met name door eigen multimediaproducten op basis van de nieuwe technologieën te promoten en daarbij voor zover als mogelijk de voorkeur te geven aan de moedertaal.

6. Burgerlijk recht en strafrecht

Met het steeds verder oprukken van de georganiseerde misdaad is onze maatschappij getuige van een diepgaande wijziging van de kenmerken van de criminaliteit.

Om te voorkomen dat de georganiseerde misdaad de mogelijkheden die de informatiemaatschappij biedt, zou misbruiken om de wet te omzeilen, moeten de nodige maatregelen worden genomen en moet het strafrecht worden aangepast. Het probleem van de codering van gegevens zal in dit debat zeker een centrale plaats innemen, aangezien het enerzijds privé- en professionele gebruikers in staat stelt vertrouwelijke gegevens te verzenden en dus een zekere bescherming biedt, maar anderzijds de internationalisering van de misdaad in de hand kan werken.

Daarnaast kan het ontbreken van adequate wetgeving leiden tot een dramatische toename van het aantal schendingen van de goede zeden.

Er moet worden onderzocht in hoeverre de bestaande wetgeving moet worden aangepast aan de nieuwe communicatiemiddelen (totstandkoming van het contract, bewijsmiddelen, privé-leven, terrorisme, zedenbederf, pornografie, ...) (Olivier Hance, Business et Droit d'Internet, éd. Best Of., 1996).

Daarnaast moet worden nagegaan welke regelgeving toegepast kan worden op de ­ in essentie ­ internationale netwerken (E. Crabit et J. Bergevin, « Le cadre réglementaire des services de la société de l'information : laboratoire pour un nouveau droit du marché intérieur » in Revue du Marché unique européen , 1995, blz. 54 e.v.).

De oprichting van een controleorgaan blijft een omstreden probleem, dat opnieuw moet worden bestudeerd. Sommigen pleiten voor zelfregulering, met name via deontologische codes. Anderen vrezen dat zelfregulering niet zal volstaan en zijn voorstander van een strikte controle op de verschillende activiteiten van de netwerken. De maatschappij van de toekomst zal hoe dan ook geconfronteerd worden met nieuwe communicatietechnieken waardoor jongeren toegang zullen krijgen tot gegevensbanken die potentieel gevaarlijk zijn voor hun geestelijk evenwicht.

7. Bescherming van de intellectuele rechten

Men mag uiteraard niet overdrijven en alles en nog wat beschermen of als beschermbaar beschouwen. Het staat echter vast dat het risico op omzeiling en schending van de intellectuele rechten, met inbegrip van het auteursrecht, zal toenemen. (A. Strowel, Droits d'auteur et Copyright ­ Divergences et convergences ­ Étude de droit comparé, Bruxelles, Bruylant, 1993 et K. Benyekhlef, « Réflexions sur le droit de la protection des données personnelles à la lumière des propositions de la Commission européenne », in Media and Communications Law Review, 1991-1992, blz. 149 e.v.). Strenge maatregelen en overleg met andere landen ­ eerst op Europees en later op mondiaal niveau ­ zijn noodzakelijk, vooral omdat de informatiesnelwegen de gegevens wereldwijd beschikbaar maken. (S. Gagne, « La protection juridique de la réalité virtuelle ou l'imbroglio juridique dans l'univers de l'électro-bohème » in les Cahiers de propriété intellectuelle, janvier 1995, vol. 7, nº 2, blz. 181 e.v.).

In België is het debat over de precaire positie van de intellectuele rechten op het Internet al geopend naar aanleiding van de commerciële exploitatie van « Central Station », dat 's nachts de artikelen van de volledige Belgische pers op het Internet brengt (zie boven). De Algemene Vereniging van Beroepsjournalisten in België en de auteursrechtenverenigingen (SAJ en Sofam) hebben onmiddellijk gereageerd en beweren dat « Central Station » met de verspreiding van deze artikelen zonder de toestemming van de auteurs, het auteursrecht op flagrante wijze schendt.

De discussie over de juridische en financiële repercussies van deze aangelegenheid staat nog in de kinderschoenen (Olivier Hance, Business et Droit d'Internet, éd. Best Of, 1996).

8. Geheimhouding en bescherming van de persoonlijke levenssfeer

België heeft gelukkig een vrij strenge wetgeving inzake het gebruik en de bewaring van geautomatiseerde gegevensbestanden. Toch zal het toenemende risico op misbruik dat het gevolg is van de ontwikkeling van de informatiemaatschappij, een herziening van die wetgeving wellicht noodzakelijk maken. Veel meer dan in het verleden bestaat immers het gevaar dat privé-personen zullen worden gevolgd in hun doen en laten en dat hun persoonlijke gegevens worden opgeslagen en voor commerciële doeleinden gebruikt. (Raad van Europa, Les nouvelles technologies : un défi pour la protection de la vie privée ?, Strasbourg, 1989).

Iedereen kan er via het coderen van gegevens voor zorgen dat zijn privé-leven geheim blijft, al is dat tegelijk, zoals gezegd, een buitenkans voor de internationale misdaad. Recent is voorgesteld iedereen toe te staan gecodeerde boodschappen te verzenden op voorwaarde dat de sleutel gedeponeerd wordt bij een ministerie, dat die sleutel eventueel kan doorspelen aan het gerecht. Deze oplossing is echter niet feilloos. Zullen de sleutels wel geheim blijven ? En hoe kan men controleren of iedereen zijn sleutel heeft gedeponeerd tenzij juist door te trachten de persoonlijke briefwisseling van de gebruikers van het netwerk te openen ?

Het coderen van gegevens doet het volgende dilemma rijzen : hoe kan men enerzijds toestaan dat middelen worden ontwikkeld om vertrouwelijke gegevens te beveiligen en er tegelijkertijd voor zorgen dat de gerechtelijke autoriteiten en de inlichtingendiensten de mogelijkheid behouden om controle uit te oefenen wanneer de wet en het algemene belang dat eisen ?

Men kan immers niet dulden dat de nieuwe telecommunicatiemiddelen de misdaad vergemakkelijken maar evenmin dat de bestrijding van de misdaad ten koste gaat van de eerbied voor de persoonlijke levenssfeer.

Belangrijk in dit debat is het onderscheid tussen privé-ruimten en openbare ruimten, waar een verschillend niveau van bescherming van de persoonlijke levenssfeer geldt. De commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer werkt nu al met dit onderscheid en zal dat in de toekomst wellicht nog meer moeten doen.

Bill Gates, de informatica- en multimediamagnaat, geeft toe dat op korte termijn een oplossing moet worden gezocht om tegemoet te komen aan de wens van veel landen om de toegang tot bepaalde documenten te beperken. Hij meent dat de regeringen moeten samenwerken om het vrije verkeer van de gegevens op Internet te garanderen.

II. PROCEDURE

De procedure zou als volgt verlopen :

1. Voorbereiding van het debat (eerste semester 1998)

Het thema van het debat is zo veelzijdig dat het ons wenselijk lijkt het debat in de plenaire vergadering voor te bereiden tijdens voorafgaande commissievergaderingen. Wij hebben overigens het hoofdthema opgesplitst in vijf subthema's die vallen onder het werkgebied van elk van de vaste commissies van de Senaat.

Elke commissie zou een ad-hocwerkgroep moeten oprichten die ter voorbereiding van de plenaire vergadering een inleidend rapport opstelt over zijn eigen specifiek thema. Daartoe kan zij verschillende openbare vergaderingen houden en zo nodig een beroep doen op deskundigen om de haar toegewezen onderwerpen te behandelen.

Onvermijdelijk is dat een aantal deelaspecten elkaar overlappen. Die worden echter uit een verschillende invalshoek onderzocht naar gelang van de commissie waar ze in behandeling zijn.

De thema's zouden als volgt verdeeld worden :

a) « Informatiemaatschappij en recht »

Commissie voor de Justitie

Zonder een exhaustieve lijst te willen opstellen, zouden onder meer de volgende punten in behandeling genomen moeten worden :

· Georganiseerde criminaliteit :

­ Internet als middel ter bestrijding en voorkoming van de criminaliteit;

­ Internet als factor van ontwikkeling van criminaliteit en terrorisme;

· Computercriminaliteit (Cybergang) en nieuwe strafbare feiten;

· Strijd tegen racisme, xenofobie en negationisme;

· Zedenfeiten, ontwikkeling van sekten;

· Bescherming van de intellectuele rechten;

· Geheimhouding en bescherming van de persoonlijke levenssfeer (versleutelen, ...);

· Encryptietechnieken;

· Overeenkomstenrecht en handelsrecht;

· Regels inzake rechtsconflicten (internationaal privaatrecht);

· ...

b) « Informatiemaatschappij en economische ontwikkeling »

Commissie voor de Financiën en Economische Aangelegenheden

Zonder een exhaustieve lijst te willen opstellen zouden onder meer de volgende punten in behandeling genomen moeten worden :

· Ontwikkeling van de technologische infrastructuur (optische vezels, ...);

· Liberalisering van de telecommunicatiemarkt, vrije concurrentie en opheffing van de monopolies;

· Universele openbare dienstverlening en vrije toegang voor zowel de gebruikers als de leveranciers;

· Belastingen op het informaticaverkeer;

· Verlaging van het BTW-tarief op computeruitrusting (hardware en software);

· Strategieën voor de ontwikkelingen en het oprichten van industrieën en KMO's die de concurrentie op het vlak van de multimedia aankunnen;

· Uitbouwen van een volwaardig beleid inzake research en ontwikkeling;

· Interessante gevolgen voor het leefmilieu en de overbelasting van het autowegennet;

· Sponsoring en virtuele reclame;

· ...

Een aantal van deze onderwerpen vallen eveneens onder de bevoegdheid van de gewesten.

c) « Informatiemaatschappij en arbeidsmarkt »

Commissie voor de Sociale Aangelegenheden

Zonder een exhaustieve lijst te willen opstellen, zouden onder meer de volgende punten in behandeling genomen moeten worden :

· Werkgelegenheid, flexibiliteit en strijd tegen de werkloosheid;

· Telewerken : arbeid op afstand wijzigt de contractuele betrekkingen tussen werknemer en werkgever.

a) Een aantal juridische aspecten moet aangesneden worden :

­ werktijd,

­ aard van de juridische betrekkingen met de werkgever,

­ arbeidsongevallen,

­ ...

b) De sociale gevolgen mogen bovendien niet over het hoofd worden gezien :

­ isolement : het bedrijf is geen sociale ontmoetingsplaats meer;

­ versmelting van de particuliere ruimte, dit wil zeggen de woning, en de werkruimte;

­ meer mogelijkheden voor het gezinsleven;

­ opvangvoorzieningen voor kinderen zijn minder nodig;

­ strijd tegen de sociale uitsluiting : een informatiemaatschappij voor allen, ook voor de kansarmen en de bejaarden;

­ delokalisatie : harmonisatie van de sociale wetgevingen (IAO, ...).

d) « Informatiemaatschappij en democratie »

Commissie voor de Binnenlandse en Administratieve Aangelegenheden

Zonder een exhaustieve lijst te willen opstellen, zouden onder meer de volgende punten in behandeling genomen moeten worden :

· Transparantie in bestuurszaken : ontwikkeling van communicatiestructuren met behulp van computers om de coördinatie en de dialoog tussen burger en overheid te bevorderen;

· Vereenvoudiging van de administratieve stappen door een vlottere communicatie tussen de openbare sector en de particuliere sector;

· Ombudsman om beter tegemoet te komen aan de verlangens van de burgers;

· Taak van de ondergeschikte besturen bij de ontwikkeling van de informatiemaatschappij;

· Directe democratie : ruimere inbreng van de burger in de politieke besluitvorming; volwaardige democratische controle via een vlotte inzage van de documenten van de wetgevende assemblees; dichten van de kloof tussen politici en burgers, ...;

· Nieuwe inhoud van het begrip « vrijheid van meningsuiting ».

e) « De informatiemaatschappij op het mondiale vlak »

Commissie voor de Buitenlandse Aangelegenheden

Zonder een exhaustieve lijst te willen opstellen, zouden onder meer de volgende punten in behandeling genomen moeten worden :

· De Europese Unie en haar taak tegenover de uitdaging van de multimedia (grote Europese infrastructuurwerken, technologische harmonisaties, internationale juridische standaardregels, gelijkschakeling van de gewestelijke ongelijkheden, ...);

· Ontwikkeling van de buitenlandse handel, plaats van de Europese Unie tegenover de Verenigde Staten en Japan;

· Ontwikkelingshulp : de informatiemaatschappij moet er komen met alle landen. Zij kan dienen om een aantal kloven tussen Noord en Zuid te dichten en de respectieve landen dichter bij elkaar te brengen;

· Instelling van een internationaal orgaan dat op de deontologie toeziet;

· ...

Elke Commissie brengt een inleidend rapport uit over de verschillende problemen in de informatiemaatschappij die haar werkgebied aanbelangen, en over de gewenste soort wetgeving.

2. Vanaf september komt het met de commissievoorzitters verruimd bureau bijeen om het twee à drie dagen durend debat in de plenaire vergadering te organiseren, de meest vooraanstaande nationale en internationale deskundigen uit te nodigen en de organisatie van de preliminaire commissievergaderingen te coördineren.

3. De bespreking in de plenaire vergadering heeft plaats tijdens het tweede semester van 1998.

4. Na het debat wordt er een algemeen verslag van de debatten opgesteld en moeten de werkgroepen van elke commissie de geëigende initiatieven voorbereiden met, zo dat nodig blijkt, de hulp van deskundigen.

Joëlle MILQUET.
Michèle BRIBOSIA-PICARD.
Michel FORET.
Anne-Marie LIZIN.
Pierre JONCKHEER.
Eddy BOUTMANS.
Sabine de BETHUNE.
Stephan GORIS.