1-611/7

1-611/7

Belgische Senaat

ZITTING 1997-1998

6 DECEMBER 1997


Parlementaire commissie van onderzoek betreffende de gebeurtenissen in Rwanda


VERSLAG

NAMENS DE ONDERZOEKSCOMMISSIE UITGEBRACHT DOOR DE HEREN MAHOUX EN VERHOFSTADT


INHOUD


HOOFDSTUK I

INSTELLING, OPDRACHT EN WERKWIJZE VAN DE COMMISSIE

1.1. ONTSTAAN EN INSTELLING

In het kader van de bespreking van het regeringsbeleid inzake de gebeurtenissen in Rwanda (1993-1994), onderzocht de senaatscommissie voor de Buitenlandse Aangelegenheden onder meer het voorstel tot instelling van een parlementaire onderzoekscommissie belast met het onderzoek naar de factoren die de Belgische politiek hebben bepaald in de maanden voorafgaand aan, tijdens het uitbreken en tijdens de uitvoering van de genocide in Rwanda (1) en het voorstel houdende instelling van een parlementaire commissie van onderzoek naar de moord op tien Belgische blauwhelmen en de voorbereiding van de volkenmoord in Rwanda (2).

Naar aanleiding hiervan richtte de commissie een brief tot de ministers van Buitenlandse Zaken en van Landsverdediging, met de vraag tot toezending van de « informatieve nota's die gedurende de maanden voorafgaand aan de moord op tien Belgische Blauwhelmen en de volkenmoord in Rwanda, bij hun departement en kabinet zijn aangekomen ». Dit verzoek stuitte op terughoudendheid vanwege de regering die zich beriep op de vertrouwelijkheid van de informatie en de bescherming van haar bronnen : de dossiers bevatten immers stukken van de inlichtingendiensten en verwijzen naar « informatie van derden wiens identiteit niet kan of mag vrijgegeven worden » .

Tijdens de lente en de zomer van 1996 was er bij het publiek een petitie rondgegaan die meer dan 200 000 handtekeningen heeft gekregen.

Beide ministers gaven op 27 juni 1996 een uiteenzetting over de tijdens bedoelde periode ontvangen informatie, echter zonder overhandiging van documenten.

Daar de commissie hiermee geen genoegen nam, werd het probleem voorgelegd aan het Bureau van de Senaat, waar in overleg met de regering een compromisvoorstel werd uitgewerkt waarbij zowel het principe van de ministeriële verantwoordingsplicht tegenover het Parlement als het principe van de vertrouwelijkheid van bepaalde documenten werd geëerbiedigd.

Dit voorstel werd door de commissie voor de Buitenlandse Aangelegenheden lichtjes geamendeerd en vervolgens eenparig goedgekeurd.

In overeenstemming met dit akkoord besloot de commissie voor de Buitenlandse Aangelegenheden eenparig op 24 juli 1996 :

« ­ een ad-hocgroep op te richten om bij de departementen Buitenlandse Zaken en Landsverdediging de documenten te raadplegen die betrekking hebben op de gebeurtenissen in Rwanda tussen het sluiten van de akkoorden van Arusha in augustus 1993 en het begin van de genocide in april 1994;

­ de heren André en Delva, emeritus voorzitters van het Arbitragehof, en de heer Swaelen, voorzitter van de Senaat, de heren Mahoux en Verhofstadt, ondervoorzitters van de Senaat, en de heer De Decker, senator en voorzitter van de Brusselse Hoofdstedelijke Raad, te belasten met de opdracht de bovenbedoelde documenten en informatie te raadplegen, een verslag op te stellen over de informatie in die documenten betreffende de bovenbedoelde periode, hun verslag bij de Commissie in te dienen binnen een redelijke termijn en uiterlijk op 15 oktober 1996, en voor de commissie te verschijnen om haar de nodige toelichting te verstrekken;

­ van de leden van de ad-hocgroep de naleving van de zwijgplicht te eisen wat de informatie betreft die zij bij de uitvoering van hun opdracht hebben ingewonnen;

­ de werkzaamheden van de commissie over hetzelfde onderwerp te schorsen tot wanneer de ad-hocgroep zijn verslag heeft ingediend. »

1.1.1. Ad-hocgroep-Rwanda

De voltallige vergaderingen van de ad-hocgroep hadden plaats op 12 augustus 1996, 3 en 17 september 1996, 11 en 25 oktober 1996, 8, 22 en 29 november 1996, 4, 6, 9, 10, 13, 18 en 19 december 1996.

Na korte tijd bleek dat het aantal te onderzoeken documenten buitengewoon omvangrijk was en dat daarenboven bijkomende informatie moest worden ingewonnen; als gevolg hiervan stemde de commissie voor de Buitenlandse Aangelegenheden in met het verzoek tot verlenging van het mandaat van de groep tot begin december 1996, en vervolgens tot begin januari 1997.

De opdracht van de ad-hocgroep bestond er in, na te gaan over welke inlichtingen vervat in stukken en documenten inzake Rwanda de Belgische burgerlijke en militaire overheden beschikten tijdens de periode tussen het akkoord van Arusha (4 augustus 1993) en het begin van de genocide (april 1994). Die informatie diende de senaatscommissie voor de Buitenlandse Aangelegenheden de gegevens aan te reiken om haar in staat te stellen de verantwoordelijkheid van de bij de besluitvorming ter zake betrokken overheden en beleidsorganen te beoordelen.

De ad-hocgroep ging ervan uit dat die verantwoordelijkheden betrekking hebben op de Belgische politiek t.a.v. Rwanda in de periode vóór de moord op de Belgische para's en de genocide; het deelnemen van een Belgisch detachement aan UNAMIR, met o.m. de problemen betreffende het statuut, de opdracht, de « rules of engagement », de ter beschikking gestelde middelen, enz.; de demarches bij de Organisatie van de Verenigde Naties met het oog op de versterking van het mandaat en de middelen van UNAMIR. Deze verantwoordelijkheid van de Belgische regering strekt zich niet uit tot de beslissingen van de VN zelf, noch tot de beslissingen van de UNAMIR-commandoketen.

Gezien de erg vage en algemene formulering van zijn opdracht, werd duidelijk afgesproken dat de ad-hocgroep zich strikt zou houden aan het noteren van feiten, het verrichten van vaststellingen en eventueel het evalueren van de waarde van bepaalde informaties.

Op 7 januari 1997 stelde de ad-hocgroep zijn verslag (3) aan de commissie voor de Buitenlandse Aangelegenheden voor. Nog dezelfde dag werd de pers voorgelicht.

Op 9 en 14 januari 1997 ging de commissie voor de Buitenlandse Aangelegenheden over tot een gedachtewisseling over het rapport van de ad-hocgroep.

1.1.2. Bijzondere commissie-Rwanda

Op 17 januari 1997 werd aan de plenaire vergadering van de Senaat een voorstel voorgelegd vanwege het Bureau van de Senaat tot instelling van een bijzondere commissie-Rwanda. De commissie zou samengesteld worden uit de voorzitter van de Senaat en een vertegenwoordiger van de fracties vertegenwoordigd in het Bureau van de Senaat. De niet in het Bureau van de Senaat vertegenwoordigde fracties konden een lid aanwijzen met raadgevende stem.

Op 28 januari 1997 werd het Bureau van de bijzondere commissie-Rwanda ingericht. De heer Swaelen, voorzitter van de Senaat, was van rechtswege voorzitter, de heren Mahoux en Verhofstadt werden respectievelijk als eerste en tweede ondervoorzitter verkozen, de heer Destexhe als secretaris. De bijzondere commissie werd verder samengesteld uit de heren Caluwé en Hostekint, mevrouw Willame-Boonen, de heer Ceder, de heer Anciaux (met raadgevende stem), de heer Jonckheer (met raadgevende stem), mevrouw Dua (met raadgevende stem).

Het mandaat van de bijzondere commissie bedroeg vijf maanden, zodanig dat het verslag in de tweede helft van juni in plenaire vergadering zou kunnen worden ingediend.

De commissie had tot taak, vertrekkende van het verslag van de ad-hocgroep betreffende de gebeurtenissen in Rwanda, het werk voort te zetten, te onderzoeken welk beleid werd gevoerd door de Belgische en internationale overheden, meer bepaald de acties die zij hadden ondernomen, en eventueel conclusies te formuleren in verband met de verantwoordelijkheden, en met de maatregelen die in de toekomst getroffen zouden moeten worden.

De eerste werkvergaderingen, ingezet op 5 februari 1997, dienden te worden gewijd aan het opstellen van de thematische indeling die bij het onderzoek zou worden gevolgd, van de lijsten van getuigen die moesten worden gehoord en van het reglement van inwendige orde van de commissie.

Tijdens die eerste vergaderingen werd tevens beslist de bijstand in te roepen van deskundigen, met name twee in het domein van het internationaal recht (inzonderheid met betrekking tot de instellingen van de VN) : de heren Suy en David, respectievelijk gewoon hoogleraar aan de KUL en gewoon hoogleraar aan de ULB, en twee militaire experten, generaal-majoor Duchâtelet, militair commandant van het Paleis der Natie, en kolonel b.d. Malherbe, gewezen commandant van het regiment paracommando en van het Belgisch contingent van UNPROFOR.

Op 19 februari werd de reeks van hoorzittingen aangevangen, te beginnen met een « hoorzitting en gesprek » met de familieleden van de slachtoffers van de gebeurtenissen in Rwanda (zie punt 1.3.3.1).

Een bijzonder probleem waarmee de bijzondere commissie in een eerste werkfase geconfronteerd werd, betrof de modaliteiten volgens welke de documenten die middels een compromisregeling met de regering reeds ter beschikking van de leden van de ad-hocgroep waren gesteld, ook ter inzage van de andere leden van de commissie zouden worden gegeven. Er werd bekomen dat de documenten van het ministerie van Buitenlandse Zaken konden ingekeken worden door alle leden van de bijzondere commissie, en nadien ook door de leden van de parlementaire onderzoekscommissie. De documenten afkomstig van het ministerie van Landsverdediging zijn echter, op enkele uitzonderingen na, in principe ter beschikking gehouden van de leden van de ad-hocgroep.

Een aantal documenten waarvan de commissie inzage wenste te krijgen, bleven uit, met name de documenten Nees en De Cuyper, alsmede de notulen van de coördinatievergaderingen van Buitenlandse Zaken. Tevens drong de vaststelling zich op dat een aantal getuigenissen zowel intern als onderling, manifeste contradicties bevatten. Tenslotte werd de commissie geconfronteerd met de onmogelijkheid om de onderzoeksrechter die de parallelle gerechtelijke onderzoeken leidde, in zijn functie te ondervragen. Omwille van al deze argumenten, die steeds meer tot de omvorming tot een onderzoekscommissie gingen nopen, werd een spoedige evaluatievergadering in het vooruitzicht gesteld.

Op 19 maart 1997 werd een voorstel verworpen dat ertoe strekte aan de Senaat te vragen de bijzondere commissie om te vormen tot een onderzoekscommissie. Een consensus werd echter bereikt omtrent het uitblijven van de documenten Nees en De Cuyper : de commissie zou gebruik kunnen maken van de bevoegdheden van onderzoekscommissie wanneer die documenten niet op 16 april 1997 ter beschikking van de commissie waren. Er werd op 19 maart ook eenparig beslist om op 16 april de werking en het statuut van de commissie te evalueren.

De werking van de commissie werd lange tijd gehinderd door het uitblijven van een antwoord op de uitnodiging die de commissie aan de VN-getuigen had gericht. Dit element is decisief geweest in de discussie of de bijzondere commissie al dan niet tot een ware onderzoekscommissie zou worden hervormd. Op 16 april 1997 deelde de voorzitter het negatieve antwoord van de VN-secretaris-generaal Kofi Annan aan de commissie mee waardoor een van de belangrijkste argumenten wegviel tegen de oprichting van een parlementaire onderzoekscommissie.

Gelet op het feit dat het voor de commissie onmogelijk bleek VN-personaliteiten te horen, werd beslist aan mevrouw Suhrke, hoofdonderzoekster aan het Chr. Michelsen Institute te Bergen (Noorwegen) en rapporteur van het Verslag II over « The Joint Evaluation of Emergency Assistance to Ruanda » , die reeds eerder toelatingen had bekomen om VN-ambtenaren te ondervragen, te verzoeken op te treden als tussenpersoon voor een ondervraging van de betrokkenen. In de loop van de maand oktober zou mevrouw Suhrke echter meedelen dat het haar onmogelijk is om deze opdracht te vervullen. Daarna zal de onderzoekscommissie contact opnemen met de permanente vertegenwoordiging van België bij de VN teneinde rond een aantal punten opheldering te krijgen.

Op 23 april 1997 heeft de Senaatsvoorzitter op het Bureau van de Senaat een voorstel neergelegd tot oprichting van een volwaardige parlementaire commissie van onderzoek met vijftien leden, ter vervanging van de bijzondere commissie van acht leden. De drie leden met raadgevende stem zouden onder eenzelfde statuut ook in de onderzoekscommissie aanwezig zijn.

Op het voorstel van de voorzitter tot instelling van een parlementaire commissie van onderzoek betreffende de gebeurtenissen in Rwanda (4) werd een amendement ingediend door de heer Jonckheer en mevrouw Dua teneinde een eventuele verlenging van het mandaat met vier maanden mogelijk te maken (5).

Het voorstel tot instelling van een parlementaire commissie van onderzoek betreffende de gebeurtenissen in Rwanda werd, zonder amendering, door de Senaat aangenomen op 24 april 1997 (6).

1.1.3. Parlementaire onderzoekscommissie-Rwanda

De installatievergadering van de onderzoekscommissie-Rwanda vond plaats op 30 april 1997. Het bureau van de commissie werd samengesteld : Senaatsvoorzitter Swaelen was van rechtswege voorzitter en de heren Mahoux en Verhofstadt werden respectievelijk als eerste en tweede ondervoorzitter aangewezen. De heren Mahoux en Verhofstadt werden tevens aangewezen als rapporteurs. De commissie bestond in totaal uit vijftien leden : naast de leden van het bureau, werd de onderzoekscommissie samengesteld uit de heer Caluwé, mevr. Thijs, de heer Hotyat, mevr. Lizin, de heren Goris, Hostekint, Moens, De Decker, Destexhe, mevr. Bribosia-Picard, mevr. Willame-Boonen, de heer Ceder, de heer Anciaux (met raadgevende stem), de heer Jonckheer (met raadgevende stem), en mevr. Dua (met raadgevende stem). Het reglement van inwendige orde werd aangenomen.

Op 30 april vond tevens de eerste vergadering plaats ter voorbereiding van het verslag van de commissie. De rapporteurs stelden een ontwerpplan van het verslag voor.

In haar vergadering van 13 mei besliste de commissie dat zij een beroep zou doen op de deskundige juridische medewerking van mevrouw Roggen, assistente aan de ULB en advocate bij de balie van Brussel.

In het kader van het RTLM-dossier besliste de commissie op 13 mei 1997een beroep te doen op haar bevoegdheid krachtens artikel 4, § 2, van de wet van 1880 op het parlementair onderzoek om door de eerste voorzitter van het hof van beroep een magistraat aan te laten stellen die voor de onderzoekscommissie specifieke onderzoeksverrichtingen zou stellen. Door middel van de onderzoeksrechter moesten een aantal financiële transacties onderzocht worden die betrekking hadden op de financiering van de Rwandese radio-zender RTLM.

Op 21 mei bezochten de leden van de onderzoekscommissie, op uitnodiging van de minister van Landsverdediging, het SGR en het C-Ops te Evere. Op die dag werd tevens een bijzondere gedachtewisseling gehouden met de militaire deskundigen van de commissie.

In een schrijven van de Assemblée Nationale van Rwanda had deze laatste de Belgische Senaat uitgenodigd een delegatie naar Rwanda af te vaardigen teneinde aldaar ondermeer kennis te nemen van archieven. Omtrent de opportuniteit ­ politieke en andere ­ van een bezoek door een delegatie van de commissie aan Rwanda ontspon zich een brede discussie. De heer Mahoux begaf zich op verzoek van de commissie naar Rwanda om ter plaatse het archief te onderzoeken. Zijn verslag bevindt zich als bijlage nr. 3 bij het verslag.

Tijdens de vergadering van 11 juni 1997 deelde de voorzitter mee dat door de heer Nahimana een vordering tot wraking was ingesteld tegen commissielid Destexhe. De voorzitter stelde vast dat de vordering echter manifest onontvankelijk was. Ook na beroep van de heer Nahimana voor de voltallige commissie zou de onontvankelijkheid van de vordering tot wraking worden vastgesteld.

In haar vergadering van 24 juni werd vastgesteld dat de duur van het bestaande mandaat niet zou volstaan. Na de indiening van een voorstel van het Bureau van de Senaat (7), besliste de Senaat op 26 juni 1997 dat het verslag van de parlementaire commissie van onderzoek betreffende de gebeurtenissen in Rwanda voor einde oktober 1997 diende te worden ingediend. De commissie behield de bevoegdheid, met het oog op de redactie van het verslag, eventueel verder gebruik te maken van haar wettelijke bevoegdheden als parlementaire onderzoekscommissie (8). Omwille van de grote omvang van de werkzaamheden, heeft de Senaat het mandaat van de commissie twee maal verlengd, eerst tot 2 december 1997, dan tot 6 december 1997.

1.2. OPDRACHT EN BEVOEGDHEDEN VAN DE ONDERZOEKSCOMMISSIE

De opdracht van de commissie van onderzoek betreffende de gebeurtenissen in Rwanda bestond er overeenkomstig de beslissing van de Senaat dd. 24 april 1997 in, « vertrekkende van het verslag van de groep ad hoc betreffende de gebeurtenissen in Rwanda opgericht bij beslissing van de commissie voor de Buitenlandse Aangelegenheden van 24 juli 1996, het werk voort te zetten van de bijzondere commissie-Rwanda ingesteld door de Senaat op 23 januari 1997.

De onderzoekscommissie onderzoekt welk beleid werd gevoerd door de Belgische en internationale overheden, meer bepaald de acties die zij hebben ondernomen, en formuleert eventueel conclusies in verband met verantwoordelijkheden en maatregelen die in de toekomst getroffen zouden moeten worden » (9).

Hiermee werd de opdracht hernomen zoals deze ook was geformuleerd voor de bijzondere commissie-Rwanda. De hervorming van de bijzondere commissie tot een onderzoekscommissie betrof derhalve geen wijziging in de materiële opdracht van de commissie, wel in de technische bevoegdheden die haar ter beschikking stonden om die opdracht uit te voeren.

De onderzoekscommissie had voor het vervullen van die opdracht alle bevoegdheden bepaald in artikel 56 van de Grondwet en in de wet van 3 mei 1880 op het parlementair onderzoek.

1.3. WERKWIJZE VAN DE ONDERZOEKSCOMMISSIE

1.3.1. Werkwijze

1.3.1.1. Hoorzittingen met de familieleden van de slachtoffers

(1) Bijzondere commissie-Rwanda

De bijzondere commissie heeft het prioritair geacht de getuigenondervragingen te laten voorafgaan door een gesprek met de families van de slachtoffers. De commissie was aan de families, als eerste betrokkenen, het respect verschuldigd om hen over de taak en de bedoeling van de commissie in te lichten. De commissie peilde naar hun reacties en vroeg naar de eventuele boodschap die zij aan de commissie mee te geven hadden. Voor specifieke aangelegenheden van het dossier werden hen ook concrete inlichtingen gevraagd.

De inleidende « hoorzitting en gesprek » met de familieleden van de slachtoffers ging door op 19 februari 1997. De bijzondere aandacht voor de familieleden betrof zowel de 10 Belgische blauwhelmen, als de burgerlijke slachtoffers, als tenslotte de Rwandese slachtoffers van de genocide.

Met betrekking tot de 10 in Kigali gesneuvelde paracommando's werd aan drie familieleden gevraagd voor de commissie te komen getuigen, met name mevrouw Lotin, de heer Leroy en mevrouw Dupont. Andere familieleden die dit wensten, werden gehoord(10).

Aangezien er geen directe band bestaat tussen het lot van de verschillende burgerlijke slachtoffers, dienden de verschillende getuigenissen afzonderlijk te worden opgevat. Inzake het lot van de burgerlijke slachtoffers werd het relaas gedaan door, achtereenvolgens, de heer en mevrouw Godfriaux, mevrouw Beckers en mevrouw Mugwaneza (11).

In het derde luik werd geopteerd om vooreerst het CRDDR (Comité pour le respect des droits de l'homme au Rwanda) te horen als representatieve organisatie in België voor de Rwandese slachtoffers. De heer J. Gasana, die het comité voor de commissie vertegenwoordigde, liet na zijn uiteenzetting het woord aan twee getuigen van het genocide-drama, zijnde mevrouw Nyirazaninka en mevrouw Mukeshimana. Vervolgens werd een vertegenwoordiger van CLADHO (Collectif des ligues et associations de défense des droits de l'homme), de heer N. Nsanzuwera, gehoord. CLADHO is een overkoepelende organisatie van de Rwandese mensenrechtenverenigingen (12).

(2) Parlementaire onderzoekscommissie-Rwanda

Net vóór het afsluiten van de reeks van hoorzittingen, werd opnieuw het woord verleend aan de families van de overleden Belgische blauwhelmen om hun de mogelijkheid te bieden hun indrukken weer te geven over de werkzaamheden van deze commissie. Het woord werd genomen door mevrouw Debatty, mevrouw Dupont, de heer Leroy, de heer Lhoir, en mevrouw Bassine (13).

De voorzitter heeft er in de betrokken zitting op gewezen dat een brief werd gericht aan de families van de Belgische burgerslachtoffers. Aangezien over de omstandigheden van het overlijden van die slachtoffers een gerechtelijk onderzoek loopt, was de onderzoekscommissie terzake aan een volstrekte discretieplicht gebonden. Bovendien heeft dat lopende gerechtelijke onderzoek de onderzoekscommissie in het betrokken dossier tot een aanzienlijke terughoudendheid gedwongen, dit overeenkomstig de grondwettelijke en wettelijke bepalingen die de onderlinge verhouding tussen de onderzoeken van parlementaire onderzoekscommissies enerzijds en de gerechtelijke onderzoeken anderzijds, bepalen.

1.3.1.2. Getuigen

De namenlijst van de getuigen die verschenen zijn voor de commissie is chronologisch geordend. Eveneens wordt vermeld in welke hoedanigheid de getuige werd ondervraagd door de commissie.

(1) Bijzondere commissie betreffende
de gebeurtenissen Rwanda

Datum Getuige Hoedanigheid waarin de
getuige werd gehoord
19/2/1997 Mevr. Lotin, de heer Leroy, mevr. Dupont, de heer Méaux, mevr. Bassine, mevr. Debatty, de heer Plescia Vertegenwoordigers van de familieleden en aanverwanten van de tien vermoorde para's.
19/2/1997 De heer en mevr. Godfriaux, de heer Dulieu, mevr. Beckers, de heer Mugwaneza Vertegenwoordigers van de familieleden en aanverwanten van de burgerlijke Belgische slachtoffers.
19/2/1997 De heer J. Gasana, Mevr. Nyirazaninka, mevr. Mukeshimana Vertegenwoordigers van het CRDDR (Comité pour le Respect des Droits de l'Homme au Rwanda).
19/2/1997 De heer Nsanzuwera Vertegenwoordiger van CLADHO (Collectif des Ligues et Associations de Défense des Droits de l'Homme).
26/2/1997 Professor Reyntjens Gewoon hoogleraar aan de Universitaire Instelling Antwerpen en gespecialiseerd in Centraal Afrika.
26/2/1997 Mevr. A. Desforges Vertegenwoordigster van Human Rights Watch; Vertegenwoordigster van de internationale commissie voor de vaststelling van de schending van de mensenrechten in Rwanda.
26/2/1997 De heer W. Martens, minister van Staat Eerste minister.
28/2/1997 De heren Brouhns en Cools De heer Brouhns : adjunct-permanent vertegenwoordiger van België bij de Verenigde Naties.
De heer Cools : Eerste secretaris van de permanente vertegenwoordiging van België bij de Verenigde Naties.
28/2/1997 Kolonel SBH Flament en luitenant-kolonel Kesteloot Kolonel SBH Flament : Chef afdeling « Defensieplannen » van de generale staf, Hoofd verkenningsmissie Rwanda ter voorbereiding van UNAMIR Luitenant-kolonel Kesteloot : Lid van deze verkenningsmissie.
28/2/1997 Luitenant-kolonel SBH Briot Chef onderafdeling planning operaties, bij de generale staf.
28/2/1997 Luitenant-generaal Charlier Chef van de generale staf van de Strijdkrachten.
5/3/1997 De heer W. Claes, minister van Staat Minister van Buitenlandse Zaken.
5/3/1997 De heer L. Delcroix Minister van Landsverdediging.
5/3/1997 De heer J.-L. Dehaene Eerste minister.
7/3/1997 Kolonel SBH Marchal Commandant van de sector Kigali (UNAMIR).
7/3/1997 Luitenant Nees Stafofficier « Inlichtingen » (S2) bij KIBAT I.
7/3/1997 Majoor Podevijn Stafofficier op het niveau van de Force Commander.
7/3/1997 Kolonel SBH Vincent Hoofd CTM Rwanda.
11/3/1997 Professor Suy en Professor David Professor Suy : Expert internationaal recht, gewoon hoogleraar aan de Katholieke Universiteit Leuven (KUL)
Professor David : Expert internationaal recht, gewoon hoogleraar aan de Université Libre de Bruxelles (ULB).
12/3/1997 De heer Swinnen Belgisch ambassadeur in Rwanda.
12/3/1997 Generaal-majoor Verschoore Adjunct chef militaire inlichtingendienst (SGR).
12/3/1997 Generaal-majoor Schellemans Kabinetschef van de minister van Landsverdediging.
14/3/1997 De heer W. Kuijpers Senator.
14/3/1997 Mevr. N. Maes Senator.
14/3/1997 De heer C. Bougard Senator.
14/3/1997 Kapitein De Cuyper Stafofficier « Inlichtingen » bij KIBAT II.
14/3/1997 Kolonel SBH Marchal Commandant van de sector Kigali (UNAMIR).
18/3/1997 De heer L. Willems Kabinetschef van de minister van Buitenlandse Zaken.
19/3/1997 De heer Gillet Advocaat aan de balie te Brussel, Medevoorzitter van de Internationale Onderzoekscommissie betreffende de schendingen van de mensenrechten in Burundi naar aanleiding van de moord op president Ndadaye.
19/3/1997 Kolonel SBH Marchal Commandant van de sector Kigali (UNAMIR).
21/3/1997 Generaal-majoor Delhotte Hoofd van de militaire inlichtingendienst SGR.
21/3/1997 Mevr. Braeckman Journaliste bij het dagblad « Le Soir ».
21/3/1997 Majoor Hock Lid van SGR ­ analyst verantwoordelijk voor Centraal Afrika.
21/3/1997 De heer Swinnen Belgisch ambassadeur in Rwanda.
24/3/1997 Luitenant-kolonel Leroy Commandant van KIBAT I (UNAMIR).
26/3/1997 De heer J.-P. Chrétien Historicus, directeur bij het CNRS (Centre National de Recherche Scientifique) te Parijs.
26/3/1997 De heer Derycke Staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken.
26/3/1997 De heer L. Delcroix Minister van Landsverdediging.
28/3/1997 Luitenant-generaal Charlier Chef van de strijdkrachten van de generale staf van de Strijdkrachten.
16/4/1997 De heer Ndiaye Advocaat, Speciaal Rapporteur van de Commissie over de mensenrechten van de Verenigde Naties.
16/4/1997 Kolonel SBH
Engelen
Militair adviseur Belgische Permanente Missie bij de UNO te New York.
16/4/1997 Kolonel SBH Dewez Bevelhebber van het Belgisch bataljon KIBAT II.
18/4/1997 De heer W. Claes, minister van Staat Minister van Buitenlandse Zaken.
21/4/1997 Luitenant-generaal Charlier Chef van de generale staf van de Strijdkrachten.
21/4/1997 Confrontatie tussen de heer L. Delcroix en luitenant-generaal Charlier De heer Delcroix : minister van Landsverdediging
Luitenant-generaal Charlier : Chef van de generale staf van de Strijdkrachten.
22/4/1997 De heer Nsanzuwera Procureur van de Rwandese Republiek.
22/4/1997 Mevr. Suhrke Hoofdonderzoekster verbonden aan het Chr. Michelsen Institute te Bergen, Noorwegen (gespecialiseerd in mensenrechten); lid van de adviesraad van het Hoog Commissariaat voor de Vluchtelingen van de UNO; rapporteur van Verslag II over « The Joint Evaluation of Emergency Assistance to Ruanda ».
23/4/1997 De heer Jaenen Verantwoordelijke voor het « Afrika Desk » op het ministerie van Buitenlandse Zaken.
23/4/1997 Admiraal Verhulst Hoofd van de divisie operaties (JSO) bij de generale staf.
23/4/1997 Professor Suy en de heer Vandaele Professor Suy : Expert internationaal recht, gewoon hoogleraar aan de Katholieke Universiteit Leuven (KUL)
De heer Vandaele : directeur-generaal van de algemene directie van de politiek van het ministerie van Buitenlandse Zaken.
25/4/1997 Luitenant-generaal Uytterhoeven Adjunct van de stafchef van de Landmacht.
25/4/1997 Generaal-majoor Roman Commandant van de brigade paracommando.
29/4/1997 De heer Rusatira Brigadegeneraal van de FAR, Comdt ESM.
29/4/1997 Luitenant-generaal Berhin Stafchef van de Landmacht.
29/4/1997 De heer Cools Eerste secretaris van de permanente vertegenwoordiging van België bij de Verenigde Naties.

(2) Parlementaire commissie van onderzoek
betreffende de gebeurtenissen in Rwanda

Datum Getuige Hoedanigheid waarin de
getuige werd gehoord
6/5/1997 De heer Van Winsen Krijgsauditeur te Brussel.
6/5/1997 De heer Vandermeersch Onderzoeksrechter verbonden aan de rechtbank van eerste aanleg te Brussel.
7/5/1997 Luitenant Lecomte Tweede commandant van een compagnie KIBAT II.
7/5/1997 Kapitein Lemaire Compagniecommandant KIBAT II.
7/5/1997 De heer Quertemont Militair aalmoezenier bij KIBAT II.
7/5/1997 Majoor Maggen Stafofficier van de Force Cdr (UNAMIR).
13/5/1997 Kapitein Marchal Compagniecommandant bij KIBAT II.
13/5/1997 Commandant Choffray Officier « operaties » op de staf van KIBAT II.
13/5/1997 Commandant Claeys Military Information Officer (MIO) op de staf van de Force Commander (UNAMIR).
13/5/1997 Commandant Noens Raadgever in het recht van de gewapende conflicten, KIBAT I, UNAMIR.
13/5/1997 Majoor Bodart Raadgever in het recht van de gewapende conflicten, KIBAT II, UNAMIR.
14/5/1997 Professor Reyntjens Gewoon hoogleraar aan de Universitaire Instelling Antwerpen en gespecialiseerd in Centraal Afrika.
14/5/1997 Mevr. De Backer Adviseur van de Afrikastichting; Voorzitter ACT.
14/5/1997 De heer Eugène Nahimana Persattaché van de MRND te België.
14/5/1997 De heer Scheers Advokaat aan de balie van Brussel.
16/5/1997 De heer Galand Voorzitter van het forum « Nord-Sud »; Voorzitter van het CNCD (Centre de Coopération au Développement).
16/5/1997 Mevr. A. Desforges Vertegenwoordigster van Human Rights Watch; Vertegenwoordigster van de internationale commissie voor de vaststelling van de schending van de mensenrechten in Rwanda.
16/5/1997 De heer Terras Directeur van het tijdschrift GOLIAS.
28/5/1997 De heer Greindl Directeur van het « Institut Supérieur de Pédagogie Appliqué » te Rwanda.
28/5/1997 Mevr. De Temmerman Journaliste voor de BRTN Nieuwsdienst.
29/5/1997 Luitenant-kolonel De Loecker Stafofficier op het commando van de Sector Kigali (UNAMIR).
29/5/1997 Kolonel Balis Officier adjunct « operaties » op de Staf van Force Commander (UNAMIR).
29/5/1997 Commandant De Troy Adjunct in het operationeel centrum van de generale staf te Evere (C Ops).
30/5/1997 De heer Twagiramungu Voorzitter van de MDR; Eerste minister van Rwanda.
30/5/1997 De heer Saur Secretaris-generaal van de PSC verantwoordelijk voor de internationale betrekkingen.
3/6/1997 De heer Theunis Priester en journalist; Aanwezig in het missiehuis van de Afrikaanse missionarissen te Kigali.
3/6/1997 De heer Louis Secretaris-generaal en ondervoorzitter van de Christen-Democratische Internationale (IDC).
3/6/1997 De heer Houtmans Directeur van de vrije radiozender Radio Contact.
6/6/1997 Kapitein Theunissen Tweede commandant van een compagnie bij KIBAT II.
10/6/1997 Kolonel SBH Dewez Bevelhebber van het Belgisch bataljon KIBAT II.
10/6/1997 Kolonel SBH Marchal Commandant van de sector Kigali (UNAMIR).
11/6/1997 De heer Nzamzimfura Majoor van de Rwandese gendarmerie, G4.
11/6/1997 Professor Prunier Historicus, hoofdonderzoeker bij het CNRS (Centre National de Recherche Scientifique) te Parijs.
13/6/1997 Confrontatie tussen luitenant-kolonel SBH Briot en kolonel SBH Flament Kolonel BEM Flament : Chef Afdeling « Defensieplannen » van de generale staf; Hoofd verkenningsmissie Rwanda ter voorbereiding van UNAMIR.
Luitenant-kolonel Briot : Chef onderafdeling planning externe operaties, C Ops.
13/6/1997 Confrontatie tussen luitenant-kolonel SBH Briot en kolonel SBH Marchal Kolonel SBH Marchal : Commandant van de sector Kigali (UNAMIR)
Luitenant-kolonel SBH Briot : Chef onderafdeling planning operaties van de generale staf.
17/6/1997 De heer Matata Secretaris van de « Association rwandaise pour la Défense des Droits de l'Homme » (ARDHO).
17/6/1997 De heer Eugène Nahimana Persattaché van de MRND te België.
17/6/1997 De heer Degni-Segui Speciaal rapporteur van de commissie voor de mensenrechten van de Verenigde Naties; Auteur van een rapport over de situatie van de mensenrechten in Rwanda.
18/6/1997 De heer Nsengyaremye Eerste minister van Rwanda.
18/6/1997 De heer Leo Delcroix Minister van Landsverdediging.
20/6/1997 De heer Swinnen Belgisch ambassadeur te Rwanda.
20/6/1997 De heer Tallier Secretaris bij de Staatsveiligheid belast met Afrikaanse aangelegenheden.
24/6/1997 De heer Scheers Advokaat aan de balie van Brussel.
24/6/1997 De heer Willy Claes
minister van Staat
Minister van Buitenlandse Zaken.
25/6/1997 De heer Brouhns Adjunct-permanent vertegenwoordiger van België bij de Verenigde Naties.
25/6/1997 De heer Poncelet Minister van Landsverdediging.
26/6/1997 De heer Dehaene Eerste minister
27/6/1997 Adjudant Boequelloen, Eerste korporaal-chef Pirard en korporaal Kinkin Militairen behorende tot bataljon KIBAT II.
27/6/1997 Mevr. Debatty, mevr. Dupont, de heer Leroy, de heer Plescia, mevr. Lhoir, mevr. Bassine Vertegenwoordigers van de familieleden en aanverwanten van de tien gesneuvelde para's.
30/6/1997 De heer Murayi Voorzitter van de « Mouvement Républicain National pour la Démocratie et le Développement » (MRND).
30/6/1997 Confrontatie tussen kolonel SBH Dewez en kapitein Theunissen Kolonel SBH Dewez : Bevelhebber van het Belgisch bataljon KIBAT II (UNAMIR)
Kapitein Theunissen : Tweede commandant van een compagnie van KIBAT II.

Alle hoorzittingen vonden plaats in openbare vergadering op volgende uitzonderingen na :

­ Vergaderingen die deels openbaar en deels gesloten waren :

­ 21/3/1997 : Generaal-majoor Delhotte

­ 28/3/1997 : Luitenant-generaal Charlier

­ 29/4/1997 : de heer Rusatira

­ 6/5/1997 : de heer Vandermeersch

­ 7/5/1997 : de heer Quertemont

­ 14/5/1997 : mevrouw De Backer

­ 28/5/1997 : de heer Greindl

­ 28/5/1997 : mevrouw De Temmerman

­ 30/5/1997 : de heer Twagiramungu

­ 30/5/1997 : de heer Saur

­ 3/6/1997 : de heer Theunis

­ 11/6/1997 : Professor Prunier

­ 17/6/1997 : de heer Matata

­ 17/6/1997 : de heer Degni-Segui

­ 20/6/1997 : de heer Swinnen

­ 24/6/1997 : de heer Scheers

­ Vergaderingen die volledig gesloten waren :

­ 11/3/1997 : Professoren Suy en David

­ 11/3/1997 : Kolonel Ix

­ 19/3/1997 : Kolonel Marchal

­ 21/4/1997 : confrontatie tussen de heer Delcroix en luitenant-generaal Charlier

­ 23/4/1997 : Professor Suy en de heer Van Daele

­ 14/5/1997 : de heer Nahimana

­ 14/5/1997 : de heer Scheers

­ 17/6/1997 : de heer Nahimana

­ 20/6/1997 : de heer Tallier

1.3.1.3. Gedachtewisselingen met de experten van de commissie

Zoals hoger vermeld, werd de commissie geadviseerd door twee militaire experten, namelijk generaal-majoor Duchâtelet en kolonel Malherbe en door twee experten internationaal recht, de professoren Suy en David. De commissie kon eveneens een beroep doen op het advies van meester Roggen wat betreft de juridische implicaties van de werkzaamheden van de commissie.

1.3.1.4. Confrontaties

In het kader van de werkzaamheden van de commissie vonden volgende confrontaties plaats :

(1) Bijzondere commissie betreffende de gebeurtenissen in Rwanda

­ Confrontatie tussen de heer Delcroix en luitenant-generaal Charlier op 21 april 1997.

(2) Parlementaire onderzoekscommissie betreffende de gebeurtenissen in Rwanda

­ Confrontatie tussen luitenant-kolonel Briot en kolonel Flament op 13 juni 1997.

­ Confrontatie tussen kolonel Marchal en luitenant-kolonel Briot op 13 juni 1997.

­ Confrontatie tussen kolonel Dewez en kapitein Theunissen op 30 juni 1997.

1.3.1.5. Werkvergaderingen van de commissie

Voorafgaand aan de hoorzittingen vonden systematisch korte agendabesprekingen plaats. Tijdens deze besprekingen werden het curriculum alsook de inleidende vragen van de getuigen besproken. Bovendien werden in het kader van de werkzaamheden van de commissie meerdere werkvergaderingen georganiseerd. Met het oog op het opstellen van het verslag werden residentiële werkvergaderingen gehouden te Oostende (15-17 juli 1997), te Gesves (30 september, 1-2 augustus 1997) en te Brugge (25-27 november 1997).

1.3.1.6. Vergaderingen van het Bureau van de commissie

Het Bureau, samengesteld uit de voorzitter en de twee ondervoorzitters-rapporteurs, heeft meerdere malen vergaderd met het oog op de vergaderingen van de commissie.

1.3.1.7. Bezoek aan C Ops ­ SGR

Op uitnodiging van de minister van Landsverdediging hebben de leden van de commissie een werkbezoek gebracht aan de Algemene dienst voor inlichting en veiligheid (SGR) en het Operationeel Centrum (C Ops) in het Hoofdkwartier van de Belgische strijdkrachten te Evere. Dit bezoek had plaats op 21 mei 1997.

De leden kregen een voorstelling van de beide diensten en woonden een operationele briefing bij. Tenslotte konden de leden de wapenuitrusting aanschouwen waarover de KIBAT-manschappen tijdens hun missie in 1993 en 1994 hebben kunnen beschikken.

1.3.1.8. Bezoek aan Rwanda

(1) Ad-hocgroep-Rwanda

De heren Mahoux en Verhofstadt, leden van de ad-hocgroep, hebben zich naar Kigali begeven teneinde een correct beeld te hebben van de plaatsen waar de gebeurtenissen zich hebben afgespeeld, en om aldus een inzicht te hebben in de reisweg van de tien para's op 7 april 1994, alsmede in de precieze omstandigheden waarin zij werden vermoord.

(2) Parlementaire onderzoekscommissie

Bij brief van 22 april 1997 werd door de voorzitter van de Rwandese Assemblée Nationale een delegatie van de commissie tot een bezoek aan Rwanda uitgenodigd, « afin de rencontrer les témoins potentiels, de visiter les sites et éventuellement de consulter les archives » .

In het kader van de parlementaire onderzoekscommissie, werd beslist dat de heer Mahoux, in zijn hoedanigheid van rapporteur, een bezoek aan Rwanda zou brengen. Het bezoek vond plaats van 23 augustus 1997 tot 30 augustus 1997. Het doel van deze missie bestond erin ter plaatse de archieven te consulteren, waarvan melding was gemaakt in de voornoemde uitnodiging van het Rwandese parlement. De heer Mahoux werd vergezeld van de heer S. Vandeginste, vorser aan het « Centre d'Étude de la Région des Grands Lacs d'Afrique » (14).

1.3.1.9. Documenten

(1) De door de ad-hocgroep onderzochte documenten

A. Documenten Landsverdediging

I. Documenten SGR

1. Mappen genummerd 1 tot 16 :

Informatie van algemene aard afkomstig uit openbare bronnen.

Periode : augustus 1993 tot april 1994.

2. Mappen genummerd 17 en 18 :

Door SGR verwerkte gegevens die inlichtingen zijn geworden en aan verschillende geadresseerden werden meegedeeld.

3. Nota's over de toestand in Rwanda (één map) :

Geheime documenten over de politieke, humanitaire en militaire toestand, alsook over crisissen.

Periode : oktober 1993 tot april 1994.

4. Weekberichten van de inlichtingendiensten (één map) :

­ toestand in Rwanda;

­ verloop van de gebeurtenissen;

­ ontwikkelingen in de toestand.

Periode : januari 1993 tot april 1994.

5. Map met bijkomende informatie (één map) :

Uit diverse bronnen afkomstige informatie over de toestand en het verloop der gebeurtenissen in Rwanda.

Periode : januari 1993 tot mei 1994.

6. Map « IN » SGR OPS Rwanda 1994 :

Informatie afkomstig van bepaalde buitenlandse inlichtingendiensten.

II. Documenten JS

Allerhande informatie over de humanitaire operaties (UNAMIR, BELBAT, UNOSOM,...)

1. MAP JS 1 :

Verslag van de C Ops-vergaderingen van augustus 1993 tot december 1993 inbegrepen.

2. MAP JS 2 :

Zelfde inhoud van januari 1994 tot april 1994 inbegrepen.

III. Documenten C Ops over munitie (Sitrep 103)

IV. Documenten van 1 Para

Inlichtingen van de Operatie UNAMIR I

B. Documenten Ministerraad

Twee nota's (en twee adviezen van de Inspectie van Financiën) ter voorbereiding van de vergaderingen van 26 november en 3 december 1993 van de ministerraad.

C. Documenten Buitenlandse Zaken

1. Nota's van de Ambassadeur te Kigali aan de minister van Buitenlandse Zaken (4 augustus 1993 ­ 6 april 1994) (drie mappen);

2. telexen Ambabel Kigali aan Belext (augustus 1993 ­ april 1994) (één map);

3. Telexen Brussel aan Ambabel Kigali (10 april 1993 ­ 6 april 1994) (één map);

4. Faxen Kigali Ambabel aan Belext (augustus 1993 ­ april 1994) (één map).

5. Jaarverslagen 1993 en 1994.

6. Notulen van coördinatievergaderingen Buitenlandse Zaken-Landsverdediging (2 december 1993 ­ 28 juli 1994).

D. Documenten UNAMIR

1. Rules of Engagement UNAMIR

2. Operatie-opdracht UNAMIR

E. Documenten Verenigde Naties (DELBELONU)

1. Telegrammen ambassadeur Noterdaeme aan Beletext over Rwanda (augustus 1993 ­ april 1994) (één map);

2. Telegrammen ambassadeur Noterdaeme aan Belext over UNAMIR (augustus 1993 ­ april 1994) (één map);

3. Correspondentie DELBELONU en ministerie van Buitenlandse Zaken (7 april ­ 30 april 1994) (één map).

F. Documenten Militair Krijgshof

Proces Luc Marchal (31 mappen + map eerste aanleg en Cassatie).

G. Vertrouwelijk rapport van kolonel Marchal

Considérations relatives aux conditions dans lesquelles j'ai exercé une fonction de Commandant du secteur Kigali au sein de la MINUAR du 4 décembre 1993 au 19 avril 1994.

H. Vast Comité van Toezicht op de Inlichtingendiensten

Verslag van het toezichtsonderzoek handelend over de efficiëntie en de samenwerking van de inlichtingendiensten in verband met de gebeurtenissen in Rwanda.

I. Documenten Verenigde Naties

­ Akkoorden van Arusha (één map).

­ Rapporten van de Verenigde Naties :

(E/CN.4/1994/7/Add.1) ­ Report by the Special Rapporteur on extrajudicial, summary or arbitrary executions on his mission to Rwanda, 8-17 april 1993, including as annex II the Statement of 7 april 1993 of the Government of Rwanda concerning the final report of the Independent International Commission of Inquiry on human rights violations in Rwanda since 1 October 1990.

S/1994/360, 30 maart 1994 ­ Second progress report of the Secretary-General on UNAMIR for the period from 30 december 1993 to 30 March 1994, requesting an extension of its mandate for a period of six months.

J. Andere documenten

The United Nations and Rwanda, 1993-1996, Department of Public Information, The United Nations Blue Book Series, Volume X.

Sellström, T., The International Response to Conflict and Genocide : Lessons from the Rwanda Experience, Study 1, Historical Perspective : Some Explanatory Factors, Joint Evaluation of Emergency Assistance to Rwanda.

Adelman, H. en Suhrke, A., The International Response to Conflict and Genocide : Lessons from the Rwanda experience, Study 2, Early Warning and Conflict Management, Joint Evaluation of Emergency Assistance to Rwanda.

Rapport d'ensemble enseignements tirés de la mission des Nations unies pour l'assistance au Rwanda (MINUAR), Octobre 1993-Avril 1996, Décembre 1996.

(2) Documenten bekomen door bijzondere commissie-Rwanda

Réponses aux questions du général-major Dallaire par le juge-avocat général de la Cour militaire.

A. DOCUMENTEN VN-OVERHEDEN

Présentation du rapport sur les exécutions extrajudiciaires, sommaire des arbitraires à la 53ème session de la Commission des droits de l'homme des Nations unies par M. Ndiaye, Rapporteur spécial, Genève, le 9 avril 1997.

Rapport de la Commission internationale d'enquête sur les violations des droits de l'homme au Rwanda depuis le 1er octobre 1990 (7-21 janvier 1993). Rapport Final. Africa Watch, Fédération Internationale des Droits de l'Homme, Union Interafricaine des Droits de l'Homme et des Peuples, Centre International des Droits de la Personne et du Développement Démocratique.

Rapport présenté par M. Bacre Waly Ndiaye, Rapporteur spécial, conformément à la résolution 1996/74 de la Commission des droits de l'homme. Nations Unies, Conseil Economique et Social, E/CN.4/1997/60 et Add 1 ­ 24 décembre 1996.

Telex van 20 januari 1994 van DelbelONU aan Minafet.

B. DOCUMENTEN BELGISCHE POLITIEKE OVERHEDEN

Brief van de heer J.L. Dehaene, eerste minister, met betrekking tot de documenten van Buitenlandse Zaken, 25 maart 1997.

Brief van de heer E. Derycke, minister van Buitenlandse Zaken met betrekking tot de notulen van de coördinatievergaderingen Buitenlandse Zaken-Landsverdediging (met bijlage), 26 maart 1997.

Notulen van de coördinatie-vergaderingen van 28 oktober 1993, 26 november 1993, 2 december 1993, 9 december 1993, 16 december 1993, 23 december 1993, 6 januari 1994, 13 januari 1994, 3 februari 1994, 3 maart 1994 en 17 maart 1994.

Brief van de heer J. De Bock, kabinetschef van de minister van Buitenlandse Zaken van 24 maart 1997 met bijlagen :

1. Opening remarks by M. Kofi Annan, Lessons learned Seminar on Rwanda;

2. « Non-paper » of the Comprehensive Seminar on UNAMIR, 12-14 June 1996;

3. Kopie van de telex 127 van Bujumbura met instructies van minister Claes, 23.02.1994;

4. Kopie van de antwoorden van twee diplomatieke posten (van Washington van 24.02.1994 en van New York van 24.02.1994.

Nota van minister van Staat, de heer W. Claes : « Belgische stappen in New York om UNAMIR krachtiger te laten optreden » : antwoord op het Rapport van de ad-hocgroep blz. 85 t/m 94.

Nota van minister van Staat, de heer W. Claes : « Het zogenaamde « anti-Belgisch klimaat ». Enkele opmerkingen bij en correcties op het Deel 4.1 en 4.2 van het rapport van de ad hoc-groep van de Senaatscommissie inzake Rwanda ».

Nota door de eerste minister bezorgd aan de heer Leo Delcroix die een overzicht geeft van informele nota's van de ministerraad (opgesteld door de secretaris van de ministerraad of/en door de diplomatieke adviseur van de eerste minister).

Mededeling van de ministerraad van 19 november 1993 m.b.t. UNAMIR.

Samenstelling kabinet ­ ministerie van Defensie Rwanda voor de periode juni 1993-december 1993. Samenstelling kabinet ­ ministerie van Defensie Rwanda, situatie april 1994.

C. DOCUMENTEN MILITAIRE OVERHEDEN

Brief overgemaakt door kapitein De Cuyper : Brief vanwege de landmacht ­ Divisie gevechtssteun van 10 maart 1997.

PV van 06.12.1995 met kapitein De Cuyper onderzoeksdossier Marchal bij het auditoraat-generaal van het Militair Hof.

Documenten meegedeeld naar aanleiding van de hoorzitting achter gesloten deuren van kolonel Marchal op 19 maart 1997 :

1. exposé introductif, audition à huis clos du 19 mars 1997;

Operatie Haïti :

2. Ops Columbus ­ Sitrep op 5.11.1994, Sitrep 1.12.1994, Sitrep 2.12.1994, Sitrep 15.12.1994, Sitrep 19.4.1994, Sitrep 21.12.1994, Sitrep 24.12.1994;

3. Vertrouwelijk : Ontwerp van het evacuatieplan « Yellow Bird », 9.12.1994.

Documenten van luitenant-kolonel Leroy meegedeeld naar aanleiding van zijn hoorzitting op 24.3.1997.

Documenten meegedeeld door kolonel BEM Dewez aan de leden van de commissie :

1. Briefing général UNAMIR et Règles d'engagement;

2. Safe City Directives KIBAT, 26.3.1994;

3. Programme de la semaine du 4 au 10 avril 1994;

4. Rapport confidentiel de KIBAT S2, 24.3.1994

annexe A : communiqué de presse de Charles Ruvugabigwi : L'angoisse du Dr. Booh-Booh, La Relève 18.3.1994;

annexe B : partis principaux au Rwanda

annexe C : Communiqué « sauve qui peut » nº 10, 23.3.1994;

5. Rapport secret de KIBAT S2, 29.3.1994;

6. Rapport secret de KIBAT S2, 26.3.1994;

7. Rapport secret de KIBAT S2, 2.4.1994

annexe : déclaration du premier ministre désigné F. Twagiramungu, 1.4.1994;

8. Rapport secret de KIBAT S2, 1.4.1994

annexe : Communiqué « Sauve qui peut » nº 11, 27.3.1994;

9. Copie extraits du carnet personnel :

­ notes prises pendant briefing au Cops, 3.2.1994

­ communication à l' Ogp Bn, 4.2.1994

­ notes de base pour le briefing aux compagnies;

10. Rapport du Lt. Nees du 17.3.1994.

Historiek van November 92 tot maart 93 ­ M. P. Vandeputte. UNPROFOR Bosnia Herzegovina 1 (BE) DET TPT ­ Moving Star.

Brief van de heer Elsoucht ­ Krijgsmacht Generale Staf, Divisie Operaties, Sectie Plannen en Defensie, 11.04.1997.

Onderwerp : Lessen BELBAT II

Hoofdstuk 1 : Personeel

Hoofdstuk 2 : Inlichtingen

Hoofdstuk 3 : Operaties

Hoofdstuk 4 : Logistiek en Med.

Hoofdstuk 5 : SCV. Pers en Vip.

Note du Lieutenant-Général, Aide de Camp du Roi, J. Charlier, au Ministre de la Défense nationale du 3 novembre 1993. (avec une lettre du Brigadier général, Commandant de la Force et Chef de mission R.A. Dallaire au Colonel J. Flament, Chef de la mission de Reconnaissance des Forces armées de la Belgique à Kigali du 29 octobre 1993).

Brief van Kolonel M. Malherbe ­ UNPROFOR ­ Sector East : Rapport de mission au Sector EAST UNPROFOR du 13 mars 92 à fin Août 92, 2.9.1992.

Bijlage : Org. QG Force.

Brief van Kolonel M. Malherbe ­ UNPROFOR ­ Sector East : Rapport Part (BE) UNPROFOR.

D. ANDERE DOCUMENTEN

Document van de heer Alain De Brouwer ter attentie van senator Destexhe « contribution personnelle aux travaux de la future Commission parlementaire d'enquête sur le Rwanda » 25.10.1996.

Brief van advocaat Luc De Temmerman met betrekking tot de familie Habyarimana aan de BCR, 4 maart 1997.

Document overgemaakt door mevrouw Willame : Note de Mme Marie-Madeleine Nibelle-Bicamumpaka : « Le MDR - Mouvement démocratique républicain, premier parti d'opposition au Rwanda; fut-il victime de sa victoire électorale annoncée ? »

« Le cas rwandais » door de heren Servillien M. Sebasoni, artikel in La revue générale, december 1994, nr. 12.

Documenten overgemaakt door Mevrouw Maes naar aanleiding van haar hoorzitting :

1. Programma van het officieel bezoek van de minister van Landsverdediging, de heer Leo Delcroix, aan de Belgische militairen in Rwanda van 10 tot 13 maart 1994.

2. Brief gericht aan de secretaris-generaal van de OVN : « A propos des troupes belges au Rwanda », november 1993.

Documenten overgemaakt door de heer W. Kuijpers naar aanleiding van zijn hoorzitting :

1. Exemplaar van het tijdschrift Dialogue, nr. 190, april-mei 1996.

2. Dossier betreffende de moord op M. Olivier Dulieu op 7 april 1994, in Rambura, meegedeeld door M.P. Dulieu in het kader van zijn hoorzitting voor de commissie van 19.2.1997.

Documenten meegedeeld door senator Destexhe aan de voorzitter :

1. Déclaration du 7 avril 1994 relative à l'assassinat de leurs excellences le chef de l'état rwandais, le général-major Juvenal Habyarimana, et le chef de l'Etat burundais, Monsieur Cyprien Ntaryamira, et les membres de leurs délégation;

2. Lettre du Docteur MURAYI Paulin, Président du MRND ­ Section belge ­ au Ministre Delcroix, 08.03.1994;

3. Fax de M. Alain De Brouwer, Conseiller politique de l'IDC à M. P. Ngaboyamahina, Président du MRND ­ Section Belgique, 05.01.1992.

Brief van Staatssecretaris van Ontwikkelingssamenwerking, de heer R. Moreels in antwoord op een schriftelijke vraag van de commissie van 13 maart op datum van 3 april 1997 met volgende bijlagen :

1. 1a ODA-cijfers 1990-1994;

2. 1b lijst van de 84 projecten in het kader van de directe bilaterale samenwerking;

3. 2a Lijst van NGO-projecten. Uitgevoerd met financiële ABOS tussenkomst;

4. 3a en 3 b : enige informatie inzake de financiële samenwerking met Rwanda 1990-1994.

Brief en bijlagen van de heer Gasana Ndoba, lid van de coördinatiegroep CRDDR, gewezen coördinator van het comité (1990-1995) :

Document 1 : Audition devant la Commission Spéciale Rwanda le 19 février 1997.

Document 2 : Témoignage de Mme Marguerite Lens Nyirazaninka.

Document 3 : Témoignage de Mme Mukeshimana Florida. Epouse de M. Ngulinzira, Ancien Ministre Rwandais des Affaires Etrangères 16.02.1996.

Document 4 : Liste indicative faite par le CRDDR de responsables présumés du génocide et de massacres politiques perpétrés au Rwanda résidant ou ayant récemment résidé en Belgique (17.04.1997).

Bijlagen bij document 4 :

Bijlage 1 : Appel à la conscience des Bahutu.

Bijlage 2 : Pro justitia du Tribunal de première instance de Bruxelles (22.07.96)

Bijlage 3 : Versement d'un montant de 500 000 fr. de M. Rwabukumba Seraphin en date du 06.07.1993

Bijlage 4 : Lettre de la Kredietbank, attestation concernant Mr. Rwabukumba en date du 24.05.1994.

Bijlage 5 : Sommaire du Journal Officiel de la République Rwandaise en date du 30.11.1996.

Bijlage 6 : 1994 ­ Hachette : Observatoire géopolitique des drogues. État des drogues, drogue des états (p. 113 ­ p. 115).

Bijlage 7 : Controverse criminel ou courageux ­ Questions sur le rôle de l'ancien chef de la gendarmerie rwandaise, témoin clef de la tragédie de 1994. Il vit aujourd'hui en Belgique. Les silences du général, Le Vif l'Express ­ 07.03.1997.

Bijlage 8 : Lettre de la Radio Télévision Libre des Mille Collines (RTLM) à Kigali Situation du compte RTLM au 15.08.1993, en date du 01.09.1993.

Bijlage 8 a : Liste des actionnaires B.A.C.A.R., en date du 25.08.1993.

Bijlage 8 b/1 : Liste des actionnaires B.C.R. en date du 25.08.1993.

Bijlage 8 b/2 : Liste des actionnaires B.C.R. Agences en date du 25.08.1993.

Bijlage 8 c : Liste des actionnaires Banque de Kigali (BK) en date du 25.08.1993.

Bijlage 9 a : Communiqué de presse nº 93/32 : Comité pour le respect des droits de l'homme et la démocratie au Rwanda, en date du 10.08.1993.

Bijlage 9 b : Communiqué de presse nº 93/33 : Comité pour le respect des droits de l'homme et la démocratie au Rwanda, en date du 27.08.1993.

Bijlage 9 c : Communiqué de presse nº 93/35 : Comité pour le respect des droits de l'homme et la démocratie au Rwanda, en date du 09.12.1993.

Bijlage 9 d : Communiqué de presse nº 94/36 : Comité pour le respect des droits de l'homme et la démocratie au Rwanda, en date du 12.01.1994.

Bijlage 9 e : Communiqué de presse nº 94/37 : Comité pour le respect des droits de l'homme et la démocratie au Rwanda, en date du 14.01.1994.

Bijlage 9 f : Communiqué de presse nº 94/38 : Comité pour le respect des droits de l'homme et la démocratie au Rwanda, en date du 25.02.1994.

Bijlage 9 g : Communiqué de presse nº 94/39 : Comité pour le respect des droits de l'homme et la démocratie au Rwanda, en date du 25.02.1994.

Bijlage 9 h : Communiqué de presse nº 94/40 : Comité pour le respect des droits de l'homme et la démocratie au Rwanda en date du 5 et 7 mars 1994.

Bijlage 9 i : Déclaration du Comité sur les violences qui secouent le Rwanda depuis l'annonce de la mort des présidents Habyarimana du Rwanda et Ntaryamira du Burundi : Comité pour le respect des droits de l'homme et la démocratie au Rwanda, 10.04.1994.

Bijlage 9 j : Communiqué de presse nº 94/41 : Comité pour le respect des droits de l'homme et la démocratie au Rwanda en date du 16.04.1994.

Bijlage 9 k : Communiqué de presse nº 94/42 : Comité pour le respect des droits de l'homme et la démocratie au Rwanda en date du 24.04.1994.

Bijlage 9 l : Lettre du Comité pour le respect des droits de l'homme et la démocratie au Rwanda de M. Gasana Ndoba à M. Ibrahim Gambari, Ambassadeur du Nigéria auprès des Nations Unies ­ Demande de renforcement de la MINUAR au Rwanda, 02.05.1994.

Bijlage 9 m : Lettre de M. Iqbal Riza, Assistant Secretary-general for Peace-keeping Operations for the United Nations à M. Gasana, Coordinateur du CRDDR. (05.05.1994).

Bijlage 9 n : Massacres ­ Un complot bien orchestré, Le Vif l'Express, 15.05.1994.

Bijlage 10 : Deuxième et douloureux anniversaire du génocide et des massacres au Rwanda (7 avril à début juillet 1994) ainsi que de la perte de nombreux membres de notre famille. Invitation à la commémoration.

Bijlage 11 : Rwanda : M. Kuypers dénonce l'entourage du Président ­ La libre Belgique, 3-4/10/92.

Bijlage 12 : Rwanda : négocier le départ des Casques bleus belges ­ Le Soir, 16-17.04.1994.

Lessen « Winter Lodge » , 08 okt. tot 5 feb. 93.

Document van M. Ndindiliyimana, Témoignage écrit sur les événements du Rwanda, 21.04.1994.

Brief van de heer M. A.M. Kavaruganda, M. A.N. Gafaranga en M. M.F. Ngulinzira, betreft : témoignage des rescapées des événements tragiques du Rwanda d'avril 1994, 26.04.1997.

(3) Documenten bekomen door de parlementaire onderzoekscommissie-Rwanda

a) Documenten medegedeeld aan de leden

A. DOCUMENTEN VN-OVERHEDEN

Document van de Veiligheidsraad van de VN : Lettre de Boutros Boutros-Ghali au président du Conseil de Sécurité, 4.4.1994. Rapport préliminaire de la commission d'experts indépendants établie conformément à la résolution 935 (1994) du Conseil de sécurité.

Document van de Economische en Sociale Raad van de VN, 28.6.1994 : Rapport sur la situation des droits de l'homme au Rwanda, soumis par M. R. Degni-Ségui en date du 25 mai 1994.

Lijst met interviews die afgenomen werden met generaal Dallaire, 30.5.1997.

B. DOCUMENTEN BELGISCHE POLITIEKE OVERHEDEN

Notificaties en beslissingen van de ministerraad en van het kernkabinet :

1. notificatie ministerraad 7.4.1994;

2. beslissingen ministeriële vergadering 8.4.1994;

3. beslissingen van het kernkabinet van 10.4.1994, 11.4.1994, 12.4.1994, 13.4.1994, 14.4.1994 en 16.4.1994;

4. notificatie van de ministerraad van 15.4.1994;

5. documenten Buitenlandse Zaken.

Documenten van Buitenlandse Zaken overgemaakt ten gevolge van de vraag van de heer Voorzitter van de Senaat van 2 juni 1997 :

1. vergaderingen;

2. telexen, berichten en instructies;

3. documenten.

Document meegedeeld door minister Poncelet tijdens zijn hoorzitting van 25.6.1997.

Antwoorden van het kabinet Landsverdediging op de vragen van de commissie tijdens de hoorzitting van luitenant kolonel Briot :

1. Nota voor JSO-P betreffende Operatie SILVER BACK, 19.6.1997;

2. Vergadering OPSC ­ 15 maart 1994;

3. situatie ex-Joegoslavië van 15 maart 1994;

4. vergadering OPSC, 17 maart 1994;

5. situation en ex-Yougoslavie à la date du 17 mars 1994;

6. Unamir, KIBAT : Material KIBAT asked by Unamir for BYUBAT, 19.4.1994.

Documenten overgemaakt door de heer Delcroix :

1. Bezoek van de minister van Landsverdediging aan de Belgische militairen in Rwanda, 10-13 maart 1994;

2. UNAMIR ­ Force HQ, introductory brief, 11 maart 1994;

3. Briefings betreffende UNAMIR;

4. Reis minister Claes aan Rwanda, 28.2.1994;

5. dossier pour monsieur le ministre concernant les opérations en Afrique de la part du Chef de l'État-major général, 12.7.1994;

6. le problème ethnique au Rwanda et au Burundi, exposé par SGR SDRI B3, 10.1.1992;

7. Rwanda, service général du renseignement et de la sécurité, 15.4.1993;

8. Rwanda, evolutie van de toestand sinds november 92, 15.3.1993;

9. Rwanda, situation politique, service général du renseignement et de la sécurité, 7.10.1993.

Documenten overgemaakt door eerste minister Dehaene:

1. notificaties van de ministerraden, 8.10.1993;

2. nota betreffende het kernkabinet van 10.11.1993;

3. notificaties van de ministerraad van 19.11.1993.

Textes des déclarations de M. Claes, M. Dehaene, M. Delcroix, M. Charlier et de M. Marchal devant les caméras du Journal Télévisé de la RTBF.

C. DOCUMENTEN MILITAIRE OVERHEDEN

Brief van kolonel Marchal aan de leden van de commissie met betrekking tot het arrest van het militair gerechtshof van 4.7.1996 in zijner hoofde, dd. 11.4.1997.

Document rondgedeeld door majoor Maggen naar aanleiding van zijn getuigenis voor de commissie op 7.5.1997.

Documenten overhandigd door commandant Noens :

1. fax van luitenant-kolonel A. Leroy aan C Ops : maintien et rétablissement de l'ordre public (MROP) op datum van 1.3.1994;

2. fax van luitenant-kolonel A. Leroy aan C Ops : Drafts Ops instructions op datum van 1.3.1994;

3. Brief van GSM Hamidur Rahman Major for Sector Commander : Draft Ops instructions for review and comment op datum van 28.2.1994;

4. operational directive nº 9 van Generaal Dallaire, maart 1994;

5. operational directive nº 10 van Generaal Dallaire, februari 1994.

Brief van generaal-majoor Jacqmin, fax van 15de Wing luchttransport aan generale staf vanwege luitenant kolonel Malaise betreffende de installatie van een detectiesysteem op C130's, 14.5.1997.

Document overgemaakt door kolonel Leclercq :

1. Les opérations de maintien de la paix, la dimension politique, avril 1997;

2. Peacekeeping operations, an evolving concept, 4.12.1995.

Fax vanwege luitenant-kolonel Malaise, inlichtingen voor de Rwanda-commissie, 9.4.1997.

Bijlage : document van EMC C Ops aan KIBAT van april 1994 betreffende de C130's.

Brief van kapitein Theunissen t.a.v. de leden van de commissie ter voorbereiding van zijn hoorzitting van 6.6.1997, 18.5.1997.

Documenten bezorgd bij de hoorzitting van kapitein Theunissen le 6.6.1997 :

1. Brief over F. Twagiramungu, 1.4.1994.

2. Plan van het kamp Kigali.

Uittreksel « Éléments de réponse aux questions de JS », meegedeeld door luitenant-kolonel Briot tijdens zijn hoorzitting op 13.6.1997.

Document meegedeeld door kapitein Theunissen tijdens zijn hoorzitting van 6.6.1997 : Persoonlijke werkdocumenten van kapitein Theunissen.

Antwoorden van luitenant-kolonel E. Van Put betreffende de « code cables » van H.K. UNAMIR, 13.6.1997 :

1. UNMO-rapport i.v.m. het doden van de Belgische para's van 7.4.1994;

2. Nota van het ministerie van Buitenlandse Zaken en Ontwikkelingssamenwerking aan de SG, 11.4.1994;

3. Brief van de heer Booh-Booh aan de Chef d'État-major des Forces armées rwandaises, 14.4.1994;

4. Akkoord tussen RPF, RGF et UNAMIR, janvier 1994;

5. Draft letter UNAMIR from Force Commander, subject : disengagement, demobilization and integration of both armies and the gendarmerie ­ budget and personnel plan, february 1994, demobilization calender;

6. Note sur le financement de la mission du chef de la planification, février 1994, liste des nºs de téléphone.

Brief vanwege kolonel Balis t.a.v. de voorzitter van de commissie betreffende inlichtingen aangaande de gebeurtenissen in Rwanda, 12.6.1997.

Bijlagen :

1. préconditions à une éventuelle rencontre de discussion d'un cessez-le-feu (RPF), 15.4.1994;

2. aanvraag tot evacuatie van RPF-leden;

3. informatiebriefing 30.12.1993;

4. operatie-order UNO.

« Aide-Memoire », voor de zending UNTAES (juli 1996), voorwoord door kolonel SBH W. Heyvaert.

Documenten meegedeeld door kolonel SBH Marchal tijdens zijn hoorzitting voor de commissie op 10.6.1997 :

Journal de campagne : Récapitulatif des événements qui se sont déroulés à Kigali du 6 avril 1994 à 20 h 30 jusqu'au départ de la capitale rwandaise du dernier homme de KIBAT le 19 avril 1994.

D. ANDERE DOCUMENTEN

Discours de l'abbé André Sibomana du 10 décembre 1993 prononcé à l'occasion du 45ème anniversaire de la déclaration universelle des droits de l'homme.

Exemplaar van het tijdschrift Golias Magazine, zomer 1996, nr. 48-49.

Sommaire de « L'usage de la dette extérieure du Rwanda (1990.1994), La responsabilité des bailleurs de fonds ». Analyse et recommandations, M. Pierre Galand et M. Michel Chossudovsky, novembre 1996.

Perscommuniqué vanwege de heer Eugène Nahimana:

Sujet : comment un arrêt de la Cour de cassation peut transformer un innocent en coupable présumé

Qui a confondu Nahimana ET Nahimana? 7.5.1997.

Getuigenis van de heer Shyrambere : réflexions et témoignages sur les événements du Rwanda en date du 26.4.1997.

Chronique d'un génocide annoncé, een film van Mme Danièle Lacourse en M. Yvan Patry.

Documenten rondgedeeld door Mevrouw De Backer :

1. brief van de heer Willy Claes : Belgische initiatieven t.o.v. Rwanda, 4.5.1997;

2. brief van de heer Murayi Paulin, attaché de presse pour la MRND Belgique, adressée à MRND Kigali : visite du Ministre Delcroix au Rwanda, 9.3.1994.

Brief van de heer Gérin, complément de réflexions sur l'assassinat du président Habyarimana, 15.5.1997.

Documenten overgemaakt door Senator Hostekint in besloten vergadering van 16 mei 1997.

Onderwerp : chronologie gebeurtenissen Rwanda, april 1994.

Documenten overgemaakt door Senator Anciaux :

1. non aux massacres au Rwanda, communiqué de presse, 6.10.90, communauté rwandaise en Belgique

2. nouvelles étapes vers la démocratie, M. André Louis, 1.8.91

3. brief vanwege de h. Munyazesa aan de heren Delcroix en Saur i.v.m. MRND

4. résumé de la loi sur les partis, F. Nahimana, 10.6.91 ­ programmation de la nouvelle constitution, 12.6.91

5. lettre à André Louis de la part de la Nonciature Apostolique au Rwanda, 17.2.1992

6. lettre de M. G. Ruggiu, M. W. Nzasalirwa et M. P. Murayi, 30.3.1993

7. programme de visite de Mme De Backer au Rwanda du 9 au 15 mai 1992

8. correspondentie van de heer De Brouwer, raadgever CDI :

­ brief aan de heer Leo Delcroix, 14.6.1991

­ proposition de M. F. Munyazesa, 22.4.1991

­ brief aan eerste minister Martens, 28.1.1991

­ brief aan minister Eyskens, 28.1.1991

­ brief aan minister Nkundabagenzi, 5.3.1992

­ brief aan doktor P. Murayi, 12.1.1993

­ brief aan het kabinet van de eerste minister, Kigali, 19.1.1993

­ brief aan de h. Ngirumpatse, secrétaire général du MRND, 20.1.1993

­ nota aan de heer André Louis, 8.3.1993

­ brief aan de heer Thuysbaert, kabinetschef van minister Delcroix, 9.3.1994

­ brief aan de heer Van Hecke, 10.6.1994

­ rapport succinct concernant la rencontre de Bukavu sur le thème crucial du retour des réfugiés rwandais, 2.11.1994

­ brief aan de hoofdredacteur van Le Soir, 2.11.1994

­ brief aan de heer W. Martens, 14.3.1995

­ brief aan de heer W. Martens, 14.3.1995

9. Correspondentie van de heer André Louis, onder-voorzitter CDI.

­ brief aan de heer Gérard Deprez, voorzitter PSC, 28.11.1994

­ brief aan de heer Gérard Deprez, voorzitter PSC, 1.9.1994

­ Quel avenir pour quel Rwanda?, 21.11.1994

­ Rwanda, genèse d'un drame, le pire est-il pour demain?, 4.8.1994

­ brief aan de hh. Saur en Willems, 30.5.1994

­ Rwanda, la stratégie du FPR, note interne, 13.4.1993

­ Le CDI exige la reprise du processus de démocratisation au Rwanda, 14.2.1993

­ la situation au Rwanda, note interne, 28.1.1993

­ la démocratisation du Rwanda, 8.2.1992

­ brief aan de heer Nsabimana, vertegenwoordiger MDR, Benelux, 17.1.1992

­ brief aan de heer Gérard Deprez, 14.11.1994

10. brief aan de heer Ruperez, secretaris-generaal CDI vanwege de heer Léon Saur, 16.6.1995.

Documenten overgemaakt door Senator Caluwé :

1. krantenartikels : Golias condamné pour diffamation, Libération, 26.4.1997 en La Croix, 27.4.1997;

2. CMI voorzitter de heer Serge Desouter neemt het op voor de verloren eer van de missionarissen, 31.7.1996;

3. brief aan de heer Gouteux, onderzoeker Golias magazine vanwege de h. Desouter, eis tot recht van antwoord van 7.8.1995;

4. brief aan de heer Terras vanwege pater Theunis, eis tot recht van antwoord, 10.7.1995;

5. affirmations et erreurs manifestes de Golias, datum en auteur onbekend;

6. les pères Blancs et les Soeurs Blanches, Golias, juli-augustus 1995, J.P. Gouteux;

7. Heeft de kerk in Rwanda gezwegen? Serge Desouter, juni 1994;

8. note de travail, juillet 1994;

9. éléments d'une esquisse historique de la tragédie rwandaise, de heer Serge Desouter, september 1994;

10. CMI Voorzitter de heer Desouter : Rwandese leugens moeten ontmaskerd worden, juni 1995.

Documenten van Meester Luc De Temmerman :

1. brief t.a.v. de commissie betreffende het oproepen van getuigen, tegensprekelijkheid van het debat en juridische manipulatie, 27.5.1997;

2. brief aan Mme Arbour, procureur du tribunal pénal int. pour le Rwanda, betreffende Rutaganda. Procureur ICTR 96-3-7, 27.5.1997;

3. fax aan de voorzitter, briefwisseling en « déclaration à la presse » van de heer Barahinyura.

Brief van de heer Nsanzuwera aan de minister van Justitie van Rwanda, 20.5.1997.

Brief van de heer Philippe Claeys aan de voorzitter van de commissie van 16.5.97 met betrekking tot Eugène Nahimana.

Annexe : communiqué de presse, action en justice contre le Sénateur A. Destexhe.

Brief van de heer Ngulinzira, réaction au témoignage du capitaine Lemaire, 25.5.1997.

Document rondgedeeld tijdens de hoorzitting van mevrouw De Temmerman op 28.5.97 :

Verblijf in Rwanda 1991-1997.

Brief van de heer Rwabukumba Séraphin aan de voorzitter van de commissie, 22.5.97;

Brief van de heer Rwabukumba Séraphin aan de commissie van beroep voor de vreemdelingen « concernant le recours contre la décision du commissaire général de lui refuser la qualité de réfugié ».

Bijlage : document van EMG C Ops aan KIBAT van april 1994 betreffende C 130's.

Documenten meegedeeld door senator Destexhe tijdens zijn hoorzitting op 28.5.97:

1. interview du Père Greindl, novembre 1996;

2. Le chaudron de l'Afrique Centrale, ANB ­ BIAN 257, 25.4.1994.

Documenten meegedeeld door de heer Leon Saur aan de leden van de commissie n.a.v. zijn hoorzitting van 30.5.1997 :

1. Documents IDC;

2. Documents PSC;

3. Convertissons-nous pour vivre ensemble dans la paix, Diocèse de Kabgayi, Rwanda, 1.12.1991;

4. La guerre et la paix au Rwanda, M. Nsabimana Alexis, Décembre 1992;

5. Analyse de la situation politique au Rwanda à la lumière des Accords d'Arusha, M. Sperancie Mutwe, 14.1.1993;

6. Communauté des étudiants rwandais en Belgique, Rwanda : Violation des droits de l'homme. D'autres vérités, 23.2.1993;

7. Documents Front Patriotique Rwandais;

8. Documents Mouvement Démocratique Républicain, section Benelux.

Document meegedeeld door de heer M. Twagiramungu tijdens zijn hoorzitting van 30.5.1997;

Forces de résistance pour la démocratie FRD, plate-forme politique, mars 1996, document transmis par M. Twagiramungu.

Teksten overgemaakt door mevrouw Els De Temmerman tijdens haar hoorzitting van 28.5.1997.

Documenten meegedeeld door de heer André Louis tijdens zijn hoorzitting van 3.6.1997 :

1. Rwanda, la stratégie du FPR, 13.4.1993;

2. Rwanda, aggravation prévisible de la crise après les négociations d'Arusha, 17.7.1992.

Documenten meegedeeld door de heer Theunis tijdens zijn hoorzitting van 3.6.97 :

1. extraits des statuts de RTLM;

2. lettre à M. Christian Terras, 4.12.1994;

3. lettre à M. Christian Terras, 10.7.1995.

Document van de heer Saur : Rwanda, le soutien belge aux génocidaires et l'éclatement possible d'affaires Touvier en Belgique, en date du 16 mars 1997.

Tekst meegedeeld door de heer Godfriaux voor de commissie op 19.2.1997.

Brief van de heer Pierre Galand t.a.v. de voorzitter van de commissie d.d. 9 juni 1997 :

Bijlagen :

1. tableau de la configuration de la dette extérieure du Rwanda;

2. tableau des dépenses ordinaires de l'État en matière de Défense Nationale;

3. tableaux synthétiques 1991-1994 des importations définitives du Rwanda;

4. tableaux des importations d'armes blanches réalisées en 1993;

5. « Explications III », importation des armes, munitions et équipements militaires par le gouvernement rwandais 1990-1993;

6. prélèvements sur compte de la Banque nationale du Rwanda, période 7.4 - 28.10.1994;

7. lettre de M. Maystadt à M. Sandstrom de la Banque Mondiale;

8. lettres échangées entre le directeur de la Défense Nationale belge et l'ambassadeur du Rwanda en 1991;

9. communication du CLADHO de M. Nkubito;

10. budget.

Brief aan de voorzitter van de commissie, vanwege de heer Joseph Michel, deken van de nationale orde van advocaten : Déposition des avocats devant une commission d'enquête parlementaire, en date du 10.6.1997.

Documenten megedeeld door de heer Matata tijdens zijn getuigenis voor de commissie van 17.6.1997 :

1. exposé introductif de M. Matata;

2. rapport d'activités ARDHO 1993,1992, octobre 1990-décembre 1991;

3. les massacres planifiés de civils hutus dans la préfecture de la ville de Kigali (P.V.K.);

4. massacres de civils hutus en commune Mugina-Gitarama;

5. la paralysie du système judiciaire par l'armée;

6. colloque international tenu à Montréal du 4 au 5 avril 1997;

7. centre de lutte contre l'impunité et l'injustice au Rwanda :

­ Communiqué nº 13/97, 29/5/1997;

­ Les syndicats de delateurs, mai 1997;

­ L'Armée Patriotique Rwandaise est-elle en guerre contre la population civile? Volume I, mai 1997;

­ Que sont devenus les militaires des ex-forces Armées Rwandaises « Intégrés » dans l'Armée Patriotique Rwandaise ou récemment « rapatriés » des camps de réfugiés? Dossier nº 1, mai 1997;

­ Communiqués nº 1 du 8 mai 1996 au nº 12 du 25 mars 1997;

­ Notes pour information à nos partenaires, avril 1997;

­ Épuration ethnique de la magistrature Rwandaise, avril 1997.

8. ARDHO :

­ Rapport sur la situation des droits de l'Homme au Rwanda, Ier trimestre 1996;

­ Rapport sur la situation des droits de l'Homme au Rwanda, IIIe Trimestre 1996.

9. Communiqué final du deuxième congrès ordinaire de la LDGL (Mbaraba 19-20 décembre 1995).

Brief aan de voorzitter van de commissie vanwege de heer Gasana Ndoba, lid van het CRDDR betreffende documenten m.b.t. Eugène Nahimana d.d. 17.6.1997.

Document van M. Dismas Nsengiyaremye :

Rwanda, Mouvement démocratique républicain (MDR) :

Pour le respect des accords de paix d'Arusha et le succès du processus démocratique au Rwanda, 10.9.1993.

Documenten overgemaakt door M. Twagiramungu op 17.6.1997 :

1. la transition, l'accord de paix et le MDR, M. F. Twagiramungu, 23.9.1993;

2. position du parti MDR sur les grands problèmes actuels du Rwanda, adoptée par le bureau du MDR le 6.11.1994;

3. le FPR serait responsable du massacre d'au moins 500 000 Rwandais, hutu pour la plupart; Force de Résistance pour la Démocratie, mai 1996;

4. éléments relatifs à l'attentat contre l'avion présidentiel, note de 1995 à M. Twagiramungu.

Brief aan minister Delcroix vanwege Mme Monique Mujawamaliya, secretaris van de LDGL, m.b.t. de militaire samenwerking tussen België en Rwanda, 11.3.1994.

Documenten bezorgd door de heer Destexhe :

1. lettre de M. Léon Saur concernant demande d'aide du MNRD, 29.4.1991;

2. communiqué de presse, de la poudre aux yeux à la commission Rwanda, M. Eugène Nahimana, 18.6.1997;

3. overzicht reis minister Claes naar Rwanda, 28.2.1994;

4. fax van kolonel Marchal, références des Doc relatifs à la chronologie des événements, 18.6.1997;

5. outgoing code cable from Booh Booh to Kofi Annan, 8 april 1994;

6. Vlamingen laten Rwanda niet vallen, enquête Het Volk, 19.4.1994;

7. lettre de Jacques Collet au président de la commission, 8.6.1997;

8. réponse de la commission à la note remise par le conseil de M. E. Nahimana, 17.6.1997.

Transcriptions des interventions antenne période 6.4.1994-20.4 1994 : RTBF, journal parlé.

Synthesenota van de heer Destexhe m.b.t. een brief aan de heer Swinnen en aan minister Claes : liste de membres de l'état-major secret chargé de l'extermination des Tutsi, 27.3.1992.

Documenten van de heer Tallier :

1. Rwanda, informations générales d'office, 20.1.1994;

2. werkdocument Veiligheid van de Staat, Rwanda.

Documenten van de heer Scheers :

1. persoonlijke documenten van Meester Scheers;

2. lettre de M. Scheers au président Habyarimana en date du 22.12.1993.

Document meegedeeld door de heer Brouhns tijdens zijn hoorzitting van 25.6.1997 : Special Report of the Secretary-General on the United Nations Assistance Mission for Rwanda, 20.4.1994.

Brief aan de leden van de commissie vanwege de heer Philip Verwimp betreffende zijn doctoraatsvoorstel over de Rwandese genocide, 20.6.1997.

Vragen aan en antwoorden van generaal-majoor Schellemans, overgemaakt aan de leden van de commissie op 26.6.1997.

Verzoek tot horing vanwege de CRDDR, M. Gasane Ndoba, 26.6.1997.

Persconferentie, getuigenis en bijlagen van de heer Augustin Ndindiliyimana, 21.4.1997.

Uitleg van de heer Swinnen betreffende zijn verslag van 27 maart 1994 aan minister Claes, 23.6.1997.

« Mise au point » gericht aan de commissie Rwanda vanwege de heer Eugène Nahimana, 1.7.1997.

Brief tot de voorzitter van de commissie vanwege « Citoyens pour un Rwanda démocratique », 4.7.1997.

Documenten van de ambassade van België in Kigali :

1. document confidentiel de M. Swinnen au Ministre Claes, Rapport politique annuel 1993, 30.12.1993;

2. document vanwege de h. De Coninck aan minister Derycke, politiek jaarverslag 1994, 23.5.1995.

« Les Commissions parlementaires Belges, Que peut-on en attendre? », M. Spiridon Shyrambere, juillet 1997.

Documenten meegedeeld door senator Destexhe :

1. lettre de la part du « Groupe de reflexion Rwando-Belge », signé par M. Georges Ruggiu, M. Paulin Murayi et M. W.Nzabalirwa à M. Alain De Brouwer en date du 7 septembre 1993;

2. message de la part du « Groupe de reflexion Rwando-Belge », signé par M. Georges Ruggiu et M. Paulin Murayi en date du 10 janvier 1993;

3. lettre de M. Alain De Brouwer à M. Paulin Murayi, reponse du message du 10.1.1993, 12.1.1993.

Rapport d'ensemble enseignements tirés de la mission des Nations Unies pour l'assistance au Rwanda (MINUAR), octobre 1993-avril 1996. Groupe des enseignements tirés des missions. Département des opérations de maintien de la paix, décembre 1996.

Rapport Van Hecke. Militaire Studie Rwanda « Kritische Analyse van het verslag van de Ad-hoc groep Rwanda »

(4) Documenten ter inzage van de leden van de commissie

Twee fardes m.b.t. de heer Eugène Nahimana (vanwege het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatslozen).

Delen I, II en III van het onderzoek verricht door onderzoeksrechter Lemmens betreffende de door de firma Van Rompaey-Devaro verkochte radiouitzendinstallaties ten behoeve van RTLM.

Telex van onze ambassade te Nairobi betreffende een getuigenis over de betrokkenheid van generaal Dallaire en de Belgische blauwhelmen bij de moord op president Habyarimana.

Dossier Nahimana/RTLM-Houtmans overgemaakt door de Minister van Justitie op 12 augustus 1997.

Processen-verbaal van vergaderingen van de gemengde commissies België-Rwanda (periode 1990-1994).

Documenten overgemaakt door de Staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking :

­ Liste des ONG qui étaient présentes au Rwanda depuis 1990 à ce jour;

­ Liste des ordonnancements par année et par ONG des projets et actions ONG cofinancés au Rwanda jusqu'à ce jour;

­ 4 dossiers « Nord-Sud Coopération »;

­ gemengde commissie België-Rwanda augustus 1991 ­ voorbereidend dokument van de Afdeling Samenwerking (Ambassade van België te Kigali ­ Afdeling Samenwerking, 19/7/91);

­ « Commission Mixte de la Coopération au développement entre la Belgique et le Rwanda ­ Document de travail : Mémorandum de la Coopération au Développement entre la République Rwandaise et le Royaume de Belgique » (République rwandaise, ministère des Affaires Etrangères et de la Coopération au Développement, Kigali, août 1991)

­ « Commission Mixte belgo-rwandaise ­ Document de travail à l'usage de la délégation belge ­ interventions en cours et en préparation gérées par DG2(AGCD, D2, Bruxelles)

­ « Commission Mixte de la Coopération au Développement entre la Belgique et le Rwanda : Procès-verbal, Kigali, 26-30 août 1991 »

­ « Procès-verbal de la réunion d'évaluation à mi-parcours du programme de coopération au développement entre la Belgique et le Rwanda pour la période 1992-1993; Kigali 2-6.10.92 »

­ Procès-verbal de la réunion de concertation sur la coopération belgo-rwandaise; Kigali 29.06-07.07.93

­ Synthesenota betreffende de financiële samenwerking met Rwanda met bijlagen : Bijlage 1 tot 12 : akkoorden en uitwisselingen van brieven i.v.m. deze samenwerking; Bijlage 13 tot 19 : overzicht van de uitvoering van de financiële akkoorden met Rwanda, inclusief het gebruik van de rekeningen bij de Nationale Bank van België

­ Landennota november 1990, juni 1991 en februari 1994, beleidsnota augustus 1993, synthesenota april 1992.

1.3.1.10. Onderzoeksverrichtingen

(1) Wettelijk kader

Krachtens artikel 4 van de wet van 3 mei 1880 op het parlementair onderzoek kan de onderzoekscommissie, alsook de voorzitter indien hij daartoe gemachtigd wordt, alle in het Wetboek van Strafvordering omschreven onderzoeksmaatregelen nemen (15).

De onderzoekscommissie kan een verzoek richten tot de eerste voorzitter van het hof van beroep om één of meer raadsheren van het hof van beroep of één of meer rechters in de rechtbank van eerste aanleg aan te stellen voor het uitvoeren van specifieke onderzoeksverrichtingen(16).

Voor bepaalde onderzoeksmaatregelen is de onderzoekscommissie verplicht tot deze aanstelling van een magistraat(17).

De onderzoekscommissie heeft verder de bevoegdheid opdracht te geven aan de Vaste Comités P en I de nodige onderzoeken te doen, dit overeenkomstig de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten(18). Op deze bevoegdheid heeft de onderzoekscommissie geen beroep gedaan.

Wanneer inlichtingen moeten worden opgevraagd in criminele, correctionele, politie- of tuchtzaken, dient een verzoek te worden gericht tot het parket- of auditoraat-generaal(19).

Inzake bestuurszaken wordt voor het bekomen van inlichtingen het verzoek gericht aan de bevoegde minister of staatssecretaris(20).

(2) Door de onderzoekscommissie gestelde onderzoeksverrichtingen

Getuigenverhoren en confrontaties

a) Lijsten van getuigen en confrontaties

Zie 1.3.3.2. en 1.3.3.4.

b) Beginsel van oproeping bij gewone brief

De getuigen werden principieel, met toepassing van artikel 4 van het reglement van orde van de onderzoekscommissie, bij gewone brief ter hoorzitting opgeroepen.

Uitzondering diende echter te worden gemaakt voor de oproeping van de heer E. Nahimana.

Aangezien de heer E. Nahimana, bij spontane verklaring tijdens de hoorzitting van 14 mei 1997 met mevrouw De Backer, te kennen gaf niet te willen getuigen in aanwezigheid van commissielid Destexhe, diende dit als een weigering tot getuigen te worden uitgelegd.

De heer Nahimana werd bijgevolg opgeroepen bij dagvaarding door een gerechtsdeurwaarder, met toepassing van voormeld artikel van het reglement van orde. Daarbij werd toepassing gemaakt van het artikel 5 van de wet van 3 mei 1880 op het parlementair onderzoek, krachtens welke de termijn voor de dagvaarding ten minste twee dagen bedraagt.

Vragen om informatie

Met toepassing van artikel 4, § 6, van de wet van 3 mei 1880 op het parlementair onderzoek werden inlichtingen opgevraagd aan, in hoofdzaak, de eerste minister en de respectieve ministers van Landsverdediging, Buitenlandse Zaken en Binnenlandse Zaken, alsmede aan de staatssecretaris van Ontwikkelingssamenwerking.

De documenten die op deze wijze werden verkregen zijn mee opgenomen in de lijst van documenten onder punt 1.3.3.8.

Huiszoeking ­ Inbeslagneming van goederen

Tijdens het onderzoek van de commissie hebben geen huiszoekingen ­ in de zin van eenzijdig uitgevoerde onderzoeksmaatregel ­ plaatsgevonden.

In één enkel geval, waarbij een huiszoeking werd overwogen, werd aan de betrokkene, met name meester Scheers, advokaat aan de balie van Brussel, de mogelijkheid geboden zich akkoord te verklaren met een bezoek ten kantore door een lid van de commissie vergezeld van een door de eerste voorzitter van het hof van beroep van Brussel aangestelde onderzoeksrechter.

Aldus is een eenzijdig uitgevoerde huiszoeking niet noodzakelijk gebleken. Aan de eerste voorzitter van het hof van beroep te Brussel was wel voorafgaandelijk verzocht voorbereidende maatregelen te nemen opdat een eventuele beslissing tot een huiszoeking op de bewuste dag onmiddellijke uitvoering zou kunnen krijgen.

Het bezoek ten kantore Scheers werd uitgevoerd door ondervoorzitter Verhofstadt, in aanwezigheid van onderzoeksrechter Vlogaert.

De stafhouder, Mevrouw Boliau, heeft zich verzet tegen de inbeslagneming van de stukken die door de onderzoeksrechter waren meegenomen, gelet op het feit dat deze stukken gedekt waren door het beroepsgeheim. De stukken zijn door de onderzoeksrechter bewaard in afwachting van een oplossing van het incident.

Het laten aanstellen van een magistraat voor het verrichten van onderzoeksverrichtingen

(toepassing van artikel 4, § 2 van de wet van 1880 op het parlementair onderzoek)

a) RTLM ­ financiering

Met toepassing van paragraaf 4, tweede lid van de beslissing van de Senaat van 23 januari 1997 tot instelling van een bijzondere commissie-Rwanda(21), heeft de bijzondere commissie, nadat hiertoe een verzoek van één derde van de leden werd uitgebracht, bij unanimiteit beslist beroep te doen op de bevoegdheden die bepaald zijn in artikel 56 van de Grondwet en in de wet van 3 mei 1880 op het parlementair onderzoek.

Van die bevoegdheid werd inzonderheid gebruik gemaakt teneinde kennis te nemen van alle ingaande en uitgaande financiële bewegingen die hebben plaatsgevonden op een aantal gespecifieerde bankrekeningen.

De onderzoeksmaatregel strekte ertoe inzicht te krijgen van de mate waarin en de wijze waarop de Rwandese radiozender RTLM vanuit Belgische bankrekeningen zou zijn gefinancierd.

Het onderzoek werd uitgevoerd door onderzoeksrechter-raadsheer Vlogaert, aangesteld door de dienstdoende eerste voorzitter van het hof van beroep te Brussel, de heer Ph. Cerckel.

b) RTLM ­ aankoop studio's

Naar aanleiding van de hoorzitting met de heer Houtmans van 3 juni 1997 werd nagegaan of de studio's van RTLM zouden zijn aangekocht bij de firma Van Rompaey-Devaro te Putte.

De onderzoekscommissie heeft tot de aanstelling van een magistraat verzocht met het oog op het identificeren van de persoon die de betaling voor die bestelling van studio's heeft verricht, alsmede van alle gegevens met betrekking tot de wijze waarop de betaling werd uitgevoerd.

Het onderzoek werd uitgevoerd door raadsheer E. Lemmens, aangesteld door de eerste voorzitter van het hof van beroep te Antwerpen, de heer L. Janssens.

Het verslag van raadsheer Lemmens, die was aangesteld met toepassing van artikel 4, § 2 van de wet op het parlementair onderzoek met betrekking tot de aankoop van de studio's bij de firma Van Rompaey-Devaro te Putte (zie punt 2), vermeldde de namen van Mevrouw J. De Jongh, de heer B. Fred en de heer S. Musengimana.

Aan de eerste voorzitter van het hof van beroep te Antwerpen werd dan verzocht raadsheer Lemmens mevrouw De Jongh en de heer Fred te doen verhoren, alsmede na te gaan wie de heer Musengimana is en welke eventuele banden er zouden kunnen bestaan tussen hem en de radiozender RTLM.

Opvraging van inlichtingen in criminele, correctionele, politie- en tuchtzaken

(toepassing van artikel 4, § 5 van de wet van 1880 op het parlementair onderzoek)

a) Rapporten Nees en De Cuyper

De rapporten Nees betreffen de rapporten die luitenant Nees, toenmalig inlichtingsofficier van KIBAT I in de periode tussen november 1993 en maart 1994 geregeld aan zijn korpskommandant luitenant-kolonel Leroy overmaakte. De onderzoekscommissie was slechts in het bezit van een tiental van de 29 rapporten.

De rapporten De Cuyper zijn een vijftal rapporten die kapitein De Cuyper, inlichtingsofficier van KIBAT II in de periode maart-april 1994 werden overgemaakt aan diens korpsoverste, luitenant-kolonel Dewez.

De beide reeksen van documenten berustten bij onderzoeksrechter Vandermeersch in het kader van diens gerechtelijk onderzoek met betrekking tot een aantal dossiers die betrekking hebben op de gebeurtenissen in Rwanda van 1993 en 1994.

De documenten werden opgevraagd bij en ter beschikking gesteld door de procureur-generaal bij het hof van beroep te Brussel, de heer Van Oudenhove. De beslissing werd door de procureur-generaal genomen na advies van de procureur des Konings en de betrokken onderzoeksrechter.

b) Documenten Dienst Afrika van het ministerie van Justitie

In de getuigenis die onderzoeksrechter Vandermeersch op 6 mei 1997 aflegde voor de onderzoekscommissie, werd door hem melding gemaakt van de huiszoeking die hij had gedaan op de Dienst Afrika van het ministerie van Buitenlandse Zaken en van het beslag dat daarbij werd gelegd op een aantal documenten. Tijdens die huiszoeking hebben een aantal verhoren plaatsgevonden die door de onderzoeksrechter werden geleid.

De in beslag genomen stukken alsmede de processen-verbaal van verhoring werden opgevraagd bij en ter beschikking gesteld door de procureur-generaal bij het hof van beroep te Brussel, de heer Van Oudenhove.

c) Video-cassette Marchal

In het kader van het proces Marchal bevond zich gedurende enige tijd bij het auditoraat-generaal bij het militair gerechtshof een video-cassette met opnames die werden gemaakt door kolonel Marchal in april 1994.

Aangezien de bewuste cassette inmiddels was overgemaakt aan de griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, werd zij opgevraagd bij en ter beschikking gesteld door de procureur-generaal bij het hof van beroep te Brussel, de heer Van Oudenhove.

d) Inlichtingen met betrekking tot eventuele huiszoekingen in de zaak milieu-boxen ­ Hermes Communications

Aan de procureur-generaal bij het hof van beroep te Antwerpen, de heer Van Camp, werd verzocht aan de onderzoekscommissie mee te delen welke gerechtelijke dossiers de zaak milieu-boxen Hermes Communications betreffen, en inzonderheid of in de betrokken dossiers huiszoekingen hebben plaatsgevonden waarbij elementen aan het licht zijn gekomen die rechtstreeks of onrechtstreeks met Rwanda te maken hebben.

Bij schrijven van 20 oktober 1997 van procureur-generaal Dekkers werd de commissie ingelicht van het bestaan van twee parallelle strafonderzoeken. In beide dossiers werden reeds huiszoekingen uitgevoerd, die echter geen elementen aan het licht hebben gebracht die rechtstreeks of onrechtstreeks met de gebeurtenissen in Rwanda in verband zouden staan.

Overgezonden dossiers

a) Dossier Nahimana

Het dossier Nahimana werd aan de onderzoeksrechter Vandermeersch overgemaakt, omdat moest worden aangenomen dat het dossier elementen bevatte die voor de gerechtelijke onderzoeken van belang zouden kunnen zijn.

De heer Vandermeersch heeft de documenten ter beschikking gesteld van de procureur des Konings van Brussel met toepassing van artikel 10 van de wet van 3 mei 1880 op het parlementair onderzoek. Op grond van die stukken heeft de procureur des Konings een opsporingsonderzoek in de zaak Nahimana geopend teneinde na te gaan of geen misdrijven werden begaan in het kader van Conventies van Genève van 12 augustus 1949 en van de additionele Protocollen I en II van 8 juni 1977.

b) Dossier Maggen

Tijdens de hoorzitting van de onderzoekscommissie met majoor Maggen van 7 mei 1997 werden tegenstrijdigheden tussen een aantal verklaringen onder ede vastgesteld. Derhalve werd het dossier met toepassing van artikel 10 van de wet van 1880 op het parlementair onderzoek overgemaakt aan het auditoraat-generaal bij het Militair Gerechtshof, teneinde er gevolg aan te geven als naar recht.

Rogatoire commissies

a) Dossier Ruggiu

Onderzoeksrechter Vandermeersch heeft in een onderhoud met de onderzoekscommissie van 26 september 1997 zijn voornemen bekendgemaakt een rogatoire commissie naar het Internationaal Straftribunaal voor Rwanda te zenden met het oog op de ondervraging van meerdere aangehouden personen, waaronder de heer Ruggiu. De onderzoeksrechter heeft zich toen bereid verklaard vragen van de onderzoekscommissie mee in zijn verhoor op te nemen. Met het oog op de eerbiediging van de saisine werden deze vragen aan de procureur des Konings overgemaakt.

b) Dossier Dallaire

Nadat generaal Dallaire eind september 1997 publiekelijk had bekendgemaakt dat hij bereid was op de vragen van de onderzoekscommissie te antwoorden via dezelfde schriftelijke procedure als in het proces Marchal, werd aan de eerste voorzitter van het hof van beroep van Brussel tot de oprichting van een rogatoire commissie verzocht. Voor de uitvoering van de onderzoeksopdracht werd raadsheer Laffineur aangesteld op 30 oktober 1997.

Zie verder : Beperkingen die de commissie heeft ervaren; beperkingen ten gevolge van de weigering tot meewerking van de VN-instanties.

1.3.1.11. Reglement van orde

Tijdens haar eerste vergadering op 30 april 1997 nam de onderzoekscommissie-Rwanda haar reglement van inwendige orde aan.

(1) Vergaderingen van de onderzoekscommissie

De onderzoekscommissie komt in principe op woensdag en op vrijdag bijeen, van 10 uur tot 12.30 uur en van 14 uur tot 17.30 uur. Bijkomende vergaderingen kunnen worden georganiseerd indien dit nodig mocht blijken.

Zo nodig wordt vóór elke openbare vergadering, om 9.30 uur, een korte vergadering met gesloten deuren gehouden met het oog op de regeling van de werkzaamheden. Evenwel kunnen ook andere vergaderingen worden voorbehouden voor de regeling van de werkzaamheden.

(2) Openbaarheid

Overeenkomstig artikel 3, derde lid, van de wet van 3 mei 1880 op het parlementair onderzoek, zoals gewijzigd door de wet van 30 juni 1996, zijn de vergaderingen openbaar, tenzij de onderzoekscommissie anders beslist.

De beraadslagingen geschieden steeds in besloten vergadering.

Ieder lid van de Senaat heeft het recht de openbare vergaderingen bij te wonen, zonder evenwel zelf het woord te mogen nemen.

De medewerkers van de fracties mogen de vergaderingen bijwonen, tenzij de onderzoekscommissie anders beslist.

Slechts één medewerker per lid van de onderzoekscommissie mag de vergaderingen bijwonen en dat enkel indien vergezeld van het betrokken lid.

De fractievoorzitters delen bij het begin van de werkzaamheden de namen mee van de medewerkers die de vergaderingen zullen bijwonen.

De onderzoekscommissie kan op elk moment van deze regels afwijken.

(3) Geheimhoudingsplicht

Om de goede werking van de onderzoekscommissie te verzekeren, zijn alle aanwezigen tot geheimhouding verplicht met betrekking tot de informatie verkregen naar aanleiding van de vergaderingen die niet openbaar zijn.

Andere personen dan de senatoren die, in welke hoedanigheid ook, de niet-openbare commissievergaderingen bijwonen of eraan deelnemen, zijn gehouden vooraf onder ede te verklaren het geheime karakter van de werkzaamheden te zullen naleven.

(4) Getuigen en deskundigen

§ 1. De getuigen en deskundigen worden opgeroepen bij gewone brief.

Verschijnen de getuigen niet, dan worden zij door een gerechtsdeurwaarder gedagvaard. Weigeren zij na dagvaarding te verschijnen, dan wordt proces-verbaal opgemaakt, overeenkomstig artikel 10 van bovengenoemde wet. Dat proces-verbaal wordt overgezonden aan de procureur-generaal bij het hof van beroep, opdat gevolg wordt gegeven als naar recht.

§ 2. De getuigen, wanneer zij hierom worden verzocht leggen de eed af, dat zij de gehele waarheid en niets dan de waarheid zullen zeggen. De getuigen worden verwittigd dat ze het recht hebben te zwijgen als ze vrezen door verklaringen af te leggen zichzelf te beschuldigen.

§ 3. De getuige of deskundige wordt verzocht te bevestigen dat hij volhardt in zijn verklaringen.

§ 4. Het proces-verbaal van de getuigenissen wordt getekend, hetzij onmiddellijk, hetzij uiterlijk vijftien dagen na de beëindiging van het verhoor, door de voorzitter en de getuige, nadat deze daarvan voorlezing heeft gekregen en verklaard heeft te volharden bij zijn verklaringen. Indien de getuige weigert zijn getuigenis te tekenen, wordt daarvan melding gemaakt in het proces-verbaal.

(5) Verslag van de hoorzittingen

Van de hoorzittingen wordt een beknopt verslag (BV/CRA) en een stenografisch verslag opgesteld.

Elk lid van de Senaat ontvangt de volgende werkdag het beknopt verslag (BV/CRA) van de openbare hoorzittingen. Het stenografisch verslag, alsmede het beknopt verslag van de hoorzittingen of van delen van hoorzittingen die met gesloten deuren verlopen, worden alleen bezorgd aan de leden van de commissie. Wanneer de onderzoekscommissie hiertoe beslist, worden geen verslagen meegedeeld doch zullen die dan enkel op het secretariaat van de commissie door de commissieleden kunnen worden geraadpleegd.

Het proces-verbaal wordt op het secretariaat van de onderzoekscommissie bewaard, waar het ter inzage ligt van de commissieleden. Er worden geen afschriften afgegeven. De secretaris houdt een register bij van de personen die het proces verbaal komen raadplegen.

Elk lid van de onderzoekscommissie ontvangt een afschrift van de verslagen van de openbare hoorzittingen.

De werkzaamheden, met inbegrip van de verklaringen van de getuigen en de deskundigen, worden op band opgenomen. De banden worden onder de verantwoordelijkheid van de voorzitter en de secretaris van de onderzoekscommissie achter slot op het secretariaat bewaard. Alleen de leden van de onderzoekscommissie mogen de banden beluisteren. In geen geval mogen de banden worden gekopieerd. De secretaris houdt een register bij van de personen die de banden komen beluisteren.

(6) Werkwijze

De onderzoekscommissie stelt voor elke getuige of deskundige de lijst op van de vragen die in eerste instantie zullen worden gesteld. Deze vragen worden op voorhand aan de betrokkene meegedeeld. Zij worden tijdens de hoorzitting gesteld door de voorzitter of in voorkomend geval door een ander lid van het bureau.

Na het antwoord van de betrokkene kan elk lid verdere vragen stellen in een door de onderzoekscommissie vastgestelde volgorde en met inachtneming van de eventueel door de voorzitter bepaalde spreektijd.

Tijdens de hoorzittingen beperken de leden zich tot het stellen van vragen. Zij gaan geen discussie aan met de ondervraagde persoon noch met de andere commissieleden.

(7) Specialisten

De onderzoekscommissie kan voor haar werkzaamheden beroep doen op de bijstand van specialisten.

(8) Pers

Na elke vergadering beslist de onderzoekscommissie of er een mededeling wordt gedaan aan de pers. De voorzitter samen met de overige leden van het bureau staan eventueel de pers te woord.

(9) Eindverslag

Van de werkzaamheden, bevindingen en conclusies van de onderzoekscommissie wordt door de ondervoorzitters een ontwerpverslag opgesteld, dat ter bespreking en goedkeuring wordt voorgelegd aan de onderzoekscommissie.

1.3.1.12. Statistische gegevens

Aantal getuigen :95

Aantal hoorzittingen :

Bijzondere Commissie-Rwanda :57

Parlementaire onderzoekscommissie-
Rwanda :52

­­­­
109

Aantal uren hoorzittingen :

Bijzondere commissie-Rwanda :165 u.

Parlementaire onderzoekscommissie-
Rwanda :174 u.

­­­­
339 u.

Aantal uren werkvergaderingen :

Bijzondere commissie-Rwanda :50 u.

Parlementaire onderzoekscommissie
Rwanda:249 u.

­­­­
299 u.

Aantal uren bureau-vergaderingen :

Bijzondere commissie-Rwanda :14 u.

Parlementaire onderzoekscommissie-
Rwanda :38 u.

­­
52 u.

Aantal uren vergaderingen
ad-hocgroep-Rwanda :40 uren.

1.3.2. De beperkingen die de commissie heeft ervaren

(1) Beperkingen tengevolge van de absolute onschendbaarheid van de Koning

Een aantal leden van de onderzoekscommissie hebben geopperd dat ook de medewerkers van de Koning, dit zijn de leden van het burgerlijk kabinet of van het militair huis van de Koning, door de commissie zouden moeten worden gehoord.

Teneinde de ontvankelijkheid resp. onontvankelijkheid van dit voorstel te kunnen beoordelen, werd, aangezien dit vraagstuk een fundamenteel staatsrechtelijk beginsel aangaat, het advies ingewonnen van de professoren A. Alen (KUL) en J. C. Scholsem (ULg), alsmede van de dienst Juridische Zaken en Documentatie van de Senaat(22).

De verschillende adviezen waren convergent in die zin dat de bijzondere positie van de medewerkers van de Koning inhoudt dat deze niet door een parlementaire commissie ­ gewone commissie of onderzoekscommissie ­ kunnen worden ondervraagd met betrekking tot de uitoefening van hun specifieke ambt. Een dergelijke ondervraging zou neerkomen op een ondervraging van de Koning zelf. Daardoor zouden grondwettelijke beginselen worden geschonden zoals de scheiding der machten, de absolute onschendbaarheid van de Koning, de eenheid tussen de Koning en de regering, en het zogenaamde « colloque secret », met andere woorden het verbod om het aandeel van de Koning te kennen in de onder de verantwoordelijkheid van de ministers genomen beslissingen.

Op grond van voormelde adviezen werd beslist niet tot de ondervraging van enig lid van het burgerlijk kabinet of van het militair huis van de Koning over te gaan.

(2) Beperkingen tengevolge van de weigering tot meewerking van de VN-instanties

De commissie heeft steeds een cruciaal belang gehecht aan de beslissingen die, in het kader van de gebeurtenissen in Rwanda, door de VN-instanties werden genomen, alsmede de concrete context waarin die beslissingen zich hebben gesitueerd.

I. Derhalve bestond een algemene consensus dat de commissie, teneinde haar doelstellingen ten volle te kunnen realiseren, de getuigenissen diende te aanhoren van de heren Booh-Booh, toenmalig bijzonder vertegenwoordiger van de secretaris-generaal van de VN, I. Riza, toenmalig adjunct van de adjunct-secretaris-generaal (DPKO), en Annady, hoofd van de Africa desk.

Aan de heer Kofi Annan, secretaris-generaal en toenmalig adjunct-secretaris-generaal van de VN werd gevraagd toestemming te verlenen opdat alle betrokkenen voor de commissie zouden kunnen komen getuigen.

Bijkomende machtiging werd gevraagd aan de Canadese regering, gelet op de vaststelling dat de generaals Dallaire en Barril, die niet meer in VN-verband te situeren zijn, deel uitmaken van het Canadese leger.

De uitnodiging tot getuigen, daterend van maart 1997, legde de nadruk op het gegeven dat de bijzondere commissie ­ toendertijd ­ slechts een parlementaire commissie betrof, en derhalve geen onderzoeksorgaan bekleed met een of ander gerechtelijke of pseudo-gerechtelijke bevoegdheid.

Aan de Belgische regering, alsmede aan de Belgische ambassades in de VN en in Canada werd verzocht de nodige diplomatieke stappen te willen ondernemen om de betrokken VN-personaliteiten tot meewerking aan de werkzaamheden van de commissie te overtuigen.

In zijn antwoord verwees de secretaris-generaal vooreerst naar Section 18 van het Verdrag van 1946 met betrekking tot de privileges en immuniteiten van de VN, krachtens welke alle huidige zowel als vroegere stafleden van de VN zich kunnen beroepen op de immuniteit inzake gerechtelijke geschillen m.b.t. hun officiële dienstactiviteiten. Krachtens die bepaling kunnen zij niet gedwongen worden in rechte te getuigen zonder toelating van de secretaris-generaal.

Een verbod tot getuigen voor vroegere en huidige stafleden leidt de secretaris-generaal af uit VN Staff Regulation 1.5. :

« Aside from the question of immunity, pursuant to United Nations Staff Regulation 1.5. neither current nor former staff members may even voluntarily give information on their official activities and on the activities and performance of UNAMIR Operation without an authorization by the Secretary-General. The long standing policy of the United Nations with regard to invitations of United Nations officials to appear before national parliamentary committees or congressional bodies has been that formal testimony before such fora may only be provided upon a specific authorization of the Secretary-General, which is granted if in his opinion such authorization is in the interest of the Organization. »

In casu verleende de secretaris-generaal de vereiste toelating tot getuigen niet.

Het moet nochtans worden vastgesteld dat de doorslaggevende betekenis van een getuigenis van de betrokken VN-personaliteiten één van de zwaarwichtigste argumenten heeft gevormd om gedurende een zekere tijd niet tot de omvorming van de bijzondere commissie naar een onderzoekscommissie over te gaan.

Teneinde over een aantal bezwaren heen te kunnen stappen, heeft de onderzoekscommissie dan beslist beroep te doen op mevrouw Suhrke, die reeds als getuige voor de bijzondere commissie was verschenen en die eveneens reeds een bijzondere ervaring heeft mogen opdoen inzake het raadplegen van bronnen die zich situeren op het VN-niveau.

Aan mevrouw Suhrke werd gevraagd de rol van tussenpersoon te willen opnemen teneinde specifieke vragen, geformuleerd door de onderzoekscommissie, aan generaal Dallaire te willen stellen.

Dit verzoek werd oorspronkelijk door mevrouw Suhrke positief beantwoord.

Eind september heeft generaal Dallaire publiekelijk bekendgemaakt bereid te zijn te antwoorden op de vragen van de leden van de onderzoekscommissie. Hijzelf stelde de schriftelijke procedure voor, met tussenkomst van de Verenigde Naties, zoals toendertijd in het proces Marchal(23).

Naar aanleiding van deze verklaring heeft de onderzoekscommissie, met toepassing van artikel 4, § 2, van de wet van 3 mei 1880, de eerste voorzitter van het hof van beroep tot de oprichting van een rogatoire commissie verzocht, teneinde alzo de schriftelijke getuigenis van de generaal te bekomen.

Aangezien mevr. Suhrke eind oktober liet weten dat zij van haar bemiddelingsopdracht wenste ontheven te worden, werd alsnog op de Permanente Vertegenwoordiger van België bij de Verenigde Naties een beroep gedaan om via diplomatieke weg een lijst van schriftelijke vragen aan de VN te laten geworden.

Bij de vragen van generaal Dallaire werden ook vragen gevoegd voor gewezen secretaris-generaal de heer Boutros Boutros-Ghali en speciaal vertegenwoordiger van de secretaris-generaal de heer Booh-Booh.

II. Op het verzoek van de bijzondere commissie-Rwanda aan de minister van Landsverdediging om luitenant-kolonel Leclercq, toenmalig officier van de VN Sit Room, te mogen horen, werd door de minister verwezen naar het standpunt van de secretaris-generaal van de VN. Luitenant-kolonel Leclercq was immers, door detachering, in 1994 officieel in dienst van de VN.

Derhalve zou de regel van toepassing zijn dat noch VN-ambtenaren of gewezen VN-ambtenaren, noch militairen die bij de VN gedetacheerd zijn of ooit geweest zijn, voor een parlementaire commissie kunnen verschijnen zonder toestemming van de secretaris-generaal van de VN. De eventuele spontane bereidheid van de betrokkenheid om te getuigen, zou hieraan geen afbreuk doen.

Ook aangaande het verzoek tot verschijnen van majoor Delporte, toendertijd officier bij UNCIVPOL, werden door de minister van Landsverdediging de door de secretaris-generaal van de VN opgelegde beperkingen ingeroepen.

Inzonderheid werd verwezen naar de door majoor Delporte ondertekende verklaring om bij het eind van de dienst geen informatie te verstrekken die specifiek betrekking heeft op de dienstactiviteiten.

De commissie heeft niet nagelaten de minister van Landsverdediging erop te wijzen dat de ondervraging van de majoor er geenszins toe strekte strategische elementen of operationele plannen te bespreken, zodanig dat een eventuele getuigenis dan ook niet in strijd zou zijn met de door gewezen UNCIVPOL-officieren aangegane verbintenis tot het niet verspreiden van dienstinformatie. Bovendien zijn krachtens het akkoord van 5 november 1993 tussen de VN en de regering van Rwanda, met name art. 47 b, de militairen die deelnemen aan UNAMIR onderworpen aan de uitsluitende jurisdictie van de deelnemende staten voor strafrechtelijke inbreuken. A posteriori geldt het nationale jurisdictionele gezag ook voor het loutere oproepen als getuige van een gewezen lid van de UNAMIR.

In een later schrijven erkende de minister van Landsverdediging dat hijzelf zich als lid van de uitvoerende macht niet kan verzetten tegen een oproeping van een officier door een parlementaire onderzoekscommissie, ongeacht de bezwaren die van VN-wege mogen uitgaan.

Gelet op de door de secretaris-generaal van de VN opgelegde beperkingen werden de betrokkenen niet gehoord over hun bijzondere dienstactiviteiten ten tijde van de gebeurtenissen in Rwanda.

(3) Beperkingen ten gevolge van de verhouding tussen parlementair en gerechtelijk onderzoek

Ook de internationale, grondwettelijke en wettelijke voorschriften die de verhouding tussen het parlementaire onderzoek enerzijds en het gerechtelijke onderzoek anderzijds rechtstreeks of onrechtstreeks bepalen, hebben een aanzienlijke beknotting van het onderzoek van de commissie-Rwanda ingehouden. Inzonderheid wordt gedoeld op artikel 6, tweede lid E.V.R.M., artikel 14.3.g., I.V.B.P.R., de grondwettelijke bepalingen die de verhouding tussen de verschillende machten betreffen, alsmede de artikelen 2, 8 en 9 van de wet van 3 mei 1880 op het gerechtelijk onderzoek, zoals gewijzigd door de wet van 30 juni 1996. De problematiek dient te worden opgesplitst in twee luiken.

Vooreerst dienden de grondwettelijke beginselen van machtenscheiding alsmede het concretiserende artikel 2 van de wet van 1880 in acht te worden genomen. Overeenkomstig de laatste bepaling treden de door de Kamers ingestelde onderzoeken niet in de plaats van de onderzoeken van de rechterlijke macht; « ze kunnen daarmee samenlopen maar mogen het verloop ervan niet hinderen ». Met toepassing van deze laatste bepaling werd, waar twijfel bestond, contact opgenomen met onderzoeksrechter Vandermeersch, die een tiental onderzoeken leidt die betrekking hebben op de gebeurtenissen in Rwanda. Bovendien werd ook een hoorzitting met onderzoeksrechter Vandermeersch gehouden met als specifiek doel de lopende gerechtelijke dossiers te bespreken. Tenslotte heeft de onderzoekscommissie, nog steeds teneinde de lopende gerechtelijke onderzoeken niet te hinderen, op verzoek van onderzoeksrechter Vandermeersch een welbepaald dossier, dat betrekking had op het lot van de civielrechtelijke slachtoffers, niet ten gronde behandeld.

Een andere beperking van het onderzoek bestond in de plicht van de commissie Rwanda te voorkomen dat ongepaste procedurele stappen de normale gang van de strafvordering zouden verstoren. Inzonderheid diende te worden vermeden dat een getuige zich rechtstreeks of onrechtstreeks verplicht zou zien verklaringen af te leggen die een zelf-incriminatie zouden inhouden, en waardoor zijn fundamenteel recht op een eerlijk proces in het gedrang zou komen.

Algemeen wordt aangenomen dat, voor wat de Belgische strafvordering aangaat, dergelijk incident principieel uitgesloten is door de invoering in de wet van 1880 van de bepaling die voorziet dat, onverminderd het inroepen van het beroepsgeheim bedoeld in artikel 458 van het Strafwetboek, iedere getuige kan aanvoeren dat hij, door naar waarheid een verklaring af te leggen, zich zou kunnen blootstellen aan strafvervolging en derhalve getuigenis kan weigeren. Bovendien werd bij elke hoorzitting door de voorzitter van de vergadering, na de eedaflegging door de getuige doch vóór diens getuigenverklaring, deze er op gewezen dat hij geen verklaringen diende af te leggen wanneer hij zich hierdoor zelf zou beschuldigen.

Anderzijds werden door de commissie de volgende elementen in overweging genomen die tot de nodige voorzichtigheid hebben gedwongen.

Ten eerste wordt voor de getuige enkel geacht een zwijgrecht te bestaan voor de specifieke vragen die een zelf-incriminatie zouden kunnen impliceren. Ten aanzien van alle andere vragen blijft de weigering van getuigenis strafrechtelijk sanctioneerbaar krachtens het artikel 9 van de wet van 1880 (24). De getuige is aldus verplicht op het moment zelf van het stellen van de vraag onmiddellijk te kunnen oordelen en afwegen of de vraag al dan niet tot zelf-incriminatie kan leiden. Een verkeerde inschatting kan tot veroordeling aanleiding geven.

Ten tweede wordt aangenomen dat de getuige uit zijn zwijgrecht niet vermag het recht af te leiden tot het afleggen van leugenachtige verklaringen. Derhalve dient de getuige steeds expliciet zijn zwijgrecht in te roepen waar zelf-incriminatie mogelijk is, ook wanneer de gestelde vraag zo specifiek is dat het inroepen van het zwijgrecht op zich aanwijzingen van zelf-incriminatie zou kunnen inhouden.

Ten derde dient de onderzoekscommissie de processen-verbaal waarin wordt vastgesteld dat er aanwijzingen of vermoedens zijn van strafbare feiten ­ dus zo ook voor het afleggen van een valse getuigenis ­, te zenden aan de procureur-generaal bij het hof van beroep opdat daaraan gevolg wordt gegeven als naar recht, dit met toepassing van artikel 10 van de wet van 6 mei 1880 op het parlementair onderzoek.

Ten vierde is er de supranationale controle van het Europese Hof van de Rechten van de Mens dat in ultieme instantie mogelijks toch nog kan beslissen dat, niettegenstaande de nieuwe tekst van de wet van 1880, en gelet op de specifieke elementen van een specifiek geval, de getuige toch gedwongen is geworden aanwijzingen te leveren omtrent gegevens die een zelf-incriminatie hebben ingehouden.

De problematiek stelde zich in casu dan nog des te scherper aangezien parallel met het onderhavige parlementaire onderzoek niet alleen binnenlandse gerechtelijke onderzoeken lopende zijn (of nog kunnen opgestart worden), doch ook het gerechtelijk onderzoek moet worden in acht genomen dat lopende is voor het VN-tribunaal te Arusha. Zelfs de meest rigoureuze naleving van de normen inzake de bescherming van de rechten van verdediging zoals die gelden krachtens de Belgische grondwet alsmede krachtens het Europese Verdrag van de Rechten van de Mens, kan niet garanderen dat geen strengere norm terzake door het genoemde internationale tribunaal zal worden gehanteerd.

Bij wijze van vrijwillige zelfbeperking heeft de onderzoekscommissie het derhalve noodzakelijk geacht bepaalde getuigen, ofwel niet op te roepen, ofwel niet de eed te laten afleggen.

(4) Beperkingen tengevolge van de weigering van buitenlandse inlichtingendiensten om inlichtingen te verschaffen

De commissie-Rwanda werd geconfronteerd met de vaststelling dat geen inlichtingen konden worden bekomen van de buitenlandse inlichtingendiensten, inzonderheid de Franse en de Amerikaanse. Gelet op de betrokkenheid van deze mogendheden in de onderzochte gebeurtenissen in Rwanda, spreekt het voor zich dat de commissie hierdoor geen zicht heeft kunnen krijgen op bepaalde, nochtans wezenlijke informatie.

Bovendien werden de documenten die aan de commissie door de Belgische militaire instanties werden ter beschikking gesteld met hetzelfde oogmerk geselecteerd, zodanig dat geen gegevens die aan de voormelde inlichtingendiensten werden ontleend, in die documenten zouden voorkomen.


HOOFDSTUK 2

INTRODUCTIE

INLEIDENDE OPMERKING

Deze inleiding strekt er alleen toe de lezer die met het onderwerp niet vertrouwd is enige historische, geografische, sociale, demografische en economische informatie te verschaffen over de algemene context waarin de gebeurtenissen waarvan de commissie kennis moet nemen, zich hebben afgespeeld. Die informatie is natuurlijk niet volledig. De analyses van de Rwandese geschiedenis en de interpretaties ervan zijn controversieel. De commissie heeft gemeend in deze inleiding ruime uittreksels te moeten opnemen uit het rapport « Joint evaluation of emergency assistance to Rwanda; study 1. Historical perspective » (blz. 14-49) en uit het boek van professor Prunier « The Rwanda Crisis-History of a genocide » (blz. 74 tot 90).

A. GEOGRAFISCHE, ECONOMISCHE, SOCIALE EN HISTORISCHE SCHETS

2.1. FYSISCHE AARDRIJKSKUNDE EN ANTROPOGEOGRAFIE

Rwanda bevindt zich in het gebied van de Afrikaanse grote meren tussen Midden-Afrika en Oost-Afrika, onder de evenaar. Het strekt zich uit tussen 1º 20' en 3º 50' zuiderbreedte en tussen 28º 50' en 30º 55' oosterlengte. Het is een klein land van 26 338 km2 , d.w.z. iets kleiner dan België. Het wordt gedomineerd door bergen en continentale hoogvlakten. Het centrale gedeelte, dat het dichtst bevolkt is, bevindt zich op 1 500 tot 2 000 meter boven de zeespiegel. De grond die de steile berghellingen bedekt, is arm en heeft een fijne en broze structuur. Tussen de heuvels liggen diepe, vaak moerassige valleien. In het noorden van het land ligt een bergketen van vulkanische oorsprong; de gemiddelde hoogte is er 2 500 meter.

Het klimaat is tropisch doch gematigd ten gevolge van de hoogteligging. De gemiddelde temperatuur in de hoofdstad Kigali bedraagt 19º C en er valt gemiddeld 1 000 mm regen per jaar. Die omstandigheden zijn gunstig voor de landbouw en op de plaatsen waar de kwaliteit van de bodem het mogelijk maakt, kan verschillende keren per jaar geoogst worden.

Het is een ingesloten land zonder uitweg naar de zee. Meer dan 2 000 kilometer scheiden het van de Atlantische Oceaan in het oosten en meer dan 1 500 kilometer van de Indische Oceaan in het westen.

Bij volkstellingen in 1991 en 1994 telde Rwanda 7,15 respectievelijk 7,6 miljoen inwoners. De bevolkingsdichtheid bedroeg dus 271 respectievelijk 292 inwoners per km2 . Dat is de hoogste bevolkingsdichtheid van het Afrikaanse continent. Wanneer we dit absolute cijfer relateren aan de oppervlakte die voor bewerking in aanmerking komt (17 600 km2 ), verkrijgt men een reële dichtheid van 406 mensen per km2 . In een land waarin 95 % van de bevolking rechtstreeks leeft van de landbouw is die hoge bevolkingsdichtheid een essentieel gegeven, zoals later zal blijken. Voor sommige auteurs heeft die « grondkwestie » een belangrijke rol gespeeld in de gebeurtenissen van 1994; men zou het gevoel gekregen hebben « that there were too many people on too little land, and that with a few less there would be more for survivors » (25).

Voor de gebeurtenissen van 1994 bestond de bevolking naar schatting uit 85 tot 90 % Hutu's, uit 8 tot 14 % Tutsi's en 0,4 tot 1 % Twa's (26).

De officiële talen zijn het Frans en het Kinyarwanda. Het Swahili wordt ook gebruikt en sommige bevolkingsgroepen die uit Tanzania en Oeganda zijn teruggekeerd, spreken Engels.

2.2. ECONOMIE

2.2.1. Inleiding

De economische ontwikkeling van Rwanda hangt nauw samen met die van de belangrijkste sector, de landbouw, die zorgt voor de tewerkstelling en de bestaansmiddelen van 95 % van de bevolking. De landbouw draagt rechtstreeks bij tot ongeveer een derde van het bruto binnenlands product. Koffie vertegenwoordigt bijna 75 % van de ontvangsten uit export, aangevuld met 10 % uit thee en 8 % uit andere producten van de primaire sector. Rwanda kent dus monoproductie en is afhankelijk van de prijsschommelingen van de koffie op de internationale markt.

Zijn economie is weinig gediversifieerd. De productie van de secundaire sector wordt gedomineerd door het ambachtelijk brouwen van bier, dat een verwerkt landbouwproduct is. Het aantal feitelijke bedrijven blijft beperkt tot een klein honderdtal, gericht op de binnenlandse markt. Het relatief aandeel van de tertiaire sector van de diensten is toegenomen in het geheel van de binnenlandse productie van het land, met name dankzij een toenemende handelsbedrijvigheid (27).

2.2.2. Periode 1980-1989

In de jaren 80 werd een begin gemaakt met structurele wijzigingen in de landbouwsector. Tot in 1983 nam de landbouwproductie parallel met de bevolking toe, in geringe mate door intensivering van de productie maar vooral dank zij de toename van de in cultuur gebrachte gronden tengevolge van de afbouw van het ubuhake-systeem, een verworvenheid van de sociale revolutie. In de jaren 84-85 begon het rendement te dalen (28). Het landbouwmodel bereikt dan zijn grenzen. In 1989 wordt het zuiden door hongersnood getroffen waardoor nogmaals tot uiting komt hoe begrensd het systeem van grondexploitatie is. Het land dat op het gebied van voeding nauwelijks selfsupporting is, lijdt nieuwe verliezen in de landbouwproductie wanneer de oorlog, die door het RPF ontketend werd, vanaf oktober 1990 grote « volksverhuizingen » op gang brengt, vooral van landbouwers uit het noorden. Zo worden in oktober 1990 minstens 300.000 personen verdreven en vanaf februari 1993 nog eens 1 miljoen (29).

De toestand van de handelsbalans, die deficitair is sinds het begin van de jaren 80, verslechtert nog vanaf 1985 wanneer de prijs op de wereldmarkt van tin instort en het deficit neemt nog toe wanneer ook de prijzen van thee en koffie dalen met 35 en 40 % tussen 1985 en het einde van jaren 80 (30). Het bedrag van de export neemt geregeld af vanaf 1986 en bereikt in 1991 de helft van het niveau van 1986; die daling gaat nog voort tot in 1994. De invoer stijgt snel in 1987 en 1988, daalt vervolgens en kent opnieuw een sterke stijging vanaf 1991. Tussen 1991 en 1994 neemt de invoer toe met 61 %.

De balans van de rekeningen-courant wordt eveneens deficitair vanaf het begin van de jaren 80 en het deficit neemt nog toe tussen 1987 en 1990. In 1991 is de betalingsbalans slechts positief dank zij de stijging van de transfers.

Het BBP groeit regelmatig aan maar schijnt vanaf 1989 een plafondhoogte te bereiken. In feite vermindert de reële groei, die heel wat lager is dan de gemiddelde groei van 3,1 % die door de demografen wordt geraamd, tijdens de hele duur van de jaren 80 en ze wordt praktisch nul vanaf de droogte van 1989.

Tijdens de jaren 80 zijn de inkomsten per hoofd met 2,3 % per jaar gedaald (31). In 1989 vertegenwoordigde het niveau van de inkomsten uit de landbouw per hoofd van de beroepsbevolking slechts 70 % meer van het niveau in 1980 (32). De verhouding van de bevolking die onder de armoedegrens leeft, liep van 40 % in 1985 op tot 53 % in 1992.

Gemeten naar stijging van het BNP per hoofd van de bevolking deed Rwanda het behoorlijk goed, vooral als we rekening houden met de inherente handicaps (niet aan zee grenzend, demografische druk, gebrek aan grondstoffen), en zeker in vergelijking met de buurlanden (33). Vergeleken met de buurlanden (Burundi, Zaïre, Uganda en Tanzania) bekleedde Rwanda, wat het BNP per inwoner betreft, de laatste plaats in 1976 en de eerste plaats in 1990. Ook op andere terreinen was de vooruitgang opmerkelijk, zo bij voorbeeld op het vlak van de infrastructuur, met een wegennet dat als een van de beste van Afrika beschouwd kan worden, een betrouwbaar post- en telecommunicatiesysteem, adequate watervoorziening, uitbreiding van het elektriciteitsnet, enz.

In de jaren 80 werd Rwanda door de Wereldbank beschouwd als een succesrijke Afrikaanse economie, met een matige buitenlandse schuld in vergelijking met de meeste andere landen op het continent. Dat was tenminste zo tot de tweede helft van dat decennium (in 1987 bedroeg de buitenlandse schuld van Rwanda 28 % van het BNP, zijnde één van de laagste niveaus in Afrika). De economie vertoonde een evenwicht en de munt was behoorlijk stabiel, in die zin dat de Rwandese munt een harde valuta in de regio vormde (34).

2.2.3. Periode 1990-1994

2.2.3.1. De installatie van het programma voor structurele aanpassing (PAS)

In een poging tot economisch herstel en om sommige herstructureringen te stimuleren aanvaardt Rwanda in 1990 een plan voor structurele aanpassing van de Wereldbank en van het IMF. Dat plan beoogt de economie te stabiliseren en haar concurrentiekracht te verhogen ten opzichte van het buitenland. Om die doelstellingen te realiseren voorziet het PAS in een devaluatie van de Rwandese frank die tot dan toe overgewaardeerd was, schaft het de exportbelasting af met uitzondering van de belasting op koffie die de Rwandese regering tot in 1992 handhaaft en legt het ten slotte invoerquota op.

Er komen twee opeenvolgende devaluaties van de frank (40 % in november 1990 en 15 % in juni 1992) om de binnenlandse productie voor de uitvoer te stimuleren en om de import af te remmen en de lokale productie te stimuleren van vervangingsproducten voor de invoer.

In strijd met wat verwacht werd speelt de devaluatie geen stimulerende rol voor de productiesector en voert ze niet tot de verwachte stijging van de koffieprijs voor de producent; de maatregelen die werden genomen worden te niet gedaan door de ineenstorting van de koffieprijs.

In 1992 is de prijs van de koffie op zijn laagst : hij is gezakt tot ongeveer 50 % van 1987 (35).

Het PAS legt quota op om de import af te remmen die, in plaats van te dalen, nog verhoogt na het uitbreken van de oorlog in oktober 1990. Het buitenlandse deficit wordt groter.

De buitenlandse schuld stijgt van 158 miljoen dollar in 1980 tot 1 miljard dollar in 1996.

Op het interne vlak neemt het deficit van de Rijksbegroting toe, dat tot in 1986 in toom was gehouden. Van 21,4 miljard Rwandese frank in 1990, verdubbelt het op drie jaar tijd en bereikt het 41,3 miljard in 1993 (36). Het deficit is tegelijk een gevolg van de vermindering van de fiscale ontvangsten en van een forse stijging van de uitgaven. Wanneer de koffieprijs ineenstort dalen de ontvangsten uit de exportbelasting. De uitgaven nemen een hoge vlucht : Rwanda breidt zijn leger uit dat tot dan toe beperkt was.

De internationale gemeenschap financiert het budgettair deficit. Sommige lopende uitgaven of kapitaaluitgaven worden gefinancierd in de vorm van leningen veeleer dan in de vorm van giften. De buitenlandse schuld ten aanzien van de belangrijkste kredietverleners (Wereldbank en IMF) neemt toe vanaf 1986 (37).

Het aandeel van de productie-investeringen daalt van 23 % van het BBP in 1980 tot 12 % in 1990 (38). De investeringen worden gemiddeld slechts voor een derde gefinancierd (39) door de binnenlandse spaarreserves, terwijl de rest door buitenlandse hulp wordt gefinancierd.

Het inflatiecijfer bereikt bijna 20 % in 1991 en zakt tot rond 10 % in 1992 en 1993, terwijl het gemiddelde tijdens de jaren 80 en tot in 1990 relatief laag gebleven is (4,7 % per jaar). De devaluaties hebben positieve gevolgen gehad voor de productie van importvervangende producten zoals rijst (40). Maar die gevolgen blijven plaatselijk en beperkt.

Het PAS dat Rwanda werd opgelegd en dat niet zonder gevolgen is gebleven op sociaal niveau, mislukt in het bijzonder door de opeenvolgende struikelblokken die de internationale conjunctuur en de sterk toenemende uitgaven voor bewapening vormen.

Volgens Maton is het proces van vrijmaking van de Rwandese economie veel te vlug tot stand gekomen en heeft de regering de instrumenten niet kunnen onder controle houden om de landbouwers te beschermen en de sociale gevolgen te vermijden van de opeenvolgende brutale devaluaties en van de stijging van de consumptieprijzen (41).

2.2.3.2. Groeiende armoede, toenemende ongelijkheid en geweld

Rwanda is in zijn geheel armer geworden. Alle inkomens dalen maar de economische crisis laat zich sterker voelen op de inkomens van de landbouwsector dan die van de andere sectoren. De voedingstekorten zijn van jaar tot jaar toegenomen en een Malthusiaanse aanpassing was sinds vele jaren aangekondigd (42). Er heerste een eerste hongersnood in 1989 en een tweede dreigde tijdens het eerste trimester van 1994 (43).

Die hongersnood is een afspiegeling van de grenzen van het model voor het beheer en de exploitatie van gronden, maar kan het tekort aan grond aanleiding geven tot geweld ?

De heer Degni-Segui zag nog drie andere oorzaken voor het geweld :

­ het afwijzen van een alternerend beleid en de machtsdeling door de toenmalige regering;

­ de aansporing tot etnische haat;

­ de straffeloosheid (44).

Volgens Maton veroorzaakt het toenemend tekort aan grond geweld vanaf een zekere drempel (45). Deze drempel is overschreden ondanks het feit dat de landbouwkringen zich hebben aangepast aan de context van de grote demografische druk, zowel door technische vernieuwingen in te voeren die in staat stellen de grenzen van het landbouwsysteem te verleggen als door alternatieve bronnen daarbuiten aan te boren (46).

Volgens andere economen en demografen is het tekort aan grond als zodanig niet de enige factor van geweld maar in de context van de voortdurende druk op de grond en de toenemende verarming kan ook de ongelijke verdeling van de zeldzame economische middelen een bron en een oorzaak zijn van groeiende sociale spanning (47). De boerenstand wordt armer ten gunste van een stedelijke klasse van ambtenaren en handelaren, die het rijkere tiende van de bevolking uitmaken. Tussen stad en platteland nemen de contacten af (48). Ook in de plattelandsgebieden ontstaat er een rijkere klasse die inkomsten van buiten de landbouw geniet. Die toenemende ongelijkheid geeft aanleiding tot sociale spanningen. Het toenemende tekort aan gronden en de ontwikkelingen in de grondmarkt brengen mee dat sommige categorieën van de bevolking gemarginaliseerd worden en van het gebruik van gronden worden uitgesloten (49). Zonder de ontwikkeling van sectoren die het overschot aan arbeidskrachten in de landbouw kunnen opvangen, bestaat de kans dat de spanningen in de landbouwsector blijven voortduren.

Waarnemers zijn het er dus over eens dat het probleem van de gronden een essentiële rol speelt in Rwanda. Men heeft gepoogd de druk op de grond te verminderen door de bevolkingsaangroei te vertragen. Het was echter niet eenvoudig om maatregelen voor geboortebeperking ingang te doen vinden in dit land. Het Joint evaluation Report zegt hierover : « the strong influence of the catholic church against population control measures, as well as the traditional position of women, are important explanatory factors for the high population growth » (50). Het verzet van de Rwandese katholieke kerk tegen deze maatregelen werd nog sterker tijdens de reis van Paus Johannes Paulus II in 1990, die het gebruik van moderne anticonceptiemiddelen meermaals heeft veroordeeld.

Het verzet van de kerk heeft wel degelijk weerklank. De katholieke kerk heeft een belangrijke rol gespeeld in de geschiedenis van Rwanda, en haar invloed was lange tijd doorslaggevend. Zij speelde eerst een pioniersrol bij de kolonisering, en werkte nauw samen met de Duitse en later met de Belgische autoriteiten. Na de onafhankelijkheid bleef haar politieke invloed, dankzij een opmerkelijke verwevenheid tussen kerk en staat, in veel opzichten van beslissend belang. De invloed van de kerk was niet alleen zuiver institutioneel van aard, maar berustte eveneens op het feit dat de politieke elite was opgeleid in katholieke scholen en seminaries. Een flagrant voorbeeld van de manier waarop kerk en staat in Rwanda met elkaar verweven waren, is de opkomst in het midden van de jaren zeventig van de aartsbisschop van Kigali, « officiële » biechtvader van de vrouw van President Habyarimana, nauw betrokken bij het AKAZU in het centrale comité van het MRDN (51). Pas in 1990 nam hij ontslag onder druk van de Romeinse hiërarchie. (52) In 1990 nam bovendien een deel van de kerk afstand van de politiek op initiatief van de lagere clerus, die in een gepubliceerd document kritiek leverde op het politieke systeem en op de kerk die al te zeer onderworpen was aan de politieke overheid. (53). Bovendien was de pauselijke nuntius één van de drijvende krachten achter de democratisering. De top van de anglicaanse en de katholieke kerk bleef evenwel gedurende de hele periode nauw verbonden met de president en zijn regering (54).

2.2.3.3. Een oorlogseconomie vanaf 1990

Gezien de armoede van het land hebben de experten de Rwandezen steeds aangeraden om de militaire uitgaven tot een strikt minimum te beperken, wat het regime ook gedaan heeft (55). Tot in 1989 was het percentage van de militaire uitgaven van Rwanda een van de laagste van het Afrikaanse continent. In het begin van de oorlog in oktober 1990, beschikte Rwanda over een troepenmacht van niet meer dan vier- tot achtduizend man (56).

In 1994 steeg de troepensterkte tot 30 à 40 000 man (de precieze cijfers zijn niet bekend).

Het belang van die oorlogsinspanning is te merken op de begroting.

De begroting van het ministerie van de Defensie stijgt van 3 155 miljoen Rwandese frank in 1990 tot 8 885 miljoen in 1992, wat een verhoging is van 181%.

De aangroei van de openbare schuld (die van 6 678 miljoen in 1990 gestegen is tot 13 702 miljoen in 1992) is dus in haar geheel toe te schrijven aan de militaire uitgaven.

Op de vooravond van de oorlog was Rwanda geconfronteerd met een structurele verarming van de landbouw. Het Programma voor Structurele Aanpassing heeft geen rekening gehouden met het probleem in zijn geheel en met de economische gevolgen van de maatregelen. Het is helemaal uit de hand gelopen.

Met deze moeilijke economische en sociale situatie als achtergrond, stuurden sommigen steeds openlijker aan op etnisch geweld.

2.3. HISTORISCHE GEGEVENS

2.3.1. Prekoloniale tijd

Over de herkomst van de Rwandese bevolking bestaan verschillende hypothesen.

Bepaalde wetenschappers menen dat de Twa's (vandaag 1% van de bevolking) de eerste inwoners van Rwanda waren (57). Ze leefden van de jacht, het inzamelen van vruchten en het vervaardigen van aardewerk. De Hutu's (vandaag ongeveer 85% van de bevolking) zouden later in een niet nader bepaalde tijd gekomen zijn. Als landbouwers ontgonnen zij een groot gedeelte van het land (58) en dreven de Twa's terug in de overblijvende bossen. De Tutsi's tenslotte (vandaag ongeveer 14% van de bevolking), een herdersvolk, zouden in opeenvolgende golven geïmmigreerd zijn, reeds van vóór de 15e eeuw van onze jaartelling.

Volgens andere auteurs, waaronder J.P. Chrétien, zouden de Hutu's en de Tutsi's op hetzelfde tijdstip gekomen zijn.

Die verschillende hypothesen kunnen niet op hun echtheid worden getoetst « omdat het grootste gedeelte van de etno-historische literatuur interpretaties van bronnen bevat, herinterpretaties ervan of nog eens nieuwe interpretaties van die herinterpretaties » (59). Hoe dan ook, of ze nu samen met de Hutu's of na hen gekomen zijn, de Tutsi's zijn erin geslaagd hun gezag op vreedzame wijze over de Hutu's te vestigen, met wie zij bovendien taal en cultuur delen. Omdat zij in het bezit waren van vee en een zeer doeltreffende politieke organisatie kon de Tutsi-elite haar gezag over Centraal Rwanda vestigen door de controle op de rijkdom (grond en vee), en door dwangmiddelen (administratie, justitie, leger).

Het eenmakingsproces van Rwanda, dat uit kleine koninkrijkjes bestond, heeft een honderdtal jaar geduurd (60). Bij het einde van de heerschappijen van Kigeri IV Rwabugiri (ongeveer van 1860 tot 1895) had het koninkrijk ongeveer dezelfde grenzen als het huidige Rwanda, maar het gezag van de centrale koningsmacht verschilde van streek tot streek. Het wordt zeer indirect uitgeoefend in de Noordelijke en Westelijke gebieden van het Zaïrese bergland. Rwanda was verdeeld in 80 provincies of bestuurlijke districten en die bevatten een aantal administratieve centra. Het bestuur van een district werd in principe aan twee onafhankelijke ambtenaren opgedragen. Zij waren bevoegd voor uiteenlopende materies : de chef van de grond (Umunyabutaka) hield zich bezig met de landbouwbelasting en trad op als rechter in zaken die de grond aanbelangden; de chef van het vee (Umunyamukenke) inde de belastingen die de herders moesten betalen.

De sociale organisatie steunde in Centraal Rwanda onder meer op zogenaamde Ubuhake-contract. Deze vorm van klantenbinding hield de uitwisseling in van goederen en diensten. De « patron » was meestal een Tutsi, maar de klant kon Hutu of Tutsi zijn van een lagere sociale klasse. Eén zelfde persoon kon klant of « patron » zijn, volgens de relatie met anderen (61). In de Noordelijke en Zuidwestelijke gebieden, die door de Hutu's waren gedomineerd, bestonden verschillende systemen samen, de meesten beheerst door grondcontracten of door schenkingen van landbouwproducten. Hier waren de patrons vooral Hutu's (62). De Mwami, het opperhoofd, was eigenaar van de grond, het vee, de oogst en van zijn onderdanen. In die hoedanigheid was zijn macht, die van sacrale oorsprong was, in theorie onbeperkt. In die sociale en politieke context kwamen de Europeanen het land binnen tegen het einde van de 19e eeuw.

2.3.2. Koloniale tijd en onafhankelijkheid

Pas vanaf 1894 begonnen ontdekkingsreizigers, vooral Duitsers, het land te doorkruisen met instemming van de Mwami. In 1894 plaatste Mwami Yuyi Misinminga zijn land onder Duits protectoraat. In 1900 werd de eerste katholieke missie gesticht. In 1907 richten de Duitsers de residentie Rwanda op.

Bij de overname door de Belgen in 1916 had de Duitse bezetting niet meer opgeleverd dan pacificatie- en veiligheidsmaatregelen. Na de eerste wereldoorlog krijgt België een officieel mandaat type B over « Ruanda-Urundi ». De beslissing van de « belangrijkste geallieerden en daarmee verbonden machten » om Rwanda als mandaatgebied aan België toe te vertrouwen werd bekrachtigd op 20 juli 1922 door de Raad van de Volkenbond. België zal als mandaatvoerende macht, naar het voorbeeld van de Britten, het indirecte bestuur invoeren als methode van koloniale politiek. Het indirecte bestuur werd omschreven als een koloniaal bestuurssysteem, uitgeoefend door middel van inlandse instellingen aangepast aan de noden van de moderne tijd (63). De Belgische regering vertrok van een algemeen idee : de inlandse politieke instellingen respecteren maar ze aanpassen en ze gebruiken op de weg naar « de beschaving ».

Met dat oogmerk, en steunend op de « hamitische hypothese » zal de Belgische koloniale administratie de Tutsi-notabelen bevoordelen die door hun fysieke kenmerken voor de Europeanen « van de negers alleen de kleur hadden » (64) In het koloniale tijdperk was de hypothese dat de Tutsi's Hamieten waren erg verspreid in de literatuur. De « Hamitische hypothese » hield voor dat « everything of a value found in Africa was brought by the Hamites, allegedly a branch of the Caucasion race » (65).

In het onderwijs was die discriminerende behandeling van de Hutu's opvallend, vooral in de middelbare scholen die de administratieve en politieke kaders vormden (Nyanza, Astrida). Het onderwijs dat tot overheidsambten moest leiden, zowel inlands als koloniaal, nam in meerderheid kinderen van Tutsi-notabelen op (66).

Inzake onderwijs heeft de kerk zoals op andere gebieden een doorslaggevende rol gespeeld. Zij steunde het beginsel van het indirecte bestuur dat tot gevolg had dat de leidende klasse werd bevoordeeld, maar liet toch een groeiend aantal Hutu's toe hun studie voort te zetten in kleine en grote seminaries.

Na het beëindigen van hun studie konden de Hutu's die geen priester wilden of konden worden evenwel naar het lekenbestaan terugkeren, waar ze in botsing kwamen met een politiek en bestuurlijk systeem dat hen niet kon opvangen.

Parallel daarmee begon de Tutsi-elite, gevormd door de Belgische koloniale administratie, zich politiek te organiseren. In 1955 werd de « Mouvement démocratique progressiste » opgericht en in 1957 de « Mouvement social Muhutu ».

In februari 1959 steunde de kerk, in de persoon van Mgr. Perraudin, de Hutu-eisen.

De revolutie van 1959-1961, in zekere mate gesteund door de Belgische koloniale administratie (67), zal uitlopen op de uitschakeling van de monarchie en van de hele politiek-administratieve structuur van de Tutsi's, waarop België zijn politiek van indirect bestuur had gesteund tijdens de hele koloniale periode. De definitieve vestiging van de instellingen die uit de revolutie zijn voortgekomen had plaats op 1 juli 1962, datum van de onafhankelijkheid van Rwanda (68).

Deze Rwandese revolutie van 1959-1961 is jarenlang het centrale richtpunt geweest in het politieke leven van Rwanda (69). Een groot aantal Tutsi's hebben Rwanda verlaten tijdens opeenvolgende crisissen in de periodes van spanning : in 1959-1961, in 1963-1964 en in 1973. Het totale aantal vluchtelingen en hun nakomelingen tot in 1990 werd door Guichaoua geschat op 600 000 (70). De problematiek van de vluchtelingen zou nochtans nooit terdege worden behandeld door het heersende regime.

Daarenboven werden de Tutsi's van het openbare leven uitgesloten. Deze uitsluiting is op twee manieren gebeurd. Enerzijds hebben de Tutsi-partijen hetzelfde lot ondergaan als de andere oppositiepartijen : zij werden geleidelijk uitgeschakeld. Anderzijds werden de Tutsi's gediscrimineerd en werden ze het slachtoffer van talrijke schendingen van de mensenrechten. De opstand van november 1959 was slechts een begin geweest van het geweld tegen de Tutsi's (de gebeurtenissen van eind 59 hebben honderden doden gemaakt), maar die balans zou geleidelijk nog zwaarder worden tijdens de opeenvolgende crisissen. De eerste slachtoffers werden de hoofden en onderchefs van de Tutsi's. Van de 43 hoofden en de 549 onderchefs van de Tutsi's in functie bijvoorbeeld werden er begin november 1959 respectievelijk 21 en 314 fysiek uitgeschakeld, afgezet of verbannen (71). Bij de gemeenteraadsverkiezingen van juni-juli 1961 verkrijgen de Tutsi-partijen 289 zetels van gemeenteraadslid op een totaal van 3 125, dat wil zeggen 9,2 %. De fysieke uitschakeling gaat voort tijdens grote politieke gebeurtenissen als de gemeenteraadsverkiezingen van 1960 of de parlementsverkiezingen van september 1961.

De jacht op de « zondebokken » (72) gaat door in januari 1964, na een aanval van de Tutsi-vluchtelingen in Bugesera. Alleen al in de prefectuur van Gikongoro wordt het aantal Tutsi-slachtoffers geschat tussen 5 000 en 8 000 : tussen 10 en 12 % van de Tutsi-bevolking van de prefectuur. In 1973 begint die jacht opnieuw.

Een derde gevolg van de revolutie zal de machtsconcentratie zijn in handen van een minderheid en het installeren van een steeds meer autoritair regime. Vanaf het begin heeft de PARMEHUTU-partij actief een politiek gevoerd om de andere partijen te marginaliseren en uit te schakelen. In een toespraak naar aanleiding van de eerste verjaardag van de onafhankelijkheid heeft president Kayibanda zijn voorkeur uitgesproken voor een meerderheidspartij met daarnaast een zeer kleine oppositie (73). In feite zal in 1965 de MDR-PARMEHUTU de enige partij zijn die kandidaten voorstelt voor de parlements- en presidentsverkiezingen. Na het uitschakelen van de oppositie gaat ook de machtsconcentratie binnen de partij verder. Vanaf 1968 groeien de tegenstellingen binnen het regime, dat gedwongen is op zichzelf terug te plooien. In 1972 is de machtsusurpatie door een kleine groep Hutu-politici van Gitarama, de streek van president Kayibanda, volledig (74).

Op het einde van de jaren 80 lijkt de « tweede republiek », ingesteld in 1973 na een militaire staatsgreep door generaal-majoor Juvenal Habyarimana, op haar beurt uitgeblust te zijn. De spanningen stijgen in het land dat nochtans dikwijls wordt voorgesteld als « een model van ontwikkeling en een vredeshaven » (75). De spanningen zijn niet alleen van etnische oorsprong. Net als onder zijn voorganger werden bepaalde regio's tijdens het regime van Habyarimana sterk voorgetrokken. In dit geval zijn het de prefecturen van Gisenyi en Ruhengeri die het makkelijkst toegang hebben tot de macht. Op de vooravond van de jaren 90 stelt men vast dat het etnische conflict weliswaar nog steeds aanwezig is maar overvleugeld wordt door een conflict tussen de noordelijke en de centrale regio's. Binnen de dominerende regio ontstaan dan ook nog eens subregionale tegenstellingen (met name in het noorden tussen Gisenyi en Ruhengeri) (76) .

In talrijke opzichten stond de Tweede Republiek in sterk contrast met de Eerste Republiek. In de eerste plaats constateren we een periode van duidelijke modernisering hetgeen tot uitdrukking kwam in openheid naar de buitenwereld, groei van de steden, groei ook van investeringen en handel. Terwijl het regime van de Eerste Republiek zich op het binnenland concentreerde, kleefde de Tweede Republiek een beleid van openstelling van het land aan... De situatie op het gebied van de mensenrechten mocht dan nog wel verre van aanvaardbaar zijn, toch was er beterschap. Zo daalde het aantal politieke gevangenen en werden inspanningen geleverd tot beperking en beheersing van ongepast en buitensporig gebruik van verordeningen inzake preventieve hechtenis en beperkingen van de bewegingsvrijheid. Voorts weze opgemerkt dat geen ernstig etnisch geweld werd gepleegd tussen het moment van de machtsovername door Habyarimana en de oorlog van oktober 1990. Vandaag is men het dikwijls vergeten dat president Habyarimana tamelijk populair was bij de Tutsi's in het land en dat hij er door sommige Hutu's zelfs van werd beschuldigd, de Tutsi's te bevoordeligen (77).

Professor Reyntjens heeft ook getuigd : « Tot einde van de jaren 80 was de corruptie beperkt, werden de mensenrechten min of meer gerespecteerd en beschikte het land over een goede infrastructuur. In tegenstelling tot andere Afrikaanse landen steeg het BNP van Rwanda in de periode van 1975 tot 1990 voortdurend. Dat waren stuk voor stuk redenen om met het regime samen te gaan werken. Tegen het einde van de jaren 80 echter kwam er sleet op het regime en men maakte gewag van Zaïrese praktijken. » (78).

2.3.3. De crisis van 1990 en de akkoorden van Arusha

Op 1 oktober 1990 vallen Rwandese Tutsi-emigranten het noordoosten van het land aan vanuit Oeganda. De aanvallers maken snel vooruitgang door het weinig bevolkte gebied van Mutara in het nationaal park van Akagera. De meerderheid van de rebellen zijn Oegandese deserteurs en stellen zichzelf voor als de militaire tak van het Front Patriotique Rwandais (FPR).

Sommige waarnemers betwijfelen of het RPF er verstandig aan gedaan heeft, op dat precieze ogenblik militaire actie te gaan ondernemen (Prunier, 1993). De invasie vond plaats nauwelijks twee maanden nadat de 30-maanden durende besprekingen onder supervisie van het UNHCR en de OAE over de vluchtelingenkwestie hadden geleid tot de derde ministeriële overeenkomst tussen Rwanda en Uganda die concrete resultaten had kunnen opleveren, en tijdens een zich geleidelijk ontwikkelende politieke liberalisering in Rwanda. Hoewel de onderhandelingen blijkbaar hadden kunnen leiden tot een doorbraak, was het RPF toch niet bereid om nog langer geduld te oefenen : het was het voortdurende getalm van de Rwandese regering beu. Toch wordt beweerd dat het RPF op dat ogenblik tot de aanval overging omdat een mogelijke doorbraak in democratisering, mensenrechten en terugkeer van vluchtelingen de gewettigdheid van een aanval zou hebben verminderd (79). Prof. Reyntjens heeft deze stelling ook verdedigd tijdens zijn hoorzitting voor onze commissie (80).

Om aan die situatie het hoofd te bieden besluiten België en Frankrijk op 4 oktober 1990 militairen te sturen in het raam van een als humanitair te beschouwen actie die tot doel heeft de buitenlanders te beschermen en hun evacuatie zo nodig mogelijk te maken. Zijdelings betekent het een steun aan de Republiek, meer psychologisch dan militair, gezien de beperkte aangewende middelen.

In België publiceert de pers informatie over de aanhouding van talrijke personen uit de oppositie en de militaire inspanningen van het Rwandese regime en er komt al vlug verzet tegen de Belgische militaire aanwezigheid, zowel van liberale als van Franstalige socialistische zijde. Een maand later besluit de Belgische Regering haar troepen terug te trekken. België spreekt zich dan uit ten gunste van een democratisering van het land en van vrede door onderhandelingen.

Kort vóór het conflict van oktober 1990 had het Rwandese staatshoofd inspanningen geleverd om het regime geleidelijk aan te passen aan de nieuwe eisen van de internationale politiek. In zijn redevoering van 5 juli 1990 kondigt hij de oprichting aan van een nationale synthesecommissie, belast met het organiseren van een brede nationale dialoog met alle vereende krachten van het land. Die commissie wordt op 24 september 1990 effectief ingesteld. De oorlog barst uit enkele dagen vóór het begin van de werkzaamheden van de commissie. Deze zal pas op 23 oktober 1990 effectief beginnen werken. Het conflict zal haar activiteiten aanzienlijk versnellen. Terwijl het mandaat van de commissie oorspronkelijk over twee jaar zou lopen, vraagt President Habyarimana haar de werkzaamheden te beëindigen vóór het einde van het jaar en kondigt hij aan dat na een nationaal debat een politiek handvest vóór 4 juni 1991 aan een referendum zal worden onderworpen.

Eind december 1990 publiceert de nationale synthesecommissie een voorontwerp van nationaal politiek handvest (81). Daaruit volgt een ruim debat dat uitmondt in de publicatie van het ontwerp van handvest op het einde van de maand maart 1991 (82).De commissie stelt ook een voorontwerp van Grondwet voor en twee wetten op de politieke partijen.

Intussen beginnen de stichters van nieuwe politieke partijen zich te organiseren. Er blijken verschillende groeperingen tot stand te komen en in de eerste maanden van 1991 hebben verschillende vergaderingen plaats. Maar de politieke contacten verlopen in een sfeer van wantrouwen. De « mouvement démocratique républicain » (MDR) zal als eerste besluiten tot een open politieke activiteit. In een nummer van de maand maart 1991 publiceert de krant « Le Démocrate » een oproep tot herleving en vernieuwing van de MDR, ondertekend door 232 personen. In de zes maanden die daarop volgen treden andere politieke formaties naar voren : de Parti Social Démocrate (PSD), die steun schijnt te vinden in het zuiden; de Parti Libéral (PL), die vooral zakenlui bijeenbrengt; de Parti Démocratique Chrétien (PDC), die een veeleer kleiner partijtje is. Gelijklopend met de formele erkenning van het meerpartijenstelsel probeert de voormalige « Mouvement révolutionnaire national pour le développement » (de eenheidspartij van Rwanda geweest), en herdoopt tot « Mouvement républicain national pour la démocratie et le développement » (MRND) zich eveneens aan te passen aan de nieuwe werkelijkheid door zich te vernieuwen.

Daags na de afkondiging van de Grondwet wordt reeds een kartel van de oppositiepartijen gevormd. In een gemeenschappelijk communiqué van 11 juni 1991 formuleren de PSD, de MDR en de PDC een geheel van revendicaties die de ruggengraat van hun politieke eisen zullen vormen in de daaropvolgende maanden. Op 31 juli 1991 wordt de vorming van het kartel officieel en de nieuw opgerichte PL sluit zich daarbij aan. De vier partijen besluiten een « conseil de concertation des partis politiques démocratiques » op te richten. Op 13 oktober 1991 belast president Habyarimana de minister van Justitie (Sylvestre Nsanzimana), met de vorming van een regering, zonder rekening te houden met de eisen van de nieuwe oppositiepartijen. Afgezien van een minister uit de PDC is de regering immers homogeen MRND. Na een rumoerige periode met steeds meer manifestaties van de oppositie wordt over een akkoord onderhandeld tussen de oppositiepartijen en de MRND. Op 2 april 1992 wijst president Habyarimana Dismas Nsengiyaremye als formateur aan. Op 16 april 1992, twee weken na zijn benoeming, kondigt Nsengiyaremye de vorming aan van zijn overgangsregering. De coalitieregering zal worden samengesteld uit de MRND, de MDR, de PSD, de PL en de PDC.

Al lijkt de overgangsregering aanvankelijk hier en daar te scoren, met name bij het opnieuw starten van de onderhandelingen met het RPF, toch komt de regering in een diepe impasse terecht. In die context van oorlog met het RPF en van interne oppositie evolueert de militaire toestand geleidelijk naar een politiek optreden, met inbegrip van onderhandelingen, hoofdzakelijk tussen het regime Habyarimana en het RPF. In dat perspectief zal de binnenlandse politieke oppositie niet veel gewicht in de schaal leggen, gezien haar grote verdeeldheid op het ogenblik dat de akkoorden van Arusha worden gesloten.

2.3.4. De akkoorden van Arusha

Ongeveer een maand na het aantreden van de nieuwe regering, vonden voorbereidende besprekingen plaats in Brussel en Parijs (mei en juni 1992) tussen enerzijds de MDR, de PDS en de PL en anderzijds het RPF. Er werd besloten vredesonderhandelingen te openen (in Arusha), niet alleen om het staakt-het-vuren van N'sele te herstellen, maar ook om te spreken over verdere democratisering, de opname van het RPF in de regering en over militaire hervormingen.

De vredesonderhandelingen tussen de Rwandese regering en het RPF begonnen op 10 augustus 1992. Ze verliepen soepeler dankzij de inspanningen van Tanzania en president Ali Hassan Mwinyi en zijn ambassadeur, Ami Mpungwe. Waarnemers uit de buurlanden Burundi en Zaïre en uit België, Frankrijk, Duitsland, de VS, Senegal en de OAE waren aanwezig bij de opeenvolgende Arusha-onderhandelingen.

De onderhandelingen namen een jaar in beslag en eindigden op 4 augustus 1993. Er zij aan herinnerd dat het akkoord van Arusha van 4 augustus 1993 in feite een pakket vormt dat talrijke protocollen en akkoorden omvat :

­ het staakt-het-vuren van N'sele (83); dit akkoord wordt geamendeerd in Gbadolite op 16 september 1991 (84);

­ het protocolakkoord over de rechtsstaat, ondertekend op 18 augustus 1992;

­ de protocolakkoorden over de verdeling van de macht in het raam van een verruimde overgangsregering, ondertekend te Arusha op 30 oktober 1992 en op 9 januari 1993;

­ het protocolakkoord over de repatriëring van de vluchtelingen en de wederopneming van ontheemden, ondertekend te Arusha op 9 juni 1993;

­ het protocolakkoord met betrekking tot de integratie van de strijdkrachten van de twee partijen, ondertekend in Arusha op 3 augustus 1993;

­ en ten slotte het protocolakkoord houdende de slotbepalingen, ondertekend te Arusha op 3 augustus 1993 (85).

Al die teksten maken integraal deel uit van het vredesakkoord van Arusha.

Artikel 3 van het slotakkoord bepaalt dat de Grondwet van maart 1991 en het vredesakkoord onlosmakelijk de fundamentele wet vormen die van kracht zal zijn voor de overgangsperiode. De Grondwet is echter hiërarchisch ondergeschikt aan het vredesakkoord. Niet alleen zijn 47 artikelen van de Grondwet vervangen door bepalingen uit het vredesakkoord over dezelfde materies, maar bovendien is ook nog bepaald dat in geval van betwisting tussen andere bepalingen van de Grondwet en het vredesakkoord, dit laatste voorgaat. In werkelijkheid wordt de Grondwet dus vervangen door het vredesakkoord.

Wat de functie van de president van de Republiek betreft, die is « uitgehold », dat wil zeggen herleid tot een ceremonieel staatshoofd die minder uitgebreide bevoegdheden heeft dan de meeste van de grondwettelijke monarchieën. De verruimde overgangsregering bijvoorbeeld (de GTBE) wordt niet benoemd door het staatshoofd maar door de politieke partijen die aan de coalitieregering deelnemen die sinds 16 april 1992 geïnstalleerd is, en door het RPF.

De GTBE heeft bijzonder ruime bevoegdheden. Zij combineert in de praktijk de bevoegdheden van een staatshoofd met die van een regeringshoofd. Er is niettemin een relatie van het parlementaire type met het overgangsparlement (ANT). Net zoals bij de GTBE is de numerieke verdeling van de zetels in het Parlement vastgelegd : de MRND, het RPF, de MDR, de PSD, de PL krijgen elk elf zetels, de PDC vier en de andere erkende partijen, een tiental, hebben elk één zetel.

Ook de integratie van de troepenmachten van beide partijen wordt geregeld : het nieuwe nationale leger zal 9 000 man omvatten, waarvan de regeringsstrijdkrachten 60 % zullen leveren en die van het RPF 40 % op alle niveaus, behalve op de bevelposten. Op dat niveau, van de staf tot het bataljon, is elke partij met 50 % aanwezig overeenkomstig het principe van de toerbeurt.

In het goedkeuringsprotocol tussen de regering van de Republiek Rwanda en het RPF betreffende de integratie van de strijdkrachten van beide partijen, wordt in artikel 72 eveneens bepaald dat de installatie van de overgangsinstellingen plaats zal vinden na het stationeren van de neutrale internationale troepenmacht. Die voorwaarde werd niet toegepast aangezien het onmogelijk was om een contingent van enkele blauwhelmen op 37 dagen tijd te stationeren. We zullen nadien zien dat die overgangsinstellingen nooit worden geïnstalleerd, bij gebrek aan akkoord tussen de partijen...

De overgangsperiode wordt in twee fasen ingedeeld. In een eerste stadium worden de overgangsinstellingen geïnstalleerd binnen 37 dagen na de ondertekening van het vredesakkoord, dat wil zeggen uiterlijk op 10 september 1993. De overgangsperiode duurt 22 maanden, te rekenen van de datum van de installatie van de verruimde overgangsregering (GTBE), met de mogelijkheid van verlenging waartoe besloten wordt in uitzonderlijke omstandigheden door het overgangsparlement (ANT) met een meerderheid van drie vijfden van de leden.

Als documentatie is het nuttig te kunnen beschikken over enkele uittreksels uit de eerste studie van de « Joint evaluation of emergency assistance to Rwanda » en uit het boek van professor G. Prunier « The Rwanda Crisis 1959-1994 ».

B. UITTREKSELS UIT « JOINT EVALUATION OF EMERGENCY ASSISTANCE TO RWANDA ­ STUDY 1 : HISTORICAL PERSPECTIVE : SOME EXPLANATORY FACTORS »

HOOFDSTUK 1

RWANDA IN EEN NOTENDOP

Overzicht

Natuurlijke omgeving

Met een oppervlakte van iets meer dan 26 000 vierkante kilometer, is Rwanda één van de kleinste Afrikaanse landen, te vergelijken met het zuidelijke buurland Burundi, en met België, de koloniale mogendheid. Rwanda, gelegen ten zuiden van de evenaar, grenst aan Zaïre, Oeganda, Tanzania en Burundi. Rwanda, vaak « het Land van Duizend Heuvels » of « Het Zwitserland van Afrika » genoemd, bestaat hoofdzakelijk uit bergketens en de hooglandplateaus van het gebied tussen de Nijl en de rivierbekkens van de Zaïre-stroom (de Kongo-Nijl Waterscheiding). Het dichtbevolkte centrale gedeelte ­ van Ruhengeri in het noorden tot Butare in het zuiden ­ ligt op een hoogte van 1 500 en 2 000 meter boven de zeespiegel. De Kongo-Nijl-Waterscheiding bereikt hoogtes tot boven 2 500 meter; de hoogst gelegen gebieden in de noordwestelijke vulkanische Virunga-bergketen. De Karasimbi-top bereikt hier een hoogte van 4 507 meter. Het Kivu-meer dat Rwanda van Zaïre scheidt, ligt op 1 460 meter boven de zeespiegel en is het hoogst gelegen meer in Afrika. Ten oosten van het centrale plateau ­ dus van de hoofdstad Kigali ­ aan de grens met Tanzania, ligt het land lager, maar toch nog steeds op 1 000-1 500 meter boven de zeespiegel en ook daar zijn er nog hoger gelegen gebieden.

Administratieve indeling

Bron ­ Source : Scheffer, 1986.

Ondanks het feit dat Rwanda net onder de evenaar ligt, heeft het een gematigd klimaat. De gemiddelde jaartemperatuur in Kigali bedraagt 19 graden Celsius, met enkel kleine verschillen tussen de regenseizoenen en de droge seizoenen. Tussen oktober en juni is er veel neerslag, gevolgd door een kort droog seizoen in de periode van juli tot september. De gemiddelde maandelijkse neerslag op het centrale plateau bedraagt 85 millimeter. Hierdoor kunnen op elk stukje beschikbaar land verscheidene gewassen geteeld worden. Het gematigd tropisch klimaat laat twee, soms drie, landbouwseizoenen per jaar toe waardoor een deel van het land in staat is een productie op te bouwen die door de meeste andere Afrikaanse landen niet geëvenaard kan worden.

Rwanda is door land omgeven en hangt voor zijn economie af van een dure en kwetsbare doorvoerhandel doorheen Tanzania of Oeganda en Kenia naar de Indische Oceaan, of doorheen Zaïre naar de Atlantische Oceaan. De afstand tussen Kigali en de Indische Oceaan bedraagt ongeveer 1 500 kilometer; tussen Kigali en de Atlantische kust zo'n 2 000 kilometer.

Niet minder dan 10 % van het Rwandese grondgebied wordt beschermd in de vorm van nationale parken of reservaten ­ een percentage aanzienlijk hoger dan voor de meeste andere Afrikaanse landen. De bekendste parken zijn Virunga aan de grens met Zaïre in het noordwesten en Akagera aan de oostelijke grens met Tanzania. Het Virunga-park ­ bekend door de film, Gorillas in the Mist ­ huisvest de laatste berggorilla's, terwijl in de savannes van Akagera een verscheidenheid aan wilde dieren leeft, even groot als die van de bekendere wildparken in Kenia en Tanzania.

Voor administratieve doeleinden werd Rwanda onderverdeeld in 10 préfectures (regio's), met aan het hoofd een préfet (prefect) benoemd door de president van de republiek. De préfectures zijn onderverdeeld in 143 communes , bestuurd door een bourgemestre (burgemeester). De burgemeesters worden eveneens benoemd door de president.

Bevolkingsdichtheid

Bron ­ Source : Wallen, 1993.

Demografische en sociale kenmerken

Volgens de volkstelling van 1991, had Rwanda in de maand augustus van datzelfde jaar een totale bevolking van 7,15 miljoen, met een jaarlijkse aangroei van 3,1 %. Dit vertaalt zich in een zeer hoge bevolkingsdichtheid. Met een gemiddelde van 271 inwoners per vierkante meter, was de bevolkingsdichtheid in feite de hoogste van het Afrikaanse vasteland; als meren, nationale parken en reservaten buiten beschouwing worden gelaten, lag de bevolkingsdichtheid zelfs nog hoger. Het eigenlijke gedeelte bebouwbare landbouwgrond (zo'n 17 600 vierkante kilometer op een totaal van 26 300 kilometer) moest gemiddeld 406 mensen per vierkante kilometer onderhouden. Het dichtst bevolkte gebied was Ruhondo in de Ruhengeri-préfecture met ongeveer 820 mensen per km2 bruikbare grond. Aan het andere uiteinde van de schaal bevond zich Rusomo (Kibungo) met 62 mensen per km2 bruikbare grond (République Rwandaise, 1993, II).

De redenen achter Rwanda's historische hoge bevolkingsdichtheid zijn talrijk. Zowel de grond als het klimaat zijn vruchtbaar. Het berggebied oefent daarenboven een zeer beschermende invloed uit. De natuurlijke vesting gevormd door de hooglanden dient als een schild tegen vijandelijke indringers, zoals de negentiende-eeuwse Swahili-slavenhandelaars uit de kuststreek langs de Indische Oceaan. Door haar doeltreffende militaire structuren, bleef de Rwandese maatschappij aldus als een van de weinige Afrikaanse landen gespaard van de vernielingen door de Arabische en Europese slavenhandel. Als gevolg hiervan nam de bevolking niet af maar steeg ze naarmate meer mensen een toevluchtsoord zochten in dit land (Waller, 1993; Prunier 1995). Ook de invloed van de katholieke kerk tegen geboortenbeperkingsmaatregelen en de traditionele positie van de vrouw, zijn belangrijke factoren die de hoge bevolkingsaangroei verklaren.

Rwanda is een land van boeren, of eerder grootschalige tuiniers. De cruciale vraag omtrent de grond zal iets verder gesteld worden. Toch moeten we reeds hier vermelden dat vele waarnemers de tragedie van 1994 koppelen aan de hoge bevolkingsdruk en de stijgende strijd om te overleven. Of, om Pruniers (1995) woorden te gebruiken:

« De beslissing te moorden werd natuurlijk door politici, om politieke redenen, genomen. Maar een reden waarom boeren hebben meegedaan aan de massamoord (...) was onder meer het gevoel dat er teveel mensen leefden op een te klein stuk land en dat er meer zou overblijven voor de overlevenden indien er iets minder mensen waren... » (Prunier, 1995).

Volgens de volkstelling van 1991, bestond 90,4 % (of zo'n 6,5 miljoen) van de vaste bevolking in Rwanda uit Hutu's, 8,2 % (0,6 miljoen) uit Tutsi's en 0,4 % (ongeveer 30 000) uit Twa. In het algemeen ­ met enkele uitzonderingen ­ zijn de commentatoren het erover eens dat deze cijfers de werkelijkheid weerspiegelen. Ze zijn tevens in overeenstemming met de resultaten behaald door extrapolatie van gegevens uit vroegere volkstellingen en migratiegegevens. De historische relatie tussen Hutu's en Tutsi's wordt hieronder besproken. Hier dient opgemerkt dat de uitgesloten minderheid pygmoïde Twa eigenlijk uit twee groepen bestaat: zij die leven van de pottenbakkerij en zij die leven van de jacht en van de oogst. Deze laatste groep ­ ook bekend onder de naam Impunyu ­ bestaat uit minder dan 5 000 mensen en leeft voornamelijk in de Ruhengeri- en Gisenyi-préfectures . Ze worden vaak uitgebuit en veracht door hun Rwandese landgenoten.

In 1991 leefden er in Rwanda ongeveer 1,5 miljoen gezinnen die gemiddeld uit 4,7 familieleden bestonden. De overheersing van de landbouw ­ en het traditionele leven ­ wordt benadrukt door het feit dat niet minder dan 94,6 % van de bevolking op het platteland leefde, terwijl bijna twee derde van de stedelijke bevolking zich situeerde in Kigali. Rwanda is dus een landelijk gebied waar de meeste mensen van de landbouw in de heuvels leven (musozi in kinyarwanda ). Deze landbouwers vormen de basis van de Rwandese maatschappij. Dit heeft een zeer precieze en eigenaardige vorm van de menselijke nederzetting bepaald. De Rwandese boer ­ Hutu of Tutsi ­ maakt deel uit van een rugo , ruw vertaald een afgescheiden gedeelte, gemeenschappelijk of per familie. (In een polygaam gezin, beschikt elke vrouw over haar eigen rugo .) Elke heuvel bestaat uit verschillende ingo (meervoud van rugo ) waarin Hutu's en Tutsi's traditioneel naast elkaar leven, « in goede en kwade dagen »; in gemengde huwelijken of in massamoord » (Prunier, 1995).

De volkstelling van 1991 toont aan dat 48 % van de bevolking jonger was dan 15 en dat de gemiddelde levensverwachting 53,1 jaar was. Tegelijkertijd ­ dus voor de massamoorden en de demografische veranderingen van 1994/1995 ­ was meer dan 20 % van de seksueel actieve volwassenen in de steden besmet met het HIV-virus (The Economist Intelligence Unit, 1995). Vrouwen worden op jongere leeftijd besmet en in grotere aantallen dan mannen. Men verwacht dat tegen het jaar 2000, tussen de 100 000 en 200 000 Rwandezen op jonge leeftijd zullen sterven aan AIDS.

Een groot deel van de rurale bevolking lijdt aan endemische ziektes zoals bilharzia, diarree, dysenterie en infecties van de luchtwegen. Ziektes verbonden aan de toestand van het water zijn de belangrijkste doodsoorzaak bij kinderen. Volgens schattingen van de Wereldbank, daalde de kindersterfte van 142 per 1 000 in 1970 naar 117 per 1 000 in 1992. In 1992 hadden 1,5 miljoen Rwandezen geen toegang tot de gezondheidszorg; 2,6 miljoen beschikte niet over drinkbaar water, en 3,2 miljoen Rwandezen heeft geen sanitair (The Economist Intelligence Unit, 1995).

De officiële, administratieve taal is het Frans, maar de mensen communiceren in de gewone nationale landstaal kinyarwanda en, als een lingua franca voor handelaars, in het Swahili (uit Oeganda en Tanzania teruggekeerde Rwandezen spreken ook Engels). Volgens de volkstelling van 1991, kon 44 % van de bevolking niet lezen of schrijven, en was het analfabetisme onder vrouwen (50 %) hoger dan onder mannen (37 %). Volgens de Wereldbank volgde 71 % van de kinderen basisonderwijs, te vergeleken met 68 % in 1970. Slechts 8 % volgde secundair onderwijs en minder dan 1 % hoger onderwijs.

De katholieke kerk heeft een belangrijke rol gespeeld in de geschiedenis van Rwanda. Het is misschien beter de kolonisatie van Rwanda te omschrijven als een riskante onderneming van de « Witte Paters », van de Franse katholieke kerk, veeleer dan van het Duitse Rijk. De Fransen landden in 1899 en hadden in enkele jaren tijd een aantal zendingsposten opgericht, verspreid over het land. Tijdens de koloniale periode werkte de katholieke kerk nauw samen met de Duitse en Belgische autoriteiten en na de Onafhankelijkheid was er een opvallend hoge mate van politieke verstrengeling tussen kerk en staat.

De stichters van het moderne Hutu-nationalisme ­ waaronder de toekomstige president, Grégoire Kayibanda ­ kwamen uit de kleine elitegroep van zogenaamde évolués , grootgebracht in katholieke scholen en seminaries. In het midden van de jaren '70, werd de rooms-katholieke aartsbisschop van Kigali, Vincent Nsengiyumwa, lid van het Centrale Comité van de heersende MRND-partij; hij was de officiële biechtvader van president Habyarimana's vrouw en onderhield nauwe contacten met de akazu de harde kern van de Hutu-nationalisten.

De sterke verspreiding van het christendom in Rwanda moet tegen deze achtergrond gezien worden. Volgens de volkstelling van 1991, was niet minder dan 90 % van de bevolking christen, waarvan 63 % katholiek, 19 % protestant en ongeveer 8 % adventist. De islam kent enige navolging in Kigali en in andere steden maar is op nationaal vlak slechts van miniem belang en heeft een aanhang van iets meer dan 1 % van de bevolking.

Gegevens omtrent tewerkstelling, tenslotte, zijn onvolledig aangezien slechts 4 % van de Rwandese bevolking binnen de geldeconomie leeft. Volgens de statistieken van de Wereldbank werkt 93 % van de beroepsbevolking in de agriculturele sector (meer dan het gemiddelde voor sub-Sahara Afrika), 3 % in de industrie en 4 % in de dienstensector. In het begin van de jaren '90, was de overheid de grootste werkgever met ongeveer 7 000 werknemers in het centraal bestuur en ongeveer 43 000 werknemers in het plaatselijk bestuur, de strijdkrachten buiten beschouwing gelaten.

De grote meerderheid van gewone boeren werkt op zelfstandige basis en noch de overheid noch de kleine industriële sector kan de jaarlijkse fysieke groei van de beroepsbevolking absorberen. De landbouwsector moest dus de snelle demografische groei die in vele regio's echter de stijging van de landbouwproductie overtreft, ondersteunen. Slechts enkele plattelandsgezinnen konden dus leven van de landbouw. In 1990 verdiende volgens de overheid 81 % van de bevolking geld door het uitvoeren van niet-officiële activiteiten zoals de steenbakkerij, timmer- en naaiwerk. Bovendien was bijna iedereen, al was het maar sporadisch, actief in de parallelle of « zwarte » economie. Dit omvatte grensoverschrijdende handel en ruilhandel of smokkelarij met de buurlanden (The Economist Intelligence Unit, 1995).

Het grondvraagstuk

Reeds in 1984, bewerkte 57 % van de plattelandsgezinnen in Rwanda minder dan één hectare land en 25 % minder dan een halve hectare, waarvan vervolgens een gemiddeld gezin van vijf mensen moest onderhouden worden. Met de stijgende geboortencijfers, verzekerden de successiewetten (die het recht van een familie om land te gebruiken, verdelen onder alle overlevende zonen) dat de grootte van de eigendommen zou blijven dalen en eigendommen steeds meer zouden worden opgedeeld in kleine percelen, verspreid over grotere gebieden. Aldus bewerkte in het begin van de jaren '90 het gemiddelde Rwandese gezin minstens vijf percelen, elk met zijn specifieke karakteristieken qua vruchtbaarheid, bereikbaarheid en pachtvoorwaarden.

Deze verschillende percelen moesten een gezin het ganse jaar door een constante toevoer van voedsel garanderen. Dit houdt in dat zeer gesofisticeerde beslissingen genomen moesten worden. Het is aan te raden dat verschillende gewassen worden geteeld, zodat bijvoorbeeld koolhydraatrijke gewassen zoals aardappelen, proteïnerijke gewassen zoals bonen aanvullen. Bovendien dient de boer ook rekening te houden met de mate waarin de verschillende gewassen nood hebben aan een vruchtbare bodem of armere bodems kunnen verdragen, enz. Een studie (geciteerd door Waller, 1993) toonde aan dat om vruchtbaarheid van de bodem te garanderen, de boeren in 1993 in het zuiden van Rwanda 14 verschillende gewassen teelden in bijna 50 rotaties.

Onder de stijgende bevolkingsdruk bleek het zeer moeilijk om dit ingewikkeld systeem te handhaven en in de jaren '80 konden steeds meer families het zich niet langer veroorloven hun percelen braak te laten liggen. Hierdoor werd de bodem minder vruchtbaar en kwamen er overlevingsstrategieën op korte termijn, zoals het bewerken van de steilste hellingen, zelfs al wisten de boeren dat zulke praktijken niet houdbaar waren. In het begin van de jaren '90, situeerde de helft van de Rwandese landbouw zich op hellingen van meer dan 10 % waar neerslag vaak zowel de bodem als de gewassen wegspoelde. Voor een steeds groeiend deel van de boerenbevolking vertaalde dit zich naar ondervoeding en armoede. Volgens een rapport opgesteld door het ministerie van Landbouw, telde de boerenbevolking van Rwanda in 1984 zo'n 5,5 miljoen leden. Gemiddeld verbruikte elke persoon 49 gram proteïne per dag (dit cijfer zou men moeten vergelijken met het internationaal aangeraden minimum van 59 gram). Tegen 1989 was de landbouwbevolking gestegen tot 6,5 miljoen, maar het gemiddeld dagverbruik van proteïne was nu gezakt tot 36 gram per persoon (Waller, 1993).

De positie van de vrouw

Zoals in andere Afrikaanse landen, is de wettelijke positie van de vrouw in Rwanda een omstreden zaak. De grondwet van 1991 bepaalt dat alle burgers gelijk zijn maar tegelijkertijd aanvaardt ze de geldigheid van de traditionele wetgeving in gebieden waar geen geschreven wetten zijn. Dit omvat het belangrijke vraagstuk van de nalatenschap. Het probleem is dat volgens de wet vrouwen niet wettelijk « bekwaam » zijn en ze erkent enkel de man als hoofd van het gezin. Een vrouw kan land verkrijgen van haar ouders door schikking voor vruchtgebruik of door erfenis indien ze geen broers heeft maar bij afsluiting van een huwelijk zal dit land de eigendom worden van haar echtgenoot en indien het huwelijk wordt beëindigd kan ze hierop geen aanspraak meer maken. Indien haar echtgenoot overlijdt, erft de vrouw niets. In feite kan een vrouw wettelijk gezien niets bezitten, geen huis, werktuigen, vee of gewassen. Dit gebrek aan wettelijke status zorgt voor specifieke problemen in plattelandsgezinnen met aan het hoofd een alleenstaande vrouw (22 % in 1984). In de moderne economie betekent het wettelijk onvermogen van de vrouw dat ze geen bankrekening kan openen zonder toestemming van haar echtgenoot of ­ indien ze niet gehuwd is ­ van een mannelijke bloedverwant. Dit gecombineerd met haar onvermogen om enig bezit te hebben, maakt het voor een vrouw bijna onmogelijk om een lening af te sluiten.

In de overheidssector en administratie waren tot de coalitieregering van 1992 geen vrouwelijke ministers. Er waren ook geen vrouwelijke préfets of bourgemestres ; 97 % van alle economisch actieve vrouwen waren boeren en onderhielden hun families en stonden in voor bijna alle aspecten van het gezinsleven, met inbegrip van landbouwactiviteiten zoals zaaien, wieden en het binnenhalen van de oogst, het halen van hout en water. In het begin van de jaren '90 verrichtten vrouwen 54 % van alle landbouwarbeid en beschikten ze gemiddeld over 20 % minder vrije tijd dan mannen. Desondanks, had 38 % van de plattelandsvrouwen nog nooit enig contact gehad met een regeringsambtenaar inzake landbouwbevordering (Waller, 1993).

Sinds kort worden Rwandese vrouwen zich meer en meer bewust van de onrechtvaardigheid van hun positie binnen de maatschappij. Vrouwenverenigingen die op het platteland samenwerkten werden in de jaren '80 dus steeds sterker. Binnen deze verenigingen hebben vrouwen een de facto wettelijke status verworven waardoor ze toegang kunnen krijgen tot land en kredieten. In tijden van politieke beroering en opschudding ­ zoals in 1994 ­ onder de traditionele, door mannen gedomineerde en conservatieve politieke cultuur, hebben vrouwen in het algemeen echter geen verzachtende invloed uitgeoefend.

De economie

Met uitzondering van onderontgonnen hydro-elektrische sites, beschikt Rwanda slechts over een beperkt aantal natuurlijke rijkdommen en de economie is bijna uitsluitend opgebouwd rond koffie en thee. De producerende sector heeft sinds de onafhankelijkheid echter aan belang ingewonnen, en is in 1992 uitgegroeid tot ongeveer 16 % van het bruto nationaal product (BNP). Voor de omwenteling van 1994 ­ die de industriële infrastructuur, het bestuur en de beroepsbevolking ernstig schaadden ­ bestonden de belangrijkste subsectoren uit de productie van drank en voedsel, detergenten, textiel en landbouwinstrumenten zoals schoffels en kapmessen.

Volgens de gegevens van de Wereldbank, groeide Rwanda's BNP met een indrukwekkend jaarlijks gemiddelde van 4,7 % in de periode 1970-1979, maar deze groei nam af tot 2,2 % in 1980-1988. In 1989 daalde het BNP gevoelig door een sterke daling in de koffie-inkomsten. Deze daling zette zich voort in 1991, 1992 en 1993 en was om duidelijke redenen uitzonderlijk vernietigend in 1994. Het BNP per hoofd werd in 1993 geraamd op 200 US$, in vergelijking met 330 US$ in 1989 of een daling van ongeveer 40 % in amper vier jaar tijd (The Economist Intelligence Unit, 1995).

Koffie is veruit Rwanda's belangrijkste bron van inkomsten. Vooral de variëteit arabica wordt geteeld en wordt op de wereldmarkt ondergebracht in de klasse met « andere milde koffiesoorten ». De Belgische overheid introduceerde voor de eerste maal koffie in de jaren '20. De Belgen teelden koffie op grote schaal en verordenden dat belastingen betaald moesten worden in geld en niet in natura om de verbouwing van koffie verder door te drijven. De koloniale overheden maakten in vele gebieden de verbouwing van koffie verplicht, een wet die nog steeds bestaat in quasi ongewijzigde vorm (The Economist Intelligence Unit, 1995). Sinds de introductie van koffie, steeg de koffieproductie, tot in 1986 (meer dan 42 000 ton) waarvan 82 % van Rwanda's totale exportinkomsten vertegenwoordigde. Na de ineenstorting van de internationale koffieprijzen in 1989 en de oorlog van oktober 1990, is dit aandeel echter steeds blijven dalen. Het bedroeg nog 51 % in 1992 en zal nog aanzienlijk lager liggen na de tragedie van 1994 die de koffieplanten in het ganse land grotendeels beschadigd, verwaarloosd en besmet met ziektes achterliet. Men schat dat het minstens drie jaar zal duren vooraleer deze planten weer hersteld zijn.

Alle koffieproducenten in Rwanda zijn kleine boeren die verplicht zijn om op hun percelen koffie te verbouwen. [In Rwanda, is het land eigendom van de staat. Individuele boeren hebben enkel het recht om het land te gebruiken, niet om het te bezitten, en de Staat kan land weer opeisen voor eigen gebruik, zonder enige schadevergoeding te betalen (Waller, 1993).] In 1989 waren er bijna 700 000 koffieboeren ­ of ongeveer 60 % van alle kleine boeren in het land ­ die elk gemiddeld 150 planten teelden. Tijdens het grootste deel van de jaren '80, garandeerde de overheid een vaste prijs van 125 Rwanda francs (RWF) per kilo, wat tot in 1987 betekende dat de prijs aan de producenten lager was dan de sterke wereldprijs als gevolg waarvan de overheid zware winsten maakte. De wereldprijs begon echter te dalen en in 1989 werd Rwanda, net zoals alle andere kleine koffieproducerende landen, zwaar getroffen door de ondergang van de Internationale Koffieovereenkomst die op haar beurt leidde tot de ineenstorting van de prijs tot de helft van zijn waarde in 1980 op de markt van Londen. Tegen deze achtergrond liet de Rwandese overheid de prijs aan de producenten zakken tot 115 RWF per kilo en ­ binnen het Structurele Aanpassingsprogramma van 1990 met de Wereldbank en het Internationale Monetaire Fonds (IMF) ­ devalueerde de nationale munt met 40 %. Een bijkomende devaluatie van 15 % vond plaats in juni 1992.

Terwijl herstructurering onvermijdelijk was, was voor de Rwandese kleine boer de koffieteelt nog minder aantrekkelijk dan voordien. In één jaar tijd ­ van 1989 tot 1990 ­ reageerde de gemiddelde boer op de crisis met een aanzienlijke verhoging van zijn productie, om uiteindelijk 20 % minder te verdienen. Aangezien de koffieplanten een gewas voortbrachten dat een aanzienlijk lagere waarde had per hectare in RWF dan bijvoorbeeld bananen of bonen, trachtten vele Rwandese boeren hun koffieplanten te vernietigen en andere gewassen te telen (Waller, 1993).

Naast koffie, is ook thee belangrijk geworden in de buitenlandse handel, met een stijging van 9 % van de exportinkomsten in 1986, tot 30 % in 1992. In tegenstelling tot koffie, wordt thee hoofdzakelijk verbouwd op grote plantages die allemaal, met uitzondering van één, in handen van de overheid zijn. De plantages omvatten 1 % van Rwanda's verbouwde landoppervlak. Op sommige plaatsen, zoals in Nkuli (Ruhengeri), werden theeplantages opgericht in gebieden die voorheen ingenomen waren door kleine boeren. De jaarlijkse oogsten tijdens de periode 1988-1992 varieerden rond de 13 000 ton. De verbouwing van thee werd echter, net zoals de koffieteelt, ernstig getroffen door de oorlog van oktober 1990.

Over het algemeen kenden de jaren '80 een dramatische vermindering van de economische rijkdommen van Rwanda en tegen het einde van het decennium verslechterde de toestand van de economie in elke sleutelsector, zoals de aangroei van het BNP, de betalingsbalans, handelsvoorwaarden en schuldenlast. Het stagnerende BNP werd hierboven reeds becommentarieerd. Ook de situatie van de betalingsbalans verslechterde vanaf 1985 en in 1989 lag de waarde van geïmporteerde goederen 3,5 keer zo hoog als de waarde van de uitgevoerde goederen. Dit was grotendeels te wijten aan de ineenstorting van Rwanda's handelsvoorwaarden of haar internationale koopkracht die met 47 % daalde tussen 1980 en 1987. Weinig landen kampten met zulke zware tegenslagen verspreid over eenzelfde periode. Uiteindelijk steeg de hieruit voortvloeiende buitenlandse schuld ­ die in 1980 189 miljoen US$ bedroeg ­ bijna constant in de jaren '80 en klom ze in 1992 op tot 873 miljoen US$ (Waller, 1993; Vassall-Adams, 1994; and The Economist Intelligence Unit, 1995).

De structurele aanpassingsprogramma's van 1990 en 1992 vielen samen met de oorlog die begon met de invasie van het Rwandese Patriottisch Front in oktober 1990. Het is daarom moeilijk om de macro-eonomische impact ervan in te schatten. Naast de ontberingen van de koffietelers, is er echter voldoende bewijs dat onder andere de invoering van hogere lonen voor gezondheid en onderwijs hebben bijgedragen tot de zware lasten van de armen van Rwanda (Vassall-Adams, 1994; Marysse, 1993 en 1994).

De oorlog had een vernietigend effect op de Rwandese economie. Honderdduizenden boeren in het noorden van Rwanda verhuisden, met dramatische gevolgen voor de koffie- en voedselproductie. Vervolgens sneed de oorlog de weg af tussen de Keniaanse havenstad Mombasa, Rwanda's belangrijkste route naar de buitenwereld. Het vernielde Rwanda's ontluikend toerisme dat de derde grootste bron van buitenlandse deviezen was geworden. En tenslotte werd de overheid ertoe aangezet haar strijdmacht uit te breiden, en zodoende de nationale middelen die voor andere doeleinden konden worden ingezet, in te krimpen (Vassall-Adams, 1994).

HOOFDSTUK 2

DE PREKOLONIALE PERIODE

Deze voorstelling, gebaseerd op door geschiedkundigen verschafte documenten over de ontwikkeling van prekoloniaal Rwanda, gaat verschillende richtingen uit. Enerzijds wijst het naar een « etnische » diversiteit, deels gebaseerd op de beroepsstatus, deels gebaseerd op een patroon/onderhorige-verhouding, maar ook op een Hutu/Tutsi-afkomst. Anderzijds wordt gezegd dat tot de geschreven beschrijvingen van de eerste Europese reizigers, de mensen zichzelf identificeerden volgens stam en niet zozeer volgens hun etnische verwantschap, en dat de beschrijving van de zogenaamde etnische groepen op papier werd gezet door die reizigers. Zoals in vele andere gebieden in Afrika, zijn bij gebrek aan geschreven bronmateriaal, archeologische overblijfselen, enz. betrouwbare historische gegevens van de periode voor het midden van de negentiende eeuw, zeldzaam.

De meeste geschiedkundigen zijn het erover eens dat de eerste inwoners van Rwanda, wiens huidige afstammelingen de Twa zijn ­ de kleine minderheid die het land reeds bevolkte in 2000 voor Christus ­ leefden van de jacht en de oogst. Naast de jacht, leefden ze van de steenbakkerij en mandenwerk. Rond 1000 voor Christus werden ze verdrongen door Hutu-boeren. Deze migratie maakte deel uit van een zogenaamde Bantu-uitbreiding die, in het geval van Rwanda, trok van de savannes van het huidige Kameroen tot aan het gebied van de Grote Meren. Ze rooiden de wouden en bewerkten de donkere en rijke vulkanische bodems (Vansina, 1962 en de Heusch, 1966).

De immigrerende Bantu-sprekende boeren teelden sorghum, hielden vee en bijen, jaagden en ontwikkelden dorpindustrieën. Ze droegen geitenhuiden en bont en organiseerden het leven volgens afkomst en stam onder de leiding van stamhoofden of chefs (d'Hertefelt, 1962). Hutu's leefden samen met Twa, ruilden huiden en vlees in ruil voor zout en ijzerwerk.

Rond de vijftiende eeuw hadden vele Hutu's zich georganiseerd in « staatjes », elk gecontroleerd door een dominante stam en samengesteld uit verschillende afkomstlijnen onder leiding van een heersende afkomstlijn (die na verloop van tijd een dynastieke afkomstlijn werd) aangevoerd door een mwami (stamhoofd of koning), die een landheer was en een ritueel leider verantwoordelijk voor het opwekken van regen (Vansina, 1962). Er is bewijs dat sommige afkomstlijnen op dat ogenblik reeds vee bezaten en dat verschillende staten waren opgericht voor de immigratie van de Tutsi's (hoofdzakelijk de Nyiginya -stam). Volgens Kagame (1972), hadden op dit ogenblik zeven grote stammen een pre-Nyiginya status verworven.

Het huidige Rwanda, gezien als een geopolitieke eenheid van verschillende staatjes, ontstond volgens verschillende geschiedkundigen ergens tussen de elfde en de vijftiende eeuw, grotendeels door de immigratie van veehouders en vestiging van Tutsi's. Vanaf ongeveer de vijftiende eeuw, steeg het aantal veehouders in de bestaande staten.

De Tutsi's maakten blijkbaar deel uit van een grotere migratie naar het zuiden van de Grote Meren (Bauman, 1948; d'Hertefelt, 1962). Of de immigratie geleidelijk aan plaatsvond of plotseling wordt nog steeds in vraag gesteld. De vestiging van de Tutsi's vond echter zowel door verovering als door vreedzame opneming plaats (Lemarchand, 1970; d'Hertefelt, 1962; Kagame, 1972; Vansina, 1962; Ogot, 1984; en Reyntjens, 1985).

Men onderscheidt twee stadia van interactie tussen Hutu's en Tutsi's. Het begin van de immigratie van Tutsi's wordt omschreven als een geleidelijke en vreedzame infiltratie. Vleesproducten werden omgeruild tegen landbouwproducten en vormden de basis van sociale interactie. Vreedzame coëxistentie werd meestal echter gevolgd door Tutsi-veroveringen resulterend in de oplegging van een rechtstreeks militair Tutsi-bewind en Tutsi-regering (Lemarchand, 1966; Vansina, 1962). Deze fase werd gevolgd door een proces gericht op controle van de productiefactoren waaronder geleidelijke beperking van toegang tot land, vee en arbeid (C. Newbury, 1974; d'Hertefelt, 1962; en Vidal, 1969).

Over een periode van 400 jaar, werd een aantal onafhankelijke politieke Hutu-eenheden aldus gereduceerd tot administratieve eenheden en de Hutu's werden getransformeerd tot wat later omschreven werd als een « etnische » categorie (Lema, 1993). Een vaak herhaalde bewering is dat ongeveer 20 generaties geleden, een Tutsi-stam, de Nyiginya , politieke overheersing verwierf in het oosten van Rwanda. In de loop van enkele eeuwen vormden ze de kern van een staat die zich naar het westen toe uitbreidde en het grootste gedeelte van het hedendaagse territorium omvat (D. Newbury, 1987). De geschiedenis van de periferie verschilt dus van die van het centrum. Rwanda is bijgevolg een land van sterke regionale verschillen. Vooral de noordelijke gebieden of de tegenwoordige Gisenyi en Ruhengeri-préfectures, zowel als de gebieden die in het zuidwesten liggen, buiten de Rwandese kernstaat.

In dit proces werden de Tutsi's door de Hutu's opgenomen. Ze namen de taal over die de Hutu's spraken (kinyarwanda ) en namen de Hutu-tradities en -cultus over. Ze deelden bovendien dezelfde heuvels ­ er was geen segregatie van mensen ­ sloten gemengde huwelijken af en droegen dezelfde namen (Lemarchand, 1970; Rennie, 1972; Oliver, 1977 en Reyntjens, 1985).

Tijdens de prekoloniale periode of voor de negentiende eeuw, kwamen de Tutsi's, Hutu's en Twa grotendeels overeen met beroepscategorieën. De Tutsi's waren vooral veehoeders, soldaten en bestuurders, terwijl de Hutu's boeren waren. De Twa vormden een marginale groep en werden vaak op slechte wijze behandeld door de andere twee groepen. Hutu's en Tutsi's verschilden uiterlijk minder en individuen konden gemakkelijk van categorie wisselen, afhankelijk van hun lotgeval. Hoewel de overheersing door de eerste Nyinginya- Tutsi's onloochenbaar is, bestond er een reeks instellingen die een bemiddelende rol speelden in de sociale verhoudingen, in het bijzonder het stelsel van clans dat de gehele Rwandese maatschappij onderbouwde. Negentien clans bevatten leden van deze drie groepen. Sommigen stellen dat tot ongeveer het midden van de negentiende eeuw, deze stamidentiteiten in feite de Tutsi-HutuTwa-klassering overheersten (d'Hertefelt, 1971; D. Newbury, 1980; C. Newbury, 1978).

De eerste Europese reizigers in Centraal-Rwanda, merkten op dat er een sociaal-economische en « etnische » gelaagdheid bestond tussen Tutsi's, Hutu's en Twa. De Tutsi's werden omschreven in duidelijke termen van afkomst, economische activiteiten, sociale status en uiterlijke verschijning, ondanks het feit dat ze dezelfde taal spraken als de Hutu's, hetzelfde geloof beleden en in dezelfde nederzetting woonden (von Göten, 1895; Kandt, 1921). Deze omschrijving van de Rwandese « etnische » groepen ­ deels gebaseerd op een inheemse mythologie ­ werd gehandhaafd en verspreid door buitenstaanders, koloniale agenten, etnografen, antropologen, geschiedkundigen, enz. en ging de geabstraheerde westerse opinie over het Rwandese volk vertegenwoordigen. De mensen zelf echter identificeerden zichzelf eerder volgens hun clan. In een aantal studies, toont David Newbury aan dat hoewel de termen « Hutu » en « Tutsi » reeds bestonden in het prekoloniale tijdperk, ze tegenwoordig niet dezelfde betekenis hebben, en de betekenis van een « etnische » identiteit varieerde van plaats tot plaats en van tijdspanne tot tijdspanne. Er bestond geen enkele universele definitie van etnische identiteit, geldig voor alle regio's in éénzelfde periode (D. Newbury, 1979, 1980; C. Newbury, 1988).

De samensmelting van de staatjes in een verenigd Rwanda was een proces dat zich uitstrekte over verschillende honderden jaren. De kernstaat Nyiginya in het oostelijke deel van Rwanda kende een gestage uitbreiding door verovering en bescherming, in ruil voor respect. Pas in het tweede deel van de negentiende eeuw onder mwami Kigeri Rwabugiri, werd Rwanda verenigd tot één land. Onder Rwabugiri, was de mwami de bron en het symbool van alle gezag in de politiek gecentraliseerde staat. Enkele kleinere staten behielden echter hun autonomie tot 1910-1920. Dit was bijvoorbeeld het geval voor de noordelijke regio bij Ruhengeri die slechts deel ging uitmaken van de Rwandese monarchie onder het Duitse koloniale bewind. Verscheidene militaire expedities van de Duitse Schutztruppe , bijgestaan door de Tutsi's van centraal Rwanda tussen 1910 en 1912, waren vereist alvorens de noordelijke Hutu's ­ ook bekend als Kiga ­ verslagen werden en een bittere nasmaak nalieten zowel ten opzichte van de Tutsi's en de zuidelijke Hutu's of Banyanduga (Dorsey, 1994; Waller, 1993). Dus, tot op heden, vormen de noorderlingen een onmiskenbare subcultuur waarin contacten met Tutsi's op minder frequente basis plaatsvinden en het besef van een pre-Tutsi verleden meer uitgesproken is dan in de andere delen van Rwanda (Lemarchand, 1970 en 1995).

De heerschappij van Rwabugiri, of Kigeri IV, duurde van 1860 tot 1895, of net voor het Europese kolonialisme en is een belangrijk keerpunt in de geschiedenis van Rwanda. Rwabugiri doorbrak traditionele belemmeringen en versterkte de prerogatieven van de troon. Hij wordt beschouwd als de laatste grote hervormer en wordt ook wel de grote krijgskoning genoemd. Zijn binnenlandse politiek weerspiegelt twee complementaire doeleinden, namelijk centralisatie van de macht en uitbreiding van de centrale politieke structuren naar de randgebieden van het koninkrijk. In zijn buitenlandse politiek voerde hij een reeks militaire campagnes aan, gericht tegen de kleinere Hutu-staatjes zowel in het westen als in het oosten van Rwanda om ze indien mogelijk op te nemen in zijn koninkrijk. De noordelijke en zuidwestelijke delen behielden echter grotendeels hun autonomie. Om de erfelijke macht van de oude Tutsi-families te ondermijnen, ontsloeg Rwabugiri functionarissen en benoemde hij mensen die rechtstreeks van hem afhankelijk waren, met name in regio's die voordien vrij autonoom waren en verhoogde zo de materiële middelen voor de monarchie (Dorsey, 1994).

Wat van belang is, is dat de staat-opbouwende inspanningen gedurende de heerschappij van Rwabugiri, het besef van de « etnische » verschillen in Rwanda versterkte. Volgens C. Newbury :

« Met de komst van centrale overheden, werden verschillen gewijzigd en verscherpt terwijl de Hutu- en Tutsi-categorieën nieuwe hiërarchische ondertonen associeerden met nabijheid tot het centrale gerechtshof ­ nabijheid tot de macht. Later, toen de politieke arena groter werd en de intensiteit van de politieke activiteit steeg, werden deze klasseringen steeds sterker gelaagd en star. Meer dan eenvoudigweg de connotatie van culturele verscheidenheid van Tutsi's, werd de Hutu-identiteit geassocieerd met en mogelijk bepaald door een minderwaardige status » (C. Newbury, 1988).

Patroon/onderhorige-verhouding

Wat de mensen blijkbaar samenhield is de ubuhake ­ een sterk gepersonaliseerde verhouding tussen twee individuen met een verschillende sociale rang (Maquet, 1954). Deze patroon/onderhorige-verhouding omvat wederkerige loyaliteitsbanden en uitwisseling van goederen en diensten. Het zorgt voor een plaats, een status, binnen een hiërarchisch stelsel. De patroon was meestal een Tutsi, maar de onderhorige kon een Hutu of een Tutsi zijn met een lagere sociale rang. Een persoon kon zowel een onderhorige als een patroon zijn. Zelfs Tutsi-patroons van Hutu's konden onderhorigen zijn van nog een andere Tutsi. Theoretisch gezien kon enkel de mwami zelf geen onderhorige zijn in dit systeem. De meeste Tutsi's waren dus onderhorigen en sommige Hutu's patroons. Bovenaan stonden er echter altijd wel Tutsi's en onderaan altijd Hutu's en/of Twa. Deze geïnstitutionaliseerde verhouding werd onder het koloniale bewind versterkt en duurde tot er uiteindelijk een einde aan kwam in de jaren '50 (Saucier, 1974; C. Newbury, 1988).

Het ubuhake -systeem en de sociale structuur waren het sterkst aanwezig in Centraal-Rwanda, waar de Tutsi's de meeste invloed uitoefenden. In de door Hutu's gedomineerde regio's in het noorden en het zuidwesten, werden verschillende systemen ontwikkeld, meestal gebaseerd op landpachtcontracten of schenkingen van landbouwproducten; de patroons waren vaak Hutu's, in het noorden uitsluitend Hutu's (d'Hertefelt, 1962; Vansina, 1962). De overheersende rol van het vee als vorm van beschikbare rijkdom betekende echter dat de Tutsi-veechefs Centraal-Rwanda konden overheersen. De mobilisatie van een leger vereiste kapitaal dat enkel in de vorm van vee kon vergaard worden en de Tutsi's hadden de controle over het vee. In deze streken stond Hutu bijna gelijk aan onderhorige.

De ubuhake (en andere vormen van patroon/onderhorige-verhoudingen zoals de uburetwa ) had een aantal belangrijke gevolgen, 1) het institutionaliseerde de economische verschillen tussen de voornamelijk gewassen telende Hutu's en de veehoudende Tutsi's; 2) het was een controle-instrument en maakte van de Hutu's sociaal-economische en politieke onderhorigen en van de Tutsi's patroons; en 3) het leidde tot een proces van « etnische » samensmelting, voornamelijk bij de Hutu's. Het resultaat was een « etnische » Hutu-Tutsi-dichotomie, volgend op het sociaal-economische en politieke proces teweeggebracht door de bezetting door de Tutsi's en de uitbreiding van hun macht (Lema, 1993).

Een aantal geschiedkundigen echter stelt de veronderstelling in vraag dat de patroon/onderhorige-verhouding een belangrijke hoeksteen was van de traditionele Hutu-Tutsi sociale structuur aangezien de Rwandese clans meerdere kasten en etnieën omvatten. Ze stellen dat Hutu's en Tutsi's het lidmaatschap van de 19 belangrijkste stammen van Rwanda deelden (Vidal, 1985; d'Hertefelt, 1971; C. Newbury, 1978; D. Newbury, 1980). Vooral de Hutu's beschouwden zichzelf niet als één volk en identificeerden zich niet als dusdanig. In dit opzicht resulteerde het systeem eerder in economische differentiatie en gelaagdheid tussen de verschillende beroepsactiviteiten.

Etnische groepen in prekoloniaal Rwanda

Als hoofd van de laat 19e-eeuwse Rwandese Staat, bezat de mwami al het land en het vee. Hij regeerde als een despoot, maar beschikte over een politieke raad van grote chefs en een permanente raad van abiru (rituele specialisten) die hem advies gaven over de goddelijke verplichtingen verbonden aan zijn functie (Vansina, 1962). Volgens de 500 jaren omvattende chronologie van mwami , waren alle bami (meervoud van mwami ) Tutsi's (Kagame, 1957; Vansina, 1962). Geen van hen was gehuwd met een Hutu-vrouw, een belangrijk element gelet op de cruciale rol die de koningin-moeder speelde in de traditionele maatschappij. Alle grote chefs waren blijkbaar ook allemaal Tutsi's (Lema, 1993), terwijl de rituele specialisten van de abiru blijkbaar allemaal Hutu's waren en zich baseerden op oude Hutu-rituelen (de Lacger, 1939; Vansina, 1962).

De mwami was tegelijk rechter en het hoogste gerechtshof in de traditionele Rwandese maatschappij. Lagere gerechtshoven waren het administratieve gerechtshof en het krijgshof. Het administratieve gerechtshof behandelde disputen in verband met gepacht land en werd voorgezeten door de landheer, het krijgshof behandelde disputen in verband met vee en werd voorgezeten door het hoofd van het leger. De mwami en alle legerchefs waren Tutsi's alsook, bijna zonder uitzondering, de veechefs (Vanhove, 1941). Met betrekking tot het leger, en ondanks het feit dat het een multi-« etnische » samenstelling had, was het duidelijk gelaagd zodat alle hogere militaire posten werden vervuld door Tutsi's, gevolgd door Hutu's en tenslotte, helemaal onderaan, Twa. Er was dus geen verdeling van de macht; de legerleiding was, zoals bijna alle andere staatsinstellingen, mono- of uni-etnisch Tutsi (Lema, 1993; Adekanye, 1995).

Tegen het einde van de negentiende eeuw, hadden verscheidene regio's in het Rwandese koninkrijk zich ontwikkeld tot een complex en sterk georganiseerde administratieve structuur die provincies omvatte, districten, heuvels en wijken (Vansina, 1962). De provincies werden bestuurd door chefs of door de legerleiding die altijd uit Tutsi's bestond. De districten werden bestuurd door twee chefs benoemd door de mwami ­ één veechef verantwoordelijk voor de veebelastingen en één landheer verantwoordelijk voor landbouwheffingen (Pagès, 1933; de Lacger, 1939; Kagame, 1952 en Maquet, 1961). Tutsi's werden gewoonlijk benoemd als veechefs en Hutu's als landheren (Kagame, 1957 en 1975). De districten waren onderverdeeld in heuvels, bestuurd door chefs verantwoordelijk voor het overhandigen van de geheven belastingen aan de twee districthoofden. Rwanda had en heeft nog steeds geen dorpen in de betekenis van woningconcentratie (C. Newbury, 1978). De heuvel was de administratieve basiseenheid en beschikte meestal niet over één maar over drie hoofden, namelijk :

­ de « chef van de weilanden » (altijd een Tutsi), verantwoordelijk voor het bepalen van graasrechten;

­ de « chef van het land » (bijna altijd een Hutu), verantwoordelijk voor landbouwzaken en landbelastingen; en

­ de « chef van de mannen » (gewoonlijk een Tutsi), een ontvanger van belastingen en een soort van volkstellingsagent voor de abagaba , rekruteerders voor het leger van de mwami's (Kagame, 1975).

De drie functies waren vaak met elkaar verstrengeld : eenzelfde persoon kon ze alledrie vervullen maar op verschillende heuvels. Of hij kon er één of twee vervullen. (De boeren speelden rivaliteiten tussen chefs uit, een fundamenteel kenmerk van de overlevingsstrijd van de boeren, verloren gegaan door de hervormingen van Gouverneur Voisin aan het einde van de jaren '20 toen elke heuvel bestuurd werd door slechts één chef) (Prunier, 1995).

Hieruit volgt dat de Rwandese vorming van een staat zich ontwikkelde tot een door Tutsi's gedomineerde structuur, gebouwd om de politieke macht te verstevigen. Hutu's namen slechts deel in de middelste en lagere geledingen van het bestuur. Zij ontvingen orders en normen, maar stelden geen normen vast. Bijgevolg had « etnische » integratie in de hoogste echelons van het staatsapparaat slechts een zeer beperkt bereik (Lema, 1993).

HOOFDSTUK 3

DE KOLONIALE PERIODE EN ONAFHANKELIJKHEID

Het koloniale tijdperk

Toen in 1916, België Rwanda-Urunda bezette als gevolg van de tijdens de Eerste Wereldoorlog Oostafrikaanse campagne tegen Duitsland, werden sinds 1899, Rwanda en Burundi vanop de zijlijn bestuurd vanuit Berlijn (via Dar-es-Salaam). In 1914 waren er zes Duitse burgerlijke ambtenaren in Burundi en vijf in Rwanda, of een totaal van elf functionarissen voor een territorium tweemaal zo groot als België. De Duitsers die zich realiseerden dat reeds voor de komst van de Europeanen de bestaande mwami koninkrijken functioneerden als volledig ontwikkelde naties, en ongetwijfeld ook wegens een gebrek aan koloniaal personeel, besloten dat er vanaf het begin een politiek van indirecte heerschappij moest worden gevoerd. De bezetting vond plaats via « protectoraatsverdragen » afgesloten tussen de Duitsers en de mwami (Reyntjens, 1994). Er werd dus volledig gebruik gemaakt van het bestaande politieke stelsel dat veel sterker was en meer gecentraliseerd in Rwanda dan in Burundi (Louis, 1963).

België zette zijn politiek verder : een decreet van 6 april 1917 maakte melding van het feit dat « onder het gezag van de Residerende Commissaris, de sultans (bami ) hun politieke en rechterlijke macht in die mate uitoefenden dat ze in overeenstemming is met de inheemse gewoonten en de instructies van de Koninklijke Commissaris » (Rumiya, 1992).

Na de Eerste Wereldoorlog, droeg de Liga der Naties België op om Rwanda te besturen en in 1946 kwam Rwanda onder Belgisch beheer te staan, onder de Verenigde Naties. Tijdens de 40-jaar durende Belgische heerschappij ­ zoals onder de meeste koloniale stelsels ­ zien we een ontbinding, vervorming of corrumpering van de binnenlandse sociale en politieke structuren, met alle gevolgen vandien. Terwijl de inheemse prekoloniale patroon/onderhorige-verhouding een soepele verhouding was en een element van wederkerigheid bevatte, verstarden de Belgische kolonisatoren het systeem en schaften ze allerlei onderlinge verplichtingen af. Door het « versterken » van de Rwandese instelling, introduceerden de kolonisatoren aldus het principe van verplichte arbeid en versterkten ze de sociaal-economische verschillen tussen Tutsi's en Hutu's. Eenzelfde voorbeeld van misbruik van andere prekoloniale instellingen, door Balandier als volgt omschreven : het in onbruik zijn van de traditionele politieke entiteiten, de algemene verslechtering ten gevolge van depolitizatie, de val van de traditionele machtscontrolesystemen, de onverenigbaarheid van de beide machts- en gezagsstelsels en tenslotte misbruik van macht (Balandier, 1978). Wat hier van belang is, is de mate waarin zulke ontwikkelingen de etnische onderlinge relaties in Rwanda beïnvloedde.

Onder de Europese burgerlijke ambtenaren en missionarissen die aan het einde van de eeuw actief waren in de streek van de Grote Meren, werd de zogenaamde Hamitische stelling algemeen aanvaard. Volgens deze stelling « was alles wat enige waarde had in Afrika, ingevoerd door de Hamiten, vermoedelijk afstammelingen van het blanke ras » (Sanders, 1969). Toen de vermaarde Britse ontdekkingsreiziger John Speke in het koninkrijk Buganda (nu Oeganda), ­ met zijn complexe politieke organisatie ­ arriveerde, schreef hij deze beschaving toe aan een inheems ras van nomadische veehouders, verwant met de (Ethiopische) Galla « Hamiten ». Europeanen vonden zijn hypothese aantrekkelijk omdat het hen in de mogelijkheid stelde uiterlijke karakteristieken te koppelen aan geestelijke bekwaamheid : de « Hamiten » werden gezien als geboren leiders en hadden in principe recht op een geschiedenis en een toekomst bijna even nobel als die van hun Europese « neven » (Linden, 1977). In Rwanda, waren de « Hamiten » Tutsi's : « enkel in de kleur van hun huid lijken ze op negers » (Jamoulle, 1927); « voor ze zwart werden, waren deze mensen gekleurd » (de Lacger, 1961); « zijn houding gelijkt meer op die van een blanke dan op die van een neger ­ kan men gerust stellen dat hij een Europeaan is die per toeval een zwarte huid heeft... » (Gahama, 1983). Deze racistische stelling werd op verschillende manieren geponeerd, maar in het kort gezegd weerspiegelde ze de idee dat Tutsi's eigenlijk afstammelingen waren van Europeanen en daarom konden de Europeanen gemakkelijk met hen samenwerken. Deze stelling diende ook het doel van de koloniale verdeel-en-heerspolitiek (Adekanye, 1995).

Aan het einde van de jaren '20, had de Hamitische hypothese verstrekkende gevolgen voor de etnische verhoudingen in Rwanda. Binnen het kader van een administratief hervormingsproces (met een hoogtepunt in het Voisin Programme van 1926-1931), in essentie hergroepering en uitbreiding van de territoria van de chefs (van de ongeveer 200 chefs bleven er in het nieuwe stelsel nog 40 over), werd besloten om de Tutsi's een voorkeursbehandeling te geven wanneer het ging om het benoemen van binnenlandse politieke overheden. Vooral de positie van Monseigneur Leon-Paul Classe, de Apostolische Vicaris voor Rwanda, bleek van grote invloed. In een brief gedateerd 21 september 1927, richtte hij zich tot Georges Mortehan, de Belgische Residerende Commissaris :

« Als we praktisch willen denken en op zoek gaan naar het werkelijke belang van het land zullen we een opmerkelijke vooruitgang zien onder de Mututsi-jeugd [...] Vraag de Bahutu of ze liever bevelen krijgen van vreemde personen of van edelen en het antwoord op deze vraag zal duidelijk zijn: ze zullen de Batutsi verkiezen en met recht. Het zijn geboren leiders en hebben de gave om bevelen te geven. [...] Dit is het geheim dat hen in staat heeft gesteld zich in dat land te vestigen en het in hun macht te houden » (de Lacger, 1961).

Geconfronteerd met wat hij de « aarzelingen en het getalm van het koloniale bestuur met betrekking tot de traditionele hegemonie van van goede afkomst zijnde Batutsi » noemt, stak Monseigneur Classe in 1930 een strenge waarschuwende vinger op :

« De grootste schade die de regering zichzelf en het land zou kunnen berokkenen is de Mututsi-kaste uit de weg te ruimen. Zo'n revolutie zou het land rechtstreeks naar anarchie leiden en naar een fel anti-Europees communisme. Men zou hierdoor geen vooruitgang boeken maar elke actie van de regering tenietdoen en de regering zou het zonder haar begrijpende en gehoorzame helpers moeten stellen. [...] In de regel kunnen we onmogelijk stamhoofden hebben die intelligenter, actiever en meer in staat zouden zijn om de idee van vooruitgang te begrijpen en die waarschijnlijk ook eerder aanvaard zullen worden door de bevolking dan de Batutsi » (Classe, 1930).

De boodschap van de Apostolische Vicaris werd ­ althans in principe ­ gezien als een pleidooi ten voordele van een Tutsi-alleenheerschappij. Zijn tussenkomst maakte een einde aan de « aarzelingen en het getalm » van het bestuur. De Hutu-stamhoofden en hun plaatsvervangers werden vervangen door Tutsi's. Bescherming van de politiek en versterking van de Tutsi-hegemonie werd bovendien krachtig nagestreefd. Daarom, en ook gezien het feit dat de traditionele Hutu's en zelfs de Twa ­ ofschoon op een lager niveau ­ een zekere politieke macht uitoefenden, resulteerde de « Tutsificatie » van de jaren '30 in een monopolie van politieke en administratieve machten in handen van de Tutsi's. Door het afschaffen van de drievoudige hiërarchie van de chefs (de legerchef, de veechef en de landchef), benadrukte deze politiek de etnische verschillen (Reyntjens, 1985). Het werd ook nog versterkt door de invoering van identiteitskaarten in 1933. Elke Rwandees werd voortaan (op basis van zeer arbitraire criteria) geregistreerd als Tutsi, Hutu of Twa (Reyntjens, 1985).

Tenslotte werden de mogelijkheden voor de meeste Hutu's nog verder ingeperkt door het invoeren van discriminatie in de katholieke scholen die gedurende de hele koloniale periode het dominerende onderwijssysteem vertegenwoordigde. Tutsi's die zich hadden verzet tegen de conversie, werden ingeschreven in katholieke missiescholen. Ter bevordering en stimulatie van dit proces, paste de Kerk zijn onderwijspolitiek aan en bevoordeelde openlijk Tutsi's en discrimineerde Hutu's. Met enige uitzonderingen op de regel, kregen Hutu's enkel de nodige opleiding vereist om in de mijnen en industrie tewerkgesteld te kunnen worden (C. Newbury, 1988).

Kortom, de monopolisering van de macht in handen van de Tutsi's, vormde een cruciaal en onbetwistbaar element in het vastleggen (« structurering ») van de etnische breuk. Deze koloniale interventie maakte van de groepen duidelijke politieke categorieën. In zekere zin treffen we hier een voorbeeld aan van etnogenese (Roosens, 1989) die in Rwanda onvermijdelijk zou leiden tot een reactie vanwege de Hutu's die alle macht ontzegd werden. In het discours van de Tutsi's leidde dat tot het trekken van buitensporige conclusies uit de zogenaamde hypothese van etnogenese, door te stellen dat, voor de komst van de Europeanen, het volk van Rwanda (en Burundi) een vrij homogene groep was en dat, door hun verdeel-en-heerspolitiek, de koloniale overheden opzettelijk etnische breuken veroorzaakten. Toch bestonden er reeds etnische groepen voor het kolonialisme. De koloniale politiek was louter geënt op een basis die reeds enig conflictpotentieel bevatte (Reyntjens, 1994).

Vanaf het midden van de jaren '50, werden de politieke eisen in Rwanda geformuleerd in etnische termen. Tegengestelde stellingen werden op een eerder stereotiepe wijze in drie basisdocumenten geponeerd : enerzijds was er het Bahutu Manifesto van 24 maart 1957 en anderzijds waren er twee brieven opgesteld door de grote Tutsi-stamhoofden (« Abagaragu b'ibwami bakuru ») (Nkundabagenzi, 1961). Het Bahutu Manifesto dat het etnische probleem in een sociale context plaatste, eiste emancipatie van de Hutu's en democratisering. Uitgaande van de koloniale stelling dat Tutsi's buitenstaanders/vreemdelingen waren en dat de Hutu's (die in de meerderheid waren) echte Rwandese nationalisten waren en dus de rechtmatige heersers van Rwanda, bleek een belangrijke verklaring, zowel voor de sociale revolutie van 1959 als de groter wordende etnische breuk. Dit belangrijk document, oorspronkelijk gepubliceerd als « Aantekeningen over het sociale aspect van het Rwandese Binnenlandse Raciale Probleem » en met de bedoeling enige invloed uit te oefenen en een mandaatgebiedmissie van de Verenigde Naties te sturen, werd opgesteld door negen Hutu-intellectuelen. Eén van de ondertekenaars was de toekomstige president, Grégoire Kayibanda. Het document viel het hele concept aan van het Belgisch bestuur en hield staande dat het eigenlijke probleem van Rwanda een conflict was tussen Hutu's en Hamitische ­ dus vreemde ­ Tutsi's (Dorsey, 1994; Prunier, 1995). De twee brieven, geschreven door de conservatieve stamhoofden (die niet noodzakelijk de opinie van de politieke Tutsi-elite deelden) verwierpen participatie van de Hutu's, « omdat onze koningen het land van de Bahutu veroverden, hun `kleine' koningen vermoordden en aldus de Bahutu onderwierpen; hoe kunnen ze dan nu pretenderen onze broeders te zijn ? » (Reyntjens, 1994).

Toen aan het einde van de jaren '50 politieke partijen werden opgericht, waren langs de etnische breuklijn al politieke structuren gecreëerd; Parmehutu (Parti du mouvement de l'émancipation des Bahutu ) en APROSOMA (Association pour la promotion sociale des masses ) bestonden voornamelijk uit Hutu's terwijl de UNAR (Union nationale rwandaise ) en de RADER (Rassemblement démocratique rwandais ) vooral uit Tutsi's bestonden. Tijdens de parlementsverkiezingen van september 1961, werd de breuk bevestigd: de Hutu-partijen behaalden ongeveer 83 % van de stemmen wat ruwweg overeenkwam met hun aandeel in het bevolkingscijfer. Met andere woorden, een demografische meerderheid viel samen met een politieke meerderheid. Vanaf 1965, na de uitschakeling van de oppositie (deels op fysieke, deels op politieke wijze), was Rwanda de facto een éénpartijstaat en in weze een (Hutu-) mono-etnische staat (Reyntjens, 1985).

Sinds mwami Rwabugiri tot op het ogenblik van de afschaffing van de monarchie in 1961, was het koninkrijk Rwanda een sterk georganiseerde en gelaagde maatschappij, versterkt door hervormingen van de gemeenten tijdens de koloniale periode. De laatste grote gemeenschappelijke hervorming vond plaats in 1960 en bevestigde eens te meer de sterk georganiseerde structuur van de Rwandese staat. Het land was onderverdeeld in 10 préfectures , elk préfecture verder onderverdeeld in een aantal communes . Deze communes , 143 in totaal, vormden de basis voor ontwikkeling. Elke commune was onderverdeeld in 4-5 secteurs , elke secteur in « cellen » (10 « cellen » per secteur ). In navolging van het Tanzaniaanse model, bestond de uiteindelijke organisatorische eenheid uit 10-gezinscellen bestaande uit zo'n 80 mensen. Slechts weinig Afrikaanse landen waren zo goed georganiseerd en maakten ook gebruik van haar de structuren als Rwanda (Reyntjens, 1985).

De overgang naar onafhankelijkheid

De revolutie van 1959-1961, gesteund door de Belgische overheid (Harroy, 1984; Logiest, 1988) leidde tot afschaffing van de monarchie en opheffing van alle politieke en administratieve Tutsi-structuren waarop gedurende decennia, België zijn politiek van onrechtstreeks bewind gebaseerd had. De (Hutu-) boerenopstand werd grotendeels uitgelokt door de onverzoenbaarheid van een conservatieve, politieke en administratieve elite die botweg elke vorm van democratie die niet enkel geëist werd door een rijzende Hutu-elite, maar ook door een Tutsi-tegenelite progressiever dan de Tutsi-elite die de macht had, weigerde (Reyntjens, 1994). Hoewel het aantal slachtoffers aanvankelijk beperkt bleef, leidden de pogingen van de door Tutsi-aangevoerde traditionele machtselite om de macht in handen te houden, tot gewelddadige conflicten. De Belgen ondersteunden de opstand. De afschaffing van de monarchie en de opkomst van een Hutu-elite werd definitief in september 1961 toen tijdens een referendum, 80 % van het electoraat een stem uitbracht voor de republiek. Tegelijkertijd toonden de resultaten van de parlementsverkiezingen aan dat de door Hutu's aangevoerde partijen een duidelijke overwinning hadden behaald.

De gebeurtenissen van 1959-1962 : ommekeer en confrontatie

De meeste waarnemers zijn het erover eens dat de revolutionaire overgang, die plaatsvond tussen november 1959 en september 1961, van de door Tutsi's gedomineerde monarchie naar een door Hutu's aangevoerde republiek, zijn hoogtepunt bereikend op 1 juli 1962 met het uitroepen van de Onafhankelijkheid, cruciaal is om de daaropvolgende etnische verdeling van het land te kunnen begrijpen (Reyntjens, 1985; Lema, 1993; C. Newsbury, 1988). Tijdens deze korte periode ­ begonnen in 1959 met de jacquerie of de zogenaamde boerenopstand ­ keerden de historische rollen zich om. Onder druk van de democratische veranderingen in Afrika, verlegde de Belgische overheid haar steun van de Tutsi-aristocratie naar de Hutu-meerderheid, trok haar steun aan de mwami in, liet haar politiek van onrechtstreeks bewind varen en voerde Rwanda (en Burundi) naar nationale onafhankelijkheid. Ook volgens Linden (1995) was dit proces het begin van een reeks woelige machstconflicten waarin « de verovering van de Rwandese staat een gewelddadige nuloperatie bleek waarin de winnaar met alles ging lopen ». De strijd om macht, gevoerd in een arena verlaten door zowel de koloniale macht als haar vroegere tegenstander, de traditionele monarchie, verklaart waarom de etnische aggravatie op de voorgrond kwam te staan. Terwijl de Tutsi's zich door hun dominante positie in de koloniale maatschappij reeds als een groep beschouwden, achtte de opkomende politieke Hutu-elite het nodig een beroep de doen op het algemene « Hutu-gevoel » van de kansarmen om met succes het inheemse gezag uit te dagen, strijd te leveren en historische onrechten recht te zetten.

Naar het einde van de jaren '50 toe, vertoonde de Belgische overheid plots een opmerkelijke interesse voor de situatie van de Hutu-boerenmeerderheid. Een gelijkaardige, radicale opiniewijziging vond plaats binnen de katholieke kerk zoals toegelicht door de pastorale brief van Monseigneur André Perraudin aan het einde van de jaren '50, waarin hij een pro-Hutu standpunt innam en verklaarde dat de sociale discriminatie ten opzichte van de Hutu's niet langer strookte met de degelijke organisatie van de Rwandese maatschappij (Reyntjens, 1994).

Op 1 november 1959 brak het etnisch geweld uit met als rechstreekse aanleiding de molestatie van een voorzitter van de Parmehutu -partij door Tutsi-jongeren. De daaruit voortvloeiende rellen leidden tot een wijdverspreide Hutu-opstand waarin honderden Tutsi's gedood werden. De Belgische regering zond enkele troepen. In tegenstelling tot de verwachtingen, trachtte het Belgische leger echter niet om de Hutu-opstand neer te slaan maar ontwikkelde ze de facto een pro-Hutu politiek door de installering van militair bestuur en de benoeming van meer dan 300 Hutu-stamhoofden en onderstamhoofden om de Tutsi-functionarissen te vervangen die afgezet, vermoord of gevlucht waren sinds het begin van de opstand (C. Newbury, 1988; Prunier, 1995). Niet lang daarna ­ in mei 1960 ­ bevestigde de Belgische overheid de nieuwe politiek door het inzetten van een inheemse militaire, territoriale wacht bestaande uit 650 man, gebaseerd op etnische proportionele verhoudingen, 85 % Hutu's en 15 % Tutsi's.

Zoals hierboven reeds verklaard, keerden de historische rollen zich om. Dit werd nog bevestigd tijdens de plaatselijke verkiezingen van juni-juli 1960 waarin de door Tutsi's overheerste politieke partijen slechts 16 % van de stemmen behaalden en aldus eindigden in een overweldigende zege voor de Hutu's. Na de verkiezingen waren niet minder dan 211 van de 229 bourgmestres Hutu's (C. Newbury, 1988). Onder deze omstandigheden, en tegen een achtergrond van constante etnische conflicten, besloot mwami Kigeri V op 29 juni 1960 om Rwanda te verlaten, officieel om de onafhankelijkheidsfestiviteiten in Kongo bij te wonen. Hij zou echter niet meer terugkeren.

De politiek die België voerde in Rwanda kreeg scherpe kritiek tijdens de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties. Van december 1960 tot juni 1962, riep ze verschillende keren op te komen tot een verzoening tussen de mwami en gevangengenomen Tutsi-vertegenwoordigers, ze porde ook België aan om Rwanda en Burundi samen te houden maar zonder enig succes. In tegendeel, de Belgische overheid versterkte nog verder het Rwandese onafhankelijkheidsproces door het toekennen van interne autonomie onder een tijdelijke regering met aan het hoofd de oprichter van Parmehutu , Grégoire Kayibanda, een Hutu-leider uit de regio van Gitarama in Centraal-Rwanda. Gedurende deze periode duurde de etnische confrontatie tussen Hutu's en Tutsi's niet enkel voort, ze escaleerde en leidde voornamelijk tot het vermoorden, verdrijven en verbannen van Tutsi's.

De overgang van een politieke Tutsi-overheersing naar een Hutu-overheersing werd bekrachtigd door de parlementaire verkiezingen van 25 september 1961 die resulteerden in een overweldigende overwinning voor de door Hutu's aangevoerde partijen. Parmehutu behaalde niet minder dan 78 % van de stemmen, aldus 35 zetels op 44 halend, terwijl de UNAR (door Tutsi's gedomineerde partij) slechts 17 % van de stemmen haalde en zeven zetels. Een gelijktijdig gehouden referendum leidde tot een even massale verwerping van de monarchie ten voordele van de republiek. Na de verkiezingen werd Grégoire Kayibanda door het nieuwe parlement op 26 oktober 1961 verkozen tot president op en stelde hij een regering samen aanvankelijk was samengesteld uit Parmehutu- , UNAR- en APROSOMA-leden. Acht maanden later, op 1 juli 1962, werden Rwanda en Burundi eindelijk officieel onafhankelijk verklaard als twee soevereine staten, een feit dat de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties met tegenzin moest onderschrijven.

In de loop van de daaropvolgende drie decennia, werden de Hutu-jacquerie van 1959 en de gebeurtenissen die leidden tot de onafhankelijkheid in 1962, cruciale referentiepunten in het politieke leven van Rwanda, in positieve of negatieve zin, afhankelijk van de angst of hoop gekoesterd door de betrokkenen.

Waarom namen deze politieke ontwikkelingen dan de vorm aan van een gewelddadige Tutsi-Hutu-confrontatie ? Met de woorden van C. Newbury :

« opvallend was dat bijna iedereen die de staat had gecontroleerd (voor 1959) ­ de stamhoofden en de onderstamhoofden ­ Tutsi's waren en hier wordt de etnische factor belangrijk [...] Een beroep doen op de Hutu-solidariteit werd voor de Hutu-leiders het meest doeltreffende verzamelpunt voor een revolutionaire activiteit. Alhoewel Hutu's zich gemakkelijk konden onderscheiden ­ en dat ook deden ­ van de Tutsi's met hun verschillende types en standpunten, deed het feit dat de chefs en de andere Afrikaanse tussenpersonen van de staat beschouwd werden als uitbuiters, en dat zij bijna allemaal Tutsi's waren, een krachtig beroep op de etnische solidariteit terwijl een beroep op « alle arme burgers » niet zo efficiënt zou geweest zijn. Omdat de koloniale politiek de Hutu's meermaals een inferieure, uitgesloten status had opgedrongen, leden zelfs arme Tutsi's niet onder eenzelfde vorm van discriminatie als hen, geklasseerd als Hutu's. » (C. Newbury, 1988)

Drie belangrijke gevolgen van dit cruciale keerpunt bepaalden, en bepalen nog steeds, de politieke ontwikkelingen in Rwanda.

1. De verbanning van een groot aantal Tutsi's . Het exacte aantal vluchtelingen is reeds meerdere malen het onderwerp geweest van debatten en werd ook gebruikt voor propaganda-doeleinden. Dit was vooral het geval tijdens de crisis in oktober 1990 na de invasie van het RPF (Rwandees Patriottisch Front) vanuit Oeganda. Eigenlijk verlieten Tutsi-vluchtelingen Rwanda tijdens een aantal opeenvolgende crisissen in de periodes 1959-1961, 1963-1964 en 1973. Het totale aantal bedroeg in het begin van de jaren '90 ongeveer 600 000 met inbegrip van de afstammelingen van de oorspronkelijke vluchtelingen (Guichaoua, 1992). Dit cijfer wordt door velen in twijfel getrokken. Prunier stelt echter dat dit de best beschikbare raming is (Prunier, 1995). Het is een indrukwekkend aantal en vertegenwoordigt ongeveer 9 % van de totale geschatte bevolking in het land of de helft van de Tutsi-bevolking. Ze vormden een element van structurele onveiligheid, vooral gezien het feit dat de Tutsi-vluchtelingen de verbanning niet wilden zien als een fait accompli ­ in tegendeel, ze maakten aanspraak op « Rwanda-gevoel » of « Rwanda-iteit » en op hun recht om terug te keren. Zelfs voor de onafhankelijkheid, voerden groepen vluchtelingen gewapende aanvallen uit in een poging om hun vroegere posities terug te winnen. Aangezien de meerderheid van de vluchtelingen in de vier naburige landen verbleef, was het was gemakkelijk om zulke aanvallen uit te voeren. Deze activiteiten van gegroepeerde Tutsi-vluchtelingen, de zogenaamde inyenzi (kakkerlakken), hielden op in 1967 (Reyntjens, 1994).

De officiële positie van de Rwandese regeringen met betrekking tot dit probleem wijzigde aanzienlijk in de loop der jaren. Reeds in 1960 had de tijdelijke regering uiting gegeven aan haar bezorgdheid door het oprichten van een Staatssecretariaat voor Vluchtelingen. Tijdens de Eerste Republiek (1962-1973) werden de vluchtelingen meermaals uitgenodigd om terug te keren. Dit gebeurde echter nooit. Ten eerste geloofden de Tutsi-vluchtelingen niet in de oprechtheid van de gewijzigde houding van de regering en ten tweede voerden de inyenzi geregeld aanvallen uit. Aan het einde van 1963 en het begin van 1964, verlieten nieuwe vluchtelingen Rwanda.

Tijdens de Tweede Republiek ­ vanaf 1973 ­ was er enigszins sprake van een wijziging (de problemen verdwenen echter natuurlijk niet) ten gevolge van een politiek van etnische pacificatie. Het regime wierp echter een nieuwe hindernis op en stelde dat het land overbevolkt was en niet bij machte was een groot aantal vluchtelingen terug op te nemen. Massale repatriëring werd dus uitgesloten. Dit werd bekrachtigd door een verklaring van het Centrale Comité van de heersende MRND (Mouvement Révolutionnaire National pour le Développement ) op 26 juli 1986. De terugkeer van individuele vluchtelingen werd verder verbonden aan bepaalde omstandigheden die vatbaar waren voor verschillende interpretaties: er werd bijvoorbeeld verwacht dat een mogelijke repatriëringskandidaat kon « aantonen dat hij, bij terugkeer naar zijn land, zichzelf zou kunnen onderhouden » (Ndagijimana, 1990). Deze positie, die blijkbaar de « definitieve » gezindheid weerspiegelde, zette de vluchtelingen ertoe aan om voor de eerste maal een internationale conferentie te organiseren in Washington, in augustus 1988. Het standpunt van de regering werd verworpen en het recht om terug te keren werd nogmaals bevestigd. Een dreigende confrontatie was op dit ogenblik, misschien zonder dat men het ten volle besefte, in de maak. De crisis van oktober 1990 was daarom in essentie een vluchtelingen crisis, met haar wortels in de gebeurtenissen van 1959-1962, versterkt door de verdere politieke ontwikkelingen in Rwanda en in de naburige staten, vooral Oeganda.

2. Feitelijke uitsluiting uit het openbaar leven van alle Tutsi's . Deze uitsluiting werd op twee manieren gerealiseerd : 1) de Tutsi-partijen ondergingen hetzelfde lot als de andere oppositiepartijen (zie hieronder) en 2) Tutsi-burgers werden het slachtoffer van allerlei soorten misbruik. In feite was de opstand van november 1959 slechts het begin van een reeks gewelddadige acties gericht tegen Tutsi's. Terwijl de gebeurtenissen van 1959 verantwoordelijk waren voor honderden doden, steeg geleidelijk de tol die men betaalde tijdens de daaropvolgende crisissen. De eerste politieke slachtoffers waren Tutsi-stamhoofden en onderstamhoofden. Van de 43 Tutsi-stamhoofden en 549 onderstamhoofden begin november 1959, werden er respectievelijk 21 en 314 uitgeschakeld door moord, uitwijzing of verbanning. Ze werden vervangen door « tijdelijke » Hutu-autoriteiten die, zes maanden na de opstand, ongeveer de helft van de posten innamen. Tijdens de gemeenteverkiezingen van juni-juli 1960, beschikten de Tutsi-partijen over 289 gemeenteraadsleden op een totaal van 3 125, dus amper 9 %. Dient echter opgemerkt dat UNAR opgeroepen had deze verkiezingen te boycotten wat de uitslag kan beïnvloed hebben ten voordele van de Hutu-partijen.

Fysieke uitschakeling duurde voort, vooral tijdens periodes van politieke spanning zoals voor en tijdens de gemeenteraadsverkiezingen van 1960 en de parlementsverkiezingen van september 1961. Toch werd de finale slag uitgedeeld aan het einde van 1963. Een aanval in Bugesera door inyenzi leidde tot geweld. Alleen al in de préfecture van Gikongoro werden naar schatting tussen de 5 000 en de 8 000 Tutsi's vermoord of ongeveer 10-20% van de totale Tutsi-bevolking van de préfecture . De Tutsi-leiding die in het land bleef werd grotendeels uitgeschakeld: de 15 belangrijkste leiders werden onmiddellijk terechtgesteld zonder enige vorm van proces. Dit betekende het einde van de twee Tutsi-partijen, de UNAR en de RADER, en tegelijkertijd maakte het een einde aan deelname van Tutsi's aan het openbaar leven. Crisissen met een minder grote impact bleven de etnische minderheid beroeren. De laatste maal dat dit gebeurde tot 1990, was in 1973, het begin van de coup van 5 juli 1973 (Reyntjens, 1994).

3. Concentratie van macht en toenemende autoritaire praktijken . Zoals in verscheidene andere Afrikaanse landen, werd Rwanda na de beginperiode van een meerpartijenstelsel, de facto een éénpartijstaat. De oppositie werd uitgeschakeld door een combinatie van verschillende technieken zoals intimidatie, arrestaties, fysiek geweld en soms onderhandelingen. De werkelijke politiek van Parmehutu richtte zich op de uitroeiing van de andere Hutu- en Tutsi-partijen. Tijdens een speech ter gelegenheid van de eerste verjaardag van de onafhankelijkheid, maakte president Grégoire Kayibanda zijn voorkeur reeds bekend voor « een meerderheidspartij ­ een « overweldigende » meerderheid ­ met een kleine oppositie ». Aldus verklaarde hij dat een « proliferatie van politieke partijen de bevolking in verwarring zou brengen, de vooruitgang van het land incoherent zou maken en zou leiden tot een schadelijke stagnatie van de natie » (Chronique de politique étrangère , 1963).

Het resultaat was dat in 1965, de MDR-Parmehutu de enige partij was die kandidaten naar voren kon schuiven voor de parlements- en presidentsverkiezingen. Zonder als dusdanig geconstitutionaliseerd te zijn, noemde ze zichzelf toch de « Nationale Partij ». Met de uitschakeling van de oppositie, nam de concentratie van macht binnen de partij toe. Vooral na 1968, dwongen verschillende conflicten of meningsverschillen binnen de regering, het regime ertoe zich steeds meer in zichzelf terug te trekken. In 1972 was de usurpatie van macht door een kleine groep politici uit Gitamara ­ de thuisstreek van president Grégoire Kayibanda ­ volledig (Reyntjens, 1985).

De Tweede Republiek

Geconfronteerd met uitingen van ontevredenheid, vooral vanwege politici en het leger in het noorden, trachtte Grégoire Kayibanda's regering haar toevlucht te nemen tot « etnische » taktieken. In 1973 brak het geweld ­ oorspronkelijk van etnische origine ­ uit in scholen, administratie en de zakenwereld. Vanuit een psychologisch standpunt, werden deze ontwikkelingen zeker beïnvloed (en bevorderd) door de bloedige gebeurtenissen van 1972 in Burundi waarin Hutu's het slachtoffer werden van genocide moordpartijen (VN Mensenrechtencommissie, 1972) Het dient echter benadrukt dat de drijfveer gericht op het verdrijven van Tutsi's,ontspringt in het machtscentrum dat de aandacht van andere onderwerpen trachtte af te leiden (Reyntjens, 1985). De politici van Gitarama verloren echter uit het oog dat de dynamiek van deze politiek kon ontaarden in een situatie waarin volledige controle eerder een onzeker element was. De bevolking viel de rijken aan (en niet enkel de Tutsi-rijken); de Hutu's uit het noorden verjaagden de Hutu's uit het centrale gebied; politici uit het noorden verlegden hun aandacht van de scholen ­ waar alles begonnen was ­ naar de ministeries en de ondernemingen waar ze zich ondergewaardeerd of verbannen voelden. Wanneer bepaalde politici uit het noorden, vooral de Nationale Defensieminister, generaal-majoor Juvénal Habyarimana, zich bedreigd voelden, besloot hij uiteindelijk over te gaan tot militaire interventie; het leger uit het noorden was historisch gezien altijd al overheersend geweest. Grégoire Kayibanda's regime werd omvergeworpen op 5 juli 1973, zonder geweld en grotendeels met instemming van de bevolking (Reyntjens, 1994). Dit was het begin van de Tweede Republiek onder president Habyarimana.

Na een geheim proces, legde het gerechtshof in juni 1974 de doodstraf op aan voormalig president Grégoire Kayibanda en zeven andere vooraanstaande personen uit zijn regime. Anderen werden veroordeeld tot jarenlange opsluiting.

Alhoewel in sommige gevallen gratie werd verleend, had dit slechts een symbolische betekenis. De successen van de hoogwaardigheidsbekleders gingen verloren in de beruchte « speciale sectie » van de gevangenis van Ruhengeri, terwijl Grégoire Kayibanda, die onder huisarrest was geplaatst in Kavumu, in 1976 stierf zonder de medische hulp die hij nodig had. Na de « morele revolutie » van 1973, waren de militanten van de « sociale revolutie » van 1959 verdwenen ­ sommigen op politieke wijze, anderen op fysieke wijze. Desondanks maakte het regime van de Twee Republiek aanspraak op de revolutionaire legitimiteit van het vorige regime: « Begerig om de resultaten van de Sociale Opstand van 1959 te bewaren, wil de MRND het volk van Rwanda mobiliseren onder het teken van vrede en nationale harmonie door het herstellen van een klimaat van vertrouwen tussen de zonen en dochters van de Natie » (MRND, 1985). De breuk met de Eerste Republiek bleef echter groot.

In vele opzichten stond de Tweede Republiek in schril contrast met de Eerste. Allereerst zien we een periode van duidelijke modernisering die zich uit in een opening naar de buitenwereld toe, stedelijke groei, investeringen en handel. Waar het regime van de Eerste Republiek naar binnen gericht was, was dat van de Tweede Republiek voorstander van een politiek om het land open te stellen. Men constateerde een plotse stijging in het aantal diplomatieke posten van Rwanda in het buitenland en van andere landen in Kigali. President Habyarimana reist geregeld en onthaalt vaak gasten. In 1979 vond in Kigali de zesde Franco-Afrikaanse Conferentie plaats. Rwanda is in 1976 medestichter van de Communauté économique des Pays des Grands Lacs (CEPGL) en van de Organisation pour l'aménagement et le développement de la rivière Akagera (OBK) in 1977. Men doet zware investeringen in infrastructuur, zoals het spoornetwerk en de telecommunicatie. Kigali, amper 15 000 inwoners in 1965, groeit uit tot een stad van ongeveer 250 000 inwoners in het begin van de jaren '90 en vele kleine centra worden geleidelijk aan verstedelijkt, dit nog bevorderd door de uitbreiding van het elektriciteitsnet. De stijgende mobiliteit verbonden aan de investeringen, communicatie en training is echter niet altijd even bevorderlijk voor sociale controle, handhaving van de orde en « moraal » en de strijd tegen een stedelijke exodus (Reyntjens, 1994).

Ook, wat betreft de zakenwereld, moet de bijzondere « eerste republikeinse » strengheid wijken voor een enigszins andere ethiek. Burgerlijke ambtenaren mogen bijvoorbeeld zonder enige beperking met de privé-sector handel voeren. Toegelaten zijn eveneens: bezit van huurhuizen, aankoop van huurwagens, en belangen in gemengde economische ondernemingen en handelsondernemingen (Presidentiële Instructie nr. 556101, 11 juni 1975). Dit fenomeen was in Rwanda niet prominenter aanwezig dan in andere landen, maar het feit dat Rwanda uiteindelijk niet zo veel verschilde, leidde tot een wijziging van het bijzondere beeld dat velen tot in het midden van de jaren '80 hadden van het land.

« De mythe van een « egalitaire republiek » was verdampt: een vierdelige bourgeoisie (militair, administratief, zakelijk en technocratisch) verduistert in haar eigen voordeel een belangrijk deel van de nationale inkomsten » (Bezy, 1990).

Geleidelijk aan begint de band tussen de stad en het platteland (die altijd een belangrijk evenwichten cohesie-element was geweest) af te brokkelen. Een van de personen ondervraagd door Hanssens, drukt het als volgt uit:

« Terwijl de werkelijke leiders nog steeds « boeren » zijn, trekken de kinderen van kaderleden of van kantoorhouders eigenlijk eerder naar een stedelijk model en wanneer zij aan de macht komen, zullen ze alle contact verloren hebben met de realiteit. Vandaar de Zaïre-isatie van Rwanda met een elite die ongetwijfeld de sociale infrastructuur zal verwaarlozen om haar eigen welvaart een duwtje te geven » (Hanssens, 1989).

Een proces in de richting van een breuk tussen een stedelijke minderheid en een landelijke meerderheid was in de jaren '80 in de maak. Newbury merkt op dat de economische veranderingen van de jaren '80 niet enkel resulteerden in een breder wordende kloof tussen rijk en arm, maar ook in een bevestiging vanwege de machthebbers van de klassenbelangen (C. Newbury, 1991).

Tenslotte dient het opgemerkt dat toegang tot macht en kennis slechts gegund was aan enkele regionale groepen in het land, meer bepaald aan de noordelijke préfectures van Gisenyi en Ruhengeri. Deze concentratie vond plaats in de loop der jaren en werd gereduceerd tot deze twee préfectures aan het einde van de jaren '80. We zullen ons beperken tot drie voorbeelden. In het midden van de jaren '80, eigende de préfecture van Gisenyi zich bijna één derde toe van de 85 belangrijkste posten in de republiek, alsook bijna volledige leiding over het leger en de veiligheidsdiensten. Volgens een rapport uit het begin van de jaren '90, bevonden 33 openbare instellingen (op een totaal van 68), zich onder het directoraat van mensen uit Gisenyi (19 posten) en Ruhengeri (14 posten). In de periode 1979-1986, bedroegen de « ongelijkheidsindices » voor beurzen om in het buitenland te studeren 1,83 voor Gisenyi en 1,44 voor Ruhengeri (de slechtst toebedeelde préfecture bleek Kibungo in het oosten, met een index van 0,67). In 1990 werd het etnisch conflict ingehaald of zelfs overtroffen door regionale conflicten en ­ binnen de dominante regio ­ door kleinschalige antagonismen (bijvoorbeeld, de préfectures van Gisenyi en Ruhengeri lagen met elkaar overhoop in het noorden terwijl in Gisenyi zelf, Bushiru ­ Habyarimana's thuisgebied ­ in strijd lag met Bugoyi (Reyntjens, 1994).

Ondanks alle moeilijkheden van de Tweede Republiek, vonden een aantal positieve ontwikkelingen plaats. Uitgedrukt in termen van aangroei van het BNP per hoofd, was Rwanda zeer succesvol, vooral als we rekening houden met de inherente handicaps van het land (door land omgeven natuur, demografische druk, gebrek aan grondstoffen) en zeker in vergelijking met de naburige landen. Tabel 1 vertegenwoordigt Rwanda's vooruitgang en dat van de buurlanden in de lijsten van de Wereld Ontwikkelingsrapporten gepubliceerd door de Wereldbank in de periode die samenvalt met de Tweede Republiek.

Tabel 1. BNP per hoofd in Rwanda en de buurlanden

Jaar
­
Année
Ranglijst
­
Classement
Rwanda Burundi Zaïre Oeganda
­
Ouganda
Tanzania
­
Tanzanie
1976 7 11 16 33 25
1981 16 14 12 13 19
1985 18 11 9 niet besch.
­
inconnu
21
1990 19 11 12 13 2
Verschil. ­ Différence +12 0 -4 -20 -23

Bron: Wereldbank, Wereld Ontwikkelingsrapporten in Reyntjens (1994).

Dus, in een tijdspanne van 15 jaar heeft Rwanda zijn relatieve positie verbeterd, en is van de onderste naar de bovenste laag van de ranglijst geklommen, terwijl Burundi zijn oorspronkelijke plaats behoudt en de andere buurlanden armer werden, sommige zelfs aanzienlijk armer. Met andere woorden, van de armste van de vijf in 1976, was Rwanda in 1990 het minst arme land. In andere sectoren, zoals bijvoorbeeld de infrastructuur, was vooruitgang duidelijk merkbaar met een verkeersnet dat als een van de beste in Afrika mag worden beschouwd, een betrouwbare postdienst en een betrouwbaar telecommunicatiesysteem, een behoorlijke waterbevoorrading, de uitbreiding van het elektriciteitsnet enz.

In de jaren '80 werd Rwanda door de Wereldbank en door anderen beschouwd als een succesvolle Afrikaanse economie met een matige schuldenlast in vergelijking met de meeste andere landen van het continent, en dit tenminste tot in de tweede helft van het decennium. (In 1987 bedroeg Rwanda's schuld 28% van het BNP ­ één van de laagste percentages in Afrika). De economie was in evenwicht en de munt vrij stabiel in die mate dat het in de streek aanzien werd als harde valuta.

Alhoewel ver van aanvaardbaar, verbeterde ook de situatie van de mensenrechten. Het aantal politieke gevangenen werd bijvoorbeeld teruggeschroefd en er werden inspanningen geleverd om het overmatige en buitensporig gebruik van reglementeringen op voorwaardelijke opsluiting en de beperkte vrijheid van beweging te beperken en te controleren. Bovendien dient opgemerkt dat tussen generaal Habyarimana's machtsovername en de oorlog van oktober 1990, er geen noemenswaardig etnisch geweld plaatsvond. Tegenwoordig wordt vaak vergeten dat president Habyarimana vrij populair was onder de Tutsi's in het binnenland en dat hij zelfs door enkele Hutu's werd beschuldigd van het bevoorrechten van Tutsi's (Chrétien, 1993).

HOOFDSTUK 4

NAAR DE CRISIS IN RWANDA, 1990-1994

Algemene samenvatting: belangrijkste medespelers/belangrijkste factoren

Op 1 oktober 1990 begon het Rwandese Patriottische Front (RPF), of meer specifiek de militaire vleugel, het RPA (Rwandese Patriottische Leger) het noorden van Rwanda binnen te vallen vanuit Oeganda. Uiteindelijk trokken zo'n 7 000 (Tutsi-)troepen de grens over. Bijna vier jaar later, op 6 juli 1994, nam een RPF-gedomineerde regering het roer over in Kigali, de hoofdstad van Rwanda.

De RPF-invasie betekende het begin van een constante crisis die op dramatische wijze zou escaleren na, in april 1994, het neerschieten van het vliegtuig waarmee president Habyarimana (en zijn tegenhanger uit Burundi) terugkeerde van een vredesbijeenkomst in Dar-es-Salaam (Tanzania). Alvorens iets gedetailleerder in te gaan op de periode na de RPF-invasie en het Arusha-proces, beschrijven we eerst de belangrijkste medespelers en factoren in de Rwanda crisis van de jaren '90. De belangrijkste medespelers zijn het uitgedaagde Habyarimana-regime, het RPF, de interne politieke oppositie en de internationale gemeenschap. De belangrijkste factoren zijn de vluchtelingen en de economische en politieke crisissen. De regionale dimensies van de crisis zullen afzonderlijk behandeld worden.

Het RPF : de vluchtelingencrisis

De oprichting van het RPF, begin 1988, in Kampala, de hoofdstad van Oeganda (na gesprekken eind 1987), is verbonden met de nauwe betrokkenheid van Tutsi's in het Oegandese leger (NRA) van president Yoweri Museveni. Generaal-majoor Fred Rwigyema, die op 1 oktober 1990 het RPF aanvoerde in Rwanda, was vice-minister van Defensie onder Museveni, Majoor Paul Kagame, de huidige vice-president van Rwanda, was onderdirecteur van de militaire inlichtingendienst in Oeganda (Prunier, 1995).

Rwandese vluchtelingen en burgers in Oeganda droegen in grote mate bij tot Museveni's overwinning in 1986. Etnisch gezien waren zij de derde grootste groep in het NRA (Prunier, 1992). Er is opgetekend bewijs dat Museveni het RPF steunde (Prunier, 1992 en 1995; Human Rights Watch/Arms Project, 1994). Het RPF was een sterk gemotiveerde en goed getrainde strijdmacht. Ongeveer 2 500 RPF-soldaten hadden deel uitgemaakt van het Oegandeze leger (Prunier, 1995). Op 3 oktober 1990 was het RPF-offensief tijdelijk een halt toegeroepen door de Rwandese Strijdkrachten (Forces Armées Rwandaises , FAR) (Reyntjens, 1994; Prunier, 1995).

Het RPF is een creatie van de Tutsi-vluchtelingen die Rwanda tussen voornamelijk 1959 en 1966, ontvlucht waren. In de loop der jaren bleef de wens van de 600 000 vluchtelingen in Oeganda, Burundi, Zaïre en Tanzania (met inbegrip van hun afstammelingen) om terug te keren naar hun land sterk aanwezig (Guichaoua, 1992; Watson, 1991). De politieke verandering in Oeganda na 1986 en de betrokkenheid van Tutsi's in de consolidatie, zorgde voor een uitstekend kader voor het uitwerken van een militaire invasie. Een andere bevorderende factor was de steun die het RPF kreeg tijdens het vluchtelingencongres in Washington DC, augustus 1988.

Alhoewel het onmiddellijke motief voor het RPF de oplossing van de vluchtelingencrisis was, werkte het Front ook een achtpuntenprogramma uit met het doel de Rwandese politieke cultuur structureel te wijzigen. Het programma beschuldigde de Rwandese regering van ondemocratische en corrupte praktijken en van etnische discriminatie. Het RPF wierp zich expliciet op als multi-etnisch. Desondanks waren de leiding en de leden voornamelijk Tutsi's.

Sommige waarnemers stellen de wijsheid van het RPF in vraag door de uitvoering van militaire acties op dat ogenblik (Prunier, 1993). De invasie vond plaats slechts twee maanden nadat de 30-maanden gesprekken onder het UNHCR en OAU over het vluchtelingenprobleem geleid hadden tot een (derde) ministeriële overeenkomst tussen Rwanda en Oeganda wat misschien tot concrete resultaten had kunnen leiden, en tijdens een geleidelijk aan ontwikkelend politiek liberalisatieproces in Rwanda. Alhoewel het erop lijkt dat de onderhandelingen een doorbraak hadden kunnen betekenen, was het RPF echter niet bereid nog langer te wachten; het was het constante talmen van de Rwandese regering duidelijk moe. Er wordt echter gesuggereerd dat het RPF op dat tijdstip aanviel omdat een mogelijke doorbraak in de democratisering, mensenrechten en repatriëring van vluchtelingen de legitimiteit van een aanval zou hebben aangetast (Reyntjens, 1994).

Het uitgedaagde regime

Het Habyarimana-regime, met de MRND-partij en het leger als belangrijkste steunpilaren, was tijdens zijn 17-jarig bestaan nooit echt uitgedaagd, tot de RPF-invasie. Dit betekende niet dat het regime niet blootstond aan kritiek. Sommigen die het Habyarimana-regime vijandig gezind waren in de jaren '70 en '80 ­ waaronder radicale Hutu's zoals Alexis Kanyarengwe en Jean Barahinyura ­ doken in de vroege jaren '90 op als vooraanstaande RPF-leden (Reyntjens, 1994). Anderen zouden de binnenlandse oppositie vervoegen waaruit in 1990 politieke partijen zouden ontstaan.

In het algemeen echter was Habyarimana vrij populair zowel bij de Hutu-gemeenschap als bij de Tutsi-gemeenschap. Vanaf 1985 zou deze populariteit slijten ten gevolge van een algemene politieke en economische crisis. Terwijl het conflict zich ontvouwde, kreeg de president steeds meer kritiek, zelfs vanuit zijn eigen partij. Hij geraakte geklemd tussen de eis voor politieke liberalisatie vanwege de oppositie en de internationale gemeenschap enerzijds, en de weigering van zijn eigen aanhang om politiek-economische posities op te geven, anderzijds. De opeenstapeling van partijmilities (Interahamwe ) en vooral van een extremistische pro-Hutu-partij (Coalition pour la Défense de la République , CDR) en uitdrukkingen van volkstrots zijn in het algemeen indicatoren van de oppositie tegen het hervormingsproces.

« Extremisten binnen de MRND hebben officieel in maart 1992 de CDR opgericht » ­ « met een expliciete agenda van Hutu-extremisme » (African Rights, 1994). Alhoewel de CDR waarschijnlijk nooit veel aanhang kende, oefende ze toch een belangrijke invloed uit op de etnische en politieke positie van de MRND (Reyntjens, 1994). De ideeën werden verspreid via de media (sinds 1989 de krant Kangura , en sinds juli 1993 het radiostation RTLMC). « Kangura gebruikte zijn nauwe contacten met de hoogste kringen van de militaire veiligheidsdienst en de CDR om belangrijke informatie door te spelen aan het publiek, met het expliciete doel angst en verwachtingen te creëren. » « Dichter aanleunend bij de meest extreme ideologieën van de CDR dan bij die van Habyarimana, aarzelde ze niet om kritiek te leveren op de toegevingen van de president tijdens het Arusha-proces. » (African Rights, 1994).

De meeste waarnemers stemmen in met de notie en de mogelijkheid dat Habyarimana het feit dat hij niet toegaf aan een totale boycot van de politieke liberalisatieproces als gevolg van de vredesonderhandelingen met het RPF en de binnenlandse oppositie in Arusha tussen juli 1992 en augustus 1993, met zijn leven bekocht op 6 april 1994 (Reyntjens, 1994; Prunier, 1995; Lemarchand, 1995).

De economische crisis

Het hierboven omschreven conflict kan gezien worden als een strijd tussen een steeds verder afgemat regime en zijn uitdagers. Deze laatsten konden zich niet langer verzoenen met een éénpartijregering die volgens hen autoritair was, ondemocratisch en als dusdanig niet aangepast was aan de nieuwe politieke situatie. Die oppositie werd gevoed door persberichten over corruptie binnen het regime. Het Habyarimana-regime werd verder gezien als een obstakel voor economisch herstel. Men ziet inderdaad een verband tussen de economische crisis die Rwanda hard getroffen had sinds 1985 en de groeiende oppositie uit verschillende delen van het Rwandese burgerlijke leven (Chrétien, 1991). Tot op het einde van de jaren '80 werd Rwanda omschreven als een klein en arm, maar economisch gezond en onafhankelijk land. Het gemiddelde inflatiecijfer in de jaren '80 lag niet hoger dan 4 % per jaar, in vergelijking met het gemiddelde percentage van 20 % van sub-Sahara Afrika (SSA) %. Vanaf 1965 tot 1980, groeide Rwanda's BNP a ratio van een percent hoger dan dat van SSA.

Steun van multilaterale agentschappen, bilaterale donateuren (België, Frankrijk, Duitsland, de Verenigde Staten) en NGO's droegen bij tot de ontwikkeling van Rwanda. In 1991 bijvoorbeeld, vertegenwoordigde de bilaterale en multilaterale steun 21,5 % (IBRD, 1993) van Rwanda's BNP en 60 % van de ontwikkelingsuitgaven, een cijfer dat hoger ligt dan het gemiddelde van SSA maar niet het hoogste. Rwanda trok de internationale aandacht omwille van haar lage migratiecijfer naar de steden, haar degelijke monetaire politiek, de actieve betrokkenheid van de regering en de burgerlijke maatschappij in anti-erosie-activiteiten, onderwijs en gezondheidszorg. De internationale steun aan Rwanda nam snel toe, steeg van een jaarlijkse 35 miljoen US$ in 1971-1974 naar tot 343 miljoen US$ in 1990-1993 of bijna 50 US$ per hoofd (OECD-statistieken).

Er waren echter problemen in ontwikkeling. Een groot probleem was het tekort aan land. De bevolkingsaangroei in het reeds dichtbevolkte land, leidde tot een situatie waarin het gemiddelde boerengezin niet meer dan 0,7 hectare land bezat, en zich steeds vaker geconfronteerd zag met het probleem niet volledig in haar eigen behoeften te kunnen voorzien. Waar in 1982 9 % van de bevolking minder dan 1 000 calorieën per dag verbruikte (een extreem laag niveau), steeg dit percentage naar 15 % in 1989 (met gedeeltelijke hongersnood in het zuiden) en naar 31 % in 1993 (Maton, 1994). In 1993 was het land dus steeds meer afhankelijk van voedselhulp. Deze verslechtering van de situatie was natuurlijk ook een gevolg van de burgeroorlog. Een RPA-aanval in de meest vruchtbare streek van het land in januari en februari 1993, resulteerde in een massale verhuizing van 13 % van de totale Rwandese bevolking en een daling van 15 % van de landbouwproductie in één jaar tijd (Marysse & de Herdt, 1993). Al deze elementen samen vormden de basis voor extremisme en etnisch conflict.

Los van de interne economische beperkingen, troffen aan het einde van de jaren '80, enkele belangrijke externe, economische tegenslagen Rwanda. Allereerst moest Rwanda zijn laatste tinmijn sluiten in 1985 wegens toenemende kosten, een scherpe daling in de wereldprijzen en wanbeheer (Reyntjens, 1994). Tin vertegenwoordigde 15 % van Rwanda's exportinkomsten. Dramatischer was de daling van de koffieprijzen op de internationale markten. Koffie vertegenwoordigde meer dan twee derde van Rwanda's buitenlandse inkomsten. Tussen 1986 en 1992, daalden de koffieprijzen met 75 % wat resulteerde in een verviervoudiging van haar schuld.

Andere factoren waren een periode van extreme droogte in 1989-1990 (en opnieuw in 1991 en 1993) en ziektes die twee belangrijke gewassen aantastten, maniok en zoete aardappelen, met als gevolg een tekort aan voedsel voor een half miljoen mensen en ondervoeding; toenemend schaamteloze en wijdverspreide corruptie binnen de regering; en een verscheidenheid aan budgettaire middelen voor militaire uitgaven die een piek bereikte na de invasie van de RPA-strijdkrachten vanuit Oeganda in oktober 1990. De komende drie jaar dienden verscheidene RPA-invasies, pogingen van de Rwandese regering om de RPA terug te drijven, vergeldingsmaatregelen tegen Tutsi's en nog belangrijker, massale interne bevolkingsverhuizingen in 1993 van een miljoen mensen in het noordelijk half van het land, de economie een vreselijke klap toe.

De internationale gemeenschap reageerde op Rwanda's economische crisis. De officiële nettohulp steeg bijna 60 % in twee jaar tijd en ging van 242 miljoen US$ in 1989 tot het recordcijfer van 375 miljoen US$ in 1991 en werd in 1993 op dat niveau gehandhaafd. Een belangrijke mijlpaal in de hulpvoorziening aan Rwanda, september 1990, was het structureel aanpassingsprogramma afgesloten met de Wereldbank en het IMF, dat samen met de bijdragen van zeven bilaterale donateuren, de Afrikaanse Ontwikkelingsbank en de Europese Unie, 216 miljoen US$ bedroeg. Na zich jarenlang verzet te hebben tegen structurele aanpassingen, besloot de regering van Rwanda om na de druk die uitgeoefend werd de handelsrekening en het financieel budget ­ gedeeltelijk veroorzaakt door de ineenstorting van de koffieprijzen ­ eindelijk de onderhandelingen te beginnen. Het verband tussen de koffieprijzen en het Rwandese budget stamde voort uit een oude politiek van vastgelegde koffieprijzen aan de boeren via een Koffie-Egalisatiefonds, eigenlijk een vorm van subsidies indien de netto-wereldkoffieprijs onder de gewaarborgde prijs zakte. Met de constante verschuivingen in de wereldprijzen, stegen vanaf 1987 de subsidies nodig om aan de gewaarborgde prijs te komen (Marysse, 1994; IBRD, 1993; World Bank, 1991).

De volgende lijst van enkele programmapunten, goedgekeurd in juni 1991, geeft het aanbod weer van de politieke maatregelen binnen het structurele aanpassingspakket:

* macro-economische stabilisatie en verbetering van de internationale concurrentiepositie door:

­ handhaving van een competitieve wisselkoers (de Rwandese franc, de RWF, was al met 40% gedevalueerd in 1990 en devalueerde opnieuw met 15% in 1992);

­ vermindering van het begrotingstekort naar 12% in 1990 en naar 5% van het BNP in 1993 door een combinatie van verbeterde inkomstenmobilisatie en aanpassing van de uitgaven;

­ importliberalisatie en progressieve uitschakeling van de controle op de binnenlandse prijzen en andere reglementeringen in verband met de privé-sector; en

­ een verbeterde monetaire politiek, met inbegrip van liberalisatie van de rentekoersstructuur.

* vermindering van de rol van de staat in de economie via:

­ daling van de gewaarborgde prijs aan koffieproducenten en eliminatie van het subsidiëringselement; en

­ snellere hervorming van 12 van de 86 overheidsondernemingen om ze te kunnen privatiseren, liquideren of reorganiseren.

* bescherming van de kwetsbare burgers door middel van een « sociaal vangnet », aan de hand van een « Sociaal Actieprogramma » dat het volgende inhield:

(i) arbeidsintensieve programma's voor de stedelijke wegenbouw en bodemerosiebescherming;

(ii) een voedselveiligheidsprogramma voor gebieden getroffen door droogte;

(iii) een ontwikkelingsprogramma voor kleine ondernemingen;

(iv) financiering van het ouderlijk aandeel in de onderwijsuitgaven voor de armste inwoners (10% van de bevolking); en

(v) een fonds voor de hergroepering van overbodig geworden werknemers binnen de openbare sector (De eerste drie programmapunten maakten deel uit van een in 1992 door de Wereldbank gefinancierd « Voedselveiligheid en Sociaal Actieproject » waarin de steun voor verscheidene door de VN gesponsorde initiatieven steeg).

De uitvoering van deze punten verschilde. Aan de voorwaarden van afschaffing van de subsidies aan koffieproducenten en het begrotingstekort werd niet voldaan. In plaats van te dalen, steeg het begrotingstekort tot 18% van het BNP in 1992 en tot 19% in 1993. Aangezien de voorwaarden niet vervuld waren, werd de tweede tranche van de lening van de Wereldbank niet verleend (Marysse, 1994; World Bank, 1995).

Van mogelijk belang betreffende de directe oorzaken van de genocide, zijn de volgende vragen:

* in welke mate leidde (SA) tot verarming van de Hutu-plattelandsbevolking, en maakte aldus vele mensen vatbaar voor de haatpropaganda om de milities te vervoegen en deel te nemen aan de genocide?

* in welke mate veroorzaakten het structurele aanpassingspakket van wrok onder de burgerlijke ambtenaren en andere niet-agriculturele loontrekkers, resulterend in een verhoogde vatbaarheid voor haatpropaganda en actieve of stilzwijgende deelname aan de genocide?

Wat betreft de eerste vraag, speelt de invloed van de devaluatie en de wijzigingen in de gewaarborgde prijs aan koffieboeren een rol. De regering van Rwanda verlaagde in 1990 de gewaarborgde prijs van 125 RWF per kilo naar 100 RWF, maar in plaats van de prijs verder te verlagen in overeenstemming met het SA-programma, verhoogde de regering eenzijdig de prijs naar 115 RWF in 1991 uit bezorgdheid voor de invloed van de lagere prijs op de exportinkomsten en op de koopkracht en politieke steun van de plattelandsbevolking. De koffieboeren genoten in ieder geval niet van de « voordelen » van de devaluatie zodat hun werkelijke inkomen ongetwijfeld daalde door de relatief beperkte daling van de boerenkoffieprijs, maar waarschijnlijk hoofdzakelijk door de verhoogde inflatie verbonden aan de devaluatie en het begrotingstekort in het begin van de jaren '90 (Marysse, 1994; World Bank, 1992; World Bank, 1995). De belangrijkste oorzaak echter van de verslechterende omstandigheden in deze periode, was de daling van de voedselproductie door een lange periode van droogte, gewasziekten en massale volksverhuizingen (Maton, 1994).

Van belang voor de welvaart van de plattelandsbevolking en de bevolking in de steden, is wat de Rwandese regering deed met de onverhoopte resultaten van de devaluatie, wat niet werd doorgegeven aan de boeren. Een van de redenen voor de devaluatie was het de Rwandese regering mogelijk maken het begrotingstekort in te dijken en tegelijkertijd de noodzakelijke uitgaven in de sociale sector, de gezondheidszorg en het onderwijs op hetzelfde niveau te handhaven. Terwijl het structurele aanpassingsprogramma hogere lonen en verhoging « verbruikskosten » in de gezondheidszorg en het onderwijs naar voren schoof, waren er ook voorzieningen om de sociale uitgaven van de openbare sector te handhaven en voorzieningen om de armen te beschermen. Maar ook dit werd gebaseerd op de veronderstelling dat de Rwandese regering de militaire uitgaven onder controle zou houden. De militaire uitgaven verviervoudigden zich echter 1989 en 1992 en stegen van 1,9% naar 7,8% van het BNP; de subsidies aan de koffiesector bedroegen in 1992 46% van de exportinkomsten. Een van de gevolgen van deze druk, was de ernstige schade toegediend aan het « sociale vangnet ». De uitgaven voor medicijnen voor de allerarmsten, bedroegen slechts 25% van het toegekende aandeel (Marysse, 1994; World Bank, 1992; World Bank, 1995).

Terwijl het structurele aanpassingsprogramma geen nood had aan besparen in de tewerkstelling binnen de burgerlijke ambtenarij, werd een bevriezing van de openbare loonschaal doorgevoerd. Sommige werknemers konden dit goedmaken door het groeiend aantal activiteiten in de privé-sector met de liberalisatie en de uitbreiding van buitenlandse hulp. Anderen zagen hun door de merkbare achteruitgang van de koopkracht na twee devaluaties, de algemeen verslechterende economische situatie en de escalerende burgeroorlog en het geweld, hun angst voor de toekomst nog verder vergroten.

De donateurs oefenden een zo groot mogelijke invloed uit op Rwanda gezien het peil van de economische hulp. Terwijl de meeste grote verleners van economische hulp hun hulp in principe lieten afhangen van de mensenrechten ­ zoals verder uitgewerkt in Studie II ­ en verscheidene donateurs en diplomatieke vertegenwoordigers protesteerden bij de Rwandese regering, verminderde geen van hen zijn economische hulp door specifiek en uitsluitend te verwijzen naar de steeds toenemende schending van de mensenrechten aan begin van de jaren '90.

Het antwoord van de verleners van hulp op het escalerende burgergeweld was een « positieve voorwaardelijkheid » om het democratiseringsproces te bevorderen door ondersteuning van het rechtssysteem, de vrije pers en de plaatselijke mensenrechtenorganisaties. Enkel wanneer de economische en binnenlandse veiligheidssituatie nog verder verslechterde aan het einde van 1993 en het begin 1994, nam de ontwikkelingshulp af of werd ze stopgezet. Dit stamde niet zozeer voort uit de bezorgdheid voor het burgergeweld en de schending van de mensenrechten, maar eerder uit (1) de behoefte de humanitaire hulp ­ waarvan een deel uit de geherstructureerde projecthulp kwam ­ op te drijven en zo te voldoen aan de noden van het toenemende aantal binnenlandse verhuizingen; en (2) de erosie van projectverantwoordelijkheid en efficiënte uitvoering door de verslechtering van de situatie van het land.

De binnenlandse oppositie; de politieke crisis

Het éénpartijstelsel werd steeds meer gezien als een obstakel in plaats van een toegang tot verdere ontwikkelingen. Dit standpunt werd hoofdzakelijk verspreid door de oppositie in de steden en het RPF. Vanaf 1985 nam het aantal geruchten in verband met corruptie binnen het regime snel toe (de officiële maar verzwakkende economie kon zich de voordelen van vroegere tijden niet meer permitteren). De politieke oppositie tegen president Habyarimana groeide. Alhoewel Habyarimana op 19 december 1988 officieel herkozen werd als president voor een periode van zeven jaar door het behalen van 99,98 % van de stemmen, weerklonk de stem van de oppositie steeds luider en luider.

Net als in andere delen van Afrika in het begin van de jaren '90, werden verschillende protestacties gevoerd in Rwanda. Op 4 juli 1990 werd een staking door de politie neergeslagen en een brief die het éénpartijstelsel aanklaagde werd gepubliceerd en kwam op 1 september in circulatie. Belangrijk was ook het ontslag uit het Centrale Comité van het MRND (op aandringen van de paus) van de katholieke aartsbisschop Vincent Nsengiyumva. Tot op dat ogenblik waren de katholieke kerk en de aartsbisschop traditionele bondgenoten geweest van het MRND. In april 1990 en september 1990, ter gelegenheid van een pausbezoek, gaf de kerk uitdrukking aan haar ongenoegen over de politieke en economische situatie in het land. Dit ongenoegen werd echter voornamelijk geuit door de lagere rangen binnen de kerk. Zowel de leiding van de katholieke als van de anglicaanse kerk bleef nauwe contacten onderhouden met de president en zijn regering (Reyntjens, 1994; African Rights, 1994).

Terwijl president Habyarimana in januari 1989 politieke verandering enkel mogelijk achtte binnen de grenzen van een éénpartijstelsel, stemde hij anderhalf jaar later, op 5 juli 1990, toe in een scheiding tussen partij en staat. Op 24 september 1990 (voor het gewapend conflict met het RPF), werd een nationale commissie van experten opgericht die als taak had een nationaal handvest uit te werken dat de oprichting van verschillende politieke partijen zou mogelijk maken (Reyntjens, 1994). Het is moeilijk vast te stellen of de bedoelingen van de president met betrekking tot de hervormingen oprecht waren. De daaropvolgende invasie door het RPF versnelde echter het democratiseringsproces.

Aanvankelijk duurde het mandaat van de expertencommissie twee jaar. De nieuwe politiek-militaire situatie na de invasie op 1 oktober leidde op 13 november tot de aanvaarding van het meerpartijenstelsel door Habyarimana in een redevoering die leidde tot de oprichting van nieuwe politieke partijen. In maart 1991 werd de Mouvement Démocratique Républicain (MDR) publiekelijk gelanceerd en verklaarde het uitdrukkelijk dat het de opvolger was van de MDR-Parmehutu van de eerste president, Grégoire Kayibanda. Ongeveer de helft van de stichters van de « nieuwe » partij kwamen uit Gitarama-Ruhengeri, Grégoire Kayibanda's traditionele bolwerk (Reyntjens, 1994). Andere, kleinere partijen die een belangrijke rol zouden gaan spelen in de nabije toekomst, waren de zogenaamde Parti Social Démocrate (PSD) van de intellectuelen, met enige populariteit in het zuiden, en de Parti Libéral (PL) die enige aanhang kende onder de zakenmensen, dus de Tutsi's, en de Parti Démocrate Chrétien (PDC).

Behalve de wens om zich te verzetten tegen het Habyarimana-regime, waren er slechts kleine ideologische verschillen tussen de programma's van de verschillende partijen (Reyntjens, 1994).

Officieel werd het éénpartijstelsel op 10 juni 1991 afgeschaft met de goedkeuring van de nieuwe grondwet en de wet op de politieke partijen, één week later. De positie van de Eerste Minister werd geïnstitutionaliseerd en parlementsverkiezingen werden door de president vooropgesteld. Slechts 6 weken later, op 31 juli 1991 zegden de belangrijkste « nieuwe » partijen (MDR, PDC, PL en PSD) in een algemene verklaring hun plannen op om snel verkiezingen te organiseren. Alleen de MRND, die gedurende twee decennia de macht in handen had gehad, zou voordeel halen uit onmiddellijke verkiezingen. In plaats daarvan eisten ze een nationale conventie om de hervorming van de instellingen en de roep naar democratische verkiezingen te bespreken.

Habyarimana verwierp de idee van een nationale conventie. Enkel de kleine PDC was bereid om een overgangsregering te vormen. Er werden geen verkiezingen gehouden. De andere oppositiepartijen toonden hun politieke ontevredenheid tijdens demonstraties op 17 november 1991 en 8 januari 1992 (Chrétien, 1992). Dit betekende een belangrijke tegenslag voor de hoop van de president om een verenigd front op te richten van Hutu-partijen tegen het RPF. Het betekende ook de invoering van een steeds gewelddadigere politiek vanwege het Habyarimana-regime tegen elke Hutu- en Tutsi-oppositie.

Op 6 april 1992, na zware nationale en internationale druk, werd een nieuwe overgangsregering gevormd waarin alle grote oppositiepartijen zetelden en aangevoerd werd door president Habyarimana en een Eerste Minister van de oppositie (Dismas Nsengiyaremye, MDR). De verhoudingen tussen Habyarimana en de MRND enerzijds en de oppositiepartijen anderzijds bleven gedurende het ganse RPF-conflict echter gespannen. De binnenlandse oppositie werd ervan beschuldigd samen te werken met het RPF en de Tutsi's werden steeds meer naar voren geschoven als etnische vijanden.

De internationale gemeenschap

De internationale gemeenschap en in het bijzonder de twee bilaterale hulpverleners, België en Frankrijk, speelden een belangrijke rol in het conflict. België onthield zich van militaire betrokkenheid. De Belgische regering trok haar troepen terug een maand na het begin van het conflict. Ze wilde de democratie een kans geven en was voorstander van vrede door onderhandeling. De Belgische ambassadeur speelde een belangrijke rol in de gesprekken die leidden tot de overgangsregering, aangevoerd door Dismas Nsengiyaremye.

De Fransen zonden in oktober 1990, 370 manschappen naar Rwanda en, nadat dit aantal werd teruggeschroefd in maart 1991, verhoogden ze in februari 1993 het aantal naar 670 manschappen, dus na een relatief grootschalige aanval door het RPF. Sommige bronnen beweren dat Frankrijk in 1990 en 1993 (African Rights, 1994; Human Rights Watch/Arms Project, 1994; Prunier, 1995) actief steun verleende. Tijdens de latere conflicten merkte men op dat de Fransen « het Rwandese leger steunden in het met mortiergranaten bestoken van RPF-posities » (African Rights, 1994). « Franse soldaten werden opgesteld op minstens 40 kilometer ten noorden van de hoofdstad op de weg naar Byumba, net ten zuiden van de door het RPF gecontroleerde zone. Voor zover bekend, leven daar geen Franse onderdanen of andere Westerse emigranten. » (Human Rights Watch/Arms Project, 1994). Men houdt dus vol dat de Fransen een belangrijke en ondersteunende rol speelden: door het bewaken van controleposten en het adviseren van FAR-officiers; door het geven van militaire opleiding nadat het conflict was uitgebroken; door in 1991-1992 oorlogsmateriaal te sturen ter waarde van 6 miljoen dollar en door het financieel garanderen van materiaal ter waarde van eenzelfde bedrag via derden (Human Rights Watch/Arms Project, 1994). Het is niet verwonderlijk dat het RPF vanaf het begin van het conflict wenste dat de Fransen zouden opstappen. De Franse regering echter ontkende officieel actief deel te hebben genomen aan het conflict.

Wat betreft de Afrikaanse landen, werd de rol van Oeganda reeds besproken. De Tanzaniaanse president speelde een belangrijke rol doordat hij de strijdende partijen rond de onderhandelingstafel kreeg in Arusha en gedurende het ganse onderhandelingsproces was ook president Sese Seko Mobutu van Zaïre betrokken in de staakt-het-vurengesprekken, onmiddellijk na het uitbreken van het conflict. Later zou Zaïre slechts een secundaire rol spelen in het conflict. Toen het conflict in oktober 1990 uitbrak, werden 500 Zaïrese troepen naar Rwanda gestuurd om het FAR bij te staan in het neerslaan van de RPF-invasie. Enkele weken na hun aankomst trokken ze zich terug onder de beschuldiging dat ze geen discipline hadden en Rwandese burgers mishandeld hadden (Human Rights Watch/Army Projects, 1994).

Belangrijke internationale betrokkenheid in het conflict kwam er via de Verenigde Naties als rechtstreeks gevolg van de Arusha-overeenkomsten van 4 augustus 1993. Net als regeringen en internationale instellingen, speelden ook mensenrechtenorganisaties, die op regelmatige basis rapporten publiceerden waarin ze de schending van de mensenrechten tijdens het Habyarimana-regime aan de kaak stelden, een belangrijke rol tussen 1990 en 1994.

De werkelijke invloed van de internationale gemeenschap is moeilijk in te schatten. Desondanks meent men dat bijvoorbeeld de dreiging na de publicatie van een rapport over de schending van de mensenrechten, waarin Habyarimana beschuldigd werd van de dood van minstens 2.000 burgers in maart 1993, om alle hulp stop te zetten, de Rwandese president er uiteindelijk toe heeft aangezet de vredesonderhandelingen met het RPF te hervatten (Reyntjens, 1994).

C. UITTREKSELS VAN « THE RWANDA CRISIS. HISTORY OF A GENOCIDE (PROF. G. PRUNIER, HURST & COMPANY, LONDON, 1995) Het Habyarimana regime

De goede jaren. Door de gruwel waarop het Habyarimana regime eindigde, bestaat nu de neiging om onze kennis van zijn uiteindelijk kwaad op de hele periode te projecteren. Deze impuls is begrijpelijk omdat het verstand meestal naar coherentie en betekenis zoekt in de geschiedenis, zelfs al leidt dat tot een anachronisme. Maar geschiedenis is evenzeer het onderzoek naar onderbrekingen (« waarom blijven de dingen niet altijd zoals ze zijn ? ») als een beschouwing over de coherentie van de dingen. Een tiran gedraagt zich niet altijd op een afstotelijke manier en een groot aantal onder hen zijn ­ terecht of onterecht ­ populair, toch voor een tijdje. Zonder Oost-Afrika te hebben moeten verlaten, herinnert de auteur zich dat de bevolking van Kampala in de straten danste en zong toen Idi Amin Dada in januari 1971 naar de macht greep. Of dat President Jaafar al-Nimeiry van Soedan jarenlang heel populair was vooraleer hij zijn land terug in een burgeroorlog en in een religieus conflict stortte of nog dat, niettegenstaande de uiteindelijke verschrikking in Somalië, Jaalle (kameraad) Siad Barre de steun kreeg van heel zijn land gedurende de eerste acht jaar van zijn bewind. Dergelijke voorbeelden kunnen bijna ad infinitum aangehaald worden.

Het geval Habyarimana is enigszins vergelijkbaar. Toen hij in juli 1973 de macht greep, had de politieke immobiliteit en de regionale verborgen machtsstrijd onder het Kayibanda regime de elite in een staat van verstikkende frustratie gebracht. De kunstmatige en politiek gemotiveerde terugkeer van de vervolgingen van Tutsi's zoals van oudsher hadden zowel de Tutsi-gemeenschap als de gematigde Hutu's schrik ingeboezemd. Het geleidelijke internationale isolement van het land had het diplomatiek en zelfs economisch in een moeilijke situatie gebracht. Daarom werd de coup van Generaal Habyarimana met opluchting onthaald bij de verstedelijkte bevolking en met onverschilligheid bij de plattelandsbevolking die weinig te maken had met de machtsspelletjes in Kigali.

En tijdens de volgende jaren, zeker tot 1980, waren er geen specifieke problemen. Het land bleef klein, door land ingesloten en arm zoals dat altijd al geweest was maar het nieuwe bewind leek heel mild te zijn. Natuurlijk benadrukte het de ritualistische herhaling van de ideologische slogans van « rubanda nyamwinshi » die demografische meerderheid gelijkstelde aan democratische zeggenschap en de Tutsi's werden politiek uitgesloten. Tijdens alle jaren onder Habyarimana was er niet één Tutsi-bourgmestre of préfet (86), er was slechts één Tutsi-officier in het hele leger, er waren twee Tutsi-parlementsleden op zeventig leden en er was slechts één Tutsi-minister in een kabinet dat vijfentwintig tot dertig leden telde. Het quotabeleid dat onder President Kayibanda bestond, werd behouden maar matig opgelegd. Het aantal Tutsi's in de scholen en universiteiten was vaak iets boven de vereiste 9 %. Hetzelfde gold voor de ambtenarij hoewel de Tutsi's verkozen om in de privé-sector te werken indien mogelijk omdat ze wisten dat ze op eender welk moment het slachtoffer konden worden van officieel gesteunde discriminatie. Men was het strengst in het leger natuurlijk : het reglement verbood zijn leden zelfs met Tutsi-vrouwen te huwen. De kerk bleef ondanks de Hutu-overheersing meer open en onder de geestelijkheid bestond er een maatregel van institutionele gelijkheid; in de jaren tachtig waren drie van de acht bisschoppen in Rwanda Tutsi's. In de privé-sector hadden de Tutsi's een duidelijke voorsprong op de Hutu's dankzij hun betere opleiding en een zekere culturele savoir-faire met buitenlanders (87).

Globaal bekeken was het leven van de Tutsi's die het slachtoffer waren van institutionele discriminatie (88), moeilijk maar het alledaagse leven was toch draaglijk. In vergelijking met de jaren onder Kayibanda waren de zaken er op vooruitgegaan. Enkele welbekende Tutsi-zakenlui hadden zelfs fortuin gemaakt en hadden heel goede betrekkingen met het regime. De niet uitgesproken afspraak was « Bemoei u niet met politiek, dat is weggelegd voor de Hutu's ». Zolang de Tutsi's zich daaraan hielden, werden ze gewoonlijk met rust gelaten.

Generaal Habyarimana had voor vrede en stabiliteit gezorgd in Rwanda. Maar zoals met alles had dat zijn prijs. Onmiddellijk nadat hij de macht greep, verbood hij politieke partijen maar ongeveer één jaar later, in 1974, richtte hij zijn eigen partij op : de Mouvement Révolutionnaire National pour le Développement (MRND). De president deed nogal ongegeneerd over zijn beslissing: « Ik weet dat bepaalde mensen het meerpartijensysteem verkiezen maar wat mezelf betreft, ik aarzel niet om voor het één partijsysteem te kiezen » (89). In 1978 legde artikel 7 van de Grondwet het eenpartijsysteem vast als een fundamentele waarde van het regime. De MRND was een echt totalitaire partij: elke afzonderlijke Rwandese burger moest er lid van zijn, zelfs baby's en oudere mensen. Alle bourgmestres en préfets werden uit de partijkaders gekozen. De partij was overal : elke heuvel had zijn cel en hopen aanhangers die op een promotie in hun beroepsleven rekenden, die bereid waren iedereen te bespioneren waarvoor ze de opdracht kregen en nog enkele andere ook. Wanneer het over Rwanda gaat, moet men het beeld van gemakzuchtige tropische verwarring uit het hoofd zetten. Alle burgers hadden hun woonplaats vermeld op hun identiteitskaart. Rondreizen werd gedoogd maar adresverandering zonder reden niet; een verhuis moest aangevraagd worden. Tenzij er een goede reden voor was zoals naar school gaan of voor het werk, werd de toelating om van woonplaats te veranderen, niet gegeven ­ tenzij men natuurlijk hooggeplaatste vrienden had. De administratieve controle behoorde wellicht tot de strengste onder de niet-communistische landen. In het begin van de jaren tachtig was het de gewoonte van het regime om « lichtzinnige vrouwen » te arresteren die zonder toelating in Kigali leefden ­ de meesten onder hen waren « toevallig » Tutsi-vriendinnen van Europeanen.

Indien de MRND het onontkoombare administratieve referentiekader was voor het publieke leven in het land, was het niet bedoeld als een « politieke » partij. Het woord « politiek » was inderdaad nagenoeg een vuil woord in de deugdzame en hard werkende wereld van het regime onder Habyarimana. Elke inspanning werd gedaan om te vergeten ­ officieel gezien althans ­ dat politiek bestond. Toen het regime in november 1981 na acht jaar regeren eindelijk besloot om een « parlement » op te richten, werd het de Conseil National du Développement genoemd. Rwanda was arm, Rwanda was proper en Rwanda was ernstig; het wou geen tijd verspillen aan onnozele politieke discussies. En zo werd het met de woorden van de Duitse priester Herbert Keiner, lang een fan van het regime zoals velen onder zijn broeders, « ein Entwicklungsdiktatur » (90) (« een ontwikkelingsdictatuur »). Volgens een koers die enigszins aan de Europese theorieën van « weldadig despotisme » uit de achttiende eeuw deed denken, had President Habyarimana besloten om de zware taak van de staat op zijn schouders te nemen zodat zijn onderdanen zich volledig aan de landbouw konden wijden. Gezien het gebrek aan bebouwbare grond en een jaarlijkse bevolkingsgroei van 3,7 %, had hij ergens gelijk. In dit systeem werd Habyarimana, enige kandidaat voor het presidentschap, triomfantelijk opnieuw verkozen in december 1983 en nogmaals in december 1988 met 99,98 % van de stemmen. De MRND-activisten die gehoopt hadden op « Ijana kw'ijana » (honderd procent) waren ontgoocheld (91).

Het systeem was autoritair maar enigszins galant en het werkte economisch gezien. In 1962 waren er slechts twee landen die een lager inkomen per capita hadden dan Rwanda. In 1987 waren er dat achttien en met een inkomen per capita van 300 US$, was Rwanda grofweg vergelijkbaar met de Chinese Volksrepubliek (310 US$). Wanneer we de dynamiek van de Rwandese economie bekijken, deed deze het schitterend in vergelijking met de andere landen in de regio :

De evolutie van het inkomen per capita in Rwanda in vergelijking met de buurlanden

Rwanda Burundi Zaïre Oeganda
­
Ouganda
Tanzanië
­
Tanzanie
1976 7 11 16 33 25
1981 16 14 12 13 19
1985 18 11 9 onbek. ­ incon. 21
1990 19 11 12 13 2
Variation
1976-90 +12 ­ -4 -20 -23

Bron : World Bank Yearly Developments Reports, samengesteld door Filip Reyntjens in L'Afrique des grands Lacs en crise, Parijs : Karthala, 1994, blz. 35.

De evolutie per sector was bemoedigend. De primaire activiteiten (dit wil zeggen de landbouw voor eigen onderhoud) die in 1962 80 % van het BNP voor zich nam, was in 1986 gezakt tot 48 % terwijl de secundaire activiteiten van 8 % naar 21 % en de diensten van 12 % naar 31 % gestegen waren. Het sterftecijfer was gezakt, de indicatoren voor de hygiënische en medische zorgverlening verbeterden evenals het onderwijs, hoewel duur en moeilijk te organiseren gezien de enorm verspreide aard van het huisvestingspatroon. Het aantal schoolgaande kinderen steeg van 49,5 % in 1978 naar 61,8 % in 1986 ondanks de enorme bevolkingsgroei (92).

Regionaal gezien speelde Rwanda zowel de Franstalige « Centraal-Afrikaanse » kaart door een belangrijk lid te worden van de door Parijs gesteunde Communauté économique des Pays des Grands Lacs (CEPGL = Economische Gemeenschap van de Landen aan de Grote Meren), opgericht in september 1976, en stelde het land zich ook meer open voor een meer internationale Engelstalige wereld die verbonden was aan Oost-Afrika door in september 1977 deel te nemen aan de Kagera River Basin Organisation (KBO) gesteund door de Wereldbank. Kigali hoopte via het lidmaatschap van de CEPGL op nieuwe transportverbindingen zowel naar Dar-es-Salaam als naar Lake Victoria terwijl de KBO uitzicht gaf op de ontwikkeling van hydro-elektrische installaties in het land.

Natuurlijk waren er enkele schaduwkanten aan dit enigszins hoopvol toekomstbeeld. Het alom geprezen gemeentelijke ontwikkelingswerk umuganda waar de landbouwer twee dagen op een maand van zijn tijd moest in steken, duurde soms vier dagen of meer. En in tegenstelling tot de enthousiaste woorden van het partijkader was het werk vaak niet vrijwillig. In sommige gevallen kwam het gewoon op dwangarbeid neer. De vaderlijke kritiek vanwege de ILO op deze praktijken viel in dovemansoren, zowel in Rwanda als in het buitenland (93). Op een ander vlak werd het vertrouwen op buitenlandse hulp, aanvankelijk klein, aanzienlijk aan het einde van de jaren zeventig en enorm aan het einde van de jaren tachtig. Zoals een voormalige buitenlander schertsend zei : « Rwanda is niet alleen het land van de 1 000 heuvels maar ook het land van de duizend buitenlandse hulpverleners » (94). Volgens de OESO was de buitenlandse hulp die minder dan 5 % van het BNP bedroeg in 1973, gestegen naar 11 % in 1986 en zelfs 22 % in 1991.

De sfeer rond het regime. Je kan Rwanda niet beoordelen zoals je dat voor de Centraal-Afrikaanse Republiek of Gambia zou doen. Rwanda was een land met een bepaalde mystiek. Met de nodige voorzorg in het achterhoofd moet dit land gerekend worden bij landen zoals Cuba, Israël, Noord-Korea en het Vatikaan, dat wil zeggen een ideologische staat waar macht een middel is voor ten minste de invoering van een aantal ideeën alsook een de facto administratieve structuur om een bepaald geografisch territorium te besturen.

In de vorige hoofdstukken hebben we nagegaan hoe de Belgen uit een mengeling van eigenbelang en pseudo-wetenschappelijke raciale fascinatie een neo-traditionalistisch Rwanda opbouwden dat in 1945 reëler was dan het Rwanda dat Graaf von Götzen voor de eerste keer zag in 1894. Interessant daarbij is dat de « democratische Hutu-revolutie » van 1959 de grote trekken van deze ideologische structuur niet had veranderd maar gewoon zijn signaal had omgekeerd. Tutsi's waren nog altijd « vreemde indringers » die van ver kwamen maar nu betekende dit dat ze niet echt als burgers konden beschouwd worden. Hun regering was grandioos en machtig geweest: in de nieuwe versie van de Rwandese ideologie werd het een wrede en homogeen onderdrukkende tirannie. De Hutu's waren de « autochtone landbouwers » geweest die door aristocratische indringers onderworpen waren: nu werden ze de enige rechtmatige bewoners van het land. De Hutu's vormden de stille demografische meerderheid wat betekende dat een door Hutu's geleide regering nu niet alleen automatisch gewettigd maar ook ontologisch democratisch werd.

Net zoals de eerste versie van de Rwandese ideologie een perfecte constructie was geweest om de overheersing van enkele Tutsi's van hoge komaf over iedereen, petits Tutsis en Hutu's samen, te wettigen, werd de nieuwe versie een wonderbaarlijk middel voor de nieuwe elite om zowel over de massa Hutu-landbouwers als de uit hun rechten ontzette Tutsi's te heersen. De parallellen zijn frappant. In de neo-traditionalistische versie van 1931-59 waren de petits Tutsis fier tot de « etnische aristocratie » te behoren hoewel hen dat weinig verder bracht dan dat gevoel van superioriteit. Nu waren het de Hutu's die het slachtoffer werden van dezelfde fout en zichzelf meestal ervan overtuigden dat zij, gewone boeren uit de heuvels, ergens in de macht deelden omdat de regering Hutu was. In beide gevallen steunden en versterkten de etnische elites de waanideeën van hun volgers. De Belgen hielpen de aristocratische versie van de mythe mee in het leven roepen, begonnen deze uiteindelijk zelf te geloven en hun eigen creatie te bewonderen. Nu waren het de buitenlandse hulpverleners die aan het versterken van het beeld van een « democratisch meerderheidsbewind » meewerkten en die uiteindelijk hun eigen rechtvaardigheid gingen bewonderen omdat ze Afrikanen hielpen die daar recht op hadden. Indien er een verband was tussen de twee mythes, dan was het de katholieke Kerk. Deze had de Tutsi's bewonderd en hen helpen regeren maar nu bewonderde ze de Hutu's en nu hielp ze hen besturen. In beide gevallen werd dit aanzien (en uitvoerig verklaard) als het werk van de goddelijke voorzienigheid en een grote stap voorwaarts in het uitbouwen van een christelijke gemeenschap in Rwanda (95).

Het land leefde en ademde in deze sfeer. Alles werd zorgvuldig gecontroleerd, alles was proper en in orde. De boeren werkten hard, waren rechtschapen en in de juiste mate dankbaar ten aanzien van hun sociale leiders en de liefdadige blanke buitenlanders die hen hielpen. Er was nagenoeg geen misdaad, de weinige prostituees werden ter heropvoeding opgepakt en de Kerk onderdrukte met succes eender welke poging tot geboortenbeperking ondanks de bevolkingsexplosie. België bleef de grootste donor voor buitenlandse hulpverlening maar ook Duitsland, de Verenigde Staten, Canada en Zwitserland (96) voelden zich daartoe aangetrokken omdat zij zeer tevreden waren met de houding van de regering over buitenlandse hulpverlening en met de algemene netheid van het land. Parson Keiner maakte deze terechte opmerking : « In het begin van de jaren tachtig) waren we het gewoon om de bijna idyllische situatie in Rwanda te vergelijken met de chaos na Idi Amin in Oeganda, de Tutsi-apartheid in Burundi, het « echte Afrikaanse socialisme » in Tanzania en de kleptocratie van Mobutu in Zaïre en we vonden dat het regime veel positieve kanten had. » (97)

Maar het probleem was dat deze aangename façade op een uiterst gevaarlijke ideologische fundering gebouwd was. De Hutu-gereviseerde versie van de Rwandese culturele mythologie die tot het geweld tussen 1959 en 1964 had geleid, was nog levend. En de vrede kon enkel behouden worden door voldoende financiële smering van de elite. Alles was gebaseerd op een zorgvuldig gecontroleerde machinerie van hypocrisie met de Kerk als hoofdingenieur. Gewelddadig gerommel kon net onder het oppervlak gehoord worden als je maar even stilstond om te luisteren. Voormalig President Kayibanda was in 1976 gestorven in gevangenschap (98), heel waarschijnlijk uitgehongerd door zijn cipiers (4). Tussen 1974 en 1977 hadden Théoneste Lizinde, de veiligheidschef, en zijn misdadigers zesenvijftig mensen vermoord, meestal voormalige dignitarissen van het Kayibanda regime maar ook onschuldige advocaten of zakenlui waar zij om één of andere reden een hekel aan hadden (99).

Augustin Moyaneza, voormalig minister voor internationale samenwerking (hij verklaarde aan een Franse journalist tijdens de laatste maanden van het Kayibanda regime « Onze Franse partners moeten één ding beseffen: in ons land bestaat er gewoon geen verspilling of corruptie ») (100), behoorde tot diegenen die op een ongekende datum tussen 1974 en 1977 in gevangenschap stierven. Er bestaat ook onzekerheid over de manier waarop hij de dood vond : sommige bronnen houden het op levend begraven, andere bronnen stellen dat zijn schedel werd ingeslagen met een hamer. Maar dergelijke zaken werden gewoonlijk geheim gehouden en kwamen nooit ter ore van de buitenlandse hulpverleners.

De talrijke vrienden van het regime zouden later met verstomd ongeloof de rijzende spiraal van geweld aanschouwen in de periode 1990-1994. In hun ogen moest de kritiek die aan het adres van Kigali geuit werd, kwaadwillig geïnspireerd zijn door een sympathie voor diegenen die de MRND de féodo-revanchards , de Inyenzi duivels noemde die op de loer lagen om elke mogelijkheid te grijpen om het eerlijke kleine christelijke Rwanda aan te vallen. De onthulling van de moorddadige gerechtigheid inherent aan de Rwandese mythologie was een schok die hun vermogen tot nadenken en zelfkritiek aantastte. Sommigen zoals priester Keiner die wij voorheen reeds citeerden, vonden in hun onafhankelijke morele overtuiging de kracht om hun voormalig enthousiasme opnieuw te beoordelen. Anderen die door een mengeling van oprechte maar misleide « democratische » sympathie gemotiveerd werden, weigerden te aanvaarden dat partners die tot dan « deugdzaam » leken, tot een dergelijke morele ontaarding in staat waren en omdat ze niet konden erkennen dat ze fout waren geweest, bleven ze de aard van de realiteit waarmee ze geconfronteerd waren, ontkennen (101). In sommige extreme gevallen zoals we in hoofdstuk 8 zullen zien, heeft deze ontkenning er zelfs toe geleid dat rechtschapen christelijke NGO's en anders eerlijke individuen die vaak dicht bij de kringen van de Europese Christelijke Democraten aanleunden, de genocide bijna negeerden en probeerden om de overblijvers van de MRND te blijven helpen onder het mom van « hulpverlening aan vluchtelingen ». Maar al vormden dergelijke ontwikkelingen een mogelijkheid die reeds in de teruggekeerde Rwandese ideologie vervat zat zoals een nog ongeboren giftige slang in het ei, toch was het Habyarimana regime tot (circa ) 1988 in het algemeen één van de minst slechte in Afrika als men zijn activiteiten bekijkt en niet zijn intellectuele funderingen.

De crisis. De enige stinkende episode in de vijftien jaar tussen 1973 en 1988 was de samenzwering en de poging tot staatsgreep vanwege de voormalige veiligheidschef Théoneste Lizinde in april 1980. Indien men geneigd zou zijn om de enigszins mechanistische Marxistische patronen niet te kort te doen, moet men wel opmerken dat de voorheen hoge prijs van koffie reeds sinds 1977 aan het dalen was en dat deze na 1980 opnieuw steeg vooraleer volledig in te storten in 1986.

Ook de wereldprijs voor tin stortte in spoedig na de koffieprijzen (1984-86) wat tot het sluiten van de tinmijnen in Rwanda leidde. Omdat tin de verslapping van de koffieprijzen had opgevangen in 1982-83 ­ zijn aandeel in de buitenlandse exportinkomsten steeg naar 20% (het aandeel van koffie was van 75% geleidelijk aan naar ongeveer 50% gezakt ­ kwam deze tweede slag heel hard aan (102)...

En je kan stellen dat de politieke stabiliteit van het regime nagenoeg exact de curve van deze prijzen volgde. Rwanda is een heel arm land dat op landbouw voor eigen gebruik gebaseerd is en weinig meerwaarde kan rechtstreeks van de landbouwers gehaald worden. Voor de elite van het regime waren er drie bronnen van verrijking: de export van koffie en thee, de kortstondige export van tin en het afromen van de buitenlandse hulp.

Omdat een groot deel van de eerste twee nodig was voor het functioneren van de regering, bleef door de dalende bronnen van inkomsten tegen 1988 enkel nog de derde bron over als levensvatbaar alternatief. Vandaar de stijgende concurrentie in de strijd om de toegang tot dit heel gespecialiseerde hulpmiddel dat slecht toegeëigend kon worden via directe controle op hoog regeringsvlak. Zo begonnen de verschillende gentlemen's agreements die tussen de wedijverende politieke clans bestonden sinds het einde van het Kayibanda regime, te smelten naarmate de hulpmiddelen verminderden en de interne machtsstrijd heviger werd.

Het eerste teken dat er iets aan de hand was, was de moord op Kolonel Stanislas Mayuya in april 1988. Mayuya was een goede vriend van President Habyarimana en er waren sterke geruchten dat hij ten gepasten tijde deel zou gaan uitmaken van de regering, misschien als vice-president, om hem voor te bereiden op de opvolging. Dit betekende de ondergang voor één van de grootste politieke clans van het regime, in Kigali eerst « le Clan de Madame » genoemd en later « akazu » (103).. Zoals de naam het aangeeft, bestond de « Clan de Madame » uit familieleden van de vrouw van de President en hun beste vrienden. De belangrijkste leden van de groep waren drie van haar broers kolonel Pierre-Céléstin Rwagafilita, Protais Zigiranyirazo en Séraphin Rwabukumba, haar neef Elie Sagatwa en beste vrienden kolonel Laurent Serubuga en Noël Mbonabaryi. Zij werden gevolgd door een aantal minder belangrijke maar toegewijde volgelingen waaronder Kolonel Théoneste Bagosora die later een fundamentele rol zou gaan spelen. Er waren drie specifieke redenen waarom de « Clan de Madame » een dergelijke belangrijke rol ging spelen in de gang van zaken.

Ten eerste, volgens de Rwandese politieke traditie die het MRND Hutu regime van zowel Grégoire Kayibanda als de oude Tutsi Abami geërfd had, moest de heerser over volgelingen beschikken die zijn ogen en oren waren, mensen buiten de officiële machtsstructuur die hem onmiskenbaar toegewijd waren en alles zouden doen zonder vragen te stellen. De Abami hadden zulke mensen gevonden in hun eigen Abayinginya clan en in hun « maritale » clan, de Ababega. Dit ging natuurlijk gepaard met verraad, samenzweringen, ommekeer van allianties enzovoorts, dagelijkse kost voor dit Florentijnse hof. Omdat, zoals reeds gezegd, de Hutu clans voornamelijk een politieke constructie waren van de regerende politieke Tutsi-orde, konden zij niet gemakkelijk voor dit doel ingezet worden omdat ze slechts een matig engagement van hun leden verkregen. Onder de Hutu's nam het regionalisme bijgevolg de plaats in van het « clanisme ». President Kayibanda speelde verschillende groepen tegen elkaar uit maar meestal vertrouwde hij, zelfs tot op het punt van isolatie, op mensen afkomstig uit Gitarama. En binnen elke « regionale maffia » bestond dan natuurlijk de neiging om subgroepen te vormen volgens de precieze, nauwer omschreven geografische afkomst.

Ten tweede, vanuit dat standpunt gezien zat President Habyarimana met een probleem. De « Tweede Republiek » die hij in 1973 oprichtte, was aanvankelijk een noordelijke revanche op de Parmehutu zuiderlingen (104). Maar eenmaal het duidelijk werd dat de kabinetsfuncties, economische kansen en buitenlandse studiebeurzen vooreerst en voornamelijk naar de noorderlingen zouden gaan, begonnen zij onder elkaar te strijden om te weten wie meer zou krijgen. De President en zijn vrouw verkozen de mensen van de Gisenyi préfecture boven de Ruhengeri préfecture groep onder leiding van de Minister van Buitenlandse Zaken Casimir Bizumungu en de Minister van Openbare Werken Joseph Nzirorera. De Ruhengeri jongens werden dus naar de tweede plaats verdrongen door de neefjes uit Gisenyi. Maar daar bleef het niet bij. De voorkeursposities gingen af van gemeentelijke affiliatie en daar stond de President zwak. President Habyarimana was in de Karago commune geboren maar hij was niet « iemand », d.w.z. lid van een respectabel geslacht. In feite bestonden er geruchten dat zijn grootvader een immigrant was uit de Oegandese provincie Kigezi of uit de Zaïrese provincie Kivu. In vele opzichten was hij een alleenstaande, self-made man. Hoewel hij de mwami van de Hutu's, de hoogste shebuja van het land was geworden, toch beschikte hij niet over trouwe abagaragu die hem persoonlijke loyaliteit verschuldigd waren.

Ten derde, het geval van de vrouw van de President was anders. Agathe Kanzinga was afkomstig van Bushiru en was de dochter van één van die kleine noordelijke Abahinza Hutu-geslachten die in onafhankelijkheid over prinsdommen heersten tot aan het einde van de negentiende eeuw en soms tot zelfs 1920. Zij en haar familie waren trots op hun afkomst die groots en bekend was. Dus vertrouwde de President op de clan van zijn vrouw en abagaragu als zijn ogen en oren. Zij werd zo machtig dat zij door het volk de bijnaam kreeg van « Kanjogera », in nagedachtenis van de verschrikkelijke moeder van Koning Musinga, de echte machthebber achter diens troon. Haar echtgenoot vertrouwde op haar en op haar familie voor velerlei zaken maar hij werd gaandeweg ook hun gevangene en tenslotte hun slachtoffer (105). In het klimaat aan het einde van de jaren tachtig toen de politieke strijd om de controle over een snel slinkende economie heviger werd, leken de plannen over de opvolging die President Habyarimana koesterde voor kolonel Mayuya een ernstige bedreiging voor « le Clan de Madame ». Deze dreigde de controle te verliezen op een moment dat controle belangrijker was dan ooit omdat Mayuya de man was van de President zelf (en één van de weinigen!) (106). Kolonel Serubuga, één van de machtigste akazu -leden, organiseerde de moord op Mayuya. De sergeant die eigenhandig de trekker overhaalde, werd later in de gevangenis vermoord en de openbare aanklager die met de zaak belast was, werd tijdens het onderzoek vermoord.

De Mayuya affaire was de vonk die het kruidvat deed ontploffen en weldra vlogen de verschillende clans elkaar naar de keel. In 1989 werd het budget teruggebracht met 40%, een maatregel die voornamelijk gecompenseerd werd door de sociale dienstverlening terug te schroeven (107). Dit kwam niet goed aan bij de landbouwers die reeds overladen waren met verschillende belastingen (umusanzu , watertaks, gezondheidstaks, schooltaks, enz.) en gekweld werden door een steeds grotere « vrijwillige » umuganda die meer en meer op dwangarbeid leek, vooral wanneer dit op privé-land moest gebeuren dat eigendom was van de vriendjes van het regime. De landkwestie werd ook steeds neteliger. De overbevolking bereikte een kritiek niveau en de steeds marginalere voedselvoorziening maakte het land zwaar afhankelijk van de grillen van het weer. Een kleine droogte veroorzaakte de ruriganiza hongersnood die de dood van ongeveer 300 mensen veroorzaakte in 1988-89 en duizenden anderen over de grens van Tanzania dreef op zoek naar voedsel. De regering probeerde een black-out aan de pers op te leggen omtrent deze kwestie; veiligheidschef Augustin Nduwayezu verklaarde ronduit aan een Belgische journalist: « Journalisten zouden geen artikels mogen schrijven die de hoogste overheden kunnen irriteren. » (108). In deze sfeer hadden de verhalen over landbezetting een bijzonder ergerlijke uitwerking op de landbouwers: « De beschuldiging dat de hoogste staatsinstanties door middel van de controle op een internationaal gesteund ontwikkelingsproject voordeel haalden uit gronden die ze gebruikten om vee te hoeden, kreeg een zwaar geladen symbolische waarde en speelde een cruciale rol in de ontgoocheling over het regime die op dat moment de kop begon op te steken » (109).

Waar professor Guichaoua naar verwijst zonder het te noemen, is het door de Wereldbank gesteunde Gebeka-project dat een groot hoewel snel onderdrukt schandaal veroorzaakte. Volgens één van de managers (110), was de hele zaak een echte schande. Het Gishwati woud, één van de laatste primaire wouden van Rwanda, werd onmeedogend ontgonnen om land vrij te maken voor het telen van exotisch, uit Europa ingevoerd vee om een zuivelbedrijf te starten. Hoewel de gronden evenals de fondsen gemeengoed waren, werden de winsten van het project gedeeld door de « groten » van het regime en oneerlijke buitenlanders van de Wereldbank die in het project hadden geïnvesteerd. De « democratische revolutie » in 1959 stond symbool voor de vrije toegang voor Hutu's tot land en vee, met zijn bijzondere betekenis, en de zwendel van Gebeka was een ernstige ideologische slag voor dat ideaal.

De regering probeerde via moralistische hypocrisie goed te maken wat het verloren had door bloedvergieten en financiële schandalen: in Kigali werden herhaaldelijk femmes libres (« lichtzinnige vrouwen ») opgepakt en naar het « heropvoedingsgesticht » van Rwamagana (111). gestuurd, radicale katholieke « pro-life » commando's bestormden apotheken om condooms te vernietigen met de goedkeuring van het Ministerie van Binnenlandse Zaken, jonge werklozen in de steden, willekeurig abanyali (« bandieten ») genoemd, werden in de straten opgepakt, het hoofd geschoren en naar « heropvoedingsgestichten » gestuurd en sommige sloppenwijken werden gedeeltelijk afgebroken onder het voorwendsel dat er « criminelen » woonden.

Deze acties hadden weinig langdurig effect en konden niet verhinderen dat de politieke spanningen toenamen. In augustus1989 werd parlementslid Félecula Nyiramutarambirwa moedwillig omvergereden door een vrachtwagen na kritiek op de regering omtrent corruptie inzake contracten voor wegenaanleg. Zij was ook van Butare afkomstig en werd ervan verdacht daar de politieke oppositie aan te moedigen. In november van hetzelfde jaar werd priester Silvio Sindambiwe, een openhartige journalist die te openlijk over bepaalde dubieuze regeringspraktijken had geschreven, eveneens vermoord in een geënsceneerd « verkeersongeluk ». Andere journalisten die over deze gebeurtenissen probeerden te berichten, werden gearresteerd (112).

In april 1990 kwam President Habyarimana naar Parijs en later in juni woonde hij de Frans-Afrikaanse top bij in La Baule (113). President Mitterrand die op dat moment een « liberale » politieke koers voer omtrent Afrikaanse aangelegenheden en economische hulp aan politieke democratisering leek te willen koppelen (114), adviseerde Habyarimana een meerpartijensysteem in Rwanda in te voeren. Dit advies werd snel opgevolgd en Habyarimana die altijd het politieke MRND monopolie strikt had opgelegd, verklaarde plotseling dat hij een meerpartijensysteem steunde (juli 1990).

Maar zijn persoonlijke overtuiging omtrent de kwestie leek nogal oppervlakkig. Hoe dan ook, dit belette niet dat drieëndertig intellectuelen een manifest ondertekenden waarin onmiddellijke democratisering geëist werd (augustus 1990). Er was tumult in de heuvels en de studenten in Butare die in juni amok hadden gemaakt om niet politieke redenen waarbij één onder hen werd doodgeschoten, vonden al snel dat hun beweging steun kreeg en uitbreiding nam (115). Aan het begin van de herfst van 1990 was de politieke scène in Rwanda er één van een algemene diepgaande crisis.


HOOFDSTUK 3

VASTSTELLINGEN

3.1. DE BESLISSING VAN DE VERENIGDE NATIES

In de punten 3.1.1. en 3.1.2. vindt de lezer, net zoals in hoofdstuk 2, een kort overzicht van het algemeen kader van de VN en van de beginselen die ten grondslag liggen aan de verschillende vredesoperaties.

3.1.1. Algemeen kader van de VN

De belangrijkste organen van de Verenigde Naties worden opgesomd in artikel 7 van het Handvest van de Verenigde Naties en hun werking wordt beschreven in de daaropvolgende hoofdstukken van het Handvest. Het gaat om :

­ de Algemene Vergadering;

­ de Veiligheidsraad;

­ de Economische en Sociale Raad;

­ de Trustschapsraad;

­ het Internationaal Gerechtshof;

­ het Secretariaat.

Elk van deze organen vervult welbepaalde functies die door het Handvest opgedragen zijn.

Slechts twee van deze organen hebben een belangrijke rol gespeeld in de beslissing om een vredeshandhavingsmacht op te richten voor Rwanda (UNAMIR) en in de uitvoering van deze beslissing : de Veiligheidsraad en het Secretariaat.

3.1.1.1. De Veiligheidsraad

De Veiligheidsraad heeft volgens artikel 7 van het Handvest van de Verenigde Naties van 26 juni 1945, als voornaamste functie de internationale vrede en veiligheid te handhaven.

Sinds 1 januari 1966 bestaat de Veiligheidsraad uit 15 leden, waaronder vijf permanente leden, met vetorecht, namelijk China, de Verenigde Staten, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en Rusland. Tien leden worden door de Algemene Vergadering verkozen voor een periode van twee jaar; elk jaar worden vijf leden vervangen. Tijdens de door de commissie onderzochte periode hadden de volgende verkozen Lid-Staten zitting in de Veiligheidsraad :

Niet-permanente leden van de Veiligheidsraad
van de Verenigde Naties

1992-1993 Verkozen 1 januari 1993
­
Élus le 1er janvier 1993
Verkozen 1 januari 1994
­
Élus le 1er janvier 1994
Kaapverdische Eilanden/Îles du Cap-Vert Pakistan Rwanda
Japan/Japon Brazilië/Brésil Nigeria/Nigéria
Marokko/Maroc Nieuw Zeeland/Nouvelle-Zélande Oman
Hongarije/Hongrie Spanje/Espagne Tsjechische Republiek/République tchèque
Venezuela Djibouti Argentinië/Argentine

Zoals de tabel aantoont, was Rwanda sinds 1 januari 1994 lid van de Veiligheidsraad voor een periode van twee jaar. Het werd in de Algemene Vergadering gekozen met de vereiste tweederde meerderheid. Het was één van de twee Afrikaanse landen die lid waren van de Veiligheidsraad. De verkiezing is gebeurd ondanks het feit dat in het land troepen opgesteld werden voor de handhaving van de vrede. (1)

3.1.1.2. Het Secretariaat

Het Secretariaat wordt geleid door de Secretaris-generaal die op aanbeveling van de Veiligheidsraad door de Algemene Vergadering benoemd wordt.

De Secretaris-generaal heeft met name tot taak elke zaak die naar zijn oordeel de handhaving van de internationale vrede en veiligheid kan bedreigen, onder de aandacht van de Veiligheidsraad te brengen.

De bevelstructuur van het Secretariaat, dat eveneens voor het beheer van de vredeshandhavingsoperaties, Department for Peacekeeping Operations (DPKO) instaat, zag er in 1994 als volgt uit.

Bevelstructuur van de Administratie van de
Veiligheidsraad van de Verenigde Naties

* DPKO : Department for Peacekeeping Operations.

De Belgische Permanente Vertegenwoordiging

Een belangrijke rol werd gespeeld door de Belgische vertegenwoordiger bij de Verenigde Naties.

De toenmalige eerste secretaris van de permanente vertegenwoordiging van België bij de Verenigde Naties in New York, de heer A. Brouhns, gaf in de loop van de hoorzitting van 8 februari 1997 een korte schets over de werking van de permanente vertegenwoordiging bij de VN « De permanente vertegenwoordiging bij de UNO vormt de verbinding tussen het secretariaat, de lidstaten en het Belgisch ministerie van Buitenlandse Zaken. Voorts analyseert ze het besluitvormingsproces van de Veiligheidsraad en informeert ze het ministerie over de krachtsverhoudingen binnen de Raad. Het ministerie krijgt ook informatie van onder meer de ambassades en de militaire inlichtingendiensten. De synthese gebeurt in Brussel, waar ook de beslissingen worden genomen. Als de minister onderrichtingen stuurt, proberen wij de andere lidstaten te overtuigen .

In 1993 bestond de permanente vertegenwoordiging uit 13 diplomaten (2a). Drie van hen volgden de dossiers van de Veiligheidsraad, de acht anderen de werkzaamheden van de algemene vergadering, de commissies en de gespecialiseerde instellingen. » (3a)

Volgens de heer Cools moet men zich terdege bewust zijn van de toestand waarin staten zich bevinden die geen lid zijn van de Veiligheidsraad. Hij verwoordde het als volgt : « België was tijdens de betrokken periode geen lid van de Veiligheidsraad en de vraag is dan hoe aan informatie te geraken. Ik wijs erop dat de Veiligheidsraad zeer ondoorzichtige procedures hanteert (...). België moest op het ogenblik waarover sprake dus bedelen om informatie. We hadden wel goede contacten maar kenden de details niet. » (4a)

Verder was een militair adviseur bij de Permanente Vertegenwoordiging belast met de betrekkingen met de DPKO : « (..) Tijdens de eerste Belgische VN-operaties hebben wij een militair naar onze permanente vertegenwoordiging in New York gestuurd. Over zuiver militaire problemen kon onze vertegenwoordiging rechtstreeks, maar op informele wijze, contact opnemen met de DPKO. » (5a)

Een militair adviseur was dus belast met de betrekkingen met de DPKO, maar « voor zaken die niet ressorteren onder Buitenlandse Zaken. Zo is de planning van de aflossingen van de Belgische bataljons in Slavonië een technische aangelegenheid waarover wij de Verenigde Naties rechtstreeks kunnen informeren. Dat geldt ook voor de organisatie van bezoeken van de Belgische overheid. Daarvoor vragen wij de VN toestemming omdat zij voor de veiligheid en het onthaal van die personen verantwoordelijk zijn. » (6a)

3.1.2. Het theoretisch kader van de verschillende vredesoperaties

3.1.2.1. Algemeen kader

Volgens het Handvest hebben de Verenigde Naties op de eerste plaats tot doel « de internationale vrede en veiligheid te handhaven en, met het oog daarop: doeltreffende gezamenlijke maatregelen te nemen ter voorkoming en opheffing van bedreigingen van de vrede en ter onderdrukking van daden van agressie of andere vormen van verbreking van de vrede, alsook met vreedzame middelen en in overeenstemming met de beginselen van gerechtigheid en internationaal recht, een regeling of beslechting van internationale geschillen of van situaties die tot verbreking van de vrede zouden kunnen leiden, tot stand te brengen » . (artikel 1, 1.)

De hoofdstukken VI en VII van het Handvest vermelden concrete maatregelen om tot dit doel te komen.

Hoofdstuk VI bepaalt dat de Veiligheidsraad aanbevelingen kan doen aan de verschillende partijen van een conflict om hun geschillen met vreedzame middelen te beslechten. De partijen zelf moeten, op vrijwillige basis, een vreedzame oplossing vinden, waarin ze de beslissingen van de Veiligheidsraad in de praktijk omzetten. Indien diplomatieke middelen en onderhandelingen mislukken en indien de Veiligheidsraad bepaalt dat er sprake is van een bedreiging tegen de vrede of van een daad van agressie, kunnen overeenkomstig hoofdstuk VII van het Handvest maatregelen worden genomen om de vrede op te leggen. Deze maatregelen gaan van een economisch embargo en diplomatiek isolement tot militaire acties, indien deze noodzakelijk zijn voor het herstel van de internationale vrede en veiligheid.

Hoofdstuk VII van het Handvest heeft betrekking op situaties waarbij de vrede wordt bedreigd, de vrede wordt verbroken en op daden van agressie. Er is voorzien in een hele reeks dwingende actiemiddelen voor deze extreme situaties (artikel 39) (7a).

De tenuitvoerlegging van de maatregelen waarin het Handvest voorziet om een einde te maken aan internationale geschillen, omvat twee belangrijke fasen. In de eerste plaats moet worden vastgesteld dat er effectief sprake is van een bedreiging van de vrede, verbreking van de vrede of daad van agressie (artikel 39). Vervolgens nemen de Verenigde Naties eventueel maatregelen : voorlopige maatregelen (artikel 40) of het inzetten van een troepenmacht (artikel 42).

Gedurende het grootste deel van de geschiedenis van de Verenigde Naties hebben de tegenstellingen van de koude oorlog de mechanismen van de Veiligheidsraad in de praktijk geblokkeerd (pro memorie, de beslissingen van de Veiligheidsraad worden bij eenparigheid genomen door de permanente leden en bij meerderheid van 9 leden op 15) en was een echte werking onmogelijk. Om uit deze patstelling te geraken heeft het Secretariaat van de Verenigde Naties een pragmatische en vernieuwende houding aangenomen: het mandaat « Hoofdstuk zes en een half ».

Dit nieuwe concept, uitgevonden door de vroegere Secretaris-generaal Dag Hammarskjold, combineert bemiddeling, onderhandelingen en vreedzame technieken die kenmerkend zijn voor hoofdstuk VI van het Handvest, met het inzetten van militairen overeenkomstig hoofdstuk VII, maar in een niet repressieve rol. Dit wordt vaak bestempeld als de « eerste generatie van vredeshandhavingsoperaties » (in het Engels « peacekeeping operations » ­ PKO) en wordt beschreven als « classic » of traditionele operaties.

Het einde van de koude oorlog heeft geleid tot nieuwe concepten, die nog nader gepreciseerd moeten worden.

Het concept vredeshandhaving onderging zo een radicale wijziging, die tot uiting komt in een multidimensionele visie op de operaties waarin componenten als het militaire, de politie, de politiek, de verkiezingen, de humanitaire toestand, de economie en een verwijzing naar de mensenrechten aan bod komen.

Gelijklopend met deze ontwikkeling heeft het einde van de koude oorlog anderzijds eveneens tot gevolg gehad dat de instrumenten van hoofdstuk VII die vroeger niet aan bod kwamen, nu ook gebruikt kunnen worden.

Als gevolg daarvan zijn talloze ideeën en voorstellen ontstaan over « de vraag hoe de rol van de vredesinspanningen van de Verenigde Naties versterkt kan worden en hoe een nieuwe wereldorde opgebouwd kan worden ». Deze beweging naar een krachtdadigere toepassing van het Handvest in de oplossing van conflicten bleek een antwoord te zijn op een andere wijziging van het geopolitieke landschap : met de verdwijning van de oost-westtegenstelling zijn de meeste conflicten van aard veranderd, ze spelen zich steeds minder af tussen staten maar draaien steeds vaker uit op interne burgeroorlogen. In een dergelijke context blijkt vredeshandhaving vaak ingewikkelder en riskanter te zijn aangezien een aantal vroegere voorwaarden ­ met name de toestemming en de medewerking van alle partijen ­ niet altijd meer aanwezig zijn of niet voldoende lang gewaarborgd blijven.

In een00 poging om beide stromingen samen te brengen heeft de Secretaris-generaal in juni 1992 een rapport voorgesteld onder de titel « Een agenda voor de vrede » (8a). Het rapport omvatte een reeks aanbevelingen met name over de preventieve diplomatie en de nieuwe methoden om militaire middelen te gebruiken, ofwel om de vrede op te bouwen, ofwel als antwoord op een agressie of nog om de toepassing van een wapenbestand af te dwingen. Hij stelde bovendien een reeks maatregelen in het vooruitzicht om de vrede op te bouwen in de periode na het conflict, teneinde het vertrouwen tussen de partijen te bevorderen en hulp te bieden bij de wederopbouw van verwoeste staten.

In de huidige stand van zaken kan men de uitvoering van de vredeshandhavingsmissies door de Verenigde Naties als volgt samenvatten :

De interventies van de Verenigde Naties kunnen onderverdeeld worden enerzijds in zogenaamde peacemaking- of peace-enforcing-operaties (dwangmaatregelen gebaseerd op hoofdstuk VII) en anderzijds de zogenaamde peacekeeping-operaties (acties voor vredeshandhaving die uit de praktijk voortkomen). Ondanks een vaak terugkerende begripsverwarring verschillen de rechtsgrond en de strekking van deze operaties in aanzienlijke mate. Overigens kunnen de Verenigde Naties ook « voorlopige maatregelen » nemen.

Op de eerste plaats kan de Veiligheidsraad in het kader van hoofdstuk VII elke voorlopige maatregel nemen die hij noodzakelijk of wenselijk acht (art. 40). Deze maatregelen kunnen zowel gericht zijn tegen de partijen in het conflict als tegen de staten die geen partij in het conflict zijn. Het kan gaan om de meest uiteenlopende militaire of economische maatregelen: een bestand, een embargo op wapenleveringen, demilitarisering van bepaalde zones. De Veiligheidsraad kan aan deze maatregelen al dan niet een bindend karakter verlenen.

Anderzijds kan de Veiligheidsraad, nog steeds krachtens hoofdstuk VII, twee soorten dwangmaatregelen nemen: niet-militaire maatregelen van economische en diplomatieke aard (art. 41) en militaire maatregelen (art. 42) waaronder de blokkade en de oorlogvoering.

Ten slotte zijn er de vredeshandhavingsmaatregelen die uit de praktijk voortkomen.

3.1.2.2. De vredeshandhavingsoperaties ­ Peacekeeping

(1) Definitie

De vredeshandhavingsoperatie is een operatie die niet op dwang berust. Het gaat om een actiemiddel dat zoals gezegd uit de praktijk voortkomt, zonder dat in het Handvest een formele rechtsgrond bestaat. Dit procédé is een van de meest gebruikte actiemiddelen van de Verenigde Naties geworden. Het werd ontwikkeld tijdens de Suez-affaire en is nadien herhaaldelijk door de VN aangewend bij het neutraliseren van gewapende conflicten. Het wordt zowel in interne conflicten als in internationale conflicten gebruikt.

De rechtsleer heeft herhaaldelijk getracht dit soort activiteiten te definiëren.

Men kan nog steeds uitgaan van de definitie die professor Flory nagenoeg twintig jaar geleden gegeven heeft, om de inhoud van het begrip te vatten: « les opérations de maintien de la paix, ce sont toutes les opérations militaires et paramilitaires qui sont organisées sous la pression de la nécessité, faute de pouvoir mettre en oeuvre les mécanismes de l'article 43 » (9a), dat wil zeggen wanneer er geen bijzondere overeenkomsten bestaan om strijdkrachten ter beschikking te stellen van de wereldorganisatie.

In deze definitie komt tot uitdrukking dat vredeshandhavingsoperaties zowel op hoofdstuk VI als op hoofdstuk VII gegrondvest kunnen zijn.

Een meer pragmatische en actuele definitie gebaseerd op de waarneming van de werkelijkheid komt van Marrack Goulding (voormalig Under-secretary-general for peacekeeping operations) : « Field operations established by the United Nations, with the consent of the parties concerned, to help, control and resolve conflicts between them, under United Nations command and control, at the expense collectively of the member states, and with military and other personnel and equipment provided voluntarily by them, acting impartially between the parties and using force to the minimum extent necessary » (10a).

(2) Kenmerken

Laatstgenoemde definitie biedt een samenvattend overzicht van de essentiële kenmerken van peacekeeping-operaties.

In de eerste plaats gaat het wel degelijk om initiatieven van de Verenigde Naties. Die kunnen tot stand komen op initiatief van een van de wetgevende organen van de Verenigde Naties (Veiligheidsraad of Algemene Vergadering op basis van resolutie nr. 377) (11a). Zij staan onder het toezicht en de leiding van de Secretaris-generaal.

In de tweede plaats is het inzetten van een strijdmacht afhankelijk van de instemming van de bij het conflict betrokken Staten.

Ten derde, moeten de peacekeeping-troepen onpartijdig zijn. Zij mogen geen partij kiezen.

Ten vierde, bestaan die troepen uit door de Lid-Staten geleverde contingenten en worden zij geplaatst onder het gezag van de Verenigde Naties : de « blauwhelmen ». De oprichting ervan hangt dus af van de goede wil van de Lid-Staten.

Ten vijfde, de opdracht blijft vreedzaam. Zij kan niet repressief of dwingend worden. Als beginsel geldt het niet gebruiken van geweld. Dat kan uitsluitend in geval van wettige zelfverdediging. In de loop der jaren is dat begrip zeer ruim geïnterpreteerd. Troepen mogen geweld gebruiken als reactie « to attempts by force to prevent them from carrying out their responsibilities » (12a).

(3) Typologie

Tot voor enkele jaren maakten de deskundigen in hoofdzaak een onderscheid tussen twee belangrijke formules.

De eerste is beperkt tot waarneming en informatie. Die opdracht wordt toevertrouwd aan een beperkt aantal militaire waarnemers, die moeten toezien op de naleving van het staakt-het-vuren tussen de oorlogvoerende partijen. Deze troepen hebben hoe dan ook een politieopdracht en moeten neutraal blijven in het conflict. Hun optreden, dat een zuiver bewarend oogmerk nastreeft, mag de afwikkeling van het conflict niet beïnvloeden.

De tweede formule bestaat erin een grotere krijgsmacht op te zetten die zich tussen de tegenstanders moet opstellen zodat de vijandelijkheden niet kunnen hervatten zonder een tegen die krijgsmacht gerichte daad van geweld. Dit soort operaties worden geacht tijdelijk, en dus van korte duur te zijn.

De recente ontwikkelingen hebben de zaken ingewikkeld gemaakt. Men moet ervan uitgaan dat het geheel van mogelijke toestanden die te maken hebben « met vrede en veiligheid in de wereld », een continuum is dat zich beweegt tussen twee polen : vrede en oorlog.

De evoluerende toestanden waaraan de samenleving het hoofd moet bieden, bepalen de meest geschikte vorm van wat de Verenigde Naties « vredestechnieken » noemen. Proberen de operaties onder te brengen in een hoofdstuk VI of een hoofdstuk VII is niet mogelijk, net zomin als het handhaven van de classificatie die tijdens de koude oorlog gangbaar was. Sommige toestanden vereisen de toepassing van instrumenten die in de twee hoofdstukken aan bod komen en die gaan van preventieve operaties tot peace-enforcement om een staakt-het-vuren af te dwingen of humanitaire hulpverlening aan de bevolking te garanderen, over de « traditionele » peacekeeping volgens de typologie die door Marrack Goulding werd vastgesteld en die zes soorten operaties omvat (13a).

3.1.3. Het operationeel kader van de vredesmissies

3.1.3.1. Algemeen

De missie wordt door de Verenigde Naties bepaald in het licht van elke situatie. De omvang en de samenstelling van de multinationale strijdmacht verschilt naar gelang van de opdracht.

Het uitvoeringsprogramma wordt vastgelegd door het Secretariaat-generaal onder het toezicht van het orgaan dat de opdracht in het leven heeft geroepen (de Veiligheidsraad of de Algemene Vergadering). De opperbevelhebber ervan wordt aangewezen door de Verenigde Naties. In een overeenkomst tussen het bevoegde orgaan en de Lid-Staten wordt bepaald welke Staten contingenten leveren.

De opdrachten worden bepaald door het orgaan van de Verenigde Naties dat beslist over de organisatie ervan. Dat gebeurt samen met de betrokken territoriale Staten. Die opdrachten worden beëindigd door een beslissing van het bevoegde orgaan of wanneer de Staat waar de strijdmacht gelegerd is, de terugtrekking eist.

Die opdrachten nemen de concrete vorm aan van een mandaat dat omschreven wordt in een resolutie van het beslissende orgaan. Er worden Rules of Engagement (ROE) bepaald. Dat zijn gedragsregels die gevolgd moeten worden bij de uitvoering van het mandaat. Ten slotte wordt de follow-up van de operatie op het operationele niveau georganiseerd.

3.1.3.2. Opstellen van het mandaat

Tijdens de hoorzitting van 28 februari 1997 heeft de heer Brouhns een samenvatting gegeven van de procedure voor het opstellen van een mandaat van vredeshandhaving (peacekeeping). « In geval van interventie zijn de militaire middelen en regels beperkt. Het betreft een assistentieopdracht. Men legt de vrede niet op, maar ziet toe op de naleving ervan.

Er zijn twee uitzonderingen op het principe van het afzien van geweld : de wettige zelfverdediging van bedreigde blauwhelmen en het geval waarin men hen met geweld belet hun mandaat uit te oefenen. (...)

In geval van een vredesmissie als resultaat van een resolutie van de Veiligheidsraad, zijn er drie commandoniveaus.

Eerst en vooral is een mandaat een compromis tussen vijftien landen, zodat het niet steeds duidelijk en operationeel is. Ik wijs erop dat België geen zitting had in de Veiligheidsraad toen het mandaat met betrekking tot Rwanda werd goedgekeurd. (14a) De Verenigde Staten, Frankrijk en Groot-Brittannië zijn de drie permanente leden die de motor vormen van elke actie.

Als zij tot een akkoord komen gaat men onderhandelen met China en Rusland, die passiever zijn en daarna met de niet-gebonden landen, die in New York nog veel invloed hebben.

Het tweede commandoniveau is dat van de uitvoerende directie, namelijk de Secretaris-generaal. Het derde niveau tenslotte is het commando op het terrein door de chef van de vredesmissie.

Sommige Lid-Staten van de Veiligheidsraad bepalen de mandaten terwijl andere staten troepen sturen. Laatstgenoemde staten nemen niet deel aan de beraadslagingen van de raad noch aan de drie bovenvermelde commandoniveaus » (15a). De Commissie stelt vast dat de Belgische delegatie bij de VN in New-York tijdens die periode naar het ministerie van Buitenlandse Zaken informatie heeft gestuurd over de positie van de verschillende landen van de Veiligheidsraad betreffende het opstellen van het mandaat, dat België begin september 1993 benaderd werd om deel te nemen aan een Vredeshandhavingsmacht in Rwanda en dat de Resolutie op 5 oktober 1993 werd aangenomen.

3.1.3.3. Het opstellen van ROE (Rules of Engagement of gedragsregels) (16a)

In alle vredeshandhavingsoperaties worden de ROE over het algemeen niet door de Veiligheidsraad opgesteld maar op een schema afkomstig van de secretaris-generaal. De ROE worden opgesteld door de Force commander, in samenwerking met de bevelhebber van de vredeshandhavingsmacht en de landen die troepen leveren.

3.1.3.4. Coördinatie tussen het terrein en het departement peacekeeping

In april 1993 is een « situation room » opgericht om een communicatieverbinding tot stand te brengen tussen het terrein en het departement peacekeeping DPKO te New York.

Deze « situation room », die aanvankelijk uitsluitend in het kader van de UNPROFOR opereerde, werd opgericht op verzoek van België, dat de eerste militair geleverd heeft.

De « situation room » had tot taak de informatiestromen sneller te doen verlopen, met alle mogelijke communicatiemiddelen contact te onderhouden met alle missies en dit 24 uur per dag. In de praktijk kreeg de informatie die het centrum ontving van de vredesmissies, zeer snel een vaste vorm, het centrum eiste een rapport van de vorige dag. Aanvankelijk was de ontvangen informatie zuiver militair. De belangrijkste informatie werd ofwel rechtstreeks doorgegeven aan de politieke officier die met de missie belast was, ofwel rechtstreeks naar generaal Barril, naar de adjunct-secretaris-generaal, de heer Kofi Annan, verantwoordelijke voor het DPKO, of naar de Secretaris-generaal. De informatie waarover het centrum beschikte, was dus zeer beperkt, zeer onvolledig. Om dit probleem op te lossen heeft het centrum geprobeerd banden te scheppen met andere informatiebronnen.

Dit centrum heeft geprobeerd de mentaliteit van de VN te veranderen aangezien door het informatiebeheer en de controle van de informatiestromen voor de eerste maal één enkel contactpunt tot stand was gebracht voor alle departementen. De verantwoordelijke hogere officier heeft echter geen pertinente informatie kunnen verkrijgen over de ontwikkeling van de toestand in Rwanda. Die informatie was gereserveerd voor en werd uitgewisseld door de beslissingnemers.

3.1.4. Beslissing van de VN om in Rwanda op te treden

Toen de VN-Veiligheidsraad op 5 oktober 1993 resolutie 872 aannam waarbij UNAMIR mocht worden opgericht, stond Rwanda al vele jaren op zijn agenda en op die van de Secretaris-generaal.

Het VN-optreden bestond hoofdzakelijk in het sturen van UNOMOG, een neutrale groep militaire waarnemers, in het kader van de staakt-het-vuren overeenkomst van de N'sele (29 maart 1991), zelf tweemaal gewijzigd (op 16 september 1991 te Gbadolite en op 14 juli 1992 te Arusha). Het akkoord van Arusha van 14 juli 1992 stelde een veiligheidszone in tussen het gedeelte van het grondgebied bezet door het RPF en de rest van Rwanda. Als gevolg van dit akkoord werd UNOMOG ontplooid (17a).

Vervolgens en in het licht van de verzoeken vanwege de regering van de Republiek Oeganda en van deze van de Republiek Rwanda (22 februari 1993) (18a), besloot de Veiligheidsraad (resolutie 846/1993 van 22 juni 1993) de UNOMUR in te richten op de grens van Rwanda en Oeganda.

De akkoorden van Arusha, waarover de onderhandelingen officieel werden aangevat op 10 augustus 1992 en na verschillende gespreksronden werden beëindigd op 4 augustus 1993, zouden een belangrijke plaats inruimen voor de internationale vredeshandhavingstroepen-UNAMIR. Op 14 juni 1993 hebben de Rwandese regering en het FPR (19a) daartoe een gezamenlijk verzoek ingediend bij de Voorzitter van de Veiligheidsraad.

Belangrijk is eraan te herinneren dat tijdens de periode waarin de beslissing is gevallen om de UNOMOG en vervolgens de UNOMUR op te richten, er in Rwanda af en toe zeer zware onlusten en bloedbaden plaats gevonden hebben (20a).

Na zijn bezoek van 8 tot 17 april 1993 diende de speciale rapporteur van de VN-commissie voor de Mensenrechten zijn rapport in op 11 augustus 1993. Dit rapport bevat zeer ernstige vaststellingen inzake schendingen van de mensenrechten door de regeringsstrijdkrachten en komt onder meer tot de conclusie dat sommige bloedbaden onder de toepassing vallen van het Internationaal Verdrag inzake de voorkoming en de bestraffing van genocide. Het rapport bevat twaalf aanbevelingen van algemene aard om een voortzetting te voorkomen van de moord op de burgerbevolking.

Te noteren valt dat er geen enkel spoor van dit rapport en a fortiori van de aanbevelingen terug te vinden is in de officiële stukken van de Secretaris-generaal van de Verenigde Naties tijdens die periode.

3.1.4.1. Oprichting van UNOMUR (21a)

Naar aanleiding van de inval van het RPF in de bufferzone op 8 februari 1993 schreven de Rwandese en Oegandese regering op 22 februari elk apart naar de voorzitter van de Veiligheidsraad om de Verenigde Naties te vragen een observatiemissie op te stellen op de 150 kilometer lange gemeenschappelijke grens (22a). De Oegandese regering verklaarde dat ze met dit verzoek wilde voorkomen dat het gewapende conflict zich vanuit Rwanda zou uitbreiden tot het Oegandese grondgebied en dat zij hiermee elke beschuldiging van Oegandese inmenging in de binnenlandse aangelegenheden van Rwanda voor wilde zijn. De internationale troepen, zoals Oeganda in het kort voorstelde, moesten patrouilleren en observeren en erop toezien dat er geen militaire hulp aan het RPF werd verleend vanop het Oegandese grondgebied.

Oeganda probeerde met dit initiatief een wit voetje te halen bij de internationale gemeenschap. Ondertussen weten we echter dat het zich in de praktijk anders gedroeg dan het imago dat het wilde ten toon spreiden. Zo bleef Oeganda na het afsluiten van de Arusha-akkoorden dit rebellenleger blijvend odersteunen met manschappen en wapens. Dit blijkt toch uit een aantal telexen :

Zo meldt onze ambassadeur in telex 994 van 4 oktober 1993 dat de eerste minister Uwilingiyimana hem opmerkte « dat het FPR aarzelt om zijn demobiliseerbare eenheden op te geven en dat in sommige kringen vermoed wordt dat het FPR zelfs niet beschikt over voldoende eenheden om 40 % van het toekomstige nationale leger uit te maken. » Onze ambassadeur voegt er als comentaar nog aan toe : « waardoor de veronderstelling zou bewaarheid worden dat talrijke elementen van het Ugandese leger aan de zijde van het FPR vochten. »

In ieder geval werd de controle hierop bemoeilijkt. Hiervoren vermelden we reeds dat UNAMIR de bedoeling in maart 1994 had om zich helikopters met nachtverrekijkers aan te schaffen. Daaruit kunnen we afleiden dat de controle in de periode ervoor minstens te wensen overliet. Oeganda maakte deze controle ook niet gemakkelijk. In de telex 1142 van 16 november 1993 meldt onze ambassadeur : « Le général Dallaire n'a pu rendre visite à la MONUOR comme il en avait l'intention suite au refus des autorités ougandaises de lui permettre l'accès au territoire ougandais. »

In telex 64 van 23 januari 1994 voegt de ambassadeur daar aan toe : « UNAMIR meldt ons dat MONUOR belemmerd wordt in zijn waarnemingsactiviteiten op Oegandees grondgebied. Terzelfdertijd worden FPR-vrachtwagens gemeld die Rwanda 's nachts vanuit Oeganda ravitailleren (levensmiddelen, wapens ?). »

De heer Boutros Boutros-Ghali schetst het ontstaan van UNOMUR als volgt : « De Veiligheidsraad kwam op 24 februari 1993 in een informeel overleg samen om deze verzoeken te bespreken. Naar aanleiding van dit overleg heb ik een goodwillmissie naar Rwanda en Oeganda gestuurd die ontmoetingen moest organiseren om me te helpen bij het opstellen van aanbevelingen over de observatiemissie voor de Raad. De missie heeft de regio bezocht van 4 tot 19 maart 1993 en is niet alleen in Rwanda en Oeganda geweest maar ook te Dar-es-Salaam voor overleg met de Secretaris-generaal van de OAE, Salim Salim, de coördinator van de Arusha-onderhandelingen.

Tijdens haar verblijf in Rwanda hield de missie in die tijd toezicht op het bestandsakkoord van juli 1992. NMOG bestond uit waarnemers van Mali, Nigeria, Senegal en Zimbabwe, uit afgevaardigden van het Rwandese regeringsleger en het RPF.

Terwijl de goodwillmissie zich in Rwanda bevond, verspreidden de Rwandese regering en het RPF op 7 maart een communiqué te Dar-es-Salaam waarin het bestand opnieuw werd ingesteld en waarin werd aangekondigd dat de besprekingen van het Arusha-vredesakkoord zouden worden voortgezet. In resolutie 812 (1993) van 12 maart verheugde de Veiligheidsraad zich over deze ontwikkeling en riep hij de beide kampen op het bestand na te leven en de verdeling van humanitaire hulppakketten mogelijk te maken. De Raad heeft mij eveneens verzocht om, in overleg met de OAE, te onderzoeken op welke manier de Verenigde Naties een bijdrage zouden kunnen leveren aan de versterking van het vredesproces in Rwanda, inclusief de eventuele oprichting van een internationale waarnemersgroep « die tot taak heeft (...) humanitaire hulp te verlenen, de burgerbevolking te beschermen en de militaire macht van de Organisatie voor Afrikaanse Eenheid te ondersteunen in de controle van het bestand ».

De besprekingen van het vredesakkoord van Arusha werden hervat op 16 maart 1993 en een vertegenwoordiger van de Verenigde Naties nam deel als waarnemer. Tussen de Verenigde Naties en de OAE werd, zoals door de Veiligheidsraad gevraagd was, overleg gepleegd zodra de goodwillmissie de Secretaris-generaal van de OAE ontmoet had tijdens zijn bezoek aan Addis Abeba van 17 tot 19 maart. De Secretaris-generaal van de OAE, Salim Salim, vroeg steun van de Verenigde Naties om de reeds geleverde inspanningen voort te zetten en het toezicht op het nieuwe bestandsakkoord uit te breiden. Naar aanleiding van een briefwisseling tussen de heer Salim Salim en mijzelf heb ik twee vertegenwoordigers opgesteld te Addis Abeba met de taak de OAE ter ondersteuning van haar vredesinspanningen technische hulp te verlenen.

Overeenkomstig resolutie 812 (1993) van de Veiligheidsraad is een technische missie van de Verenigde Naties op mijn instructies naar Rwanda en Oeganda geweest van 2 tot 6 april 1993 om te onderzoeken of het mogelijk was langs hun gemeenschappelijke grens een controlemissie van de Verenigde Naties op te stellen. Op hun vergaderingen met de technische missie betuigden de Rwandese en Oegandese regering opnieuw hun steun voor het opstellen van militaire waarnemers aan de grens. Het RPF, dat bijna vier vijfde van de grensstreek controleerde, liet de technische missie evenwel weten dat het gekant was tegen het opstellen van waarnemers aan de Rwandese kant van de grens, maar dat het er geen bezwaren tegen had dat ze op Oegandees grondgebied opgesteld werden. In een brief van 18 mei 1993 aan de voorzitter van de Veiligheidsraad zei de Oegandese regering dat ze bereid was de opstelling te aanvaarden van een controleploeg aan de Oegandese kant van de grens zonder aan te dringen op een gelijktijdige opstelling aan de Rwandese kant. Na haar bezoek aan de regio besloot de technische missie dat een dergelijke operatie haalbaar was.

In een rapport aan de Veiligheidsraad van 20 mei 1993 (23a) heb ik bijgevolg gevraagd dat de Raad een missie van 81 militaire waarnemers zou oprichten om de grens tussen Oeganda en Rwanda te bewaken. Dit soort operatie zou de lopende vredesonderhandelingen te Arusha ondersteunen en zou de twee kampen ertoe aanzetten te blijven streven naar nationale verzoening. Op 22 juni nam de Raad resolutie 846 (1993) aan waarin de « United Nations Observer Mission Uganda Rwanda » (UNOMUR (24a)) werd opgericht, op te stellen aan de Oegandese kant van de gemeenschappelijke grens. De Raad besliste dat UNOMUR de gemeenschappelijke grens zou bewaken om ervoor te zorgen dat er in Rwanda geen enkele militaire hulp zou binnenkomen, waarbij de aandacht vooral zou uitgaan naar de grensoverschrijdende doorvoer of vervoer, over de weg of via de spoorweg, van alle moordwapens en munitie. Een verkenningsmissie van UNOMUR, onder leiding van de militaire hoofdwaarnemer van de missie, kwam in Oeganda aan op 18 augustus; de overige waarnemers ­ uit Bangladesh, Botswana, Brazilië, Hongarije, Nederland, Senegal, Slovakije en Zimbabwe ­ werden opgesteld en werden operationeel tegen eind september. »

3.1.4.2. De Arusha-akkoorden

De inhoud van de Arusha-akkoorden is reeds ter sprake gekomen. Niettemin kan hier in herinnering gebracht worden welke rol die akkoorden aan de VN toebedeelden.

In de akkoorden van Arusha werden de Verenigde Naties opgeroepen een belangrijke rol te gaan spelen gedurende een 22-maanden durende overgangsperiode (Protocol betreffende diverse vraagstukken en slotbepalingen, artikel 22), en zouden beginnen met de vestiging van een overgangsregering op brede basis en als laatste actie het houden van wetgevende verkiezingen (Protocollen betreffende bevoegdheidsdeling).

De akkoorden voorzagen in integratie van de NMOG (Neutral Military Observer Group) in de nieuwe internationale observatiemacht (Protocol betreffende de strijdmachten van de beide partijen, artikel 53). De oorspronkelijke 55 NMOG-waarnemers werden begin augustus vervangen door NMOG II, 132 waarnemers sterk op het ogenblik van de Akkoorden van Arusha werden gesloten (25a).

3.1.4.3. Oprichting van UNAMIR

Na de Arusha-akkoorden zijn de VN-organen begonnen met het opstellen van het UNAMIR-mandaat, dat concrete vorm zou krijgen in resolutie 872.

De heer Boutros Boutros-Ghali, secretaris-generaal van de Verenigde Naties, schetst de wordingsgeschiedenis van UNAMIR als volgt : « Op 24 september 1993 heb ik de Veiligheidsraad een operationeel plan voorgesteld met betrekking tot het voorstel om in Rwanda een vredeshandhavingsmacht van de Verenigde Naties op te stellen. Het plan bevatte een programma voor opstelling in vier fasen en vereiste voor de vredeshandhavingsmacht een getalsterkte van 2 548 militairen, 18 burgers en 3 vertegenwoordigers van de civiele politie. Fase 1 had betrekking op de voorbereiding van de instelling van een veiligheidszone in Kigali en de organisatie van de controle op het bestand tussen de twee kampen. Deze fase moest 90 dagen duren en zou afgesloten worden met het instellen van een verruimde overgangsregering te Kigali, volgens mijn ramingen voorzien voor eind 1993. Bij het beëindigen van fase 1 zouden de troepen bestaan uit 1 428 manschappen, waaronder 211 militaire waarnemers. De militaire waarnemers die met de UNOMUR werkten, zouden om administratieve redenen ondergebracht worden onder het bevel van de nieuwe VN-macht, maar het aanvankelijke UNOMUR-mandaat voor de controle van de grens tussen Oeganda en Rwanda zou apart blijven bestaan.

Fase 2 van de operatie zou de volgende dag aanvangen met het installeren van de overgangsregering en zou ongeveer 90 dagen later afgesloten worden wanneer een einde komt aan de voorbereidselen voor het terugtrekken, het demobiliseren en het integreren van de strijdkrachten en de gendarmerie. De bestaande gedemilitariseerde zone langs de grens van Rwanda en Oeganda zou verder bewaakt worden en de operatie zou ook leiden tot het afbakenen van een nieuwe gedemilitariseerde zone (DMZ) ­ die uitgebreid moest worden om ook verzamelplaatsen en kantonnementspunten voor de uitvoering van de demobilisatie alsmede opleidingscentra voor de integratie van de strijdkrachten van de twee kampen erin op te nemen. De missie zou ook de veiligheid verzekeren in en rond Kigali door een « wapenvrije » zone in te stellen binnen een straal van ongeveer 10 kilometer rond het centrum van de stad , een zone waarin de militaire eenheden van de beide kampen hun wapens en hun munitie moesten neerleggen. UNOMUR en NMOG II zouden volledig opgenomen worden in de missie tijdens de fase 2 en een tweede infanteriebataljon zou aansluiten bij het bataljon dat reeds in Rwanda aanwezig was, waardoor de volledige getalsterkte bereikt zou worden van 2 217 soldaten en 331 militaire waarnemers.

Tijdens fase 3, die bijna negen maanden zou duren, zou het tweede infanteriebataljon de uitgebreide DMZ instellen en bewaken en zou het hulp bieden bij het controleren van de Oegandees-Rwandese grens. De legermacht moest dan ongeveer 26 verzamel- en kantonnementspunten en opleidingscentra instellen in het kader van het terugtrekkings- en demobilisatieplan. Zij moesten eveneens hulp bieden bij het handhaven van de veiligheid in heel het land en in de hoofdstad. Vanaf het einde van deze fase zou men de getalsterkte van de missie beginnen te verminderen om bij benadering tot 1 240 manschappen te komen. Deze vermindering zou ervoor moeten zorgen dat de operatie rendabel bleef (een goede prijs-efficiëntieverhouding) terwijl de vredesmacht geloofwaardig zou blijven om de veiligheid te verzekeren.

Tijdens de vierde en vijfde fase van het opstellingsplan zou het terugtrekkings-, demobilisatie- en integratieplan beëindigd zijn. Deze fase zou 10 maanden duren en zou afgesloten worden met verkiezingen. Men zou de getalsterkte van de vredesmacht verder verminderen om te komen tot ongeveer 930 militaire personeelsleden, waaronder 850 stafofficieren en soldaten en 80 militaire waarnemers.

De coördinatie van humanitaire activiteiten moest integraal deel uitmaken van de operatie. Na de ondertekening van het Arusha-akkoord keerden ongeveer 600 000 van de 900 000 ontheemden naar huis terug. Hun terugkeer zorgde voor een aanzienlijke verlichting van de noodtoestand maar het bleef noodzakelijk noodhulp te bieden aan de 300 000 personen die in de kampen gebleven waren. De in Rwanda gevestigde coördinator van de Verenigde Naties, die voorheen de werkzaamheden van de VN-organen gecoördineerd had met die van de donorlanden en van niet-gouvernementele organisaties (NGO's), moest zijn werk tijdens de overgangsperiode voortzetten. Zodra de overgangsregering geïnstalleerd was, zouden de ondersteunende activiteiten voor de repatriëring van de vluchtelingen aanvangen met de coördinatie van het HCR. Men zou eveneens van start gaan met de ontmijning en een kleine civiele politie-eenheid van de Verenigde Naties zou opgesteld worden om erop toe te zien dat de openbare orde daadwerkelijk en onpartijdig nageleefd werd. Tot de taken die door de civiele politie van de Verenigde Naties moesten worden waargenomen, behoorden eveneens het controleren van de activiteiten van de gendarmerie en van de gemeentepolitie, het toezicht op de vermindering van de getalsterkte van de gendarmerie van 6 000 tot 1 800 tijdens de demobilisatiefase en op de vorming van nieuwe strijdkrachten (6 000) die na de verkiezingen opgesteld zouden worden. Het contingent van de civiele politie (60 politieagenten) zou door een politiecommissaris worden geleid en zou worden opgesteld te Kigali en in de voornaamste prefecturen.

Toen ik deze en andere elementen aan de Veiligheidsraad voorstelde, heb ik erop gewezen dat twee zeer belangrijke voorwaarden vervuld moesten worden om de Verenigde Naties in staat te stellen hun rol in Rwanda succesvol en efficiënt te vervullen. Op de eerste plaats moesten de twee kampen ten volle samenwerken, met elkaar en met de Verenigde Naties, overeenkomstig de verbintenissen die ze aangegaan hadden in het kader van het Arusha-akkoord. Op de tweede plaats moesten de Verenigde Naties tijdig kunnen beschikken over de noodzakelijke menselijke en financiële middelen.

Op 5 oktober verleende de Veiligheidsraad bij eenparige stemming over resolutie 872 (1993) de machtiging om de United Nations Assistance Mission for Rwanda (UNAMIR) op te richten en aanvaardde, zoals ik in mijn rapport beknopt heb beschreven, de geleidelijke opstelling van de missie. De Raad heeft me gevraagd besparingen te zoeken bij de planning en de uitvoering van de opstelling van UNAMIR. In dit verband heeft de Raad me verzocht na te gaan op welke wijze de totale maximale getalsterkte van UNAMIR verminderd kon worden, met name door een geleidelijke opstelling, zonder dat dit van invloed zou zijn op het vermogen van de missie om haar mandaat ten uitvoer te brengen.

De Raad verleende UNAMIR een mandaat van zes maanden maar bepaalde dat hij de toestand opnieuw zou onderzoeken na de eerste 90 dagen van de missie om na te gaan of er substantiële vooruitgang geboekt werd in de concrete tenuitvoerlegging van het vredesakkoord van Arusha. » (26a)

De secretaris-generaal maakt geen melding van het feit dat zijn voorstel reeds een compromis was.

Dit geldt voor het aantal manschappen : « One military expert in the Secretariat estimated that ideally, a mission of this kind should have 8 000. Dallaire proposed 4 500 as his maximum option. In the end, the Secretariat recommended a force only half that size, anticipating that this was the maximum that the Security Council would approve. Having exercised an anticipatory veto, the Security Council on 5 october authorized a force level of 2 548 military personnel without discussion.

The decisive restraint on the overal size of the mission was financing. Being assessed 31 % of the costs of UN peacekeeping, the United States insisted on a minimal force. The Clinton administration had just started an executive review of its UN policy, and was sensitive to Congressional concern over the mounting American share of peacekeeping costs, which had increased a stunning 370 % from 1992 to 1993. Emphasizing the bright aspects of the Rwandese situation, the costconscious US delegation in New York suggested in September that a token mission of some 500 men would suffice. The French mission in New York recommended a small force of around 1 000 men, noting that the French contingent in Kigali was merely 6-700 men. The end result of 2 548 was more than a token force, and at that time considered quite acceptable by the Force Commander. UNAMIR was estimated to cost about US $ 10 million a month, a very modest amount compared to other UN-peacekeeping operations. (e.g. UNTAC ­ Cambodja : US $ 60-70 000 million a month) (27a).

Op die manier werd de troepensterkte stelselmatig afgezwakt van 8 000 manschappen als ideale optie, maar 4 500 als noodzakelijke optie tot 2 548 manschappen als haalbaar voorstel.

Ook de rol van UNAMIR zoals omschreven in resolutie 872 gaat minder ver dan was voorzien in de Arusha-akkoorden, meer bepaald in het protocol dat handelt over de installatie van de neutrale internationale troepenmacht.

­ AA : « Assist in catering for the security of civilians » in the Report becomes : « to monitor the civilian situation through the verification and control of the Gendarmerie and the Communal police. » This is subsequently specified as monitoring with unarmed UN Police Observers, and in UNSC : « to investigate and report on incidents regarding the activities of the gendarmerie and the police ». Here the mandate becomes more delimited and specific and to that extent weaker.

­ The accords have two strong provisions for confiscating illegal arms : « Assist in the tracking of arms caches and neutralization of armed gangs throughout the country » and « assist in the recovery of all weapons distributed to or illegaly acquired by the civilians ». The Reports lists such activities as means of achieving the principal goals identified for NIF, notably : « Assist in tracking arms and neutralizing armed groups with armed UN Military Forces » and « Assist in recovering arms in the hands of civilians with armed UN Military Forces and unarmed UN Police Observers. » Significantly UNSC has no provisions at all for confiscating illegal arms. (28a)

Daar waar in het protocol-akkoord sprake is van « het opsporen van wapenopslagplaatsen en het neutraliseren van gewapende bendes » en het « bijdragen tot het garanderen van de veiligheid van de burgerbevolking », wordt de rol van UNAMIR in de VN-resolutie veel beperkter en onduidelijker omschreven als « stad Kigali » en « toezicht houden op de algemene veiligheid ». Die omschrijving zal later determinerend zijn voor de mogelijkheden van UNAMIR op het terrein.

« It is important to recall that this mandate grew out of but differed from what was envisaged in the Arusha Accords. In the central clauses defining UNAMIR's role in providing security, in protecting civilians, and in confiscating illegal arms, the Arusha Accords were significantly broader than the terms of the final UN mandate (29a).

Three documents deal with the mandate for UNAMIR... These are the Arusha Accords (thereafter AA), the report of the UN Reconnaissance Mission, headed by the future Force Commander, and which visited the region from 19 august until 3 september 1993 (thereafter « Report »), and the Security Council resolution 872 of 5 october 1993 (thereafter UNSC). A comparison of the three shows significant differences on key issues :

­ AA : « guarantee overall security of the country », in the report becomes « establish security zone in and around the capital city area of Kigali » and in UNSC : « contribute to the security of the city of Kigali inter alia within a weapon-secure area established by the parties in and around the city » i.e. a progressively weaker mandate. »

Dat er geen verwijzing is in het mandaat naar de ontwapening van burgers is geen toeval of vergetelheid maar uitdrukkelijk gewild. De Verenigde Staten heeft om deze reden immers de verwijzing naar het verslag van de secretaris-generaal van 24 september uit het mandaat weggeamendeerd omdat er in het verslag van de secretaris-generaal nog wel sprake is van de ontwapening van burgers. Dit blijkt uit de tekst van de amendementen van de Verenigde Staten op de ontwerp-resolutie van een werkgroep van Veiligheidsraad : « replace « in paragraphs 21 to 26 and 39 to 43 of the report of the SG, which include in particular to » with the word « below » (the initial mandate was too broad, and included elements which we believe are inappropriate, such as disarming civilians. For that reason, we do not want to include a reference to paragraphs... in the resolution.) » (30a)

Het is niet de enige wijziging die de Verenigde Staten in de ontwerp-tekst aangebracht heeft. Zo is ook de definitieve tekst van de mandaatregel « Contribute to the security of the city of Kigali... » het resultaat van een Amerikaans amendement, terwijl de oorspronkelijke tekst luidde : « Assist in ensuring the security of the city of Kigali... » en wordt ook de mogelijke beveiliging van de terugkeer van de vluchtelingen en « displaced persons » onder druk van de Verenigde Staten afgezwakt. Bij de werkgroep luidde dit : « To assist in providing security for the repatriation of Rwandese refugees and displaced persons ». Na een Amerikaans amendement werd dit : « To monitor the process of repatriation... » (31a)

De Belgische diplomatieke delegatie bij de VN was zich wel bewust van deze afzwakking : « Het is duidelijk dat het mandaat van UNAMIR zwakker was dan de akkoorden van Arusha » (32a).

Ook premier Dehaene stelt « Ik wist dat er binnen de Veiligheidsraad grote weerstand bestond tegen het mandaat en dat het ook beknot werd. » (33a)

Daartegenover antwoordt minister Claes op de vraag of hij wist dat het mandaat van UNAMIR stelselmatig werd uitgehold ten aanzien van de voorziene opdrachten voor de « force d'intervention neutre » : « de uitholling van de Arusha-akkoorden is me nooit gemeld. » en « Men heeft mij in ieder geval niet gevraagd om een verbetering van het mandaat, daar niemand daarvan de noodzaak inzag. Wij hebben dan ook geen stappen ondernomen. Als wij dat wel hadden gedaan, zouden wij ongetwijfeld op een categorische weigering van de permanente leden zijn gebotst. » (34a)

De heer Brouhns bevestigt dat de Belgische delegatie geen opdracht heeft gekregen om pogingen te ondernemen om het mandaat van UNAMIR te versterken in de zin zoals omschreven in de Arusha-akkoorden en hij voegt daaraan toe : « Vooreerst is de manoeuvreerruimte van de landen die deelnemen aan de operaties zeer klein. Het is immers de Veiligheidsraad die het mandaat bespreekt in overleg met de secretaris-generaal. België stond wel voortdurend in contact met het secretariaat om te weten hoe het mandaat er zou uitzien. Het was het best mogelijke mandaat op dat ogenblik. » (35a)

België heeft dus geen gebruik gemaakt van haar sleutelpositie als belangrijkste potentiële troepenleverancier om diplomatieke initiatieven te ondernemen teneinde de VN-resolutie te wijzigen : « Wij hebben geen instructies gekregen in die zin. Bovendien hadden de landen die troepen leverden geen enkele invloed op het besluitvormingsproces. ... België heeft niet geweigerd op te treden zonder een ruimer mandaat. Dat zou de beslissing trouwens niet veranderd hebben, alleen maar vertraagd. » (36a)

Daarnaast is het opmerkelijk dat de Veiligheidsraad bij het beslissingsproces op geen enkel ogenblik rekening heeft gehouden met de ernstige schendingen van de mensenrechten, zoals weergegeven in diverse rapporten, met name van Human Right Watch (februari 1992), van het FIDH (maart 1993) en van de Speciale Rapporteur van de VN-commissie voor de Mensenrechten (april 1993, gepubliceerd 11 augustus 1993).

Vooral dit laatste rapport is belangrijk, enerzijds omdat het werd opgemaakt door een VN-organisatie en anderzijds omdat daarin reeds melding werd gemaakt van een mogelijke genocide en van de noodzaak om wapenopslagplaatsen te ontmantelen.

In de resolutie tot instelling van UNAMIR wordt niet verwezen naar de bevindingen op dit vlak en worden daaruit ook geen gepaste conclusies getrokken m.b.t. het mandaat.

De heer Ndiayé, speciale rapporteur is zeer scherp over het gebrek aan belangstelling voor zijn rapport : « Mijn verslag doet mij een beetje denken aan een boodschap in een fles op zee. Er bestaat immers geen enkel systeem aan de hand waarvan daadwerkelijk gevolg kan worden gegeven aan een verslag. Men heeft het kunnen lezen, maar ik heb de indruk dat men er geen rekening mee heeft gehouden. » (37a)

Het blijkt trouwens niet de gewoonte dat de Veiligheidsraad rekening houdt met rapporten van de VN-commissie voor de Mensenrechten, omdat dit een politiek geladen onderwerp is :

« De extreme politisering van het probleem van de mensenrechten staat de oprichting van een efficiënte structuur in de weg omdat sommige landen zich daartegen verzetten. Men moet dus beroep doen op de bereidwilligheid van de secretaris-generaal als men dit probleem in de Veiligheidsraad aan de orde wil stellen. » (38a)

(...)

« Ik werd nooit geraadpleegd toen het mandaat van de UNAMIR werd geformuleerd. De doeltreffendheid van een missie of van een mandaat kan alleen aan de werkelijkheid getoetst worden. Ik kan niet zeggen dat mijn verslag echt een rol heeft gespeeld. »

« Mijn indruk was dat UNAMIR niet in staat was om het vuur te openen en de bevolking te beschermen. De middelen van UNAMIR waren ontoereikend om op te treden... » (39a)

3.1.4.4. De beslissing tot oprichting van Unamir ­ VN-resolutie 872

« De Veiligheidsraad,

Bevestigt opnieuw zijn resoluties 812 (1993) van 12 maart 1993 en 846 (1993) van 22 juni 1993,

Bevestigt eveneens opnieuw zijn resolutie 868 (1993) van 29 september 1993 betreffende de veiligheid van de operaties van de Verenigde Naties,

Heeft een onderzoek gewijd aan het rapport van de Secretaris-generaal van 24 september 1993 (S/26488 en Add. 1),

Verheugt zich over de ondertekening van het Vredesakkoord van Arusha (en zijn Protocollen) op 4 augustus 1993 en spoort de partijen ertoe aan het volledig te blijven naleven,

Neemt akte van de conclusie van de Secretaris-generaal dat om de Verenigde Naties in staat te stellen hun rol te spelen, de partijen aan elkaar en aan de Organisatie hun volledige medewerking moeten verlenen door de verbintenissen na te komen die ze op zich hebben genomen in het akkoord van Arusha,

Wijst erop dat dringend een neutrale internationale macht opgesteld moet worden in Rwanda, zoals met aandrang verklaard is door de Regering van de Republiek Rwanda en door het Rwandees Patriotisch Front en opnieuw bevestigd is door hun gezamenlijke delegatie die bij de Verenigde Naties afgevaardigd is,

Brengt hulde aan de rol die de Organisatie voor Afrikaanse Eenheid (OAE) en de Regering van de Verenigde Republiek Tanzanië gespeeld hebben bij het sluiten van het Vredesakkoord van Arusha,

Wenst vastbesloten dat de Verenigde Naties, op verzoek van de partijen, in een vreedzame geest en met de volle medewerking van alle partijen, hun volle bijdrage leveren aan de tenuitvoerlegging van het Vredesakkoord van Arusha,

1. Staat positief ten aanzien van het rapport van de Secretaris-generaal (S/26488);

2. Beslist een vredeshandhavingsmacht op te richten onder de naam Missie van de Verenigde Naties voor steun aan Rwanda (UNAMIR) voor een periode van zes maanden, met dien verstande dat deze missie na de beginperiode van negentig dagen slechts verlengd zal worden zodra de Veiligheidsraad een onderzoek gewijd heeft aan een rapport van de Secretaris-generaal waarin nagegaan wordt of al dan niet tastbare vooruitgang geboekt is in de tenuitvoerlegging van het Vredesakkoord van Arusha;

3. Beslist dat de UNAMIR op grond van de aanbevelingen van de Secretaris-generaal het volgende mandaat zal krijgen:

a) Bijdragen tot de veiligheid van de stad Kigali, met name binnen de door de partijen ingestelde wapenvrije zone in de stad en in de omgeving ervan;

b) Toezicht houden op het bestandsakkoord waarin opgeroepen wordt tot het inrichten van kantonnements- en verzamelpunten en tot de afbakening van een nieuwe gedemilitariseerde veiligheidszone alsmede de bepaling van andere demobilisatieprocedures;

c) Toezicht houden op de algemene veiligheidsvoorwaarden in het land tijdens de slotperiode van het mandaat van de overgangsregering, tot aan de verkiezingen;

d) Bijdragen tot de ontmijning, hoofdzakelijk door middel van opleidingsprogramma's;

e) Op verzoek van de partijen en uit eigen beweging een onderzoek wijden aan de gevallen waarin het protocolakkoord over de integratie van de strijdkrachten niet toegepast wordt, de personen die ervoor verantwoordelijk zijn aanwijzen en, voor zover nodig, hierover verslag uitbrengen aan de Secretaris-generaal;

f) Controle uitoefenen op het repatriëringsproces van de Rwandese vluchtelingen en op de vestiging van de verplaatste personen teneinde er zich van te vergewissen dat deze operaties in orde en veiligheid uitgevoerd worden;

g) Helpen bij de coördinatie van de humanitaire hulp die verbonden is aan de steunoperaties;

h) Onderzoeken wijden aan en verslag uitbrengen over de incidenten in de werking van de gendarmerie en de politie;

4. Hecht zijn goedkeuring aan het voorstel van de Secretaris-generaal om de Observatiemissie van de Verenigde Naties Oeganda-Rwanda (UNOMUR), opgericht bij resolutie 846 (1993), te integreren in de UNAMIR;

5. Verheugt zich over de inspanningen en de samenwerking van de OAE om hulp te bieden bij de tenuitvoerlegging van het Vredesakkoord van Arusha, en met name het opnemen van de groep van neutrale militaire waarnemers (GOMN II) in de UNAMIR;

6. Hecht verder zijn goedkeuring aan het voorstel van de Secretaris-generaal om de opstelling en de terugtrekking van de UNAMIR trapsgewijs te laten verlopen en merkt in dit verband op dat het mandaat van de UNAMIR, in geval van verlenging, ten einde zou moeten lopen wanneer de nationale verkiezingen plaatsvinden en in Rwanda een nieuwe regering aantreedt, gebeurtenissen die volgens het programma in oktober 1995 of uiterlijk in december 1995 zouden moeten plaatsvinden;

7. Machtigt de Secretaris-generaal in dit verband om zo snel mogelijk, en dit voor een beginperiode van zes maanden, een eerste contingent op te stellen te Kigali, binnen het kader van het in het rapport van de Secretaris-generaal vermelde aantal manschappen die, zodra zij volledig opgesteld zijn, het mogelijk moeten maken overgangsinstellingen op te richten en de andere relevante bepalingen van het Vredesakkoord van Arusha uit te voeren;

8. Verzoekt de Secretaris-generaal, in het kader van het rapport waarnaar in bovengenoemde paragraaf 2 verwezen wordt, eveneens rapport uit te brengen over de vooruitgang die de UNAMIR na haar aanvankelijke opstelling boekt, en verklaart vastbesloten te zijn, voor zover nodig, op basis van dit rapport en in het kader van het onderzoek waarnaar in de bovengenoemde paragraaf 2 verwezen wordt, na te gaan of het noodzakelijk is bijkomende troepen op te stellen die, wat omvang en samenstelling betreft, zullen overeenstemmen met de aanbevelingen die de Secretaris-generaal in zijn rapport (S/26488) heeft gedaan;

9. Verzoekt de Secretaris-generaal na te gaan welke middelen bestaan om de totale maximale getalsterkte van de UNAMIR te verminderen, zonder dat hierdoor het vermogen van de UNAMIR om haar mandaat ten uitvoer te brengen, wordt aangetast, en vraagt de Secretaris-generaal eveneens besparingen te zoeken, wanneer hij de stapsgewijze opstelling van de missie voorbereidt en uitvoert, en regelmatig verslag uit te brengen over de resultaten die hij op dit vlak boekt;

10. Staat positief ten aanzien van het voornemen van de Secretaris-generaal om een Bijzonder Afgevaardigde te benoemen die aan het hoofd van de UNAMIR op het terrein zou staan en zijn gezag zou uitoefenen over al zijn elementen;

11. Verzoekt de partijen met aandrang het Vredesakkoord van Arusha te goeder trouw uit te voeren;

12. Vraagt de Secretaris-generaal met bekwame spoed een akkoord te sluiten over het statuut van de UNAMIR en van alle deelnemende personeelsleden in Rwanda, zodat het akkoord zo snel mogelijk na het begin van de operatie, en uiterlijk dertig dagen na de goedkeuring van deze resolutie, in werking kan treden;

13. Eist dat de partijen alle gewenste maatregelen nemen om de veiligheid van de operatie en van het deelnemende personeel te waarborgen;

14. Doet een dringende oproep tot de Lidstaten, de gespecialiseerde instellingen van de Verenigde Naties alsmede tot de niet-gouvernementele organisaties om hun economische, financiële en humanitaire hulp aan het Rwandese volk en het democratiseringsproces in Rwanda aan te bieden en te versterken;

15. Beslist de aangelegenheid actief te zullen volgen. (40a) »

De heer Cools heeft betreffende het VN-mandaat verklaard:

« Op 24 september stelt de secretaris-generaal UNAMIR voor. Het mandaat wordt duidelijk omschreven. Het betreft een operatie waarbij de twee partijen het vredesproces moeten bewerkstelligen. De VN moeten alleen helpen. In de resolutie wordt gezegd dat de VN slechts moeten bijdragen tot de veiligheid en de ontwapening, toezien op het staakt-het-vuren, onderzoek doen naar het niet toepassen van het protocol, toezicht houden op de terugkeer van de vluchtelingen, de humanitaire hulp coördineren en rapporteren over incidenten.

Het mandaat legt ook financiële beperkingen op. Het loopt zes maanden en wordt na 90 dagen slechts verlengd na de nodige inlichtingen van de secretaris-generaal. Het mandaat moet uiterlijk in december 1995 afgelopen zijn. Volgens de resolutie moet ook worden nagegaan hoe de kosten kunnen worden verminderd en hoe kan worden bespaard.

Zowel de Verenigde Staten als de Britten en de Russen waren oorspronkelijk niet voor de operatie. Geleidelijk aan hebben zij ermee ingestemd. In de derde fase kwam men tot 2 500 manschappen maar er moest een onmiddellijke afbouw naar 1 200 komen bij de demobilisatie. Op dat punt kon men tot een compromis komen (41a).

Globaal waren bij de VN alle voorwaarden aanwezig voor een operatie onder hoofdstuk VI. Vooral belangrijk was dat de twee betrokken partijen om de operatie kwamen vragen zodanig dat er geen sprake kon zijn van een inmenging in interne aangelegenheden. (42a) »

Dit mandaat werd dus opgesteld na onderhandelingen tussen de Lid-Staten van de Veiligheidsraad, met medewerking van de Secretaris-generaal van de VN en binnen de grenzen bepaald door de akkoorden van Arusha. De invloed van de vaste leden is natuurlijk doorslaggevend in de besprekingen. In dit geval speelden de Verenigde Staten en Frankrijk een belangrijke rol. De Verenigde Staten stelden zich enigszins onverschillig op, want ze hadden weinig belangstelling voor een nieuwe operatie in Afrika, zoals de heer Cools voor de commissie verklaard heeft.

3.2. DE BELGISCHE BESLISSING OM DEEL TE NEMEN AAN UNAMIR

3.2.1 Het beslissingsproces

Hierna volgt een chronologisch overzicht van de gebeurtenissen en beslissingen die hebben geleid tot de regeringsbeslissing van 19 november 1993.

4 augustus 1993

De president van Rwanda en de voorzitter van het RPF ondertekenen de vredesakkoorden van Arusha. Deze akkoorden waren het resultaat van een lang onderhandelingsproces dat duurde van midden 1992 tot 4 augustus 1993. De akkoorden van Arusha vormden een enveloppe waarin twee centrale protocols inzake machtsdeling en één militair protocol de voornaamste elementen vormden. De installatie van een overgangsregering maakte deel uit van het akkoord. Daarnaast bleven de vroeger getekende protocollen tussen beide partijen deel uitmaken van het uiteindelijke akkoord. De organisatie van vrije verkiezingen zou het sluitstuk vormen van het democratiseringsproces.

1º akkoord staakt het vuren van 12 juli 1992

2º het protocol over de rechtstaat van 18 augustus 1992

3º het protocol over de verdeling van de macht van 30 oktober 1992 en 9 januari 1993

4º het protocol over de terugkeer van de vluchtelingen van 9 juni 1993

5º het protocol over de integratie van de strijdkrachten van 3 augustus 1993. In dit protocol betreffende de integratie van de strijdkrachten wordt de bijstand van een internationale macht (Force International Neutre) onder leiding van de VN gevraagd, voor de ontwapening, de demobilisatie, de samensmelting van de beide legers en de samenstelling van het nieuwe leger, alsook voor de algemene veiligheid van het land, voor de bescherming van de geëxpatrieerden en de voortzetting van de humanitaire hulp

6º het protocol van diverse aangelegenheden van 3 augustus 1993.

25 augustus 1993

Een vertegenwoordiger van het RPF vraagt aan de Belgische missie van de VN een snelle ontplooiing van de FIN.

Deze demarche sluit aan bij het gezamenlijk schrijven van de Rwandese regering en het RPF tot VN-secretaris-generaal Boutros Boutros Ghali.

8 september 1993

De Belgische missie bij de VN wordt informeel aangezocht om België te laten deelnemen aan de internationale strijdkrachten. De heer Cools verklaarde : « België is het eerste aangezochte land ». (43a) België wordt voorgedragen omwille van de traditionele banden tussen België en Rwanda, de goede Belgische prestaties in voorgaande vredesoperaties en vooral het feit dat zowel het RPF als de Rwandese regering hierop hebben aangedrongen. Kolonel Engelen verklaarde hierover tijdens de zitting van 16 april : « Bij mijn weten ging het initiatief om Belgische para's te sturen wel degelijk uit van de VN. Majoor Martin heeft mij dat persoonlijk meegedeeld. Hij zei mij dat België absolute prioriteit genoot omdat het het enige land was waar iedereen het over eens was. Ik heb toen meteen mijn verslag naar België gestuurd en erop aangedrongen dat generaal Charlier als eerste zou worden verwittigd. (..) Het verzoek dat aan België werd gericht was informeel maar toch krachtig ». (44a)

Tijdens de zitting van de bijzondere commissie van 5 maart 1997 verklaart de heer Leo Delcroix, gewezen minister van Landsverdediging, gevraagd naar deze kwestie, dat hij reeds tijdens de tweede helft van augustus 1993 en dit via Buitenlandse Zaken op de hoogte was van de informele vraag om deelname aan de FIN. De VN vroegen aan België 800 man.

Tijdens dezelfde zitting van de bijzondere commissie van 5 maart 1997 bevestigt de heer Dehaene de verklaring van de heer Delcroix : « Wat het contingent voor Rwanda betreft, werden in augustus de eerste contacten gelegd tussen de secretaris-generaal van de VN en onze minister van Buitenlandse zaken. » (45a)

Naar aanleiding van het onderhoud met majoor Martin informeerde kolonel Engelen naar de mogelijkheid van een Belgisch commando.

Om politieke redenen, met name om te vermijden dat in Rwanda UNAMIR zou worden gelijkgesteld met België, wil de Belgische regering dit uitdrukkelijk niet vragen. Tijdens zijn ondervraging heeft stafchef Charlier dit betreurd.

10 september 1993

Tijdens de vergadering van de ministerraad brengt toenmalig minister van Buitenlandse zaken Willy Claes de regering op de hoogte van de ondertekening van de akkoorden van Arusha. De heer Claes maakt tevens bekend dat de VN de aanwezigheid van een Belgisch bataljon in Rwanda wenste. België zou de eerste component worden van de internationale troepenmacht. Aan België werd gevraagd een bataljon van 800 man te leveren. Het debat over de vraag werd op de agenda van 17 september geplaatst.

17 september 1993

Na bespreking besluit de Ministerraad dat België principieel kan deelnemen aan een internationale troepenmacht voor Rwanda, maar dat de deelname beperkt zal zijn. Het verzoek van de VN lag te hoog. Omwille van budgettaire en politieke motieven werd afgezien van een overwegend Belgische aanwezigheid in Kigali. Een mogelijke deelname van België in Rwanda maakte een verder verblijf in Somalië quasi onmogelijk.

22 september 1993

De minister van Landsverdediging verklaart dat België geen 800, maar slechts 200 à 300 man zal kunnen sturen naar Rwanda.

24 september 1993

Voorstelling van het rapport van de secretaris-generaal van de VN. Hij stelt het operationeel plan UNAMIR voor dat de verschillende fases van het vredesproces moet ondersteunen. UNOMUR zal worden geïntegreerd in UNAMIR. Het mandaat wordt duidelijk omschreven. Het betreft een operatie waarbij de twee partijen het vredesproces moeten bewerkstelligen. De VN moeten alleen helpen. De vredesmacht zal vier opdrachten krijgen :

­ bijdragen tot de veiligheid in Kigali;

­ toezicht op het staakt het vuren met inbegrip van de oprichting van een gedemilitariseerde zone en de instelling van demobilisatieprocedures;

­ toezicht over de veiligheidstoestand tot aan de verkiezingen;

­ ontmijning.

In de resolutie die zal worden bekrachtigd door de Veiligheidsraad wordt gezegd dat de VN slechts moet bijdragen tot de veiligheid en de ontwapening, toezien op het staakt het vuren, onderzoek naar het niet toepassen van het protocol, toezicht houden op de terugkeer van de vluchtelingen, de humanitaire hulp coördineren en rapporteren over incidenten. Het mandaat moet uiterlijk in december 1995 afgelopen zijn. Op het einde van de tweede fase ­ tot 90 dagen na de vorming van een regering ­ zou UNAMIR 2 548 man sterk zijn. Aan het einde van de demobilisatie en de integratie van de legers zou het aantal UNAMIR ­ troepen ten hoogste 1 240 man bedragen.

29 september 1993

Brief van minister van Buitenlandse zaken Willy Claes aan Warren Christopher, toenmalig minister van Buitenlandse Zaken van de Verenigde Staten, waarin hij aandringt op een snelle ontplooiing van een internationale troepenmacht voor Rwanda.

4 oktober 1993

Tijdens een bezoek in ons land spreekt president Habyarimana de wens uit dat de VN-blauwhelmen zo spoedig mogelijk naar zijn land zouden komen.

Op een persconferentie verklaart hij dat minister van Landsverdediging Leo Delcroix hem nog niets heeft gezegd over het aantal manschappen dat België beschikbaar wil stellen voor de vredeshandhaving.

5 oktober 1993

De VN-Veiligheidsraad beslist tot de oprichting van UNAMIR (resolutie 872). De Veiligheidsraad beslist 2 600 manschappen te sturen naar Rwanda.

8 oktober 1993

Tijdens de Ministerraad wordt beslist Belgische troepen te leveren voor de UNAMIR-Operatie. Deze beslissing wordt via de missie in New York op informele wijze meegedeeld aan het VN-secretariaat. De mededeling aan New York is vooral bedoeld om een formele vraag tot deelname te krijgen.

Op 8 oktober werd tevens beslist een verkenningsmissie naar Rwanda te sturen. Deze beslissing wordt door de Ministerraad van 19 november bevestigd (46a). In de notulen van de Ministerraad van 8 oktober 1993 lezen we : « De Raad hecht zijn goedkeuring aan het sturen van een verkenningsmissie ». (47a)

14 oktober 1993

België krijgt een formeel verzoek tot deelname van de VN. De Verenigde Naties vragen 1 bataljon, dit zijn 800 manschappen (48a). De Belgische militairen zullen in Kigali geplaatst worden (49a).

15 oktober 1993

Luitenant-generaal Charlier verwelkomt de beslissing deel te nemen aan de operatie in Rwanda. In diezelfde nota aan de minister van Landsverdediging suggereert luitenant-generaal Charlier dat de Belgische deelname aan de internationale vredesmacht voor Rwanda een argument biedt om te weerstaan aan de vraag tot verlenging van de Belgische aanwezigheid in Somalië (50a).

21 oktober 1993

In een dossier van de Generale Staf aan de minister van Landsverdediging wordt geadviseerd positief te antwoorden op de vraag van de VN om in het kader van de VN-operatie 800 man te sturen naar Rwanda. Als bijlage bij de nota wordt de kostprijs voor een operatie gepresenteerd waaraan 600 man zouden deelnemen.

25 oktober 1993

De verkenningsmissie (Recce UNAMIR) vertrekt naar Rwanda. Kolonel Flament had de leiding over een detachement van 25 man, waaronder 20 paracommando's.

31 oktober 1993

Einde van de verkenningsopdracht in Rwanda. Het verslag van deze verkenningsopdracht (datum 2 november 1993) wordt, samen met een brief van generaal Dallaire van 31 oktober 1993, waarin deze aandringt op een snelle ontplooiing van het contingent, op 10 november 1993 overgemaakt aan de minister van Landsverdediging. In een bericht aan de minister zal luitenant-generaal Charlier op 10 november kritische bedenkingen formuleren over de voorbereiding van de Belgische blauwhelmen.

Het bericht was zeer specifiek en roerde zaken aan (procedures, bevel, bewapening) die later op het terrein tot groeiende moeilijkheden zal leiden.

3 november 1993

De minister van Landsverdediging Leo Delcroix ontvangt een nota van stafchef Charlier. De stafchef pleit in zijn nota voor het sturen van 600 manschappen. (51a) « En conclusion, j'estime que le contingent que la Belgique enverra au Rwanda, sous le couvert de la MINUAR doit etre fort d'au moins 600 hommes. » (52a) Dit voorstel van de legerleiding steunde op het verslag dat was uitgebracht door de Belgische verkenningseenheid naar Rwanda.

8 november 1993

Op de ministerraad van 8 novenber 1993 wordt beslist een speciale vergadering van het kernkabinet samen te roepen op 10 november (53a).

10 november 1993

Het kernkabinet van 10 november beslist bereid te zijn tot het sturen van 2 compagnies van 150 man met daarbij de nodige steunelementen en de staf. In de nota van de heer Delcroix aan de heer Eerste minister Jean-Luc Dehaene formuleert de gewezen minister van Landsverdediging zijn voorstel als volgt :

­ uitsturen van twee compagnies;

­ met bijkomende steun van 50 à 70 man logistieke ondersteuning (40 staf, 15 in Djibouti en 15 in Kenia);

­ de 2 compagnies op kosten van landsverdediging en de rest op het budget van Ontwikkelingssamenwerking;

­ België vraagt de centrum ­ zone alsook de Quick Reaction Force (QRF);

­ kostprijs per man van 2,6 miljoen frank per jaar (realistische schatting).

Uit de conclusies die door de Eerste minister indertijd werden geformuleerd naar aanleiding van het voorstel onthouden we de :

­ onmogelijkheid in te gaan op het voorstel van de legerstaf en dit zowel voor politieke als voor financiële redenen;

­ bereidheid met betrekking tot het operationeel voorstel van het uitsturen van 300 man + 70 man;

­ nodige contacten worden genomen door de heren Claes en Delcroix met Oostenrijk om een bijdrage van dat land te bekomen;

­ budgettaire aspecten;

­ beslissing wordt zo mogelijk als A ­ punt op volgende ministerraad gezet;

­ indien staf voor een of andere reden niet zou akkoord gaan met huidig voorstel, dan zou afgezien worden van deelname aan deze VN-operatie;

­ te sterke Belgische aanwezigheid in deze operatie zou politiek fout zijn. (54a)

12 november 1993

In een nota aan de minister van Landsverdediging tekent luitenant-generaal Charlier protest aan tegen het voornemen van de regering om slechts twee compagnies met twee pelotons, hetzij 370 man te sturen. « Il s'agit inalement de la sécurité des soldats que nous enverrons là-bas, je me refuse de cautionner la faisabilité militaire de cette solution. » (55a)

17 november 1993

Vanuit JS te Evere werd een fax gestuurd naar het ministerie van Landsverdediging, ter attentie van de minister Leo Delcroix. In deze fax stond een voorstel van mededeling van de minister voor de Ministerraad van 19 november waaruit blijkt dat JS akkoord gaat met het aantal van 450 militairen.

19 november 1993

De regering beslist uiteindelijk om 370 manschappen te sturen met de mogelijkheid om, indien de veiligheid van de troepen het zou vereisen, het aantal op te trekken tot 450. In het verslag van de Ministerraad van 19 november 1993 lezen we dat de Raad zijn goedkeuring hecht aan :

­ de deelname van een detachement van 370 militairen aan de operatie UNAMIR voor een termijn van één jaar;

­ het opdrijven van de getalsterkte van het detachement tot een maximum van 450 militairen, mocht dit voor veiligheid van het personeel onontbeerlijk blijken;

­ de onderwerping van het personeel van de operatie UNAMIR aan een statuut gelijkaardig aan dat van toepassing op het personeel van de operaties UNPROFOR en UNOSOM, en dit in afwachting van het inwerkingtreden van de nieuwe statutaire bepalingen terzake.

De budgettaire aspecten van deze operatie worden gedragen door :

­ ontwikkelingssamenwerking zal 200 miljoen frank op de thesaurierekening « Humanitaire operaties » van landsverdediging storten;

­ het bedrag dat de de VN zal worden terugbetaald zal eveneens op de thesaurierekening worden gestort;

­ het saldo van de kostprijs van de operatie zal worden gedekt binnen de enveloppe van 98 miljard frank van de begroting van landsverdediging 1994, zoals tot nu toe besliste operatie UNPROFOR in het voormalige Joegoslavië. (56a)

In een mededeling aan de pers bevestigt de regering en de minister van Landsverdediging de Belgische deelname aan de vredeshandhavingsoperatie in Rwanda. De regering maakt tevens bekend dat de eerste elementen van het detachement UNAMIR op 18 november ­ de dag voor de beslissing ­ reeds vertrokken zijn aan boord van vijf C 130. (57a)

3.2.2. Op politiek vlak

Tijdens haar vergaderingen heeft de commissie bijzondere aandacht besteed aan de politieke gebeurtenissen die al dan niet een rol hebben gespeeld in het besluitvormingsproces van de Belgische regering. Naast een overzicht van de besluitvorming achtte de commissie het evenzeer opportuun een opsomming te geven en een analyse te maken van de maatschappelijke, politieke en historische motieven en argumenten waarmee de regering rekening had gehouden.

De politieke betrokkenheid van België in Rwanda sinds 1916 en de banden die als gevolg van een historische ontwikkeling tussen de opeenvolgende regeringen van beide staten bestonden, ook tijdens de postkoloniale periode, verklaren dat de bilaterale betrekkingen met Rwanda gevoelig lagen. Het Belgische verleden in het vroegere mandaatgebied, het feit dat Rwanda voor tal van Belgen een tweede vaderland was geworden, de Belgische houding die de crisis van 1990 voorafging, de steun aan de akkoorden van Arusha of het bezoek van president Juvénal Habyarimana aan België in oktober 1993 zijn stuk voor stuk factoren die waarschijnlijk een rol gespeeld hebben aan de onderhandelingstafel van de Ministerraad. De commissie wenste in de hoorzittingen dan ook voldoende aandacht te schenken aan deze elementen.

De commissie heeft evenwel vastgesteld dat de volgende elementen een aanzienlijke rol hebben gespeeld in de Belgische beslissing om aan de UNAMIR deel te nemen.

3.2.2.1. De invloed van het koloniale verleden van België op de deelname aan UNAMIR

De VN-raad week af van een ongeschreven regel door Belgische Blauwhelmen naar Rwanda te sturen. Die regel houdt in dat er in een vredesmacht geen troepen worden opgenomen van buurlanden of van landen met bijzondere betrokkenheid bij het land of gebied waar de vredesmacht komt. Dat betekent bijvoorbeeld geen blauwhelmen van een land dat territoriale aanspraken zou kunnen hebben op het peace keeping-gebied of van een gewezen bezettende of koloniale mogendheid.

De regering was zich bewust van dit probleem. Eerste minister Dehaene aan de Senaat op 22 april 1994 : « Op het ogenblik van de besluitvorming werd ook binnen de regering de vraag gesteld of het wel opportuun was dat België zou deelnemen aan een VN-operatie in een land waarmee het vroeger een koloniale relatie heeft gehad. »

De regering motiveerde ook haar oorspronkelijke idee om slechts 200 soldaten (i.p.v. de gevraagde 800) te leveren met het argument dat zulks niet gezond zou zijn, gezien « de banden van heden en verleden ». Minister Delcroix aan de Belgische Senaat op 23 september 1993 : « Nous avons cependant demandé aux Nations Unies d'être chargés d'une tâche de moindre importance que celle qui nous était initialement assignée. Plus de la moitié de l'intervention devait en effet être assurée par la Belgique. Nous devons considérer nos relations passées et présentes avec ce pays. »

Op 27 april 1994 legde ook minister Claes voor de commissie Buitenlandse Aangelegenheden van de Kamer uit in welke mate deze kwestie een overweging was bij het sturen van troepen naar Rwanda, in het bijzonder bij de beslissing om « slechts » 450 man te sturen : « Tout d'abord, nous estimions qu'il fallait garder une certaine prudence dans une région où nous avons joué un rôle pendant plusieurs décennies. Deuxièmement, conformément à une règle de l'ONU, il faut éviter, tant que faire se peut, d'intégrer des troupes des pays donateurs qui ont joué un rôle historique ou qui sont considérés comme voisins. »

Net zoals professor Suy voor de commissie op 11 maart 1997, meldt minister Claes wel dat de VN nog vóór UNAMIR van deze regel was beginnen afwijken : « Vous avez constaté comme moi que, depuis quatre ou cinq ans, l'ONU ne parvient plus à respecter cette règle à cause du manque de candidats prêts à fournir les troupes. »

Dit gebrek aan donorlanden heeft de VN er waarschijnlijk toe gebracht de oude regel ook niet meer toe te passen op België wat UNAMIR betrof.

3.2.2.2. De beslissingen van oktober 1990

In de herfst van 1990 heeft de Rwandese problematiek aanleiding gegeven tot belangrijke discussies binnen de Belgische regering. Op 1 oktober 1990 was een groep gewapende Tutsi- rebellen vanuit Oeganda Rwanda binnengevallen. Enkele honderden Rwandese burgers zochten aansluiting bij de oprukkende milities. Op 3 oktober was het RFP genaderd tot op 60 kilometer van de hoofdstad Kigali. Hoewel de invasie algemeen beschouwd werd als een poging van uitgeweken Tutsi's om weer aan de macht te komen, hield het RFP vol dat het een edeler doel nastreefde. Het presenteerde zich als een alternatief voor het heersende regime in Kigali, dat beschuldigd werd van corruptie, nepotisme en grove schendingen van de mensenrechten. Op 4 oktober stopte hun opmars aan de rand van de hoofdstad. Al spoedig werden in Kigali de eerste vuurgevechten geleverd.

De Belgische regering werd verrast door het probleem op dat moment. Tot dan « vormde Rwanda geen enkel probleem voor België » verklaarde eerste minister Martens voor de commissie. Rwanda werd « beschouwd als een politiek stabiel land op een positieve en efficiënte manier evoluerend richting democratie » (58a).

In het debat dat destijds binnen de regering gevoerd werd over het eventuele optreden van België in Rwanda, kwamen de volgende elementen aan bod:

­ op 3 oktober werd de Rwandese president door Koning Boudewijn en de eerste minister ontvangen. President Habyarimana vroeg militaire steun en troepen om hulp te bieden aan zijn regering. « Op 5 oktober werd beslist om 500 para's naar Kigali te sturen. Zij hadden als doel de 1 600 Belgen te beschermen en eventueel te evacueren. De bedoeling was dat de para's zouden postvatten op het vliegveld van Kigali. Ook werd er beslist de reeds voordien bij FN bestelde munitie aan Rwanda te leveren. Wij stelden een vliegtuig ter beschikking om deze munitie te leveren. » (59a)

­ de aanwezigheid van 1 600 Belgen die eventueel geëvacueerd zouden moeten worden.

­ « de historisch nauwe banden van ons land en het probleem van de vluchtelingen » (60a);

­ talrijke klachten over de schendingen van de mensenrechten.

Een daarmee samenhangende kwestie lokte in het Parlement een groot debat uit: een journalist maakte een brief van de Koning aan de eerste minister bekend waarin hij hem vroeg uitdrukkelijke steun te verlenen aan de regering-Habyarimana. De commissie heeft niet kunnen ontdekken waar de bron lag van dit lek, dat de kroon ontbloot had.

Gevraagd naar deze kwestie antwoordde minister van Staat Wilfried Martens : « Ik wens niets te zeggen over de manier waarop de Koning is tussengekomen. De Koning heeft het recht om te waarschuwen maar geniet voor het overige een absolute onschendbaarheid. Op het kernkabinet heb ik een brief van de Koning voorgelezen met diens uitdrukkelijk akkoord. » (61a)

De regering besliste:

1º de levering van de voorheen aan FN bestelde munitie te versnellen en een transportvliegtuig C 130 ter beschikking te stellen voor het vervoer;

2º een humanitaire missie op het getouw te zetten om onze landgenoten te beschermen (62a). De eerste minister onderstreepte het humanitaire karakter van de regeringsbeslissing. Deze actie kreeg vorm in het zenden van troepen naar Kigali (63a). 500 manschappen van het paracommandoregiment werden naar Kigali gestuurd;

3º alles in het werk te stellen opdat de landgenoten die het wensen, en bij voorrang vrouwen en kinderen, tijdelijk Rwanda kunnen verlaten (64a).

Vrij vlug liepen tegenstrijdige berichten binnen over de gevechten en het gedrag van de troepen. Er werd melding gemaakt van brutaliteiten en slachtingen door het Rwandese geregelde leger.

Het leek moeilijk vol te houden dat onze troepen nog een neutrale taak vervulden.

De Belgische politieke wereld, zowel de oppositie als delen van de meerderheid, was erg bezorgd over deze toestand.

In de regering kwamen meningsverschillen aan het licht. In het parlement werden na de regeringsbeslissing heftige discussies gehouden. (65a)

Samengevat werd over het volgende gedebatteerd :

­ de interventie van de Belgische troepen moest uitsluitend gebaseerd zijn op de bescherming van alle in Rwanda verblijvende Belgen;

­ de Belgische interventie in Rwanda mocht niet geïnterpreteerd worden als een ondersteuning van de aan de gang zijnde repressie in het land;

­ onze troepen moesten hun taak dus in alle neutraliteit kunnen vervullen;

­ zij mochten evenmin een tussenmacht vormen tussen het geregelde leger en de RFP;

­ het sturen van troepen moest gepaard gaan met een diplomatiek initiatief van België dat erop gericht was een oplossing door onderhandeling voor het conflict te bevorderen.

Op 11 oktober 1990 besliste de regering de bijkomende militaire hulp aan Rwanda in te trekken en op 12 oktober 1990 werd een tweede levering van munitie opgeschort.

De beslissing tot terugtrekking van de troepen werd opgeschort teneinde de zoektocht naar een vreedzame oplossing van het conflict niet te compromiteren. (66a)

De beslissing tot opschorting van de wapenleveringen zou de relatie tussen beide landen ernstig verstoren.

« In een gesprek met de toenmalige staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking, de heer A. Geens, maakte president Habyarimana in november 1990 zijn beklag over het afwijzen van een tweede wapenlevering. In een brief van maart 1991 aan mijzelf drukt Habyarimana zijn dank aan mij uit voor de diplomatieke acties maar herhaalt hij die klachten niet. » (67a)

Om uit de impasse te geraken had de eerste minister beslist om een onderhandelingsmissie naar Naïrobi te sturen en een diplomatiek kader te scheppen waardoor het mogelijk werd de para's op korte termijn terug te trekken.

Op 14 oktober 1990 vertrok premier Martens, met de ministers Eyskens en Coëme naar Naïrobi. De heer Martens noteerde in zijn agenda drie actiepunten : een wapenbestand, een politieke ouverture tussen de Rwandese regering en het RFP en een regionale conferentie voor de vluchtelingen.

Op 17 oktober 1990 kon men in het Tanzaniaanse Mwanza president Habyarimana er toe brengen een politieke dialoog aan te gaan met de oppositie, dat even later werd vastgelegd in de akkoorden van Mwanza. De heer Coëme, de toenmalige minister van Landsverdediging kon vanuit Naïrobi zijn fiat geven voor de terugkeer van de Belgische troepen.

Op 1 november 1990 verlieten de para's Kigali. Volgens professor Reyntjens was onze regering vanaf dan minder actief.

De traditioneel goede relaties tussen België en Rwanda waren vertroebeld. Een aantal getuigen verklaarden voor de commissie dat de Belgische besluitvorming inzake de wapenleveringen een doorn in het oog was bij vele Rwandezen. « ... de antipathie en ontgoocheling die men had teweeggebracht, door het feit dat men in 1990 de wapens en munitie waarvoor men had betaald, niet had geleverd... » (68a) Deze verklaring van mevrouw De Backer werd reeds eerder aangereikt door kolonel Vincent die voor de commissie getuigde dat er voor 1993 inderdaad een anti-Belgisch klimaat heerste dat : « te wijten was aan het feit dat wapens en munitie, waarvoor nochtans in 1990 was betaald, niet werden geleverd. » (69a) Mevrouw De Temmerman noteerde tijdens haar journalistieke opdrachten in Rwanda gelijkaardige ervaringen en stelde dat « ... tijdens één van mijn eerste gesprekken met Rwandezen werden de Belgen verantwoordelijk gesteld voor de inval van het RFP, want wij Belgen hadden niets gedaan om het RFP tegen te houden ... Dat was er eigenlijk al van in 1990. » (70a)

Premier Dehaene tenslotte gaf te kennen dat zijn minister van Buitenlandse Zaken, de heer Willy Claes, in de periode voorafgaand aan de beslissing deel te nemen aan UNAMIR wel gezegd had inzake het anti-Belgisch klimaat : « dat er bepaalde reacties waren en dat er nog frustatries waren over de gebeurtenissen van 1990, maar men kan niet spreken van een algemeen anti-Belgisch klimaat . » (71a)

Dat de gebeurtenissen van 1990 nog niet verteerd waren in Rwanda en aanleiding gaven tot een zekere vijandigheid werd ook bevestigd door major Podevijn, kapitein Claeys en Eric Gillet. Ook generaal Rusatira van de FAR, nochtans beschouwd als behorend tot de gematigde vleugel, gaf voor de commissie toe dat hij, net als vele andere Rwandezen, niet gelukkig was met het niet-leveren van de wapens en de terugtrekking van België in 1990.

De commissie stelt vast de regering zich bewust was van dit probleem maar meende dat dit onvoldoende reden was om niet deel te nemen aan UNAMIR vermits alle betrokken Rwandese partijen uitdrukkelijk vroegen dat België zou deelnemen.

3.2.2.3. De steun aan de akkoorden van Arusha

De beslissing van de Belgische regering om deel te nemen aan de operatie UNAMIR was in belangrijke mate gebaseerd op het vertrouwen dat de regering stelde in de uitvoerbaarheid van de akkoorden van Arusha.

De commissie weerhield in het bijzonder de getuigenissen van die politici en beleidsmensen die op 19 november 1993 de beslissing hadden genomen troepen te leveren aan de VN-vredesoperatie in Rwanda.

Ambassadeur Swinnen die indertijd een bevoorrecht waarnemer was bij de totstandkoming van de akkoorden van Arusha stelde dat de akkoorden : « een antwoord moesten geven op een moeilijke uitdaging waarmee Rwanda was geconfronteerd, namelijk het doorvoeren van een intern hervormingsproces dat gericht was op de uitbouw van een democratische en pluralistische maatschappij. Voor België pasten de akkoorden in de vredeslogica die België vanaf oktober 1990 had bepleit. Het ging om een voluntaristisch beleid met een bevriend volk. Ons land heeft resoluut gekozen voor dit volk, en niet voor één van de partijen in het conflict. Ons beleid werd gekenmerkt door onpartijdigheid, niet zozeer wegens de historische banden, maar omdat we geloofden in het potentieel van dit land. Het was een genuanceerd, eerlijk, objectief en kritisch beleid van betrokkenheid en solidariteit. Het hoeft dan ook niet te verwonderen dat ons land zich bereid heeft verklaard om mee te werken aan de uitvoering van de Arusha-akkoorden. De beslissing om deel te nemen aan UNAMIR is een onderdeel van dit beleid » (72a).

De steun aan de Arusha-akkoorden was vanuit politiek oogpunt ongetwijfeld de voornaamste reden waarom België militairen liet deelnemen aan UNAMIR. Professor Reyntjens vatte het als volgt samen : « Het Belgisch beleid steunde op drie pijlers : het respect voor de mensenrechten, de steun aan het democratiseringsproces en de steun aan de Arusha-akkoorden. Dit Belgische beleid tussen 1990 en 7 april 1994 was een goed, neutraal en evenwichtig beleid. De beslissing van België om mee te werken was dus juist. Het was ook het gevolg van onze voluntaristische steun aan de Arusha-akkoorden. De beide Rwandese partijen waren daarvoor trouwens vragende partij voor een Belgische participatie. Het RPF stelde daarentegen een veto tegen de Fransen (...) Persoonlijk vond ik dat de deelname aan UNAMIR de logische consequentie was van de voluntaristische steun die ons land via ambassadeur Swinnen aan het Arusha-proces had gegeven » (73a).

Premier Jean-Luc Dehaene deelde de mening van zijn voormalige ambassadeur in Rwanda. Tijdens de zitting van 5 maart 1997 analyseerde de Premier het beleid van de Belgische regering in de periode tot aan de beslissing van 19 november 1993 als volgt : « Het Belgisch beleid was vanaf oktober 1990, met de akkoorden van Mwanza als startpunt, toegespitst op een politieke in plaats van een militaire oplossing. Het akkoord van Mwanza was een eerste staakt-het-vuren en een eerste aanmoediging tot politiek onderhandelen. Tijdens het onderhandelingsproces is België actief waarnemer geweest. Gezien de constante inspanningen om tot een politiek akkoord en een concretisering van de akkoorden van Arusha te komen, was dit een culminatiepunt en een bekroning van ons streven. In die periode werd ook de ontwikkelingssamenwerking op een hoog niveau doorgezet. De beslissing om deel te aan de VN-operatie, voorzien in de akkoorden was een consequent verlengstuk van dit beleid » (74a).

Dat er binnen de regering « geen meningsverschil bestond over het te voeren beleid » (75a) blijkt ook uit de uiteenzetting die minister van Buitenlandse Zaken Willy Claes hield op 3 november 1993 tijdens de bespreking van de rijksmiddelenbegroting voor het begrotingsjaar 1994.

In zijn toelichting over de kredieten voor Buitenlandse Zaken stelde Willy Claes : « Met Rwanda worden de relaties resoluut in het teken geplaatst van de ondersteuning die België aan de uitvoering van de akkoorden van Arusha kan verlenen » (76a).

Heerste binnen de regering een consensus over de steun die men moest verlenen aan de uitvoering van de akkoorden van Arusha, ook de legerleiding hechtte veel belang aan de toepassing van de akkoorden van Arusha.

Luitenant-generaal Charlier : « Donc un premier motif à mes yeux pour que la Belgique participe à la MINUAR était d'accompagner le processus d'Arusha de donner le plus de chances possibles à ce processus d'aboutir pour que ces modalités concrètes et en particulier ces modalités militaires : la création de la zone démilitarisée, la zone libre d'armes, l'amenée des premières unités du FPR dans Kigali, la fusion des deux armées, l'entraînement à donner à ces deux armées; bref que tout ce processus ait toutes les chances de réussir puisque la Belgique appuyait le processus d'Arusha, il me semblait normal et il me semble encore normal qu'elle ait essayé d'accompagner ce processus. » (77a)

Desalniettemin beschikte de regering en de beleidsmakers vóór 19 november 1993 over een aantal aanwijzigingen die berichtten over een mogelijke hypotheek op de uitvoering van de protocollen van Arusha.

Luitenant-generaal Charlier zelf sprak zich hierover als volgt uit : « Het was immers niet zeker dat het Arusha-vredesproces zou slagen, er bestond enig risico. Van bij het begin van het proces kwamen sommigen er al tegen in opstand. België had 1 500 onderdanen die in Rwanda verbleven. Militair en politiek droegen wij een stuk van de verantwoordelijkheid indien het Arusha-proces mislukte. Reeds in augustus 1993 zei men dat een mislukking het geweld dreigde te doen losbarsten. België wilde dus een sterkere militaire aanwezigheid dan het tiental technische coöperanten dat zich toen ter plaatse bevond. Militair gezien hadden wij reeds ervaren hoe moeilijk het was om de coöperanten te repatriëren. Het meest kritisch moment is de aanvoer van de eerste middelen. Door deel te nemen aan UNAMIR dachten wij dat wij die kritieke fase van een dergelijke operatie konden vermijden. Als het Arusha-proces zou slagen was dat een goed bruggenhoofd voor de latere samenwerking. Als het mislukte, waren we klaar om in alle veiligheid over te gaan tot evacuatie. » (78a)

In een SGR-nota van 6 augustus 1993 wordt melding gemaakt van het feit dat binnen de Hutu-kern heel wat ontevredenheid en tegenstand bestaat tegen deze akkoorden en dit ook in legerkringen het geval is.

Ook ambassadeur Swinnen schetste een beeld van de hinderpalen die het Arusha-proces bemoeilijkten. Tijdens de hoorzitting van 12 maart 1997 gaf de ambassadeur te kennen dat : « Reeds voor de akkoorden van Arusha kwam de interne politieke machtsstrijd aan het licht. Deze partij werd toen als de potentieel belangrijkste oppositiepartij beschouwd. De problemen in het MDR en de Parti Libéral hadden niet alleen te maken met de Arusha-akkoorden, maar ook met regionale en individuele antagonismen. We waren dus getuigen van een implosie van de bipolarisering en van de radicalisering van de standpunten. Dit werd in de hand gewerkt door de bekommernis van de « mouvance présidentielle » om in de overheidsinstellingen een blokkeringsminderheid te hebben. De moeilijkheden rond artikel 11 van het protocol inzake de inbeschuldigingstelling van de president door de Assemblée nationale zijn hiervan de emanatie. » (79a)

Onze voormalige diplomatieke vertegenwoordiger in Kigali wees de moord op de nieuwe Burundese president Ndadaye op 21 oktober 1993 aan als een belangrijk minpunt voor het Arusha-proces : « Een factor die het onderhandelingsklimaat over de installatie van de nieuwe regering sterk hypothekeerde was de staatsgreep in Burundi op 21 oktober 1993. In Burundi waren we getuige geweest van een geslaagd democratiseringsproces. President Buyoya had zelf meegewerkt aan de overgang naar een democratisch regime. Onder zijn toedoen konden er eerlijke verkiezingen plaatsvinden, enkele maanden voor het sluiten van de Arusha-akkoorden. Ndadaye, die behoorde tot de voormalige oppositiepartij, het Frodibu, had de verkiezingen gewonnen. Hij werd daarmee de eerste Hutu-president op een democratische wijze verkozen. Hij wilde echter zeer voorzichtig te werk gaan. Hij heeft niet onmiddellijk mensen van zijn aanhang laten benoemen op verschillende posten.

De nieuwe president deed veel toegevingen aan Uprona en aan de Tutsi's. De moord op de nieuwe president veroorzaakte in Rwanda een reactie van wantrouwen ten opzichte van het vredesproces. President Habyarimana reageerde zeer scherp.

De president meende dat de internationale gemeenschap hem verweet dat hij zich niet aan de regels hield en dat hij te wantrouwig stond tegenover het vredesproces. Er was echter een president van een buurland vermoord, ondanks zijn progressief beleid van nationale verzoening. Het is moeilijk om vandaag de bevolking en de politieke actoren uit te leggen dat Arusha een geheel van akkoorden is die moeilijk toepasbaar zijn (...). Het Arusha-proces is nooit gestopt, maar er waren wel ernstige vertragingen. Ondanks dubbelzinnigheden, persoonlijke vetes, tegenstellingen tussen het Noorden en het Zuiden, is men steeds blijven praten. » (80a)

Eerste minister Dehaene beklemtoonde dat de akkoorden van Arusha voor de Belgische regering een « culminatiepunt » en een « bekroning » waren geweest. Hij voegde eraan toe : « Wij waren ons ervan bewust dat die akkoorden ingewikkeld waren : het ging om een compromis, niet om een perfecte overeenkomst. » (81a)

Op de vraag van de commissie of de regering wist dat sommigen de Arusha-akkoorden saboteerden antwoordde de eerste minister : « Het heeft weinig zin te veronderstellen dat een akkoord niet zal worden gerespecteerd. De regeringen die aan de VN-operaties deelnemen, engageren zich om de akkoorden uit te voeren of om druk uit te oefenen ten einde ze te laten uitvoeren. Daarom is er naast het militaire luik ook een politiek luik bij elke VN-operatie. De regering bleef geloven in de Arusha-akkoorden als enig alternatief voor het geweld. » (82a)

De heer Erik Derycke, minister van Buitenlandse Zaken en toenmalig staatssecretaris van Ontwikkelingssamenwerking, zal tenslotte op 9 april 1994 in een interview met De Morgen verklaren dat wie de akkoorden van Arusha had bedacht een grove blunder had begaan. Tegenover de commissie zei de huidige minister van Buitenlandse Zaken dat zijn reactie veeleer moest gezien worden als een emotionele reactie. De heer Derycke : « Vanuit mijn ethische visie en nadat ik zoveel ellende in Afrika had gezien, zag ik Arusha als een oplossing. Ik geloofde toen inderdaad in Arusha. Ik was ervan overtuigd « wilde men Rwanda een kans geven » men het unilaterale regime moest omvormen. De overgangsinstellingen waren vrij harmonieus samengesteld. Het plan voor de integratie van de legers leek mij haalbaar. Ik vond wel dat het RFP een dubbelzinnige houding aannam : enerzijds wilden zij inspraak, anderzijds had het verleden diepe sporen nagelaten en was er wellicht onvoldoende communicatie met de basis. Maar tot 6 april heb ik in Arusha geloofd. » (83a)

Naast de aanwijzigingen over de uitholling van de Arusha-akkoorden die de regering kreeg van ambassadeur Swinnen, ontving de regering bijkomende informatie die duidde op een afzwakking van de vredesakkoorden van Arusha.

Eric Gillet, lid van het uitvoerend bureau van FIDH (Fédération Internationale des Ligues des Droits de l'Homme) en medeverslaggever van het « Rapport de la Commission Internationale d'enquête sur les violations des droits de l'homme au Rwanda depuis le 1er octobre 1990 » werd in de bijzondere commissie op 19 maart gevraagd naar de betekenis van de vredesakkoorden van Arusha: « De Arusha-akkoorden waren een goede zaak, maar men moest er zich voor inzetten. Alles wat kon worden gedaan, werd gedaan. België heeft zijn rol goed gespeeld. Noch Habyarimana noch zijn omgeving wilden van dit akkoord horen en de president zal alle mogelijke trucjes gebruiken om het geweld te laten voortduren en het proces stop te zetten. De macht blijft in feite in de handen van de president. De eerste minister blijft buiten spel. Noch de Rwandese, noch de internationale mensenrechtenactivisten laten zich hierdoor misleiden : zij geloven niet dat iemand die moordpartijen kan organiseren in één klap democraat kan worden. Zij zien wat er gebeurt op het terrein. De mensenrechtenorganisaties zullen hun gevoelens en hun vaststellingen permanent aan de Belgische overheid meedelen. Gedurende de twee jaar voorbereiding van de Arusha-akkoorden gebeurde alles op twee niveaus.

Ten eerste is er de verschillende taal van de overheid in het buitenland of in het binnenland, in het Frans of Kinyarwanda of zelfs in het Engels of Kiswahili. Er is ook het dubbele verleidingsspel van de president ». (84a)

« Na de ondertekening van de Arusha-akkoorden op 15 november verklaarde president Habyarimana dat hij ze slechts als een vodje papier beschouwde ». (85a)

« De grote vergissing was te denken dat de Arusha-akkoorden gemakkelijk toe te passen zouden zijn terwijl zich op het terrein een heel andere situatie liet ontwikkelen. Men moest de Arusha-akkoorden koppelen aan de eerbiediging van de mensenrechten » (86a).

Professor Reyntjens merkt op : « De moord op president Ndadaye was vermoedelijk de doodsteek voor het vredesproces. Enerzijds omdat dit goedmenende gematigden aan het twijfelen zette, anderzijds omdat het diegenen die het niet goed meenden met dit proces, argumenten gaf om het proces te blokkeren. » Professor Reyntjens zegt hierover : « Als gevolg van de staatsgreep in Burundi en de moord op de Burundese president verklaren de Hutu's en meer bepaald de als gematigd beschouwde Hutu's, dat men geen vertrouwen kon hebben in het RPF en bij uitbreiding dus ook niet in de Tutsi's . Zo komt men in de logica van volkerenmoord. Deze opinie wordt versterkt door het feit dat sommige Tutsi's in Kigali de staatsgreep in Burundi toejuichten en weigerden deel te nemen aan de manifestatie van 23 oktober als steunbetuiging aan het Burundese volk. Achteraf bekeken kan men besluiten dat de moord op de Burundese president de doodsteek was voor het Arusha-akkoord. Door de moord op de president op te blazen en de bevolking ervan te overtuigen dat zij de Tutsi's moest doden als zij niet zelf wou worden uitgegroeid, heeft men de ideologie en de structuur ontwikkeld die voor het op gang brengen van de volkerenmoord noodzakelijk waren. » (87a)

3.2.2.4. Bezoek van Habyarimana aan België op 4 oktober 1993

Een ander feit dat een invloed kan gehad hebben op de Belgische beslissing : het bezoek van de Rwandese president, de heer Habyarimana aan België :

Op 4 oktober 1993 was de Rwandese president, Juvénal Habyarimana, te gast op het koninklijk paleis te Laken. Tevens aanwezig waren de Eerste minister, de heer Jean-Luc Dehaene, de minister van Landsverdediging, de heer Leo Delcroix, en de staatssecretaris voor de Ontwikkelingssamenwerking, de heer Eric Derycke. Tijdens een onderhoud met de pers heeft de president verklaard te rekenen op de spoedige aankomst van de VN-blauwhelmen in zijn land om de vredesakkoorden te helpen uitvoeren en heeft hij tevens de wens uitgedrukt dat het totaal aantal manschappen van UNAMIR hoger zou zijn dan de 2 500 die voorgesteld werden door de secretaris-generaal van de VN.

Op 6 augustus 1993, dit is twee dagen na de ondertekening van de akkoorden van Arusha, werd president Habyarimana als staatshoofd ontvangen bij de begrafenisplechtigheid van Koning Boudewijn.

Bij dat bezoek heeft het « Comité pour le Respect des Droits de l'Homme au Rwanda » een persbericht de wereld ingestuurd om de internationale gemeenschap te wijzen op de gevaren die dat bezoek inhield. De druk op de Rwandese regering dreigde immers weg te vallen om een terugkeer tot de democratie en een toepassing van de vredesakkoorden te bereiken.

Het perscommuniqué wees er tevens op dat president Habyarimana kennelijk « dubbel spel » speelde.

De heer Gasana Ndoba verklaarde voor de commissie : « Het was algemeen bekend dat hij hoofdaandeelhouder van « Radio Mille Collines » was (88a). Op de terugkeer van de president naar Rwanda volgde de moord op een reeks personen die misdaden tegen de mensheid hadden gepleegd. Die executies hadden uiteraard tot doel het zwijgen op te leggen aan alle mogelijke getuigen van het presidentieel beleid . »(89a)

Het bezoek van president Habyarimana aan de Belgische instellingen was gepland in het kader van de steun die ons land moest verlenen aan de uitvoering van de vredesakkoorden. Iedereen had vertrouwen in de akkoorden van Arusha en in de bedoeling van de president om die te doen naleven, alhoewel sommige verontrustende berichten erop wezen dat een harde kern uit de omgeving van president Habyarimana ertegen gekant was.

In een vertrouwelijke nota van de SGR van 15 april 1993 meldden de inlichtingendiensten dat de voorziene machtsdeling weinig enthousiasme wekt in de omgeving van de president : « Dans son entourage, il existe effectivement un noyau de « durs », qui sont prêts à tout pour ne pas perdre les privilèges que leur octroyait l'ancien régime. Parmi ces « durs » il y a certains chefs militaires. » (90a) Eerste minister Jean-Luc Dehaene kreeg steeds meer de indruk dat Habyarimana de akkoorden van Arusha wilde doen naleven maar dat er pressie werd uitgeoefend op de president « onder meer vanuit de familie van zijn echtgenote ». (91a)

De heer N'Diaye heeft vervolgens aan de commissie verklaard : « De akkoorden van Arusha vertegenwoordigen een verplichting tot machtsdeling die hij (de president) niet wou nakomen. Men weigerde ook verder te zien dan de belangen van de clan ... Wellicht is de dubbelhartigheid van de Rwandese leiders geminimaliseerd. Volgens hen kwam machtsdeling neer op een erkenning van hun nederlaag.

Elke poging om de Tutsivluchtelingen te laten terugkeren had niets opgeleverd en had het triomfalisme van de regering bevestigd (...). Nu blijkt echter duidelijk dat hij (de president) ze saboteerde. » (92a)

Oud Volksunie-senator Willy Kuijpers nam de aanwezigheid van Habyarimana te Brussel te baat om hem een aantal vragen te stellen via een open brief, over de invloed van de Akazu, die de heer Kuijpers bestempelt als een occulte macht samengesteld uit personen uit de omgeving van de president om moorden en relletjes van politieke aard te organiseren in heel het land.

In zijn brief verzoekt Willy Kuijpers de president zijn aandeel toe te lichten in een aantal duistere zaakjes waarbij die groep, die ook « Réseau Zéro » wordt genoemd, betrokken is. Overigens verklaart de heer Kuijpers er niet van overtuigd te zijn dat de president de akkoorden werkelijk gunstig gezind is. Het is voor hem de vraag of Habyarimana daar zijn handtekening niet heeft onder gezet onder druk van de internationale opinie (93a).

President Habyarimana heeft de vragen van de heer Kuijpers weggewuifd door ze als « loze beweringen » te bestempelen(94a).

Op 28 september 1993 ontving de minister van Buitenlandse Zaken, Willy Claes, een speakingnota, die toen mogelijke gespreksonderwerpen moest vormen voor de ontmoeting van 4 oktober 1993 met president Habyarimana.

De integrale tekst van de speaking note luidt als volgt (vertaling) :

1. Vredesakkoord van Arusha van 4 augustus 1993

1.1. Wij verheugen ons over de ondertekening van het vredesakkoord tussen de regering en het RPF, dat een einde maakt aan de oorlog.

1.2. Wij feliciteren de protagonisten die erin geslaagd zijn hun partijbelangen op de achtergrond te plaatsen en beslissingen hebben genomen in het belang van het Rwandese volk aangezien zij door onderhandelingen een oplossing hebben gevonden voor het conflict, wat inhoudt dat aan beide zijden soms moeilijke concessies gedaan moesten worden.

1.3. We verzoeken alle betrokken partijen de gesloten akkoorden integraal na te leven en effectief ten uitvoer te leggen in een klimaat van nationale verzoening en wederzijds vertrouwen en tolerantie. Deze akkoorden moeten bijdragen tot de versterking van de democratie en leiden tot vrije verkiezingen.

2. België is bereid om aan dit akkoord zijn politieke en logistieke steun te verlenen.

2.1. Op politiek vlak

­ Wij hebben er bij onze partners van de Europese Gemeenschap op aangedrongen omdat zij het vredesproces en de democratisering, alsook de tenuitvoerlegging van het akkoord steunen.

­ Wij hebben er ook bij de leden van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, en in het bijzonder bij de Verenigde Staten, op aangedrongen dat een FIN wordt samengesteld.

2.2. Op het logistieke vlak

2.2.1. GOMN 1, Delegaties te Arusha, Ontheemden wegens de oorlog

­ Wij hebben GOMN 1 reeds in 1992 steun verleend in de vorm van jeeps.

­ Wij hebben de reizen van de delegaties naar Arusha mee helpen financieren (600 000 frank).

­ Wij hebben humanitaire noodhulp verleend (110 miljoen frank) via NGO's aan de ontheemden wegens de oorlog.

2.2.2. GOMN 2, MONUOR

­ Wij geven financiële steun aan GOMN 2 (3 miljoen frank voor 3 maanden).

­ Wij dragen bij in de financiering van MONUOR (ongeveer 3 miljoen frank voor 6 maanden).

2.2.3. FIN, Fusie van de legers, demobilisatie, ontheemden, verkiezingen.

De regering onderzoekt mogelijke acties op de volgende terreinen :

FIN of UNAMIR : sturen van een contingent van 200 à 300 manschappen. De aandacht van de president zou gevestigd kunnen worden op het feit dat hij er alle belang bij heeft de voorstellen van de VN-secretaris-generaal betreffende de omvang van de FIN (2 500 manschappen) te aanvaarden aangezien sommige permanente leden van de Veiligheidsraad voorbehoud maken.

Fusie van de legers :

Verdubbeling van de militaire-technische samenwerking (20 bijkomende instructeurs).

Organisatie in België van opleidingsstages van het korte type voor militairen.

Sturen van een magistraat die adviezen kan geven bij de oprichting van een militair auditoraat.

Demobilisering :

De dienst ontwikkelingssamenwerking bestudeert een bijzonder programma voor sociaal-economische begeleidingsmaatregelen en voor het bepalen van de prioriteiten en de hulpprogramma's met het oog op de wederopbouw van het noorden van het land.

Demarches bij de Wereldbank.

Ontheemden :

Handhaving van onmiddellijke steun in de vluchtelingenkampen aangezien er tijd nodig is voor de wederopbouw in de oorlogsgebieden.

Verkiezingen :

Ontwikkelingssamenwerking onderzoekt een aantal mogelijkheden om steun te verlenen bij de voorbereiding van de verkiezingen, de eindfase van het democratisch proces, samen met de Europese Gemeenschap, de VN en de donorlanden.

3. Binnenlandse situatie in Rwanda

­ Wij doen een beroep op de president opdat hij actief bijdraagt tot het scheppen van de voorwaarden die noodzakelijk zijn voor de voortzetting van het vredesproces en van de democratisering.

­ Wij zijn verontrust over de tweedracht die heerst in sommige partijen, waardoor het vredesproces geblokkeerd dreigt te raken.

­ Zoals de andere donorlanden, maken we ons grote zorgen over het verdwijnen van de voedselhulp. Nu Rwanda meer internationale hulp vraagt, moet in de eerste plaats daar orde op zaken worden gesteld.

3.2.2.5. De aanwezigheid in Rwanda van een Belgische gemeenschap

Naast de vaststelling dat de steun aan de akkoorden van Arusha en de vraag van de beide partijen hadden gewogen op de beslissing van de Belgische regering om het vredesproces in Rwanda logistiek te ondersteunen was de commissie van oordeel dat meerdere factoren hadden meegespeeld in de beslissing troepen te sturen naar Rwanda. Tijdens de tweede zitting van de commissie stelde mevrouw Beckers, de zus van een Belgisch burgerslachtoffer de vraag : « Of België zijn onderdanen niet moet beschermen ? » (95a)

Volgens de cijfers uit een vertrouwelijke nota van 15 april 1993 telde de Belgische gemeenschap in Rwanda 1 497 Belgen, waarvan 900 in de hoofdstad Kigali woonden. De andere Belgen waren verspreid over 10 prefecturen. De kleinste Belgische gemeenschap woonde in Kibuye. De grootste concentratie Belgische onderdanen kon men aantreffen in de prefectuur van Butare, waar 190 Belgen hun officiële verblijfplaats hadden. Naast 570 private personen, bestond de Belgische populatie uit 428 coöperanten, 168 vrijwilligers, 231 missionarissen en 100 andere die in de administratie waren ingeschakeld of die na hun actieve dienst een verblijf in Rwanda verkozen boven een terugkeer naar België. « Les Belges représentent la communauté expatriée la plus importante du Rwanda » (96a) terwijl de Fransen, de Duitsers en de Amerikanen het moeten stellen met respectievelijk 600, 350 en 200 landgenoten. De Belgisch militaire coöperatie omvatte een twintigtal officieren en onderofficieren met hun familie.

« Als wij niet hadden deelgenomen aan de internationale aanwezigheid » stelde premier Dehaene : « denk ik dat zulks niet zou begrepen zijn door de Rwandese bevolking noch door de Belgische bevolking in Rwanda. Deze laatste heeft trouwens een rol gespeeld bij onze beslissing. » (97a) Zo gaf ook de militaire inlichtingendienst van het leger (SGR) een positief advies over een mogelijke deelname van België aan wat toen nog de NIF heette, op grond van de vaststelling dat de aanwezigheid van Belgische manschappen in Rwanda een geruststellende invloed zou uitoefenen op vele geëxpatrieerden (98a). (bijkomende informatienota van 28 september 1993, SGR ­ document 7140).

De Belgische overheden meenden vanaf het begin dat het beschermen van de landgenoten en het voorbereiden van een eventuele evacuatie één van de taken moest zijn van het Belgisch detachement bij UNAMIR. Ook de militaire overheden te Brussel en te Kigali waren die mening toegedaan. Nochtans was de specifieke bescherming van de Belgische geëxpatrieerden (en andere westerlingen) niet voorzien in het VN-mandaat, dat enkel in punt 3.A een algemene opdracht tot « bijdragen tot de veiligheid in Kigali » voorzag. Evenmin behoorde het evacueren, het meehelpen aan een evacuatie of het voorbereiden van een evacuatie oorspronkelijk tot het mandaat.

Ook na de dramatische gebeurtenissen van 7 april 1994 wanneer de regering beslist tot de evacuatie van de Belgen wenst de regering « ... namelijk de VN-spelregels respecteren. Daarom werd beslist tot evacuatie, niet met behulp van Blauwhelmen, maar door het zenden van Belgische en Franse para's », aldus de heer Willy Claes. De heer Riza waarschuwde : « denk er niet aan om als Belgen met uw blauwhelmen unilateraal op te treden » (99a).

3.2.2.6. De informatie over de anti-Belgische en anti-UNAMIR campagne

Een laatste element tenslotte dat een rol heeft gespeeld bij het afwegen van de beslissing om al dan niet troepen te leveren aan de UNAMIR-vredesmacht betreft de kennis die de Belgische regering had over het bestaan van vijandige reacties in Rwanda tegenover België en tegen de deelname van België aan de vredesoperatie.

In dat verband heeft de ad hoc-groep Rwanda in zijn rapport dat op 7 januari 1997 werd overgemaakt aan de commissie voor Buitenlandse aangelegenheden van de Senaat een aantal aanwijzingen in de onderzochte documenten aangestipt op grond waarvan hij tot de conclusie kwam dat er zich in de periode voorafgaand aan de beslissing troepen naar Kigali te sturen (100a) : « een anti-Belgisch klimaat in Rwanda ontwikkelde, althans in extreme Hutu-kringen verbonden met president Habyarimana en zijn directe entourage » (101a).

Tijdens de hoorzittingen voor de commissie nuanceerden een aantal getuigen deze vaststelling.

Zo verklaarde Premier Dehaene tijdens zijn eerste hoorzitting, « Het is duidelijk dat wij op de hoogte waren van de anti-Belgische reacties. Er was evenwel geen sprake van een ongunstig klimaat in het algemeen. Er was wel een minderheid die acties voerde, die door RTLM werden aangemoedigd. (...) Er was dus geen algemene anti-Belgische stemming. Integendeel, de bevolking stelde onze aanwezigheid op prijs. » (102a)

Ook ambassadeur Swinnen relativeert de berichten over de anti-Belgische gevoelens. Onze voormalige ambassadeur in Kigali plaatst de : « uitingen van anti-Belgische gevoelens in extremistische en anti-pacifistische milieus. Dat was normaal omdat België een uiterst pacifistische koers volgde. Die anti-Belgische gevoelens waren soms ook tegen mijn persoon gericht. De anti-Belgische gevoelens zijn te situeren in een ruimere context van een verzet tegen het vredesproces (...) dit betekende niet dat er een voorbedachte anti-Belgische actie bestond. » (103a) Ambassadeur Swinnen erkent wel dat België in extremistische kringen een slecht imago had en dat hij indertijd uitermate bezorgd was geweest over « sommige extremistische groepen » die het vredesproces wilden discrediteren maar dat er eigenlijk nooit aanleiding was geweest om over een algemeen anti-Belgische stemming te rapporteren. Het onbehagen over de Belgen moest volgens de ambassadeur beschouwd worden als een verzet tegen het vredesproces en het engagement van de Belgen in dit vredesproces.

Nog steeds volgens ambassadeur Swinnen kan men niet stellen dat de MRND en president Habyarimana tegen een Belgische deelname aan UNAMIR waren. De MRND was « wel tegen een te overwegende participatie en tegen een exclusieve, dominante Belgische rol. De MRND was wel voorstander van een substantiële Belgische rol. » En verder : « Op 12 november 1993 heeft de president (Habyarimana) mij verzekerd van zijn vurige wens dat België zich zou engageren in UNAMIR en drong hij erop aan dat België niet van mening zou veranderen. Hij wilde wel een evenwichtig samengesteld contingent in Kigali. » (104a)

Tijdens zijn eerste hoorzitting op 5 maart ging ook voormalig minister van Buitenlandse Zaken Willy Claes dieper in op het al dan niet bestaan van een anti-Belgische stemming in Rwanda. Volgens de gewezen minister van Buitenlandse Zaken was er geen anti-Belgisch klimaat. « Wel werden anti-Belgische gevoelens vastgesteld in een actief anti-pacifistisch milieu. » (105a) Willy Claes vatte de stemming die in Rwanda heerste als volgt samen : « op het ogenblik van de beslissing heerste geen anti-Belgisch klimaat. Er was wel een gevaarlijke minderheidsgroep actief tegen de Arusha-akkoorden. Er was wel een beperkte groep tegen de Arusha-akkoorden en bijgevolg ook tegen ons land. » (106a)

Daarnaast noteerde de commissie enkele getuigenissen waarin wel degelijk het bestaan van een anti-Belgisch gevoelen wordt bevestigd.

Zowel luitenant-generaal Charlier als de heer Gasana Ndoba, vertegenwoordiger van het comité voor de eerbiediging van de Mensenrechten en de democratie in Rwanda getuigden dat een aantal Belgische beslissingen in het verleden de aanleiding waren voor een anti-Belgische campagne.

Luitenant-generaal Charlier : « Een anti-Belgische campagne was sedert eind oktober 1990 aan de gang. De regering had toen beslist de militaire elementen terug te trekken die ze op het ogenblik van de invasie van het noorden van het land had gestuurd. Daardoor veranderde de houding van de Rwandese militairen ten aanzien van de Belgen. Als men zich in hun plaats stelt, is hun houding begrijpelijk. Er is een inval en het land dat militaire steun had verleend trekt zich terug zodra het haar eigen coöperanten heeft geëvacueerd. Bovendien heeft de Belgische regering geweigerd om een wapenbestelling uit te voeren die de Rwandezen reeds hadden betaald. Nogmaals, hun reactie was begrijpelijk. Men kan echter niet zeggen dat de relaties tussen de Rwandese en Belgische militairen verbroken waren. Wij hebben een technische en militaire samenwerking in stand gehouden (opleiding van officieren, medische en logistieke steun). Er waren bezoeken van Rwandese militairen in België en omgekeerd. Volledig normale relaties, maar wij voelden dat het klimaat veranderd was. Een ander element voedde het anti-Belgisch klimaat : het Arusha-proces werd niet door alle Rwandezen aanvaard. De tegenstanders van het proces weigerden de deelname van de Belgen aan UNAMIR te aanvaarden. Vanaf september werden anti-Belgische campagnes gevoerd en werden burgers lastig gevallen. Het was dus noodzakelijk onze landgenoten te beschermen. Toen wij naar Rwanda vertrokken wisten wij wat de risico's waren (107a). (...) Het anti-Belgisch klimaat was wel bekend. » (108a)

De heer Gasana Ndoba: « Er was veel te doen om de onhandigheid van de Belgische troepen. Vanaf 1990 heerste een anti-Belgische sfeer naar aanleiding van de terugtrekking van de Belgische troepen en van het stopzetten van wapenleveringen door België. » (109a)

De commissie komt net als de ad hoc groep Rwanda tot het besluit dat zich in de periode voorafgaand aan de beslissing van 19 november 1993, om troepen te sturen zich wel degelijk een anti-Belgisch klimaat ontwikkelde, althans in extreme hutu-kringen verbonden met president Habyarimana en zijn directe entourage.

In elk geval is de commissie van oordeel dat, of de hutu-extremisten nu al dan niet als minderheid moeten worden bestempeld, zij zich in elk geval bevonden in het centrum van de macht. Zij behoorden immers tot de militaire en politieke elite rond president Habyarimana.

De commissie meent dat het bestaan van deze anti-Belgische stemming geen doorslaggevend element geweest is bij de beslissing van de Belgische regering om op 19 november 1993 troepen te sturen naar Rwanda. Wel speelde het in de politieke afweging mee, naast de budgettaire elementen, om het aantal manschappen te beperken tot maximaal 450.

Premier Jean-Luc Dehaene verklaarde desbetreffend : « de geciteerde telexen werden niet aan de Ministerraad voorgelezen. Ze behoorden tot de basisinformatie van de heer Claes. Hij heeft ons wel gezegd dat er aanwijzingen waren dat er bepaalde reacties waren en dat er nog frustraties waren over de gebeurtenissen van 1990, maar men kan niet spreken van een algemeen anti-Belgisch klimaat. » (110a)

3.2.3. Militair-technisch

Naast de elementen van politieke aard die een rol hebben gespeeld bij de beslissing om deel te nemen aan UNAMIR stelt de commissie vast dat ook militaire overwegingen een invloed hebben gehad. Een mislukking van het Arusha-vredesproces was niet denkbeeldig. Van bij de aanvang was er zwaar verzet tegen de akkoorden die in Arusha waren tot stand gekomen. De deelname aan UNAMIR bood de mogelijkheid van een sterke militaire aanwezigheid die onmiddellijk in actie zou kunnen schieten bij het repatriëren van de Belgische onderdanen in geval van zo'n mislukking. Hoewel dit niet voorzien was in het mandaat van de Verenigde Naties kon op die manier de meest kritieke fase van een evacuatie-operatie, met name de aanvoer van de eerste middelen, worden vermeden (111a). Bovendien wees het verslag van de werkgroep ad hoc er al op (duidend op de nota die luitenant-generaal Charlier op 15 oktober 1993 richtte aan de minister van landsverdediging) dat de legertop de deelname aan UNAMIR ook verwelkomde, omdat onder meer daardoor het argument werd aangereikt voor het afwijzen van de verlenging van de Belgische militaire aanwezigheid in Somalië (112a). Luitenant-generaal Charlier nuanceert dit in zijn eerste hoorzitting op 28 februari 1997 : « Men mag niet denken dat wij naar Rwanda zijn gegaan om een reden te hebben om Somalië te verlaten » (113a). Eerste minister Dehaene zegt desbetreffend tijdens zijn eerste hoorzitting op 5 maart 1997 : « Men moet evenwel niet denken dat ons vertrek uit dat land de voorwaarde was om onze troepen naar Rwanda te sturen » (114a). Er zijn ook aanwijzingen dat nog andere motieven een rol hebben gespeeld, onder meer het herstructurerings- en afslankingsplan van het leger, waardoor de Generale Staf neigde naar een maximale deelname van het Belgisch leger aan internationale vredesoperaties. Hoewel luitenant-generaal Charlier dit uitdrukkelijk ontkent (115a) en ook kolonel Engelen, toenmalig militair adviseur van de Belgische permanente vertegenwoordiging bij de VN, verklaart dat de chef van de generale staf helemaal niet enthousiast reageerde toen hij hem vanuit New York de vraag van de VN meldde voor een Belgische deelname aan UNAMIR (116a).

Wat er ook van zij, de commissie stelt vast dat vanuit militair-technisch oogpunt bekeken de beslissing om deel te nemen aan UNAMIR in alle opzichten de kenmerken vertoonde van een compromis, waarbij getracht werd militair-technische imperatieven te verzoenen met politieke overwegingen. Luitenant-generaal Charlier neemt in zijn hoorzitting van 28 maart 1997 zelfs de term « marchandage » in de mond (117a).

3.2.3.1. Het verslag van de verkenningsmissie naar Rwanda, het zogenaamde Recce-rapport

Dit rapport gedateerd 2 november 1993 dat vanuit militair-technisch oogpunt de basis vormde voor de beslissing om deel te nemen aan UNAMIR en dat samen met de « mémo justificatif d'un besoin opérationnel » (niet gedateerd) en twee telexen die door de verkenningsmissie die in Rwanda ter plaatse was gebleven, werden overgezonden aan het C Ops te Evere, het dossier vormde dat op 10 november 1993 door de Generale Staf werd toegestuurd aan de minister van Landsverdediging, werd reeds uitvoerig besproken in het verslag van de werkgroep ad hoc (118a).

Samengevat vond de verkenningsmissie dat er, zoals generaal Dallaire het overigens vroeg, voor de sector Kigali een bataljon noodzakelijk was bestaande uit vier compagnies waarvan één uitgerust is met pantservoertuigen voor het vervoer van troepen (APC's). Die laatste compagnie zou optreden als een QRF (Quick Reaction Force) over geheel het Rwandese grondgebied om tussen te komen in geval van kritieke situaties. Hoewel generaal Dallaire aan een bataljon van 800 man dacht voor de sector Kigali, gaan zowel de verkenningsmissie, de generale staf als de staf van de paracommando's er van uit dat de klus te klaren valt met ongeveer 600 man, hetgeen op 3 november door luitenant-generaal Charlier in een nota aan voormalig Minister van Landsverdediging Delcroix werd medegedeeld (119a). Alle ondervraagden met uitzondering van generaal-majoor Schellemans, voormalig kabinetschef van de minister van Landsverdediging bevestigen dat dit de optie was van het leger. Op de vraag welke zijn uitgangspunt was om de uitvoering van de opdracht van de vredesmacht zoals omschreven in de « mémo justificatif d'un besoin opérationnel » mogelijk te maken, antwoordt kolonel Flamant, het hoofd van de verkenningsmissie, « Zeshonderd manschappen » (120a). De voormalige chef van de onderafdeling planning voor de externe operaties bij de generale staf, luitenant-kolonel Briot bevestigt dit in zijn hoorzitting van 28 februari 1997 : « Oorspronkelijk had de VN 800 manschappen gevraagd. De algemene staf had een theoretische analyse gemaakt en die aangevuld met een element uit de verkenningsopdracht. Wij hadden de Generale Staf een minimum van 600 man voorgesteld om de opdracht te kunnen uitvoeren en om de veiligheid van het personeel en het welzijn van de manschappen te garanderen » en « Als wij niet over 600 man konden beschikken, moesten wij een aantal opdrachten laten vallen. » (121a) Luitenant-generaal Charlier is nog explicieter : « Met 600 man konden vier compagnieën en een snelle interventiemacht worden samengesteld » en « Wij meenden dat 600 man nodig was, want het was belangrijk dat Kigali als een geheel werd beschouwd. Het opsplitsen van een commando in een stad maakt de zaken veel ingewikkelder. Wij wilden ook dat de QRF tot onze bevoegdheid behoorde, en daarom heb ik vier compagnies gevraagd, waaronder een pantsercompagnie » en « Het bataljon van 600 man dat wij hebben voorgesteld, bestond uit drie compagnie fuseliers en een compagnie pantservoertuigen. » (122a) Dat was ook het uitgangspunt van de staf van de paracommando's.

Luitenant-kolonel Leroy bevestigt dit in zijn hoorzitting van 24 maart 1997 : « De paracommandostaf heeft verscheidene andere voorstellen bestudeerd waarin sprake was van zowat 500 à 550 manschappen, maar steeds georganiseerd in vier compagnies, waarvan één met pantservoertuigen. » (123a) Alleen generaal-majoor Schellemans verdedigt een andere stelling. Tijdens zijn hoorzitting op 12 maart 1997 stelde hij dat ook met de 600 Belgische manschappen bepaalde taken niet konden worden vervuld, meer bepaald de QRF (124a).

Hoewel de commissie vaststelt dat het rapport van de verkenningsmissie niets aan duidelijkheid te wensen overliet, blijkt uit de verklaringen van de auteur van het rapport, kolonel Flament, dat althans in zijn geest het werd opgesteld als een document waarmee men vanuit de legerleiding kan « onderhandelen ». « Ik heb 600 soldaten gevraagd om er zeker 400 te krijgen. » « Als we in ons dossier 600 man vroegen dan was dat om zeker te zijn dat we 450 zouden krijgen. » « Dat is geen gewoonte, maar wij moesten wel onderhandelen over wat wij als noodzakelijk voor de veiligheid beschouwden. » Hoewel op de vraag « Onderhandelen met wie ? » , kolonel Flament het antwoord schuldig blijft en zegt dat die vraag aan luitenant-generaal Charlier moet worden gesteld (125a).

Kolonel Flament voegt eraan toe : « Toen ik naar Kigali vertrok sprak de Generale Staf echter over 200 man... » (126a). Luitenant-generaal Charlier verklaarde echter dat hij op het ogenblik van het verstek van de Recce heeft gezegd : « ... dat wij realistisch moeten blijven en dat als wij 300 of 400 man zouden krijgen, dat bevredigend zou zijn. » (127a)

3.2.3.2. De onderhandelingen over het aantal manschappen

Of het Recce-rapport nu al dan niet werd geschreven met het oog op het voeren van onderhandelingen tussen de legerleiding en de politieke verantwoordelijken, feit is dat er over de troepensterkte gedurende twee weken discussies werden gevoerd, die resulteerden in de beslissing van de Ministerraad van 19 november 1993 om 370 manschappen te sturen met de mogelijkheid, indien de veiligheid van de troepen het zou vereisen, het aantal op te trekken tot 450.

De commissie heeft bij het reconstrueren van deze discussie vastgesteld dat benevens een aantal elementen van persoonlijke aard die ongetwijfeld een rol hebben gespeeld, uiteindelijk gekozen werd voor een vergelijk dat zowel tegemoet wou komen aan een aantal zuiver politieke oogmerken als aan een aantal militaire noodwendigheden op het terrein die daar in menig opzicht tegengesteld aan waren .

De houding van de regering m.b.t. de kwestie van de troepensterkte was vanaf de aanvang vrij duidelijk. Nadat onze permanente vertegenwoordiger op 8 september 1993 vanwege de Verenigde Naties de informele vraag ontving om Belgische troepen te zenden in het kader van de VN-vredesoperatie in Rwanda lag het standpunt zo niet formeel, dan toch in elk geval informeel vast: ja, aan een deelname, maar om politieke redenen ­ d.w.z. wegens de geschiedenis van België in Rwanda en om niet al te zichtbaar aanwezig te zijn ­ was er geen sprake van om een bataljon te zenden van 800 manschappen zoals de VN het wenste (128a). Zonder in dit stadium van het beslissingsproces de militaire autoriteiten te betrekken opteerde de regering dus voor een beperkte deelname, waarbij gedacht werd aan 200, maximum 300 manschappen. Die aantallen werden door de betrokken ministers in de pers bekendgemaakt. In zijn eerste hoorzitting op 5 maart 1997 bevestigt Eerste minister Dehaene dit, « Op 17 september boog de Ministerraad zich over de vraag of België al dan niet aan UNAMIR zou deelnemen. Op dat ogenblik ging het enkel om een principiële beslissing . (...) De discussie ging toen over het aantal manschappen. Het verzoek van de Verenigde Naties leek immers te hoog. Bovendien was een overwegend Belgische aanwezigheid in Kigali politiek niet aangewezen, aangezien men ons land met de UNO had kunnen verwarren . (...) Er werd toen gesproken van 200 à 300 man, maar niets werd beslist ». (129a) In dit stadium van het beslissingsproces werden de militaire autoriteiten niet geraadpleegd door de Belgische regering. Tijdens hun hoorzittingen van 5 maart 1997 herhalen voormalig minister van Landsverdediging Delcroix en voormalig minister van Buitenlandse zaken Claes dit standpunt. De heer Delcroix: « (...) toen werd beslist dat er geen grootscheepse militaire aanwezigheid zou komen. Dit was gegrond op politieke redenen en op grond van ons historisch verleden . (...) De regering heeft in elk geval de politieke keuze gemaakt voor een beperkte aanwezigheid. Aanvankelijk was er sprake van 200 militairen, nadien van 200 à 300 . (...) de politieke wil om te zorgen voor een symbolische, maar beperkte aanwezigheid van België . (...) Daarmee wou de regering aantonen dat wij niet te dominant aanwezig wilden zijn » (130a). De heer Claes : « Budgettaire en politieke overwegingen lagen aan de basis van het beleid. Vanaf 17 september werd duidelijk beslist dat België niet in grote mate kon deelnemen (...) » (131a).

Naast politieke speelden dus evenzeer budgettaire motieven een belangrijke rol bij de beperking van de troepensterkte, temeer daar ten hoogste een terugbetaling van ongeveer twintig procent vanwege de Verenigde Naties kon worden verwacht en die terugbetaling veelal meerdere jaren op zich laat wachten. Hoewel luitenant-generaal Charlier tijdens zijn eerste hoorzitting ontkende dat er ooit sprake is geweest van een budgettaire enveloppe met betrekking tot de operatie-Rwanda (132a), bevestigde hij in de hoorzitting van 21 april 1997 dat tot twee keer toe de minister van Landsverdediging zijn vraag om 600 manschappen te sturen verwierp op budgettaire gronden en in zijn bijzijn een politiek argument nooit naar voren werd geschoven. Ook de evaluatienota van 12 juli 1994, opgesteld door luitenant-generaal Charlier op vraag van de minister van Landsverdediging, stelt dat het aantal manschappen beperkt werd wegens budgettaire motieven (133a). Minister van Landsverdediging Delcroix is minder eenduidig. Enerzijds stelt hij dat de weigering om het aantal manschappen te verhogen tot het door de legerleiding gevraagde aantal van 600 vooral stuitte op politieke bezwaren. Anderzijds verklaarde hij dat « het eerder een budgettaire kwestie » was. Wat er ook van weze, zowel politieke, als budgettaire en zelfs sociale motieven (134a) zoals voormalig minister van Landsverdediging Delcroix voor de commissie aangaf, bepaalden de minimalistische houding van de regering, in die mate zelfs dat zoals voormalig minister van Buitenlandse Zaken Claes aangaf, België niet zou hebben deelgenomen indien het aantal van 450 manschappen als onvoldoende zou zijn bevonden, een houding die ook door generaal-majoor Schellemans, voormalig kabinetschef van de minister van Landsverdediging tijdens zijn hoorzitting werd bevestigd (135a) en die overigens met zoveel woorden terug te vinden is in de conclusies van het verslag van het kernkabinet van 10 november 1993, « indien staf voor een of andere reden niet zou akkoord gaan met huidig voorstel, dan zou afgezien worden van deelname aan deze VN-operatie » (136a).

De houding van de legertop i.v.m. de troepensterkte werd hierboven al ten dele toegelicht. De generale staf vroeg 600 manschappen om de opdracht te vervullen. De 300 waarvan initieel sprake was of de 370 waartoe het kernkabinet van 10 november 1993 neigde, werd onvoldoende bevonden, hetgeen door luitenant-generaal Charlier aan de minister van Landsverdediging werd medegedeeld in een nota gedateerd 12 november 1993, waarvan de inhoud reeds werd weergegeven in het verslag van de ad hoc-groep Rwanda (137a). Volgens luitenant-generaal Charlier die de initiële intentie om 370 manschappen uit te sturen reeds op 11 november voor uitvoering doorstuurde naar de staf van de landmacht (die daartegen verzet aantekende en bleef bij het uitsturen van ongeveer 500 manschappen inclusief Generale Staf),beantwoordde dit aantal aan geen enkele « militaire oplossing » (138a). Met dit beperkte aantal kon zelfs geen reserve worden gevormd (139a). Met 450 daarentegen was het mogelijk compagnies samen te stellen om het terrein bezet te houden en een reserve over te houden (140a), ook al was in dit cijfer het personeel begrepen dat op het hoofdkwartier van generaal Dallaire en kolonel Marchal werkte, alsook het personeel dat belast was met logistieke taken. Werden deze uit de 450 gehaald dan kwam men tot een totaal aantal beschikbare manschappen van 350 (141a).

Het is voor de commissie minder duidelijk of aan de politieke verantwoordelijken ook voldoende duidelijk werd gemaakt dat die vermindering van de troepensterkte tot 450 als gevolg zou hebben dat bepaalde taken (onder meer de QRF) niet zouden konden uitgevoerd worden en door een ander buitenlands contingent zouden moeten worden op zich genomen. Luitenant-generaal Charlier beweert van wel. In de hoorzitting van 28 februari 1997 verklaart hij, « Ik heb de minister van Landsverdediging schriftelijk nogmaals meegedeeld dat ik weigerde verantwoordelijkheid op te nemen voor de operaties met minder dan 450 man, als er geen snelle interventiemacht ter plaatse was en een gedeelte van de sectoren niet door een andere natie gecontroleerd werd » (142a). En in de hoorzitting van 21 april 1997 antwoordt hij bevestigend op de vraag of minister Delcroix ervan op de hoogte was dat wij met 450 militairen nooit een QRF zouden kunnen vormen (143a). Dit wordt bevestigd door luitenant-kolonel Briot die op de vraag of aan de regering werd gezegd dat met 450 man niet alle taken konden worden vervuld, antwoordt, « Uiteraard » (144a). Voormalig minister van Landsverdediging Delcroix van zijn kant beweert dat dit niet gebeurde. Tot tweemaal toe antwoordt hij ontkennend op de vraag of luitenant-generaal Charlier hem heeft medegedeeld dat met een getalsterkte van minder dan 600 de taken zouden moeten worden beperkt (145a), hoewel hij er aan toevoegt dat hij er zelf zich van bewust was dat ingevolge de reductie van het aantal manschappen België niet zou instaan voor de QRF (146a). Zijn kabinetschef nochtans, generaal-majoor Schellemans antwoordt op de vraag « Is erover gesproken dat bepaalde door generaal Dallaire gevraagde taken niet zouden kunnen worden vervuld ? » ondubbelzinnig « Dat is evident » (147a).

Twee aspecten van de houding van de legertop dienen nog onder de aandacht te worden gebracht, met name haar eis het commando over de sector Kigali in handen te krijgen en de invloed hiervan op de troepensterkte. Luitenant-generaal Charlier bevestigde tijdens de hoorzitting van 28 februari 1997 deze eis, maar verklaarde dat dit punt bij de vaststelling van het aantal manschappen echter niet doorslaggevend was (148a). Ten tweede de vraag of het Belgisch leger überhaupt wel in staat was meer dan 450 manschappen te leveren gelet op de lopende operaties in ex-Joegoslavië en Somalië. Door deze operaties zou het onmogelijk geweest zijn meer dan 450 man op het terrein te sturen en was dit de reden waarom de Generale Staf met het aantal van 450 instemde. Ook dit punt wordt door luitenant-generaal Charlier tegengesproken, « Het maximale aantal manschappen dat wij konden sturen was afhankelijk van de duur van de opdracht. Als die kort was geweest, hadden wij er veel kunnen sturen. Vanaf 15 december, meenden wij dat wij gelet op de omstandigheden, voor 600 man konden zorgen » (149a), een standpunt dat wordt bevestigd door de commandant van KIBAT I, kolonel Leroy (150a) en door admiraal Verhulst, toenmalig hoofd van het C Ops te Evere, « De landmacht heeft ons laten weten dat ze 548 man kon leveren die om de vier maanden moesten worden afgelost. Als u daar het bijkomend personeel bijtelt, komt men tot 600 personen. (151a) ».

Zoals hierboven reeds werd vastgesteld, werd niet gekozen voor hetzij de politieke benadering, hetzij de militair-technische aanpak, maar leidden deze tegengestelde visies tot een compromis dat uiteindelijk niet tegemoet kwam aan de oorspronkelijke bekommernissen van de Regering die wegens budgettaire redenen en omwille van het verre en vooral recente historisch verleden wilde vermijden de ruggengraat van de UNAMIR-troepen te leveren, noch aan de wensen van generaal Dallaire, noch aan de initiële voorstellen van het Belgische leger.

Zowel de regering als de legertop stemden echter wel in met het bereikte compromis.

In zijn tweede hoorzitting voor de bijzondere commissie op 28 maart 1997 gaf luitenant-generaal Charlier uitvoerig relaas over zijn gesprekken met de voormalige minister van Landsverdediging en diens kabinet bij de totstandkoming van de beslissing om 450 manschappen naar Rwanda te zenden. Over dit relaas werden luitenant-generaal Charlier en voormalig minister van Landsverdediging Delcroix met elkaar geconfronteerd in een zitting achter gesloten deuren op 21 april 1997. Aan generaal-majoor Schellemans, voormalig kabinetschef van de minister van Landsverdediging werden achteraf hierover een aantal schriftelijke vragen gesteld, waarvan de antwoorden de commissie bereikten op 19 juni 1997 (152a).

Volgens luitenant-generaal Charlier is de beslissing van 19 november 1993, beslissing om 450 manschappen naar Rwanda te sturen, het resultaat geweest van een « marchandage », waarvan hij de uitkomst met tegenzin aanvaardde omdat hij vreesde dat bij een blijvende weigering iemand anders aan het hoofd van het leger wel de zending zou hebben aanvaard met minder manschappen. « Had ik geweigerd dan was ik vertrokken. Een andere zou de zending aanvaard hebben met 300 man. » (153a).

Generaal-majoor Schellemans in zijn antwoord van 19 juni bestatigt een aantal van deze gebeurtenissen, doch relativeert ze of plaatst ze in een enigszins andere context. Hij bevestigt in ieder geval dat luitenant-generaal Charlier zich tegenover hem beklaagde over de wijze waarop dit dossier behandeld werd, « Hij sprak zelfs van aftreden en van bepaalde zaken (zonder deze te specifiëren) openbaar te maken. » Volgens generaal-majoor Schellemans gebeurde dat voor het overzenden van de bewuste nota van 12 november, wellicht op 11 november. De minister werd van deze bedreiging op de hoogte gebracht. Volgens generaal-major Schellemans was de minister van Landsverdediging het overigens niet oneens met die nota. Luitenant-generaal Charlier zou hem wel een tweede maal hebben gecontacteerd, namelijk op 18 november om zijn ongenoegen te uiten over de voorstelling van het dossier aan de Ministerraad van de daaropvolgende dag. Bij die gelegenheid stelt generaal-majoor Schellemans : « Ik heb toen getracht uit te leggen dat er reeds een beslissing in de Kern was genomen, dat een dergelijke beslissing niet zo maar zou veranderd worden en dat het dus beter was het dossier voor te stellen zoals het kabinet het wou. Het is mogelijk dat ik tijdens mijn argumentatie gesproken heb over « sensibiliteiten » (« gezichtsverlies lijden » ?), maar dit was zeker niet bedoeld op de persoon van de minister. » Ook van de inhoud van dit gesprek werd de minister op de hoogte gebracht. Of de minister na de eindbeslissing van 19 november aan luitenant-generaal Charlier gevraagd heeft geen publiciteit aan de zaak te geven, weet hij niet.

Voormalig minister van Landsverdediging Delcroix van zijn kant kon zich geen van deze feiten meer herinneren.

Hoe dan ook, voor de commissie is het in ieder geval duidelijk dat de voorbereiding van de beslissing van de Ministerraad van 19 november niet uitsluitend stoelde op objectieve elementen van politieke of van militair-technische aard, maar ook op elementen van subjectieve en conflictuele aard, met inbegrip van dreigementen. Of de eindbeslissing anders zou zijn geweest indien de discussie op een andere, meer serene wijze ware gevoerd, valt niet te zeggen, wel staat het voor de commissie vast, dat er dan mogelijks meer tijd en aandacht ware gegaan naar essentiële problemen zoals het mandaat, de te vervullen opdrachten, het ontbreken van een tweede geloofwaardig contingent, het ontbreken van een accurate QRF (Quick Reaction Force), en dergelijke meer.

3.2.3.3. Het ontbreken van een tweede geloofwaardig contingent

Van zodra het duidelijk werd dat België slechts een deel van de UNAMIR-troepen voor de sector Kigali zou leveren, werd de aanwezigheid van een tweede geloofwaardig contingent van groot belang, vooral gezien de regering van bij de aanvang opteerde voor een eerder beperkte aanwezigheid van 200 à 300 manschappen. In de optiek van de regering zouden de Belgische troepen immers slechts een klein onderdeel uitmaken van een bredere VN-troepenmacht waarvan het zwaartepunt bij een andere natie dan België zou komen te liggen. Voor de operationaliteit en vooral voor de veiligheid van de Belgische troepen was het dan ook van levensbelang te weten binnen welke multinationale context zij zouden dienen te opereren. Voormalig minister van Buitenlandse Zaken Claes heeft gepoogd te achterhalen welke landen door de VN zouden uitgenodigd worden om deel te nemen aan de troepenmacht (154a). En in een telegram van 5 november 1993 werd een lijst van landen medegedeeld die in aanmerking kwamen (Bangladesh, België, Egypte, Ghana, Malawi, Tunesië, Uruguay, Togo en Canada), waarna de Belgische permanente vertegenwoordiging bij de VN de instructie kreeg stappen te ondernemen bij de Oostenrijkse en Canadese delegatie (155a). Deze laatste haakte echter snel af. Alleen Oostenrijk bleef over zodat het kernkabinet van 10 november 1993 de ministers van Buitenlandse Zaken en Landsverdediging de opdracht gaf de nodige contacten te nemen om vooralsnog een bijdrage van dat land te bekomen (156a). Hoe dan ook, eerste minister Dehaene bevestigde dat steun van ervaren troepen uit andere Europese landen nooit als voorwaarde aan de VN werd opgelegd en dat over het tweede contingent nooit is gesproken in termen van geloofwaardigheid (157a). Toenmalig minister van Landsverdediging Delcroix stelt « Dit is een probleem van de VN. Het betrof een VN-operatie en geen Belgische operatie » (158a). Ter rechtvaardiging wordt nu eens aangehaald dat slechts tijdens de UNAMIR-operatie zelf duidelijk bleek dat de Bengaalse troepen niet tegen hun taak opgewassen waren en voor de beslissing van 19 november het probleem met het Bengaals contingent zich beperkte tot vragen m.b.t. de logistiek. Dan weer wordt verwezen naar de pogingen die toch werden ondernomen om Oostenrijk met een tweehonderdtal manschappen aan UNAMIR te doen deelnemen.

De commissie stelt evenwel vast dat :

­ Zoals vermeld in het rapport van de ad-hocgroep-Rwanda, laat het Recce-verslag van 2 november 1993 zich reeds kritisch uit over de Bengaalse stafofficieren. Dit verslag maakte deel uit van het dossier dat met het oog op het kernkabinet van 10 november 1993 aan de minister van Landsverdediging werd overhandigd (159a).

­ Luitenant-kolonel Kesteloot (lid van de verkenningsmissie, die na de terugkeer van de missie in Rwanda bleef) zich in twee telexen, gedateerd 9 november 1993 (eveneens opgenomen in het rapport van de ad-hocgroep-Rwanda en gevoegd bij het dossier dat met het oog op het kernkabinet van 10 november 1993 aan de minister van landsverdediging werd overhandigd) kritisch uitliet over het Bengaalse contingent dat samen met de Belgische troepen de sector Kigali zou bevolken. Deze problemen reiken veel verder dan het logistieke. De telexen hebben het over problemen i.v.m. het commando, de transmissies en het ontbreken van voertuigen (160a). In ieder geval verklaart luitenant-kolonel Kesteloot dat « al bij hun aankomst hebben wij gemerkt dat de Bangladezen niet voldeden », een vaststelling die door kolonel Marchal wordt onderschreven, « Het eerste deel van het Bengalese bataljon is op 6 december zonder één fles water of enig voedsel aangekomen. De instructies van de VN bepalen nochtans dat de detachementen gedurende drie maanden autonoom moeten kunnen opereren » (161a). Op de vraag aan luitenant-kolonel Kesteloot of dit aan het C Ops te Evere werd gemeld, antwoordt hij bevestigend (162a).

­ Geen enkele voorafgaand onderzoek door het Belgisch leger werd verricht naar de operationaliteit van de troepen die samen met de Belgische manschappen in de sector Kigali zouden moeten opereren (163a).

­ Het van bij de aanvang duidelijk was dat binnen de eerste fase van de UNAMIR-operatie geen troepen door Oostenrijk zouden (kunnen) worden geleverd. Zowel voormalig minister van Landsverdediging Delcroix, zijn voormalig kabinetschef generaal-majoor Schellemans, als de stafchef van het leger luitenant-generaal Charlier zijn daar zeer expliciet over. Op 29 maart 1994 bevestigde de minister van Landsverdediging in het Parlement dat het reeds in de herfst van 1993 duidelijk was dat Oostenrijkse troepen pas negen à twaalf maanden later zouden kunnen worden ingezet (164a).

De voormalige minister bevestigde dit tijdens de werkzaamheden van de commissie.

Generaal-majoor Schellemans verklaarde tijdens zijn hoorzitting, « Na een paar weken was duidelijk dat het niet mogelijk was om op redelijke termijn Oostenrijkse soldaten te sturen » (165a). En luitenant-generaal Charlier verklaarde tijdens zijn tweede hoorzitting dat het zijn bedoeling was van de aflossingen van KIBAT I gebruik te maken om de Oostenrijkers te laten komen, m.a.w. in de tweede helft van de maand maart 1994, standpunt dat hij herhaalt bij zijn derde hoorzitting (166a). Overigens was men het los van het feit wanneer zij operationeel zouden zijn, oneens over de vraag welke rol zij zouden spelen. Voor het kabinet van Landsverdediging zouden zij komen ter vervanging van een deel van de Belgische troepen (167a). Voor de stafchef van het leger, luitenant-generaal Charlier dienden zij bovenop het Belgisch contingent te komen, als versterking (168a). In januari 1994 stelde luitenant-generaal Charlier zelfs voor de Belgische troepen terug te trekken, indien het, zoals tijdens een vergadering van de stafchefs met de minister van Landsverdediging bleek, de bedoeling was de Oostenrijkse compagnie in de plaats van een Belgische compagnie te stellen (169a).Ook de houding van de VN was allerminst eenduidig. Op het terrein was generaal Dallaire eerst tegenstander van een Oostenrijkse deelname omdat het miliciens betrof en zij nog opgeleid moesten worden (170a). Later was hij voorstander voor zover zij als versterking zouden komen (171a), maar daar was het VN-secretariaat dan weer tegen omwille van budgettaire oogmerken (172a). Voor het VN-secretariaat was met de komst van de Bengaalse troepen het door de Veiligheidsraad toegelaten aantal bereikt en het contingent opgevuld (173a).

De commissie stelt vast dat het probleem van het ontbreken van een tweede geloofwaardig contingent in ieder geval niet de vereiste aandacht kreeg en dat op tal van waarschuwingen over de waarde van de andere UNAMIR-troepen geen gepaste reactie volgde.

3.2.3.4. De verschillende opdrachten waaronder de QRF (Quick Reaction Force)

Het onvermijdelijk gevolg van de beperking van de Belgische troepensterkte en van het ontbreken van een tweede geloofwaardig contingent, was dat essentiële taken die aan de sector Kigali van UNAMIR werden toevertrouwd op een ondermaatse manier of zelfs helemaal niet konden worden uitgevoerd. Officieel kregen de Belgische troepen in Kigali twee van de drie sectoren toegewezen, namelijk Kigali-centrum en de luchthaven; de Bengali één sector, namelijk Kigali-Noord en de zogenaamde QRF, de interventiemacht die voorzien van lichte pantservoertuigen op bevel van generaal Dallaire overal in Rwanda diende tussen te komen, wanneer een kritieke situatie dat zou vereisen. De commandant van KIBAT I, luitenant-kolonel Leroy verklaarde, dat het reeds van bij de verkenning duidelijk was dat er onvoldoende manschappen waren om de te voorziene taken, onder meer het opsporen van wapens binnen de toegewezen sectoren, tot een goed einde te brengen (174a). Bovendien was er van een QRF nauwelijks of geen sprake zodat de Belgische troepen verplicht waren van bij de aanvang zelf een grotere reserve (de zogenaamde delta teams) op te zetten, waarbij het logistiek personeel ingeschakeld werd om wacht te lopen en veertig tot vijftig manschappen af te lossen. In de praktijk betekende dit dat slechts 350 manschappen beschikbaar waren op het terrein, hetgeen onvoldoende was om de taken uit te voeren die het Belgisch contingent zich had voorgenomen (175a) of ze althans uit te voeren met de vereiste intensiteit (176a).

Naast de beperking van het aantal manschappen lag derhalve het ontbreken van een operationele interventiemacht aan de oorsprong van een gebrekkige uitvoering van de opdrachten. Overigens was het ontbreken van de QRF zelf het gevolg van de beperkte troepenmacht die door België werd gezonden, alhoewel de vraag kan worden gesteld waarom de generale staf opteerde voor het bezetten van twee sectoren in Kigali, waaronder de luchthaven, eerder dan voor één sector, namelijk deze waarin de luchthaven lag én de mobiele interventiemacht. Uiteraard waren er voor- en nadelen verbonden aan beide opties. Het was « een dramatische keuze » die moest worden gemaakt, zei de voormalige stafchef van de landmacht, luitenant-generaal Berhin tijdens zijn hoorzitting (177a). Uiteindelijk werd gekozen voor de eerste optie. Omdat België om « politieke redenen » de leiding van de Force niet opeiste, « Je comprends très bien qu'il y ait eu des raisons politiques pour que la Belgique ne revendique pas le commandement de la Force. J'estime qu'il y avait des raisons militaires pour qu'elle le revendique. La décision a été prise sans consulter les militaires. Le mandat, il est évident que nous étions dans ce schéma de l'ONU que nous connaissions bien pour l'avoir expérimenté déjà depuis 2 ans en Yougoslavie », zo verklaarde luitenant-generaal Charlier tijdens zijn eerste hoorzitting (178a), hoewel uit meerdere getuigenissen onder meer van luitenant-generaal Charlier blijkt dat ook de Belgische militaire overheden verkozen om én in het centrum van Kigali aanwezig te zijn (waar overigens het grootste gedeelte van de bevolking en van de Belgische geëxpatrieerden woonde) én in de sector waar het vliegveld lag om deze in geval van nood te kunnen gebruiken als uitvalbasis. (179a) Evenwel werd volgens luitenant-generaal Charlier de oplossing zelf op het terrein uitgedokterd door generaal Dallaire, « Toen de Minister erop aandrong de getalsterkte tot 300 man te beperken, hebben wij besprekingen aangeknoopt met de staf die in Kigali aanwezig was om na te gaan of onze opdrachten konden worden gewijzigd. Uit de besprekingen is gebleken dat wij twee sectoren voor onze rekening konden nemen, met dien verstande dat de QRF door een ander land zou worden geleverd en dat de andere sectoren van Kigali ook tot de bevoegdheid van een ander land zouden behoren. Die oplossing kwam van de commandant van de troepenmacht » (180a).

Generaal Dallaire bevestigt dit :

« What quick reaction capability I had was based on a company of the Bangladeshi Battalion. I had originally planned to give that role to the Belgian contingent; however, the decision to only send a « demi-Battalion » (approximately 400 personnel) rather than the requested full Battalion (800 personnel) meant that the Belgian forces could not perform that role and all the other essential security tasks in the KWSA .

The APCs had arrived in late February/early March without tools, spare parts, mechanics, manuals and with limited ammunition. The main weapon on the APCs had never been test fired in Rwanda. Training for the Quick Reaction Force had commenced bij late February in roles envisaged in keeping with the deterrent aspects of peacekeeping. They were meant to provide a presence to deter conflict between the opposing parties. They also had limited training in crowd control operations. This small force did conduct some training in the rescue of hostages. The proficiency of the forces involved, however, had not progressed to the point that they could be considered for those tasks without an unacceptable measure of risk. The equipment limitations and their proficiency in using such systems was still below acceptable operational standards » (181a).

Wel is het onduidelijk wanneer de beslissing om zo te handelen werd getroffen. Uit de verklaringen van kolonel Marchal tijdens de hoorzitting van 7 maart 1997 zou kunnen worden afgeleid dat dit tijdens de verkenningsmissie gebeurde, aangezien hij stelt dat de beslissing genomen werd door kolonel Flament en generaal Dallaire. (182a) In een verslag van de vergadering van het kernkabinet van 10 november 1993 dat werd opgesteld ten behoeve van de Eerste minister wordt evenwel vermeld dat de minister van Landsverdediging voorstelt dat België de centrumzone en de QRF zou vragen. In de besluiten van de Eerste minister komt dit punt evenwel niet meer voor.

De premier verklaarde desbetreffende tijdens zijn tweede hoorzitting voor de commissie dat : « ... een centrumzone essentieel was en ook een voldoende aantal mensen om de leiding ervan te nemen... » Verder zei de premier dat de QRF « ...in de besprekingen niet als een essentieel punt aan de orde is gekomen, en ook naar de conclusies toe niet is weerhouden als een punt dat zich in het centrum van het debat vond. (...) Blijkbaar heeft minister Delcroix dit in zijn inleiding zo vermeld. » (183a)

De stelling die door enkele ondervraagden werd gehuldigd als zou de uiteindelijke beslissing de QRF aan RUTBAT af te staan het gevolg zijn van de weigering van generaal Dallaire om met rupsvoertuigen te opereren in plaats van met pantservoertuigen op wielen die België toentertijd niet bezat, vindt geen grond in de schriftelijke verklaringen die generaal Dallaire aflegde t.a.v. de Belgische gerechtelijke instanties. Zij wordt ook weerlegd door de verklaringen van kolonel Marchal tijdens de hoorzitting van 14 maart 1997 : « generaal Dallaire was het er trouwens mee eens om tanks en munitie te vragen ». Op de vraag of generaal Dallaire dan niet vasthield aan zijn vraag om voertuigen op wielen te verkrijgen en geen rupsvoertuigen, antwoordt kolonel Marchal, « Ik denk dat generaal Dallaire op het ogenblik van de verkenning dacht aan zware rupsvoertuigen. Technisch gezien was dat niet aan te bevelen. Lichte pantservoertuigen met een minimale druk op de grond waren beter geschikt. Op het ogenblik van de gebeurtenissen was generaal Dallaire er evenwel van overtuigd dat de QRF op het gepaste ogenblik zou komen met helikopters. Ik herinner eraan dat deze verkenning plaats had in oktober en dat de toestand in december in negatieve zin geëvolueerd was » (184a).

Hoe dan ook, niemand ging voor de ontplooiing van de Belgische troepen na of de Bengali wel voor een QRF konden instaan, hoewel een van de telexen van luitenant-kolonel Kesteloot van 9 november 1993 die hierboven reeds werd geciteerd, al een aantal aanwijzingen bevatte om daar twijfels over te hebben. Zoals later in het rapport wordt toegelicht (zie punt 3.3.4.) arriveerde de commandant van het bataljon pas einde januari en duurde het tot einde februari, begin maart 1994 alvorens de voertuigen, BTR's die door de VN nog waren gebruikt bij een operatie in Mozambique, in Rwanda toekwamen. De Bengali waren bovendien niet opgeleid om deze voertuigen te besturen en er was geen personeel voorzien om ze te onderhouden en te herstellen. Van een operationele QRF is tijdens de hele duur van de UNAMIR-operatie dan ook geen sprake geweest (185a). Dit wordt bevestigd door generaal Dallaire die in zijn schriftelijke getuigenis aan de Advocaat-generaal bij het Belgisch Militair Gerechtshof stelt, « By 7 April 1994 the preparation of the Bangladeshi force had not progressed to the point that they could be considered for those tasks as their equipment limitations and their ability in using such systems were below acceptable operational standards. In keeping with the peace-keeping mandate, the Quick Reaction Force was not trained, equipped, nor operationally to be prepared to conduct any offensive assault operations » (186a). De vraag moet worden gesteld of dit onafwendbaar was. Wellicht niet, indien men tenminste had gereageerd op de alarmkreet van kolonel Marchal. Onmiddellijk na zijn aankomst in Kigali op 4 december 1993 stelt hij vast dat het uitgesloten is dat men tijdens de eerste maanden van de operatie zal beschikken over een QRF. En amper vier dagen later op 8 december 1993 richt hij dan ook een verzoek aan Brussel om zelf een QRF op de been te mogen brengen en hiervoor pantservoertuigen te krijgen, een verzoek waarop echter nooit een antwoord kwam (187a). Noodgedwongen hield het Belgisch contingent dan maar de beperkte reserve aan die het van bij de aanvang van de operatie had opgezet en dit ondanks het gering aantal manschappen waarover het beschikte .

Uit dit alles volgt dat de vraag moet worden gesteld of het verantwoord was troepen naar Rwanda te sturen zonder dat de militaire of politieke overheden er zich bij voorbaat had van vergewist dat een geloofwaardige reactie- of interventiemacht zou aanwezig zijn. Uiteraard was het de verantwoordelijkheid van de VN er voor te zorgen dat een operationele QRF op het terrein beschikbaar was. Ook moet de vraag gesteld worden of het tot de verantwoordelijkheid behoorde van de Belgische autoriteiten zich er van te vergewissen of de Bengali daartoe in staat waren en onmiddellijk de nodige maatregelen te treffen toen van bij de aanvang bleek dat dit niet het geval was.

3.2.3.5. De verspreiding van de kantonnementen

Zoals reeds in het rapport van de ad hoc-groep Rwanda werd aangestipt, kwam de slechte voorbereiding van de deelname aan de UNAMIR-operatie ook tot uiting in de problemen die rezen rond de huisvesting(188a). Eerst zou het CTM met die opdracht belast worden, doch dit kon niet doorgaan omwille van de verplichte neutraliteit.

« (2) Implantation de KIBAT

(a) Lors de la préparation de la mission, la CTM avait été chargée d'effectuer des Recce pour l'implantation de KIBAT.

L'idée qui a alors prévalu dans le choix des Cant était que chaque Cie restât soudée (cf. Exposé du Lt Col Beaudoin). La raison en était plus d'ordre pratique (facilités de Comdt, d'Sp Log, diminution des charges ancillaires de garde et de permanence) que d'ordre tactique. Par la suite, pour respecter la neutralité de la MINUAR, la CTM a été déchargée de cette mission.

(b) KIBAT I a d'abord été regroupé dans le stade Amahoro jusqu'à l'arrivée de RUTBAT (10 décembre 1993). Le Bn a alors été dispersé en 14 cantonnements allant de l'école abritant 90 personnes (Groupe Sud à Beverly Hills) jusqu'à la villa privée de 5 personnes (Det Med à Vitamine).

Cette dispersion, dont le principe était tout à fait défendable, était d'une part voulue par le Gen Dallaire qui souhaitait une présence la plus large possible de la MINUAR, surtout au Centre ville et d'autre part, imposée par l'Infra existante et les budgets limités. La MINUAR était considérée comme une Ops à petit budget et l'ONU n'intervenait pas pour le paiement de logements en dur. Il a donc fallu se tourner vers des Infra gratuites (Don Bosco, Soeurs, etc.)

(c) Certaines implantations ne répondaient pas aux besoins Ops (ex : séparation des médecins de l'ACP, des pilotes de leur Helis).

(d) Cette dispersion inquiétait toutefois le Lt Col Dewez qui souhaitait rassembler à l'Aer le groupe AIRFIELD, les Helis avec leurs pilotes et l'ACP. L'Ops KIGALODGE était en bonne voie et devait constituer une bonne solution au problème ». (189a)

Toen de manschappen op 18 november 1993 België verlieten was er geen bevredigende oplossing voor gevonden. Uiteindelijk zouden de Belgische blauwhelmen die eerst in tenten in het stadion waren geïnstalleerd (190a), gehuisvest worden in niet minder dan veertien kantonnementen verspreid over het gehele grondgebied van Kigali. Sommige van deze kantonnementen waren gewone privé-woningen, waar hoogstens vijf, zes manschappen konden logeren. Deze situatie die misschien het voordeel bood van een intense aanwezigheid op het terrein en van een vergemakkelijken van een eventuele evacuatieoperatie (191a), zorgde van bij de aanvang voor tal van logistieke problemen. Vooral veroorzaakte ze evenwel problemen op het vlak van de veiligheid. De bewaking van die veertien verschillende kantonnementen eiste immers heel wat manschappen op, terwijl ook een hergroepering van de manschappen in geval dit nodig mocht blijken problematisch werd. Reeds bij de ontplooiing van de Belgische troepen werd het probleem aangekaart. Op 3 december 1993 richt luitenant-kolonel Leroy, commandant van KIBAT I, een nota aan het C Ops te Evere waarin om veiligheidsredenen voorgesteld wordt het aantal kantonnementen tot negen rond vijf plaatsen te herleiden. Ook in het inspectieverslag van majoor Guérin van 31 januari 1994 dat hierna in punt 3.3.4. nog uitvoerig aan de orde komt, wordt gewezen op gevaar van deze spreiding bij ongeregeldheden. Ook de stafchef van het leger, luitenant-generaal Charlier erkende het probleem. In geval van moeilijkheden diende KIBAT zijn eigen veiligheid te verzekeren « door een egelstelling aan te nemen » : « ... en cas de reprise des hostilités ou dans toute situation dont le contrôle vous échappe, l'attitude que vous devez prendre est celle du hérisson en boule, qui consiste à se replier dans ses cantonnements et à être prêt à se défendre » (192a).

« Het innemen van zo'n « egelstelling » is evident problematischer als de manschappen zo verspreid zijn als dat bij de Belgische troepen in Kigali het geval was. » (193a)

De vraag die de commissie zich daarbij heeft gesteld, is wie of wat aan de oorsprong lag van deze huisvestingsproblemen. Volgens het toenmalig hoofd van het C Ops te Evere was het het meest aangewezen dat de Belgische blauwhelmen gegroepeerd per compagnie gehuisvest zouden geweest zijn, niet in tenten uit veiligheidsoverwegingen, maar in gebouwen, maar « generaal Dallaire wou de troepen spreiden » (194a). Volgens de stafchef van het leger, luitenant-generaal Charlier behoorde de huisvesting tot de verantwoordelijkheid van de VN, « De vertegenwoordiger van de VN had aangekondigd dat we over huisvesting konden beschikken, gratis aangeboden door de Rwandezen » . Hij stelt eveneens dat generaal Dallaire wenste dat de eenheden maximaal over het terrein werden verspreid (195a),(196a).

Hij ontkent ook dat budgettaire problemen aan de oorsprong lagen. Reeds in december zou kolonel Marchal verzekerd zijn geweest van het nodige budget (197a). Uit de getuigenverklaring van kolonel Marchal blijkt echter dat daar juist het probleem zich situeerde. « Kolonel Kesteloot » , die deel uitmaakte van de verkenningsmissie en op het terrein bleef om de komst van de Belgische troepen voor te bereiden, « zou gevraagd hebben de huurovereenkomsten voor de beschikbare gebouwen te mogen ondertekenen » (198a). Blijkbaar kreeg hij daar niet onmiddellijk de goedkeuring voor omdat men er in Brussel bleef van uitgaan dat de VN hiervoor zouden instaan. Het VN-secretariaat had onder meer over dit punt van de missie op 5 november 1993 een akkoord afgesloten met de Rwandese regering. De tekst vermeldt evenwel dat de Rwandese regering « in de mate van haar mogelijkheden » zou instaan voor de huisvesting (199a). Wat er ook van zij, toen kolonel Marchal op 4 december 1993 in Kigali arriveerde, was het probleem van de huisvesting nog steeds onopgelost. « Ik heb van luitenant-generaal Charlier zeer vlug toestemming gekregen om deze overeenkomsten te ondertekenen, maar de grote gebouwen waren niet meer beschikbaar » (200a). Het gevolg was dat de Belgische troepen uiteindelijk niet per compagnie in enkele, maar in veertien verschillende kantonnementen dienden te logeren.

3.2.3.6. De problemen inzake bewapening en munitie

Zoals in het rapport van de ad hoc -groep Rwanda wordt vermeld, vertrokken de Belgische troepen naar Rwanda met een lichte bewapening (FNC en MINIMI 5.56). Daarbij hadden ze UNIMOG- en MANN-voertuigen en ILTIS-jeeps te hunner beschikking waarop mitrailleuses van het type MAG 7.62 konden worden geplaatst, ze beschikten ook over machinegeweren .50 Verder konden zij gebruik maken van twee lichte helikopters en zes CVRT (twee Scimitars uitgerust met een kanon van 30 mm, evenwel zonder munitie en vier Spartans uitgerust met mitrailleuses MAG 7.62) (201a). Wat de munitie betreft beschikten de troepen onder meer over granaten, mortieren hoofdzakelijk van het type « ILL » (illuminating) en « SMK » (smoke), patronen voor de MAG, de FNC en LAW anti-tankwapens voor de korte afstand (202a). Tenslotte beschikten zij ook over affuiten van het anti-tankwapen voor de middellange afstand MILAN, die evenwel werden meegenomen om enkel aan te wenden als nachtkijker. De raketten zelf ontbraken. Alles bij elkaar was er in het logistiek centrum een reserve aanwezig die zowat dertig à veertig procent vertegenwoordigde van de basic load, m.a.w. van hetgeen standaard wordt meegenomen bij een operatie (203a). Ten slotte werd enkele dagen na de ontplooiing van de Belgische troepen, op 3 december 1993 munitie voor mortieren van het type « HE » (high explosive) overgezonden. Volgens luitenant-kolonel Briot, chef van de onderafdeling planning voor de externe operaties bij de generale staf, gebeurde dit « discreet » tegen de richtlijnen van de VN in, voor de « veiligheid van het detachement » en na toestemming door de chef van de generale staf (204a). Admiraal Verhulst die de leiding waarnam van het C Ops ontkent dit evenwel en schrijft de zending van deze mortiergranaten toe aan een louter materiële vergissing buiten het medeweten van de generale staf (205a).

Wat er ook van zij, volgens meerdere getuigen was het overeenkomstig de door de Verenigde Naties uitgevaardigde richtlijnen onmogelijk om bij de aanvang van de operatie zwaardere bewapening en munitie mee te nemen (206a). Andere getuigen leggen er dan weer de nadruk op dat het generaal Dallaire was die zich tegen de aanwezigheid van zwaardere wapens zou hebben verzet (207a). Admiraal Verhulst gaat zelfs zover te stellen dat ook de instemming van Rwanda vereist was (208a).

De commissie stelt evenwel vast dat :

­ In de « Guidelines for Governments contributing military personnel to UNAMIR » het meenemen van zwaardere wapens en munitie niet verboden wordt. De tekst luidt « mortars and other heavy crew-served weapons are not required » , wat letterlijk wil zeggen dat ze niet vereist worden. Het betekent allerminst dat ze niet zouden mogen worden meegenomen (209a). Wel blijkt uit diezelfde richtlijnen dat enkel in geval van « request » door de VN er (gedeeltelijke) terugbetaling volgt, waaruit moet worden afgeleid dat kosten verbonden aan uitrusting die niet door de VN wordt vereist, ten laste vallen van het deelnemende land zelf (210a). Hoe onwaarschijnlijk ook, volgens kolonel Engelen, de voormalige militaire adviseur bij de Belgische permanente vertegenwoordiging bij de VN, betekent « not required » wel degelijk dat bedoelde wapens niet mogen worden meegenomen, hoewel er op verzoek van het aangezochte land kan worden van afgeweken. « In principe is het niet toegestaan » , maar « om diverse redenen willen bepaalde naties voor bepaalde operaties echter andere wapens meenemen. Dat wordt dan geval per geval behandeld » . Hoe dan ook « bepalen de VN het type bewapening dat in een opdracht moet worden gebruikt na overleg met de verantwoordelijken van het aangezochte land » . En volgens kolonel Engelen hebben de VN daarbij geen beperkingen opgelegd en heeft België al gekregen wat het gevraagd heeft, « Ik heb geen weet van enige weigering vanwege de VN. De toestemming van de MILAN's is ons gegeven nadat wij uitleg hadden verstrekt. » (211a)

­ In de « Rules of engagement » wordt het mogelijk gebruik van zwaardere wapens uitdrukkelijk voorzien. In artikel 8 wordt bepaald dat het de Force Commander is die over de bevoegdheid beschikt om gebruik te maken van « armes d'appui lourdes (ex.: lance-roquettes, pièces d'artillerie, mortiers légers, etc.) » en « mitrailleuses ou canons lourds (cal .50, 20 mm, etc.) ». Als men in de richtlijnen voor de UNAMIR-operatie voorziet dat het hoofd van de operatie een beroep kan doen op deze bewapening, betekent dit mutatis mutandis dat ze ook kunnen worden ontplooid (212a).

­ Zoals ook in de evaluatierapporten wordt gesteld van vorige VN-operaties waaraan België deelnam, namen andere landen zoals Denemarken, Canada of Groot-Brittannië de bewapening en de munitie mee die zij nodig achten zonder zich veel gelegen te laten aan de door de VN uitgevaardigde normen of richtlijnen (213a) Overigens werden die normen en richtlijnen wel terzijde geschoven wanneer het C Ops op 28 maart 1994 opdracht geeft (gedeeltelijk) in te gaan op het verzoek van het terrein om obussen 30 mm naar Kigali te zenden.

­ Volgens meerdere verklaringen van kolonel Marchal was generaal Dallaire allerminst tegenstander van het aanvoeren van zwaardere wapens en munitie. Integendeel, « generaal Dallaire was het er trouwens mee eens om tanks en munitie te vragen. Hij vond immers dat elke versterking welkom was » (214a). Generaal Dallaire bevestigt dat in zijn schriftelijke getuigenis aan het auditoraat-generaal bij het Militair Gerechtshof, « (...) la fourniture des munitions, d'armes et d'autres équipements incombe à l'État fournissant le contingent » (215a).

De vraag tot het bekomen van bijkomende munitie (met name MILAN-raketten, LAW-raketten, patronen .50, mortieren en obussen 30 mm, bommen voor de mortieren 60 mm) die kolonel Marchal en luitenant-kolonel Leroy op 20 januari 1994 aan het C Ops toezonden, bewijst in elk geval dat de bewapening ab initio onvoldoende was. Hun beider verzoek verantwoorden ze door te verwijzen naar een mogelijke verslechtering van de situatie in Kigali, waarbij men verplicht zou worden de luchthaven te verdedigen en over te gaan tot de evacuatie van landgenoten (216a), een diagnose die overigens werd ondersteund in het verslag van 31 januari 1994 van majoor Guérin die namens het C Ops de operatie in Kigali inspecteerde (217a). M.a.w. in hoofde van de Belgische militairen die in Kigali de verantwoordelijkheid voor de operatie droegen of op het terrein de situatie gingen verkennen, waren de aanwezige bewapening en munitie onvoldoende om het hoofd te bieden aan een mogelijk « worst case scenario » .

3.2.3.7. De voorbereiding van de manschappen

Generaal-majoor Roman, voormalig commandant van de brigade paracommando en luitenant-kolonel Leroy, commandant van KIBAT I gaven voor de commissie een uitvoerige toelichting over de voorbereiding van het eerste detachement (218a). Voor de beslissing tot ontplooiing werden logistieke en operationele briefings georganiseerd door het C Ops, de sectie operaties van de staf van de landmacht en de brigade van de paracommando's. Een officier binnen de brigade paracommando werd aangesteld om alle noodzakelijke informatie te verzamelen (219a) . Er werd ook informatie verschaft door de militaire inlichtingendienst (SGR) en er werd contact genomen met Afrika-specialisten van BRTN en RTBF. Het oefenprogramma werd gewijzigd en toegespitst op een eventuele opdracht in kader van de VN. Er werd een training opgezet van drie weken, een week theorie, twee weken peacekeeping-praktijk (o.m. de Rules of Engagement, de beginselen van neutraliteit, het houden van patrouilles, fouillerings- en ontwapeningsoperaties, « Cordon and Search »). Na de beslissing werd de informatie verder opgedreven. Er werd een syllabus opgesteld, alsmede een « rood boekje » m.b.t. tot de operatie (220a). Het werd in december op het terrein verspreid. Tevens konden alle manschappen de noodzakelijke inlichtingen verkrijgen m.b.t. de politieke partijen, de personaliteiten, de aan te nemen houding en de toeristische mogelijkheden (221a).

Desondanks noteerde de commissie tijdens de hoorzittingen een waslijst van klachten over deze voorbereiding.

­ de informatie over de recente politieke gebeurtenissen beperkte zich tot het jaar 1990 (222a);

­ de informatie over de regio waar moest worden geopereerd was te algemeen, soms gewoon foutief (De commissie stelt vast dat de Belgen ter plaatse niet met de lokale bevolking konden communiceren in de plaatselijke taal) (223a);

­ de briefing vanwege het C Ops was intensief, maar gebaseerd op Nederlandse of Deense documenten ... in plaats van een briefing had overigens een heuse opleiding moeten worden verstrekt (224a);

­ de voorbereiding bevatte geen aanwijzingen met betrekking tot de bestuurlijke problemen en beheersmethoden eigen aan de Verenigde Naties (225a);

­ Luitenant Nees was niet opgeleid voor zijn opdracht in Kigali : « Deze laatsten, die geen opleiding hadden gekregen, hebben hun best gedaan, maar zijn hebben de informatie niet op de goede plaatsen ingewonnen ». (226a)

­ de informatie verstrekt door de SGR was al te summier; « Tussen 3 en 11 november kregen we als voorbereiding een algemene nota van de SGR waarin enkel sprake was van algemeenheden en niets vermeld werd over een anti-Belgisch klimaat. (...). Het tweede deel van de voorbereidingen bestond uit het uitnodigen van mensen die in Rwanda waren geweest. (...). Van hen kregen we meer details dan uit de nota's van de SGR » (227a);

­ er was een gebrekkige psychologische voorbereiding; « Wij verbleven in een stad waar alles normaal leek, maar het gedrag van onze mannen bij het begin van de missie deed mij vermoeden dat ze niet voldoende voorbereid waren » (228a).

Ongetwijfeld was er ook een probleem met de ingesteldheid van de troepen, omdat zij nog geen erg lange rustperiode in België achter de rug hadden. De oorspronkelijke bedoeling van de legerleiding om militairen slechts éénmaal om de twee jaar in het buitenland in te zetten, kon al geruime tijd niet meer gehaald worden (229a), maar toen KIBAT I werd uitgestuurd haalde het 1ste PARA zelfs de absolute minimumregel van 8 maanden tussenperiode niet. Tot april 1993 hadden zij immers in Somalië gediend. (230a)

­ het hoofd van de sector Kigali werd nauwelijks ingelicht en voorbereid voor het vervullen van zijn opdracht. « Ik was in het bezit van een eerste versie van de rules of engagement en een kopie van het verkenningsverslag van kolonel Flament, dankzij de functies die ik uitgeoefend heb op het kabinet. Ik was niet in het bezit van de samenvatting van de teksten van UNAMIR noch van meer specifieke richtlijnen over mijn opdracht als commandant van het Belgische detachement » (231a). Wel had kolonel Marchal voor zijn vertrek naar Kigali een onderhoud met de stafchef van het leger, waarin deze hem twee aanbevelingen meegaf. « De eerste had betrekking op zijn bezorgdheid voor de veiligheid van de troepen. In de tweede vroeg hij mij erop toe te zien dat de navelstreng tussen KIBAT en de brigade paracommando's zou worden doorgeknipt » (232a).

­ de manschappen kregen slechts een summiere samenvatting van de ROE, « het gedeelte met betrekking tot volkenmoorden en misdrijven kwam er niet in voor » (bedoeld wordt punt 17 van de ROE) (233a).

Ten slotte stelt de commissie samen met generaal-majoor Roman vast dat het hoofd van UNAMIR-troepen voor de sector Kigali, kolonel Marchal in elk geval veel te laat werd aangeduid, namelijk omstreeks het tijdstip waarop de Belgische troepen vertrokken, zodat hij niet rechtstreeks bij hun voorbereiding betrokken was (234a). Dit vloeit voort uit het feit dat generaal Dallaire pas laat beslist heeft dat er een afzonderlijke sectorcommandant zou komen. Een andere optie die overwogen werd bestond erin om het hoofd van het Belgisch bataljon meteen ook de leiding van de Bengalezen te laten hebben. Luitenant-kolonel Leroy heeft dit echter geweigerd. (235a)

3.2.3.8. De beperkingen van het mandaat en van de ROE (Rules of engagement)

Het rapport van de ad hoc-groep Rwanda wees al op de beperktheid van het mandaat zoals voorzien in resolutie nr. 872 (goedgekeurd door de VN-Veiligheidsraad op 5 oktober 1993). Daar waar de akkoorden van Arusha van 4 augustus 1993 nog voorzagen in een neutrale internationale troepenmacht die tot taak zou hebben « to guarantee overall security of the country » , beperkte artikel 3a. van resolutie nr. 872 het mandaat tot « to contribute to the security of the city of Kigali, inter alia, within a weapons-secure area established by the parties in and around the city » (236a). M.a.w. daar waar volgens de akkoorden van Arusha overal in Rwanda akties zouden mogen ondernomen worden om de veiligheid te waarborgen, werd dit in de resolutie van de Verenigde Naties beperkt tot Kigali en ­ wat nog belangrijker is ­ tot « to contribute »237. Die uitholling van het mandaat zou het gevolg zijn geweest van een opinie die leefde binnen het VN-secretariaat als zou het in de akkoorden van Arusha omschreven mandaat onuitvoerbaar zijn en van de tegenkanting tegen zo'n operatie door zowel de Verenigde Staten als Rusland (237a).

De telex vanuit New York van 9 augustus 1993 vermeldt in punt 2.4 : « Le secrétariat souligne qu'une des tâches principales de la mission de reconnaissance est de mettre au point un « mandat réaliste et praticable » vu la retenue des USA, de UK et de Russie (...). »

De tekst preciseert onder andere dat : « Par conséquent, il pourrait bien y avoir une grande différence entre ce que les deux parties ont demandé dans leur requête initiale du 14 juin au secrétariat général et le mandat final de la Force d'intervention neutre. » (238a)

Voormalig minister van Buitenlandse Zaken Claes verklaarde in elk geval dat zijn diensten hem van een uitholling van het mandaat zoals in de Arusha-akkoorden voorzien nooit melding hebben gemaakt (239a). Er werden voor de aanvang van de UNAMIR-operatie geen inspanningen geleverd om een mandaat te verkrijgen dat krachtiger of zo krachtig mogelijk was. De heer Brouhns, gewezen adjunct-permanent vertegenwoordiger voor ons land bij de Verenigde Naties, stelde geen bevelen uit Brussel gekregen te hebben om een ruimer mandaat te bekomen en ook geen instructies ontvangen te hebben om van onze sleutelpositie als ruggengraat van UNAMIR gebruik te maken om onze deelname van de aanvaarding van een aantal voorwaarden in dat verband te laten afhangen (240a). Voormalig minister van Buitenlandse Zaken Claes en zijn toenmalige kabinetschef van de minister van Buitenlandse Zaken, ambassadeur Willems bevestigen dit overigens (241a).

De heer Claes getuigde voor de commissie : « Tijdens de discussie wilden de permanente leden van de Veiligheidsraad de draagwijdte van het mandaat zoveel mogelijk beperken. De Amerikanen, Russen, Chinezen en Britten waren zeer terughoudend. Ik denk dat het een illusie zou zijn geweest te pogen hen ertoe over te halen het mandaat uit te breiden. Men heeft mij in ieder geval niet gevraagd om een verbetering van het mandaat te bepleiten, daar niemand daarvan de noodzaak inzag. Wij hebben dan ook geen stappen ondernomen. Als wij dat wel hadden gedaan, zouden wij ongetwijfeld op een categorische weigering van de permanente leden zijn gebotst. » (242a)

Van hun kant verkeerden de Belgische militaire overheden ­ zoals ook reeds in het rapport van de ad hoc-groep Rwanda werd aangeduid ­ in de overtuiging dat hun troepen op eigen initiatief akties zouden kunnen ontwikkelen om een wapenvrije zone in en rond Kigali tot stand te brengen, daar waar het ingevolge een strikte interpretatie van het mandaat enkel ging om « bijstaan » (243a).

Deze beperking van het mandaat, vond ook zijn weerslag in de « Rules of engagement », (ROE) en in de « Procédure opérationelle pour l'établissement de la zone de consignation d'armes de Kigali » . De ROE omvatten een geheel van gebods-, verbodsbepalingen en richtlijnen ten behoeve van de VN-blauwhelmen, die bepalen op welk ogenblik en in welke mate gebruik mag worden gemaakt van geweld en wie daartoe de toelating verstrekt. De « Procédure opérationelle pour l'établissement de la zone de consignation d'armes de Kigali » bepaalt de wijze waarop de middelen waarmee in en rond Kigali de wapenvrije zone (KSWA) zou worden tot stand gebracht (244a). In weerwil van een aantal tegenstrijdige verklaringen die door verschillende getuigen werden afgelegd (245a), staat het voor de commissie vast dat zoals reeds in het rapport van de ad-hocgroep Rwanda op basis van documenten van het C Ops te Evere werd aangetoond, de Belgische militaire overheden wel degelijk betrokken waren bij de totstandkoming van beide documenten (246a). De ROE werden opgesteld door generaal Dallaire met inspraak van de Belgische militaire overheden die ondermeer het advies hebben ingewonnen van de juridische dienst van het leger. Het VN-secretariaat in New York keurde ze uiteindelijk goed. Deze gang van zaken wordt bevestigd door de heer Cools, gewezen adviseur van de permanent vertegenwoordiger van ons land bij de Verenigde Naties en luitenant-generaal Berhin, de voormalige stafchef van de landmacht (247a). De « Procédure opérationelle pour l'établissement de la zone de consignation d'armes de Kigali » anderzijds kwam in de loop van de nacht van 23 op 24 december 1993 tot stand. Ze werd goedgekeurd door beide partijen (FAR en RPF) na vele onderhandelingen waaraan o.m. kolonel Marchal deelnam.

Hoe dan ook, ondanks de raadpleging en de medewerking van de Belgische militaire overheden bleven de ROE een bron van onduidelijkheid. Generaal-majoor Roman, voormalig commandant van de brigade paracommando stelt het onomwonden, « Ze waren niet duidelijk; de reactie was dus afhankelijk van iemands temperament, wat gevaarlijk was » (248a). Kolonel Marchal drukte het als volgt uit, « Wij gingen ervan uit dat met de Rules of engagement in de eigenlijke zin geen rekening moest worden gehouden. Als men die regels leest, ziet men trouwens dat die niet zo dwingend zijn. In Kigali had ik de rules of engagement altijd bij mij, en als ik de bepalingen betreffende het gebruik van de wapens bekijk, vind ik dat alle mogelijkheden open bleven » (249a). Na een aandachtige lezing van de ROE is de commissie de mening toegedaan dat ze moeilijk operationeel toepasbaar zijn. Alles hangt af van de interpretatie (ruim of beperkt) die men aan de term « zelfverdediging » geeft. De commissie is zelfs van oordeel dat de ROE tal van bepalingen bevatten die helemaal niet beperkend, maar integendeel heel ruim zijn. De commissie verwijst onder meer naar artikel 17 dat onder de hoofding « crimes contre l'humanité » aan UNAMIR toelating verschaft, meer nog de morele en wettelijke verplichting oplegt alle middelen aan te wenden om daden tegen te gaan als executies, ethnische geweldplegingen, aanvallen tegen vluchtelingen en dergelijke meer (250a). Als er dan al een probleem was met de richtlijnen dan vloeide die veeleer voort uit de « Procédure opérationelle pour l'établissement de la zone de consignation d'armes de Kigali » die duidelijk aangaf dat UNAMIR niet eigenmachtig kon optreden bij het uitvoeren van haar opdrachten. Dit bleek, zoals hierna nog uitvoerig zal worden besproken, dé hinderpaal bij het (niet) opdoeken van de geheime wapenopslagplaatsen.

Andere militair-technische aangelegenheden die de aandacht van de commissie weerhouden hebben, zijn :

(1) het ontbreken bij de ontplooiing van de troepen van een evacuatieplan;

Kolonel Marchal verklaarde : « Op 8 januari stonden wij nog maar in het begin van de opdracht. Er was geen evacuatieplan » (251a).

Uit de hoorzitting met admiraal Verhulst blijkt dat een evacuatieplan enkel op het vlak van de VN bestond. « De evacuatie werd uitgevoerd door een combinatie van UNAMIR en de Belgische middelen die later zijn aangekomen. UNAMIR had echter, samen met de ambassades, het evacuatieplan voorbereid » (252a)

(2) het ontbreken van duidelijke richtlijnen inzake het statuut van de Belgische blauwhelmen bij ernstige moeilijkheden;

Kolonel Marchal verwijst tijdens zijn hoorzitting van 14 maart 1997 naar het probleem van het statuut. « Ben ik verplicht de VN-onderrichtingen te volgen of moet ik een Belgisch standpunt innemen bij het evacueren van de Belgen? De situatie kan basculeren. Ik vraag duidelijke richtlijnen. (...) Ik wou weten wat moest worden gedaan als er bij de evacuatie problemen zouden rijzen. Het was een probleem van statuut. » (253a)

(3) het ontbreken van een inlichtingendienst;

(4) het ontbreken van essentieel logistiek materiaal.

3.2.4. De ervaringen opgedaan bij vroegere operaties

De commissie stelt vast dat bij de voorbereiding van de zending van Belgische troepen in het kader van de UNAMIR-operatie geen rekening werd gehouden met een aantal lessen die reeds werden getrokken uit de VN-operaties waaraan België deelnam in 1992 en 1993. Wie de rapporten leest die n.a.v. UNPROFOR-1992 en UNPROFOR-1993 werden opgesteld, komt tot de vaststelling dat in deze verslagen gewaarschuwd werd en aanbevelingen werden verstrekt voor exact dezelfde fouten en tekortkomingen als diegene die werden begaan bij de Belgische deelname aan de UNAMIR-operatie. Deze verslagen en rapporten waren zowel gekend door de generale staf als door de minister van Landsverdediging en zijn kabinet.

Meer bepaald vestigt de commissie de aandacht op:

(1) Het rapport van kolonel Malherbe inzake UNPROFOR van 21 augustus 1992.

In dit rapport dat de voormalige commandant van de Belgische troepen in ex-Joegoslavië, kolonel Malherbe, richtte aan de generale staf en de stafchef van de landmacht, stelt hij dat andere naties die vaak deelnemen aan VN-operaties zich niet strikt gebonden voelen door de VN-richtlijnen. « L'expérience m'a néanmoins appris que les nations ayant une expérience ONU (par ex. Danemark, Canada, UK, etc.) ne se sentent pas exagérément liées par les normes ONU (par ex. le nombre d'APC, l'armement emporté, etc.). » (254a)

(2) Het rapport van kolonel Malherbe inzake UNPROFOR van 2 september 1992.

Dit rapport eveneens gericht aan de generale staf en de stafchef van de landmacht bevat het verslag van de missie UNPROFOR-sector Oost van 13 maart 1992 tot eind augustus 1992 (255a).

(3) Het rapport van kolonel Heyvaert inzake UNPROFOR van 13 mei 1993.

In dit vertrouwelijk rapport dat kolonel Heyvaert, commandant van BELBAT 2, richtte aan de stafchef van de landmacht brengt hij de problemen ter sprake waarmee zijn missie werd geconfronteerd. Het valt op dat deze problemen identiek zijn aan deze die welke we ook bij de UNAMIR-operatie in Rwanda aantreffen (256a).

Kolonel Heyvaert stelt meer in het bijzonder :

­ dat er geen echte peace-keeping-operaties bestaan, « (...) het is utopisch te geloven dat echte « Peace-keeping » operaties nu of in de toekomst zullen bestaan »;

­ dat bij zo'n peace-keeping operatie moet rekening gehouden worden « met de mogelijkheid dat de situatie verandert »;

­ dat het meenemen van zwaardere wapens en munitie een absolute noodzaak is,

­ dat elk peleton moet worden uitgerust met minimum twee MILAN-schutters.

Al deze aanbevelingen komen terug in het rapport dat na de terugtrekking van KIBAT, namelijk op 12 juli 1994 door de stafchef van het leger, luitenant-generaal Charlier werd overhandigd aan de minister van Landsverdediging. Precies zoals de hierboven aangehaalde documenten stelt het rapport-Charlier dat : (257a)

­ ons land zich maar in een VN-operatie mag engageren indien er vanaf het begin van de operatie voldoende garanties zijn i.v.m. de middelen inzake personeel, uitrusting, bewapening en financiële middelen alsmede met betrekking tot de bescherming en de veiligheid van de manschappen; ook moet het mandaat van die aard zijn dat de ROE en de uitrusting kunnen worden aangepast aan de toestand op het terrein;

­ de middelen die worden ontplooid moeten beantwoorden aan een militaire analyse van de situatie ter plaatse;

­ de bescherming van de manschappen moet worden gewaarborgd door o.m. zware bewapening en pantservoertuigen;

­ luchtsteun moet worden voorzien;

­ een adequate inlichtingendienst wordt opgezet die kan beschikken over voldoende middelen;

Ondanks het rapport van luitenant-generaal Charlier, kan de vraag worden gesteld of wij wel leren uit de lessen van het verleden. De commissie stelt vast dat dit in elk geval niet zo was bij de eerste daaropvolgende vredesoperatie. Wanneer nauwelijks enkele maanden na UNAMIR, een twintigtal Belgische militairen deelnemen aan een nieuwe VN-operatie, meer bepaald operatie COLUMBUS-Haïti worden ondanks alle evaluatie- en inspectieverslagen opnieuw dezelfde fouten en tekortkomingen begaan. Het verslag van 5 november 1994 van majoor De Greeve, de bevelvoerende officier laat niets aan duidelijkheid te wensen over, « Op het ogenblik van het vertrek 02 Nov 94 was de Mun nog NIET aanwezig ondanks Tf contact om 0500 Hr met 93 Bn Log (NIEMAND was op de hoogte in 93 Bn Log !). Gezien geen verandering om 0600 Hr (vertrekuur volgens vluchtplan) ben ik vetrokken. Wij kunnen gebruik maken van (Nl) Mun (...) ». Uit de latere verslagen van de Ops. COLUMBUS blijkt dat het probleem weken blijft aanslepen. Ook het ontbreken van een evacuatieplan, de gebrekkige transmissiemiddelen en soortgelijke problemen meer duiken op in de dagelijkse rapporten van majoor De Greeve (258a).

3.3. HET VERLOOP VAN DE UNAMIR-OPERATIE

3.3.1. De inschatting van de verslechtering van de politieke situatie

Het Rwandese politieke landschap was al gepolariseerd vóór de ondertekening van de Arusha-akkoorden in augustus 1993.

Volgens professor Reyntjens begon die polarisatie vanaf januari 1993. Zij uitte zich concreet in het feit dat men in de plaats van met drie partners, zoals voorzien in de akkoorden (MRND-RPF-oppositiepartijen) medio 1993 in een situatie met twee terechtkwam. « Alle oppositiepartijen vielen in twee vleugels uiteen, waarvan de ene voor de akkoorden van Arusha was en de andere zich daar tegenover op z'n minst terughoudend en wantrouwig opstelde.

Het eerste belangrijke moment is februari 1993, wanneer het RPF een belangrijk offensief lanceert dat het tot aan de poorten van Kigali brengt. De oppositiepartijen en sommige mensenrechtenorganisaties laten luidkeels hun afkeuring blijken.

In juli 1993, valt in het vooruitzicht van de nakende ondertekening van de Arusha-akkoorden, ook de MDR, de belangrijkste oppositiepartij uiteen.

Vervolgens is er de staatsgreep in Burundi en wordt de Burundese president vermoord. Als gevolg daarvan verklaren de Hutu's en meer bepaald de als gematigd beschouwde Hutu's, dat men geen vertrouwen kan hebben in het RPF en bij uitbreiding dus ook niet in de Tutsi's. Zo komt men in de logica van de volkenmoord.

Deze opinie wordt versterkt door het feit dat sommige Tutsi's in Kigali de staatsgreep in Burundi toejuichten en weigerden deel te nemen aan de manifestatie van 23 oktober als steunbetuiging aan het Burundese volk.

Achteraf bekeken, kan men besluiten dat de moord op de Burundese president de doodsteek was voor het Arusha-akkoord ». (1b)

Professor Reyntjens is van mening dat het Arusha-akkoord vanuit politiek oogpunt evenwichtig was. Het politieke landschap bleef immers drie polen tellen. « Spijtig genoeg heeft de overheid, toen er een tweedeling was gekomen, de blokkeringsminderheid laten spelen om bepaalde portefeuilles en parlementszetels toe te wijzen. De daaruit volgende tweedeling en de toename van het wantrouwen tussen de groepen hebben de akkoorden steeds minder realistisch gemaakt. In Rwanda heerst vooral de vrees » (2b)

Die blokkering van de toestand werd ook opgemerkt door andere externe waarnemers, onder meer door de heer Ndiaye, speciaal rapporteur van de Commissie van de Verenigde Naties over de mensenrechten. Volgens zijn verklaringen voor de commissie wou men bewust de akkoorden niet naleven. « De akkoorden leken redelijk daar zij strekten tot een echte democratisering, tot een fusie van de legers, enz. Ze waren de concretisering van de logica die tot vrede leidt.

Wellicht is de dubbelhartigheid van de Rwandese leiders geminimaliseerd. Volgens hen kwam machtsdeling neer op een erkenning van hun nederlaag. Elke poging om de Tutsi-vluchtelingen te laten terugkeren had niets opgeleverd en had het triomfalisme van de regering bevestigd. Het succes van het RPF vormde een rechtstreekse bedreiging voor het politieke evenwicht, wat de leidende kringen ertoe gebracht heeft een uiteindelijke oplossing te zoeken ter compensatie van de militaire mislukking.

Ik heb mensen ontmoet die president Habyarimana net hadden opgezocht en die mij te goeder trouw hebben gezegd dat hij de akkoorden zou naleven. Nu blijkt echter duidelijk dat hij ze saboteerde.

Toen ik in Rwanda was, was er geen minister van Justitie, daar deze ontslag had genomen toen zijn optreden door het MRND was geblokkeerd. Nadien had niemand de instemming van de president gekregen om die post te bekleden. Diezelfde blokkering gold voor de minister van Informatie, die lid was van een oppositiepartij en bijvoorbeeld niet de radio controleerde waarvan 85 % van de personeelsleden lid van het MRND was. Habyarimana hield alle touwtjes strak in handen. Hij had de macht al sedert 19 jaar niet gedeeld. De akkoorden van Arusha vertegenwoordigden een verplichting tot machtsdeling die hij niet wou nakomen. Men weigerde ook verder te zien dan de belangen van de clan. » (3b)

Die geblokkeerde toestand was ook waarneembaar door de Rwandezen zelf, zoals bevestigd wordt door de heer François-Xavier Nsanzuwera, gewezen procureur van de Rwandese republiek :

« Vanaf de maand januari 1994 was iedereen er zich van bewust dat de oorlog zou herbeginnen want de Interahamwe-beweging werd steeds belangrijker. (...)

Er werden toen al systematisch wapens uitgedeeld en de G3, het gewezen wapen van het Rwandese leger, werd het meest uitgedeeld. Ik heb dat gemerkt omdat deze wapens gebruikt werden bij gewapende diefstallen. (...) Beide partijen bereidden de oorlog voor. » (4b)

Ook luitenant-generaal Uytterhoeven verklaart trouwens : « In het onderhoud met Nsabimana bleek dat men de nieuwe houding van het Belgische contingent aanvaardbaar vond. Volgens hem stond het land voor een oorlog, zij het niet in Kigali, maar wel in het noorden. Als militair had hij de plicht die oorlog voor te bereiden. (...) Volgens hem was de oorlog met de RPF nooit afgelopen. Er was alleen op dat ogenblik een luwte. Hij dacht zelfs aan de mogelijkheid om de burgers te bewapenen » (5b).

Waren de Belgische en militaire politieke verantwoordelijken op de hoogte van het belang van de verslechtering van de politieke toestand in het land ?

De commissie heeft meteen bevestigend geantwoord op die vraag, aangezien zowel de heer Swinnen als Buitenlandse Zaken zich terdege bewust waren van de toenemende polarisering en radicalisering in Rwanda onder meer door het optreden van « extremisten ».

Zoals professor Reyntjens had ook ambassadeur Swinnen het begin van de bipolarisatie opgemerkt vóór de ondertekening van de Arusha-akkoorden in augustus 1993. « Reeds vóór de akkoorden van Arusha kwam de interne politieke machtsstrijd in het MDR aan het licht. Deze partij werd toen als de potentieel belangrijkste oppositiepartij beschouwd. De problemen in het MDR en de parti libéral hadden niet alleen te maken met de Arusha-akkoorden maar ook met de regionale en individuele antagonismen. Wij waren dus getuige van een implosie van het politiek centrum ten gevolge van de bipolarisering en van de radicalisering van de standpunten. Dit werd in de hand gewerkt door de bekommernis van de « mouvance présidentielle » om in de overheidsinstellingen een blokkeringsminderheid te hebben.

(...)

Een factor die het onderhandelingsklimaat over de installatie van de nieuwe regering sterk hypothekeerde was de staatsgreep in Burundi op 21 oktober 1993.

(...)

De president meende dat de internationale gemeenschap hem verweet dat hij zich niet aan de regels hield en dat hij te wantrouwig stond tegenover het vredesproces.

Er was echter een president van een buurland vermoord, ondanks zijn progressief beleid van nationale verzoening.

(...)

De argwaan die daardoor ontstond was betekenisvol. Men werd bijzonder waakzaam ten opzichte van de verbintenissen met het RPF en met de oppositiepartijen. De Burundese factor ging bijzonder zwaar wegen op de komende onderhandelingen.

Binnen de MDR en de PL werd een machtsstrijd gevoerd om ministerposten en parlementaire zetels. Meestal verliep die strijd via de breuklijn pro-Arusha langs de ene kant en een zeker wantrouwen tegenover Arusha langs de andere kant . » (6b)

De door de heer Swinnen ingewonnen informatie werd systematisch per telex (zie verslag van de ad- hocgroep-Rwanda) naar Buitenlandse Zaken gestuurd.

Buitenlandse Zaken was dus op de hoogte van het klimaat dat in Rwanda heerste in de loop van het jaar 1993 en begin 1994.

Dat is ook wat de heer W. Jaenen, adviseur-generaal bij de bestuursdirectie van de bilaterale betrekkingen (dienst P50) en minister Claes te kennen hebben gegeven : « Wij hebben vastgesteld dat de Arusha-akkoorden niet werden uitgevoerd en gingen ervan uit dat er in de verschillende partijen personen waren die geen baat hadden bij de uitvoering van de akkoorden. Wij wisten echter niet wie dit waren. (...) Wij waren ervan overtuigd dat de uitvoering van de Arusha-akkoorden werd geblokkeerd. Daarom is minister Claes naar Rwanda getrokken. » (7b)

De heer Claes van zijn kant verklaarde :« Het bestaan van wapenopslagplaatsen en de bewapening van de bevolking werd door de regering niet verzwegen. Integendeel, dit is publiek gemaakt.

Drie dagen voor mijn vertrek naar Rwanda heb ik naar aanleiding van een interpellatie van de heer Van Peel een balans opgemaakt van de situatie. De tekst van deze interpellatie en mijn antwoord heb ik gebundeld in een brochure die ik naar de leden van Kamer en Senaat en naar diverse geïnteresseerde kringen heb gestuurd.

Men kan in deze brochure lezen : de onveiligheid zou kunnen vergroten als de situatie geblokkeerd blijft, temeer daar er wapens circuleren.

Dit toont aan dat de regering de zaak niet heeft onderschat. Ik was in Rwanda tijdens een zeer dramatische periode. (...) (8b)

Op zondagmiddag heb ik dan alle partijen in de ambassade uitgenodigd. De RPF daagde niet op. Ik heb toen verklaard dat ik hen als vriend van het land vroeg alle betwistingen te stoppen. Ik heb hen gewezen op de waarschuwingen die uit New-York kwamen en heb hen ertoe aangemaand het Parlement bijeen te roepen. Ik heb toen ook duidelijk gemaakt dat de gemengde commissie België-Rwanda niet samen zou komen, zolang er geen vooruitgang werd geboekt.

Diezelfde nacht zijn er zware incidenten uitgebroken waarbij twee vooraanstaanden werden vermoord, onder wie minister Gatabazi die tijdens de vergadering voor verzoening had gepleit.

Ik ben daarna naar president Museveni gereisd en heb hem gevraagd het RPF ertoe aan te zetten naar het Parlement te gaan.

Het RPF heeft toen contact gezocht. Bij mijn terugkeer heb ik op het vliegveld een vertegenwoordiger van het RPF ontmoet die mij zei geen vertrouwen te hebben en niet naar de installatievergadering van het Parlement te kunnen gaan. Ik heb hem toen gezegd dat ik die houding niet waardeerde en dat het de plicht van het RPF was, desnoods onder strenge bewaking, naar de assemblee te gaan . » (9b)

In voormelde brochure die zijn antwoord bevat op de interpellatie van de heer Marc Van Peel van 15 februari 1994, schrijft Claes : « Het grote struikelblok bij de uitvoering van de akkoorden (van Arusha) is de verdeeldheid binnen twee politieke partijen, de MDR en de PL. Hierdoor is het niet mogelijk de noodzakelijke overgangsregering te vormen en het overgangsparlement samen te brengen » (10b).

In hetzelfde antwoord deelt minister Claes mee :

« Ook het botsen van persoonlijke ambities en belangen is volgens mij niet vreemd aan de moeilijkheden die men ondervindt om de akkoorden (van Arusha) ten uitvoer te brengen . » (11b)

In zijn brief van 11 februari 1994 (en niet van 14 maart 1994 zoals foutief vermeld in het Blue Book (12b)) aan Secretaris-generaal Boutros Boutros-Ghali schrijft minister Claes :

« Ik meen nochtans dat het duidelijk naar voren treden van de UNO op politiek niveau gepaard moet gaan met een meer ontradende houding van de UNAMIR op het vlak van de veiligheid.

Ik ben mij bewust van de complexiteit van de situatie en van de verplichtingen die u in het kader van resolutie 872 van de Veiligheidsraad worden opgelegd.

Niettemin valt te vrezen, dat als we er niet in slagen de negatieve ontwikkelingen een halt toe te roepen, UNAMIR verhinderd zal worden om haar basisopdracht naar behoren voort te zetten, te weten belangrijke steun te bieden bij de uitvoering van de vredesakkoorden van Arusha.

Ik kan u verzekeren dat de Belgische regering van haar kant president Habyarimana en de andere Rwandese politieke verantwoordelijken ertoe blijft aanzetten om de onvermijdelijke compromissen te aanvaarden. »

Onmiddellijk na zijn vertrek uit Rwanda stuurt minister Claes vanuit ambabel Bujumbura telex 138 :

« 1. Gelet op de toestand in Rwanda meen ik het aangewezen dat Delbelonu New-York en Ambabel Washington volgende boodschap overmaken respectievelijk aan Secretaris-Generaal o.v.n. Boutros en Assistant-secretary Moose. (...)

2.1. ­ Ik heb tijdens mijn verblijf te Kigali (19-22 februari 1994) contacten gehad met de President, de Eerste Minister, de aangewezen Eerste Minister van de volgende overgangsregering, de minister van Buitenlandse Zaken, de Speciale gezant van de Secretaris-Generaal van de OVN, de heer Booh-Booh, Generaal Dallaire (UNAMIR), de vertegenwoordigers van de OAE, de EU en Tanzania. Daarenboven heb ik gesprekken gevoerd met de vertegenwoordigers van alle politieke partijen die de overgangsregering zullen vormen. (...)

2.3. ­ (...)

De partijen MDR en PL blijven innerlijk verdeeld en blokkeren de vorming van de overgangsregering. De vertegenwoordigers van de internationale gemeenschap die ik gecontacteerd heb (zie punt 2.1.) laten er geen twijfel over bestaan dat President Habyarimana hier een rol speelt om aldus te trachten in de nieuwe instellingen een blokkeringsminderheid te verkrijgen in zijn voordeel. (...)

Hij besluit met een duidelijke waarschuwing :

« 2.6. ­ Ik meen dat België, de OVN en de USA er alle belang bij hebben, gelet op de toekomst van Rwanda, een nieuwe burgeroorlog te vermijden en druk uit te oefenen op de Rwandese verantwoordelijken en in het bijzonder de Rwandese president om de overgangsinstellingen op te richten en de Arusha-akkoorden verder uit te voeren. Het is aangewezen dat dergelijke druk onmiddellijk opgelegd wordt wil men verder verloedering van de toestand voorkomen en mensenlevens in Rwanda sparen. »

De verslechtering van de toestand werd door het leger op een minder constante manier waargenomen en geschiedde op grond van de dagelijkse verwerking van de gebeurtenissen.

Zo verklaarde kolonel Marchal bijvoorbeeld het volgende : « de toestand op 15 januari was verontrustend. De regering en de instanties waarin de Arusha-akkoorden voorzagen, waren er niet en de partijen stelden zich steeds radicaler op. Ik probeerde een antwoord te vinden op mogelijke gevolgen van die toestand » (13b).

Hij voegt er overigens aan toe : « Ik probeerde altijd realistisch te blijven. Op 21 februari heb ik gezegd dat ik zeker was dat de overgangsregering zou worden geïnstalleerd, maar vervolgens heb ik daar mijn twijfels over geuit. In mijn nota van 23 maart heb ik beklemtoond dat de volgende dagen zeer gevaarlijk zouden zijn. Op 24 en 27 maart twijfelde ik nog, maar ik hoopte dat de overgangsregering er zou komen » (14b).

Het moet benadrukt worden dat de Belgische autoriteiten erg veel informatie hadden over de plaatselijke machthebbers en de politieke leiders in Kigali (zie verslag ad-hocgroep, blz. 58, 59 en 60) maar veel minder over het RPF.

­ Wat het RPF betreft, wijst onze ambassadeur er in telex 1062 van 24 oktober 1993 op dat Eerste Minister Agathe Uwilingiyinama ook uiting had gegeven aan « ses préoccupations à propos des intentions militaires du FPR, dans le context de la crise burundaise. On parle de nouvelles concentrations d'unités du FPR dans la région située au nord de Buymba ».

Tijdens de hoorzitting verklaarde ambassadeur Swinnen : « De leden van de extremistische minderheden zijn moeilijk te identificeren. De CDR, een erkende politieke partij, behoort daartoe. Ik herinner mij dat er toenaderingspogingen zijn geweest tussen de CDR en het MRND en dat zij zelfs tijdelijk met andere partijen een coalitie hebben gevormd. Wij maakten ons ernstig zorgen over de banden van de CDR met de andere partijen en over de toekomst van extremistische strekkingen binnen de PL, het MDR en het MRDN. Afgezien van die tijdelijke coalitie zijn er echter tussen sommige partijen en de CDR geen formele banden geweest. Wij stelden alleen vast dat hun standpunten mettertijd naar elkaar toegroeiden. » (15b)

Hij voegde hieraan toe :

« Ik heb mij altijd afgevraagd of Habyarimana geloofwaardig was. Was hij een politieke hoofdrolspeler of een gijzelaar van zijn entourage ? Daarop heb ik nog steeds geen antwoord. » (16b)

Van zijn kant heeft ambassadeur Willems op de vraag « Was u op uw hoede voor de milities van het MRDN of voor Hutu Power ? Waren dat fanatieke groepen ? » geantwoord : « Inderdaad ». (17b)

De heer Claes stelde :

« Ik heb geprobeerd de aandacht van de Amerikanen te vestigen op de mogelijke dubbelzinnigheid van president Habyarimana. » (18b)

en : « Naargelang de tijd vorderde, kwamen er negatieve elementen van de kant van de president. » (19b)

Voor de commissie verklaart de heer Claes :

« Ik ging ervan uit dat de familie van de president tegen het vredesproces ageerde, maar dat de president zelf inzag dat er geen andere oplossing dan de uitvoering van de Arusha-akkoorden mogelijk was » (20b)

Daarnaast, in telex nr. 250 van 25 maart 1994, schrijft onze ambassadeur :

« Eerste minister Uwilingiyimana spaart haar kritiek op het RPF niet. Ze sluit niet uit dat de harde opstelling van het RPF in de onderhandelingen te maken heeft met plannen om de vijandelijkheden te hervatten ».

­ Luitenant Nees verklaarde :

« Het RPF is sinds half februari verdeeld in twee kampen : de harden wensten de installatie van de overgangsregering begin januari. Vermits dit zich niet gerealiseerd heeft, moet men opnieuw overgaan tot de vijandelijkheden.

De gematigden zijn van oordeel dat men ongelooflijk veel bereikt heeft in de Arusha-akkoorden, dat men niet weet hoe de herneming van de oorlog zal aflopen en dat men zeker niet weet hoe de Hutu's zullen reageren tegenover de Tutsi's op het ogenblik dat het RPF de vijandelijkheden herneemt. » (21b)

De commissie wou vervolgens weten of de houding van de Belgische politieke verantwoordelijken met betrekking tot die toestand de juiste was of eerder van een zekere naïviteit getuigde. De vraag werd onder meer aan verschillende deskundigen gesteld, onder wie de heer Reyntjens en de h. Ndiayé.

Professor Reyntjens is van mening dat het ergste nog voorkomen had kunnen worden, zelfs na de gebeurtenissen van 7 april, indien UNAMIR ter plaatse was gebleven en de gematigde officieren van het Rwandese leger had gesteund.

Het antwoord van de heer Ndiayé is eveneens ontkennend : « Ik denk niet dat zulks naïef is. Het was toen de enige mogelijkheid om de Rwandezen te helpen. Zoals ik juist gezegd heb, probeerden sommige ambassades tot een onderhandelde oplossing te komen. De ambassade van Frankrijk daarentegen nam een defensieve houding aan, meer zelfs dan president Habyarimana zelf.

De situatie in Rwanda was complex : het land was in oorlog, maar er was een democratiseringsproces aan de gang waardoor zelfs de Hutu's hun ontevredenheid konden uiten over het feit dat de clan van de president alle macht naar zich toetrok en voor het land gold een structureel aanpassingsplan van het IMF. Het regime voelde zich door al die elementen bedreigd en zijn weigering om verandering te aanvaarden, heeft de slachtpartijen wellicht bespoedigd.

Kan men, als men die realiteit kent, de mensen die over vredesakkoorden bleven onderhandelen als naïef bestempelen en zeggen dat zij die het regime steunden niet te goeder trouw waren ­ Achteraf kan men de zaken inderdaad zo bekijken, maar toen vond ik dat een oplossing slechts mogelijk was als er een echte democratie zou zijn. De belangrijkste vraag was hoe men het besef van de lange-termijnbelangen kon meegeven aan mensen van wie de grootste zorg was van dag tot dag te overleven. » (22b)

Ambassadeur Swinnen verklaarde : « Wij zijn altijd blijven geloven dat het zou lukken. Het was een compromis, maar er was geen alternatief (...).

We konden dus in de dynamiek geloven, maar waren ons bewust van de ernstige radicalisering, wat ons ten zeerste verontrustte. Wij zijn dan ook met overtuiging de gematigden blijven aanmoedigen » (23b).

Op de vraag of de Belgische regering had overwogen om er mee te dreigen de ontwikkelingssamenwerking stop te zetten, heeft minister Derycke, op dat ogenblik staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking geantwoord :

« Ik wilde niet voortdurend dreigen met het stoppen van de ontwikkelingshulp omdat dit onproductief werkt : zulke dreiging werkt maar eenmaal.

Het grootste deel van de Belgische ontwikkelingshulp bestond uit hulp aan het onderwijs, de landbouw en de medische zorgen. De eerste slachtoffers van het stopzetten van die hulp zijn bijgevolg de gewone mensen.

Men moet ook rekening houden met de Europese omgeving waarin men werkt. Als één land zijn hulp stopzet, zal een ander land inspringen, in casu Nederland en Duitsland. Een ander argument om de ontwikkelingshulp niet stop te zetten was dat de situatie in de vluchtelingenkampen in Rwanda dramatisch was. » (24b)

Anderzijds heeft minister Claes na zijn ontmoeting met president Habyarimana vanuit Bujumbura een telex gestuurd naar Delbelonu en naar Ambabel Washington.

Daarin stelde hij onder meer :

« 2.3. De Belgische regering is van oordeel dat indien overeenkomstig de Arusha-akkoorden de overgangsinstellingen niet opgericht worden dit een zware weerslag zal hebben op de tot nu toe geleverde inspanningen inzake pacificatie en op het democratiseringsproces en dat dit de Belgisch-Rwandese ontwikkelingssamenwerking (buiten de zuiver humanitaire hulp) ernstig in het gedrang zal brengen.

2.6. Ik meen dat België, de OVN en de USA er alle belang bij hebben, gelet op de toekomst van Rwanda, een nieuwe burgeroorlog te vermijden en druk uit te oefenen op de Rwandese verantwoordelijken en in het bijzonder de Rwandese president om de overgangsinstellingen op te richten en de Arusha-akkoorden verder uit te voeren. Het is aangewezen dat dergelijke druk onmiddellijk opgelegd wordt wil men verdere verloedering van de toestand voorkomen en mensenlevens in Rwanda sparen. »

Bestond er een alternatief ?

Mevrouw Des Forges verklaarde voor de commissie : « Ik ben ervan overtuigd dat een zeer kordate houding de volkenmoord had kunnen voorkomen. Als de politieke leiders er in januari, februari en maart van overtuigd geweest waren dat de UNAMIR zeer streng zou optreden tegen geweld, zouden ze niet geprobeerd hebben de internationale gemeenschap uit te dagen » (25b).

De heer Gillet voegde eraan toe : « Ik was ervan overtuigd dat wij gebruik moesten maken van de hefboom van de publieke opinie en dat niets zijn regering belette informatie openbaar te maken » (26b).

Samenvattend stelt de commissie vast dat verschillende elementen de toepassing van de akkoorden van Arusha hebben bemoeilijkt en dat daaruit ook blijkt dat sommigen deze toepassing trachten te verhinderen. Het gaat met name om :

­ de bipolarisatie van het politieke landschap tussen de voorstanders van het vredesakkoord en dus van het delen van de macht met het RPF en zij die weigerden de macht te delen;

­ de houding van president Habyarimana, die nieuwe hindernissen opwerpt en tracht een blokkeringsminderheid te behouden;

­ de zes pogingen om een overgangsregering te vormen die mislukten vanwege het openlijke verzet of de aarzelende houding van de partijen.

Het in december 1996 gepubliceerde rapport van de Verenigde Naties bevat de volgende conclusies :

« Sedert zijn oprichting tot aan zijn terugtrekking leek de Unamir steeds achter te lopen bij de werkelijke toestand in Rwanda. In 1993 werd hij ontplooid om een vredesproces op gang te helpen brengen dat in het slop geraakt scheen te zijn nog vóór het werd aangevat. Op het dieptepunt van de crisis heeft een aantal regeringen eenzijdig besloten hun nationale contingenten terug te trekken zodat de overblijvende delen van de Unamir zo mogelijk nog kwetsbaarder waren en in de onmogelijkheid verkeerden burgers in gevaar te beschermen. Ook al werd het aantal manschappen van de Unamir in mei 1994 verhoogd wegens de voortdurende slachtpartijen, ook al werd in novem

ber 1994 het toegestaan aantal manschappen van 5 500 bereikt, de burgeroorlog was voorbij en het land had geen hulp meer nodig om de veiligheid te waarborgen maar wel hulp voor de nationale wederopbouw. »

« De mandaten van de Unamir waren een afspiegeling van de internationale politieke context waarin zij opgesteld werden, en gaven in de regel uiting aan de bezorgdheid en de eisen van bepaalde lidstaten die maar weinig voeling hadden met de toestand in Rwanda. Een fundamenteel gebrek aan inzicht in de aard van het conflict heeft eveneens geleid tot verkeerde politieke hypotheses en militaire inschattingen. Als hoofdverantwoordelijke voor het opstellen van het « peacekeeping »-mandaat was de Veiligheidsraad bij de aanvang van de crisis geneigd de toestand in Rwanda af te doen als een burgeroorlog op kleine schaal zoals een aantal leden van de Raad hebben verklaard. De politieke conflicten in de Rwandese regering en de alsmaar duidelijker bewijzen van politieke moorden en van schendingen van de rechten van de mens in dat land heeft men onder het vloerkleed geveegd of verzuimd nader te onderzoeken. »

Ten slotte kan de commissie kan stellen dat indien de politici zich goed bewust waren van de verslechtering van de politieke toestand, onder meer door de blokkering van de Arusha-akkoorden en dit tot op de fatale afloop op 6 april, toch zijn zij blijven hopen op de installatie van de overgangsregering en het overgangsparlement; daarvan getuigen de stappen die daartoe uitdrukkelijk werden gedaan (27b).

3.3.2. De inschatting in Rwanda en de opvolging van de dreiging tegen KIBAT/UNAMIR

3.3.2.1. De inschatting van de dreiging tegen KIBAT/UNAMIR in Rwanda

De commissie stelde vast dat ook na de installatie van UNAMIR de Belgen in het algemeen en de Belgische Blauwhelmen in het bijzonder voorwerp zijn van een anti-Belgisch klimaat althans binnen de extreme Hutu-milieus. In een eerste deel bevestigt de commissie de aanwijzingen die samengebracht werden in het rapport van de ad hoc-groep Rwanda. In het tweede deel besteedt de commissie aandacht aan de getuigenis van Mevrouw Braeckman die de commissie een belangrijke bijkomende aanwijzing over de dreiging tegen de Belgische Blauwhelmen bezorgde. In een derde onderdeel behandelt de commissie de informatie die door informant Jean-Pierre werd bezorgd. Tenslotte vermeldt de commissie de getuigenissen van voornamelijk die officieren die belast waren met het verzamelen en behandelen van inlichtingen. Een meerderheid van die officieren brachten elementen aan die het bestaan van anti-Belgische bedreigingen bevestigen.

(1) Het rapport van de ad-hocgroep-Rwanda

De hoorzittingen van de commissie boden de gelegenheid dieper in te gaan op de vragen die reeds door de ad hoc-groep Rwanda in het verslag aan de commissie voor buitenlandse aangelegenheden werden behandeld. In zijn rapport heeft de ad hoc-groep Rwanda twee concrete stellingen vooropgeplaatst en in functie daarvan de beschikbare telexen, documenten en legerrapporten bestudeerd en die bulletins, telexen en berichten weerhouden waarin melding wordt gemaakt van een toenemende negatieve stemming althans in extreme kringen en die gericht waren tegen de Belgen in het algemeen en tegen de participatie van Belgische legereenheden aan UNAMIR in het bijzonder. De Belgische ambassade in Kigali en de militaire vertegenwoordiging leverden het meeste bronnenmateriaal.

Zoals de commissie ook heeft kunnen vaststellen via de informatie die werd bijeengebracht in het rapport van de ad hoc-groep Rwanda dient de periode van na de ontplooiing van UNAMIR tot aan de gewelddadige moord op de tien Belgische paracommando's en de uiteindelijke aftocht van de Belgische troepen gesitueerd te worden tegen een achtergrond van bedreigingen, moordplannen en aanslagen. In haar onderzoek naar de omstandigheden waarin de paracommando's werden omgebracht verrichtte de commissie dan ook uitgebreid onderzoek naar de moeilijkheden die de Blauwhelmen ondervonden tijdens de uitvoering van hun opdracht. Werden de Belgische militairen tijdens de vredesoperatie in Rwanda gehinderd door anti-Belgische daden gepleegd door de Rwandezen ? Kunnen de bedreigingen en de aanvallen waaraan de Belgische militairen waren blootgesteld en de moord op de tien Belgische Blauwhelmen op het conto van de normale risico's van een normale vredesopdracht worden geschreven ?

(2) Het plan tot vergiftiging van de Belgische Blauwhelmen

De commissie noteerde tijdens de hoorzittingen dan ook heel wat getuigenissen van militairen en journalisten die wezen op het mogelijk gevaar dat er was voor de Belgen in Rwanda. De meeste verklaringen bevestigen de vaststellingen uit het rapport van de ad hoc-groep Rwanda. Een aantal getuigen voegden daar markante feiten aan toe.

Mevrouw Colette Braeckman, journaliste, kwam op 21 maart voor de commissie getuigen. Mevrouw Braeckman trok de aandacht van de commissie door haar verklaring over het bestaan van een scenario waarin Belgische Blauwhelmen zouden worden omgebracht door vergiftiging. Informatie die mevrouw Braeckman had opgetekend tijdens een ontmoeting met de Rwandese Eerste minister.

« Voor ik mij naar de begrafenis van president Ndadaye begaf ben ik in Kigali geweest en heb ik kolonel Leroy ontmoet. Hij legde mij uit dat er een optimistische sfeer heerste zodat de blauwhelmen te voet patrouilleerden in de heuvels. Ook ik had dat gevoel. Dezelfde dag, 5 december, werd ik opgebeld door de kabinetschef van de eerste minister, mevrouw Agathe, die mij uitnodigde haar te interviewen. Mevrouw Agathe heeft mij de volgende ochtend ontvangen en mij uitgelegd dat de sfeer gespannen was, dat RTLM de Belgen steeds meer aanviel en dat ze zelfs doodsbedreigingen had ontvangen. Ze heeft mij uitgelegd dat haar inlichtingendiensten weet hadden van een plan om een tiental Belgische militairen te vergiftigen. Mevrouw Agathe heeft toen zelf aangedrongen om mij te ontmoeten en heeft mij gewezen op de gevaren die de Belgen en zijzelf liepen. Ik had die informatie moeten publiceren... (28b) »

« Deze informatie strookt niet met het positieve klimaat, maar sommigen uit het entourage van de president waren tegen de Belgische aanwezigheid en wensten het vertrek van UNAMIR. Voor mij was die informatie verbijsterend. Ik ben dan ook kolonel Leroy gaan opzoeken. Mevrouw Agathe had mij gezegd dat zij ook de ambassadeur had verwittigd. Na de begrafenis ben ik opnieuw naar Kigali gegaan en heb ik aan de persvoorlichter van de Blauwhelmen, luitenant Pirard gevraagd wat hij met die informatie had gedaan. Hij antwoordde mij dat alle nodige voorzieningen waren genomen, met name inzake bevoorrading en bereiding van het voedsel. Op 12 december heb ik in Kigali gesproken met de laatste Fransen die de stad verlieten en meer bepaald met een Franse officier. Hij zei me dat hij zijn Belgische vrienden veel plezier toewenste, want dat ze tussen twee vijandige machten zouden terechtkomen. Het anti-Belgisch klimaat was er » (29b).

Uiteraard legde de commissie het merkwaardige vergiftigingsverhaal voor aan kolonel Leroy, de commandant van KIBAT I. De kolonel bevestigde het vergiftigingsplan maar voegde er aan toe dat : « ... men dit alles in de Afrikaanse context moet plaatsen. U moet zich onze situatie van toen proberen voor te stellen: we hadden een voorraad van vers voedsel en de nodige rantsoenen, we kenden de afkomst van het voedsel en van het water en we hadden logistieke specialisten ter beschikking die op de hoogte waren van alles wat met aankoop van voedselrantsoenen te maken heeft. Wat dat betreft waren we dus gerust » (30b).

De commissie stelt vast dat de kolonel dit vergiftigingsplan niet gemeld heeft, noch aan de Belgische autoriteiten, noch aan de sektorcommandant.

Mevrouw Agathe had verklaard, zo stelde mevrouw Braeckman, deze inlichting te hebben doorgegeven aan ambassadeur Swinnen. Ambassadeur Swinnen verklaart : « Ik verzeker u dat de eerste minister mij daarover nooit heeft gesproken, anders zou ik dat zeker hebben gemeld » (31b).

Op 13 januari herinnert niemand zich nog het noodsein van Mevrouw Agathe.

­ Majoor Hock: « wij wisten dat de Blauwhelmen bedreigd werden, dat stond trouwens in het document van luitenant Nees, maar ik heb niets gehoord over een vergiftiging. Ik heb niets over een vergiftiging gehoord, maar dat zou mij niet verbazen, want het is een traditioneel wapen, zowel voor de Hutu's als de Tutsi's » (32b).

Het verhaal van Mevrouw Braeckman schraagt de hypothese dat de moord op de tien para's niet mag beschouwd worden als het trieste resultaat van een ongelukkige samenloop van omstandigheden. Haar getuigenis brengt daarentegen een nieuwe aanwijzing waaruit blijkt dat de gebeurtenissen van 7 april 1994 deel uitmaakten van een weldoordacht plan waarin voor de Belgen een tragisch einde was voorzien.

(3) De informatie van « Jean-Pierre »

Een maand na het « vergiftigingsscenario » stelt kapitein Frank Claeys, die als « Military Information Officer » informatie doorspeelde aan Generaal Dallaire en aan de kolonels Marchal en Kesteloot, de telex op waarin de informant « Jean-Pierre » tegenover UNAMIR aanwijzingen geeft over het bestaan van geheime wapenopslagplaatsen, van paramilitaire opleidingen voor jongeren, van de aanwezigheid van rijkswachters in burgerkledij in de door Interahamwe georganiseerde betogingen, van gebruik door de Interahamwe van communicatie-materiaal toebehorend aan het leger en van een plan « om Belgische militairen te doden of te verwonden om alzo de terugtrekking van het Belgisch detachement of zelfs van UNAMIR af te dwingen. » Kapitein Claeys bevestigde zijn vertrouwen in de geloofwaardigheid van zijn informant. Claeys : « ... we werden door generaal Dallaire op 10 januari naar de heer Twagiramungu gestuurd. Deze gaf ons het telefoonnummer van de heer Jean-Pierre zonder zijn naam te geven. (...) Jean-Pierre zelf heeft nooit gesproken over enige financiële tegemoetkoming voor de informatie die hij gaf. Hij vroeg alleen voor hemzelf en zijn familie, dit wil zeggen zijn vrouw en zijn twee kinderen, een vrijgeleide. (...) Hij heeft ons uit eigen initiatief naar verscheidene opslagplaatsen gebracht. » (33b)

« Hij informeerde mij bijvoorbeeld over de lijsten van geregistreerde Tutsi's. Hij heeft mij die echter nooit willen overhandigen. Het bestaan van die lijsten werd later bevestigd door de uitvoering van het plan. (...) Hij heeft ons de precieze plaatsen aangeduid waar wapenopslagplaatsen zich bevonden. (...) Hij heeft ons ook getoond langs waar de konvooien zouden rijden. (...) Verder vertelde hij ons altijd dat hij onder druk werd gezet door de partij om zo snel mogelijk de wapens en de munitie te verdelen. » (34b)

« Aangezien we Jean-Pierre echter geen vrijgeleide konden garanderen, kreeg ik de raad hem niet meer te ontmoeten. Ik ben hem op persoonlijke basis wel blijven ontmoeten. » (35b)

Enerzijds stellen we vast dat kapitein Claeys informatie verkrijgt ­ kapitein Claeys, « Al de informatie die hij op vrijwillige basis gaf was welkom. » (36b) ­ dat van die aard is dat de receptoren de informatie wel naar waarde schatten maar niet bereid zijn in te gaan op het verzoek tot bescherming. Kapitein Claeys, « Op een bepaald moment hebben wij aan New York gemeld dat wij van tipgevers interessante informatie bekomen hadden, maar zij vroegen als wederdienst voor verdere informatie een diplomatieke bescherming. Wij bekwamen geen antwoord van de VN daaromtrent. » (37b) Ook niet, nadat was gebleken dat de signalementen over de wapenopslagplaatsen bleken te kloppen.

Kolonel Marchal zou hierover verklaren : « Wat het belang betreft dat ik hechtte aan de inlichtingen, kan ik bevestigen dat ik, na de verificatie ervan , geen enkele twijfel meer had over wat zou gebeuren. Het aantal details en de nauwkeurigheid ervan wezen erop dat er iets op til was dat een enorm aantal slachtoffers zou eisen. Mijn raming van de verliezen bedroeg tienduizenden doden. » (38b) Kolonel Marchal : « De contacten die ik met Jean-Pierre heb gehad, waren zeer leerrijk en boden een solide basis. » (39b)

Kapitein Claeys verklaarde : « ... heel die tijd die vertragende beweging van « wij kunnen geen garanties bieden » dus eigenlijk onrechtstreeks aan mij zeggen : « Die man is waarschijnlijk niet geloofwaardig genoeg om hem te steunen. » (40b) Anderzijds zou de kapitein zijn informant tot 15 maart verder blijven ontmoeten, en dit met de stilzwijgende toelating van zijn superieuren. Kapitein Claeys, « ... voor de VN mag er niet aan intelligence worden gedaan. Vandaar dat men een gebrekkige term hanteert zoals military information officer. Wat ik officieel moest doen, lag heel ver van wat ik in werkelijkheid deed. Officieel moest ik briefings geven aan de nieuwe stafofficieren. » (41b) Ook kolonel Marchal was hiervan op de hoogte. Kolonel Marchal : « Bij gebrek aan enig positief antwoord op de aanvraag tot politiek asiel heb in de contacten met Jean-Pierre, in zijn belang, verbroken. » (42b)

Faustin Twagiramungu, die de informant destijds had aangebracht, nuanceerde tijdens de zitting van 30 mei het belang van « Jean-Pierre ». « Jean-Pierre était un chauffeur. Il a travaillé au MRND à ce titre. Il a été licencié par le MRND mais il est resté dans les Interahamwe. À moins qu'il n'y ait un autre Jean-Pierre. Ce genre de personnes visent à obtenir des avantages qu'on leur accorde soit pour la vente d'informations soit pour mentir. On vante à une certaine bravoure que, souvent ils n'ont pas. (...) Il était Tutsi ... ces gens travaillaient avec les Interahamwe, même s'ils ne prenaient pas de décisions. » (43b)

Generaal-majoor Verschoore van het SGR, die niet op de hoogte was van het bestaan van Jean-Pierre, en van de inlichtingen die hij verstrekte, onder andere het plan om Belgische Blauwhelmen te vermoorden, zei voor de commissie dat aan de informatie van Jean-Pierre « de hoogste waarde was toegekend. Ze werd als hoogst betrouwbaar aanzien. » (44b) Deze appreciatie staat in schril contrast met de valorisering van majoor Hock die op de zitting van 21 maart verklaarde aan Jean-Pierre de beoordeling F6 te willen geven. « Hij was een informant van UNAMIR. Als men nader op het personage ingaat, stelt men vast dat hij bij het begin deel uitmaakte van de veiligheidsdiensten van de president, die een zeer slechte reputatie hadden. Het was een deserteur en dus a priori niet te vertrouwen. Alles wat Jean-Pierre vertelt moet worden gecontroleerd. » (45b)

De commissie stelt vast dat de tipgever die door generaal Dallaire en UNAMIR als zeer betrouwbaar werd gekwalificeerd door majoor Hock als weinig geloofwaardig werd beschouwd.

De commissie stelt zich vooral vragen bij de verkeerde inschatting van de gegevens die Jean-Pierre had verstrekt met betrekking tot de mogelijke aanslagen op de Belgische blauwhelmen. Waarom heeft men, als men na verificatie van de inlichtingen van de tipgever op het terrein vaststelt dat de informatie degelijk en betrouwbaar is voor wat het aspect van de wapenopslagplaatsen betreft, niet dezelfde geloofwaardigheid toegekend aan de informatie over het lot dat voor de Belgische blauwhelmen was gereserveerd of tenminste een bijkomend onderzoek ter zake ingesteld.

(4) De inschatting van de dreiging tegen de Belgen

In dit deel stelt de commissie vast dat het inzamelen en verwerken van informatie met betrekking tot de dreiging tegen de Belgen zelden verder raakte dan het bureau van diegene die de inlichtingen had verkregen. Zij die belast werden met een informatieopdracht waren onvoldoende opgeleid voor hun taak en beschikten evenmin over voldoende middelen om die opdracht naar behoren te vervullen.

Daarnaast stelde de commissie vast dat ingewonnen en verkregen informatie niet circuleerde, noch op het niveau van het bataljon, noch op het niveau van de Force.

In hun getuigenis voor de commissie brachten zowel de inlichtingenofficieren, de leidende officieren als een aantal officieren die op hun niveau van de compagnie hun taken vervulden alarmerende elementen aan die het bestaan van een anti-Belgisch klimaat althans in extremistische Hutu-kringen bevestigen.

Kolonel Dewez verklaarde: « Je n'ai jamais dit aux hommes qu'ils allaient en vacance ,... ce bruit s'était certainement répandu entre eux en raison de la comparaison avec la Somalie ... à Kigali la vie était « normale », ils pouvaient sortir, aller au restaurant le soir, ils pouvaient aller nager à la piscine du Méridien. » (46b)

Luitenant Lecomte : « ... je me rend compte maintenant que nous, sur place, nous n'avions que très peu d'informations concernant la menace qui pesait sur le détachement belge. (...) Si menace il y avait eu, nous ne serions pas sortis à Kigali toutes les nuits. Je pense que si une faute cruciale a été commise, c'est certainement dans le manque de distribution de l'information. » (47b)

Gevraagd naar de eigen inschatting van de anti­Belgische gevoelens in Rwanda zei kapitein Claeys : « Met de anti-Belgische houding bedoel ik de anti-houding tegen de Belgische militairen omdat deze hun werk goed deden. (...) Dit was een hinderpaal voor de oppositie. (...) Voorspellen dat het provoceren en vermoorden van een aantal Belgische militairen tot gevolg zou hebben dat België zijn troepen zou terugtrekken lijkt mij twijfelachtig. De MRND moest dan zeer goed geïnformeerd zijn omtrent de reactie van de Belgische regering. (...) Het was dus pure speculatie. » (48b)

In zijn uiteenzetting voor de commissie Uytterhoeven stelt kapitein Claeys dat: « De Rwandezen blij waren dat de Belgen aanwezig waren. Het verwijt aan de Belgen kwam van de gecreëerde situatie in 1990, als de Belgen het land verlaten hebben zonder steun te geven aan de regering. » (49b)

Op de vraag waarom de inlichtingenofficier de informatie over de massamoorden hoger had ingeschat dan de voorlichting over de bedreigingen voor de Belgen antwoordde Claeys: « Ik ging zowel overdag als 's nachts ongewapend erop uit... Had men echt kwade bedoelingen tegen de Belgen gehad, dan had men alle Belgen die op straat liepen als burger of als militair op elk ogenblik van de dag kunnen kidnappen of vermoorden. » (50b) Voor de commissie is het duidelijk dat het persoonlijk veiligheidsgevoel hier heeft meegespeeld in de beoordeling van de situatie. Op 2 juni 1995 zal de kapitein aan de auditeur-generaal bevestigen: « Er was een anti-Belgische houding die via de radio geuit werd en afkomstig was van de Hutu-beweging maar die nooit die dodelijke afloop konden doen voorspellen ». Haaks op de bewering voor de commissie getuigde de kapitein voor de militaire rechtbank dat: « het algemeen was dat hetgeen een Rwandees zegt niet is hetgeen hij denkt. Men moest wantrouwig zijn t.o.v. Rwandezen. Ik zou nooit mijn wapen hebben afgegeven. Ik zou de tegenpartij overtuigd hebben om mijn wapen te behouden, maar dat ik het niet zou gebruiken. » (51b)

Luitenant Nees, S2 KIBAT I, « Op 18 november vertrokken de eerste elementen van KIBAT naar Rwanda. Tussen 3 en 11 november kregen we als voorbereiding een algemene nota van het SGR waarin enkel sprake was van algemeenheden en niets vermeld werd over een anti-Belgisch klimaat. Wel sprak men met enkele zinnetjes over het bestaan van jeugdmilities ... Het tweede deel van de voorbereidingen bestond uit het uitnodigen van mensen die in Rwanda waren geweest. Hierbij denk ik aan medewerkers van de RTBF, het Rode Kruis en Radio Vlaanderen. Van hen kregen we meer details dan uit de nota's van het SGR. Hier hoorden we voor het eerst van « Réseau Zéro ». Op 18 november ben ik vertrokken. De Rwandese bevolking was gerustgesteld door onze aanwezigheid. Het werd ons snel duidelijk dat de bevolking en vooral de kinderen slecht of eenzijdig waren ingelicht over de komst van UNAMIR en haar opdracht. De eerste contacten met de bevolking legden we in de school van de paters. De leerlingen stelden ons onder andere de volgende vragen: kwamen wij om de vijanden van de Hutu's te bevechten; waren wij gekomen om de Tutsi's mee aan de macht te krijgen? Volgens mij was er geen sprake van een anti-Belgisch klimaat maar over desinformatie over de komst van UNAMIR. Factoren voor het toenemen van een anti-Belgisch klimaat in de maanden december tot februari waren dat de gewone burger nooit op grote schaal informatie ontving over het doel van UNAMIR. Daartegenover stond dat RTLM onbeperkt over bijna heel Rwanda propaganda tegen België kon uitzenden. Belangrijk is dat de mensen in de kampen zeer gevoelig waren voor deze propaganda. Ook daalde het vertrouwen van de Rwandese burger langzaam. In de nacht van 16 op 17 november vond er bij Ruhengeri een moordpartij plaats waarbij 40 doden vielen. Generaal Dallaire zei dat men een onderzoek zou opstarten. Inderdaad zijn er verschillende onderzoeken opgestart maar nooit gaven zij een goed antwoord op de vraag wat er gebeurd was. Op die manier ebde het vertrouwen langzaam weg. Voor de gewone Rwandees stond UNAMIR gelijk met Belgische aanwezigheid. Het was KIBAT dat het RPF-Bataljon binnenhaalde in Kigali. Daardoor steeg vanaf januari het aantal en de aard van de RTLM-berichten. Vanaf nu nam de radio elke gelegenheid te baat om België in een slecht daglicht te stellen. Ik kan een aantal incidenten verklaren waarin KIBAT correct was opgetreden maar waarvan RTLM misbruik van maakte. Hierbij denk ik aan de Belgische helikopter die zogezegd mitrailleurs op de presidentiële woning had gericht. Op 20 januari waren we aanwezig op een meeting van de heer Twagiramungu. Hierbij waren de Belgen verplicht in de lucht te schieten om de heer Twagiramungu te ontzetten. Op RTLM zei men dat de Belgische militairen op het volk hadden geschoten en dat daarbij doden waren gevallen. Op 8 januari daagden 300 leden van een jeugdmilitie de Belgische militairen uit. » (52b)

Vanuit zijn perceptie als militair meende luitenant Nees twee echte dreigingen te ontwaren. Luitenant Nees: « Op 5 februari, tijdens het installeren van de KWSA, zag een nachtelijke patrouille talrijke bewapende Rwandezen rond het huis van kolonel Bagosora. De patrouille wou optreden maar op dat moment kwam kolonel Bagosora zelf naar buiten en beval zijn militairen om de wapens op de Belgen te richten. Een tweede dreiging was een schietpartij aan de rand van Kigali tussen milities of gewapende burgers en de Belgische militairen van een escorte. Toch kan men buiten deze twee incidenten niet echt spreken van een anti-Belgische sfeer. Later is de toestand wel verslechterd. » (53b)

Kapitein De Cuyper, die luitenant Nees als S2 bij KIBAT II heeft opgevolgd ervaarde in het dagelijkse leven in Rwanda geen anti-Belgisch klimaat. « Als Belgisch officier van UNAMIR ondervond ik geen problemen, maar wel voelde ik een soort « réticence ». Bepaalde hogere kringen beschouwden de Belgen wel als bemoeials of pottenkijkers in Kigali. Ik was bij mijn aankomst enkel op de hoogte van de gebeurtenissen in Kigali door de inlichtingen van Luitenant Nees. » (54b)

In een document van 7 februari 1994 schrijft luitenant Nees dat de anti-Belgische houding niet als een vijandigheid tegen de Belgische blauwhelmen maar als een bewuste tegen de Belgen gerichte politiek moet worden beschouwd. Luitenant Nees hierover: « Ja, dat hebben we geschreven. Er waren slechts enkele betreurenswaardige incidenten. De problemen met name uitgelokt aan de checkpoints waren meestal uitgelokt door de Rwandezen zelf. De problemen deden zich voor tijdens de patrouille-opdrachten. De andere incidenten werden uitgelokt door mensen van dezelfde politieke strekking. Ik herinner me een voorval waarbij ik zelf op een checkpoint aanwezig was. Op zo een checkpoint waren steeds twee Rwandese gendarmes aanwezig die de voertuigen controleerden. Deze controles verliepen niet agressief. Op een bepaald ogenblik is een voertuig door een checkpoint gereden en moesten de Belgische militairen opzij springen. Ik heb dit gemeld aan de commandant van KIBAT en heb hem ook gevraagd of we kolonel Marchal hierover niet moesten inlichten. » (55b)

Naar de methode inzake verwerving en verwerking van de informatie wordt verwezen naar hoofdstuk 3.3.3.

Majoor Podevijn, die bijna dagelijks contact had met kapitein Claeys stelde voor de Commissie Uytterhoeven dat de sfeer vanaf het begin van de operatie gericht was tegen UNAMIR, vooral tegen de Belgen. « De reden was dat we pro-RPF waren. In januari-februari waren er ernstige betogingen. In maart was alles gekalmeerd. Dan is het ontploft. Er bestond wel een potentieel risico van een gedeelte van de bevolking (de milities). Er was geen aanduiding dat de Gd. en de FAR iets tegen de Belgen van UNAMIR zouden doen. » (56b)

Tijdens de hoorzitting van de bijzondere commissie van 7 maart zal de majoor herhalen dat : « Eenmaal ter plaatse merkten we dat pamfletten en artikels verschenen die de Belgische para's zwart maakten. In het begin, tot 18 december, hebben wij van de vijandigheid niet zo veel gemerkt. Later waren er wel incidenten waar Belgen bij betrokken waren. Zo was er de granaat in de tuin van kolonel Marchal, een patrouille die bekogeld werd met stenen, de schoten die gelost werden voor het huis van de heer Booh Booh. Ook werd bij betogingen in de omgeving van het hoofdkwartier van generaal Dallaire, de doorgang van een escortevoertuig van de Belgische para's verhinderd. Al deze incidenten werden gerapporteerd.

Het begint al op 6 december toen een onbekende in het hoofdkwartier van de para's kwam informeren waar de Belgen gehuisvest waren. Later is gebleken dat het ging om een bommenlegger. Op 10 december werd een busje met UNAMIR-soldaten door aanhangers van de Interahamwe uitgescholden voor Tutsi. Bij andere incidenten werden granaten gegooid in de huizen van Tutsi families. Handelaars en barhouders die omgingen met Belgen werden bedreigd. Militaire waarnemers van UNAMIR werden overvallen en bestolen. Als de Interahamwe betoogden tegen UNAMIR en tegen de Belgen, kwamen de Rwandese gendarmes of het leger nauwelijks tussen. Zij stonden er gewoon op te kijken. Op 17 januari was de SGR op de hoogte van het anti-Belgische klimaat. Er kwam een vraag om de bedreiging van de Belgische component van UNAMIR te onderzoeken. Een aantal incidenten wees er dus op dat er iets aan de gang was. Wij wisten dat de MRND tegen onze aanwezigheid gekant was. Ook de RTLM voerde een anti-Belgische campagne. Ons werd verweten dat wij in 1990 geen wapens meer wilden leveren en dat wij het RPF gunstig gezind waren. » (57b)

Kolonel Vincent, hoofd van de militaire coöperatie en militair adviseur van ambassadeur Swinnen, was naast de inlichtingenofficieren die op het niveau van KIBAT-UNAMIR en op het niveau HQ-UNAMIR gegevens verzamelden en doorstuurden naar de Belgische legerleiding, een zeer belangrijke bron van SRG waar de legerleiding op vertrouwde. Volgens de kolonel bestond er inderdaad een anti-Belgisch klimaat (zie vorig punt anti-Belgische en anti-UNAMIR campagne voor 19 november 1993) alleen moest het worden gerelativeerd. Kolonel Vincent was van oordeel : « Het was vooral een instrument dat op politiek niveau werd gehanteerd. De bevolking koesterde echter geen bijzondere haatgevoelens tegenover de Belgen. Een week voor de tragische gebeurtenissen van april kon mijn echtgenote nog zonder enig probleem boodschappen doen op de markt. » (58b) Volgens de kolonel was er geen anti-Belgisch houding tegenover de Belgische gemeenschap maar wel tegenover UNAMIR dat als symbool gold voor de Arusha-akkoorden. Ten bewijze daarvan vermelde de kolonel het incident van 8 januari waar zijn soldaten en hijzelf geen moeilijkheden hadden ondervonden vanwege de bevolking, die nochtans bijzonder opgewonden was.

De kolonel, die naar eigen zeggen wist dat er « problemen » waren in het Rwandese leger of bij de gendarmerie had nooit iets gemerkt van een genocideplan, noch dat er een aanslag op de Belgische blauwhelmen werd beraamd. De militair technische coöperatie deed dienst als inlichtingenbron, maar beschikte niet over een eigen inlichtingennetwerk. Kolonel Vincent : « Wij deden niets meer dan onze inlichtingen aan Brussel bezorgen. » (59b) Kolonel Vincent stipte nog aan dat radio RTLM werd opgericht in een anti-UNAMIR kader. « De propaganda was van het allerlaagste allooi. » (60b) Een stelling die ook door zijn MTS-collega luitenant-kolonel Duvivier werd onderschreven. « RTLM émettait régulièrement des critiques vis-à-vis des Belges. Par exemple les belges sont à la solde du RPF. À la mort du président, RTLM a diffusé : les Belges sont responsables de la mort du président. Ils ont proposé que dans chaque ville, il fallait tuer un Belge » (61b)

Luitenant-kolonel Leroy, de commandant van KIBAT I gaf voor de commissie toe dat aan de operatie risico's waren verbonden maar dat er ­ naar zijn aanvoelen ­ geen onmiddellijke dreiging was. « Volgens mij was er geen anti-Belgische sfeer » meende de kolonel die anderzijds wel stelde dat : « Tot op de dag van mijn vertrek heb ik wel provocaties ondervonden ten aanzien van mijn troepen, maar niet meer. Mijn rol was beperkt tot het luiden van de alarmbel. Ik heb dat dan ook gedaan en aldus als militair op een militair risico gereageerd. (62b) Op 6 februari stuurde de kolonel een fax naar C Ops met de mededeling : « Op 060850 feb 94 reed het milit Vtg van Gen. Nzabimana door een CHP van de 11Cie. De Gen weigerde te stoppen. Hij werd door het verkeer tot halte gebracht, steeg uit ,en begon in eigen taal de toeschouwers waarschijnlijk op te stoken tegen het feit dat (BE) Mil een (RW) Gen durfden stoppen. De sec Comd en de Cie Comd lieten hem beleefd verder rijden. Dit is het zoveelste incident met hogere (RW) officieren of met hun familieleden. Alvorens een van mijn mannen opzettelijk omvergereden wordt, of dat er gevuurd wordt door een der partijen heb ik aan de Sector Comd gevraagd ALLE CHP die voorzien waren af te schaffen. Deze CHP zullen vervangen worden door patrouilles. Sector Cmd ging hiermee akkoord. » (63b) Gevraagd naar de problemen die zich voordeden aan de checkpoints stelde de kolonel dat : « Bij de meeste checkpoint is er een gevaar als er geprovoceerd wordt. Bij één van de 152 checkpoints is een voertuig gestopt en de inzittende vraagt zijn veiligheidsmensen de wapens te trekken. De chef van de patrouille doet hetzelfde. Dan keert de kalmte weer enigszins terug en op het kaartje dat wordt overhandigd door de passagier, die zegt dat wij nog van hem zullen horen, staat Bagosora te lezen. Ik heb de sectorcommandant en Brussel ingelicht, want het was het zoveelste incident in het kader van de veiligheidsopdracht. Ik was onvoldoende uitgerust en geoefend om er het hoofd aan te bieden. Op 1 maart heb ik Brussel om richtlijnen gevraagd, tevergeefs echter, en ik heb geweigerd de bevelen uit te voeren omdat ik ten alle prijze weigerde mijn manschappen politietaken in plaats van militaire taken te laten uitvoeren. » (64b)

Tijdens de zitting van 13 mei 1997 zei commandant Noens over kolonel Bagosora : « Tijdens één van de nachtelijke patrouilles botste een bereden patrouille in een kleine straat op een 30 à 35 gewapende FAR-soldaten. Dat betekende een grove schending van de regels van de KWSA. Dat wordt aangekaart en nog eens besproken ter gelegenheid van de Veiligheidsconferentie van 15 februari, waaraan de minister van Landsverdediging, de Stafchef van de Rijkswacht en kolonel Bagosora deelnamen. Deze kolonel was in feite zowat de slechte geest van de groep, de meester provocateur van onze para's. Met een brede smile op zijn gezicht verklaarde hij dat er geen enkele overtreding gebeurd was en dat zijn soldaten het volste recht hadden om daar te zijn, want zo zei hij, ik heb recht op vijf man en ik heb nog een reeks autoriteiten bij mij uitgenodigd die elk hun escorte hebben meegebracht. » (65b)

In de verklaring voor de commissie Uytterhoeven stelt kolonel Leroy : « À partir du moment ou une grenade explose dans le jardin du Comd Sect, il y avait menace. Dans l'attitude de Mil appartenant au régime en place, arrogance, provocation pour tester la composante belge de MINUAR. Pour ces raisons, mes Comd Cie ont demandé à pouvoir engager une balle dans le canon, ce fut refusé. » (66b)

Op de vraag of de specifieke bedreigingen zoals die door luitenant Nees werden gerapporteerd als dusdanig door de kolonel werden gekwalificeerd ontkende de kolonel geenszins dat zijn blauwhelmen waren bedreigd. « Er zijn bedreigingen tegen de Belgen geuit, maar dat weerspiegelde het algemeen klimaat niet. Ik heb de aandacht van het C Ops geregeld gevestigd op de gevaren die we bij de inbeslagname van de wapens of de ordehandhaving liepen. Maar dat vormt geen anti-Belgisch klimaat tegen alle Belgen. De bedreiging tegen de Belgische blauwhelmen zou concrete vorm hebben kunnen krijgen als wij wapens in beslag waren blijven nemen. Wij hebben dat niet gedaan. » (67b)

De kolonel besloot de zitting van 24 maart met de vaststelling dat : « Mijn mening werd intussen beïnvloed door alles wat ik gelezen en gehoord heb. Ik ben niet meer dezelfde als toen ik uit Rwanda terugkwam. Toen was ik ervan overtuigd dat er geen bedreigingen waren. »

« Er waren inderdaad problemen »stelde kolonel Leroy, « maar die waren niet te vergelijken met de werkelijke problemen die zich hebben voorgedaan bij KIBAT II. » (68b)

Kolonel Dewez, bataljonscommandant van KIBAT II werd door de commissie gehoord op 16 april 1997. Volgens de kolonel had men bij de aanvang van de missie geen zicht op de situatie in Rwanda. Kolonel Dewez : « De inlichtingen die ik van de generale staf heb gekregen over de situatie in Rwanda waren nogal algemeen. Om een scherper beeld te hebben van de toestand ter plaatse heb ik mij tot pater Boets gewend, een notoir Rwandakenner. Hij heeft voor ons een briefing georganiseerd en wat mij trof was dat de toestand zowel op politiek en sociaal als etnisch vlak uiterst ingewikkeld was. Er was een duidelijke kloof tussen de machtshebbers en de bevolking en er werd volop gedesinformeerd. » (69b)

« De vraag van de anti-Belgische gevoelens leek mij niet cruciaal omdat de meerderheid van de Rwandese bevolking een VN-interventie wenste en zich over onze komst verheugde. Ik heb hen (de officieren) op de hoogte gebracht van de anti-Belgische en anti-UNAMIR campagnes en daarbij gewezen op het feit dat elke misstap systematisch zou worden uitgebuit. » (70b)

Tijdens zijn laatste ondervraging door de onderzoekscommissie op 30 juni zal kolonel Dewez nogmaals een reconstructie geven van de briefing die hij aan zijn manschappen gaf aan het begin van de operatie in Kigali. « Je vous ai dit qu'un cours a été donné ... à tous les gradés, jusqu'au niveau de chef de peleton ... j'ai expliqué le fonctionnement général de l'ONU, des opérations de paix etc. Ensuite, le capitaine Choffray a poursuivi avec, notamment, les régles d'engagement. À l'issue de ce briefing, un document a été distribué à chaque compagnie. (...) ensuite, la mission de chaque compagnie consistait à transmettre ce briefing au sein de la compagnie vers les pelotons. (...) Un autre jour ... j'ai rassemblé les compagnies donc tous les soldats et je leur ai donné un briefing d'une heure environ. (...) Vous constaterez que j'indiquais que la mission allait être difficile et qu'il ne s'agissait pas du tout de vacances. Je n'ai jamais dit aux hommes qu'ils allaient en vacances ... ce bruit s'était certainement répandu entre eux en raison de la comparaison avec la Somalie. » (71b)

De commissie stelde vragen bij de manier waarop de kolonel op zijn taak als bataljonscommandant van KIBAT II werd voorbereid. De commissie plaatst vraagtekens bij het feit dat de kolonel zijn informatie moet halen bij een aantal personen, zoals Pater Boets, in plaats dat hij niet kon terugvallen op de autoriteiten wiens verantwoordelijkheid erin bestond hem adequaat te informeren over het milieu waarin hij moest opereren. Even verrassend is de gebrekkige informatiedoorstroming. De kolonel werd niet gebrieft over de rapporten van luitenant Nees. Bovendien kon de kolonel niet bevestigen of men hem had ingelicht over de tips die Jean-Pierre had aangebracht. Meer duidelijkheid kon de kolonel verschaffen over de informatie die kolonel Leroy wél had overgedragen. Kolonel Dewez : « Het ging eerder over de bedreigingen ten aanzien van dissidente Hutu's en de Hutu's die een band hadden met België dan tegenover de Belgen zelf. Ik heb eind januari een week met hem (kolonel Leroy) doorgebracht. Hij heeft het met mij gehad over de problemen die zich hadden voorgedaan, vooral het feit dat het minste incident werd opgeschroefd en dat de soldaten werden geprovoceerd. Toen ik terug in België was verwachtte ik niet dat ik nog informatie van de SGR zou krijgen. Er werd niets op schrift gesteld in verband met die briefing. Ik beschik enkel over mijn eigen aantekeningen in mijn notaboekje. Op 4 februari heb ik erin genoteerd dat de toestand in Rwanda delicaat was. Er was een anti-Belgische campagne. Het minste incident kon worden uitgebuit. Wij moesten neutraal zijn en uitspattingen vermijden. (72b)

In tegenstelling tot kolonel Dewez was kolonel Balis wel op de hoogte van de informatie waarover kapitein Claeys sinds januari beschikte. Evenzeer wist de kolonel dat kapitein Claeys de beruchte tipgever verder bleef ontmoeten. Balis, die initieel belast was met de uitwerking van een evacuatieplan, hekelde de zwakte van de inlichtingendienst. Kolonel Balis, hierover: « Het is natuurlijk zo dat we heel veel geruchten, mededelingen, hadden, maar weinig concreets op papier. Volgens mij was dat misschien wel de grootste zwakte van de zending UNAMIR. (...) Het is mij direkt opgevallen dat de belangrijkste sectie in zo'n staf bestond uit één Belgische kapitein. Die man heeft dag en nacht gewerkt. Die heeft werkelijk schitterend werk gedaan, maar dat was veel te veel voor hem. Ik heb generaal Dallaire voorgesteld ... om mij toe te laten om een inlichtingencel op te richten met drie, vier of vijf officieren en vooral met enkele mensen die Rwandees kennen. (...) Het antwoord van New York was dat het niet wenselijk was een inlichtingencel op te richten omdat het inwinnen van inlichtingen een daad van agressie zou zijn. » (73b) Kolonel Balis vervolgt : « Iedere inlichting was welgekomen, uiteraard, maar er waren heel alarmerende feiten. (...) Ik had ook geen enkele Afrika-ervaring. (...) Na drie tot vier maanden permanent te moeten horen dat ik er niet moest mee inzitten, dat de Arusha-akkoorden zouden worden uitgevoerd. » (74b) Kolonel Balis, die alle « code cables » van generaal Dallaire las en dus zelfs op de hoogte was van de informatie van Jean-Pierre, voelde zich desondanks persoonlijk slechts éénmaal echt bedreigd naar aanleiding van de manifestatie van januari « ... tegen de middag werden de voorbijrijdende VN-voertuigen gecontroleerd op de aanwezigheid van Belgen. Ik weet dat omdat ik zelf in zo'n voertuig zat. Gelukkig zat er een Bengalese chef aan het stuur en bleef mijn Belgische wimpel achter zijn schouder verborgen ... bij het zien van de Bengalezen riep de Rwandees luidkeels « Il n'y a pas de Belges, ils peuvent passer ! » (75b) Alhoewel de kolonel zich niet persoonlijk bedreigd voelde gaf hij wel toe dat er indicaties van dreiging waren tegen de Belgische aanwezigheid. Zoals hij voor de commissie Uytterhoeven reeds had verklaard dat er geen dreiging was tegen UNAMIR, maar dat er een controverse bestond betreffende de Belgische aanwezigheid. Kolonel Balis bevestigde voor de parlementaire onderzoekscommissie : « Anti-belgisch ? Ja, dat wisten we reeds voor we vertrokken. Het was ons niet onbekend dat het terugtrekken van de troepen in 1991 niet in dank was afgenomen door bepaalde groepen. » (76b)

De kolonel stelde toch erg ongerust te zijn geweest. « Le troisième jour que j'étais au Rwanda, j'ai entendu à la radio officielle un homme qui, d'une voix hystérique, déclarait : « Nous n'avons pas voulu les accords d'Arusha, ils nous ont été imposés et nous ne les accepterons jamais. » Et moi j'étais là avec mon béret bleu à participer à l'UNAMIR ! » (77b)

Kolonel Marchal, sectorcommandant van UNAMIR in Kigali werd door de commissie uitvoerig ondervraagd over het zogenaamde anti-Belgisch klimaat in Rwanda. Bij de aanvang van de eerste zitting relativeerde de kolonel het anti-Belgisch gevoel. De kolonel vond het nodig een nuancering aan te brengen door te stellen dat: « Er heerste veeleer een anti-UNAMIR-klimaat en de daaruit voortvloeiende uitbarstingen waren op de Belgen gericht. Een incident lijkt mij veelzeggend in deze context : het feit dat een steen werd gegooid in de glazen deur van de bestuurders van RTLM. Ik heb begrepen dat er een gevaar bestond voor de veiligheid van de Belgische militairen en voor de geëxpatrieerden. » (78b)

Tijdens de tweede zitting op 14 maart werd de kolonel voor een tweede maal ondervraagd over de manifestatie van 8 januari 1994. Kolonel Marchal : « Wat het anti-Belgisch klimaat betreft wil ik erop wijzen dat de manifestatie van 8 januari de eerste was van dat type. Als het Belgisch detachement was opgetreden zou het anti-Belgisch klimaat zienderogen zijn verslecht. De betoging van 8 januari verontrustte mij, omdat men de massa niet in de hand kon houden. Ik heb de generale staf in Brussel om richtlijnen verzocht... het antwoord werd mij een maand later gestuurd. » (79b)

Hoewel kolonel Marchal de invloed van de anti-UNAMIR en anti-Belgische stemming moeilijk kon evalueren nam hij toch bepaalde maatregelen om de risico's te verminderen. « Zo heb ik een nachtelijk uitgaansverbod uitgevaardigd en de wegcontroles afgeschaft. Een evacuatieplan voor de geëxpatrieerden werd zorgvuldig uitgewerkt ... ik heb ook officieel mijn bezorgdheid aan generaal Dallaire meegedeeld over de gevolgen van de uitzendingen van Radio Mille Collines. » (80b) Op 14 maart geeft kolonel Marchal een toelichting over zijn démarches bij de ambassadeur : « Het was hoog tijd dat Brussel zich met het probleem bezighield. » (81b)

Majoor Maggen, die op het Force hoofdkwartier de permanentiecel voor het versturen en ontvangen van berichten waarnam, vatte zijn eerste indrukken van zijn opdracht in Rwanda voor de commissie samen : « Op 4 december 1993 kwam ik aan in een land waar het zogezegd vrede was. Het eerste wat ik de generaal (Dallaire) hoorde zeggen was dat hij de pers weer eens had moeten vertellen dat de Belgen die waren toegekomen, blauwhelmen waren en geen Belgen. Er was dus inderdaad een kiem van anti-Belgische gevoelens op dat ogenblik. (...) Wat wij als Belgen onder de UNAMIR-vlag hebben gedaan, draaide voor ons niet goed uit. Wij hebben immers het anti-Belgische gevoel versterkt door dat bataljon van patriotten van het Noorden van het land over te brengen naar Kigali met Belgische vrachtwagens en onder Belgische escorte. (...) In Kigali escorteerden we permanent de VIP's van de patriotten van het RPF. (...) Begin januari reeds had ik het gevoel dat het Arusha-verdrag het resultaat was van een oorlog die de huidige machthebbers hadden verloren. » (82b) Majoor Maggen : « Ik vermeld de verklaring van 8 januari, de tip in verband met de plannen van de Interahamwe ... voorts was er een speciale actie rond de wapendepots in Kigali, die erin bestond dat een speciale search-operatie zou worden uitgevoerd om de hand te leggen op de wapendepots. Dit waren geheime operaties waarvan enkel de generaal (Dallaire) en een beperkte kring van mensen, waartoe ikzelf niet behoorde, op de hoogte waren. » (83b) Kortom, de majoor die bij de toelichting over zijn opdracht in Kigali had gesteld verantwoordelijk te zijn voor het opvolgen van incidenten en het analyseren van binnenkomende berichten, en hierover dagelijks New York rapporteerde via de SITREP, blijkt werkelijk niet goed op de hoogte te zijn.

Naast het verhoor van de leidende officieren nodigde de commissie een aantal officieren uit die op het niveau van de compagnie hun opdracht vervulden. Niettegenstaande hen vooral werd gevraagd te getuigen over de tragische gebeurtenissen van 7 april en over de ontruiming van de school van Don Bosco en de terugtrekking peilde de commissie in de marge van hun ondervraging bij deze officieren naar de inschatting van de sfeer voor de feiten van 7 april.

Kapitein Lemaire hekelde tijdens zijn hoorzitting voor de commissie het slecht gebruik van de informatie ter plekke. « Naar verluidt was men van het risico van een volkerenmoord en van het gevaar voor de Belgen op de hoogte. » « In feite ging het slecht van bij het begin. Bij de samenstelling van de troepenmacht genoten de militairen al geen vertrouwen. »

De kapitein, die zelf wel informatie had bekomen over wapendistributies en een naderend bloedbad verklaarde niet ingelicht te zijn over het gevaar van zijn opdracht. « Men zei ons dat het risico voor ons beperkt was. Men heeft het nooit gehad over direct gevaar voor de Belgen of voor UNAMIR, anders zou ik het uitgaan 's avonds verboden hebben. Als de officieren hadden geweten dat een volkerenmoord werd voorbereid zouden zij dat alles niet hebben toegestaan. Wij hebben evenwel vlug beseft dat de gendarmes een spelletje speelden met de UNAMIR en dat het 1e para werd gemuilkorfd en bedrogen. Daarom hebben wij de plaats van de checkpoints en de routes van de patrouilles niet meer aan de gendarmes medegedeeld. Ze reageerden misnoegd op deze beslissing. » (84b)

Op 13 mei hoorde de commissie kapitein Marchal. Voor de krijgsauditeur had kapitein Marchal zijn ervaringen over het klimaat in de periode voor 7 april reeds uitvoerig belicht. « Après cette date (1er avril), il y avait une certaine tension qui se manifestait en ville par des grèves et des assassinats, que j'ai moi-même constatés. La population ne croyait plus dans la MINUAR, des soeurs me l'avaient rapporté. Journellement j'adressais au bataillon un rapport ou je faisais part de mes observations. J'étais moi-même devenu méfiant envers les gendarmes et de rwandais parce que j'avais constaté que, ce qui ne s'était jamais passé avant, lors d'assassinats politiques les gendarmes étaient avant nous sur place. » (85b)

De kapitein bevestigde deze getuigenis voor de commissie. Als verantwoordelijke voor de groep van het stadscentrum had de kapitein inderdaad opgemerkt dat het leger en de gendarmerie vanaf 4 april altijd voor de blauwhelmen ter plekke waren. De kapitein aarzelde om daaruit af te leiden dat er een vooraf beraamd plan bestond om UNAMIR te doen vertrekken en de volkerenmoord mogelijk te maken.

De commissie stelt vast dat niettegenstaande de meeste officieren op de hoogte waren van de heersende dreiging tegen de Belgen in het algemeen en tegen de militairen van het eigen detachement in het bijzonder een correcte inschatting van de gegevens achterwege bleef. Terwijl iedereen belangrijke aanwijzingen verkreeg die het bestaan van een anti-Belgische dreiging bevestigden stelt de commissie evenwel vast dat op het terrein deze informatie niet werd samengebracht en dat de communicatie tussen de verschillende diensten in Kigali zo goed als onbestaande was.

3.3.2.2. De inschatting van de dreiging tegenKIBAT/UNAMIR in België

(1) Door de militaire overheden

De commissie was tevens geïnteresseerd in de wijze waarop de verschillende informatiestromen uit Kigali door de militaire overheid in België werden geanalyseerd en ingeschat. Ook hier heeft de commissie vastgesteld dat de inlichtingen uit Rwanda op een verschillende manier werden geïnterpreteerd. Zo stelt de commissie vast dat inlichtingen ingewonnen op het niveau van KIBAT door de inlichtingendiensten van SGR in België niet juist worden ingeschat. Daarnaast onderstreept de commissie het gebrek aan internecommunicatie tussen de generale staf en de militaire inlichtingendiensten te Brussel.

Tijdens de eerste hoorzitting op 28 februari 1997 had luitenant-generaal Charlier reeds gewezen op het anti-Belgisch karakter van het klimaat in Rwanda (zie ook het hoofdstuk over de dreiging in de periode voor de beslissing). Het terugtrekken van de Belgische troepen in 1991 en het schrappen van de wapenleveringen hadden volgens de luitenant-generaal de anti-Belgische gevoelens gevoed. Een maand later, tijdens een tweede verhoor wijst de gewezen stafchef op hetfeit dat alle informatie over de anti-Belgische campagne werd opgenomen in de stukken van SGR. Die stukken werden dan doorgestuurd naar de minister. De positieve en negatieve inlichtingen wisselden mekaar af zei generaal Charlier : « In Rwanda waren de negatieve signalen tot 6 april voornamelijk verbale dreigingen, een klein incident niet te na gesproken. » (86b) Luitenant-generaal Charlier maakte dan ook de vergelijking met de vorige operaties in Slavonië en Somalië waar de ernst van de incidenten groter was. Toch stelde Charlier : « Wij hebben de bedreigingen nooit onderschat. Telkens wij daarover werden geïnformeerd, vroeg ik de commandant ter plaatse inRwanda de berichten te bevestigen, ze voor mij te analyseren en mij de genomen maatregelen mee te delen. Daar is nooit van afgeweken. De terugtrekking van KIBAT is drie keer overwogen. (...) Wij hebben die terugtrekking nog overwogen na het alarmerende telegram van kolonel Marchal, die verduidelijking vroeg over wat hij moest doen als de rellen tot een algemene oproer zouden leiden. Ik wist dat als zou worden overwogen alle Belgen te evacueren, wij troepen zouden sturen, maar ik kon dat niet aan de VN meedelen. Ik heb dan ook naar kolonel Marchal gebeld, daar ik vreesde dat zijn telegram het gevolg was van de mentale uitputting die voor alle officierenin zo'n situatie dreigt. Kolonel Marchal verklaarde zich echter bereid zijn opdracht voort te zetten. Hij herhaalde dat ook tegenover de minister van Landsverdediging tijdens diens bezoek in de loop van de maand maart. » (87b)

Hoewel de luitenant-generaal zich aan de hand van de SGR-rapporten een beeld wist te vormen van de heersende dreiging tegen de Belgische blauwhelmen,moest hij toch de gedetailleerde informatie van Jean-Pierre ontberen. Charlier : « Ik heb het bestaan van Jean-Pierre ontdekt in de commissieverslagen. » (88b) En op de vraag of de generaal het synthesedocument van 2 februari 1994, waarin staat dat men Belgen wil doden, had besproken met de minister van Landsverdediging wist de luitenant-generaal geen uitsluitsel te geven.

Tijdens de zitting van 21 april gaf Charlier toelichting bij het bezoek van de Rwandese generaal Ndindiliyimana aan België. Luitenant-generaal Charlier hierover : « Ik heb hem gesproken over de dreigementen aan het adres van de Belgische militairen. Volgenshem ging het om alleenstaande dreigementen. Ik heb aan zijn antwoorden echter geen geloof gehecht. » (89b)

Luitenant-generaal Charlier stelt dus dat hij reedsin de maand maart de risico's die de Belgische Blauwhelmen liepen ernstig inschatte.

Aan generaal-majoor Verschoore, de adjunct van generaal-majoor Delhotte die voor SGR informatie verzamelde en analyseerde werd eveneens gevraagd een beeld te schetsen van het klimaat in Rwanda en meer bepaald de houding tegenover de Belgen.

« Uit de in september 1993 ingewonnen informatie, bleek dat de toestand in het Noorden van Rwanda uitersT gespannen was. Het RPF had immers een deel van die streek bezet. Tot begin 1994 was er evenwel geen sprake van een anti-Belgisch klimaat.

Eind januari kwam het tot incidenten met het Interahamwe, met het doel het land te destabiliseren. Enige agressie tegenover de Belgen was dus mogelijk. Ook RTLM ging tekeer tegen de Belgen en tegen UNAMIR. Bij iedere militaire operatie moet men met dergelijke risico's rekening houden. SGR kon enkel tekens van ernstige onlusten waarnemen maar kon uit de ingewonnen informatie zeker niet besluiten dat er een genocide op komst was. » (90b)

En verder : « Vanaf januari werd het anti­Belgisch klimaat vastgesteld. Voordien waren er al incidenten, maar vanaf januari werd het anti-Belgisch klimaat meer uitgesproken bij sommige bevolkingsgroepen en was er een risico. » (91b) In zijn persoonlijke appreciatie van de politieke situatie in Rwanda situeerde de generaal-majoor de uitzendingen van RTLM, de opleidingen, het uitdelen van wapens, eind december begin januari 1994.

« De INSUMS bevatten feiten, de analyse en een conclusie. Mijn conclusie was dat er iets aan het gebeuren was. » (92b) Niettegenstaande de generaal-majoor in functie van de inlichtingen die hij van SGR had gekregen, de dreiging aanvoelde tegen de Belgische militairen, stelt hij dat de inlichtingendienst niet kon voorspellen hoe de situatie verder zou evolueren. « We hadden nooit een aanslag op Belgische militairen verwacht. We beschouwden de bedreigingen als intimidatie. » (93b)

Generaal-majoor Delhotte die op 21 maart werd gehoord door de commissie zei dat er geen sprake was van een concrete dreiging maar gaf tegelijk toe dat : « De feiten beter door het plaatselijk commando gekend waren dan door SGR. Het is dat commando dat in eerste instantie de feiten moet appreciëren. » (94b) Hij voegt hieraan toe : « Het was kolonel Marchal die door Jean-Pierre op de hoogte werd gebracht en via hem kenden wij die informatie. In december werden nog 'welfare activiteiten' voor de para's georganiseerd » interpreteerde Delhotte de situatie. « Als dat nog mogelijk was, kon de toestand niet zo ernstig zijn. » De informatie die onder meer door kolonel Marchal en majoor Podevijn werden opgestuurd toonde volgens de generaal-majoor aan dat : « er geen echte problemen werden aangevoeld. Wel waren er in december incidenten door de Interahamwe uitgelokt in het Noorden en in januari in het zuiden nabij Burundi . » (95b)

De commissie stelt vast dat generaal-majoor Delhotte de alarmerende berichten uit Kigali beschouwt als risico's verbonden aan dergelijke opdracht, terwijl zijn adjunct generaal-majoor Verschoore de situatie in januari als meer uitgesproken omschreef. De commissie stelt daarenboven vast dat de generaal-majoor, als hoofd van de militaire inlichtingendienst de verantwoordelijkheid over de inschatting van de dreiging doorschuift naar de operationele troepen ter plaatse, en dit terwijl zijn inlichtingendiensten best geplaatst waren om een volledige analyse te maken. Generaal-majoor Delhotte verantwoordde zich door voor de commissie te verklaren dat het niet de taak was van SGR om vals alarm te slaan vermits : « Op dat moment was er in de inlichtingen waarover wij beschikten geen aanwijzing van een concreet gevaar. Van bij het begin is er wat provocatie geweest en werd het belang van Interahamwe overdreven. » Eraan toevoegend dat : « De syntheses en de appreciatie van SGR werden door geen enkele lokale autoriteit tegengesproken (...). Als het verslag niet geloofwaardig was geweest, zou luitenant-generaal Charlier daar zeker op gereageerd hebben » (96b).

Het is duidelijk dat de inschatting van de dreiging tegen de Belgische Blauwhelmen niet op een eenduidige manier is gebeurd. De aanwezige militairen op het terrein waren zich duidelijk bewust van de gevaren. Dit in tegenstelling tot de leidende officieren in België die de situatie en de risico's kenden maar deze op een andere wijze inschatten. Bovendien stelt men vast dat ook op het niveau van de Belgische inlichtingendienst en de legerleiding de « meningen » verdeeld waren. De gebrekkige analyse en de afwezigheid van evaluatie van de gegevens hebben de verkeerde en onvolledige beoordelingen op het niveau van de generale staf veroorzaakt. De manke wisselwerking tussen de verschillende diensten en echelons ­ « geen feed-back » stelde kolonel Marchal ­ hebben elke objectieve inschatting van de alarmsignalen verhinderd.

(2) Door de politieke overheden

a) In Rwanda

De commissie besteedde tevens aandacht aan dewijze waarop de Belgische regering aankeek tegen detalrijke alarmerende berichten die voornamelijk doorde lokale vertegenwoordiger, ambassadeur Swinnenwerden doorgestuurd. In deze paragraaf noteren wede bevindingen van de politieke beleidsverantwoordelijken gedurende de periode van bij de installatievan UNAMIR tot aan het drama van 7 april 1994.

Ambassadeur Swinnen die als auteur van ondermeer telex 32 van 13 januari 1994 een plan om Belgische militairen te doden of te verwonden aan Belgiëovermaakte bleef zijn conclusie van de eerste zittingaanhouden waarbij hij stelde : « Het is een kwestievan gradatie. We konden toen niet spreken over eenveralgemeend anti-Belgisch klimaat. » (97b) Naast devraagstellingen over tipgever Jean-Pierre en de kennisover de concrete dreigingen (zie hoger) peilde decommissie naar de initiatieven die ambassadeur Swinnen had genomen om de anti-Belgische campagne testoppen. Concreet werd aan ambassadeur Swinnengevraagd of hij hiervoor ook een beroep had gedaanop zijn Franse collega's. Zonder evenwel dieper in tegaan op de laatste vraag wist de ambassadeur niettemin mee te delen dat : « De anti-Belgische propagandakwam meestal aan bod in het kader van onzebezorgdheid over het anti-pacifistisch klimaat inbepaalde kringen. Ik bracht het probleem meermaalster sprake, met positief resultaat. » (98b)

Een belangrijke aanvulling op de talrijke telexen en briefings die aan Brussel werden bezorgd is de nota van 26 januari 1994 van ambassadeur Swinnen aan de minister van Buitenlandse Zaken Claes waarin de ambassadeur een bilan opmaakt van de bilaterale relaties met Rwanda gedurende 1993. De nota werd opgesteld door diplomatiek medewerker Philippe Colyn. Het onderdeel over het aspect van de ontwikkelingssamenwerking werd geschreven door RobertSchriewer, chef van de afdeling coöperatie. Een hoofdstuk gewijd aan de militair technische samenwerking met Rwanda was van de hand van kolonel Vincent, chef van de militair-technische coöperatie en toegevoegd aan de ambassade als militair adviseur.

In de politieke beschouwingen van de ambassadeur lezen we : « Les diatribes antibelges des extrémistes actif au sein de la mouvance MRND-CDR, à l'occasion du déploiement de la Minuar, nous accusant fallacieusement d'abandon du pays et de complicité avec le FPR au contraire du véritable ami qu'est laFrance dont les troupes durent laisser la place à la Minuar, ne peut que nous conforter dans la justesse de notre approche, d'autant que les extrémistes récusant le processus d'Arusha ne reçurent pas le soutien escompté au sein de la population.

Cette manipulation de l'opinion au détriment de l'image de la Belgique ne devrait cependant pas être négligée, pas plus que ne doit être sous-estimé le danger potentiel que représentent les milieux extrémistes appuyés de plus par une partie de l'appareil d'État et par certains médias ainsi que par des milices comme les Interahamwe, pour le processus de paix et d'ouverture politique préconisé et soutenu par notre diplomatie. » (99b)

b) In België

Ambassadeur Swinnen verklaarde voor de commissie dat het kabinet van Buitenlandse zaken zijn eerste gesprekspartner was. Daarnaast werden ook bepaalde andere betrokken regeringsverantwoordelijken en hun departementen en diensten geïnformeerd over de politieke toestand in Rwanda. In dit hoofdstuk stelt de commissie vast dat de toenemende negatieve stemming tegen de Belgen en tegen hun aanwezigheid in de UNAMIR althans in extreme kringen een feit was.De commissie bevestigt het verslag van de ad hoc-groep Rwanda waarin gesteld wordt dat : « Benevens die specifieke dreiging waren UNAMIR en de Belgische UNAMIR-troepen, hoewel zij in het kader van een operatie 'peace-keeping' en niet 'peace-making' naar Rwanda waren gezonden, vrij vlug na hun aankomst ook het mikpunt van allerlei aanvallen en aanslagen ».

Het eerste incident vond plaats op 2 december 1993 waarbij een patrouille van UNAMIR in het noorden van Rwanda werd aangevallen en beschoten.

De commissie stelt evenwel vast dat de inschatting van de gebeurtenissen op uiteenlopende wijze gebeurde en dat ook hier de informatiedoorstroming vanuit Kigali naar de kabinetten verschillend is en de communicatie en de wisselwerking tussen de verschillende kabinetten enerzijds en de samenwerking met de militaire overheden anderzijds gebrekkig was.

Gevraagd naar de aandacht die de ministerraad besteedde aan de berichten over de dreigingen die ons land mocht ontvangen tijdens de operatie in Rwanda antwoordde premier Dehaene op de zitting van 26 juni : « Les opérations se font au niveau des départements concernés. Ils doivent voir s'il y a des éléments à transmettre au Conseil des ministres » (100b) In verband met de ernst van de dreiging stelde de premier : « Il n'y a pas eu de communication dans ce sens à cet époque. » (...) « A l'ordre du jour du Conseil des ministres, il y a toujours le point communication du ministre des Affaires étrangères. » (...) « Régulièrement, le ministre des Affaires étrangères fait une communication générale et informe le Conseil des ministres sur certains points. » De eerste minister voegde hier aan toe dat : « Il est vrai que M. Claes a régulièrement parlé, entre autres, des caches d'armes. Je travaille sur base de ce qui a été repris dans les notules. M. Claes a régulièrement parlé de deux choses, ses contacts avec les Nations unies pour renforcer le mandat et le fait que les caches d'armes étaient connues. » (101b)

En ook op de vraag wat Eerste minister Jean-Luc Dehaene tijdens de operatie zelf wist van de bestaande dreiging tegen de Belgische Blauwhelmen en of de minister van Buitenlandse zaken indertijd de telex van 11 januari 1994 waarin sprake is van de informatie van Jean-Pierre over een mogelijk uitroeiingsplan van de Tutsi's en een moordplan op de Belgen had voorgelegd op de Ministerraad antwoordde de premier : « Over dit specifieke, niet in mijn bijzijn . » (102b)

De heer Leo Delcroix, gewezen minister van Landsverdediging nuanceerde de berichten over de dreiging tegen de Belgische Blauwhelmen. Op basis van de gegevens waar hij indertijd de toegang tot kreeg stelde de gewezen minister dat men : « In België er op alle niveau's van overtuigd was dat er geen acuut gevaar was. Sommige informanten, zoals kolonel Vincent hadden goede contacten met de militaire overheid en met de Rwandese gendarmerie. Volgens al die informanten genoten wij van de nodige credibiliteit. Er is geen enkele situatie geweest waarbij Belgische militairen in levensgevaar hebben verkeerd. Voor april zijn er nooit gewonden of doden gevallen. De situatie in Kigali werd in Evere niet als acuut gepercipieerd. Bovendien krioelde het in Kigali van Belgische journalisten en cameramensen. Ik heb van hen nooit gehoord dat er gevaar dreigde. Er was dus een harde kern van extremisten waarvan we de slagkracht hebben onderschat. Ik ben het daarom eens met kolonel Vincent waar hij zegt dat het anti-Belgisch klimaat vooral een instrument was dat op het politieke niveau werd gehanteerd. » (103b)

De heer Delcroix situeerde het anti-Belgicisme in extremistische en anti-pacifistische milieus : « In extreme kringen waren er inderdaad een aantal personen die geen machtsdeling wensten en die de Arusha-akkoorden boycotten. Ze uitten ook hun ongenoegen over de Belgische houding in het verleden. Het is echter niet juist om deze mening van extreme groepen op de hele bevolking van Kigali en Rwanda te projecteren. » (104b)

Later zal de heer Delcroix op de zitting van 18 juni 1997 erkennen dat : « Op uw vraag wat er niet gefunctioneerd heeft, moet ik antwoorden dat wij allemaal, zowel de politici als de militairen hier, in New York en Kigali, een verkeerde inschatting hebben gemaakt van de krachten rond extremistische Hutufiguren. » (105b)

De minister kon zich tijdens de operatie in Rwanda op basis van de documenten die hem werden bezorgd een beeld vormen van de omvang van de Belgische dreiging. De heer Delcroix, hierover : « De meeste dreigementen stonden vermeld in de telexen van de ambassade. Daarnaast waren er ook vermeldingen in de SGR-verslagen. (...) Vooral de verslagen vanuit de ambassade verwoordden de dreigementen terwijl de SGR-verslagen een eerder relativerende toon hadden. (...) De bedreigingen werden dan ook gerelativeerd, zeker van militaire zijde. » (106b)

Tijdens zijn laatste verhoor door de commissie op 18 juni zal de heer Delcroix herhalen : « Vooral de verslagen vanuit de ambassade verwoordden de dreigementen terwijl de SGR-verslagen een eerder relativerende toon hadden. Het kabinet en de generale staf hadden de indruk dat de bedreigingen eerder moesten worden geïnterpreteerd als aankondigingen. In negen van de tien gevallen kwam er van de aangekondigde actie niets in huis. » (107b) Op de vraag hoe de gewezen minister had gereageerd op het verslag van 2 februari 1994 waarin aanvallen op de Belgische troepen worden vermeld antwoordde de heer Delcroix dat : « Men moet de documenten van de SGR altijd in hun totaliteit lezen. (...) Het belangrijkste in de documenten van de SGR is echter niet de informatie, niet het eerste gedeelte, maar wel het tweede, namelijk de commentaren. (...) De informatie die wordt aangehaald, moet men in een bredere context zetten. In het tweede deel wordt de informatie gerelativeerd. (...) Het is dus een beetje geven en nemen, zodat er bij het ontvangen van het document ook niet meteen algemeen alarm is geslagen. (...) Nog vóór de heer Hock zijn rapport had bezorgd, had kolonel Vincent reeds demarches gedaan bij de twee chefs van de generale staf. Zowel de heer Claes als ikzelf begonnen ons toen vragen te stellen over de impasse. In dezelfde periode werden ook de bezoeken vastgelegd. (...) We wilden kijken hoe ernstig de dreiging was en hoe de soldaten ter plaatse dit alles aanvoelden. Wij hebben de informatie dus genoteerd, maar noch door politici, noch door militairen, noch in Evere, noch in Kigali, werd er groot alarm geslagen (...) In Rwanda werd er aangekondigd dat er iets zou gebeuren, maar de bewuste datum ging voorbij zonder dat er echt iets gebeurde. Er werden dus zeer veel loze dreigingen geuit. (...) In Rwanda voelde men de situatie niet echt als bedreigend aan. Ook tijdens mijn bezoek hebben de militairen ter plaatse dat gezegd. » (108b) « Globaal gesteld waren er zowel verontrustende als relativerende berichten. Achteraf bekeken kom ik ook tot het besluit dat we de zaak hebben onderschat » (109b).

De heer Leo Delcroix verduidelijkt zijn toenmalige onderschatting van de anti-Belgische campagne en de risico's voor de Belgen in Rwanda onder meer door te stellen dat hij niet naar Kigali zou zijn vertrokken indien er een vijandig klimaat tegen de Belgen bestond : « Het zou niet in ons opgekomen zijn een delegatie van 65 personen daar vier dagen te laten verblijven, als wij hadden geweten dat er voor ons als Belgen een groot gevaar dreigde of als we verwachtten dat er elke dag zware incidenten of een genocide hadden kunnen uitbreken. Ook ter plaatse kan ik mij niet herinneren dat de delegatieleden het gevoel hadden zich in een risicovolle situatie te bevinden. In de briefing aan de deelnemers werd erop gewezen dat er in de loop van de weken voordien enkele moorden en incidenten waren geweest, dat er wapens werden uitgedeeld aan de bevolking, dat er opleidingskampen waren voor milities, dat er incidenten waren tussen het RPF en de president, dat de Belgische Blauwhelmen het voorwerp waren van kritiek, dat Dallaire Afrika onvoldoende kende, dat er spanningen waren binnen de UNAMIR. » (110b)

Ook tijdens zijn verblijf had minister Delcroix niet de indruk dat de Belgen in Rwanda een bijzonder gevaar liepen. De heer Delcroix : « Alle leden van onze delegatie (...) hebben daar in alle vrijheid kunnen rondlopen, ook 's avonds. (...) Zo risicovol was de situatie dan ook weer niet. Er gebeurden uiteraard ook wel gewelddadigheden, zowat overal in Rwanda. Ook was het algemeen bekend dat er doodseskaders bestonden. » (111b) « Ik herinner mij bijvoorbeeld een gesprek met mevrouw Agathe, de eerste minister. (...) Zij heeft gezegd dat er weliswaar vanuit beperkte hoek kritiek kwam op de Belgische militairen, maar dat dit streng beperkt bleef tot de CDR, MRND en de Interahamwe. Het was geen veralgemeend gevoel dat leefde in andere partijen of bij de bevolking ». (112b)

Desalniettemin zal de heer Delcroix tijdens zijn verblijf in Rwanda in een onderhoud met de president vragen dat deze : « een domper laat zetten op het anti-Belgisch gestook van een radiozender die blijkbaar vanuit zijn invloedssfeer opereert. « De liefde kan nooit van één kant alleen komen » zei de heer Delcroix, die veklaarde dat hij Habyarimana « onder vier ogen zijn waarheid zegde » (113b). Tijdens de zitting van 18 juni 1997 zei Delcroix hierover : « Nadat we daarover hadden gesproken hebben we over Radio Mille Collines gesproken; ik heb dat onderwerp aangebracht. Zowel voor onze militairen als voor de politieke en publieke opinie in België was het een steen des aanstoots dat die radio systematisch tegen de Belgen, de militairen en de diplomatie, op hatelijke wijze van leer trok. Ik heb hem gevraagd om zijn invloed aan te wenden om dat te temperen en terug in goede banen te leiden ». (114b)

Gevraagd naar de stappen die de minister had gezet na ontvangst van de nota van SGR van 2 februari 1994, waarin onder meer de informatie van telex 32 van 13 januari 1994 was opgenomen, antwoordde de heer Delcroix dat de nota weliswaar besproken was op zijn kabinet : « Wellicht heb ik dat eerst beproken met mijn kabinetschef. Natuurlijk wordt dan de hele nota doorgenomen, ook het relativerend gedeelte. Wat ik wel weet is dat wij toen geen groot alarm hebben geblazen, dat wij zeker niet in paniek zijn geslagen vanuit de schrik dat de Belgische soldaten in acuut gevaar verkeerden. Dat was zeker niet het gevoel dat wij toen hadden. » (...) « Dat gevoel was er ook niet in Evere, op Quatre Bras of in New York. Waarschijnlijk hebben wij ons allemaal samen vergist, op al die verschillende plaatsen. » (115b)

Ondanks eerdere verklaringen in de RTBF-documentaire uit 1996 : « Les Oubliés de Kigali » waar Delcroix stelde niet op de hoogte te zijn van de informatie van Jean-Pierre via telex 32 : « Wel dat rapport denk ik niet dat ik gelezen heb, ik herinner mij dat toch niet, en het is ook niet zo dat generaal Dallaire ons daar rechtstreeks over gesproken heeft . » (116b) Verklaarde de gewezen minister van Landsverdediging op de zitting van 18 juni 1997 dat hij : « Ik vermoed van wel, zeker telex nummer 32 van 13 januari . » (117b)

Deze informatie werd reeds eerder bevestigd door luitenant-generaal Schellemans, de gewezen kabinetschef van Delcroix, die op 12 maart 1997 voor de bijzondere commissie verklaarde : « Voor zover ik mij herinner zijn er berichten van een zekere Jean-Pierre op het kabinet terechtgekomen... volgens mij heeft de minister die berichten gelezen. » (118b) De gewezen kabinetschef die voor de minister de relevante boodschappen uit de Intsums en Intreps rapporteerde, zei dat : « de minister de bewuste nota van 11 januari moest gezien hebben. » (119b)

« Ik heb inderdaad rapporten van de bewuste informant gezien. Er werd hierover geen fiche opgemaakt, omdat de minister de documenten die ik had gezien ook in zijn bezit kreeg. » (120b)

Luitenant-generaal Schellemans bevestigt de appreciatie van zijn minister betreffende het belang van de berichten over de dreiging tegen de Belgische Blauwhelmen :

Schellemans verklaarde : « Het kabinet was op de hoogte van berichten over anti-Belgische uitspraken en acties. Deze berichten werden echter nooit zo alarmerend geacht dat men dacht aan moorden of genocide. We kregen inlichtingen over bedreigingen, maar die werden niet als zeer gevaarlijk ingeschat. In tegenstelling tot Somalië waren er in Rwanda nog geen doden of gekwetsten gevallen bij de Belgische Blauwhelmen. Uiteraard dreigde RTLM met acties. » (121b)

« Er zijn verschillende briefings met de minister gehouden op verschillende echelons. Het anti-Belgische klimaat is nooit ter sprake gekomen. »

Ook tijdens zijn tweede hoorzitting op vrijdag 18 april 1997 ging voormalig minister Willy Claes dieper in op het al dan niet bestaan van een anti-Belgisch klimaat in Rwanda na 19 november 1993. Volgens de minister : « bestond er gevaar, maar het is niet realistisch te gewagen van een algemeen anti-Belgisch klimaat » (122b). Nog steeds volgens de gewezen minister moesten de anti-belgische aanvallen toegeschreven worden aan : « een kleine politieke partij, het CDR, en de Interahamwe » (123b).

(3) Andere informatiestromen

Ter bevestiging van de getuigenissen die werden aangebracht door de Belgische officieren die deel uitmaakten van UNAMIR en van de getuigenissen van politici stelt de commissie vast dat daarnaast ook andere autoriteiten getuigden van een toenemend anti-belgisch klimaat althans in extremistische Hutu kringen tegen de Belgische aanwezigheid in het algemeen en de deelname van Belgische blauwhelmen aan UNAMIR in het bijzonder.

Gevraagd naar de inschatting van de dreiging tegen de Belgen in het algemeen en de Belgische blauwhelmen in het bijzonder bevestigden een aantal getuigen de risico's en de gevaren waar de Belgen werden aan blootgesteld.

­ Alison DesForges (Human Right Watch), daarentegen, getuigde dat er wel degelijk aanwijzingen waren over een bestaande campagne tegen de Belgische deelname aan UNAMIR :

« Zodra UNAMIR in Rwanda was aangekomen had ze met moeilijkheden te kampen. Een vrachtwagen van het Belgische rode Kruis werd onder vuur genomen en op 2 december werden Belgische para's van UNAMIR een eerste keer aangevallen. (...)

Op dat ogenblik zwelt ook de haatcampagne tegen de Tutsi's, de politieke opposanten en de Belgische troepen van UNAMIR aan. U heeft daar wellicht reeds de bewijzen van gezien. De pornografische en gewelddadige karikaturen van de Belgische militairen in de kranten van die periode is echter een bijkomend element. Daarnaar wordt overvloedig verwezen in het werk van Jean-Pierre Chrétien en zijn medewerkers. » (124b)

­ Mevrouw Astri Suhrke, rapporteur van « The joint evaluation of emergency assistance to Ruanda » :

« Er waren zowel anti-Belgische als anti-UNAMIR-gevoelens. Uit verschillende bronnen blijkt duidelijk dat er een anti-Belgisch gevoel heerste. Het is echter moeilijk de beide soorten gevoelens uit elkaar te houden ».(125b)

­ Leonidas Rusatira, brigadegeneraal van de FAR, herinnerde tijdens zijn ondervraging door de commissie aan de weigering van België om in 1990 wapens te leveren.

« Effectivement, en 1990, j'ai été hostile au retrait de la Belgique, des troupes belges mais ce n'était pas hostile à la Belgique. Si donc je souhaitais qu'ils restent, ce n'est pas de l'hostilité. Chez les Rwandais, en général, le même sentiment régnait pour que la Belgique se retire. En 1990 ce n'était donc pas de l'hostilité puisqu'on voulait que la Belgique reste et qu'elle laisse passer nos munitions.

La décision de l'époque a été prise mais il est clair qu'on avait cherché des solutions de rechange pour faire rencontrer au Rwandais pour arrêter les combats et pour arrêter ainsi les soupçons du pays.

S'il y avait le rejet de cette solution, pourquoi la guerre s'arrête. Ce ne sont pas mes militaires qui auraient préféré la guerre, la solution que la Belgique était en train de chercher était, si elle avait été atteinte, la meilleure, malheureusement elle n'a pas réussi et la guerre a continué. »

« Er was geen anti-Belgisch gevoel maar wel een anti-UNAMIR klimaat en iedereen wist dat de Belgische Blauwhelmen die stoottroepen waren van UNAMIR. Zonder hen stelde UNAMIR niets voor en hadden de Rwandezen de handen weer vrij. »(126b)

­ Francois-Xavier Nsanzuwera, gewezen procureur van de Rwandese Republiek nuanceerde de bestaande dreiging tegen de Belgen door aan te geven dat er : « wel een anti-Belgische campagne (MRND, CDR, RTLM) was, maar er heerste geen algemeen anti-Belgisch klimaat ».(127b)

Daarnaast noteerde de commissie ook de verklaring van mevrouw Rika De Backer, gewezen minister die naar eigen zeggen geen anti-Belgische gevoelens had opgevangen :

« U mag toch niet vergeten dat ik net uit Rwanda was teruggekeerd en dat ik er had gesproken met mensen van de MRND, van de MDR, van de PSD, van de PL, en eigenlijk met zowat iedereen van laag tot hoog. Bij die gesprekken heb ik helemaal niet ontdekt dat er een grote antipathie zou hebben bestaan tegen de Belgische Blauwhelmen. (...) Ik was er dus heel gerust in dat de meeste mensen van de MNRD en de MDR op dat ogenblik niet tegen de blauwhelmen gekant waren. (...) Hoe hoger op de ladder van de verantwoordelijken, hoe minder kritiek er werd geuit op de UNAMIR en de Belgen . (...) Dat waren de eerste gegevens over wrijvingen tussen de Rwandese bevolking en de UNAMIR, waarvan ik toen kennis kreeg ­ let wel, ik zeg wel degelijk de UNAMIR en niet de Belgen. Toen heb ik tevens ontdekt dat Radio Mille Collines ijverde voor de terugtrekking van de UNAMIR-troepen uit Kigali. (...) Toen ik daar was, waren ook minister Claes, minister Derycke en iets later minister Delcroix en oud-minister Wilfried Martens daar. Iedereen spreekt met iedereen. Als er al een duidelijk anti-Belgisch klimaat zou heersen, zouden deze personen dat toch zeggen. Niemand sprak hierover. (...) Een persoon als ambassadeur Swinnen gaat het toch niet in zijn hoofd halen van drie à vier ministers ­ als je Martens erbij rekent ­ naar Rwanda te roepen als daar inderdaad zo een anti-Belgisch klimaat heerst. » (128b)

3.3.3. De operationele problemen

De Belgische deelname aan de UNAMIR-operatie ging gepaard met tal van operationele en logistieke problemen. Het merendeel van deze problemen kwam reeds vroegtijdig aan het licht, met name van bij de aanvang van de operatie, onmiddellijk na de ontplooiing van de Belgische manschappen. De commissie stelt vast dat hoewel deze problemen meestal tijdig en vaak zelfs meerdere malen aan de militaire overheden in Brussel werden gemeld en er na een bezoek ter plaatse ook twee inspectieverslagen werden over opgesteld, respectievelijk op 31 januari 1994 van de hand van majoor Guérin en op 25 februari 1994 opgesteld door generaal-majoor Uytterhoeven, de problemen zelf grotendeels onopgelost bleven toen de dramatische gebeurtenissen van 6 en 7 april 1994 zich voordeden.

De commissie geeft hierna een overzicht van de voornaamste van deze logistieke en operationele problemen, waarbij ook telkens wordt nagegaan wanneer en hoe deze door de verschillende niveaus van bevelvoering van UNAMIR of door de generale staf, meer bepaald door het operationeel centrum te Evere (C Ops.), werden behandeld, en in voorkomend geval waarom de problemen niet werden opgelost.

3.3.3.1. De vraag naar bijkomende munitie

Uit bijna alle getuigenissen van Belgische officieren blijkt dat op 7 april geen operatie kon worden opgezet om de groep Lotin te ontzetten, onder meer omdat zware munitie ontbrak, en ook de CVRT's ­ voor zover ze inzetbaar waren ­ niet beschikten over de gepaste munitie. Ook het rapport Guérin van 31 januari 1994 vermeldt expliciet de noodzaak van zware bewapening voor de beveiliging van de luchthaven en de eventuele evacuatie naar deze luchthaven. In zijn rapport stelt hij : « het zou wenselijk zijn zeer dringend een dotatie zware munitie te prepositioneren te KIBAT ».

De eerste vraag die rijst is wie bevoegd was om te beslissen over de dotatie en het soort munitie, bestemd voor UNAMIR.

Kolonel Marchal stelde de vraag voor bijkomende munitie aan C Ops in Evere voor het eerst op 15 januari 1994 en stuurde een nota met dit zelfde verzoek aan generaal Dallaire op 20 januari, waarop hij verklaarde een positief antwoord gekregen te hebben en dit te hebben doorgezonden aan Brussel. Op 28 januari herhaalde Marchal zijn dringend verzoek om bijkomende zware munitie en voegde er de zeer dringende vraag naar de kostprijs aan toe, op verzoek van de Force Commander. Op dit document stond naast de stempel van C Ops, het woord « dringend » vermeld. De noodzaak van bijkomende zware munitie werd bevestigd door het rapport van majoor Guérin, dd. 31 januari 1994.

Toch diende kolonel Marchal nogmaals aan te dringen op deze munitie, hetgeen hij deed in een nota van 14 maart. Hij vroeg naar de redenen die de verzending verhinderden en vroeg nogmaals het munitiedossier « DRINGEND » te behandelen.

De eerste effectieve actie van C Ops bestond uit een fax van 28 maart 1994, gericht aan de divisie logistiek, waarbij opdracht werd gegeven tegen 20 april een hoeveelheid munitie 30 mm te leveren voor KIBAT II.

Waarom heeft men in Evere zo lang getalmd alvorens te beslissen tot een effectieve actie, die reeds met aandrang was gevraagd door de sectorcommandant op 15 januari en die pas uitgevoerd werd op 20 april ?

Luitenant-generaal Charlier verklaart : « Ik werd pas midden maart op de hoogte gebracht van de problemen inzake bewapening. Op 15 januari zegt kolonel Marchal ons dat hij van plan is munitie te bestellen via de VN-procedures. De VN moeten op de hoogte worden gebracht want Kigali is een zone waar wapens in beslag werden genomen en omdat de terugbetaling van de kostprijs een voorafgaand akkoord vergt. Op 28 januari meldt de kolonel ons dat generaal Dallaire niet tegen deze aanvraag gekant is maar dat hij de kostprijs ervan wil kennen. Wij delen hem die mee. » (129b)

Niettemin blijkt uit een nota van kolonel Marchal van 22 april 1997 dat de stafchef reeds veel vroeger op de hoogte was van het probleem van de munitie : « Major Guérin m'a dit, à cette occasion, avoir donné le 7 février 1994 un briefing, à JS et GS et d'autres officiers, sur le contenu de son rapport. En ce qui concerne la problématique des munitions, toujours d'après le Major Guérin, JS aurait demandé à l'EMG d'évaluer la possibilité militaire et politique d'envoyer les munitions demandées et aurait désigné le LtCol Briot comme pilote du dossier. » (130b) (131b)

Admiraal Verhulst van zijn kant verklaart : « Dallaire heeft zich hiertegen niet verzet en vroeg om de aanvraag te doen in New York. Op 28 januari stuurde de commandant een fax naar C Ops om te melden dat hij munitie vroeg en om de kostprijs hiervan te kennen. Het is pas op 14 maart dat hij er zich over verbaast geen munitie ontvangen te hebben terwijl tijdens die tussenperiode de verbindingen met Kigali normaal bleven en er ter plaatse bezoek was van de minister van Buitenlandse Zaken en luitenant-generaal Uytterhoeven. Op 15 maart wordt telefonisch overeengekomen dat de commandant van de strijdkrachten de aanvraag die op 28 januari werd aangekondigd zal indienen. C Ops vraagt diezelfde dag om de bestelling te noteren, maar er komt geen reactie van de autoriteiten ter plaatse en er is evenmin een aanvraag van New York of Kigali. Uiteindelijk wordt de bestelling met het eerste vliegtuig, hetzij op 20 april, meegestuurd ... Wij hadden een wapenzending gepland voor 20 april. Wij hoopten dat wij ondertussen instructies zouden krijgen van New York. » (132b) Naast het ontbreken van de toelating van New York wijst hij erop dat het verzoek « bij C Ops is blijven liggen, wellicht wegens een intern hiërarchisch probleem . » (133b)

Ook luitenant-kolonel Briot wijst op het probleem van het ontbreken van de toestemming van New York om de wapens te leveren : « L'état-major est prêt à fournir les munitions demandées et à donner les directives ad hoc ­ c'est-à-dire, à l'intérieur des forces armées ­ mais a demandé au commandant de secteur d'obtenir l'approbation du force commander, c'est-à-dire le général Dallaire » (134b) ... « Mes déclarations, et celles des autres officiers qui ont été entendus par cette commission, montrent que tout le monde est d'accord sur ce point : nous n'avons jamais été les destinataires de l'accord du général Dallaire. » (135b)

Het argument als zou New York geen toelating geven of hebben gegeven wordt ten eerste weerlegd door de verklaring van generaal Dallaire zelf, die ontkent dat er vanuit zijnen hoofde of vanuit het VN-hoofdkwartier te New York enige weerstand bestond tegen de levering van bijkomende munitie zoals gevraagd door kolonel Marchal : « (...) the supply of ammunition, arms and other equipment is the responsability of the State contributing the contingent (...). The Force Commander directed Colonel Marchal to deal directly with Belgium on ammunition as the UN did not possess, nor could it likely obtain from other Governments the necessary arms and ammunition in a timely fashion. » (136b)

Kolonel Marchal is formeel : « Le Force Commander avait donné son autorisation au mois de janvier. ­ Vraag : Cette autorisation figure-t-elle dans le rapport du 15 janvier ? ­ Non. Le fax du 15 janvier signale que je dois encore introduire la demande au Force Commander. Cette demande je l'ai introduite à l'aide du document que j'ai sous les yeux, daté du 20 janvier. Quelques jours plus tard, le général Dallaire m'a répondu en apposant sur ce document la mention « d'accord ». Ce document, je l'ai transmis à Bruxelles, et je ne l'ai retrouvé nulle part, tout comme j'en ai d'ailleurs envoyé d'autres que je n'ai trouvé nulle part non plus. Ici, je n'ai pas indiqué de chiffres intentionnellement car j'estimais que le Force Commander devait se prononcer sur un principe. J'ai également envoyé un document reprenant les quantités par type de munitions. C'est un document que j'ai envoyé et que je n'ai retrouvé nulle part non plus. Le Force Commander avait donc donné son accord fin janvier, très rapidement après cette note du 20. Son principe était le suivant : c'est un problème national; si le pays veut renforcer le détachement au moyen de munitions, c'est son problème, et c'est à lui de veiller à l'acheminement des munitions . » (137b)

Ten tweede wordt uiteindelijk toch beslist de munitie te sturen zonder de toelating van New York. Luitenant-generaal Charlier getuigt : « aangezien de aanvraag van de VN nooit bij de staf is aangekomen, heb ik de munitie laten versturen zonder daarop te wachten. Ik vond dat het spelletje lang genoeg had geduurd », hetgeen door luitenant-kolonel Briot bevestigd wordt : « Parce que le 15 mars, le colonel Marchal avait demandé : « Où restent mes munitions ? » C'est une décision du chef d'état-major qui estime que cela suffit et qu'il prend le risque de les envoyer. » (138b)

Daarenboven blijkt : « De plus, je voudrais signaler que le même cas s'est produit en Yougoslavie; sauf erreur de ma part, c'est avec Belbat-3, où on a envoyé des munitions sans autorisation de l'ONU. » (139b)

Dat de werking van het C Ops mank liep, blijkt ook uit het volgende voorbeeld. Begin december 1993 werden er 396 stuks zware munitie « discreet » naar Kigali gevlogen. Volgens admiraal Verhulst ging het om een vergissing en besloot hij ze ter plaatse te laten (140b). Luitenant-kolonel Briot verklaart daarentegen dat deze munitie bewust werd toegevoegd voor de veiligheid van het detachement (141b). In een latere getuigenis geeft luitenant-kolonel Briot echter toe dat KIBAT ter plaatse niet over de geschikte mortieren beschikte om deze munitie af te vuren (142b).

De commissie stelt vast dat er zich binnen de werking van het C Ops ernstige problemen voordeden, hetgeen door verschillende stafofficieren die aan dit C Ops verbonden waren, bevestigd wordt.

Waren de minister van Landsverdediging of zijn kabinet op de hoogte van deze problemen op het C Ops, en van de problematiek van de extra munitie in het bijzonder ?

Volgens het koninklijk besluit van 19 december 1989 « houdende organisatie van de generale staf » is de stafchef (JS) eindverantwoordelijke voor de leiding van de operaties, met inbegrip van de leiding van het operatiecentrum, en afgeleid daarvan voor de problematiek van de extra munitie. Luitenant-generaal Charlier verklaart : « Wat de munitie betreft, herhaal ik wat ik reeds onder ede verklaarde, namelijk dat ik pas medio maart over de problemen werd ingelicht. De generale staf kon er dan ook niet vroeger met de minister over praten. » (143b) Minister Delcroix stelt zelf in alle duidelijkheid : « Het is niet de minister, die geen specialist is inzake defensieproblemen, die over de uitrusting van de manschappen moet beslissen. Dat is de verantwoordelijkheid van de generale staf. » (144b) Generaal Schellemans bevestigt : « Het probleem van de munitie is een bevoegdheid van de generale staf en is nooit op het kabinet gesteld. » (145b)

3.3.3.2. De gebrekkige bewapening van de manschappen ter plaatse en de moeizame verdeling van wapens en munitie

De vraag kan worden gesteld of het normaal is dat het peloton dat als reserve dient en bovendien permanente escorteopdrachten moet uitvoeren zonder MAG-machinegeweren rondreed ? Overeenkomstig de ROE diende men zich bij wettige zelfverdediging te beperken tot afzonderlijke schoten. Voor het gebruik van mitrailleurs en zwaardere wapens was de toestemming van hogerhand nodig. Daarom vaardigde kolonel Dewez, de commandant van KIBAT II als richtlijn uit dat de MAG's op de jeeps in de lucht dienden te worden gericht en men individueel een wapen (bijvoorbeeld een FNC) bij de hand diende te houden dat schot per schot kon vuren om zichzelf mee te verdedigen (146b). « En ce qui concerne les MAG, l'ordre donné n'a jamais consisté à ne pas les prendre dans les véhicules mais bien de faire attention car il s'agit d'armes agressives et, dans la mesure où nous devions travailler de façon calme dans les checkpoints, il nous était demandé de ne pas les mettre en batterie sur les véhicules. Ce soir là, je me souviens très bien avoir insisté auprès de ma compagnie sur le fait qu'il n'était pas question de laisser les MAG en arrière et qu'elles devaient partir avec les véhicules dans tous les déplacements effectués dans les camps où nous remplissions une mission; en cas de besoin, les MAG étaitent sorties. Pour moi, c'était évident », zo interpreteerde compagniecommandant Kapitein Lemaire de richtlijn (147b).

Volgens kapitein Marchal, eveneens compagniecommandant luidde het bevel van de bataljonscommandant dat hij geen mitrailleurs meer wou zien. Na protest interpreteerden ­ naar het zeggen van kapitein Marchal ­ de compagniecommandanten het bevel dan maar letterlijk : de machinegeweren bleven in de voertuigen, op voorwaarde dat ze niet zichtbaar waren (148b). Lag een andere interpretatie van die richtlijn aan de oorsprong van het feit dat Lotin zijn MAG's niet mee had op de bewuste dag ? Of was dit het gevolg van het ontbreken van de nodige affuiten zoals het verslag van de werkgroep ad hoc suggereert ? (149b) Kolonel Dewez bevestigt tijdens zijn confrontatie met kapitein Theunissen de laatste hypothese : « Les mitrailleuses ne pouvaient pas être montées sur les affûts parce qu'il manquait une pièce. J'avais demandé aux compagnies de me donner cette pièce puisqu'elles en avaient et que les Mortiers n'en avaient pas. Donc, il y avait plus de problèmes pour eux pour monter les mitrailleuses sur les jeeps qu'il n'y en avait au peloton Mortier, qui avait reçu ces pièces. » (150b) Volgens kapitein Lemaire, compagnie-commandant, werden er vanaf het begin affuiten geïnstalleerd (151b). Hoe dan ook, de vraag rijst waarom kolonel Dewez in de nacht van 6 op 7 april toen het rood alarm werd afgekondigd zijn bevel « dat de machinegeweren niet mochten worden gezien » niet introk.

En hoewel dat rood alarm werd afgekondigd en in de nacht van 6 op 7 april steeds meer wegversperringen werden opgetrokken waarbij de FAR lichte pantservoertuigen, minstens twee AML, ontplooiden, werd ook geen bevel gegeven of vroeg niemand de toestemming aan het hoofdkwartier om de anti-tankraketten voor de korte afstand (LAW) en de munitie voor de mortieren onder de manschappen te verdelen. Zij bleven op het logistiek centrum Rwandex liggen. Volgens kolonel Dewez was het juist wegens de versperringen onmogelijk om ze te gaan halen, en bovendien was er op dat ogenblik « pas de motif de distribuer ces LAW » (152b). Het is pas op 15 en 16 april dat de LAW's werden verdeeld, omdat volgens kolonel Dewez « Les LAW ont été distribués plus tard, en fonction de l'évolution de la situation. Nous ne voulions plus être confrontés à la même impuissance que quand, le 7 au matin, nous avons été sous la menace d'AML. » (153b)

Kolonel Marchal stelt dat er een procedure bestond binnen het bataljon, waarbij elk kantonnement gedurende een aantal dagen autonoom diende te kunnen opereren ook inzake munitie. Hij verklaart dat hij van zijn kant geen richtlijnen heeft verstrekt m.b.t. het kaliber van de munitie dat daarbij mocht worden verdeeld. « Het is de bataljonscommandant die geoordeeld heeft dat geen LAW's mochten worden gebruikt . » (154b) Nochtans was het volgens een van de pelotonscommandanten, luitenant Lecomte, zo dat de sector constant tussenkwam inzake verdeling van munitie (155b).

Deze problemen beperkten zich blijkbaar niet tot de verdeling van de zwaardere wapens en munitie. Ook inzake de lichtere bewapening noteert de commissie een aantal klachten.

« De soldaten », aldus luitenant Lecomte, « hadden een ontstellend gebrek aan munitie aangezien wij over slechts 120 kogels per karabijn beschikten, terwijl wij er in Somalië 200 hadden. Bovendien was het ons verboden onze automatische wapens te gebruiken, waardoor wij in geval van een schermutseling niet efficiënt konden reageren . » (156b)

Over de vraag of er los van de problemen die zich stelden voldoende munitie in Kigali beschikbaar was, zijn de meningen niet eenduidig. Korporaal-chef Pierard antwoordt ja op de vraag of er nog voldoende wapens en ander militair materieel aanwezig was om in gevechtsklare toestand in Kigali te blijven (157b). Majoor Choffray daarentegen die tijdens de UNAMIR-operatie als S3 bij KIBAT II verantwoordelijk was voor de operaties, stelt : « le bataillon disposait d'un armement et d'un personnel qui étaient déjà tout justes au niveau d'une opération « Peacekeeping », mais ne disposait sûrement pas d'un personnel ni d'un matériel permettant de gérer une situation de crise » (158b).

De commissie stelt vast dat majoor Choffray als verantwoordelijke voor de operaties op het niveau bataljon niet overging tot de verdeling van extra wapens en munitie. « On n'était pas encore dans une situation de crise et il n'y avait pas encore eu d'atteinte directe aux troupes de l'ONU » (159b) is het eerste argument van majoor Choffray, hetgeen wordt weerlegd door de vaststelling dat in de nacht van 6 op 7 april het rood alarm werd afgekondigd wat volgens de commissie wel degelijk wijst op een crisissituatie. « Wij hebben daaraan gedacht », zegt Choffray, « maar er was een probleem om ze naar de kantonnementen te brengen ... Wij hadden geen voertuigen om de versperringen (...) te doorbreken . » (160b)

Op de vraag waarom de CVRT's of de BTR's van RUTBAT niet werden gebruikt, komt geen duidelijk antwoord (161b). « Ce n'est pas la question d'utiliser, mais bien de distribuer. Ces LAW n'ont pas été distribués et sont restés centralisés à Rwandex pour les raisons que je vous ai dites. Il était de toute façon hors de question de les utiliser dans une pareille situation. Par ailleurs, nous avons reçu la mission de reprendre les missions, comme s'il n'y avait rien eu, le lendemain » (162b) is het tweede argument dat majoor Choffray gebruikt. De commissie stelt evenwel vast dat de ROE bepalingen, meer bepaald procedures bevatten m.b.t. de aanwending van deze wapens, niet m.b.t. de verdeling. Overigens vroegen verschillende officieren kort na 11 uur om deze munitie, dat kan de commissie althans opmaken uit het « Journal de campagne KIBAT » en uit het « Carnet de veille » (163b). Uiteindelijk zal ze toch verdeeld worden naar het zeggen van majoor Choffray : « Il a été décidé de les distribuer dans le courant de la journée. ­ Vraag : À quelle heure ? ­ Je ne peux pas vous le dire exactement, mais sans doute à la fin de l'avant-midi, dans la journée du 7. (...) Il en a été question et on a étudié le problème de leur récupération, parce qu'ils étaient tous centralisés au même niveau. Il y a d'ailleurs des véhicules du secteur qui, après les différents contacts entre le bataillon et le secteur, sont passés par Rwandex pour en récupérer. » (164b) De S3 was echter zelf niet overtuigd van het nut de LAW's in te zetten, want hij stelt : « Dans un premier temps, je sais que ces LAW auraient servi à dissuader. D'autres moyens pouvaient être employés si on devait, dans un premier temps, utiliser les armes. Il y avait donc une gradation. Jusqu'alors nous n'avions pas encore utilisé le fusil individuel . » (165b)

Voor de volledigheid van dit rapport vermeldt de commissie de evolutie van de situatie betreffende bewapening en munitie, zoals zij in volgend overzicht wordt weergegeven in het rapport van luitenant-generaal G. Vanhecke, stafchef van de Luchtmacht :

A. Begintoestand

Bataljons
­
Bataillons
Uitrusting
­
Équipement
Bewapening
­
Armement
Munitie
­
Munitions
Belgisch bataljon ­
Bataillon belge
Lichte voertuigen ­ Véhicules légers :
­ vrachtwagens ­ camions
­ jeeps ­ jeeps
­ 2 lichte helikopters ­ 2 hélicoptères légers
Per sectie Par section :
7 FNC
1 MAG
2 Minimi
Per peletoncomdt ­ Par Comdt peloton :
3 MILAN
1 Mor 60 mm
1 Mi.50
Bij het peleton Recce ­ Au peloton Recce :
8 MAG
Bij het stafbataljon ­ A l'EM bataillon :
2 Mi.50
geen/pas de Mor 81 mm
TOTAAL ­ TOTAL :
18 MILAN afvuurinstallatieposten ­ 18 postes de tir MILAN
10 mitrailleurs .50 ­ 10 mitrailleuses .50
LAW
Geen munitie MILAN ­ Pas de munitions MILAN
Geen munitie 30 mm ­ Pas de munitions 30 mm
Mortiermunitie bij vergissing geleverd ­ Munitions mortiers livrées par erreur
­ 2 CVR-T Scimitar 6 mortieren 60 mm ­ 6 mortiers 60 mm
­ 4 CVR-T Spartans 2 kanonnen 30 mm + MAG ­ 2 canons 30 mm + MAG
MAG coaxen ­ MAG co-axes

B. Kwalitatieve toestand en ontwikkeling

Belgisch bataljon

Data
­
Dates
Bron
­
Source
Toestand
­
Situation
Eind dec 93. ­
Fin déc. 93
Belgisch bataljon ­ Bataillon belge CVR-T voertuigen niet operationeel ­ Véhicules CVR-T non opérationnels :
­ bemanning niet opgeleid ­ équipages non formés
­ 30 mm munitie niet aanwezig ­ munitions 30 mm non présentes
­ voertuigen en pantsertorens niet operationeel ­ véhicules et tourelles non opérationnels
15 jan. 94 Kolonel Marchal ­ Colonel Marchal Verzoek aan FC om Mun + Kopie voor COps ­ Demande au FC pour avoir des Mum + Copie pour COps
Antwoord Dallaire : verzoek richten tot UNNY ­ Réponse Dallaire : introduire une demande à UNNY
19 jan. 94 Belgisch bataljon ­ Bataillon belge Verzoek voor het leveren van munitie C30 mm, MILAN-raketten en mortiermunitie ­ Demande pour livrer les munitions C30 mm, les missiles MILAN et les munitions mortiers Geen spoor bij COps ­ Pas de traces au COps
Ingeschreven bij GS3 op 8 maart 1994 ­ Inscrit chez GS3 à la date du 8 mars 1994
21 tot 28 jan. 94 ­
21 au 28 jan. 94
Maj. Guérin Verslag van het bezoek : verzoek om dringende levering van kanon 30 mm-munitie, MILAN-raketten en mortiermunitie ­ Compte rendu de la visite : propose de livrer d'urgence les munitions canon 30 mm, les missiles MILAN et les munitions mortiers Fiche Staf gericht tot JSO-P en GS3 op 31 januari 1994 ­ Fiche EM adressé à JSO-P et à GS3 le 31 janvier 1994
28 jan. 94 Kolonel Marchal ­ Colonel Marchal Vraag aan COps om kostprijs van munitie te kennen ­ Demande au COps pour obtenir le coût des munitions Deze nota schept verwarring. De kolonel vermeldt enkel de kosten ­ Cette note introduit la confusion. Le colonel ne mentionne que les coûts
31 jan. 94 COps Antwoord van kolonel Marchal ­ Réponse du colonel Marchal
16 feb. 94 ­
16 fév. 94
COps Vraag naar toestand van CVR-T in het Belgisch bataljon ­ Demande relative à la situation des CVR-T au bataillon belge
19 feb. 94 ­
19 fév. 94
Bezoek GSX aan het Belgisch bataljon ­ Visite GSX au bataillon belge
22 feb. 94 ­
22 fév. 94
Belgisch bataljon ­
Bataillon belge
Antwoord over operationele situatie van de CVR-T ­ Réponse relative à la situation opérationnelle des CVR-T
9 maart 94 ­
9 mars 94
Bezoek MLV aan Rwanda ­ Visite MDN au Rwanda
14 maart 94 ­
14 mars 94
Kolonel Marchal ­ Colonel Marchal Verzoek om dringend munitie te leveren ­ Demande pour livrer d'urgence les munitions
23 maart 94 ­
23 mars 94
Einde opdracht van contactteam dat CVR-T moest herstellen ­ Fin de la mission du contact team chargé de réparer les CVR-T
28 maart 94 ­
28 mars 94
COps Bevel om munitie te leveren ­ Ordre pour livrer les munitions Leveringsprocedure was gestart na herstelling ­ La procédure pour livrer les munitions n'à été entamée qu'à l'issue de la réparation
1 april 94 ­
1er avril 94
COps Aankondiging aankomst munitie met vliegtuig van 20 april 1994 ­ Annonce de l'arrivée des munitions avec l'avion du 20 avril 1994
7 april 94 ­
7 avril 94
Moord op de Belgische blauwhelmen ­ Assassinat des Casques bleus belges
10 april 94 ­
10 avril 94
Installatie CVR-T-munitie in het raam van SILVER BACK ­ Mise en place de munitions CVR-T dans le cadre de SILVER BACK

Het rapport Van Hecke (166b) stelt terzake :

« Le mandat manquait de clarté et permettait différentes interprétations du type de munitions autorisées. Il ne semblait pas exclure les mortiers et les armes lourdes. Le contingent belge est parti en opérations doté d'un armement et d'un équipement légers à l'exception de six véhicules blindés légers de type CVR-T. Les armes antichars de type MILAN furent emportées sans les missiles, le but étant de disposer de moyens performants de vision nocturne. Les deux véhicules CVR-T SCIMITAR ne disposaient pas de munitions pour les canons 30 mm. Le 19 janvier 1994, le Commandant de KIBAT a demandé les munitions lourdes. Ce besoin a été réitéré par le Major Guérin fin janvier 94 et par le Commandant du Secteur Kigali le 14 mars 1994. La procédure pour livrer les munitions n'a été entamée qu'à la suite de la réparation des CVR-T, soit le 23 mars 1994. Le 1er avril, le Centre opérationnel de l'État-major général annonçait l'arrivée des munitions avec l'avion du 20 avril 1994. Lors des événements, nos casques blues ne disposaient que d'un armement léger. La majorité des munitions était stockée à RWANDEX. Seule une dotation minimale individuelle était distribuée aux militaires. Partie ou totalité du basic-load n'était pas répartie dans les différents cantonnements. Dans ces conditions, la réserve de KIBAT II ne pouvait être engagée. »

Er was echter, zo stelt de commissie vast, niet alleen het probleem van de gebrekkige bewapening en munitie. Het materieel dat naar Rwanda was overgebracht, was veelal versleten. De UNIMOG-voertuigen waren doorgeroest, het transmissiemateriaal was onvolledig, enz.

3.3.3.3. De slechte staat van de CVRT's

KIBAT beschikte in Kigali weliswaar over 6 lichte pantservoertuigen van het type CVRT, maar uit nagenoeg alle getuigenissen blijkt dat deze voertuigen operationeel niet inzetbaar waren, omwille van hun erbarmelijke staat enerzijds, en het gebrek aan daartoe opgeleide bemanningen en gepaste munitie anderzijds.

Ook de stafchef van de landmacht (GS), luitenant-generaal Behrin windt er geen doekjes om : « Over de voertuigen zal ik een opmerking maken die de politici niet leuk zullen vinden. België is het enige Westerse land dat voor een operatie manschappen stuurt met rollend materiaal van meer dan twintig jaar oud. ... De eenheden die vertrekken voor een VN-opdracht nemen altijd hun materiaal mee. Het is immers moeilijk nadien te veranderen, omdat de VN-procedures zo zwaar zijn. De gebruikte voertuigen zijn inderdaad versleten. Wij hebben dat willen compenseren door meer mecaniciens mee te sturen ». (167b)

Ook het inspectieverslag van majoor Guérin, opgemaakt in januari en met de generale staf besproken op 7 februari 1994, is vernietigend wanneer hij het heeft over de toestand van de CVRT's : « Les véhicules sont très détériorés suite à la Somalie : suspensions grippées, corrosion, ... Le chargement des pièces de rechange dans les containers a été exécuté de façon hâtive et négligente : Mat fragile et coûteux écrasé, batteries retournées, ... Le Comd KIBAT a demandé au Det Jud d'ouvrir une enquête ». In dit zelfde verslag stelt de majoor tevens dat er een gebrek is aan specialisten om deze voertuigen inzetbaar te maken. Zowel voor de COAX-MAG als voor de C 30 mm kanonnen dient een zerotage uitgevoerd te worden, hetgeen de bemanningen ter plaatse, hoewel ze van goede wil zijn, onmogelijk kunnen uitvoeren. Bovendien zijn volgens hem slechts drie CVRT's van de zes rijwaardig. Op de vraag aan admiraal Verhulst wanneer deze wist dat drie van de zes CVRT's buiten dienst waren, luidde het antwoord : « Zodra ze ter plaatse waren » (168b).

Nochtans was er binnen het contingent ruimte om gespecialiseerde chauffeurs en kanonniers te sturen. Hierop zegt admiraal Verhulst : « Dat is een verwijt dat men niet aan C Ops kan maken. Die kwestie kon op een lager niveau geregeld worden » (169b).

De visie van admiraal Verhulst over de oorzaak van de slechte staat van de voertuigen is erg duidelijk : « Uit zuinigheidsoverwegingen heeft de staf van de landmacht voorgesteld zes voertuigen uit Somalië naar Rwanda over te brengen. Tien specialisten zijn naar Kismayo gestuurd met reserveonderdelen om de voertuigen opnieuw in orde te brengen. Na de reparatie en een proefrit op de weg zijn de pantservoertuigen naar Rwanda overgebracht. Het rapport van de specialisten onderstreept dat ze, wat bewapening en munitie betreft, in zeer goede staat verkeerden. Doordat ze niet opnieuw geverfd waren, oogden zij niet mooi maar ze waren wel operationeel. Reeds op 20 december hebben de mensen van de logistiek van de landmacht aan UNAMIR gevraagd wat hun diende te worden opgestuurd om de aan het vervoer te wijten schade te herstellen. Vóór 21 januari moest worden geantwoord. ... Op 21 januari zijn zeven personen vertrokken om de voertuigen opnieuw rijklaar te maken en specialisten in bewapening zijn omstreeks 21 februari vertrokken om de nodige regelingen te doen. Van dan af waren die voertuigen rijklaar en functioneerde de bewapening ervan » (170b)

Ook de stafchef, luitenant-generaal Charlier was zich van geen kwaad bewust : « De voertuigen kwamen uit Kismayo. Om zeker te zijn van de staat van de voertuigen hebben de manschappen die ze dienden te gebruiken ze opnieuw in orde gebracht. Zo waren wij er zeker van dat die voertuigen bruikbaar waren. Met het probleem van de staat van de voertuigen moet dan ook geen rekening worden gehouden » (171b).

Terwijl men op de generale staf en het C Ops te Evere blijkbaar sinds eind februari overtuigd was dat met de CVRT's alles in orde was, spreekt de getuigenis van de officieren ter plaatse dit tegen. Majoor Choffray getuigt : « Les deux CVRT disponibles étaient effectivement à l'aéroport. On sait dans quel état ils étaient au niveau de l'équipage et de l'armement. Pour ces raisons, ils n'ont pas été utilisés » (172b). Kolonel Marchal bevestigt dit : « Non, les CVRT n'étaient certainement pas dans le même état » (173b). Ils avaient un autre armement et d'autres munitions » (174b) .

In de commissie kwam ook meermaals de vraag aan bod waarom door de generale staf of C Ops het detachement niet werd vervolledigd met gespecialiseerde bemanningen. Er was immers nog net voldoende ruimte binnen het contingent om deze manschappen naar Kigali te zenden.

Wanneer een commissielid aanhaalt dat er altijd ruimte is geweest voor 22 extra manschappen, antwoordt luitenant-kolonel Briot laconiek : « Dat is een ander probleem », waaraan kolonel Flament toevoegt : « Dans mon rapport de reconnaissance, je disais également qu'il était indispensable ­ je l'avais même souligné ­ de prévoir un peloton de génie, que nous n'avons pas eu non plus » (175b).

De commissie stelt vast dat deze rupsvoertuigen van een verschillend type waren (vier Spartans en twee Scimitars), en op zich geen inzetbare eenheid vormden. Deze voertuigen waren bestemd om de Rwandese autoriteiten en andere autoriteiten te vervoeren, en waren eerder beveiligde wachthokjes (176b). De twee Scimitars werden, evenwel zonder munitie, geplaatst op de luchthaven. De commissie stelt bovendien vast dat er geen getraind personeel beschikbaar was, dat de gepaste munitie ontbrak en dat de voertuigen nauwelijks rijwaardig waren.

3.3.3.4. Het aantal manschappen en het ontbreken van een eigen reserve

De commissie stelt vast dat het zenden van een beperkt contingent manschappen, d.w.z. 450 man in plaats van 600, ook zijn gevolgen heeft gehad voor het organiseren van een eigen reserve, waarin de CVRT's een rol konden spelen.

Bovendien heeft kolonel Marchal zich rekenschap gegeven van het feit dat hij met een contingent van 450 manschappen niet kon rekenen op een reserve die in staat was om op te treden op het niveau van de sector Kigali, in afwachting van de komst van de Bengalese QRF. Vandaar zijn verzoek aan het C Ops om bijkomende pantservoertuigen met bemanning te leveren.

Kolonel Marchal : « Ik richtte mijn verzoek tot het C Ops en ik kreeg geen antwoord. Toen ik vaststelde dat de QRF er niet voor één of twee maanden zou komen, heb ik op 8 december pantservoertuigen gevraagd om een reserve te vormen. Aangezien dat tevergeefs was, voelde ik mij in de steek gelaten en aan mezelf overgeleverd. Dat verontrustte mij. Voor het bataljon was het immers van belang te weten dat het over de nodige munitie kon beschikken. Men kan inderdaad denken dat mijn verhaal niet geloofwaardig is, maar de stukken in uw bezit bewijzen mijn goede trouw. Generaal Dallaire was het er trouwens mee eens om pantservoertuigen en munitie te vragen. Hij vond immers dat elke versterking welkom was. » (177b)

Luitenant-kolonel Briot bevestigt het bestaan van een document waarin kolonel Marchal vroeg of België een inspanning kon doen pantservoertuigen en bemanningen te leveren. Luitenant-kolonel Briot zegt terzake : « Nous avons analysé sa demande. Nous avions le matériel et, bien sûr, le personnel instructeur. » (178b) Luitenant-kolonel Briot getuigt verder dat hij dit verzoek van kolonel Marchal analyseerde en zijn advies overmaakte aan zijn toenmalige chef, kolonel Flament. Deze laatste kan zich dit echter niet herinneren, maar beiden vermoeden dat deze informatie werd doorgespeeld aan de stafchef. Wat de reactie van de stafchef betreft, stelt luitenant-kolonel Briot : « Il s'agit d'une des conclusions de l'analyse menée. Nous avons les moyens techniques pour le faire, nous avons le personnel mais une limitation gouvernementale nous fixe un quota de 450 et, avec ce quota, nous ne pouvons pas le faire. » (179b)

Admiraal Verhulst bevestigt dit : « In het eerste plan, waarbij 600 man zou worden gestuurd, zouden die manschappen over 22 CVRT-voertuigen hebben beschikt. Die optie kwam niet meer voor in het plan van 450 manschappen. Generaal Dallaire was gekant tegen het gebruik van pantservoertuigen op rupsbanden. Die voertuigen zien er immers agressief uit en generaal Dallaire wou geen negatieve reactie bij de bevolking uitlokken toen het leven in Kigali nog normaal leek. » (180b)

De commissie stelt evenwel vast dat de slagorde van KIBAT II nooit 450 manschappen bedroeg. Het aantal manschappen dat het Belgisch detachement bij UNAMIR vormde, schommelde voortdurend tussen 400 en maximaal 428 effectieven, hetgeen numeriek ruimte leverde voor 22 extra manschappen. De commissie stelt vast dat C Ops en de generale staf te Evere nergens melding maakten van de mogelijkheid om 22 gespecialiseerde militairen te zenden in functie van het bemannen en onderhouden van de pantservoertuigen.

In zijn getuigenis van 28 maart 1997 stelt stafchef Charlier dat ook hij begrip had voor het probleem van de eigen reserve : « De uitrusting hangt af van de getalsterkte. CVRT's volstonden niet om de mobiele macht te versterken. Daarvoor zijn ook teams voor het besturen van de CVRT's nodig. In Rwanda hadden wij juist genoeg middelen om het terrein te bezetten. Het was mijn bedoeling om bij de aflossing een compagnie fuseliers terug te trekken en ze te vervangen door personeel voor mobiele operaties met pantservoertuigen. » (181b)

Eén maand later zal stafchef Charlier evenwel antwoorden op de vraag waarom dit niet gebeurde : « Dat had kunnen gedaan worden, maar werd niet gevraagd. » (182b)

Heeft het verzoek van kolonel Marchal van 8 december, via luitenant-kolonel Briot en kolonel Flament, de stafchef dan toch niet bereikt ? Opmerkelijk is tevens dat admiraal Verhulst beweert zelf de toelating gevraagd te hebben aan generaal Dallaire om een reserve met pantservoertuigen aan te voeren, waar de admiraal anderzijds verklaart de vraag van kolonel Marchal niet te kunnen bevestigen (183b).

De commissie stelt niettemin vast dat KIBAT, hoewel haar mogelijkheden bijzonder beperkt waren, toch een bescheiden eigen reserve gevormd had. Het was precies het peloton Mortieren, waartoe de groep Lotin behoorde, dat zowel de reserve vormde van het bataljon, als belast was met drie permanente escortes (184b). De gebeurtenissen van 7 april zullen aantonen dat de combinatie van het escorteren van Rwandese VIP's en het vormen van een reserve geen geloofwaardige oplossing bood.

Het rapport Van Hecke bevestigt : « Au moment des événements le bataillon belge ne disposait pas d'une réserve crédible. » (185b)

3.3.3.5. Het ontbreken van een operationele en geloofwaardige QRF

Zoals de naam het reeds aangeeft, is de QRF (Quick Reaction Force) een snelle interventiemacht die inzetbaar diende te zijn over het gehele Rwandese grondgebied en ressorteerde onder het rechtstreekse bevel van generaal Dallaire (186b). De QRF binnen UNAMIR bestond uit één compagnie (80 manschappen) van de Bengaalse krijgsmacht en werd geleverd door RUTBAT. Deze QRF beschikte over 8 BTR's, gepantserde en met een machinegeweer bewapende transportvoertuigen op wielen voor de infanterie, van Oost-Europese makelij, afkomstig van vroegere operaties in Mozambique.

Uit haast alle getuigenissen blijkt dat er zich met betrekking tot deze QRF zodanige problemen stelden, dat deze QRF op geen enkel ogenblik een interventiemacht betekende die in staat was vlug en efficiënt te reageren.

Reeds bij de aankomst op 4 december 1993 stellen kolonel Marchal en luitenant-kolonel De Loecker de tekortkomingen vast, waarvoor luitenant-kolonel Kesteloot, lid van de verkenningsmissie reeds een maand eerder had voor gewaarschuwd. « Vraag : Wanneer bent u in Kigali toegekomen, kolonel ? ­ Op 4 december 1993, samen met de andere detachementen. ... De QRF moest een zeer mobiele eenheid worden, maar dat was precies een probleem bij de Bengalen. Op het ogenblik van hun aanduiding beschikten zij over geen enkel vervoermiddel. De voertuigen voor de QRF waren toen nog niet aanwezig. Men heeft moeten wachten tot begin februari om de opleiding van die eenheid te starten. Dat was op 7 februari. » (187b)

Deze laattijdige aankomst van de noodzakelijke voertuigen is niet de enige tekortkoming. Volgens verschillende getuigenissen was het bijzonder moeilijk om te gaan met de Bengaalse officieren en manschappen. Zo getuigt kolonel Marchal : « De commandant van het bataljon is echter pas eind januari aangekomen en had de opdracht gegeven geen bevelen uit te voeren voor hij ter plaatse was. Ik heb de Bengalezen toch aan het werk gezet, maar zij hebben dat slechts schoorvoetend gedaan. » (188b)

Ook luitenant-kolonel De Loecker, die instond voor de training van de Bengaalse manschappen voor de QRF, bevestigt dit : « Bovendien was de stafchef van ons hoofdkwartier een Bengaal die, om het zacht uit te drukken, er helemaal niet van hield dat ik ter plaatse naar zijn landgenoten ging kijken. Hij gaf er de voorkeur aan dat ik op het hoofdkwartier bleef, op mijn stoel achter de telefoon bleef zitten en dat ik van daaruit de opleiding controleerde. » (189b)

Nochtans blijkt uit alle getuigenissen dat deze Bengaalse manschappen de hen aangeboden training best konden gebruiken. Luitenant-kolonel De Loecker stelt : « Na 14 dagen opleiding was er al een achterstand van 13 dagen. Het eerste probleem was dat de chauffeurs die voertuigen niet konden besturen. Nochtans hadden zij ons verzekerd dat er zeer ervaren tankchauffers zouden overkomen, zodat ik erop vertrouwde dat wij na een dag reeds de baan op zouden kunnen. » (190b) Ook kolonel Marchal was bewust van deze stand van zaken : « ... il n'y avait pas de mécaniciens et les chauffeurs devaient être formés. Il y avait donc des lacunes évidentes du côté bangladais » (191b).

Zelfs de Force Commander, generaal Dallaire geeft toe dat « there simply was no credible military force within UNAMIR which could on the short notice required by the situation gather a sizable intervention force. » (192b)

Naast de vaststelling van het gebrek aan operationaliteit van het Bengaalse personeel, stelt zich binnen het Bengaalse contingent het probleem van het tekort aan voertuigen welke bovendien ernstige mankementen vertoonden. Kolonel Marchal stelt : « Die macht diende overal in Rwanda tussenbeide te kunnen komen, maar de bedrijfszekerheid van de voertuigen liet te wensen over. » (193b)

Generaal Dallaire is hierin zeer duidelijk : « The original plan had called for 20 APC's and 8 helicopters in order to allow for a company strength Quick Reaction capability... By the date of the incident, only 8 APC's had been provided of which just 5 were serviceable. » (194b) ... « The APC's had arrived in late February/early March without tools, spare parts, mechanics, manuals and with limited ammunition. The main weapon on the APC's had never been test fired in Rwanda... The equipment limitations and their proficiency in using such systems was still below operational standards. » (195b)

De commissie stelt vast dat, omwille van al deze problemen deze Bengaalse QRF helemaal niet operationeel was en binnen het kader van UNAMIR volstrekt ongeloofwaardig was. De « waarde » van de QRF en de invloed ervan op het ogenblik dat de toestand ontspoord wordt nog het best geïllustreerd door wat zich voordeed de ochtend van 7 april. Om 8.50 uur trachtten drie BTR's van RUTBAT een wegversperring te passeren. Die drie BTR's vormden toen zestig procent van de operationele voertuigen van de QRF. De versperring was uitgerust met antitankwapens. Zij meldden aan kolonel Marchal dat zij geblokkeerd waren. Nadat onderhandelen om te passeren niets opleverde en de Rwandezen er mee dreigden hun antitankwapens te gebruiken, maakten zij rechtsomkeer. Van dat ogenblik af was het voor kolonel Marchal overduidelijk dat UNAMIR niet meer over zijn actievrijheid beschikte. Kolonel Marchal voegt er aan toe : « Non, les CVRT n'étaient certainement pas dans le même état. Ils avaient un autre armement et d'autres munitions. ­ Vraag : Si vous les aviez eus, cela aurait tout changé ? ­ Il est clair qu'en tant que responsable militaire, connaissant la valeur de l'élément bangladeshi, je n'aurais jamais demandé à ces gens de foncer et de faire sauter le barrage. D'ailleurs, le commandant de bataillon exigeait des ordres écrits de ma part pour faire bouger ces gens. Telle était la procédure. Il est clair que quand vous pouvez engager ce genre d'objectif avec un canon de 35 ou 30 mm, les choses sont en effet tout à fait différentes. Et cela, vous pouvez le faire de loin. » (196b)

Hebben de UNAMIR-officieren acties ondernomen om deze belangrijke tekortkoming op te vangen ?

Luitenant-kolonel De Loecker, die het meest contact had met het QRF-detachement, getuigt dat hij herhaaldelijk de problemen heeft aangekaart : « Ik heb dat uiteraard gemeld. Iedereen werd op de hoogte gebracht, tot en met generaal Dallaire zelf. ... Ik meld de informatie en wat de staf ermee doet is niet mijn taak, andere mensen moeten dit nader bekijken en een oplossing zoeken ... Ik heb het probleem verschillende malen gemeld. Elke dag was er 's morgens een coördinatievergadering op het hoofdkwartier en daar kwam het verloop van de opleiding van de QRF regelmatig ter sprake. ... Ik weet niet wat mijn oversten met mijn informatie deden. Ik meen mij te herinneren dat er regelmatig nota's naar Brussel werden gezonden waarin men om bijkomende middelen vroeg. Die vraag bleef voor zover ik mij kan herinneren, zonder respons. » (197b)

Kolonel Marchal alarmeert generaal Dallaire : « L'autre mesure a consisté à expliquer au général Dallaire que je ne pouvais faire face à mes missions; je lui ai suggéré d'envisager la possibilité de demander le remplacement du Bengladesh par un autre pays. ­ Vraag : À quelle époque a eu lieu ce débat entre M. Dallaire et vous à ce sujet ? ­ Le 3 avril, après son retour de congé ... Donc, fin mars-début avril. Il m'a demandé de rédiger un document pour pouvoir réagir. J'ai donc rédigé un document à l'intention du général Dallaire, en décrivant toutes les limitations techniques et opérationnelles du bataillon bengladeshi. » (198b)

Dat deze berichten wel degelijk te Evere arriveerden blijkt uit de getuigenissen van kolonel Flament en luitenant-kolonel Briot. Wanneer een commissielid aan kolonel Flament vraagt op welk ogenblik hij bij C Ops vaststelde dat de QRF niet operationeel was, antwoordt hij : « Au fil des semaines. ... C'était le problème du général Dallaire. » (199b) Luitenant-kolonel Briot bevestigt dit : « Ce sont les Nations unies qui désignent le Bengladesh suivant des procédures bien connues d'après l'évolution géographique et les influences. Celui-ci a accepté de fournir le personnel mais n'avait pas les véhicules. Les Nations unies ont fait appel à différents pays pour trouver ces véhicules et le personnel de formation. » (200b) ... « L'état-major général a rapidement été conscient de la non-existence de la QRF. Le colonel Marchal, par un fax, nous a dit qu'il faudrait plus ou moins deux mois pour rendre les Bangladais opérationnels. Nous étions donc au courant. L'ONU devait trouver, en fonction de critères d'équilibre, les pays qui fourniraient des véhicules. Elle a fait appel à différents pays tant pour les véhicules que pour le personnel. » (201b)

Niet enkel C Ops was op de hoogte van het probleem. Ook de betrokken departementen wisten ervan. Twee maal werd op de coördinatievergaderingen van het ministerie van Buitenlandse Zaken en het ministerie van Landsverdediging, waarop ook een afgevaardigde van de eerste minister aanwezig was, gesproken over de onbekwaamheid van het Bengalese contingent, en meermaals kwam de ontplooiing van het Oostenrijks contingent ter sprake.

De nodige inspanningen werden gedaan om de Oostenrijkers te overtuigen, zoals blijkt uit het verslag van het bezoek dat minister Delcroix op 18 februari 1994 bracht aan de Oostenrijkse minister van Defensie. Ook na 13 januari werden nog inspanningen geleverd om Oostenrijk ertoe te bewegen snel een troepenmacht van 150 tot 200 manschappen te leveren. De commissie stelt echter vast dat dit diende om het aantal Belgische UNAMIR-soldaten in gelijke mate te verminderen, zodat van een effectief tweede geloofwaardig contingent geen sprake was.

De commissie stelt vast dat alle autoriteiten, zowel militair als politiek, zowel in België als bij de UNO, op de hoogte waren van het ontbreken van een operationele QRF. De commissie stelt tevens vast dat een aantal initiatieven, zowel militair als politiek, genomen werden, maar dat deze zonder resultaat bleven.

3.3.3.6. De moeilijkheden met de andere buitenlandse contingenten

« It will also be recalled, as stated in my report of 24 September 1993, that the projected strength of UNAMIR military personnel was to stand at 1,428 by the end of phase I and to reach a peak, at the end of phase II, with a total of 2,548 all ranks. As of 22 March 1994, UNAMIR had a strength of 2,539 military personnel, from the following 24 nations : Austria (15), Bangladesh (942), Belgium (440), Botswana (9), Brazil (13), Canada (2), Congo (26), Egypt (10), Fiji (1), Ghana (843), Hungary (4), Malawi (5), Mali (10), Netherlands (9), Nigeria (15), Poland (5), Romania (5), Russian Federation (15), Senegal (35), Slovakia (5), Togo (15), Tunisia (61), Uruguay (25) and Zimbabwe (29). These figures include the 81 military observers serving with the United Nations Observer Mission Uganda-Rwanda (UNOMUR). » (202b)

Uit verschillende getuigenissen blijkt dat de malaise binnen de QRF exemplatief was voor het ganse RUTBAT-contingent, en zelfs voor de overige buitenlandse detachementen.

Over RUTBAT getuigt stafchef Charlier : « Wij zijn heel snel tot de vaststelling gekomen dat de Bengalezen niet in staat waren hun opdracht uit te voeren. Ze weigerden zelfs te gehoorzamen. Daarom dachten wij eraan een versterking van KIBAT te vragen. Ik meende toen dat wij versterking van Oostenrijk moesten krijgen ofwel ons terugtrekken. De discussies waren oeverloos. » (203b) Admiraal Verhulst sluit zich hierbij aan : « Wij hebben dus ter plaatse vastgesteld dat de Bengalezen weigerden de bevelen op te volgen. Daarom menen wij dat de steun vereist is van een andere natie die over troepen beschikt die voor dit soort operatie goed zijn uitgerust en getraind. » (204b)

Het probleem van de Ghanezen was van een totaal andere orde. Het Ghanese contingent bestond uit goed getrainde manschappen doch het beschikte niet over het vereiste materieel.

Over de overige buitenlandse contingenten lezen we de verontrustende getuigenis van generaal Dallaire : « In addition the Bangladeshi battalion was under-equipped, the Ghana Battalion deployed into the country in January and February without their equipment which was yet to transit by sea. The 60 man Tunisian Company, which was a well-led, trained and disciplined force, possessed no integral vehicles, communication equipment or logistics capability. Medical, logistics and engineering assets were similarly poorly equipped and supplied. » (205b)

Kolonel Marchal getuigt voor de commissie dat hij er met generaal Dallaire heeft over gepraat maar dat « Il était assez délicat de solliciter le remplacement des Bengladeshis pour incompétence alors qu'à cette époque le Bengladesh avait mis 15 000 Casques bleus au service de l'ONU. Le Conseil de sécurité n'aurait certainement pas accepté, puisque c'était un fournisseur de troupes. » (206b)

Via een nota van SGR werd de generale staf te Evere reeds op 31 december 1993 op de hoogte gebracht van de desastreuze toestand van sommige van onze militaire partners in Rwanda : « Toutes les troupes (...) qui font partie de cette mission UNO sont arrivées, mais pour la plupart elles sont très mal organisées, hormis les Belges (...). Les détachements des autres nations sont très mal équipés; ils ne sont pas opérationnels, certaines troupes sont venues presque sans armements ! » (207b)

Kolonel Marchal herhaalt deze boodschap in een rapport dat hij op 28 januari 1994 richt aan C Ops te Evere : « Je dois reconnaître que notre partenaire au sein du Secteur Kigali n'est pas fiable. » (208b)

De commissie stelt vast dat de militaire en politieke autoriteiten, zowel in België als bij de VN, op de hoogte waren van het niet-operationeel karakter van de verschillende buitenlandse contingenten. Het Bengaalse detachement (RUTBAT) was slecht opgeleid en stond weigerachtig om zich te schikken naar de bevelen van de hiërarchische oversten binnen UNAMIR. De overige buitenlandse detachementen waren anderzijds wel betrouwbaar, doch beschikten veelal niet over de nodige voertuigen, communicatiemiddelen en logistieke steun om operationeel te kunnen functioneren.

3.3.3.7. De verspreiding van de kantonnementen

Tijdens het verloop van de UNAMIR-missie bleef de toestand van de kantonnementen voor KIBAT II ongewijzigd. De Belgische troepen waren verspreid over 14 kantonnementen, waarbij sommige van deze kantonnementen slechts bemand waren door een sectie of een ploeg van enkele militairen.

Uit een aantal getuigenissen blijkt dat deze hoge spreiding gevolgen had voor de inzetbaarheid, de veiligheid, en het aanleggen van een eigen reserve voor het Belgisch detachement.

Nochtans hebben zowel kolonel Leroy (KIBAT I) als kolonel Dewez (KIBAT II) bij generaal Dallaire aangedrongen het aantal kantonnementen te verminderen en de Belgische troepen te hergroeperen. Kapitein Theunissen getuigt : « En ce qui concerne le regroupement des cantonnements, avant le départ de la mission, ici en Belgique, on a reçu un briefing général de la MINUAR. Je lis : « localisation des cantonnements : actuel 1 para très dispersé ­ projet 2-CODO il s'agit du colonel Dewez « centralisation des cantonnements : un par groupe » il y avait trois groupes, une compagnie c'est un groupe, « un groupe en ville, avec deux cantonnements, un cantonnement à l'aérodrome et un cantonnement à « Don Bosco » cela c'est la quatorzième compagnie. Telle était donc l'idée du colonel. Mais je sais qu'il a subi des pressions pour conserver la dispersion parce qu'il fallait une présence en ville. ­Vraag : de la part de qui a-t-il subi des pressions ? ­ ... C'était probablement Dallaire ». (209b)

Admiraal Verhulst bevestigt het verschil in visie tussen de generale staf te Evere en de Force Commander : « De generale staf wou het aantal kantonnementen zoveel mogelijk beperken. Generaal Dallaire van zijn kant wou de troepen in de stad spreiden om informatie van en contacten met de bevolking te stimuleren ». (210b)

In zijn inspectieverslag rapporteert luitenant-generaal Uytterhoeven dat de spreiding van de kantonnementen om diverse redenen een logische beslissing is : « in de stad + hygiënische eisen + duur van de opdracht + regenseizoen + beschikbaarheid van harde constructies (hangars en huizen) ». Luitenant-generaal Uytterhoeven stelde dat de verspreiding van de kantonnementen ook was ingegeven door de zorg voor de landgenoten : « Er moet ook rekening mee gehouden worden dat wij bij een eventuele evacuatie de stad in moesten. De legering van een peleton in de stad gaf enerzijds een groter veiligheidsgevoel en kon anderzijds ook een eventuele evacuatie vergemakkelijken. » (211b). De generaal bevestigt tevens dat de Force Commander hiermee akkoord gaat (212b).

Het waren de Belgische militairen te velde die dagdagelijks ondervonden dat deze hoge spreiding hun militaire mogelijkheden enorm beperkten. Twee compagniecommandanten getuigen.

Kapitein Marchal : « Il suffit de voir la manière dont le bataillon était réparti dans Kigali pour comprendre que les principes de l'art militaire n'étaient pas respectés ». (213b)

Kapitein Lemaire : « Or , moi, quand je suis venu en janvier, la première chose qui m'a effrayé ­ je pense que nous étions tous dans le même cas au 2-CODO ­ était la dispersion du bataillon dans la ville. D'ailleurs, c'est un des éléments qui fera que d'office, au départ, le bataillon était inopérationnel parce que nous étions chaque fois en position de faiblesse par rapport à un ennemi éventuel, puisque nous étions fractionnés. Quand nous avons discuté sur place du problème de la dispersion, on nous a bien sûr expliqué les problèmes de location au niveau ONU, mais on nous a parlé également d'un problème de confort, en disant qu'en Afrique, il faut du confort. Il est évident que pour nous, la priorité c'était d'abord la sécurité ». (214b)

De S3 van KIBAT, majoor Choffray bevestigt dit : « De situatie zou gemakkelijker geweest zijn, indien we gecentraliseerd waren geweest. ... Het was niet haalbaar KIBAT een operatie te laten opzetten. De kantonnementen waren te zeer verspreid, slecht verdedigd en kwetsbaar ». (215b)

Luitenant-kolonel Leroy verklaart dat er voor de bewaking van de kwartieren bij een grote oproer 75 manschappen nodig zijn : « In geval van manifestatie verlaat een deel van de manschappen die logistieke taken uitvoeren hun post om de kwartieren te bewaken. In geval van grote oproer komen de 75 mannen van de logistiek. » (216b)

Kolonel Dewez wijt het ontbreken van een reserve o.a. aan de hoge spreiding van de kantonnementen : « Aangezien de kantonnementen tamelijk verspreid waren, was het reservepeloton niet helemaal beschikbaar. Er moest immers telkens in wachtposten worden voorzien voor de bescherming van het kamp ». (217b)

Bereikten er signalen over dit probleem het C Ops en de generale staf te Evere, en welke stappen werden er gezet ?

Op 3 december 1993 richtte de commandant van KIBAT I, luitenant-kolonel Leroy een nota aan het C Ops te Evere waarin hij voorstelde om veiligheidsredenen het aantal kantonnementen tot 5 plaatsen te herleiden. Hierop zendt C Ops op 6 december 1993 een verslag aan de generale staf (JSO-P) waarin men stelde hiertegen geen bezwaren te hebben (218b).

Op 19 december richtte kolonel Marchal een rapport aan C Ops waarbij hij meldde dat de problemen inzake de kantonnementen bleven aanslepen (219b).

Op 31 december meldde een info van SGR dat één van de grote problemen waarmee de Belgische blauwhelmen te kampen hadden de huisvesting is (220b).

Het rapport van majoor Guérin van 31 januari 1994 behandelt het probleem van de kantonnementen uitgebreid. Zijn oordeel is streng en zijn aanbevelingen aan de generale staf zijn zeer duidelijk : « Par volonté du Comd Force et par manque de logements gratuits, le Bn a réparti ses moyens entre 14 Cant, certains n'étant occupés que par une Sec ou une Eq (Heli, CVR-T, Med). Sur le plan de la sécurité, cette dispersion est dangereuse en cas de troubles. Les unités isolées pourraient se retrouver otages de l'un ou l'autre parti.

Le Comd KIBAT II a l'intention de regrouper ses moyens par Cant de Cie. Vu les frais de location et la rareté des habitations disponibles, il serait souhaitable d'importer ou de construire des containers. Les moyens locaux (ATS Don Bosco, menuiseries locales) permettraient une construction sur place par de la main-d'oeuvre locale. Une étude détaillée des besoins sera fournie par le Comd KIBAT II lors de sa visite du 3 février 1994 à JSO-P.

Quelle que soit la solution choisie, il est URGENT de fournir au Pl qui campe sur l'aéroport des moyens pour améliorer la salubrité de son Cant :

1. SIX grandes tentes pour remplacer les tentes FR actuelles

2. Aérosol anti-moustiques à pulvériser par Heli AIII sur les marécages avoisinants. »

Uit een aantal C Ops verslagen tussen 3 februari en 24 maart 1994 blijkt dat men er de voorkeur aan gaf een aantal kantonnementen onder te brengen in zelf te bouwen modules (Kigalodge). De bedoeling was het aantal kantonnementen van 14 op 10 terug te brengen. Op 24 maart werd de planning voor Kigalodge meegedeeld. Niettemin stelde luitenant-kolonel Leroy in een rapport van 30 maart 1994, dat hij richtte aan de generale staf, dat de Belgische militairen nog steeds te kampen hadden met enorme logementsproblemen. Kigalodge zal uiteindelijk nooit gebouwd worden (221b).

Waren de politieke autoriteiten op de hoogte van de problematiek van de kantonnementen en de gevolgen voor de veiligheid en inzetbaarheid van onze troepen ?

Stafchef Charlier bevestigt de bespreking van het probleem met het kabinet van de minister van Landsverdediging : « Kolonel Marchal heeft mij er begin december over gesproken. Hij heeft mij gezegd dat hij het probleem van de huisvesting kon oplossen als hij over een budget kon beschikken. Ik heb hem geantwoord dat hij dat zou krijgen en heb het kabinet van de minister op de hoogte gebracht. Hij heeft het geld gekregen. Enkele dagen later heeft hij mij teruggebeld en ik heb hem gezegd dat hij de nieuwe locaties mocht huren... Hij heeft de verzekering gekregen dat hij het geld in de eerste helft van december zou ontvangen. Hij had de behoefte op 5 miljoen Belgische frank geraamd ». (222b)

Landsverdediging heeft erin toegestemd om meer geld toe te kennen voor een betere huisvesting.

De commissie stelt vast dat reeds vanaf december 1993 de militaire autoriteiten van de VN en van België op de hoogte waren van het huisvestingsprobleem van de Belgische blauwhelmen en de burgerlijke overheden terzake hebben gerustgesteld. De generale staf slaagde er slechts vier maanden later in, op 24 maart 1994, een planning mee te delen voor de aanbouw van Kigalodge. Op het ogenblik dat de crisis uitbreekt, is KIBAT nog steeds gespreid over de 14 kantonnementen en zal deze spreiding één van de bepalende factoren zijn om niet in te grijpen.

3.3.3.8. De moeizame totstandkoming van het evacuatieplan en het ontbreken van een « worst case »-scenario

Betreffende deze problematiek doet de commissie vier belangrijke vaststellingen. Allereerst was er het niet-bestaan van een operationeel evacuatieplan, vóór maart 1994. Dit plan was evenwel niet gefinaliseerd op het niveau van KIBAT. Vervolgens de vaststelling dat KIBAT en zijn verschillende compagnies op geen enkele wijze waren voorbereid op een crisisscenario. Heel wat verwarring bestond omtrent de eventuele doelgroepen van een evacuatieplan, en tenslotte was er, ook in deze aangelegenheid, de slechte communicatie tussen Kigali en de generale staf te Evere.

Kolonel Balis kreeg van generaal Dallaire de opdracht een evacuatieplan op te stellen, hoewel dit volgens hen eigenlijk behoorde tot de bevoegdheid van de Bengaalse collega. Hij kreeg deze opdracht midden februari 1994. « Pas nadat ik samen met de h. Booh Booh naar Mulindi geweest ben, kreeg ik de nodige inlichtingen en stelde ik het evacuatieplan op. Het is dus onrechtstreeks mijn verantwoordelijkheid geworden. Ik vatte het plan op als een zeer klassiek militair manoeuvre in verschillende fasen. De eerste fase bestond in het verzamelen van de vreemdelingen in de verschillende provincie-hoofdsteden, ze naar Kigali te brengen en vervolgens de militairen met een systeem van inkrimpende perimeters naar de luchthaven te brengen en ze uit Rwanda te verwijderen.

De dringende reden voor het evacuatieplan was het feit dat ik op 4 of 5 maart met de h. Booh Booh, die de plaatselijke politiek verantwoordelijke was van UNAMIR, naar een vergadering ben geweest in Mulindi. » (223b)

Dit plan ging echter niet uit van een « worst-case » scenario, en dit zal achteraf de grootste zwakte van het plan blijken te zijn : « Onze basishypothese was wel dat wij niet in een vijandelijk milieu zouden opereren. We verwachtten niet dat men ons zou viseren, maar dat UNAMIR zich zou kunnen terugtrekken in een neutrale of beter gezegd semi-neutrale sfeer » (224b).

De voornaamste kritiek op het plan komt van de sectorcommandant, kolonel Marchal, die toch enige Afrika-ervaring heeft en erg scherp het volgende stelt : « Ik heb ervaring met evacuaties. In 1978 opereerde ik reeds in Kolwezi. Generaal Dallaire had ter zake geen enkele ervaring. Op 1 april hebben wij de geëxpatrieerden gebrieft, niet enkel de Belgen maar ook de anderen. De Fransen wilden zeker zijn dat het evacuatieplan naar hun zin was. Na enige discussie en enkele kleine aanpassingen hebben ze ermee ingestemd » (225b). Op de vraag van een commissielid of dit plan uiteindelijk ook uitgevoerd werd, luidt het antwoord laconiek : « neen ».

Uit verschillende getuigenissen blijkt dat dit evacuatieplan enkel op papier bestond, maar nooit de compagniecommandanten bereikte in de vorm van een operationeel order. Kapitein Theunissen stelt dat op het niveau van de compagnie niets voorzien was betreffende een evacuatieplan van UNAMIR (226b).

De chef operaties van KIBAT, majoor Choffray, bevestigt eveneens dat er geen hergroeperingsplan bestond, en dat door KIBAT II nooit een hergroepering van de manschappen in geval van moeilijkheden ingeoefend werd (227b).

De commissie stelt vast dat er zich ­ inzake dit evacuatieplan ­ een ernstige communicatiestoornis voordeed tussen de sectorcommandant, kolonel Marchal en de bataljonscommandant, kolonel Dewez. Op de herhaalde vraag van de commissie waarom dit evacuatieplan nooit werd gefinaliseerd op het niveau van de bataljons, noteren wij volgende getuigenissen. Admiraal Verhulst : « Ik kan niet antwoorden op uw vraag. Kolonel Marchal was verantwoordelijk voor de verspreiding van de informatie over het evacuatieplan. U moet hem die vraag stellen » (228b). Ook kolonel Balis drukt zijn verwondering uit over dit gebrek aan communicatie : « Daaruit kan ik alleen afleiden dat het plan dat naar mijn weten is gestuurd naar de verschillende ondergeschikten van het hoofdkwartier van UNAMIR ­ namelijk voor de sector Kigali naar kolonel Marchal, naar de sector DMZ of de gedemilitariseerde zone waar een Ghanese kolonel de chef was en naar de sector UNMO; die zich uitstrekte over gans Rwanda ­ wel degelijk is ontvangen. Zij hebben het bovendien « ter lezing gekregen » wat wil zeggen dat zij het met hun opmerkingen moesten terugsturen. Afgezien van enkele details, waren er geen opmerkingen. Het zou mij dan ten zeerste verbazen dat zij dit rapport dan niet ter kennis gebracht hebben van hun ondergeschikten. Dat is immers de normale stafprocedure » (229b).

Kolonel Marchal geeft zijn versie van de feiten : « En fait, le plan d'évacuation des expatriés avait été minutieusement coordonné par l'ambassade de France, en collaboration avec l'ambassade de Belgique. De mon coté, le 1er avril, j'avais donné un briefing à tous les responsables belges de secteurs en ce qui concerne le plan d'évacuation. Ce plan à nécessité quatre mois de préparation et de coordination. Dans ce domaine-là, on n'improvise pas : ce n'est pas au moment où l'on est confronté à la situation que l'on réfléchit. Je me suis rendu compte, de façon tout à fait fortuite, que KIBAT ne semblait pas au courant du plan d'évacuation : il connaissait le plan, mais pas son mécanisme. Le plan consistait à rassembler les expatriés à divers endroits, à les évacuer le long de deux itinéraires qui devaient être protégés par les troupes de la MINUAR, vers l'aérodrome. Cette évacuation a débuté par une évacuation sauvage, sans la mise en place d'aucun dispositif particulier. C'est sur ce point que nous étions en désaccord, le colonel Dewez et moi-même.

Les conséquences pouvaient être dommageables pour la sécurité des expatriés, car nous ne leur garantissions pas une structure sûre sur le plan de l'encadrement du rassemblement » (230b).

Dat uiteindelijk de uitvoering van het rampenplan niet goed verliep, bewijzen de feiten zoals kapitein Lemaire, compagniecommandant, getuigt : « Je pense que c'est le 9, on nous a dit que nous pouvions commencer l'évacuation des expatriés, alors qu'à cette date, ils étaient déjà aux trois quarts rassemblés » (231b).

In zijn verslag van 16 november 1994 bevestigde luitenant-generaal Uytterhoeven dat het evacuatieplan niet werd toegepast. Een groot gedeelte van de geëxpatrieerden was reeds gehergroepeerd, en de enige taak bestond erin gegevens te verzamelen van diegenen die nog ter plaatse waren, en vanuit de verschillende kantonnementen een evacuatie onder militaire escorte naar de luchthaven te organiseren (232b).

In de marge van de vaststelling dat dit evacuatieplan weinig of niet operationeel was, stelde zich ook de discussie omtrent de doelgroepen van een eventuele evacuatie.

Kolonel Balis stelde een vraag in die zin aan generaal Dallaire : « Ik vroeg hem of ik ook moest voorzien in de evacuatie van de « expatriés », de vreemdelingen in Rwanda. Hij moest die vraag op zijn beurt eerst stellen aan het hoofdkwartier in New-York ... Het ging wel degelijk enkel om niet-Rwandezen. Door omstandigheden heb ik generaal Dallaire tweemaal expliciet gevraagd of Rwandezen ook mochten worden geëvacueerd als ze in gevaar waren. Hij antwoordde formeel dat de bevelen van New-York : « no locals » luidden. Er mochten dus geen Rwandezen geëvacueerd worden » (233b).

Zelfs over het evacueren van geëxpatrieerden was de houding van de Force Commander dubbelzinnig. Admiraal Verhulst verwoordt dit als volgt : « De UNO voorzag in geval van erge gebeurtenissen in de evacuatie van haar eigen personeel. De Force Commander ging akkoord dat ook de geëxpatrieerden geëvacueerd konden worden. In tegenstelling tot kolonel Marchal wou hij dat echter niet opnemen in het officiële evacuatieplan. Kolonel Marchal hoopte het standpunt van generaal Dallaire te veranderen. Zo nodig moest DELBELONU worden ingeschakeld.

Generaal Dallaire wou dat de evacuatie binnen de vier dagen voltrokken was. Kolonel Marchal vroeg of hij de VN of de Belgische richtlijnen moest volgen indien de gemeenschap niet volledig geëvacueerd was binnen vier dagen. Kolonel Marchal heeft twee brieven en een fax ontvangen. In het verslag van het VN-secretariaat-generaal van 24 september 1993 staat dat het VN-mandaat niet limitatief is. De geëxpatrieerden vielen onder het VN-mandaat. Dat is door de ambassadeur in Kigali bevestigd. In nood moest UNAMIR de geëxpatrieerden beschermen. Generaal Dallaire erkent dus dat de evacuatie van de geëxpatrieerden deel uitmaakt van het mandaat van UNAMIR en bijgevolg dat het antwoord van de generale staf aan kolonel Marchal overeenstemt met de werkelijkheid » (234b).

Tenslotte stelt zich de belangrijke vraag of kolonel Marchal de generale staf te Evere ook van dit euvel op de hoogte heeft gebracht en of er acties van hun zijde werden overwogen of ondernomen.

Na de betoging van 8 januari 1994, kwam kolonel Marchal tot de vaststelling dat de situatie wel eens uit de hand zou kunnen lopen en dat een operationeel evacuatieplan en een « worst case »-scenario dringend nodig waren. In een rapport van 15 januari 1994 aan C Ops stelt kolonel Marchal in punt 5 : « Ce point est secret et a été transmis via le STU II en SECURE. Je demande une réponse rapide à ce point. » De inhoud van dit bericht werd overgezonden langs een gecrypteerde telefoon. Kolonel Marchal vroeg hierbij naar nadere richtlijnen in geval van ernstige gebeurtenissen en een noodzakelijke evacuatie. « Ben ik verplicht de VN bevelen te volgen of moet ik een Belgisch standpunt innemen en verder landgenoten evacueren ? (onder Belgische muts i.p.v. blauwe). Ik vraag dringend antwoord. Situatie kan basculeren. Duidelijke richtlijnen » (235b).

Kolonel Marchal getuigt voor de commissie het volgende : « Wat het statuut betreft, dateert mijn eerste vraag van 15 januari. Ze heeft betrekking op de gevolgen van een verslechtering van de situatie en van de toename van het gevaar, niet alleen voor onze maar voor alle geëxpatrieerden. De betoging van 8 januari verontrustte mij, omdat men de massa niet in de hand kon houden. Ik heb dan geprobeerd om mijn bezorgdheid te kennen te geven door richtlijnen te vragen voor het geval de situatie nog zou verslechteren. Op mijn vraag van 15 januari heb ik nooit een antwoord gekregen. Half maart ben ik de ambassadeur gaan opzoeken en heb ik hem uitgelegd dat ik richtlijnen gevraagd had maar dat ik nooit een bevredigend antwoord had gekregen. Ik drukte de wens uit dat hij via het ministerie van Buitenlandse Zaken tussenbeide zou komen om dit punt op de agenda van de vergadering in Brussel te laten plaatsen de daaropvolgende donderdag.

Op 20 maart heb ik dit alles nogmaals bevestigd aan de ambassadeur. Het was hoog tijd dat Brussel zich met het probleem bezighield. Ik vroeg mij af of ik in geval van problemen mijn blauwe muts moest ophouden of opnieuw mijn Belgische muts moest opzetten.

Ik denk dat ik mijn verantwoordelijkheid heb opgenomen door de overheid te waarschuwen voor wat ik verwachtte en wat enkele dagen later jammer genoeg ook is gebeurd.

Ik vond dat de problemen van belang waren voor de veiligheid van het detachement. Ik was een VN-commandant, maar ook een Belg. Het was trouwens ook mijn taak om de veiligheid van de Belgische geëxpatrieerden te verzekeren » (236b).

Op de vraag van kolonel Marchal, van 15 januari, stuurde C Ops een antwoordbericht waarin de draagwijdte van het mandaat werd gepreciseerd. Op de vraag van een commissielid of kolonel Marchal dit bericht ontvangen heeft, antwoordt hij : « Ja, maar dat bericht voldeed niet. Dat was niet de kern van het probleem. Ik wou weten wat moest worden gedaan als bij de evacuatie problemen zouden rijzen. Het was een probleem van statuut... Bij de manifestatie van 8 januari heb ik immers ingezien dat wij niet over de middelen beschikken om aan die crisissituatie het hoofd te kunnen bieden... Ik wou richtlijnen krijgen om te weten wat ik mocht doen om de geëxpatrieerden te evacueren in geval zich ongeregeldheden zouden voordoen. De vorige evacuaties zijn altijd goed verlopen, maar toen was ik niet zeker van het resultaat. Wie verantwoordelijkheid draagt houdt ook rekening met gevallen van overmacht » (237b).

De commissie stelt vast dat er daarnaast een aantal besprekingen hebben plaatsgehad, waarbij kolonel Marchal aandrong op specifieke richtlijnen voor een « worst case »-scenario. Een commissielid stelde de vraag of de mogelijkheid werd onderzocht de blauwe baret te vervangen door de groene baret in geval zich een « worst case »-scenario zou voordoen.

Admiraal Verhulst antwoordt hierop : « Er is geen schriftelijk antwoord geweest maar de generale staf en kolonel Marchal hebben besprekingen gevoerd waarvan ik de inhoud niet ken. Het zou mij overigens ten zeerste verbazen als kolonel Marchal het daarover niet met de stafchef zou hebben gehad... De mogelijkheid om van baret te veranderen zat vervat in de voorrang die de stafchef van het commando van KIBAT gaf aan het verzekeren van de veiligheid van zijn manschappen » (238b).

De commissie stelt vast dat kolonel Marchal op zijn vragen nooit een degelijk antwoord heeft gekregen.

Er waren niet enkel de berichten en gesprekken tussen de sector Kigali en de generale staf. Ook het rapport Uytterhoeven van 25 februari 1994 meldt expliciet de problematiek van een eventuele evacuatie van geëxpatrieerden.

« Évacuation de la communauté des expatriés.

Bien que cette évacuation soit à présent intégrée au plan général d'Evac de l'UNAMIR , quelle doit être l'attitude du Det (Be) UNAMIR si cette Evac ne se passe pas comme prévu et que des expatriés de la Communauté belge ne peuvent être évacués avant le départ des Tp de l'ONU ?

D'autre part, en cas de départ anticipé de l'UNAMIR, la communauté des expatriés se trouvera sans protection extérieure. Quid de la présence Be ? » (239b).

Na de dramatische gebeurtenissen van 6 en 7 april bevond KIBAT zich in het « worst case »-scenario, waarop het niet was voorbereid. De discussie en de tegenstelling die reeds naar boven kwamen na de betoging van 8 januari stelt zich duidelijk tijdens de dagen die volgden op 7 april. In een telex van 9 april bracht kolonel Dewez aan C Ops te Evere verslag uit van zijn onderhoud met generaal Dallaire. Hieruit bleek dat generaal Dallaire andermaal de Belgische blauwhelmen ontzegde deel te nemen aan de evacuatieoperatie. Hierover was kolonel Dewez blijkbaar erg ontgoocheld : « si New-York ne modifie pas le mandat, nous ne pouvons participer à cette ops et devrons donc nous même faire partie du pers Minuar à évacuer et non des unités évacuant (...). (...) l'humiliation de devoir répondre sans cesse aux compatriotes qu'on ne pouvait quasiment rien faire (...). Je demande instamment que Belgique contacte New-York pour demander soit de changer notre mandat, soit de nous permettre de quitter le MINUAR et de repasser sous ctl BE et faire ops avec collègues FR en BE. » (240b).

De commissie stelt enerzijds vast dat er een burgerlijk evacuatieplan op het niveau van de Belgische ambassade bestond, en dat geëxpatrieerden telefonisch contacten onderhielden met de ambassade. Talrijke geëxpatrieerden werden individueel geëvacueerd nadat zij hierom verzochten bij de ambassade. De commissie stelt anderzijds vast, op het militaire vlak, dat de militaire autoriteiten in Kigali en in Evere op de hoogte waren van het gebrek aan een geloofwaardig militair evacuatieplan en aan duidelijke richtlijnen voor de compagnie- en pelotonscommandanten in geval zich een « worst case »-scenario zou voordoen.

3.3.3.9. De voorbereiding van KIBAT II

De commissie stelt vast dat de voorbereiding van KIBAT II onder meer hierin verschilde van KIBAT I dat er voortdurend de nadruk werd op gelegd dat de misstappen van KIBAT I moesten vermeden worden. KIBAT II werd aangemaand een minder agressieve houding aan te nemen, slechts de wapens aan te wenden na toestemming van hogerhand.

Kapitein Lemaire getuigt :

« De briefing bevat vier punten. Er was de beperktheid van het mandaat en het feit dat de herhaling van de misstappen van 1 para moest worden vermeden. Men vroeg ons ook om geen agressieve houding aan te nemen ten aanzien van de Rwandezen. Er werd ons gemeld dat er voor het gebruik van wapens een toestemming nodig was.

Ik kan de boodschap als volgt samenvatten : « U bent hier in zekere zin als waarnemers...

Men zei ons dat het risico voor ons beperkt was, men heeft het nooit gehad over direct gevaar voor de Belgen of voor UNAMIR, anders zou ik het uitgaan 's avonds hebben verboden » (241b).

Verder stelt de commissie vast dat er betreffende de ROE grote onduidelijkheid bestond tijdens de voorbereiding van KIBAT II. Hierop zal in dit luik evenwel minder diep worden ingegaan aangezien er een volledig hoofdstuk aan de problematiek van de Rules of Engagement gewijd wordt.

Tenslotte stelt de commissie vast dat de voorbereiding in het algemeen eerder gebrekkig en summier was, zoals zal blijken uit de getuigenissen die volgen.

De samenloop van de ervaringen van Somalië en de disciplinaire problemen van KIBAT I hadden een overreactie tot gevolg waardoor de generale staf te Evere besliste KIBAT II een gewijzigde voorbereiding te geven.

Luitenant-generaal Charlier zegt dat dit zijn voornaamste conclusie is uit KIBAT I : « Het verslag van luitenant-generaal Uytterhoeven vermeldt die moeilijkheden. Op basis daarvan werd de training van het tweede Codo gewijzigd. De disciplinaire problemen van het eerste bataljon vloeiden voort uit het feit dat het uit Somalië kwam waar een totaal andere sfeer heerste. Het tweede bataljon Codo heeft een andere opleiding gekregen. Men heeft hen gezegd dat het een ander mandaat was en dat incidenten moesten worden voorkomen. Ze moesten niet leren zich beter te verdedigen, maar beter te beantwoorden aan het mandaat van vredeshandhaving in een stad... Het tweede bataljon Codo heeft ook deelgenomen aan de opdracht in Somalië. Er moesten in elk geval lessen worden getrokken. De veiligheid verzekeren behoort tot de basisopleiding » (242b).

Volgens bataljonscommandant Dewez werden de manschappen voldoende en degelijk ingelicht over de aard van de missie : « Je vous ai dit qu'un cours a été donné, dans la salle de musique, à tous les gradés, jusqu'au niveau de chef de peloton. Dans ce cours, j'ai assuré la première partie et j'ai expliqué le fonctionnement général de l'ONU, des opérations de paix etc. Ensuite, le capitaine Choffray a poursuivi avec, notamment, les règles d'engagement. À l'issue de ce briefing, un document a été distribué à chaque compagnie... Ensuite, la mission de chaque compagnie consistait à transmettre ce briefing au sein de la compagnie vers les pelotons... Un autre jour ­ c'était au camp de Vogelzang ­ j'ai rassemblé les compagnies donc tous les soldats et je leur ai donné un briefing d'une heure environ.

Lors de ma première audition, je vous ai donné une photocopie de ces notes extraites de mon petit carnet noir. Vous constaterez que j'indiquais que la mission allait être difficile et qu'il ne s'agissait pas du tout de vacances. Je n'ai jamais dit aux hommes qu'ils allaient en vacances; je vous ai expliqué l'autre jour que ce bruit s'était certainement répandu entre eux en raison de la comparaison avec la Somalie. ... À Kigali la vie était « normale » si je puis dire ­ certes pas comme à Bruxelles ­, mais ils pouvaient sortir, aller au restaurant le soir, ils pouvaient aller nager à la piscine du Méridien » (243b).

Kolonel Dewez geeft wel toe dat de inlichtingen die hij gekregen had van de generale staf over de situatie in Rwanda nogal algemeen waren, en dat hij zich, om een scherper beeld te hebben van de toestand, ter plaatse richtte tot pater Bouts (244b).

Toch meent kolonel Dewez dat zijn bataljon naar behoren werd voorbereid.

Op 6 april heeft hij aan generaal Dallaire uitgelegd hoe zijn mannen waren voorbereid en deze uitte daarover zijn tevredenheid. Na zijn verkenning ter plaatse heeft kolonel Dewez de sectie-, compagnie-, en bataljonschefs opnieuw bijeengeroepen voor een briefing waarop hij de UNO-regels en de verschillende fasen van UNAMIR heeft uiteengezet. Hij herhaalde ook dat de opdracht verschillend was van die in Somalië en dat in Rwanda elke sectie moest samenwerken met de plaatselijke gendarmerie.

Tevens heeft hij bij aankomst aan iedereen een vademecum met de Rules of Engagement laten uitdelen (245b).

Ook stafchef Charlier meent dat de manschappen goed op de hoogte waren van de aard van hun missie : « Ik veronderstel dat de briefing voor kolonel Dewez niet de enige informatie was. Er waren reeds syntheses over Rwanda voorhanden bij de generale staf en kolonel Dewez moet daarvan kennis hebben gehad (...) Ik aanvaard niet dat men zegt dat onze militairen naar Rwanda zijn vertrokken als zouden zij op vakantie gaan. Wat u daar leest, lijkt mij nauwelijks denkbaar » (246b).

Ook de commandant van de brigade paracommando, generaal Roman, stelt dat hij zich niets te verwijten heeft. Op de vraag wat generaal Roman gedaan heeft om KIBAT II, na de ervaringen van KIBAT I, beter op de leiden en te informeren, antwoordt hij het volgende : « Concreet heb ik ervoor gezorgd dat alle voorwaarden vervuld waren, zodat het bataljon zijn opdracht tot een goed einde kon brengen. Dat is trouwens de verantwoordelijkheid van de chef. Alle voorwaarden voor KIBAT II moesten gunstig zijn. Het bataljon erkent zelf dat het goed was samengesteld. Kolonel Dewez heeft zich degelijk geïnformeerd. Hij is op verkenning geweest ter plekke en heeft op voorhand uitvoerige contacten gehad met zijn collega's van KIBAT I. Hij beschikte dus over zeer actuele informatie » (247b).

Waar de staf te Evere en bataljonscommandant Dewez formeel zijn dat de aard van de missie voor de manschappen zeer duidelijk was, dat zij voldoende op de hoogte waren van de ROE en dat zij degelijk waren voorbereid voor het uitvoeren van deze opdracht, blijkt uit een aantal getuigenissen van de pelotonscommandanten en de lagere kaders, dat zij deze mening helemaal niet delen.

Korporaal-chef Pierard stelt onomwonden : « On nous disait d'oublier la Somalie. On disait que le Rwanda était autre chose, qu'on nous offrait des vacances » (248b). Ook Mevr. Lotin getuigt in deze richting : « Mijn man zei dat hij bang was omdat men hem had gezegd dat zij op vakantie gingen. Een trappist had hem echter van de gevaren van de missie op de hoogte gebracht. Hij heeft trouwens zelf gezegd dat hij vreesde niet klaar te zijn mochten er zich gevaarlijke situaties voordoen » (249b).

Adjudant Boequelloen kan zich ook niet terugvinden in de uitleg van zijn corpscommandant dat de manschappen goed waren voorbereid : « De voordracht van de pater was de enige voorbereiding die ik ontving ». Hij ontving ook een map van zijn voorganger, alsmede de ROE. « Je n'ai assisté à aucun cours sur le changement des règles d'engagement » (250b).

Compagniecommandant kapitein Marchal stelt tevens dat de voorbereiding summier was. Op de vraag op welke wijze kapitein Marchal gebrieft werd over de ernst van de situatie voor zijn vertrek naar Kigali, antwoordt deze : « Je n'ai pas réellement reçu de briefing en ce qui concerne la gravité de la situation. Il a été question du climat dans lequel nous partions. Des briefings ont été organisés à ce sujet. Dès que nous sommes arrivés à Kigali, nous avons eu une réunion avec le colonel Marchal lequel nous a dit que nous devions travailler avec les institutions en place » (251b).

Aalmoezenier Quertemont, die betrokken was bij de voorbereiding van KIBAT II, meent ook dat de voorbereiding zeer kort en wat geïmproviseerd was (252b).

Ook kolonel Marchal geeft toe dat aan de voorbereiding wat schortte : « Ik zal een concreet voorbeeld geven om aan te tonen hoe complex het probleem is. Ik heb een briefing gegeven voor de officieren van het tweede detachement. Een commandant heeft mij verweten niets te hebben gezegd en dat hem niets werd meegedeeld over de rules of engagement, wat onjuist is. Het was evenwel niet mijn verantwoordelijkheid om een briefing te organiseren. Die moet gehouden worden bij de voorbereiding van de opdracht en niet op het terrein zelf. Ik heb geprobeerd om een duidelijke leemte op te vullen » (253b).

Was de generale staf te Evere ervan op de hoogte dat de voorbereiding, waarvan zij inschatten dat ze zeer degelijk was, op het terrein alleszins geen vruchten afwierp ? Waren er rapporten waar de fouten of gebreken in deze voorbereiding uit bleken, of waar men meldde dat KIBAT II geen lessen ­ of de verkeerde lessen ­ trok uit KIBAT I ?

Allereerst is er het rapport van luitenant-generaal Uytterhoeven dat omstandig de problematiek van de aard van de missie bespreekt en stelt dat generaal Dallaire helemaal niet zo tevreden was over de voorbereiding van onze manschappen: « Er is aanvankelijk een probleem geweest. KIBAT (I) is aangekomen met een mentaliteit « peace-enforcing » à la Somalie daar waar de situatie een peacekeeping mentaliteit vereiste. In ieder geval vraagt de veranderende situatie continue aanpassingen. Dit is niet eenvoudig op de uitvoeringsechelons... Het 1 Para werd als eerste geconfronteerd met enorme aanpassingsproblemen, moeilijke infrastructuur-situaties, veel verschuivingen, ontbreken van het niveau sector, enz. Het heeft zich goed uit de slag getrokken. We hebben ons leergeld betaald. De aflossers hebben geen recht meer om dezelfde aanpassingsperiode door te maken.

De Commandant brigade-paracommando en de staf van de landmacht zullen de nodige maatregelen nemen om 2 Cdo voor te bereiden. Hierin moet naast een verbeterde voorbereiding in België ook een degelijk overname schema van de laagste echelons ter plaatse voorzien worden » (254b).

Generaal Dallaire merkte op aan luitenant-generaal Uytterhoeven dat de Belgische soldaten voorbereid waren op een peace-making opdracht en dat deze opdracht een pure peace-keeping, d.w.z. politieopdracht was. Generaal Dallaire vroeg aan luitenant-generaal Uytterhoeven om het volgende detachement psychologisch goed voor te bereiden en merkte op dat Canada voor dit soort opdrachten geen para's zendt en zijn manschappen gedurende drie maanden een speciale voorbereiding geeft. Luitenant-generaal Uytterhoeven besluit dat de paracommandobrigade en de staf van de landmacht dit probleem ASAP (as soon as possible) dienen uit te werken (255b).

De commissie stelt vast dat de paracommandobrigade en de generale staf te Evere overtuigd waren van de degelijke voorbereiding van KIBAT II, en dat men de nodige lessen had getrokken uit de ervaringen van KIBAT I. De commissie stelt evenwel vast dat talrijke getuigenissen wijzen op een te summiere voorbereiding van de troepen en een verkeerde interpretatie van het peacekeeping-karakter van de missie.

3.3.3.10. De problemen inzake communicatie

Welke was de situatie van KIBAT in april 1994 ?

Kolonel Marchal was blijkbaar tevreden over de apparatuur : « Je n'avais jamais travaillé avec un réseau aussi fiable et fonctionnel que le réseau Motorola.

Il faut bien se rendre compte que, le 7 au matin, les réseaux étaient saturés et que la procédure qui devait être appliquée pour permettre de transmettre un message n'était pas opérationnelle. Je vous ai dit qu'il me fallait généralement plusieurs minutes afin de faire passer un message et que j'étais très content lorsque j'y parvenais. » (256b).

Adjudant Boequelloen, verantwoordelijke voor de transmissie op het niveau bataljon (KIBAT II) verduidelijkt voor de commissie over welke transmissiemogelijkheden men beschikte.

In het bataljon werd vooral met het SAIT-systeem gewerkt, een specifieke uitrusting die afwijkt van de organieke uitrusting van de paracommando-eenheden, aangebracht door KIBAT I en overgenomen door KIBAT II. Het peloton mortieren had geen draagbare posten van dat type.

Overigens waren uit België, ondanks het officieel verbod, de vrij compacte radioposten « PP 11 » meegenomen. Gezien de afstanden ter plaatse hadden die posten een verbinding tot stand kunnen brengen tussen het peloton mortieren en de CP van het bataljon, mits een aanpassing van de kristallen (routine-operatie als men over die kristallen beschikt, maar dat was niet het geval).

Het blijkt dat luitenant Lotin op 7 april geen PP 11 meehad. Maar ook al had hij ze bij zich, hij had met de aanwezige kristallen geen verbinding tot stand kunnen brengen op een van de frequenties welke die dag door het bataljon en de compagnies werden gebruikt.

Het peloton Lotin kon dus niet in het bataljon-commandement worden ingeschakeld als het zich van zijn voertuigen verwijderde, en dat was op 7 april het geval.

Naast dit gevechtsnet beschikte men op het niveau bataljon ook over een burgerlijk telefoonnet, dat aangesloten was op Rwandatel, maar zeer gevoelig was voor sabotage.

Hij stelt : « Binnen het bataljon werd een telefoonnet geïnstalleerd, dat echter zeer snel zijn beperkingen aantoonde, aangezien het verbonden was met Rwandatel, de lokale telefoon, en zodra de centrales opgeblazen werden, was deze telefoon onbruikbaar ... Het betreft hier een intern net voor KIBAT. Eén niveau hoger, de Sector en de Force, werd een systeem door het burgerpersoneel van de UNO geïnstalleerd, welk een burgersysteem is, dat zeer eenvoudig kan gesaboteerd worden en voor contraspionage gebruikt kan worden (257b). Wij militairen evalueren zeer snel de mogelijkheden waarover de ander kan beschikken om ons inefficiënt te maken. Wij wisten ook hoe het systeem naar boven te neutraliseren ».

Over het gebruik van de Motorola is de expert formeel : « KIBAT had ook toegang tot dit net. Maar dit burgerlijk systeem werkt zoals een GSM-netwerk : iedereen kan een oproep doen. Eender wie kon een Motorola kopen en de gesprekken op de verschillende kanalen volgen » (258b).

Adjudant Boequelloen maakt een duidelijk onderscheid tussen het niveau bataljon (2e commando) en de hogere VN-echelons. « Tot op het niveau bataljon waren wij een parate strijdmacht. Daarboven was het een burgersysteem, want wij waren daar om aan peace-making te doen.

Een burgersysteem, en dat zeg ik u eerlijk, toont heel snel zijn beperkingen. Het volstond om twee stations te saboteren en het was gedaan, er waren geen verbindingen meer » (259b).

Adjudant Boequelloen vroeg over deze situatie opheldering aan kolonel Marchal, die hem zonder meer doorverwees naar de Force : « Daar ontmoette ik een Bengaalse transmissieofficier die zich enkel bekommerde over het kaartspel op zijn computer. Hij stuurde mij terug naar Rwandex, bij het UNO-burgerpersoneel, die mij zeiden te beschikken over een aantal Motorola's en op welke plaatsen de relais waren geïnstalleerd. Ik heb hun gezegd dat dit toch niet kon, maar zij antwoordden mij dat dit nu eenmaal zo was. Als u mij toestaat, dan voeg ik hier graag aan toe dat vanuit militair oogpunt het hier een amateursysteem betrof, maar de mensen die het installeerden waren beroeps » (260b).

« Ik herhaal het, in het kader van een militaire operatie staat dit systeem ons niet toe te reageren. Inderdaad, het gaat over kleine motorola's die men op een tafel zet en die naar een relais leiden, maar indien die springt heb je geen Motorola, en dus geen communicatie meer » (261b).

Dat het gebruik van de motorola minder inspanning vraagt van het personeel dan de klassieke militaire radioapparatuur, maar dat dit tevens gevaren inhoudt voor de militaire discipline van de militairen, mag blijken :

« Een bepaalde dag stelde ik vast dat een jeep onbemand op een parking stond, met de radio aan. Ik was hoogst onaangenaam verrast. Ik stelde vast dat twee officieren een hapje aten. Zij hadden hun jeep op de parking achtergelaten met de gevechtsradio aan, en zij zaten daar aan tafel, met hun motorola » (262b).

In zijn eerste verklaringen spreekt adjudant Boequelloen over de motorola en over het radionet « vakantiekamp ». Hij verklaart zich nader : « Dat wil zeggen dat het was georganiseerd zoals een vakantiekamp. Iedereen heeft zijn radiootje. Als men 's morgens opstond, zette men het aan, en daarna sloot men het gewoon. Dat is geen gevechtsnet » (263b).

Waar op het niveau bataljon met militaire apparatuur werd gewerkt, blijkt dat zelfs deze niet geschikt was voor risicosituaties. Luitenant Lotin en zijn mortieren waren communicatief afgesneden van het bataljon toen zij hun voertuigen verlieten, aangezien de radio's op hun voertuigen gemonteerd waren en zij niet beschikten over draagbare kits of radio's. Op zulk een moment blijkt een goede radioverbinding letterlijk van levensbelang te zijn. Dit blijkt des te meer uit het rapport Uytterhoeven, dd. 16 november 1994 : om 8.20 u., op het ogenblik dat mevrouw Uwilingiyimana besliste om door de tuinen te vluchten, vroeg luitenant Lotin om instructies. Kolonel Pochet (hoofdkwartier Sector) zei tegen luitenant Lotin dat zijn missie erin bestond haar bescherming te leveren, en dat hij haar dus zou moeten vergezellen (zelfs door de tuinen).

Luitenant Lotin merkte op dat hij dit onmogelijk te voet kon uitvoeren omdat hij dan niet meer kon beschikken over zijn radioverbinding. Het was dan, en om die reden, dat men besloot dat het peloton mortieren mevrouw Uwilingiyimana niet zou volgen bij haar vlucht (264b). Met draagbaar radiomateriaal zou de groep Lotin zijn beschermingsopdracht, gewapend, wellicht door de tuinen wel hebben kunnen voortzetten.

Hoe was de situatie bij de tegenstrever ? Beschikte de FAR over degelijke radiomiddelen ? Konden zij in geval van een blitzoperatie richting Lotin snel om versterkingen vragen ? Opvallend is dat de officieren zonder Afrika-ervaring menen van wel, waar de Afrika-kenners de transmissiemogelijkheden van de FAR sterk relativeren.

Zeker is alleszins dat duidelijkheid omtrent deze elementaire inlichtingen volledig ontbreekt, zelfs in de wetenschap dat België militaire samenwerking verleende aan de FAR.

Adjudant Boequelloen, die talrijke zendingen in Afrika uitvoerde, antwoordt : « Ik denk niet dat dat (het transmissiesysteem van de FAR) fantastisch was. We zagen wel antennes, maar die zagen er niet erg krachtig uit ».

Ook korporaal-chef Pierard twijfelt eraan of men snel versterkingen kon oproepen : « De kleine groepjes die we links en rechts zagen, waren ongeveer een vijftiental man sterk, zij hadden geen radio's, etcetera (265b). »

Was C Ops of de generale staf te Evere op de hoogte van de gebrekkige mogelijkheden van transmissie bij KIBAT ? Het rapport Guérin wijdt hieraan een afzonderlijk hoofdstuk en benadrukt de dringende nood aan een oplossing.

« a. Tr Long Range

Actuellement, tous les moyens sont au Sect, ce qui oblige le Bn à passer par le Sect. Même pour les Tr de routine (Br1, Br4, ...), avec le retard que cela implique. Une Eq et des moyens pourraient être déplacés de Mombassa à Kigali pour Rft le Bn.

b. Tf Rwandatel

Le réseau Rwandatel fonctionne de manière satisfaisante mais il est sur écoute, il n'est pas disponible dans chaque Cant et il est vulnérable. Il peut être amélioré à peu de frais dans certains Cant (Don Bosco, ...) avec des moyens Mil (Centrale, dérivation de raccordement, ...) .

c. R civiles

Le reseau Motorola utilisé au niveau de la Force et du Sect est encombré par les utilisateurs Mil et civils. Aucun des systèmes proposés (Motorola, Kenwood, Philips) n'est sûr. Une dizaine de radios portables de faible encombrement serait cependant utile au Bn pour certaines missions spécifiques (Ln Comd, Lo, ...) .

d. R Mil

Le reseau SAIT/ BLU fonctionne de manière satisfaisante dans la KWSA mais il est très probablement sur écoute. La mise en place de Mat Rita permettrait d'assurer des Ln Safe entre les Cant sans nécessiter de Pers supplémentaire.

Évaluation sommaire des besoins :

­ une station fixe par Cant (14 actuellement)

­ une station mobile par autorité (Co, Comd Cie, S3, Otr)

e. Immarsat mobile

Le Bn reçoit régulièrement des missions à longue distance (escortes). Il est nécessaire de doter certains Veh d'un Immarsat pour assurer les Ln jusqu'aux frontières de la Tanzanie et Ouganda : Heli, Pl Recce, ... (266b). »

Het is de commissie onbekend in welke mate C Ops met de opmerkingen van Guérin rekening heeft gehouden.

Heeft men over deze problemen inzake de transmissie een debriefing gehouden ? Werden de nodige conclusies getrokken ? Is deze situatie intussen aangepast ?

Volgens adjudant Boequelloen-chef heeft er geen debriefing plaatsgehad. En korporaal-chef Pierard voegt eraan toe dat men in Joegoslavië nog steeds met deze motorola's werkt. « In mijn groep beschikken wij over onze radio en over een motorola. In Joegoslavië is mijn groep in contact met de compagnie via de radio en met de Force Commander, de G2, via de motorola (267b). »

3.3.3.11. De moeizame verzameling en gebrekkige aanwending van inlichtingen

Het verzamelen van inlichtingen, het juist interpreteren van deze informatie en het verwerken ervan in operationele richtlijnen voor de troepen in Kigali verliep zeer gebrekkig.

In dit hoofdstuk stelt de commissie in zeven grote onderdelen vast dat op vele vlakken het inzamelen en verwerken van militaire en politieke inlichtingen zeer mank liep. In een eerste deel stelt de commissie het niet-bestaan van een inlichtingendienst op het niveau van de VN vast, in een tweede onderdeel stelt zij de poging tot organisatie van deze diensten op de verschillende operationele niveaus in Kigali vast, een derde onderdeel wordt gewijd aan de inlichtingen die al dan niet verkregen worden vanuit de militair-technische samenwerking, een vierde deel zal handelen over de uitwisseling van inlichtingen met buitenlandse diensten en de Rwandese overheid, vervolgens zal de commissie een aantal getuigen vermelden die stellen wat er gebeurde met de verzamelde informatie, welke acties naar de generale staf, en meer bepaald naar de SGR te Evere ondernomen werden, in een zesde deel zal de commissie vaststellen hoe de werking van deze dienst in de praktijk verloopt en in een zevende en laatste onderdeel zal de commissie vaststellen op welke wijze de informatie het ministerie van Landsverdediging en het ministerie van Buitenlandse Zaken bereikte en hoe de wisselwerking tussen deze departementen inzake inlichtingen verliep.

(1) Het niet-bestaan van een VN-inlichtingendienst

In zijn antwoord aan de advocaat-generaal van het Militair Hof stelt generaal Dallaire het niet-bestaan van een verzamelpunt voor inlichtingen op het niveau van de VN vast : « The United Nations Assistance Mission for Rwanda (UNAMIR), like all other United Nations Peacekeeping Operations, did not have an independent « intelligence » service. The collection of information was done overtly by military staff officers assigned as Information Officers, to the UNAMIR Military Division Force HQ, the five Sector Hqs and the three Battalion Hqs. Information contained in patrol reports, observation post reports, and investigations reports was transmitted in the form of daily situation reports through the chain of command, from the Military Information Officer through the Chief Operation Officer, to the Deputy Force Commander and the Force Commander himself. The Special Representative of the Secretary-General (SRSG) or his Chief Civilian Staff Officer, were briefed regularly by the Force Commander and the Military Information Officer. Occasionally, unofficial information was provided by local informants and diplomatic or governmental sources (268b). »

Ook kapitein Claeys, die op het niveau van de Force verantwoordelijk was voor de tak 2 (inlichtingen), beklaagt zich over het feit dat zijn opdracht hierdoor « officieel te beperkt was » : Neen, de UNO moest als neutrale partij blijven optreden. Ik weet niet of u ervan op de hoogte bent, maar voor de UNO mag er niet aan intelligence worden gedaan. Vandaar dat men een gebrekkige term hanteert zoals military information officer.

Wat ik officieel moest doen, lag heel ver van wat ik in werkelijkheid deed. Officieel moest ik briefings geven aan de nieuwe stafofficieren. Ik moest hen het relaas geven van de vooruitgang en van de verschillende pogingen om de overgangsregering in de startblokken te zetten. Ik moest de verschillende granaataanslagen en moordpartijen opvolgen die er op het ganse grondgebied gebeurden. Daarbuiten beperkte mijn taak zich tot eventuele contacten met liaisonofficieren van het RPF of de liaisonofficieren van de FAR (269b). » Niettemin informeert kapitein Claeys dagelijks majoor Maggen, die verantwoordelijk was voor de dagelijkse Sitreps voor New York, over incidenten en andere relevante inlichtingen (270b).

Majoor Podevijn, die officieel instond voor de begeleiding van humanitaire konvooien, maar die discreet ook inlichtingen verzamelde voor SGR op het niveau van de Force, bevestigt dit : « Neen, ik moest daar trouwens discreet over blijven, vooral tegenover de UNO, omdat het inwinnen van informatie niet tot de UNO-opdrachten behoorden » (271b).

Op het niveau van de sector ondervindt sectorcommandant kolonel Marchal tevens het gebrek aan een gespecialiseerd officier : « Om die tekortkomingen weg te werken heb ik eind december aan generaal Dallaire gevraagd om in het sectorhoofdkwartier te kunnen beschikken over een gespecialiseerd officier. De samenstelling van de staven is een bevoegdheid van de VN in New York, daar de evenwichten qua nationaliteit moeten worden nageleefd. Ik had voorgesteld dat die bijkomende officier een Belg zou zijn, want hij moest de taal van het land spreken. Dat voorstel werd verworpen, daar het inwinnen van inlichtingen een offensieve daad is die geen deel uitmaakt van het mandaat van UNAMIR (272b). »

Kolonel Balis, die als verbindingsofficier tussen de Force en de Sector fungeerde, stelde ook voor aan generaal Dallaire een dergelijke inlichtingencel op te richten : « Het is natuurlijk zo dat we heel veel geruchten, mededelingen, hadden, maar weinig concreets op papier. Volgens mij was dat misschien wel de grootste zwakte van de zending UNAMIR.

U moet mij verontschuldigen, ik ben een verkenner (NVDR : officier van de verkenningstroepen). Ik wil weten wat er gebeurt.

Het is mij direct opgevallen dat de belangrijkste sectie in zo'n staf en zo'n operatie bestond uit één Belgische kapitein. Die man heeft dag en nacht gewerkt. Die heeft werkelijk schitterend werk gedaan, maar dat was te veel voor hem.

Ik heb generaal Dallaire voorgesteld, toen mijn Bengalese chef er was en er bijna geen, of geen, operaties liepen, om mij toe te laten een G2 te maken, om een inlichtingencel op te richten met drie, vier of vijf officieren en vooral met enkele mensen die Rwandees kennen. In heel die staf sprak niemand Rwandees. Dat is dus onvoorstelbaar.

Dallaire heeft gezegd : « OK, ik noteer dit. Ik vraag de toelating aan New York. » Het antwoord van New York was dat het niet wenselijk was een inlichtingencel op te richten omdat het inwinnen van inlichtingen een daad van agressie zou zijn (273b). »

De commandant van de paracommandobrigade, generaal-majoor Roman stelde, ook dat het hierdoor zeer moeilijk was zich een juist beeld van de werkelijkheid te kunnen vormen : « De situatie ter plaatse was zeer moeilijk te analyseren. Men moest immers honderden documenten samenvoegen om zich een benaderend beeld van de werkelijkheid te kunnen vormen. Dat type structuur bestaat niet bij de VN (274b). »

Generaal-majoor Delhotte, hoofd van de SGR te Evere, geeft een verklaring aan deze leemte, door te stellen dat de VN-lidstaten vreesden dat de Amerikanen in zulk een inlichtingencel een te grote invloed zouden verwerven : « Wat de leiding van operaties onder VN-vlag betreft, zou men zich moeten afvragen waarom die instelling niet over haar eigen inlichtingendienst beschikt. De reden daarvoor is dat de Amerikanen de VN hadden aangeboden gratis een inlichtingencentrum op te richten dat met gegevens uit hun eigen databanken zou worden gevoed.

De overige landen hebben dat voorstel uiteraard verworpen, aangezien de Amerikanen op die manier de beslissingen van de VN op afstand zouden beïnvloeden (275b). »

De adjunct-commandant op de SGR, generaal-majoor Verschoore, betreurt dat men op de SGR van de VN geen enkele analyse kreeg. Het is slechts, zo stelt hij, op het ogenblik dat een Belgische officier bij de VN kwam, in verband met Joegoslavië, dat de SGR meer inlichtingen verkreeg (276b).

Hoewel men, zoals uit bovenstaande getuigenissen blijkt, niet kon rekenen op een inlichtingendienst van de VN, werd er toch, in een poging om deze leemte op te vangen, een inlichtingendienst op het niveau van het bataljon ingeschakeld. Volgens de S2 (inlichtingen) op het niveau van het bataljon KIBAT I, luitenant Nees, was het de eerste maal dat dit bij een VN-actie gebeurde. Hij geeft evenwel toe dat op zijn echelon men niet om meer mensen vroeg en dat ook zijn oversten dat niet nodig vonden (277b).

De commissie stelt vast dat dit gebrek aan een VN-inlichtingendienst op alle echelons, in Kigali en in Evere, als zeer ernstig wordt ervaren. Verschillende pogingen werden ondernomen om dit euvel op te lossen, maar New York heeft elk voorstel in dit verband steeds categoriek weggewuifd.

(2) De poging tot organisatie van inlichtingendiensten op de verschillende echelons te Kigali

Ondanks het niet-bestaan van een VN-inlichtingendienst doet kapitein Claeys op het niveau van de Force een aantal persoonlijke inspanningen om inlichtingen te verzamelen die nuttig konden zijn voor UNAMIR. Hij was de informatieofficier, die in die functie belangrijke inlichtingen verzamelde : « Hij (Jean-Pierre) informeerde mij bijvoorbeeld over de lijsten van geregistreerde Tutsi's. Hij heeft mij die echter nooit willen overhandigen, want dat was zijn grootste garantie. Het bestaan van die lijsten werd later bevestigd door de uitvoering van het plan. Hij zei toen al dat men in staat was om 1 000 Tutsi's per 20 minuten te vermoorden in heel Kigali. Hij heeft ons de precieze plaatsen aangeduid waar wapenopslagplaatsen zich bevonden. Het ging dan zowel om kleine loodsen, als om zogezegde beerputten. Hij heeft ons ook getoond langs waar de konvooien zouden rijden. Het ging in feite niet om konvooien, maar om burgervoertuigen voor vervoer van wapens vanuit militaire kampen naar opslagplaatsen. Verder vertelde hij ons altijd dat hij onder druk werd gezet door de partij om zo snel mogelijk de wapens en de munitie te verdelen. Hij zei ons dan, dat hij ofwel de wapens ofwel de munitie bezorgde, maar nooit aan de zelfde persoon wapens en munitie ». Op de vraag wat de kapitein met al deze inlichtingen deed, luidt zijn antwoord : « Die werden telkens doorgezonden naar generaal Dallaire. Elke ontmoeting die ik met hem heb gehad, heb ik gebrieft aan de generaal. ­ Vraag : Welke Belgische officieren waren op de hoogte van uw ontmoetingen met Jean-Pierre ? ­ Alleen kolonel Marchal en kolonel Kesteloot. » (278b)

Kolonel Marchal geeft een belangrijke en gedetailleerde getuigenis aan de commissie over de wijze waarop de sector Kigali inlichtingen inwon : « Wat de inlichtingen betreft, maak ik een onderscheid tussen twee periodes. De eerste periode dateert van voor mijn vertrek naar Rwanda, op 4 december 1993. Ik werd ingelicht door de pers en door telexen van ambassadeur Swinnen waarvan ik kennis had, aangezien de voortzetting van de operaties tot mijn bevoegdheid behoorde.

Ter plaatse had ik verschillende informatiebronnen, zoals de radio, het persoverzicht van UNAMIR en een aantal persoonlijke contacten. Mijn inlichtingen steunden ook op onze indruk van de manier waarop de bevolking reageerde wanneer wij Kigali doorkruisten en op mondelinge en schriftelijke verslagen van mijn eenheden.

De contacten die ik vanaf 10 januari met JeanPierre heb gehad, waren zeer leerrijk en boden een solide basis.

Ik zou nu dieper willen ingaan op de structuur op basis waarvan informatie van UNAMIR kon worden verkregen. Ten eerste beschikte het hoofdkwartier van het commando van generaal Dallaire, waarvan de afdeling operaties bestond uit twee officieren, een Belg en een Senegalees, over een inlichtingencel. Wat het sectorhoofdkwartier betreft, was terzake niets geregeld. Op het niveau van de eenheden zelf bestonden er afzonderlijke inlichtingencellen, die voor het Belgisch bataljon werd geleid door luitenant Nees. Volgens mij heeft luitenant Nees zo onontbeerlijke informatie kunnen verkrijgen. Rutbat beschikte over een inlichtingencel waarvan het technisch niveau niet hoger lag » (279b).

Daarnaast nam kolonel Marchal zelf een aantal initiatieven om bijkomende inlichtingen te verzamelen : « Elke week vond nog een derde vergadering plaats die door mij werd voorgezeten en waaraan de detachementscommandanten deelnamen » (280b).

Zo ook verkreeg hij de toestemming van luitenant-generaal Charlier, en dit op verzoek van luitenant Nees, om een netwerk van informanten op te richten en over een budget te kunnen beschikken (281b).

De commissie stelde de luitenant ook vragen naar de methode inzake verwerving en verwerking van de informatie en hoe die werd ontvangen door zijn superieuren. Luitenant Nees :« Ik kreeg 30 000 Rwandese frank per maand, wat overeenstemt met 1 000 Belgische frank, om kleine kosten van informanten te vergoeden. (...) Kolonel Leroy kreeg de volledige verslagen. Hij voegde indien nodig kopies toe. Hij stuurde dit door naar kolonel Marchal. Indien het belangrijk was, werd het verder doorgestuurd naar C Ops. Er waren weinig of geen reacties op mijn berichten van de generale staf. Als kleine garnaal in het Belgisch leger verwacht ik ook niet dat de generale staf mij om inlichtingen vraagt. » (282b)

Luitenant Nees bevestigde bovendien dat de doorstroming van de verkregen inlichtingen op de verschillende niveaus of onbestaande was of onvoldoende was georganiseerd. De hiërarchische overste van luitenant Nees was kolonel Marchal en die beschikte niet over een inlichtingendienst op zijn niveau.

Net zoals kapitein Claeys op het niveau van de Force, trachte hij op het niveau van het bataljon, onmiddellijk bruikbare tactische inlichtingen te krijgen, zoals over de plaatsen waar de wapens zich bevonden (283b).

Toch beklaagde kolonel Marchal zich meermaals over de bijzonder moeilijke taak om op een efficiënte manier bruikbare inlichtingen te verzamelen en uit te wisselen : « Over inlichtingen beschikken is niet voldoende, men moet ze ook uitwisselen. ... Een wekelijkse vergadering, die werd voorgezeten door de Bengalese stafchef, handelde over de inlichtingen. Aan die vergadering namen de inlichtingenofficieren deel. Spijtig genoeg verliep de vergadering in het Engels, een taal die onze officieren soms niet goed beheersten. (...) Zo heb ik helaas kunnen vaststellen dat Belgische militairen nogal eens aan een meerderwaardigheidscomplex leden. Ik heb mij ingespannen om de positieve aspecten van de andere detachementen te doen blijken » (284b).

Een belangrijk pijnpunt volgens kolonel Marchal is het gebrek aan gespecialiseerde inlichtingenofficieren, op het niveau van de Sector en van KIBAT, om hem bij te staan in zijn opdracht inlichtingen in te winnen : « De rol van de S2 -officieren in de bataljons bestaat erin tactische informatie te verzamelen. Het verzamelen van de operationele informatie was de taak van Podevijn en Claeys, niet die van de S2-officieren. Deze laatsten, die geen opleiding hadden gekregen, hebben hun best gedaan, maar zij hebben de informatie niet op de goede plaatsen ingewonnen.

Kapitein De Cuyper stelt analyses voor over overgangsregeringen. Dat behoort niet tot zijn taak. Hij moest zich met de tactische informatie bezighouden. Bovendien ga ik niet akkoord met zijn analyse, want indien de overgangsregering niet gevormd is op 25 maart, is dat te wijten aan de afwezigheid van een van de actoren , het RPF » (285b). Kolonel Marchal gaat verder : « Mijn voornaamste zorg was een vergiftigde sfeer te vermijden, wat een moeilijke taak is voor een specialist van de inlichtingendiensten en nog moeilijker is voor amateurs die wij waren. Wij moesten neutraal blijven en de informatie goed evalueren. Ik heb gevraagd dat men mij aan het eind van elke maand voor elk Belgisch detachement een synthese- en evaluatieverslag zou bezorgen. Ik heb er nooit één ontvangen » (286b).

Kolonel Marchal meent dat met deskundige analisten het drama had kunnen worden voorkomen : « Een gebrek dat ik zeer sterk heb aangevoeld, was de afwezigheid van een inlichtingendienst. Wij werden immers geregeld geconfronteerd met incidenten zonder dat wij erachter konden komen wie daarvoor verantwoordelijk was. Als er in de nacht van 6 op 7 april analisten ter plaatse waren geweest, dan ben ik ervan overtuigd dat zij zouden hebben ontdekt dat het Burundese schema zich te Kigali herhaalde.

Dan hadden wij maatregelen kunnen treffen om mevrouw Agathe in veiligheid te brengen » (287b).

De situatie, waarover kolonel Marchal zijn beklag maakte, dateert echter niet van begin 1994. Luitenant-kolonel Leroy, commandant van KIBAT I, was aanvankelijk overtuigd dat informatiegaring geen problemen stelde : « Er kon een maximum aan informatie worden gekregen. Zo konden al onze mensen van KIBAT I over gegevens beschikken over de politieke partijen, de personaliteiten, de aan te nemen houding, de toeristische mogelijkheden » (288b). Toch geeft ook hij toe dat de realiteit ter plaatse heel anders was : « Tijdens onze contacten ter plaatse zijn we er ons bewust van geworden dat we weinig wisten over de politieke achtergronden. Wij kregen weinig inlichtingen van de generale staf. We moesten ze dus zelf inwinnen. In dat opzicht was het werk van luitenant Nees zeer nuttig » (289b).

Deze luitenant Nees, S2 bij KIBAT I, had de verzameling van inlichtingen voor zijn bataljon opgestart. Hij richtte een netwerk op met vijf informanten en trachtte ook RTLM te beluisteren. Dit liep echter niet van een leien dakje : « Op het moment dat ik aankwam in Rwanda, had ik geen kennis van dat land. Een informatienetwerk kan men niet behoorlijk opstarten in de loop van vier maanden » (290b). Dit had ondermeer ook te maken met het feit dat men geen informant bij het RPF had : « Het was zeer moeilijk om het RPF te benaderen. We hadden in feite geen contact met iemand van het RPF » (291b).

Het feit dat zijn overste, kolonel Marchal, niet beschikte over een inlichtingendienst op zijn niveau, maakte zijn opdracht nog problematischer (292b). Naar best vermogen trachtte luitenant Nees de informatie die hij inwon te verwerken.

Allereerst diende hij daartoe de verkregen inlichtingen te bevestigen uit verschillende bronnen. Alleen kon hij dit echter niet aan, en bovendien was dit niet zijn enige opdracht. Vaak nam hij ook nog permanentie waar in de commandopost (293b). Toch trachtte luitenant Nees voldoende aandacht te besteden aan de uitzendingen van RTLM : « In KIBAT I en II waren er enkele onderofficieren die het Kinyarwanda beheersten. Deze mensen luisterden sporadisch naar RTLM. Ik gaf mijn hoofdinformant wel de opdracht om vooral aandacht te besteden aan RTLM, maar om permanent te luisteren hadden we niet voldoende mensen en middelen. Ik heb in elk geval wel gevraagd of dat niet kon worden geregeld » (294b).

Tot slot relativeert hij zelf de mogelijkheden van zijn informatienetwerk en van zijn eigen kennis terzake : « Ik ben met een aantal personen beginnen samenwerken in december en heb daartoe officieel de toelating gekregen op 16 januari. Ik werkte met één hoofdinformant en met vier lossere informanten. Dit alles werd in de pers opgeblazen en voorgesteld als een informatienetwerk. Ik werd niet opgeleid om als inlichtingenofficier te werken. Dit is de taak van de SGR. In feite wisten we niets af van Rwanda en kenden we er ook niemand. Ik vond het daarom heel belangrijk dat we informatie kregen, bijvoorbeeld over de politieke aanhorigheid van de verschillende wijken van Kigali. (...) Het was inderdaad mijn initiatief. Ik heb ook op een bepaald ogenblik aan mijn overste gevraagd mijn informatie te evalueren. Men heeft mij toen geantwoord dat mijn informatie zeer interessant was. Ik ben op 20 maart uit Rwanda vertrokken. Kapitein De Cuyper heeft mijn taak op 14 maart overgenomen.

Ook hij had contacten met mijn hoofdinformant maar vermits kapitein De Cuyper zelf reeds contacten had in Rwanda, had hij mijn netwerk niet meer nodig » (295b).

Kapitein De Cuyper, die inderdaad de taak van S2 (onder KIBAT II) overneemt van luitenant Nees, stelt niettemin dat hij de ingeslagen weg verder volgt : « Mijn manier van werken was volledig dezelfde als die van luitenant Nees. Ik heb er enkel wat supplementaire informatie aan toegevoegd. Ik kon gemakkelijk weten wat en door wie iets gezegd werd. Ik wou enkel via een net van een aantal hoge functionarissen vernemen wat zij konden bevestigen wat op bepaalde vergaderingen werd gezegd. Verder kreeg ik informatie via de compagniecommandanten en politieke vergaderingen en personaliteiten (...) De manier waarop de informatie werd doorgegeven, veranderde met de aankomst van KIBAT II. Aan de commandant van KIBAT II verstrekte ik geheime en confidentiële informatie. Enkel de confidentiële informatie werd verder doorgegeven. Alleen de commandant van KIBAT II beschikte dus over geheime informatie. De dagelijkse sitrep bevatte enkel confidentiële informatie » (296b).

Ook kapitein De Cuyper bevestigt dat deze inlichtingen de enige waren waarop zijn bataljonscommandant, kolonel Dewez, kon steunen, en dat deze hem alleszins nooit bijkomende zaken kon aanbrengen (297b).

Ook de lagere officieren beklagen zich in hun getuigenis voor de commissie over het gebrek aan informatie, en betreuren het vandaag dat de weinig beschikbare informatie hen zelfs niet bereikte.

Kapitein Lemaire : « Le deuxième gros problème concernant les fautes relatives à la mort des paras, c'est que pour moi, après coup, et sur place en tout cas, il y a eu une mauvaise exploitation de tous les renseignements dont on disposait. Je vais reprendre plusieurs volets : le colonel Marchal, certainement; le 1-para aussi. Je vais m'expliquer un peu. Il semblerait qu'on savait sur place qu'il y avait un risque de génocide et qu'on savait également qu'il y avait un risque direct dirigé contre les Belges. » (298b).

Ook zijn adjunct, luitenant Lecomte, bevestigt dit : « Je me rends compte maintenant que nous, sur place, nous n'avions que très peu d'informations concernant la menace qui pesait sur le détachement belge. Cette menace était très peu perceptible par nous, sur place. Moi, en tant que commandant en second d'une compagnie « fusilliers » qui se trouvait à Don Bosco, je n'ai pas ressenti cette menace. L'information qui est parvenue à notre échelon et à l'échelon « compagnie » se basait principalement sur des informations provenant du lieutenant De Cuyper et des informations que la compagnie avait réussi à obtenir via certains contacts locaux. Je tiens à préciser que toutes ces informations ont fait l'objet de rapports de situation qui ont été envoyés à l'échelon supérieur.

Mais ces informations concernaient principalement des réunions qui montraient la collusion entre certaines personnalités de la gendarmerie et des groupes d'Interahamwe.

Maintenant, quand on voit la masse d'informations qui provenaient aussi bien de l'ambassade de Belgique, du Service général de renseignements et de la CTM que de l'état-major « secteur », on se rend compte que nous, sur place, nous ne disposions que d'une infime partie de ces informations.

Je n'ai personnellement jamais entendu parler de menaces directes contre des Belges, contre des soldats belges. Maintenant, il suffit aussi de s'imaginer que, toutes les nuits, nous pouvions, à tour de rôle, sortir à Kigali pour se rendre compte que la menace n'était pas présente. Si menace il y avait eu, nous ne serions pas sortis à Kigali toutes les nuits.

Je pense que si une faute cruciale a été commise, c'est certainement dans le manque de distribution de l'information. Je pense qu'avec toute l'information qui est arrivée en Belgique, on aurait pu « la redistribuer » et la renvoyer aux hommes qui étaient sur le terrain, afin qu'ils puissent se rendre compte exactement dans quel jeu, dans quelle situation ils se trouvaient » (299b).

Te Evere was men op de hoogte van de slechte uitrusting van onze inlichtingenofficieren te Kigali maar generaal Roman, commandant van de paracommandobrigade, verklaart dat onze mensen in Kigali zich hierover niet ongerust maakten : « Onze inlichtingendienst was niet in staat een analyse op afstand te maken. (...) Volgens mij waren de inlichtingenofficieren ter plaatse niet uitgerust. Ik herhaal echter dat het moeilijk is situaties te voorzien. In deze situatie wil iedereen aantonen dat hij zijn werk goed heeft gedaan. De inlichtingenofficieren waren niet ongerust. Het bewijs daarvan is dat ook sommigen onder hen hun echtgenote wilden laten overkomen. De analyse van de inlichtingen kwam er in feite op neer dat zij geïsoleerde feiten verzamelden die zij niet in een groter geheel konden passen » (300b).

De commissie stelt vast dat een aantal officieren te Kigali pogingen ondernamen om toch een minimum aan inlichtingen in te winnen, maar dat zij zelf hiervoor niet opgeleid waren en over onvoldoende middelen konden beschikken. In Evere was men zich weliswaar bewust van de situatie, maar werd weinig of niets concreet ondernomen om de Belgische inlichtingendiensten in Rwanda te versterken.

(3) De inlichtingen vanuit de militair technische samenwerking

Kolonel Vincent is vanaf 1991 commandant van de militair technische samenwerking bij het Rwandese leger, en is daarnaast tevens militair adviseur van ambassadeur Swinnen en een voor het SGR belangrijke inlichtingenbron.

Uit de getuigenissen die volgen, blijkt dat UNAMIR in het algemeen en KIBAT in het bijzonder weinig contacten onderhielden met de militair technische samenwerking (MTS). De Belgische inlichtingenofficieren kregen trouwens de opdracht zo weinig mogelijk contact met MTS te onderhouden om de Belgische neutraliteit te bewaren. Hoewel dit begrijpelijk was, kwam dit de uitwisseling van inlichtingen niet ten goede.

Op de vraag hoe hij verklaart dat luitenant Nees, majoor Podevijn en kolonel Marchal wel op de hoogte waren van zekere aanwijzingen van de op til zijnde volkenmoord, antwoordt kolonel Vincent : « Ik wijs erop dat de militair technische coöperatie als inlichtingenbron dienst deed, maar niet over een eigen inlichtingennetwerk beschikte. Wij deden niets meer dan onze inlichtingen aan Brussel bezorgen. Ik had niet de indruk dat er een volkenmoord op handen was, en ik heb nooit gedacht aan wat op 6 april zou gebeuren. De moord op de president had niemand voorspeld en nochtans heeft die gebeurtenis in Rwanda de balans naar het geweld doen omslaan » (301b).

MTS-officier, luitenant-kolonel Beaudoin, maakt melding van een gesprek met FAR-officieren over een genocideplan : « Quinze jours avant l'attentat, lors d'un dîner chez chef CTM, le G3 FAR a déclaré que « si Arusha était exécuté, ils étaient prêts à liquider les Tutsis » (302b).

Voor de commissie verduidelijkt kolonel Vincent hoe hij omging met de door hem ingewonnen inlichtingen : « Wij moesten controleren of het nieuws niet werd opgeblazen. Als wij drie of vier keer dezelfde informatie kregen, konden wij denken dat het om verschillende berichten ging. Daar ik militair-technisch coöperant bij de Rwandese strijdkrachten was, hadden doorgedreven professionele relaties het imago van UNAMIR kunnen schaden. Ik kende kolonel Marchal weliswaar, maar wij hadden het nooit over onze beroepsproblemen » (303b).

Kolonel Vincent stelt dat hij over goede inlichtingen beschikte aangezien hij als hoofd van het verbindingsbureau vaak contacten had met de leiding van het Rwandese leger, en hij ook veel contacten had met de Rwandezen die aan het hoofd stonden van de drie Belgische projecten (304b). Hij was tevens van heel wat informatie op de hoogte aangezien hij de militaire adviseur was van ambassadeur Swinnen, maar uitsluitend op militair gebied (305b).

Toch benadrukt hij zelf geen inlichtingenofficier te zijn, maar de chef van de samenwerking, en stelt hij dat hij dus geen analyses moest maken (306b).

Zijn contacten met majoor Podevijn, die ook werkte voor SGR, beperkten zich volgens kolonel Vincent tot het doorsturen van de documenten van majoor Podevijn wanneer diens fax defect was (307b).

Majoor Podevijn bevestigt deze contacten met kolonel Vincent : « In het begin gebruikte ik zijn infrastructuur voor het versturen van verslagen » (308b).

De officiële informatieofficier bij de Force, kapitein Claeys, zegt wel contacten gehad te hebben met kolonel Vincent, maar deze gingen nooit over specifieke aangelegenheden, zoals Jean-Pierre. Wel werd van gedachten gewisseld, op informele wijze, over de algemene situatie, zoals de voortdurende incidenten, de milities, het anti-Belgisch klimaat, ... (309b)

Luitenant Nees, S2 bij KIBAT I, getuigt dat de contacten met kolonel Vincent enkel sporadisch waren : « Van bij het begin heeft men ons opgedragen om zo weinig mogelijk contact te onderhouden met MTS om de Belgische neutraliteit te bewaren. Er waren Belgische militairen die aan Rwandezen onderricht gaven en in Rwandese uniformen rondliepen. Ik heb nooit informatie gehad over een mogelijke betrokkenheid van kolonel Vincent in Kigali. Wij hadden enkel sporadisch contact met elkaar » (310b).

De commissie stelt vast dat kolonel Vincent, gezien zijn verblijf sinds 1991 te Kigali en de functie die hij daar vervulde, over heel wat nuttige informatie beschikte. De commissie stelt tevens vast dat er, zoals de generale staf het wou, op het vlak van de inlichtingen, nauwelijks samenwerking bestond tussen de MTS en de inlichtingenofficieren van UNAMIR en KIBAT.

(4) De samenwerking met buitenlandse en Rwandese inlichtingendiensten

De commandant van SGR, generaal Delhotte, getuigt dat de CIA een belangrijke analyse, die voor België van nut zou kunnen zijn, zou uitwisselen, doch enkel wanneer daarom werd gevraagd, en dus niet automatisch (311b). Generaal Delhotte denkt trouwens dat aan de Fransen en de Amerikanen precieze vragen werden gesteld over de Interahamwe-milities (312b). Maar meteen geeft hij toe dat SGR over Rwanda haast geen enkele inlichting van de VS gekregen heeft en, in het geheel niets van Frankrijk (313b). Op de vraag of Frankrijk die inlichtingen weigerde mee te delen, antwoordt generaal Delhotte : « Het is duidelijk dat een buitenlandse inlichtingendienst nooit vlakaf informatie weigert maar zal zeggen dat hij niet over die informatie beschikt. Aangezien Frankrijk nog mensen als undercover ter plaatse had en Frankrijk een eigen nationale politiek in dat gebied voerde, vermoed ik dat Frankrijk toch over informatie beschikte, maar ik heb daar natuurlijk geen bewijzen van » (314b).

Generaal Verschoore, adjunct van SGR, bevestigt dit : « De inlichtingendiensten van Frankrijk en de Verenigde Staten gaven ons weinig informatie. Ik had de indruk dat de Verenigde Staten enkel Belgische informatie wou verkrijgen » (315b).

Majoor Hock, Rwanda-analyst op SGR, geeft een meer precieze verklaring voor de onwil van de Fransen : « Wij hadden geen individuele contacten met de buitenlandse inlichtingendiensten. Ten aanzien van de Fransen was er nog steeds het Kolwezi-syndroom. Pas later werd het vertrouwen hersteld. (...) De relaties met Frankrijk zijn niet altijd eenvoudig geweest. (...) Inzake inlichtingen is het zo dat, als men iets vraagt, men iets anders moet aanbieden » (316b).

Ook op het terrein te Kigali ondervond men problemen met het vergaren van informatie van buitenlandse collega's. Kapitein Claeys getuigt : « Il aurait été difficile de tester ce genre de choses sur d'autres nationalités. En effet, le bataillon bengali sur place ne faisait aucune collecte d'informations. Cependant, je sais que le général Dallaire a contacté les ambassadeurs de France, des États-Unis et de la Belgique. Je suppose que ceux-ci ont également prévenu leur attaché à la défense sur place. L'attaché des États-Unis était aussi en poste à Bujumbura. Une dame s'occupait également de cette question sur place » (317b).

Ook luitenant Nees (KIBAT I) geeft zijn versie van de feiten : « Met de Franse en Amerikaanse inlichtingendiensten heb ik geen contacten gehad. Voor zover ik weet, was dat ook het geval voor alle mensen op KIBAT. We wisten wel dat niet alle Franse militairen uit Kigali verdwenen waren. Er waren zelfs geruchten dat de Fransen alle telefoongesprekken en alle radioverbindingen afluisterden. Maar er was geen enkele vorm van samenwerking » (318b).

Kapitein De Cuyper (KIBAT II) (319b) was aanwezig op de wekelijkse vergaderingen op de Rwandese gendarmerie : « Ik nam niet deel aan de debatten tijdens de wekelijkse vergadering op de gendarmerie. Ik was er enkel bezoeker. Ik heb wel de commandant van KIBAT II ervan op de hoogte gesteld dat deze vergaderingen niets voorstelden omdat alle vragen en opmerkingen, op een paar uitzonderingen na, werden ontweken door de generaal-majoor van de gendarmerie. Dit werd geslikt door alle leden, behalve door twee leden van UNCIVPOL. Ook de Franse kolonel gedetacheerd bij DAMI (détachement d'assistance militaire à l'instruction) was op de vergaderingen aanwezig. Hij kwam regelmatig tussenbeide om de generaal-majoor te steunen. Wekelijks waren er ook vergaderingen op de sector. Hierop werd nooit iets interessants verteld en ik kwam nauwelijks aan bod op deze vergaderingen. Nooit kwamen er inlichtingen of analyses van boven naar beneden toe » (320b).

De commissie stelt vast dat de uitwisseling van inlichtingen met buitenlandse diensten onbestaande was. Ook bij de Rwandese gendarmerie konden geen bruikbare inlichtingen ingewonnen worden. Enkel op het niveau van de diplomatie waren er contacten, maar deze leverden geen resultaten op voor de inlichtingenofficieren te velde.

(5) De verwerking van de inlichtingen op de verschillende echelons te Kigali en te Evere

De commissie zal in dit hoofdstuk de weg overlopen die de militaire en diplomatieke inlichtingen volgden wanneer zij op het niveau van KIBAT (of hoger) werden ingewonnen tot ze SGR en de generale staf (eventueel) bereikten. Uit de getuigenissen zal blijken dat talrijke inlichtingen SGR en de generale staf niet bereikten, en dat een aantal inlichtingen niet juist werden ingeschat.

Kapitein De Cuyper, S2 bij KIBAT II, stelt dat zijn verantwoordelijkheid erin bestaat informatie over te zenden naar zijn korpschef : « ... over wat verder wordt verstuurd heb ik geen controle. Ik maakte de selectie van de informatie op mijn niveau. Ik rapporteerde alles aan mijn korpscommandant. » (321b)

Zijn voorganger, luitenant Nees, S2 bij KIBAT I, werkte op dezelfde manier : « De verslagen werden praktisch dagelijks of om de andere dag opgesteld. De eerste bestemmeling van deze verslagen was de commandant van KIBAT, d.i. luitenant-kolonel Leroy. De verslagen bevatten een overzicht van de informatie, geruchten, feiten en pamfletten die onder onze ogen kwamen. De rapporten werden ook integraal doorgestuurd naar kolonel Marchal. Kolonel Leroy had zelf geen tijd en evenmin de middelen om die informatie te bewerken. Daarom stuurde hij de rapporten door naar de sector. Nadien heb ik gezien dat de rapporten ook waren doorgestuurd naar C Ops. » (322b)

Of er met deze informatie ook wat gebeurde, is luitenant Nees vrij duidelijk : « Er kwam weinig of geen reactie op mijn berichten van de generale staf. Als kleine garnaal in het Belgisch leger verwacht ik ook niet dat de generale staf mij om inlichtingen vraagt. » (323b) Op de vraag of hij zijn werk dan niet als zinloos beschouwde, antwoordt hij : « Tijdens mijn verblijf in Kigali vond ik het zinvol omdat het mij inzicht verschafte in de structuren en politieke verhoudingen in Rwanda op het ogenblik. Achteraf bekeken was het misschien wel zinloos. » (324b)

Bovendien had de inlichtingenofficier op bataljonsniveau (Nees) geen contact met de ambassade (325b), zodat er geen doorstroming was van informatie vanuit het bataljon via onze ambassade naar Brussel.

Kolonel Leroy (Cdt. KIBAT I) bevestigt dat hij talrijke dossiers ontving, maar dat de verslagen van luitenant Nees zijn enige informatiebron waren : « Het was nochtans niet mijn taak om een analyse te maken. Wij zijn daarvoor niet opgeleid en kunnen er niet voldoende afstand van nemen. Wij kunnen alleen informatie inwinnen en concrete problemen oplossen. » (326b)

Kolonel Leroy voegt eraan toe dat hij de informatie die zij verzamelden, doorstuurde, maar dat ze er geen synthese van maakten. Daarvoor ontbraken hem de middelen en de tijd. Hij kon hiervoor geen beroep doen op majoor Podevijn en kapitein Claeys, aangezien ze geen deel uitmaakten van zijn bataljon (327b).

Kolonel Dewez (KIBAT II) bevestigt dat op 3 februari 1994 een aantal inlichtingen door het SGR aan hem werden meegedeeld op het C Ops. Volgens de kolonel werd de toestand hem in vijf minuten uiteengezet, werd op de briefing niet over Jean-Pierre gesproken, noch over de rapporten van luitenant Nees. Hij vermeldt dat er in verband met deze briefing niets op schrift werd gesteld door SGR en dat hij enkel beschikt over zijn eigen aantekeningen in zijn notaboekje (328b).

De sectorcommandant, kolonel Marchal verzamelde zelf informatie op zijn niveau en had kennis van de informatie betreffende Jean-Pierre en rapporten van luitenant Nees, waaraan hij de nodige waarde hechtte. Het is kolonel Marchal die de ambassadeur en het C Ops te Brussel op de hoogte bracht : « Wat het belang betreft dat ik hechtte aan de inlichtingen, kan ik bevestigen dat ik, na de verificatie ervan, geen enkele twijfel meer had over wat zou gebeuren. Het aantal details en de nauwkeurigheid ervan wezen erop dat er iets op til was dat een enorm aantal slachtoffers zou eisen. Mijn raming van de verliezen bedroeg tienduizenden doden.

Dat heeft geleid tot uiteenlopende reacties en ik heb de ambassadeur en het operatiecentrum in Brussel daarvan op de hoogte gebracht. Op 17 januari heeft generaal Charlier mij gebeld om inlichtingen over de geheime wapenopslagplaatsen in te winnen en mijn mening over generaal Dallaire te kennen. Ik heb hem geantwoord dat ik vond dat wij de generaal in zijn stappen absoluut moesten steunen. Op 9 februari heeft generaal Charlier opnieuw met mij contact opgenomen en heb ik hem opnieuw gevraagd generaal Dallaire te steunen, onder meer om offensieve acties te ondernemen. » (329b)

Op het niveau van de Force stelt de verantwoordelijke officier voor de inlichtingen, kapitein Claeys, dat hij direct contact had met de SGR, meer bepaald met één officier binnen de staf, namelijk majoor Podevijn (330b).

Majoor Podevijn bevestigt dat hij bijna dagelijks contacten had met kapitein Claeys (331b) en beschouwt zich als één van de inlichtingenbronnen voor het SGR. Hij verzamelde alle informatie en maakte de nota's op (332b).

Anderzijds kwam er geen informatie vanuit SGR terecht bij de Tak 2 (inlichtingen) op het niveau van de Force. Kapitein Claeys getuigt : « Neen, want ik kreeg geen feedback van SGR. Ik werkte op dat ogenblik als Belgisch officier, maar ik was niet in verbinding met de Belgische staf. ... Alle informatie die ik kreeg heb ik, telkens de gelegenheid zich voordeed, doorgespeeld naar zowel generaal Dallaire als naar kolonel Marchal. Men heeft mij altijd geantwoord dat er op hoger niveau geen garanties konden worden geboden aan Jean-Pierre. Men kon dus moeilijk nog meer informatie verwachten.

Alle informatie die hij op vrijwillige basis gaf was welkom. » (333b)

De uitwisseling van informatie tussen kolonel Vincent (MTS), ambassadeur Swinnen en SGR, kan samengevat worden als volgt : « Kolonel Vincent maakte rapporten voor de SGR. Daarvan hebben wij de synthese. Hij maakte ook verslag over aan ambassadeur Swinnen en die informatie werd verwerkt in diens telexen. Wij hebben geen directe rapporten van kolonel Vincent tenzij sommige van het SGR... Er is bijvoorbeeld de bijeenkomst met president Habyarimana in februari waarop ook kolonel Marchal en ambassadeur Swinnen aanwezig waren. Daarvan bestaat zelfs een dubbel verslag. Eén ervan is van kolonel Vincent en gericht naar SGR. » (334b)

Ambassadeur Swinnen getuigt voor de commissie dat hij regelmatig berichten naar Brussel stuurde. Zo pleitte hij ervoor de kwestie van de veiligheid van onze troepen zeer aandachtig te blijven volgen en bijkomende demarches niet uit te sluiten in het licht van bepaalde evoluties (335b).

De ambassadeur ondernam ook acties om de uitzendingen van RTLM te beluisteren en Brussel over de inhoud ervan te berichten : « In het begin zond RTLM slechts één à twee uur per dag in het Frans uit. Vanaf een bepaalde periode heb ik de opdracht gegeven om de uitzendingen meer te beluisteren. Er zijn heel wat uitzendingen opgenomen en over de inhoud hiervan heb ik Brussel steeds uitvoerig ingelicht. » (336b) Een jonge diplomaat, Bruno Angelet, werd in januari 1994 als versterking naar de ambassade gestuurd. Hij deed, volgens ambassadeur Swinnen, het nodige om uittreksels van uitzendingen van RTLM naar Brussel te sturen. De ambassadeur geeft echter toe dat zijn mogelijkheden in deze erg beperkt waren : « Als wij dat hadden gekund, hadden wij alles opgenomen en een vertaling van de uitzendingen in het Kinyarwanda gevraagd. Wij zouden ook radio Rwanda hebben opgenomen. Wij beschikten over te weinig personeel. Wij beluisterden dan ook de uitzendingen in het Frans en de opinie-uitzendingen. Vervolgens brachten wij Brussel per telex op de hoogte. » (337b)

De commissie stelt vast dat deze getuigenissen niet overeenkomen met de verklaringen van generaal Roman, commandant van de brigadeparacommando, die op de volgende vragen van een commissielid steeds formeel « neen » antwoordt : « Was u op de hoogte van plannen van Rwandese terroristen om Belgische kantonnementen op te blazen en van plannen om Belgische blauwhelmen te vergiftigen of te vermoorden om de Belgische terugtrekking uit UNAMIR te forceren, dit laatste conform de informatie van informant J.-P. ­ ... Wist u van de oproep van RTLM, eind januari, om Belgische doelwitten te viseren ? ­ ... Was u op de hoogte van de berichten over hoe men de Belgische blauwhelmen trachtte uit te dagen ? ­ Of van de Sitrep waarin melding wordt gemaakt van het risico op een granaataanval ? Sommige Sitreps werden ook naar de brigadeparacommando gestuurd. Wist u van de nota van de Inlichtingendienst waarin gehandeld wordt over Interahamwe en over de mogelijke bedreiging van de Belgen ? » (338b)

De commissie stelt vast dat de berichten van de inlichtingenofficieren en van de ambassade de commandant van de brigadeparacommando nooit bereikten.

Generaal Roman stelt terzake : « Er zijn documenten van het terrein die soms wel, soms niet naar de brigadeparacommando worden gestuurd. De SGR-documenten van hun kant hadden mij inderdaad moeten worden overgemaakt. (...) Punctuele berichten waren niet van nut voor het tweede bataljon omdat zij verkeerd dreigden te worden ingeschat. » (339b)

De voornaamste en meest directe bestemming van de inlichtingen uit Kigali was de dienst SGR te Evere, waar majoor Hock instond voor de analyses betreffende Rwanda. Op de vraag of deze documenten ontving van kapitein De Cuyper, S2 (inlichtingen) bij KIBAT II, antwoordt hij zich de naam van De Cuyper zelfs niet te herinneren, wel de naam Claeys (340b). Dat kapitein De Cuyper de opvolger was van luitenant Nees (KIBAT I), kan majoor Hock zich ook niet herinneren. Hij stelt in elk geval geen onderscheid te kunnen maken tussen de gesprekspartners, en argumenteert dat, gezien de functie (S2) werd overgenomen de continuïteit in de verwerking van de informatie verzekerd was. Als men de gesprekspartner persoonlijk kent, zo getuigt hij, herinnert men het zich beter (341b). Een betere bekende van majoor Hock is kolonel Vincent (MTS), en zoals hierboven door de commissie reeds werd vastgesteld zal majoor Hock meer belang hechten aan de informatie van kolonel Vincent : « Ik heb kolonel Vincent ontmoet omdat wij gelijkwaardige scholen hebben bezocht. Ik heb hem persoonlijk gekend toen hij bij de SGR is gaan werken. » (342b)

De commissie stelt vast dat, zoals majoor Hock getuigt, de persoonlijke kennis van de gesprekspartner inzake inlichtingen een belangrijke factor is in de beoordeling van de inhoud van de informatie.

Meer concreet wordt dit aangetoond door de manier waarop de informatie van Jean-Pierre door majoor Hock wordt verwerkt : « Toen was Jean-Pierre voor ons een onbekende. Hij was een informant van UNAMIR . Als men nader op dat personage ingaat, stelt men vast dat hij bij het begin deel uitmaakte van de veiligheidsdiensten van de president, die een zeer slechte reputatie hadden. Het was een deserteur en dus a priori niet te vertrouwen. U mag niet vergeten dat sommigen valse informatie geven. ... Met de inlichtingen van Jean-Pierre is rekening gehouden, doch pas nadat ze gecontroleerd waren, daar wij met een fantast konden te maken hebben. » (343b) Majoor Hock getuigt voor de commissie dat hij een beslissend onderscheid maakt naargelang de bron die de inlichtingen aanbrengt : « Het cijfer 6 (344b) wordt toegekend als geen controle mogelijk is. In het geval van Jean-Pierre zou ik de beoordeling F6 hebben gegeven. » (345b) Wanneer een commissielid opmerkt dat generaal Verschoore zegt deze getuigenis (Jean-Pierre) enorm geloofwaardig en belangrijk was, antwoordt majoor Hock dat wanneer de informatie van de ambassadeur of van zijn militair attaché (kolonel Vincent) komt, de beoordeling meestal A1 is (346b).

Tot slot stelt ook majoor Hock dat hij kampte met een tekort aan middelen : « De situatie in Rwanda leek ons op dat moment minder belangrijk dan die in Burundi. Onze dienst, die, zoals velen onderstreept hebben, een tekort heeft aan middelen, heeft de voorrang gegeven aan Burundi » (347b).

Generaal Verschoore (adjunct-SGR) geeft toelichting aan de commissie hoe de verwerking van informatie vanuit Kigali op het SGR geschiedde : « De SGR is een militaire dienst die onder het bevel staat van de Generale Staf. Systematisch werden de minister van Landsverdediging, het hoofd van het militair huis van de Koning en naargelang van de aard van de informatie werden eventueel andere diensten ingelicht.

De analyse van de informatie bestond uit het evalueren van deze informatie die uit verschillende bronnen afkomstig was. We probeerden de echte informatie te distilleren. Er werden vergelijkingen gemaakt en we deduceerden wat belangrijk was. Zowel voor de informatie zelf als voor de bron gingen we na wat al of niet geloofwaardig was. Het was dan de taak van de analist om na te gaan hoe valabel de informatie was.

Majoor Podevijn werd door SGR gestuurd met het doel informatie te geven over de toenmalige situatie. Ook kolonel Vincent moest inlichtingen doorgeven. Beiden werden niet met elkaar geconfronteerd. Het doel was immers uit verschillende bronnen zoveel mogelijk informatie te halen. Zodoende worden de bronnen nooit bij elkaar gebracht. Ook werd nooit aan kolonel Vincent onze conclusies meegedeeld » (348b).

Verder stelt de generaal dat het SGR uitsluitend tot doel had informatie in te winnen, te verzamelen, te analyseren, en door te sturen naar de bevoegde autoriteiten. De dienst stond onder direct bevel van de chef van de generale staf (JS). Het was niet de bedoeling, aldus generaal Verschoore, dat de dienst SGR beleidsvoorstellen formuleerde (349b).

De generaal bevestigt dat er instructies zijn geweest vanuit de generale staf die leidden tot activiteiten van het SGR, maar welke juist die vragen waren, weet hij niet meer (350b).

Op de vraag of hij op de hoogte was van het bestaan van Jean-Pierre en van inlichtingen die hij verstrekte, waaronder het plan om Belgische blauwhelmen te vermoorden is het antwoord van generaal Verschoore alleszins categorisch neen. Verder betwijfelt de generaal dat hij ooit enige informatie gelezen heeft over een plan om Belgische blauwhelmen te vermoorden (351b).

Een commissielid oppert dat kolonel Marchal als hoogst geplaatste bevelhebber de informatie van Jean-Pierre over de voorbereiding van de genocide als essentieel beschouwde. Op de vraag of dit dan geen signaal was voor het SGR om in te grijpen, en of hierover gesproken werd met C Ops, antwoordt de generaal andermaal : « Bij mijn weten niet » (352b).

Toch stelt de commissie vast dat generaal Verschoore beschikte over belangrijke informatie zoals blijkt uit de alarmerende berichten, vervat in de « Complément d'information » van 2 februari 1994. Nadat de informatie van Jean-Pierre Evere bereikte, gaf de generale staf opdracht aan het SGR tot het verzamelen van meer inlichtingen. Het is dan dat deze « Complément d'information » tot stand komt, welke gericht wordt vanuit het SGR aan verschillende bestemmelingen, waaronder C Ops.

Toch zijn er reeds vroeger belangrijke inlichtingen die vanuit Kigali gericht waren aan het SGR. Zo heeft majoor Podevijn reeds in december geïnformeerd over een mogelijke aanslag tegen een Belgisch kantonnement. Verder waren er de rapporten van luitenant Nees (S2 KIBAT I), waarvan sommige alarmerend waren (353b).

Generaal Verschoore antwoordt dat hij sterke twijfels heeft dat de inlichtingen van luitenant Nees tot bij het SGR kwamen. Hij meent dat ze rechtstreeks naar het operatiecentrum gingen. Uit stukken van het proces Marchal blijkt evenwel, zo stelt de commissie vast, dat het SGR deze informatie wel kreeg (354b).

Op de vraag wat er met deze informatie gebeurde, antwoordt generaal Verschoore : « De informatie die wij kregen is verwerkt en werd voorgesteld aan de Generale Staf. ... Die rapporten werden (door de Generale Staf) aanvaard. Ik herinner mij niet dat er ooit kritiek was. Wel werden soms bijkomende vragen gesteld.... Er was een discussie waarbij ieder die er belang bij had, betrokken was. Hierbij denk ik aan de chefs operatie en hun verantwoordelijken, onder wie kolonel Flament. Kolonel Flament nam deel aan de vergaderingen. Hij had alle elementen die wij ook hadden en daarenboven ook de Belgische elementen. Hij moest hieruit zijn conclusies trekken. SGR nam geen deel aan de beslissing » (355b).

Generaal Delhotte, chef van inlichtingendienst SGR, bevestigt dat hij via kolonel Marchal de informatie kende betreffende Jean-Pierre.

Op de vraag waarom men de meeste aandacht schonk aan de informatie, zoals die door kolonel Vincent (MTS) werd geminimaliseerd, waar het SGR toch beschikte over een hele reeks onrustwekkende inlichtingen, antwoordt generaal Delhotte : « De syntheses en de appreciatie van SGR werden door geen enkele locale autoriteit tegengesproken. C Ops vond niet dat de stem van SGR alles overheerste. C Ops beschikte over andere informatiebronnen en de inlichtingen van SGR werden niet bekritiseerd. Als het verslag niet geloofwaardig was geweest, zou generaal Charlier daar zeker op gereageerd hebben » (356b).

Generaal Delhotte voegt daaraan toe : « Vincent was één van de vele informanten en zoals u al zei geen lid van SGR.... Vincent had ervaring en kon op die manier meer informatie geven » (357b).

De stafchef van de generale staf, generaal Charlier, bevestigt dat hij van kolonel Marchal vernomen had dat er wapenopslagplaatsen waren. Hij bevestigt dat hij niet trachtte majoor Hock te ontmoeten, maar dat hij zijn verslag en de analyse ervan door het SGR gelezen heeft. Generaal Charlier stelt verder erg bondig dat dit deel uitmaakte van de negatieve informatie die hij toevoegde aan de evaluatie van de toestand (358b).

De commissie stelt vast dat de informatie van MTS hoger werd ingeschat dan de informatie van de inlichtingenofficieren van KIBAT.

(6) De werking van het SGR te Evere

Uit verschillende getuigenissen van de betrokken officieren te Evere blijkt dat men kampte met een tekort aan middelen en mensen. Ook geven de getuigen meermaals toe dat op het vlak van de inlichtingen het kan gebeuren dat men verkeerde inschattingen maakt.

Generaal Roman, commandant Brigade Paracommando, stelt dat een veiligheidssituatie snel kan evolueren en dat daarover in België geen analyse kan worden gemaakt (359b).

Majoor Hock, Rwanda-analyst op SGR, geeft toe dat er inschattingsfouten gebeurden : « Wij verwachten geen volkenmoord maar wel ontsporingen buiten het Arusha proces om, die duizenden slachtoffers hadden kunnen maken. ... Niemand kon zich indenken wat er zou gaan gebeuren. Een inlichtingendienst heeft geen kristallen bol » (360b). Niettemin geeft majoor Hock toe op het SGR over talrijke, zoniet alle, informatiebronnen te beschikken : « De bronnen voor Rwanda zijn de militaire technische samenwerking, het ministerie van Buitenlandse Zaken en vooral de ambassade van Rwanda en andere posten, onze diensten IH en IC, bevriende diensten, de pers, de staatsveiligheid via hiërarchische weg en de troepen ter plaatse, namelijk majoor Podevijn, de sectorcommandant en de verslagen van luitenant Nees die wij kregen van het operatiecentrum » (361b).

Vooral de adjunct-chef van het SGR, generaal Verschoore, beklaagt zich over het tekort aan middelen : « De middelen die wij tot onze beschikking hadden waren beperkt. Hiermee hebben wij het maximum gedaan wat wij konden » (362b). Hij verduidelijkt over welke mensen hij kon beschikken en benadrukt dat ze volgens hem goed werk geleverd hebben : « Majoor Podevijn was de enige specialist voor Rwanda. Majoor Hock was verantwoordelijk voor Zaïre en Burundi. Hij volgde ook de situatie in Rwanda zodat hij indien nodig, kon optreden. De bureauchef, majoor Boogaerts, had ook Afrika-ervaring en kon eventueel bijspringen. Majoor Podevijn neemt later de functie van majoor Hock over. De officieren van hetzelfde bureau moesten zich zo snel mogelijk inwerken. Ze hebben uitstekend werk geleverd » (363b).

De generaal stelt dat hij met meer analisten natuurlijk beter analysewerk had kunnen verrichten. Volgens hem veronderstelt dit ook dat er op het terrein meer mogelijkheden zijn om betere informatie in te winnen. Zo geeft hij het voorbeeld van de 24 uren permanentie die slechts werd ingesteld nadat het bericht het SGR bereikte dat het vliegtuig van de president was neergeschoten : « Deze permanentie werd beëindigd na de terugkeer van de laatste para's.... Daarvoor gebeurde dit niet omdat er te weinig personeel was. ... Ik heb dit wel gemeld aan de generale staf zonder dat er gevolg werd gegeven aan mijn vraag. De versterking gebeurde inwendig : er werden geen mensen van buiten uit aangeworven, maar mensen die werkten op het bureau Afrika en Azië. Op SGR werkten beroepsofficieren en één burger. » (364b).

Ook over de samenwerking met de Staatsveiligheid maakt hij zijn beklag : « De inlichtingen die tussen de staatsveiligheid en SGR werden uitgewisseld waren beperkt. De samenwerking verliep niet 100 % zoals het moest. Wij gaven de inlichtingen door waarvan wij dachten dat ze voor hen belangrijk waren. SGR maakte niet alleen analyses. Mijn functie bestond uit het management van SGR. Ik was betrokken bij de budgettaire planningen, het personeelsbeleid, de technische ontwikkelingen, ... Er was meer dan werk genoeg » (365b).

Wanneer een commissielid opmerkt dat de generaal zich slechts weinig herinnert, antwoordt hij : « Het is niet juist dat ik me slechts weinig herinner. Ik herinner me veel maar geen details. Ik meen dat we met de middelen waarover we beschikten al het mogelijke hebben gedaan » (366b).

Op de vraag of er na de Rwanda-crisis een analyse werd gemaakt en of er maatregelen getroffen werden, luidt zijn antwoord : « Een dergelijke analyse is niet gemaakt. Er is wel een evaluatie gemaakt om in de toekomst tekortkomingen te verhelpen. Zo is er geconcludeerd dat men meer analisten ter beschikking moet stellen, dat men de interne werking van de SGR moet versoepelen en dat er maatregelen moeten worden genomen om informatie terug te kunnen vinden » (367b).

Generaal Verschoore wijt dit tekort aan mensen en middelen aan het feit dat dit allemaal gekoppeld is aan het budget, en voegt eraan toe dat er intussen nog maar weinig veranderd is. Wel stelt hij dat er nu gestreefd wordt naar een betere opleiding (368b).

Generaal Delhotte, chef van het SGR, meent dat in het algemeen de feiten beter door het plaatselijke commando gekend waren dan door het SGR. Het is volgens hem dat commando dat in eerste instantie de feiten moet appreciëren. Het SGR heeft daarover wel gerapporteerd in synthese- en dagelijkse rapporten (369b). De commissie stelt vast dat het plaatselijk commando heel wat bruikbare informatie doorzond naar het SGR, maar dat het SGR met deze specifieke informatie weinig of geen rekening hield.

Verder beklaagt ook generaal Delhotte zich over een tekort aan personeel : « De inlichtingendienst bevat een cel analisten met verschillende bureaus per regio. Terwijl het Pentagon over duizenden mensen per cel kan beschikken, hebben wij analisten per continent. Voor Rwanda, Zaïre en Burundi konden wij beschikken over drie tot vier analisten en de heer Podevijn in Kigali. De SGR beschikt niet over residenten ter plaatse. Hij gebruikt vrijwilligers die meestal niet worden betaald. Kolonel Vincent is daar een voorbeeld van. ... De SGR maakt deel uit van de strijdkrachten. Hij kan niet worden vergeleken met de CIA. Het is geen nationale inlichtingendienst. In 1993 bestond er geen centrum waar alle informatie toekwam. De SGR is een dienst op zijn niveau, te vergelijken met de dienst militaire inlichtingen van het Pentagon. De SGR heeft geen mensen ter plaatse. Hij beschikt dan ook niet over de middelen om tactische inlichtingen te verstrekken » (370b).

Nochtans meldde generaal Delhotte, als hoofd van zijn dienst deze klachten rechtstreeks aan minister Delcroix. De generaal stelt vast dat de rotatie niet belangrijk was bij het SGR, en dat hij aan minister Delcroix zei dat hij betreurde dat er sedert jaren geen enkele officier van het SGR bevorderd was. Volgens generaal Delhotte is dat geen ideale situatie met het oog op de motivatie (371b).

De commissie stelt vast dat de diensten van het SGR, volgens de getuigenissen van de betrokken officieren, over te weinig middelen en over te weinig manschappen beschikten. Nochtans is het van wezenlijk belang om tot efficiënte operationele orders te komen dat men beschikt over de juiste analyse van de verzamelde inlichtingen. Tot slot stelt de commissie vast dat de uitwisseling van informatie hoofdzakelijk in één richting verliep en dat de analyses van Evere Kigali niet bereikten.

(7) De doorstroming van de inlichtingen naar de politieke autoriteiten en de coördinatie tussen de ministeries van Landsverdediging en Buitenlandse Zaken

In dit onderdeel doet de commissie een aantal vaststellingen betreffende de uitwisseling van inlichtingen naar de politieke autoriteiten toe. In een eerste deel wordt nagegaan of en welke inlichtingen doorstroomden tot op het kabinet van Landsverdediging en welke de eventuele reacties waren hierop. In een tweede deel gebeurt hetzelfde op het niveau van Buitenlandse Zaken en in een derde deel wordt nagegaan op welke wijze de twee departementen tot een coördinatie kwamen inzake de verwerking en de besluitvorming betreffende de inlichtingen.

(a) Landsverdediging

Wanneer een commissielid aan majoor Podevijn (Tak 2 Force) de vraag stelt of deze achteraf heeft kunnen nagaan welke van zijn inlichtingen terecht kwamen bij het kabinet van Landsverdediging en of hij de indruk had dat zijn informatie geregeld werd doorgestuurd, antwoordt de majoor dat hij eenmaal terug in België, die indruk wel had. Hij voegt er evenwel aan toe dat hij ter plaatse zelf geen feedback kreeg (372b).

Volgens de adjunct SGR gingen de INSUMS (Information Summary) ook naar het kabinet van Landsverdediging. Deze insums bevatten feiten, de analyse en de conclusie : « De inlichtingen die doorgegeven werden aan de generale staf waren vooral tactisch van aard en hadden betrekking op de veiligheid van de wegen, de toegang tot het vliegveld, enz.

Met betrekking tot de politieke situatie beschikten we over weinig inlichtingen. Deze werden rechtstreeks naar het kabinet van de minister gestuurd. Persoonlijk situeer ik de uitzendingen van de RTLM, de opleidingen, het uitdelen van wapens, eind december, begin januari. De INSUMS bevatten feiten, de analyse en de conclusie. Mijn conclusie was dat er iets aan het gebeuren was. De INSUMS gingen ook naar het Kabinet van Landsverdediging. » (373b)

Generaal Charlier, stafchef (JS), zette voor de commissie uiteen hoe de doorstroming van inlichtingen vanuit SGR en C Ops naar het kabinet van Landsverdediging toe, is georganiseerd : « Elke ochtend ontmoeten de officieren van de SGR en die van het C Ops mekaar en lichten zij de feiten van de vierentwintig voorgaande uren toe. Ik poogde zelf op die vergaderingen aanwezig te zijn. Elke dag wordt een document gepubliceerd. Dat is vooral het werk van de SGR. De bijdrage van die dienst wordt overgenomen in een periodiek document dat naar de minister wordt gestuurd (374b).

Volgens de stafchef wordt ook de inhoud van het dagelijkse document, volgens de behoeften, aan de minister meegedeeld. Men moet weten, zo stelt de generaal, dat de woordvoerder van het ministerie van Landsverdediging de dagelijkse vergadering bijwoont, en dat deze woordvoerder, een officier, door de minister is aangesteld. Deze woordvoerder is dan ook belast met de coördinatie van de inlichtingen, zo besluit hij (375b).

De generaal had nooit de indruk dat de generale staf en het kabinet van de minister verschillende informatie kregen. Zo ook was de informatie over de anti-Belgische campagne opgenomen in de stukken van SGR die de minister kreeg toegestuurd (376b).

De generaal stelt dat het besluitvormingsproces weliswaar in een dermate groot geheel als het leger op verscheidene echelons gestructureerd is, maar dat volgens hem de verantwoordelijkheid inzake landsverdediging en strijdkrachten ondeelbaar is (377b).

Generaal Schellemans, toenmalig kabinetschef van de minister van Landsverdediging, bevestigt dat de uitwisseling van inlichtingen gebeurde op de dagelijkse vergadering van C Ops om 11 uur : « Op die vergadering van 11 uur werd een briefing aan de chef van de generale staf over de gebeurtenissen van de jongste 24 uur gegeven en werden de overgebleven vragen van 9 uur behandeld. Van deze vergadering werd geen verslag opgemaakt. Het begon steeds met een briefing van SGR waarvan wel een document bestaat. In het begin kregen wij de verslagen niet toegestuurd, tot dat een piloot van het kabinet zei dat er belangrijke informatie in verwerkt was. Aan generaal Charlier werd daarna gevraagd de verslagen door te sturen. Vanaf dat moment werden ze elke dag doorgestuurd naar het kabinet. Dat gebeurde in de periode december - januari (378b).

De kabinetschef bevestigt dat onder andere de synthesenota van majoor Hock (SGR) van 2 februari op het kabinet toekwam. Deze nota maakte melding van risico's naar voor gebracht door de onthullingen van Jean-Pierre. Men vindt er allusies in op de risico's die de Belgen van UNAMIR lopen en op de volkenmoord, en zij verwijst tevens naar de lokalisatie van Tutsi-families. De kabinetschef verklaart dat hij inlichtingen kreeg over bedreigingen, maar dat deze niet als zeer gevaarlijk werden ingeschat. Meer bepaald op de vraag of de naam Jean-Pierre hem wel bekend is, antwoordt de kabinetschef het volgende : « Voor zover ik mij herinner zijn er berichten van een zekere Jean-Pierre op het kabinet toegekomen. De naam Jean-Pierre is slechts gedurende enkele dagen in de berichten vermeld. Volgens mij heeft de minister die berichten gelezen... Ik bevestig dat ik de naam Jean-Pierre in de post heb gezien en dat deze post in principe naar de minister werd doorgestuurd (379b). Ook in een fax van 11 januari is sprake over een zekere Jean-Pierre en de informatie die hij had gekregen over een plan voor een genocide. Betreffende deze fax stelt de kabinetschef dat hij zelf oordeelde wat in de INSUMS en INTREPS relevant kon zijn voor de minister. Hij voegt er evenwel aan toe dat de minister de bewuste nota van 11 januari moet gezien hebben.

Meer in het algemeen getuigde de kabinetschef voor de commissie dat de INSUMS van SGR en de verslagen van de Staatsveiligheid rechtstreeks aan hem waren gericht. Deze werden door hem gelezen en dan doorgestuurd naar de piloten (380b). De kabinetschef zegt tevens dat hij de minister reeds mondeling kon inlichten en dat de minister dus wel degelijk op de hoogte was van alle documenten, zij het eventueel via een samenvatting. De kabinetschef heeft nooit vastgesteld dat de generale staf informatie zou hebben achtergehouden. Deze informatie werd volgens hem doorgegeven indien ze gevraagd werd door het kabinet en hij gaat verder : « Ikzelf heb nooit vastgesteld dat de generale staf informatie zou hebben achtergehouden. Deze informatie werd doorgegeven indien ze gevraagd werd door het kabinet of indien wij het belangrijk achtten voor het kabinet. Er waren ook andere contacten tussen het kabinet en de generale staf. Hierop was een afgevaardigde van het kabinet aanwezig. De verslagen van deze vergaderingen kregen wij toegestuurd. Daarnaast bestonden er ook altijd veelvuldige telefonische contacten. ... Er vonden regelmatig contacten plaats tussen generaal Charlier en mijzelf. Generaal Charlier maakte er een gewoonte van het kabinet te bezoeken (381b).

Ook minister Delcroix stelt dat hij niemand ervan verdenkt informatie achter te hebben gehouden. Hij verklaarde voor de commissie op welke wijze hij geïnformeerd werd over de situatie in Rwanda : « De informatie over de toestand in Rwanda kwam meestal via informele kanalen, en soms ook via formele kanalen toe op het kabinet. De belangrijkste bron waren de verslagen van de SGR. Mijn kabinetschef maakte mij attent op belangrijke zaken in die verslagen. Voorts kon ik beschikken over syntheseverslagen van de SGR ter voorbereiding van ontmoetingen met ambassadeurs of van mijn reis begin maart naar Kigali (382b). »

De minister betrok ook informatie uit de coördinatie met Buitenlandse Zaken, waarop wij later terugkomen.

Over de aanwezigheid van kabinetsmedewerkers op de verschillende vergaderingen, nuanceert minister Delcroix de verklaring van stafchef Charlier : « Daarnaast werden op de generale staf in Evere bijna dagelijks vergaderingen gehouden over de diverse militaire acties. Deze vergaderingen hadden plaats om 9 uur en waren een voorbereiding op de vergadering van 11 uur, die werd geleid door de generale staf en waarop de belangrijke beslissingen werden getroffen. Op beide vergaderingen waren geen vertegenwoordigers van mijn kabinet aanwezig. Mijn kabinet kreeg ook geen verslagen van deze vergaderingen. Er was wel een wekelijkse bijeenkomst in verband met C Ops waar mijn medewerker wel aanwezig was. Ik ga ervan uit dat eventuele belangrijke informatie uit die vergaderingen mij bereikt hebben. Ook de stafchef, generaal Charlier, had zeer geregeld contacten met mijn kabinetschef (383b). »

De minister herhaalt even later dat er zijns inziens nooit medewerkers op de dagelijkse bijeenkomsten aanwezig waren. Zij waren volgens hem wel aanwezig op de wekelijkse bijeenkomst, maar daar werden enkel secundaire zaken besproken. De minister meent verder dat de belangrijkste formele vergadering volgens hem die van C Ops was om 11 uur.

In het algemeen stelt minister Delcroix dat communicatiestoornissen tussen de legerleiding en het ministerie van Landsverdediging niet of nauwelijks bestonden (384b). Tijdens een tweede hoorzitting herhaalt minister Delcroix nogmaals dat SGR zeker niet mag beschuldigd worden van het onvoldoende doorsturen van informatie naar zijn kabinet en naar de betrokken militaire instanties (385b).

De commissie stelt vast dat het kabinet van Landsverdediging op verschillende manieren veelvuldig contact onderhield met de generale staf, en dat het kabinet voldoende informatie ontving van SGR. Anderzijds stelt de commissie vast dat het kabinet geen specifieke opdrachten gaf aan de generale staf met betrekking tot deze informatie.

(b) Buitenlandse Zaken

Kolonel Vincent, die niet enkel chef was van de MTS, maar ook militair adviseur van de ambassadeur, maakte wekelijks een verslag op over de politieke en militaire toestand : « Van oktober 1990 tot de komst van de UNAMIR in 1993 hielden onze dagelijkse verslagen vooral verband met militaire acties. Een keer per week maakte ik een verslag over de politieke en militaire toestand. Dit werd naar de heer Swinnen gestuurd die het in het wekelijks verslag aan het ministerie van Buitenlandse Zaken doorgaf. Na de komst van de UNAMIR worden wij minder belangrijk. Toch blijven wij rechtstreeks onze informatie aan Brussel doorgeven » (386b).

Kolonel Vincent stelt tevens deze zelfde informatie rechtstreeks aan het SGR te hebben doorgegeven. Hij rapporteerde dus tegelijk aan de ambassadeur en aan het SGR (387b).

Ambassadeur Swinnen verklaarde voor de commissie dat zijn gesprekspartner Buitenlandse Zaken is. Op de meeste van zijn telexen, zo stelt hij, stonden wel suggesties om ze door te sturen naar bepaalde andere departementen of diensten en naar andere ambassades. Zo wist hij tevens dat in Brussel de kabinetschef en de directeur Afrika van het ministerie van Buitenlandse Zaken voortdurend in contact stonden met de Rwandese ambassade en andere actoren (388b).

Een aantal feiten werden door de ambassadeur ook aangeklaagd bij de VN, en dit opdat de secretaris-generaal de Veiligheidsraad zou inlichten en dat deze informatie zou publiceren om druk uit te oefenen (389b).

De ambassadeur nam daarnaast zelf nog andere initiatieven : « Ik maakte zelf ook regelmatig analyses. De wekelijkse berichten zijn daar een voorbeeld van . Ik had ook frequent telefoongesprekken, onder andere met het kabinet, de Afrika-desk, met Arusha en met andere ambassades. Tijdens mijn verblijven in België had ik ook indringende gesprekken over ons beleid in Rwanda » (390b).

Een commissielid merkt op dat ambassadeur Swinnen de term genocide nooit gebruikt, waar de minister dit wel doet, en meer specifiek in een telegram dat hij stuurt naar Delbelonu na zijn bezoek aan Rwanda. Terzake ondervraagd zegt de ambassadeur te denken wel mededeling van dit telegram gekregen te hebben, maar dat hij niet meer weet of hij dat op dat ogenblik kreeg. Toch is ook ambassadeur Swinnen zich bewust van de ernst van de talrijke informatie die hem bereikte : « In verband met de oorzaken van de escalatie die uiteindelijk tot de genocide heeft geleid, herhaal ik dat in de maanden die de genocide voorafgingen wij veel informatie verzamelden die ons zeer bezorgd maakte. ... De informatie van JP had vooral betrekking op de manifestatie van 8 januari en de dreiging betrof vooral deze manifestatie. We waren overeengekomen in algemene termen te spreken en te verwijzen naar de demarche van de heren Dallaire en Booh-Booh. Wij hebben aangedrongen op de veiligheid, want we waren ervan overtuigd dat de boodschap zou worden ontvangen en begrepen » (391b).

Reeds tijdens een eerste hoorzitting in maart 1997 getuigt ambassadeur Swinnen dat hij zeer positief stond tegenover de wisselwerkingen en de feedback van informatie : « Op de vraag of ik voldoende werd begrepen door de Belgische autoriteiten en of er voldoende feedback en wisselwerkingen waren kan ik zeer positief antwoorden. Er bestond een absoluut vertrouwen tussen de Belgische overheid en de ambassade. Ik heb me nooit geïsoleerd gevoeld. Ik was integendeel erg op mijn gemak door de gedetailleerde instructies van Buitenlandse Zaken waardoor ik efficiënt kon opereren.

De instructies kreeg ik zowel via schriftelijke berichten als mondeling. In bepaalde periodes was er dagelijks telefonisch contact met kabinetschef Willems. Er was ook veel contact met de administratie, met name met de desk Afrika. Ik voelde mij dus voldoende gesteund en begeleid » (392b).

Toen tijdens een volgende hoorzitting, in maart 1997, een commissielid concreet vroeg of de heer Swinnen ooit analyses van de Afrikadesk van het ministerie van Buitenlandse Zaken ontvangen had, antwoordt deze dat het niet nodig was om hem tonnen papier te sturen. Hij voegt eraan toe wel te denken een aantal documenten ontvangen te hebben waarin het beleid was uitgestippeld (393b).

Lode Willems, toenmalig kabinetschef van de minister van Buitenlandse Zaken, verklaart het rapport van ambassadeur Swinnen ontvangen te hebben betreffende een onderhoud dat plaatsvond op 13 januari. Op dit onderhoud waren aanwezig : generaal Dallaire, Booh-Booh, en de ambassadeurs van België, de VS en Frankrijk. Het onderhoud ging over de brief van VN-informant Jean-Pierre. Daags nadien had onze ambassadeur een gesprek met zijn collega's uit Duitsland, Egypte, de VS, Frankrijk en met de pauselijke nuntius. Ambassadeur Swinnen, zo vervolgt kabinetschef Willems, rapporteerde hierover dat tijdens het gesprek de veiligheid werd benadrukt. De algemene angst zou de voedingsbodem zijn voor wantrouwen en vooroordelen. In een rechtstreeks telefoongesprek 's avonds tussen de kabinetschef en de ambassadeur, drukte deze laatste nog eens zijn ongerustheid uit.

Volgens de kabinetschef was de ambassadeur ongerust omdat de milities onder het gezag stonden van het MRND, en omdat Booh-Booh en Dallaire geheime wapenopslagplaatsen en illegale milities gesignaleerd hadden (394b).

Wanneer een commissielid aantoont dat telex 32 (dd. 13 januari 1994) over meer gaat, namelijk over specifieke plannen om Belgische blauwhelmen te vermoorden, en de vraag stelt waarom daar geen reactie op kwam, antwoordt de kabinetschef dat onze ambassadeur daarover ingelicht was en het kabinet van Buitenlandse Zaken daarover geïnformeerd heeft. De kabinetschef bevestigt dat de minister zich begin februari wel degelijk bewust was van de negatieve evolutie van de toestand in Rwanda. Hij stelt in zijn getuigenis dat de inlichtingen over wapenopslagplaatsen steeds hardnekkiger worden en dat de patstelling deed vrezen voor een explosie van geweld (395b).

De minister van Buitenlandse Zaken verklaart voor de commissie dat hij van militaire zijde enkel beschikte over gegevens afkomstig van de militaire adviseur van de ambassadeur in Kigali (kolonel Vincent). Verder bekwam men sommige inlichtingen via coördinatie met Landsverdediging. Toch zegt de minister dagelijks de nodige tijd te besteden voor het lezen van berichten over de toestand in Rwanda (396b).

De commissie stelt vast dat het kabinet van Buitenlandse Zaken, voornamelijk via de telexen van ambassadeur Swinnen, beschikte over uitgebreide en degelijke informatie. Zij stelt tevens vast dat de ambassadeur talrijke diplomatieke contacten onderhield op verschillende niveaus en zijn bevindingen regelmatig rapporteerde.

(c) De coördinatie tussen beide ministeriële departementen

Tijdens de onderzochte periode bestond er een (bijna) wekelijkse coördinatievergadering tussen de departementen van Buitenlandse Zaken en Landsverdediging, waarbij ook meestal vertegenwoordigers van het kabinet van de eerste minister en van Ontwikkelingssamenwerking aanwezig waren; er werd informatie uitgewisseld en de behandelde onderwerpen waren meestendeels van praktische aard. Daarenboven werden tussen beide departementen inlichtingen uitgewisseld (397b).

Wanneer een commissielid opmerkt dat meer dan 100 telexen van Buitenlandse Zaken ook terechtkwamen op het kabinet van Landsverdediging, antwoordt kabinetschef Schellemans dat deze telexen afkomstig waren van het SGR (398b). Ook minister Delcroix bevestigt dat het kabinet van Landsverdediging de telexen van de ambassadeur in Rwanda niet systematisch ontving en dat de contactinstantie in België voor de VN Buitenlandse Zaken is (399b). Ook tegenover de minister merkt een commissielid op dat op (bijna alle) telexen van ambassadeur Swinnen het kabinet van Landsverdediging staat vermeld. Niettemin meent de minister dat hij slechts sommige telexen ontving, en dat hij niet de rechtstreekse bestemmeling was.

Voor minister Delcroix was de wekelijkse coördinatiebijeenkomst op het kabinet van Buitenlandse Zaken een bron van informatie. Hij stelt evenwel zelf nooit enig verslag van die bijeenkomsten gelezen te hebben, maar minister Delcroix gaat er wel van uit dat zijn kabinet hem op de hoogte bracht van de belangrijke zaken.

Tijdens een latere hoorzitting, einde maart 1997, benadrukt de minister van Landsverdediging nogmaals dat de coördinatievergaderingen op BZ en de vlotte contacten tussen Landsverdediging en Buitenlandse Zaken eveneens zorgden voor een goede informatie-uitwisseling.

Minister Delcroix had de indruk dat Buitenlandse zaken beter was ingelicht over militaire zaken dan het kabinet van Defensie. De minister van Landsverdediging weet dit aan persoonlijke relaties en stoorde er zich verder niet aan (400b). Waar minister Delcroix melding maakt van een betere voorkennis van leden van het kabinet Buitenlandse Zaken in aangelegenheden van zijn departement, stelt minister Claes net het omgekeerde : « De algemene stelregel is dat de informatie van de inlichtingendienst van het leger niet ter beschikking wordt gesteld van de diplomaten. Dit geldt ook voor de gegevens van de Generale Staf. Buitenlandse Zaken beschikte enkel over gegevens afkomstig van de militaire attaché in Kigali. Bepaalde militaire gegevens werden wel meegedeeld tijdens de wekelijkse coördinatievergaderingen met de eerste minister, Landsverdediging, Ontwikkelingssamenwerking en Buitenlandse Zaken » (401b).

Tot slot stelt de commissie vast dat, zoals eerste minister Dehaene getuigde voor de commissie, in de ministerraad de politieke basisbeslissingen besproken werden. De premier stelt dat de ministerraad regelmatig op de hoogte gehouden werd van de algemene teneur maar dat de telexen niet systematisch werden voorgelezen. Bovendien, zo zegt hij, bleek uit de telexen niet dat er een algemeen anti-Belgisch klimaat zou hebben bestaan.

3.3.3.12. De samenwerking met de Rwandese strijdkrachten

Over deze samenwerking zijn de meningen verdeeld. Volgens enkele getuigen verliep deze samenwerking vlot. Anderen daarentegen spreken over ernstige moeilijkheden. De gebeurtenissen van 6 en 7 april hebben aangetoond dat veel hiervan dubbelzinnig was en dat wanneer het er op aan kwam op de medewerking van de Rwandese autoriteiten niet meer moest worden gerekend. In dit onderdeel zullen we eerst dieper ingaan op de samenstelling en de taken van UNCIVPOL en het nut van de wekelijkse vergaderingen tussen verschillende autoriteiten onderzoeken. In een tweede deel geeft de commissie een beeld van de houding van de Rwandese gendarmes bij het uitvoeren van de gemeenschappelijke taken, zoals de controles aan de checkpoints en het fouilleren van wapenopslagplaatsen. De provocerende houding van kolonel Bagosora geniet hierbij onze bijzondere aandacht. Tenslotte staan we stil bij de gebeurtenissen van 6 en 7 april, en de dagen die daarop volgen, en waaruit zal blijken dat het vertrouwen in de samenwerking met de lokale Rwandese autoriteiten niet meer gegrond was.

(1) UNCIVPOL en de samenwerking

Welke waren, naast UNAMIR , de verschillende actoren te Kigali ? Op het Rwandees niveau had men hoofdzakelijk de nationale rijkswacht met hiernaast een beperkte gemeentepolitie. Op militair niveau van de VN was er bij UNAMIR een tak militaire politie aanwezig met politiebevoegdheid tegenover het VN-personeel. Tenslotte, steeds op het niveau van de VN, had men het detachement van UNCIVPOL, hetgeen bestond uit burgerpolitie, leden van de militaire politie, en leden van de gerechtelijke politie.

Kortom, UNCIVPOL was samengesteld uit verschillende nationaliteiten. De voornaamste taak van UNCIVPOL bestond erin te monitoren hetgeen de lokale politie deed en erop toe te zien dat ze hun werk effectief en onpartijdig uitvoerden.

Aan het hoofd van UNCIVPOL stond een Oostenrijks kolonel. Er bestond een driehoeksrelatie tussen UNCIVPOL, de lokale rijkswacht en anderzijds met UNAMIR. UNCIVPOL werd geleidelijk aan uitgebreid om volwaardig operationeel te zijn eind februari 1994. De getalsterkte van de eenheid schommelde rond de 60 personen.

Vanuit KIBAT werd de S2 (inlichtingen) afgevaardigd om deel te nemen aan de vergaderingen waar de coördinatie met de lokale autoriteiten werd besproken. Luitenant Nees (S2 KIBAT I) verklaart over deze vergaderingen het volgende : « Ik nam geregeld deel aan vergaderingen waar ook de top van het leger aanwezig was. De bedoeling van deze vergaderingen was om iedereen op de hoogte te stellen van eventuele manifestaties. De indruk die ik daar van de legertop heb gekregen was er één van « laissez faire, laissez passer ». De voorbije manifestaties werden door de Rwandese generaal geminimaliseerd en over de aangekondigde manifestaties gaf hij weinig informatie. Ik stel me vragen bij de betrokkenheid van de Rwandese verantwoordelijken bij de gebeurtenissen » (402b).

Kapitein De Cuyper (S2 KIBAT II) was op zijn beurt aanwezig op deze vergaderingen (403b) : « Ik nam niet deel aan de debatten tijdens de wekelijkse vergadering op de gendarmerie. Ik was er enkel bezoeker. Ik heb wel de commandant van KIBAT II ervan op de hoogte gesteld dat deze vergaderingen niets voorstelden omdat alle vragen en opmerkingen, op een paar uitzonderingen na, werden ontweken door de generaal-majoor van de gendarmerie. Dit werd geslikt door alle leden, behalve door twee leden van UNCIVPOL » (404b).

(2) Wat was de houding van de Rwandese rijkswacht tijdens gezamenlijke operaties met UNCIVPOL en UNAMIR ?

In 1990 bestond de Rwandese gendarmerie uit 2 000 onder meer door Fransen en Duitsers goed opgeleide manschappen. Wegens hervatting van de vijandelijkheden in 1990 werd hun getalsterkte opgevoerd. Bij zijn aankomst, zo verklaart kolonel Marchal, trof hij 6 000 niet-opgeleide gendarmes aan. Het grote probleem van de rijkswacht, maar ook van het leger, was dus de stijging van het aantal manschappen en het ontbreken van een gepaste opleiding (405b). De samenwerking op het terrein met deze Rwandese gendarmes verliep allesbehalve vlekkeloos. Vooreerst stelden er zich taalproblemen, en belangrijker was de houding van de gendarmes veel te laks, zoals blijkt uit volgende getuigenissen.

Volgens kolonel Leroy (KIBAT I) werd UNAMIR niet bewust tegengewerkt door de rijkswacht, maar was er echter ook geen echte samenwerking (406b).

Kolonel Balis, die instond voor de opmaak van een evacuatieplan, bevestigt ook dat hij niet rechtstreeks rekende op hun medewerking. De kolonel ging er wel van uit niet in een vijandig milieu te moeten opereren, maar in een semi-neutrale sfeer, waarbij UNAMIR niet zou worden geviseerd (407b).

De verschillende getuigenissen, die de houding beschrijven van de Rwandese gendarmes aan de checkpoints zijn unaniem in hun vaststelling dat deze samenwerking zeer moeizaam verliep en militair technisch allesbehalve operationeel was.

Luitenant Nees (S2 KIBAT I) getuigt dat op elk checkpoint Rwandese gendarmes aanwezig waren, maar dat deze gendarmes vaak enkel het Kinyarwanda spraken en dat dit communicatieproblemen tot gevolg had. Hij brengt tevens getuigenis van enkele betreurenswaardige incidenten aan deze checkpoints : « Er waren slechts enkele betreurenswaardige incidenten. De problemen met name aan de checkpoints waren meestal uitgelokt door de Rwandezen zelf. De problemen deden zich voor tijdens de patrouille-opdrachten. De andere incidenten werden uitgelokt door mensen van dezelfde politieke strekking.

Ik herinner me een voorval waarbij ik zelf op een checkpoint aanwezig was. Op zo een checkpoint waren steeds twee Rwandese gendarmes aanwezig die de voertuigen controleerden. Deze controles verliepen niet agressief. Op een bepaald ogenblik is een voertuig door een checkpoint gereden en moesten de Belgische militairen opzij springen. Ik heb dit gemeld aan de commandant van KIBAT en heb hem ook gevraagd of we kolonel Marchal hierover niet moesten inlichten » (408b).

Kolonel Marchal geeft de commissie een idee met hoeveel manschappen dergelijke checkpoints georganiseerd werden : « In sommige gevallen beschikten wij over een sectie van 10 man; in andere gevallen, bijvoorbeeld om een kruispunt te controleren, beschikten wij over een peloton. De verhouding was tien soldaten tegenover vijftien gendarmes. Aangezien wij niet over voldoende manschappen beschikten, hebben wij met de VN waarnemers een afzonderlijke coördinatie tot stand gebracht. Dat systeem was niet perfect, maar het betekende een verbetering en zorgde voor een verscherpte controle » (409b).

Een tweede belangrijke opdracht van UNAMIR , in samenwerking met de lokale Rwandese autoriteiten, was de installatie van de wapenvrije zone (KWSA - Kigali Weapon Secure Area ). Hiertoe beschikte UNAMIR over het mandaat om, in samenwerking met de Rwandese gendarmes en UNCIVPOL wapenopslagplaatsen op te sporen. Kolonel Balis getuigt hierover dat hij de indruk had dat de gendarmes niet van plan waren om deze depots op te sporen.

De kolonel voegt er wel aan toe dat New York geen toelating gaf om de wapendepots leeg te halen, en dat hij bijgevolg niet weet of de Rwandese rijkswacht zou hebben meegewerkt (410b).

Ook kolonel Marchal was zich bewust van het probleem dat de gendarmerie in deze aangelegenheid de verplichte partner van UNAMIR was. Bij al onze acties, zo zegt hij, moesten wij erop toezien dat zij daarbij aanwezig was, want zij alleen beschikten over de wettelijke bevoegdheid om bijvoorbeeld te fouilleren. Niettemin deed kolonel Marchal een aantal pogingen om samen met de Rwandese rijkswacht deze geheime wapenopslagplaatsen op te sporen. Voor de commissie getuigt hij hierover het volgende : « Wij wilden de gendarmerie betrekken in de zoektocht naar geheime wapenopslagplaatsen. Dat was niet eenvoudig. Wij hebben lange tijd geprobeerd contacten te leggen en dat heeft uiteindelijk een positief resultaat opgeleverd. Medio maart heeft de gendarmerie voor het eerst een plaats afgegrendeld en doorzocht. Dat was een fiasco dat vooral te verklaren is door gebrek aan technische kennis. Wij waren daarbij aanwezig als waarnemers en konden zeggen wat de problemen waren, de gendarmerie raad geven en aanbevelingen doen die overigens goed werden ontvangen. Toen de gendarmerie een tweede keer een plaats heeft afgegrendeld en onderzocht, gebeurde dat in het kader van onze aanbevelingen maar zonder deelname van UNAMIR . Het ging dus om een louter Rwandese operatie. Wij waren uiteraard aanwezig op het terrein om erop toe te zien dat alles uit militair oogpunt normaal verliep en dat voorts de wetgeving van het land werd nageleefd » (411b).

Kolonel Marchal stelt samen met de commissie de mislukking vast van deze KWSA-opdracht. Inderdaad, zo zegt hij, die bewuste zone is nooit ingesteld volgens de vereisten van het protocol (412b).

Kabinetschef Willems vindt het opmerkelijk dat het precies de Rwandese autoriteiten waren die aan UNAMIR en aan de gendarmerie gevraagd hebben acties te ondernemen om de gewapende groepen te ontmantelen. Daarmee lag de bal in het kamp van New York. Volgens de kabinetschef hebben de VN echter ontkennend geantwoord aangezien zij de operatie te gevaarlijk achtten (413b).

Een bijzondere vaststelling van de commissie is naast de algemene laksheid van de Rwandese rijkswacht, de recalcitrante houding van kolonel Bagosora, kabinetschef van de minister van defensie. Uit verschillende getuigenissen zal blijken dat deze kolonel niet aarzelt om met wapens de UNAMIR troepen te bedreigen. De commissie stelt vast dat de houding van kolonel Bagosora een belangrijke aanwijzing is over de werkelijke motieven en de al dan niet oprechtheid van de samenwerking met de UNAMIR-troepen. Luitenant Nees (S2 KIBAT I) getuigt over een eerste incident begin februari 1994 : « Op 5 februari, tijdens het installeren van KWSA, zag een nachtelijke patrouille talrijke bewapende Rwandezen rond het huis van kolonel Bagosora. De patrouille wou optreden maar op dat moment kwam kolonel Bagosora zelf naar buiten en beval zijn militaire garde om de wapens op de Belgen te richten »(414b).

Zijn bataljonscommandant, kolonel Leroy (KIBAT I) getuigt van een soortgelijk incident en verklaart dat hij meteen nadien Brussel om richtlijnen vroeg, hetgeen echter tevergeefs zal zijn, zo stelt hij : « Bij de meeste checkpoints en escortes is er een gevaar als er geprovoceerd wordt. Bij een van de 152 checkpoints is een voertuig gestopt en de inzittende vraagt zijn veiligheidsmensen de wapens te trekken. De chef van de patrouille doet hetzelfde. Dan keert de kalmte weer enigszins terug en op het kaartje dat wordt overhandigd door de passagier, die zegt dat wij nog van hem zullen horen, staat Bagosora te lezen. Ik heb de sectorcommandant en Brussel ingelicht, want het was het zoveelste incident in het kader van de veiligheidsopdracht. Ik was onvoldoende uitgerust en geoefend om er het hoofd aan te bieden.

Op 1 maart heb ik Brussel om richtlijnen gevraagd, tevergeefs echter, en heb ik geweigerd de bevelen uit te voeren omdat ik te allen prijze weigerde mijn manschappen politietaken in plaats van militaire taken te laten uitvoeren » (415b).

Ook de Sectorcommandant, kolonel Marchal, laat geen twijfel bestaan over kolonel Bagosora : « Van bij het begin heb ik gepoogd te achterhalen wat die partner waard was. Ik heb niet alleen met Bagosora gediscussieerd maar had ook talrijke contacten met de ministers. Ik wist evenwel dat ik van kolonel Bagosora geen medewerking hoefde te verwachten » (416b).

Tot slot noteren wij de getuigenis van de raadgever in het recht van de gewapende conflicten, kapitein-commandant Noens, die getuigt dat kolonel Bagosora voortdurend provoceerde, en dat deze provocaties zeer agressief waren : « Tijdens een van de nachtelijke patrouilles botste een bereden patrouille in een kleine straat op een 30 à 35 gewapende FAR-soldaten.

Dat betekende een grove schending van de regels van de KWSA. Dat wordt aangekaart en nog eens besproken ter gelegenheid van de veiligheidsconferentie van 15 februari, waaraan ook de minister van Landsverdediging, de Stafchef van de Rijkswacht en kolonel Bagosora deelnamen. Deze kolonel was in feite zowat de slechte geest van de groep, de meester-provocateur voor onze para's. Met een brede smile op zijn gezicht verklaarde hij dat er geen enkele overtreding gebeurd was en dat zijn soldaten het volste recht hadden om daar te zijn, want, zo zei hij, ik heb recht op vijf man en ik heb nog een reeks autoriteiten bij mij uitgenodigd die elk hun escorte hebben meegebracht.

Bij dergelijke provocaties, waarbij een Blauwhelm tegenover een FAR-soldaat kwam te staan, had de FAR-soldaat het geweer in de aanslag met een kogel in de kamer, terwijl onze Blauwhelm wel zijn lader op had, maar zonder kogel in de kamer. Dat is een merkelijk nadeel. Wij hebben bij herhaling aangedrongen op een aanpassing van the rules en gevraagd dat onze mensen buiten het kwartier en in zo'n situaties patrouilles zouden mogen uitvoeren met de kogel in de kamer. Ik besef dat dit een gevaarlijke situatie is. Op onze vraag is altijd een negatief antwoord gekomen » (417b).

(3) De samenwerking tijdens de gebeurtenissen van 6 en 7 april

De commissie stelt vast dat kolonel Dewez op het ogenblik dat de eerste alarmerende berichten van luitenant Lotin hem bereiken, meent dat de enige mogelijkheid om het probleem van de wegblokkades op te lossen via een tussenkomst van Rwandese autoriteiten verloopt. Hij doet daarvoor een beroep op sectorcommandant Marchal, maar kolonel Dewez zal, zoals de feiten uitwijzen, tevergeefs wachten op enige tussenkomst van Rwandese autoriteiten ten voordele van het peloton Mortieren.

Kolonel Dewez stelt dit zeer duidelijk in zijn getuigenis : « J'ai eu une conversation avec le colonel Marchal à ce moment-là (pas précisément au sujet de l'escorte de Mme Agathe), et lorsqu'il m'a demandé de reprendre les patrouilles dans l'ensemble des missions, je lui ai fait part des problèmes que nous rencontrions pour les réaliser, notamment à cause des barrages. Il nous fallait obtenir l'aide des gendarmes et si possible des FAR, pour nous aider à franchir ces barrages.

Il m'a appris que, suite à une réunion, la gendarmerie et les FAR collaboraient pour contrôler la situation ... Dès le moment où l'on a repris ces escortes, plus exactement la mission de patrouille, j'ai insisté auprès de tout le monde pour avoir des gendarmes. J'étais persuadé que sans l'appui des gendarmes, on ne pourrait pas passer les barrages. Donc, il me fallait l'appui des gendarmes rwandais pour pouvoir passer les barrages et remplir les missions de patrouille comme on le faisait d'ailleurs d'habitude. Il y a eu des problèmes pour avoir suffisamment de gendarmes; on n'en a eu que quelques-uns. Je me suis également rendu compte en fin de nuit que les gendarmes ne suffisaient pas pour passer les barrages, que ceux-ci étaient constitués de gendarmes et de militaires rwandais et qu'il était quasiment impossible de passer si un officier des FAR n'accompagnait pas les patrouilles. J'ai, à plusieurs moments, demandé au QG-secteur ­ lorsque je savais que mes gens étaient bloqués aux barrages - de pouvoir disposer d'un officier FAR pour débloquer la situation. Aussi, lorsque j'ai suivi l'évolution des essais du lieutenant Lotin pour rejoindre Mme Agathe, je lui ai dit : « Si l'on ne veut pas te laisser passer le barrage alors que tu expliques pourquoi, de mon côté, je prends contact avec le secteur » (418b).

Kolonel Dewez is ervan overtuigd dat deze demarche de beste oplossing was : « Donc, comme je pensais qu'il y avait quelqu'un de l'ONU là-bas, j'ai pris contact avec le colonel Marchal, pour lui dire qu'il fallait absolument intervenir au niveau des forces armées rwandaises, car j'avais des hommes qui se faisaient tabasser alors qu'ils étaient prisonniers ... Sous le coup de l'émotion et du choc ­ je me rendais compte que des hommes à moi se faisaient tabasser ­ j'ai plutôt demandé du secours auprès de la personne qui, à mon sens, était en contact avec les forces armées rwandaises et avec les observateurs de l'ONU, parce que tout cela se trouvait au niveau du QG-secteur. C'est pourquoi j'ai pris contact avec le colonel Marchal, non pour me débarrasser d'un problème, mais en réagissant de manière instinctive. Dans ces circonstances, vous ne réfléchissez pas pendant une heure! » (419b).

Een commissielid merkt op dat reeds tussen 5 en 6 uur 's ochtends blijkt dat de samenwerking met de Rwandese autoriteiten eigenlijk onbestaande is. Op de vraag waarom kolonel Dewez toen geen andere initiatieven nam, antwoordt deze dat hij zich ervan bewust geworden was dat de samenwerking niet goed verliep, maar dat dat voor hem te wijten was aan de tijd die nodig was om de instructies van het crisiscomité aan de soldaten bij de wegversperringen door te sturen. Volgens zijn getuigenis dacht hij dat het bevel tot samenwerking de soldaten nog niet had bereikt (420b).

Zelfs toen het peloton Mortieren ontwapend en weggevoerd was, was kolonel Dewez niet echt ongerust. Toen de mannen door het Rwandese leger werden meegenomen, zo stelt hij, was dat voor mij een geruststelling. Zij waren gevangen genomen maar in leven (421b).

Ook in de getuigenis van kolonel Dewez treedt het belang van de persoonlijke contacten met collega's officieren naar voor : « À l'époque, quand je suis arrivé au Rwanda, j'ai rencontré des officiers rwandais avec qui j'avais fait mon deuxième cycle, mes études à l'IRSD. J'ai également rencontré le major Ntabakuze, le commandant du bataillon para, avec qui j'avais fait un an aux Etats-Unis. J'avais confiance en eux ... Et je dois avouer que le major Ntabakuze, tout commandant du bataillon de para qu'il fût, aurait pu dire qu'il était face à l'ennemi... Or, dans la suite des événements, il a tiré certains de mes hommes de mauvaises circonstances. Il est venu et il les a sortis de certains pétrins. Donc, j'avais en effet une confiance dans les FAR se trouvant à un certain niveau ... Je connaissais le colonel Vincent ... Il ne m'informait pas. Nous avons été manger à la CTM » (422b).

Kolonel Marchal getuigde voor de commissie dat hij zich tot generaal Dallaire richtte om te vragen dat hij bij de Rwandese overheden stappen zou ondernemen. Volgens de kolonel was dit logisch aangezien hij met die overheden een belangrijke vergadering zou hebben. Kolonel Marchal trachtte zelf ook contact op te nemen met de Rwandese overheden waarmee hij doorgaans in verbinding stond, en dit om hen te vragen tussenbeide te komen. De kolonel denkt aan majoor Karangwa de situatie te hebben uiteengezet. Hij voegt eraan toe dat alles lang geleden is gebeurd maar dat volgens hem deze majoor beloofde de gendarmes te zullen inzetten (423b).

De commissie stelt evenwel vast dat vanaf de vooravond van zes april er geen enkele samenwerking meer bestond met de Rwandese gendarmerie en dat pogingen om liaison officieren van de FAR te bekomen vruchteloos waren. Een opvallende vaststelling van de commissie is dat de chef van UNCIVPOL op 6 april, en reeds omstreeks 20.00 u 's avonds de Rwandese gendarmerie opmerkt « au complet et bien armée ». Nochtans zal het presidentiële vliegtuig pas een half uur later neergehaald worden en wordt dit nieuws voor de eerste maal op radio Rwanda omgeroepen om 23 uur.

In zijn rapport geeft generaal Uytterhoeven een exact relaas van de verschillende verzoeken tot assistentie van Rwandese gendarmes en FAR liaison officieren tijdens de nacht van 6 op 7 april.

Een eerste maal, omstreeks 3 uur 's nachts vraagt het bataljon aan kolonel Marchal om een sectie met Rwandese gendarmes te zenden, en dit op verzoek van eerste sergeant Leroy.

Intussen signaleert korporaal Lhoir aan het Bataljon dat luitenant Lotin in discussie is met rijkswachters die zich aan de versperring bevinden.

Om 3.30 u. signaleert luitenant Lotin aan het Bataljon dat ook de Rwandese rijkswachters de FAR militairen niet kunnen overtuigen hen de versperring te laten passeren.

Om 3.45 u. verwittigt kolonel Dewez luitenant Lotin dat hij het nodige doet om een liason officier FAR te sturen.

De S3 (Kapt. Choffray) verduidelijkt om 3.50 u. dat de Mortieren ter plaatse moeten blijven in afwachting van deze liason officier Far.

Ook kapitein Marchal is geblokkeerd aan de versperring Mille Collines. Op zijn beurt wacht hij op de aankomst van een Liason Officier FAR.

Om 4.10 u. meldt luitenant Lotin aan de S3 dat de Liason Officier FAR nog steeds niet is toegekomen en dat hij zich nog steeds bevindt aan de versperring Mille Collines (424b).

Zowel kapitein Marchal als luitenant Lotin zullen nooit een Liason Officier FAR zien toekomen. Kapitein Marchal slaagt er net in om onder een kogelregen een kantonnement te vervoegen, waar luitenant Lotin volhardt en het huis van Agathe op eigen initiatief zal bereiken.

De commissie stelt vast dat sinds drie uur 's nachts de verzoeken tot bijstand van Rwandese gendarmes en liason-officieren FAR zonder gevolg bleven. Anderzijds stelt ze vast dat kolonel Dewez, en kolonel Marchal in mindere mate, minstens tot tien uur 's morgens op 7 april blijven geloven in de mogelijkheid tot oplossing van de crisis via samenwerking met deze Rwandese autoriteiten.

3.3.4. Het gedrag van de Belgische troepen

Wat het gedrag van de Belgische troepen in Rwanda betreft, kan een onderscheid gemaakt worden tussen het gedrag van de troepen met dienst en het gedrag van de soldaten tijdens verloven en uitgaansverloven.

3.3.4.1. Het gedrag van de troepen met dienst

Meerdere personen die de commissie heeft gehoord, hebben gewezen op de vele problemen die verband houden met het gedrag van de Belgische soldaten. Velen van hen waren van mening dat die problemen, althans ten dele, te wijten waren aan ontoereikende voorbereiding van de manschappen op de taak die hen te wachten stond. Andere getuigen zijn van oordeel dat die problemen grotendeels toe te schrijven zijn aan provocaties door sommige Rwandese groepen.

Uit de incidenten en de moeilijkheden bij de uitvoering van de opdracht die in verband met het gedrag van de troepen aan de commissie werden meegedeeld, kunnen we de volgende gegevens onthouden.

Tijdens de KIBAT I-opdracht gedroegen de opererende Belgische troepen zich in den beginne kennelijk op een klassieke militaire, defensieve wijze die zelfs soms als agressief ervaren werd. Dat wordt verklaard door de specifieke paracommando-opleiding die ze hebben gekregen en waarin vooral aandacht wordt besteed aan de gevechtskwaliteiten, die recent in de praktijk konden worden gebracht tijdens de laatste opdracht in Somalië, slechts enkele maanden tevoren, waar zij een echte peace-enforcementhouding moesten aannemen in een dikwijls vijandig klimaat. Zo leest men in het verslag van de commissie-Uytterhoeven, die werd voorgezeten door luitenant-generaal Uytterhoeven, dat « ook moet worden toegegeven dat de houding die in Rwanda diende te worden aangenomen, niet van die aard was dat paracommando's er vrede konden mee nemen. Die houding stond haaks op de basisreflexen die hen in de loop van de opleiding waren bijgebracht : de situatie domineren, zijn gezag doen gelden door machtsontplooiing en zelfvertrouwen. Een paracommando is geen politieman en streeft er ook niet naar die rol op zich te nemen » (425b).

Kolonel Marchal heeft voor de commissie het volgende verklaard : « Onze mannen kwamen juist terug van Somalië. In Rwanda was de toestand verschillend, maar zij dachten dat zij op dezelfde wijze moesten werken. De eerste patrouille in Kigali, op 14 december, hebben zij gedaan met hun geweer in aanslag, terwijl de toestand normaal was. Deze houding heeft de bevolking verrast en heeft kritiek uitgelokt. Ik geloof dat het mogelijk was op een andere manier te patrouilleren en toch voorzichtig te blijven. » (426b)

Zo leest men in het verslag van de commissie-Uytterhoeven ook dat « de patrouilles in het begin een zeer « gespierde » houding aannamen » (427b). Die patrouilles, zowel te voet als met voertuigen of per helikopter, hebben aanleiding gegeven tot klachten van de bevolking (428b).

Ook de checkpoints (wegcontroles) leidden tot problemen. De controles gebeurden in het begin met het wapen in aanslag (429b). Die bedreigende houding werd door de bevolking zeer slecht onthaald « aussi bien les Rwandais que les expatriés » (430b). Daarenboven zijn er talrijke incidenten geweest bij het controleren van militairen of politieke figuren. Het blijkt dat de houding van de Belgische soldaten niet altijd was aangepast aan die gewone politieopdracht, die werd uitgevoerd door buitenlanders die de lokale autoriteiten controleerden. Zoals kolonel Marchal in de commissie heeft onderstreept « moet men een bepaalde houding aannemen wanneer men de stafchef van de Rwandese troepen bij een wegcontrole doet stoppen. Dat gebrek aan aanpassing heeft het incident met generaal Nsabimana veroorzaakt. ... Dat soort incidenten heeft zich ook met de minister van Landsverdediging en met kolonel Bagosora voorgedaan . » (431b) Er waren ook incidenten met « burgerlijke en militaire overheden ­ die allen aanleunden bij het beleid van de president ­ die openlijk weigerden zich te onderwerpen aan enige vorm van controle » (432b). De enige road-block die gedurende de hele opdracht is uitgevoerd (nl. personen tegenhouden op bevel van VN-waarnemers teneinde ze te verhinderen zonder UNMO-escorte rond te rijden) werd eveneens fel bekritiseerd. Die kritiek had dit keer, zo blijkt, te maken met de ongegeneerde houding van de troepen (433b).

Bij het zoeken naar de oorzaak van die incidenten hebben sommigen gewag gemaakt van een plan om de Belgische militairen te destabiliseren (434b). In vele gevallen kwam het gedrag van de gecontroleerde Rwandezen, volgens vele getuigen, neer op een echte provocatie.

Kolonel Marchal « ontkent niet dat de wil voorhanden was om het detachement te destabiliseren en incidenten uit te lokken » maar denkt al evenmin dat het om een beredeneerd destabiliseringsplan ging. Daarenboven is hij van mening dat « een beroepsmilitair dat soort valstrik moet kunnen vermijden » (435b). (...) « De conclusie die ik getrokken heb uit de incidenten tijdens de wegcontroles was dat het detachement niet voorbereid was en dat het onvoldoende kennis had van het terrein. Dit heeft vijandige en onnodig agressieve reacties uitgelokt . » (436b)

Luitenant Nees heeft tijdens zijn hoorzitting voor de onderzoekscommissie gewezen op talrijke provocaties. Hij haalt onder meer het geval aan van een patrouille-interventie 's nachts bij het huis van de heer Bagosora, waarbij deze laatste, « zijn militaire garde beval de wapens op de Belgen te richten » (437b). In een document van 7 februari 1994 schrijft Nees dat de anti-Belgische houding niet als vijandig tegenover de Belgische blauwhelmen mag worden beschouwd, maar als een onderdeel van een bewust tegen de Belgen gerichte politiek. Hij heeft dat voor de commissie bevestigd (438b).

Krijgsauditeur Van Winsen van zijn kant meent na onderzoek dat « er talrijke provocaties zijn geweest waarop niet is gereageerd . ». Hij wil evenwel geen geloof hechten aan de stelling dat die uiteenlopende provocaties passen in een georkestreerd plan om het vertrek van UNAMIR te verkrijgen, wat de moord op de Belgische soldaten zou hebben ingehouden, al kan hij dat idee niet helemaal verwerpen. (439b)

Na die talrijke incidenten is door de generale staf (van de sector en van de Force) (440b) een andere houding geëist.

In de checkpoints werd er gecontroleerd met het wapen « over de schouder ». De Force Commander besloot op 6 februari 1994 « de mettre provisoirement un terme aux CHP établis par des militaires belges. Ce n'est qu'en date du 25 février que les CHP furent remis au programme. » (441b)

De patrouilles te voet werden minder talrijk evenals de halten tijdens de patrouilles per voertuig. Men legde aan de troepen uit dat het doel van die patrouilles was op een vriendelijke manier in contact te treden met de bevolking. Einde maart kregen die patrouilles de bijnaam « Coca-Cola-patrouilles » (442b).

Na de « militaire » houding die de Belgische strijdkrachten aanvankelijk aannamen, gedroegen zij zich vervolgens meer als een « wijkagent » (443b), volgens het verslag van de commissie-Uytterhoeven.

Die interpretatie wordt echter genuanceerd door kolonel Marchal, die zich verzet tegen de bewering alsof hij de rol van de Belgische militairen wilde beperken tot die van « wijkagent ». Hij zegt altijd « een operationele mentaliteit geëist te hebben ». Hij heeft verklaard « een houding te hebben verdedigd die een ontspannen voorkomen verzoende met de vinger aan de trekker ». Zijn leuze was : « relax maar waakzaam ». Kolonel Marchal leek daarmee in overeenstemming te zijn met generaal Dallaire.

De kolonel erkent echter zelf dat die instructies over schijnbare ontspanning werden opgevolgd, maar de eis van toenemende waakzaamheid veel minder.

Bij de voorbereiding van KIBAT II heeft men instructies gegeven om een andere houding aan te nemen. « Men legde de nadruk op het feit dat een andere houding diende te worden aangenomen dan in Somalië. De basisfilosofie was dat men naar Rwanda ging als gast en dat samenwerking (onder meer met de rijkswacht) derhalve de sleutel van het succes was. » (444b)

Zoals de militairen zelf hebben benadrukt, blijkt dat die omschakeling niet altijd zonder problemen is verlopen (445b). « Ter illustratie kan worden gezegd dat de Raadgever in Oorlogsrecht onder meer heeft gewezen op enkele afwijkende reacties bij ondergeschikte kaderleden tijdens de opleiding . » (446b)

Over de functie van deze raadgever in het recht van de gewapende conflicten (RRGC) zal de commissie in een volgend onderdeel een aantal vaststellingen doen.

Los van de rol van deze RRGC, en de problematiek die ermee verbonden is, lijkt het mededelen van de gedragsregels en de assimilatie ervan door de troepen moeilijk te zijn geweest. Ten gevolge van de incidenten bij het begin van de opdracht is er, zowel ter plaatse voor het tweede deel van KIBAT I als bij de voorbereiding in België van KIBAT II, de nadruk op gelegd dat de Rules of Engagement noodzakelijk zijn en dat ze een bindend karakter hebben. « Men heeft zozeer de nadruk gelegd op de verbodsbepalingen vervat in de Rules of Engagement dat de uitvoerders uiteindelijk niet meer dachten aan het belangrijkste principe, dat van de wettige zelfverdediging. » (447b) De kwaliteit van de bewapening en van de munitie, die was afgestemd op de rol van politieagent maar in de ogen van de soldaten elk ernstig militair optreden uitsloot, « heeft zeker invloed gehad op de waakzaamheid van de paracommando's, hun basisreflexen, ja zelfs op hun zin voor initiatief en hun zelfvertrouwen » (448b).

Ten slotte « moet men eraan toevoegen dat de gevallen die voor het auditoraat-generaal behandeld worden ten gevolge van de VN-operaties in Somalië waaraan diezelfde eenheden hebben deelgenomen, blijven zorgen voor een zekere angst om veroordeeld te worden alleen maar omdat men zijn wapen heeft gebruikt » . (449b) Krijgsauditeur Van Winsen heeft bevestigd dat sommige manschappen « getraumatiseerd waren door de ingestelde vervolgingen » (450b).

« Op het terrein vertaalde zich dat in een gevoel van onmacht. (451b) » Dat heeft geleid tot een vorm van « geestelijke demobilisatie » waarbij het nut van de patrouilles, van de controles ... in twijfel werd getrokken. (452b) »

Men is dus van het ene uiterste in het andere vervallen : van een strijdlustig en misschien als te agressief ervaren gedrag werd overgeschakeld maar een onzekere houding. Het is duidelijk dat geen van die houdingen geschikt is voor een peacekeepingopdracht, « die op elk ogenblik zelfbeheersing vereist, waakzaamheid gedurende lange periodes en het onder controle houden van de stress » (453b).

Hoewel de incidenten, die deels te wijten zijn aan het onaangepaste gedrag van de troepen bij het begin van de opdracht en anderzijds aan een drang tot provocatie vanwege de Rwandezen, argwaan hebben kunnen doen ontstaan of versterken ten opzichte van het Belgisch contingent, die naderhand is uitgegroeid tot een bedreiging, was het wegens de houding die vervolgens door onze troepen werd aangenomen, niet mogelijk het hoofd te bieden aan die bedreiging aangezien er niet « krachtig » mocht worden opgetreden. Kortom, tegenover een wellicht vijandige tegenstrever die echter niet veel bedreiging inhield, hebben de para's een gedrag vertoond dat door sommigen als agressief werd beschouwd; toen de toestand vervolgens echt dreigend is geworden en zij geconfronteerd werden met toenemende vijandigheid, hebben ze blijk gegeven van een meer passieve houding.

Van dit afnemend respect voor de Belgische para's getuigt ook kapitein Theunissen. Kapitein Theunissen verklaarde het volgende over de eerder symbolische waarde van de door de Rwandezen opgerichte barrages : « Je vous ai parlé la dernière fois des barrages où l'on mettait deux cailloux et une baguette sur la route. Les gens faisaient demi-tour parce qu'il n'était pas question de forcer des barrages. Le soldat rwandais qui voit ce genre de réaction, est conforté dans son idée que cette fois-ci il peut y aller : Belges ou pas de Belges, ils ont un béret bleu et il peut en profiter au maximum. » (454b)

Dit wordt bevestigd door luitenant Lecomte tijdens de hoorzitting van 7 mei 1997 :

« Ce n'est pas d'office, mais je pense que de voir en permanence les Belges cotoyer les gendarmes rwandais en ayant une attitude assez passive et assez discrète également fait que les Rwandais se sont sentis en position de supériorité vis-à-vis des troupes belges. »

Verder verklaarde luitenant Lecomte :

« Je pense que, si on avait pu faire preuve de plus de fermeté, je ne dis pas que la situation ne serait pas arrivée, mais leur attitude aurait été totalement différente » (455b).

Gelijkaardige opmerkingen vinden we in de verklaringen afgelegd aan de commissie-Uytterhoeven. Bv. Sgt. Bulinckx :

« On nous a tellement martelé Show the flag que je me suis senti en faute après avoir utilisé les armes pour me défendre... Certains officiers (Capt. Marchal) se sont fait fouiller et désarmer par les FAR en passant un road block. » (456b)

De commissie-Uytterhoeven bereikte dan ook volgende belangrijke besluit :

« Sur le terrain, cela se traduisait par un sentiment d'impuissance : dans tous les cas, le succès d'une opération dépendait du bon vouloir des Rwandais. La MINUAR n'avait pas les moyens d'imposer sa volonté, son Comd n'a d'ailleurs jamais voulu utiliser la force pour ce faire. Cette impuissance de la MINUAR ne devait évidemment pas passer inaperçue des Rwandais. Ils ont donc pu estimer ne guère courir de risques en bloquant la MINUAR, voire en s'en prenant à ses troupes » (457b).

Dat heeft de geloofwaardigheid van UNAMIR aanzienlijk doen afnemen. Ze werden zelfs op pejoratieve wijze « Minuar » genoemd (in het Kinyarwanda : « Zij die praten »).

Na de problemen met de opleiding en de bruuske correctie die daarop gevolgd is, bestond er dus geen aangepaste verhouding tussen de houding van de troepen en de situatie op het terrein.

De functie van de raadgever in het recht van de gewapende conflicten

De rol van RRGC was belangrijk in de opdrachten KIBAT I en KIBAT II.

De functie van RRGC wordt vermeld in het eerste toegevoegd protocol bij de verdragen van Genève van 12 augustus 1949, art. 82. De taak van de adviseur werd na de gebeurtenissen in Rwanda door de generale staf vastgelegd :

« a. De militaire commandanten adviseren voor de toepassing van het oorlogsrecht, wat betreft de rechtsleer en de instructies;

b. In geval van deelneming aan een buitenlandse operatie, de commandanten adviseren over de DCA-aspecten (Droit des conflits armés) die bij dit soort van opdrachten behoren. » (458b)

Commandant Noens was raadgever in het recht van de gewapende conflicten bij UNAMIR, meer bepaald bij KIBAT I. Hij werd slechts op 22 november 1993 hiertoe aangewezen, ten gevolge van meldingen in de pers betreffende het slecht gedrag van para's in Somalië. Aangezien de richtlijnen voor de RRGC in oorlogsrecht slechts bestonden uit een zeer summier algemeen order uit 1991, diende hij als het ware zijn eigen opdracht te schrijven. Als adviseur van het commando onderzocht hij of de instructies in overeenstemming waren met de ROE en het humanitair recht. Eén enkele keer heeft commandant Noens negatief geadviseerd, omdat het Belgisch leger niet was opgeleid voor de ordehandhaving. Hij volgde de veiligheidsvergaderingen met de Rwandezen en gaf onderricht aan KIBAT I inzake humanitair recht. Volgens commandant Noens : « Het werk op het terrein gaf dikwijls aanleiding tot hevige maar positieve discussies met de mensen, met de troep aangaande het nut van het oorlogsrecht en het nut van de VN-opdracht. » (459b)

Volgens commandant Noens waren onze para's niet voorbereid voor de peacekeeping/opdracht in Rwanda : « ... de para's die vertrokken zijn, hebben gedacht dat het een gemakkelijke operatie was en dat men in zekere zin een ruiloperatie had gedaan. (...) Het was allerminst aangenaam, vooral op mentaal gebied omdat zij van de Force en de sector kritiek kregen, vaak ten onrechte. (...) Zij hadden de indruk niet begrepen te worden, en vooral niet gesteund te worden » (460b).

Volgens commandant Noens werd in verschillende faxberichten naar Evere de nadruk gelegd op een betere voorbereiding van KIBAT II. Hij vreest dat dit als negatief effect heeft gehad dat de mensen het gevoel kregen niets meer te mogen ondernemen. De commandant beschouwt het als een nadeel dat de blauwhelmen aanvankelijk gewapend verschenen, te voet, en in sectieverband (show the flag) , en daarna hun bewapening afzwakten. « Dat was in de kaarten spelen van bepaalde FAR-officieren die helemaal niet Belgisch gezind waren », aldus commandant Noens (461b).

Commandant Noens wordt opgevolgd door majoor Bodart die de taak van raadgever in het recht van de gewapende conflicten bij KIBAT II op zich neemt. Noch commandant Noens noch majoor Bodart zijn officieren, afkomstig van of ressorterend onder de paracommando-brigade. Toch stelt de commissie vast dat de verstandhouding tussen commandant Noens (KIBAT I) en het eerste parabataljon uit Diest vrij goed was, waar de verhoudingen tussen majoor Bodart (KIBAT II) en het tweede commando uit Flawinne vrij polemisch verliepen.

De verklaring van majoor Bodart is de volgende : « J'ai fait en tout et pour tout trois interventions. La première c'est le 7 avril au matin lorsque j'ai vu arriver un chauffeur dans le cantonnement où je me trouvais, équipé d'une grenade. J'ai dit, tiens on a distribué des grenades. Je l'ai vérifié près du colonel Dewez qui m'a dit : « c'est normal, ils doivent pouvoir se défendre ». Ma deuxième intervention n'a pas trait à un phénomène d'armement mais à un bête problème de parking. J'ai demandé à un chef de section qui rentrait d'une mission relativement dure ­ c'était la compagnie qui était à Don Bosco ­ de bouger sa camionnette qui était dans le chemin. Au même moment, nous recevions des autobus pour évacuer des expatriés qui étaient à l'hôtel Méridien. Il y avait une certaine excitation. Je lui ai demandé à plusieurs reprises de déplacer sa camionnette. Il ne l'a pas bougée. Après trois fois, je l'ai légèrement empoigné par le bras pour le tourner vers sa camionnette en lui demandant de la bouger. À ce moment-là, un lieutenant a failli en venir aux mains. Je crois que cette réaction est tout à fait légitime. » (462b)

Nochtans zal blijken dat, betreffende dit laatste incident, bataljonscommandant Dewez bevel had gegeven de MI.50's boven te halen. Majoor Bodart getuigt hiervan niet op de hoogte geweest te zijn. Verder geeft de RRGC in oorlogsrecht bij KIBAT II toe dat hij soms harde woorden moest aanhoren, hetgeen ook blijkt uit de hiernavolgende getuigenissen van enkele lagere kaderleden.

Zo getuigt kapitein Theunissen over majoor Bodart : « Ik vind hem onbekwaam. Hij heeft zijn kolonel op geen enkel ogenblik gesteund . » (463b)

Korporaal-chef Pierard getuigt over de RRGC : « Ik weet niet of hij zich wel goed rekenschap gaf van de situatie. » (464b) Verder zegt korporaal-chef Pierard dat majoor Bodart aan hem geen lessen oorlogsrecht gegeven heeft.

Korporaal Kinkin verwoordt het als volgt : « Wij hadden de indruk dat Bodart er was om de zwarten te helpen, niet de Belgen . » (465b)

De commissie stelt vast dat de RRGC's in bij KIBAT vrij onvoorbereid hun taak in Kigali dienden op te nemen. Slechts in 1995-1996 zal de taak en functie van de raadgever in oorlogsrecht in een dienstorder beter gespecifieerd worden. Ook over de recrutering van deze RRGC's in oorlogsrecht stelt de commissie vast dat zij kandideerden op vrijwillige basis en dat de opleiding zeer summier was.

De commissie stelt tevens vast dat de bevelvoering verschillende malen doorkruist werd door tegenstrijdige bevelen van de RRGC, vooral tijdens KIBAT II. Dit had tot gevolg dat de verwarring onder de manschappen betreffende hun militair-operationele houding nog toenam. Tijdens KIBAT II was de rol van de militaire adviseur kennelijk een probleem op zich, dat te maken had met zijn persoonlijkheid en sommige van zijn standpunten (466b).

3.3.4.2. Het gedrag van de soldaten buiten de dienst

De Belgische militairen mochten zich buiten de diensturen in de stad Kigali begeven. Uitgaansverloven waren toegestaan en verloven mochten ook in de operationele zone worden opgenomen.

Wat de uitgaansverloven betreft, vond de commandant van KIBAT I (luitenant-kolonel Leroy) het normaal uitstapjes toe te staan zolang die volgens zeer strikte regels verliepen (burgerkleding, geen wapens, onder bescherming van RP's, op welbepaalde plaatsen, tijdens vooraf bepaalde uren en volgens een vooraf vastgestelde toerbeurt) (467b). Deze regels zijn nog verder uitgewerkt (voor KIBAT II), met name in een document van 19 maart 1994, ondertekend door luitenant-kolonel Dewez, dat handelt over het stelsel van de uitgaansverloven (468b). Toegestaan waren uitstapjes in welbepaalde restaurants van 18 tot 23 uur.

De verloven werden georganiseerd volgens reglementen van de VN, die voorzien in « 2,5 vakantiedagen per maand doorgebracht in de operationele zone, d.w.z. ongeveer 10 dagen tijdens een opdracht van vier maanden, voor zover de operationele situatie het toestaat » (469b). Wat de verloven betreft : « aangezien tussen België en Rwanda goede relaties van land tot land heersten, zagen de Force Commander, de sectorcommandant en de commandant van KIBAT geen enkele reden om de families te verbieden op eigen kosten naar Kigali te komen. Bovendien moesten de verloven worden opgenomen in de operationele zone, zodat in feite niets belette dat Belgische soldaten, al dan niet vergezeld van hun familie, hun verloven doorbrachten in de KWSA, meer bepaald in de stad Kigali zelf » (470b).

Op 2 april 1994 deelde luitenant-kolonel Dewez de troepen mee dat er « met KIBAT I problemen van verschillende aard waren gerezen en dat KIBAT II geen enkele fout meer mocht maken ». Vervolgens legde hij bepaalde beperkingen op in verband met de verloven, met name dat het personeel dat verlof nam binnen de KWSA, ook buiten het kantonnement onderworpen bleef aan dezelfde regels als het overige personeel (471b).

Met deze « problemen van verschillende aard » werden met name de « talrijke gerechtelijke en disciplinaire incidenten » bedoeld (472b). De nota van luitenant-kolonel Leroy verduidelijkt verder dat « in de loop van een vier maanden durende operatie twintig Belgische soldaten van KIBAT I naar België zijn teruggezonden ». Aanleiding hiervoor waren « de talrijke incidenten, die weliswaar tijdens de dienst voorvielen, maar er geen verband mee hielden ». De nota noemt duidelijke gevallen van « wangedrag, gebrek aan discipline en zelfs van oplichterij », en verduidelijkt verder dat « de krijgsauditeur op 17 maart 1994 in het geheel 65 dossiers had behandeld met betrekking tot diefstal, verkeersongevallen en uiteenlopende klachten ». In deze 65 dossiers, zijn ook de dossiers inbegrepen waarbij Belgische militairen de aanklager waren.

In zijn besluit spreekt de luitenant-kolonel de hoop uit dat gerechtigheid zal geschieden en bepaalde elementen die het imago van de eenheid en van het land hebben geschaad, zullen worden verwijderd uit het leger, waar zij niet thuishoren. Zij die minder zwaar in de fout zijn gegaan, maar zich toch schuldig hebben gemaakt aan verwerpelijke daden die ter plekke voor enorme heibel hebben gezorgd, zullen overeenkomstig de reglementen worden gestraft, maar op zo'n manier dat de overgrote meerderheid die zich wel naar behoren heeft gedragen, er niet onder hoeft te lijden.

Luitenant-kolonel Leroy beklemtoont dat de grote meerderheid van de manschappen zich als verantwoordelijke volwassenen hebben gedragen en onze beste ambassadeurs waren bij de VN-instanties, de geëxpatrieerden, en vooral bij het Rwandese volk.

Tijdens zijn hoorzitting voor de Commissie heeft de luitenant-kolonel verklaard : « Sommige individuen hebben het imago van hun eenheid geschaad. Zij werden gestraft. De opdrachten zijn zo goed mogelijk verlopen, rekening houdend met de middelen waarover wij beschikten. » (473b)

De commissie heeft uit verschillende bronnen vernomen dat disciplinaire incidenten niets met de opdracht te maken hadden. Het ging voornamelijk om relletjes tijdens uitstapjes. De veelvuldige incidenten hebben er toe geleid dat eerst gedreigd werd met uitgangsverbod, nadien werd het ook uitgevaardigd. Die beslissing was ingegeven door veiligheidsoverwegingen maar ze was ook het gevolg van het feit dat sommige Belgische militairen van UNAMIR zich openlijk vertoonden met Rwandese Tutsi-vrouwen, wat tot commentaar op RTLM leidde (en tot karikaturen in de lokale pers (474b)). Generaal Dallaire dreigde er zelfs mee het hele Belgische detachement naar huis te sturen.

Er werd ook een incident gerapporteerd dat begin maart plaatsvond : dronken mannen van KIBAT I trokken naar het Hotel des Mille Collines, waar zij verschillende verdiepingen kort en klein sloegen hetgeen ongetwijfeld het imago van het detachement heeft aangetast.

Ook hier is gewag gemaakt van provocaties die tot doel hadden het Belgische contingent te destabiliseren. Die provocaties zijn nog geen afdoende verklaring voor de vele gevallen van wangedrag van de troepen.

Bij de voorbereiding van KIBAT II werd bijzondere aandacht besteed aan de discipline. Dat blijkt ook resultaat te hebben gehad. Ernstige incidenten zijn niet meer voorgekomen en het gedrag van de manschappen tijdens verloven of uitstapjes was beter aangepast aan de situatie. Op dit vlak is er dus duidelijk een gunstige evolutie geweest.

3.4. DE UITVOERING VAN HET MANDAAT EN VAN DE ROE

3.4.1. De interpretatie van het mandaat

Wij herinneren eraan dat het mandaat zoals omschreven in resolutie nr. 872 van de VN-Veiligheidsraad gebaseerd is op de akkoorden van Arusha van 4 augustus 1993. Aanvankelijk verleenden die akkoorden een veel ruimer mandaat aan wat toen nog een neutrale internationale troepenmacht (FIN) heette. Volgens de akkoorden van Arusha bestond de opdracht van FIN erin « to guarantee overall security of the country » en omschreef punt 3a van resolutie nr. 872 het mandaat als volgt : « to contribute to the security of the city of Kigali, inter alia, within a weapons-secure area established by the parties in and around the city ».

3.4.1.1. Het mandaat

(1) Historisch overzicht van het mandaat

Het mandaat van de UNAMIR-troepenmacht is dus gebaseerd op punt 3 van resolutie nr. 872, goedgekeurd door de VN-Veiligheidsraad (cf. 3.1.4 (4)).

Van bij de aanvang stonden de Verenigde Staten, Groot-Brittannië en Rusland afwijzend tegenover de operatie. Geleidelijk aan zijn die landen echter bijgedraaid. Deze houding heeft geleid tot een inkrimping van de voorgestelde troepenmacht en een afzwakking van het mandaat.

België maakte geen deel uit van de Veiligheidsraad en was dus niet rechtstreeks betrokken bij de discussie over het mandaat.

Tijdens zijn hoorzitting heeft premier Dehaene daarover gezegd : « Op dat ogenblik was het niet de gewoonte dat niet-leden van de Veiligheidsraad zich in de mandaten mengden. Pas na een aantal ervaringen in Joegoslavië, Rwanda en Somalië is een aantal landen eisen gaan stellen ten aanzien van de Verenigde Naties.

Zo wisten ze af te dwingen dat de landen die de troepen leveren, bij de vaststelling van het mandaat moeten worden betrokken. » (475b)

Het is wellicht nuttig op deze plaats de tekst van het mandaat van de Veiligheidsraad aan UNAMIR in herinnering te brengen :

« a) Contribuer à la sécurité de la ville de Kigali, notamment à l'intérieur de la zone libre d'armes établie par les parties s'étendant dans la ville et dans ses alentours;

b) Superviser l'accord de cessez-le-feu, qui appelle à la mise en place de points de cantonnement et de rassemblement et à la délimitation d'une nouvelle zone démilitarisée de sécurité ainsi qu'à la définition d'autres procédures de démobilisation;

c) Superviser les conditions de sécurité générale dans le pays pendant la période terminale du mandat du gouvernement de transition jusqu'aux élections;

d) Contribuer au déminage, essentiellement au moyen de programmes de formation;

e) Examiner à la demande des parties ou de sa propre initiative, les cas de non-application du protocole d'accord sur l'intégration des forces armées, en déterminer les responsables et faire rapport sur cette question, en tant que de besoin, au Secrétaire Général;

f) Contrôler le processus de rapatriement des réfugiés rwandais et de réinstallation des personnes déplacées, en vue d'assurer que ces opérations sont exécutées dans l'ordre et la sécurité;

g) Aider à la coordination des activités d'assistance humanitaire liées aux opérations de secours;

h) Enquêter et faire rapport sur les incidents relatifs aux activités de la gendarmerie et de la police. » (476b)

Volgens de Secretaris-generaal moesten twee van de vier functies binnen de opdracht de volgende zijn :

« a) bijdragen tot het handhaven van de veiligheid in Kigali (...)

« c) blijven toezicht houden op de situatie, uit het oogpunt van de veiligheid, gedurende de slotperiode van het mandaat van de overgangsregering, die tot verkiezingen moest leiden; (...) » (477b)

De veiligheid van Kigali zou verzekerd worden door het opstellen van een infanteriebataljon en een compagnie pantservoertuigen voor troepenvervoer, om met name de veiligheid te verzekeren van de luchthaven, het RPF-kamp, de openbare gebouwen, de leden van de overgangsregering.

In Kigali en in de gedemilitariseerde zone moest UNAMIR de wapens inzamelen en nakijken, controleposten installeren, patrouilles uitvoeren en de veiligheid van de verzamel- en kantonnementspunten verzekeren.

(2) De evaluatie van het mandaat

De aandachtige lezer kan vaststellen dat dit mandaat in weinig interventionistische termen is verwoord : « contribuer, superviser, examiner, aider, enquêter ». Het gaat m.a.w. om een klassiek peacekeepingmandaat.

De commissie heeft dan de redenen onderzocht waarom er uiteindelijk zo'n afgezwakt mandaat uit de bus is gekomen.

Eerst kan men een verklaring vinden in de houding van de Verenigde Staten :

Enkele dagen voor de beslissing van 5 oktober 1993 hebben rebellen 18 Amerikaanse blauwhelmen vermoord in Somalië. Voor de camera's van CNN sleepten de Somalische rebellen de lijken van Amerikaanse soldaten door de straten van Mogadishu. Dit heeft de Amerikaanse publieke opinie getraumatiseerd en de houding van de Amerikaanse regering bepaald.

Zij hebben dus al hun invloed aangewend om hun standpunt op te leggen aan de Veiligheidsraad.

In dat verband heeft de heer Cools gezegd : « De Amerikanen hebben naderhand bevestigd dat ze weinig interesse hadden voor een nieuwe operatie in Afrika omdat de publieke opinie en het Congres die niet wenselijk achtten. Bovendien legde president Clinton strengere interventieregels vast.

Zij stellen 500 man voor, wat belachelijk weinig is. De Fransen stellen er 1 000 voor. Dat is niet veel, maar ze gaan ervan uit dat de Amerikanen, als men te veel vraagt, zullen weigeren.

Tenslotte komt men tot 2 500 manschappen. Een gemeenschappelijke commissie RPF-Rwandese regering had een vergadering van de Veiligheidsraad bijgewoond en had zich bereid getoond tot verzoening te komen en de akkoorden van Arusha uit te voeren. Dat had grote indruk gemaakt, onder meer op de Amerikanen, die beslissen een operatie op te zetten op basis van hoofdstuk VI, waarvoor het akkoord van de partijen vereist was.

Ik wil erop wijzen dat het verschil tussen hoofdstuk VI en hoofdstuk VII niet steunt op het feit of al of niet van wapens gebruik mag worden gemaakt maar op het al dan niet bestaan van een akkoord tussen de partijen. » (478b)

De uitvoering van het mandaat werd nog meer afgezwakt door de interpretatie ter plaatse.

De heer Gasana, een van de vertegenwoordigers van CRDDR (Comité pour le respect des droits de l'homme et de la démocratie au Rwanda) heeft de volgende verklaring afgelegd : « Van januari tot maart 1994 werd de installatie van de instellingen voortdurend gesaboteerd door medestanders van Habyarimana. (...) Hoewel de situatie verslechterde, werd UNAMIR letterlijk verlamd omdat hij zijn mandaat te eng interpreteerde. Op 6 april werd de volkenmoord aangevat en door het gebrek aan voorbereiding van de troepen kon er niets tegen worden ondernomen. » (479b)

De heer Claes brengt de verantwoordelijkheid van generaal Dallaire in het geding. Tijdens zijn hoorzitting verwijst hij naar een brief van 11 februari 1994 die hij gericht heeft aan de VN-Secretaris-generaal als reactie op de onrustwekkende informatie uit Rwanda : « Die brief geeft aan dat het benadrukken van het politiek profiel van de VN samen moet gaan met de verhoging van de veiligheid. Het valt te vrezen dat, als men de negatieve evolutie van de toestand in Rwanda niet tot staan brengt, UNAMIR haar rol niet kan spelen bij de toepassing van de akkoorden van Arusha.

Mijn brief wekte verwondering omdat Dallaire de toestemming had gekregen om samen met de Rwandese gendarmerie over te gaan tot een strengere ontwapening. Het bleek echter dat generaal Dallaire in de praktijk weinig deed. Met andere woorden, er was een communicatiestoornis tussen de VN in New York en UNAMIR in Kigali. » (480b)

Andere sprekers waren evenwel van oordeel dat het mandaat voldoening schonk.

Dat geldt onder meer voor professor Reyntjens : « In het kader van het mandaat waren fouillering en ontwapening mogelijk maar desgevraagd meende New York dat dergelijke operaties een offensief karakter hadden en bijgevolg uitgesloten waren.

Generaal Dallaire, kolonel Marchal en de Rwandese gendarmerie vonden evenwel dat dergelijke operaties wel degelijk in het kader van het mandaat pasten. » (481b)

Het is voor de commissie dan ook de vraag waarom generaal Dallaire het als zijn plicht heeft aangevoeld New York vragen te stellen over de interpretatie van het mandaat.

Op een aantal punten was de heer Claes het eens met de verklaring van professor Reyntjens : « Een ruimer mandaat was niet nodig aangezien er voldoende mogelijkheden waren binnen de rules of engagement. » (482b)

Op andere punten was de heer Claes, zoals overigens tal van actoren ter plaatse, van oordeel dat men die had moeten wijzigen. De pogingen van de heer Claes om een verruiming van het mandaat te verkrijgen worden behandeld in punt 3.4.3.

Op 29 maart 1994 heeft de toenmalige minister van Landsverdediging, de heer Delcroix, in de Senaat bevestigd dat België zou overwegen zijn troepen terug te trekken indien het mandaat van UNAMIR niet werd herzien (483b).

(3) De uitvoering van het mandaat ter plaatse

De commissie stelt vast dat de interpretatie van het mandaat aan duidelijkheid te wensen overlaat. Zij vraagt hoe dat mandaat werd gezien door enerzijds de militaire overheid en anderzijds de actoren ter plaatse.

Luitenant-generaal Charlier verklaart daarover : « De VN-procedures zijn log. Een mandaat kan niet worden gewijzigd. » (484b)

(...)

« Het mandaat van UNAMIR dekte niet de volledige inhoud van de Arusha-akkoorden. » (485b)

Kolonel Marchal van zijn kant heeft daarover de volgende vragen : « Is het mandaat aangepast ? Voor ons is dat mandaat het politieke kader waarin we moesten opereren. Tot 7 april heeft dat mandaat geen problemen doen rijzen. Ik was verantwoordelijk voor de toepassing ervan. Vanaf 7 april was het mandaat niet meer toereikend voor de concrete situatie. » (486b)

Over de dood van de tien paracommando's deelt kapitein Lemaire het volgende mee : « Pour ce qui est des fautes concernant la mort des dix paras, je pense que ce problème présente trois grands aspects. D'abord, la faiblesse du mandat ­ c'était un mauvais choix avant de commencer la mission ­ mais également le fait que, sur place, le 1-para a essayé de réaliser ce qu'il avait comme mandat et il a été en permanence face à un mur qui l'empêchait de le réaliser. De ce fait, à la fin des quatre mois, les gens étaient complètement démoralisés et se demandaient à quoi ils jouaient. Ils prenaient des risques, ils prenaient des armes qu'il fallait restituer le lendemain. (...) et (...) les discours du secteur et de la Force étaient : adoptez un profil bas, nous ne sommes plus en Somalie, restez calmes, restez sérieux. » (487b)

Kapitein Lemaire heeft ook een verklaring afgelegd over de inhoud van de briefing bij de aflossing tussen KIBAT I en KIBAT II. « (...) dès le départ, on a insisté sur le fait que le mandat était limité, que nous devions éviter les écarts de conduite qui étaient apparus chez le 1-para, ainsi que les attitudes agressives vis-à-vis des Rwandais. Par ailleurs, pour utiliser des armes automatiques, il fallait des autorisations successives du bataillon, de la force et du secteur. Donc, dès le départ, on nous a dit que nous étions là un peu en observateurs de deux parties qui ont un problème à régler entre elles. » (488b)

Over de interpretatie van het mandaat heeft ook mevrouw Des Forges het volgende kunnen zeggen :

« Wat de interpretatie van het mandaat betreft, veronderstel ik dat de militairen zeker wilden zijn van de omvang van hun bevoegdheden. Indien generaal Dallaire initiatieven had genomen in plaats van vragen te stellen, was alles misschien anders verlopen. Hij heeft een weigering mogelijk gemaakt. Waarom heeft hij die vraag gesteld ? Misschien omdat hij bij een eerste poging de in beslag genomen wapens heeft moeten teruggeven. » (489b)

3.4.1.2. De ROE

(1) De definitie

De rules of engagement worden ook door de VN vastgelegd, doch de Belgische generale staf heeft bijgedragen aan de definitieve formulering.

De rules of engagement liggen vast in zes punten. Volgens het zesde punt was het verboden wapens te gebruiken, in gereedheid te brengen, te verplaatsen en af te vuren in aanwezigheid van de partijen in het conflict (V 1372). Alleen de generale staf ter plaatse was bevoegd om het gebruik van automatische wapens toe te staan (krijgsmachtonderdeel of sector). De VN was bevoegd om de ROE inhoudelijk te wijzigen. (490b)

Tijdens zijn hoorzitting heeft de heer Brouhns verklaard :

« À partir du moment où le Conseil donne la ligne du mandat, on constate que les militaires sur le terrain négocient les règles d'engagement, mais que ces dernières ne reviennent jamais au Conseil de Sécurité, ce qui me semble une erreur assez fondamentale du système. À partir du moment où vous avez un Conseil de Sécurité, un organe politique qui décide du cadre général d'une opération, que vous avez des militaires, des exécutants, qui traduisent ce mandat politique en règles d'engagement, que vous avez un secrétariat qui se prétend le gardien de la pensée de l'ONU pour l'interprétation de ces règles d'engagement, et que l'institution politique, à l'origine du mandat, ne contrôle absolument plus rien, la situation est assez malsaine. » (491b)

Tijdens zijn hoorzitting heeft de heer Cools daarover het volgende meegedeeld :

« Ik herinner eraan dat de rules of engagement drie niveaus vertonen. Het niveau van de principes heeft betrekking op het feit dat geweld alleen in geval van wettige zelfverdediging mag worden gebruikt. Het niveau van de vertaling ervan in militaire termen is natuurlijk een zaak voor de militairen, de diplomaten weten daar vrij weinig van af. Het probleem hield verband met het derde niveau, dat van de uitvoering, waarover twee tegenstrijdige meningen bestonden. Sommigen zeiden dat de rules of engagement zeer ruim waren. Anderen waren daarentegen van mening dat men bij de uitvoering ervan voorzichtig moet zijn. (...) Vaak verwart men het mandaat, dat een algemene opdracht tot het handhaven van de vrede is, en de rules of engagement, die betrekking hebben op de voorwaarden voor het gebruik van geweld.

Dat werd niet in New York besproken maar wel in Kigali tussen generaal Dallaire en kolonel Marchal. » (492b)

Kolonel Marchal spreekt dat tegen :

« Vervolgens is er de kwestie van de rules of engagement, de overige aan het UNAMIR-detachement gegeven richtlijnen en mijn deelname aan het besluitvormingsproces. Ikzelf heb niet aan de besluitvorming deelgenomen. Ik ben, om het zo te zeggen, op een rijdende trein gesprongen. (...) Ik was in het bezit van een eerste versie van de rules of engagement en een kopie van het verkennend verslag van kolonel Flament, dankzij de functies die ik uitgeoefend heb op het kabinet.

Ik was niet in het bezit van de samenvatting van de teksten van UNAMIR, noch van meer specifieke richtlijnen over mijn opdracht als commandant van het Belgische detachement. » (493b)

Het blijkt inderdaad dat de ontworpen ROE door luitenant-kolonel Kesteloot naar het C Ops zijn gestuurd ter attentie van kolonel Flamant, in een telex van 29 oktober 1993.

Kolonel Flament heeft die telex voorzien van de aantekeningen « reçu ce matin » en « étudié par nos soins ». Hij heeft luitenant-kolonel Briot met de studie ervan belast. De ROE werden dus besproken op het niveau van de staf van het Belgisch leger via Kesteloot, Flament, Briot en de CJS.

Opgemerkt zij dat artikel 17 betreffende de gewelddaden die gepleegd worden op burgers, opgenomen was in dit ontwerp van ROE, wat zeer ongebruikelijk is.

Luitenant-generaal Charlier heeft het volgende verklaard : « Wij hebben getracht het juridisch jargon begrijpelijk te maken voor de soldaten die de regels op het terrein zouden moeten toepassen. » (494b)

(2) De interpretatie van de ROE

De commissie stelt vast dat de leden van de generale staf het onderling niet eens zijn over de interpretatie van de ROE.

Luitenant-generaal Charlier ziet het als volgt : « Militaire regels kunnen onmogelijk strikt worden beschreven. Dat is een visie van juristen. Daardoor treedt echter verlamming en onzekerheid op. Het is een utopie. » (495b)

Over de noodzaak om grenzen af te bakenen zegt luitenant-generaal Charlier : « De omschrijving van de opdracht moet waarborgen bevatten. Uit militair oogpunt is het ondenkbaar dat men een beroep moet doen op de commandant van het bataljon om een machinegeweer te mogen gebruiken. » (496b)

In zijn antwoorden op de vragenlijst voorgelegd door de rechter-advocaat generaal bij het Militair Gerechtshof zegt generaal Dallaire : « La Force n'avait ni le mandat, ni l'équipement, ni la capacité, ni le soutien nécessaire pour contrôler ou influencer de telles hostilités. » (497b)

Luitenant-generaal Berhin ziet het als volgt : « De rules of engagement zijn niet zo minimaal als men beweert. Ze laten alle vrijheid om zich indien nodig te verdedigen. Generaal Dallaire heeft die rules of engagement evenwel te minimalistisch opgevat. Zelfs na het drama heeft hij steeds geweigerd ze anders te interpreteren. (...) De interpretatie ervan was te minimalistisch.

De rules of engagement en het mandaat krijgen heel wat kritiek hoewel ze correct zijn. Het is de toepassing ervan op het terrein die fout liep. » (498b)

Kolonel Marchal heeft verklaard dat met de rules of engagement « in de eigenlijke zin » geen rekening moest worden gehouden, dat zij « niet zo dwingend » waren en dat alle mogelijkheden openbleven wat het wapengebruik betreft.(499b)

Kolonel Marchal heeft het echter nuttig geoordeeld generaal Dallaire vragen te stellen over diens interpretatie van de rules of engagement. « Over de rules of engagement het ik voor het eerst nagedacht bij de voorbereiding van de bescherming van de corridor. Ik heb aan generaal Dallaire de toestemming gevraagd om zo nodig alle beschikbare wapens te kunnen gebruiken. Om redenen die ik niet ken, heb ik zijn toestemming gekregen om halfzware maar niet om zware machinegeweren te gebruiken.

Deze verplichting om telkens de toestemming te vragen voor het gebruik van wapens leek mij onhoudbaar. Ik heb beslist om geen toestemming meer te vragen in verband met de rules of engagement en tijdens de briefing die aan de operatie corridor voorafging, heb ik niet geaarzeld om mijn officieren het gebruik van zware mitrailleurs aan te bevelen wanneer dat nodig bleek. » (500b)

De verklaring van luitenant-generaal Berhin valt samen met die van kolonel Marchal : « Ik deel de mening van kolonel Marchal over de rules of engagement : zodra er wettige zelfverdediging is, is alles toegestaan behalve meer macht gebruiken dan nodig. » (501b)

Van zijn kant verklaart luitenant-generaal Uytterhoeven : « Wij verzetten ons tegen de interpretatie die generaal Dallaire aan de rules of engagement gaf, te weten een optreden als politieagent.

De rules of engagement kenden een exponentiële evolutie : ze gingen een steeds strakker keurslijf vormen » (502b). Hij heeft er bovendien aan toegevoegd dat hij bij de aflossing van KIBAT II heeft aangedrongen op een aanpassing.

(3) De toepassing ter plaatse

De vaagheid en zelfs de tegenstrijdigheden die de commissie ontdekt bij de interpretatie van de rules of engagement door de hogere officieren, geeft ongetwijfeld een verklaring voor een deel van de problemen waarmee de Belgische troepen ter plaatse hebben gekampt.

Commandant Noens formuleert het als volgt : « Het begrip rules of engagement is onvoldoende of slecht gekend bij het begin van de operatie en vooral voor het kader dient hieraan gewerkt te worden. Ik vraag dat dit opgenomen wordt in het onderricht der Wapenscholen samen met de geplande lessen in oorlogsrecht. Dit is ondertussen gebeurd. Laatste bemerking. Een VN-opdracht in de zin van Peace Keeping is geen Piece of Cake voor een parabataljon. Aan begrippen als « Show the Flag, show your smile » heeft een para op het terrein niets. Tijdens zijn opleiding en zijn verdere training in zijn eenheid wordt een paracommando op scherp gezet, tijdens zijn VN-opdracht wordt hij ontscherpt. Het ontbreekt hem immers aan een duidelijk vijandsbeeld. Bovendien heeft hij de indruk dat hij niets mag doen. » (503b)

Tijdens zijn hoorzitting verklaart luitenant Lecomte : « Dans le même contexte, les directives données étaient très restrictives. Je me pose actuellement la même question que je me posais sur place. Comment peut-on être crédible sans moyens d'action ? (...) C'étaient les directives que nous avions. Nous ne pouvions quasiment jamais utiliser l'armement, c'était seulement en cas d'autodéfense. » (504b)

Majoor Bodart, raadgever in het recht van de gewapende conflicten, heeft het volgende verklaard : « Je relève (...) le mot « impression » : ils avaient aussi l'impression d'être en vacances... Je crois qu'il y a dans le chef des déclarations spontanées a posteriori, un amalgame et une schématisation un peu trop outrancière. Je répète à nouveau que je ne sais pas évaluer la façon ni la mesure avec laquelle les informations ont été données au deuxième bataillon commando. Je lis dans un document « briefing général MINUAR, règles de comportement, généralités », en première page, après le mandat détaillé de l'UNAMIR : « l'emploi de la force est autorisé en cas de légitime défense ». Comment peut-on interpréter cela différemment et dire : « je ne peux pas tirer, même en cas de légitime défense ? » Moi, je n'ai jamais dit : « vous ne pouvez pas tirer. (...) J'ai dit que la légitime défense restait d'application, que le droit de la guerre n'était pas quelque chose qui empêchait les gens de « tourner », que l'on devait pouvoir faire sa mission militaire avec les attitudes tactiques et techniques propres à l'usage de ses armes et spécifiques à l'unité et qu'il y avait des règles toutes simples, comme celles de la proportionnalité ou du minimum de dégâts collatéraux, etc. Cela me paraît sans équivoque. Cela n'a rien à voir avec : « je ne peux plus rien faire, je ne peux plus tirer, même en cas de légitime défense; qui me demandera des comptes ? » Non, on me demandera des comptes si je transgresse une règle. » (505b)

In de loop van de missie ondergaan die interpretaties een verandering zodat de orders van de sector en van het bataljon worden gewijzigd.

De verklaringen van generaal-majoor Roman bieden een samenvatting van de toestand : « Elles (les règles) n'étaient pas claires et nettes, de sorte que la réaction dépendait du caractère de chacun, ce qui est dangereux. » (506b)

Tijdens zijn hoorzitting zegt korporaal-chef Pierard : « Wij waren geïsoleerd en reageerden dus naargelang het geval. Als men op ons schiet, reageren wij. Dat is conform de rules of engagement. » (507b)

Adjudant Boequelloen antwoordt : « Je n'ai assisté à aucun cours sur le changement des règles d'engagement. » (508b) en volgens korporaal-chef Pierard : « Nous avons seulement eu un briefing du commandant de brigade qui est venu nous dire : « Retirez la cassette de la Somalie, le Rwanda c'est tout autre chose, ce sont des vacances que l'on vous offre. » (509b)

Dit is de indruk die verscheidene families van vermoorde para's daarvan hadden.

De commissie heeft adjudant Boequelloen en korporal-chef Pierard gevraagd of de officieren en de onderofficieren hun de inhoud van artikel 17 van de rules of engagement hebben toegelicht.

Adjudant Boequelloen antwoordt : « on ne pouvait pas intervenir. Nous devions adopter un profil bas » (510b) en korporaal-chef Pierard verklaart : « nous avons reçu l'ordre formel de ne pas intervenir » (511b).

3.4.2. De bijdrage van UNAMIR tot de handhaving van de veiligheid in Kigali en in de gedemilitariseerde zone

De taken van het mandaat zijn omschreven in de « UN Guidelines for Governments contributing military personnel to UNAMIR ». Het « Concept of Operations » is de sleutelparagraaf van elk document betreffende militaire operaties.

Hierin staat :

« 8. Il s'agit d'établir et de maintenir un climat essentiel à l'établissement et au bon fonctionnement du gouvernement de transition.

9. b. To establish a weapons secure zone in and around Kigali through the deployment of a formed infantry battalion and military observers, to protect the international airport, to protect the RFP compound, to escort RFP government functionaries and to assist in the recovery of illegal arms from civilians.

9. c. To be prepared to employ formed UN troops for security of UN property and personnel anywhere in Rwanda until ... »

De toepassing van die richtlijnen wordt vervolgens nader omschreven voor de HQ Force, de HQ Sector en tenslotte voor KIBAT.

De commissie stelt vast dat het « Concept of Operations » opgesteld door de VN in New York, niet was afgestemd op de beschikbare middelen en dat daaruit geen realistische richtlijnen zijn gehaald, noch voor de Force, noch voor de Sector en a fortiori ook niet voor KIBAT.

3.4.2.1. De « Kigali Weapon Secure Area » (KWSA)

Het in beslag nemen van de wapens was één van de taken waarmee het Belgische bataljon belast was.

Kolonel Flament beschreef deze taak als volgt :

« Er moest een gebied worden afgesloten en daar moest worden gefouilleerd. De « Kigali Weapon Secure Area » is een zone waar geen wapens binnen mochten. Wij fouilleerden op de weg naar de brug van Kabenge. Daarvoor zijn niet veel middelen nodig. De moeilijkheid bestond er echter in de bevolking te doen begrijpen waarom wij daar waren. » (512b)

Betreffende het in beslag nemen van wapens verklaarde kolonel Flament :

« Het Belgische bataljon moest deelnemen aan het fouilleren. Het « cordon » was Belgisch, terwijl de « search » samengesteld was uit Rwandese rijkswachters, VN-waarnemers of de twee samen. Wij hadden dus niet verwacht dat de Belgen rechtstreeks zouden moeten fouilleren. » (513b)

In feite zijn er enkel op 5 januari wapens gevonden, met de steun van de gendarmerie die twee verdachten heeft aangehouden. Een peloton van de 21e compagnie, de bevelvoerders van de compagnie, van KIBAT, van de Sector, hebben aan die actie deelgenomen. Voorafgaande coördinatie was onmogelijk en de operatie bestond uit een nachtelijke mars tussen de hutten en lange wachttijden toen men eenmaal ter plaatse was (514b).

Men is er nooit in geslaagd deze « Kigali Weapon Secure Area » tot stand te brengen, tenzij in een zeer gedeeltelijke vorm, hoewel deze doelstelling duidelijk in het mandaat bepaald was. De commissie heeft gezocht naar de mogelijke redenen waarom deze KWSA niet werd gerealiseerd.

Eén van de aangehaalde redenen was het gebrek aan samenwerking en het gebrek aan efficiëntie van de Rwandese partners.

Volgens luitenant-kolonel Briot :

« Verschillende acties werden ondernomen om de illegale wapenhandel te bestrijden maar UNAMIR kon niet alleen handelen, zonder de medewerking van de Rwandese rijkswacht. » (515b)

Over deze kwestie verklaart luitenant Nees het volgende :

« Op elk checkpoint waren Rwandese gendarmen aanwezig. Vaak spraken deze gendarmen enkel Kinyarwanda. Dit had soms communicatieproblemen tot gevolg. Ik had de indruk dat hun houding bij het uitvoeren van de checkpoints laks was. » (516b)

Terwijl de Rwandese rijkswacht, wat het in beslag nemen van wapens betreft, contraproductief, zo niet onefficiënt bleek te zijn, had de samenwerking met het RPF in dit opzicht, volgens kolonel Marchal, evenmin veel uitwerking :

« Ik heb dit persoonlijk ervaren bij de eerste onderhandeling over het protocolakkoord van de KWSA. Bovendien, toen ik er mij over ging beklagen dat de regels niet nageleefd werden, werd hieraan zeer traag gevolg gegeven. Ik liet punctuele controleacties uitvoeren maar dit was zeer moeilijk en ik was er nooit zeker van dat het gemelde resultaat juist was. Ik was er altijd van overtuigd dat wanneer het RPF brandhout ging halen in het Noorden, het ook wapens meebracht. Men heeft tevergeefs alles geprobeerd om dit te controleren.

Telkens wanneer ik echter dacht dat het RPF zich niet aan het KWSA-protocol hield, stelde ik een schriftelijke klacht op. Toch moet ik zeggen dat ik persoonlijk nooit problemen had met het RPF, dat mij altijd als neutraal beschouwde en nooit mijn bewegingsvrijheid beknotte. » (517b)

Een andere mogelijke uitleg valt af te leiden uit de houding van generaal Dallaire. Op de vraag wie hem verboden had op zoek te gaan naar verborgen wapenopslagplaatsen waarvan het bestaan hem bekend gemaakt was door een informant, antwoordde luitenant Nees als volgt :

« Een verzoek om zo'n onderzoek uit te voeren werd via de gebruikelijke commandostructuur doorgegeven. Ik heb documenten gezien waaruit blijkt dat kolonel Marchal om toestemming voor zo'n onderzoek heeft gevraagd, maar dat dat werd geweigerd door generaal Dallaire.

In elk geval was het ons duidelijk dat Kigali helemaal geen weapon secure area was, zoals het volgens de akkoorden van Arusha had moeten zijn. » (518b)

Deze verklaringen zijn bevestigd door kolonel Marchal, die verwijst naar de gevolgen van de onthullingen van « Jean-Pierre ».

« Ten gevolge van de onthullingen van « Jean-Pierre » is een telex, waarvan ik de inhoud niet ken, naar New York gestuurd om een operatie voor te stellen. De VN heeft 's anderendaags geantwoord dat men niet tussenbeide mocht komen » (519b).

3.4.2.2. De veiligheidspatrouilles

De eerste patrouilles werden te voet uitgevoerd.

Commandant Noens verklaarde het volgende :

« De eerste patrouilles ­ en dat is kenmerkend ­ die wij te voet in Kigali hebben uitgevoerd, waren in sectieverband met de ene helft van de sectie aan de linkerkant van de weg en de andere aan de rechterkant, met het wapen in de arm ... zo hebben wij gepatrouilleerd en dat is « show the flag ».

Blijkbaar was dat te agressief. Daarom mochten wij onze patrouilles niet langer zo uitvoeren en moesten wij voortaan het geweer op de schouder dragen. De bevolking zag dus begin december « les casques bleus ONU belges » gewapend door de straten trekken, een paar dagen later iets minder agressief, het geweer over de schouder. Ook dat was echter nog te agressief. In een tweede fase heeft men ons dan verplicht te patrouilleren met de loop van het geweer naar beneden. (...) Dat was in de kaarten spelen van bepaalde FAR-officieren die helemaal niet Belgisch gezind waren » (520b).

Deze patrouilles werden door sommigen « Coca Cola »-patrouilles genoemd.

Over de veiligheidspatrouilles sprak kolonel Marchal op de volgende wijze :

« (...) Ik merk op dat zij in een politiek van informatie aan de bevolking pasten. De doelstelling was de nodige inlichtingen in te winnen door middel van contacten met de mensen. Bovendien had ik gevraagd om patrouilles over een lange afstand te houden om een vertrouwensklimaat te scheppen (...) » (521b).

Er zijn dus allerlei patrouilles geweest, telkens vergezeld van Rwandese gendarmes. Patrouilleren was het belangrijkste dat werd gedaan en had als doel de bevolking te overtuigen en inlichtingen te verzamelen.

3.4.2.3. Road Blocks

Er is slechts één wegversperring aangebracht, in bijzondere omstandigheden. Op bevel van de VN-waarnemers werd de oostelijke uitgang van het parlement geblokkeerd om het RPF fysiek te beletten het parlement zonder escorte van die waarnemers te verlaten. Voor deze opdracht overdag waren twee CVRT's nodig, waarvan bekend is in welke staat zij zich bevonden en met welke bemanning zij moesten werken (een mecanicien werd ingezet als tankcommandant) (522b).

3.4.3. De pogingen van België om het mandaat of de ROE te wijzigen of om de troepensterkte te verhogen

In een geschreven document dat hij aan de commissie overhandigd heeft, gaf minister Claes weer op welke manier België trachtte om het mandaat of de ROE te veranderen of om de troepensterkte te verhogen.

Naast politieke en diplomatieke druk heeft België zich ook ingespannen om een effectiever optreden van UNAMIR te verkrijgen.

Zoals reeds gezegd in hoofdstuk 3.3.1., drong minister van Buitenlandse Zaken W. Claes in zijn brief van 11 februari 1994 (en niet van 14 maart 1994 zoals verkeerdelijk is vermeld in het Blue Book ) aan op « een meer ontradende houding van UNAMIR op het vlak van de veiligheid », hoewel hij zich bewust was van « de verplichtingen die u (NVDR : Secretaris-generaal Boutros Boutros-Ghali) in het kader van resolutie 872 van de Veiligheidsraad werden opgelegd. » Zijn reactie werd veroorzaakt door « het getreuzel van de partijen, en dat terwijl elke dag meer alarmerende berichten ontstonden over het aanleggen van wapenreserves door de verschillende milities. »

Terwijl minister Claes nog niet terug is van zijn reis naar Kigali, neemt de kabinetschef van Buitenlandse Zaken, de heer Willems, het initiatief en vraagt hij aan de permanente vertegenwoordiger te New York om de Secretaris-generaal van de Verenigde Naties alsmede de voornaamste leden van de VN-Veiligheidsraad een aantal mogelijkheden te laten onderzoeken teneinde het optreden van UNAMIR, zowel wat het politieke onderdeel (de heer Booh Booh) als wat het militaire onderdeel (generaal Dallaire) betreft, te versterken. De volledige tekst van telex nr. 64 van 25 februari 1994 van MINAFET aan DELBELONU luidt als volgt :

« De sterke verslechtering van de veiligheidstoestand in Rwanda leidt tot volgende bedenkingen :

1. De politieke moorden, de daarop volgende onlusten, de verslechtering in het veiligheidsklimaat, zouden wel eens tot een nieuw bloedbad kunnen leiden.

2. Diplomatieke en politieke druk zou moeten verhoogd worden met het doel een strikte opvolging van de Arusha-akkoorden in een sereen klimaat te kunnen bekomen.

3. De bijzondere vertegenwoordiger van de Secretaris-Generaal in Rwanda, de heer Booh Booh lijkt ter plaatse aan credibiliteit te hebben ingeboet.

4. De VN-UNAMIR-operatie kan onder haar huidig mandaat geen « sterke handhaving van de publieke orde » uitvoeren.

Er stelt zich een ernstig probleem van credibiliteit. Er werden reeds demarches op hoog niveau uitgevoerd te New York die echter zonder resultaat bleven. De laatste verklaring van de Voorzitter van de VN-Veiligheidsraad over Rwanda (17 februari 1994) ­ Quote « Il rappelle que la MINUAR ne sera assurée d'un appui suivi que si les parties appliquent intégralement et rapidement l'accord de paix d'Arusha. » ­ Unquote ­ wijst op een mogelijke inactiviteit of stopzetting van de operatie.

5. Wanneer UNAMIR als gevolg van de moorden en onlusten eerder deze week de operatie op status « Red Alert » plaatste, betekende dit dat alle blauwhelmen order kregen zich in hun kampementen terug te trekken en inactief af te wachten. Ingeval de toestand inderdaad zou verslechteren en vernoemde UNAMIR-orders in voege zouden blijven, is het voor de publieke opinie onaanvaardbaar dat Belgische blauwhelmen in Rwanda passieve getuigen van een volkenmoord zouden kunnen worden en dat de Verenigde Naties inactief zouden blijven.

6. Indien omstandigheden verslechteren, kunnen de VN en België zich eigenlijk niet veroorloven om zich terug te trekken uit Rwanda. UNAMIR zou een meer krachtige rol moeten kunnen uitoefenen en zich een duidelijker profiel ter plaatse moeten kunnen aanmeten om de geloofwaardigheid van de internationale gemeenschap te verstevigen.

7. De vraag die zich stelt is of dit zonder een nieuw mandaat van de Veiligheidsraad mogelijk kan zijn. Indien langs een nieuw mandaat (nieuwe VR-resolutie) een versterking van UNAMIR moet gezocht worden, kan men, gezien de huidige politiek van de VSA ter zake, moeilijkheden verwachten. Op dit ogenblik lijkt voor hen een uitbreiding van de operatie (blauwhelmen, financiering) uitgesloten. In de twee resoluties zelf (872, 893) wordt trouwens sterke nadruk gelegd op het beperkt houden of verkleinen van de operatie (zonder de capaciteit van UNAMIR om haar opdracht te vervullen in gevaar te brengen).

8. Het wordt zeer belangrijk om na te gaan hoe de actie versterkt zou kunnen worden onder het huidige mandaat (opname Oostenrijkse blauwhelmen ? Grotere beslissingsruimte voor Dallaire ? Tijdelijke verplaatsing blauwhelmen uit andere operaties in de regio ? ...) benevens doelmatiger bewerkstelligen van verhoogde diplomatieke en politieke druk.

9. Ontving gaarne uw bedenkingen over dit alles. Druk erop dat dit moet dienen als input voor besluitvorming over eventuele nieuwe stappen, maar dat hierover nog geen beslissing werd genomen » (523b).

Op de vraag naar de versterking van het VN-optreden wordt negatief gereageerd. Ambassadeur Noterdaeme verklaart in zijn telex 326 van 28 februari 1994 dat hij « lang nagedacht heeft over de manier waarop men het optreden van de Verenigde Naties in Rwanda zou kunnen ombuigen ». Hij voegt eraan toe : « J'en ai parlé en détail avec les principaux membres du Conseil de sécurité et avec le secrétariat des Nations unies. Il y a en théorie 4 éléments sur lesquels on pourrait jouer :

1) L'élargissement du mandat ou le renforcement des effectifs de la MINUAR : « très improbable »

­ Non seulement les États-Unis et le Royaume-Uni s'y opposent, mais ils auraient même tendance ­ c'est ce que confirment leurs délégations ­ à retirer tout simplement la MINUAR « en cas de difficultés » (telle pourrait même être l'attitude de l'ensemble du Conseil de sécurité). Il y a là-derrière « une logique financière » (les États-Unis n'ont jamais voulu plus de 500 hommes pour la MINUAR).

­ Il y a également une logique politique : les opérations au Rwanda, au Libéria et au Mozambique relèvent du Chapitre VI; en d'autres termes, le Conseil de sécurité des Nations unies ne peut pas imposer de solution (en Yougoslavie et en Somalie, cela s'est avéré impossible, même dans le cadre du Chapitre VII).

2) Les règles d'engagement

Le secrétariat des Nations unies « n'est pas enclin à adapter les règles d'engagement » :

­ militairement, c'est trop dangereux; les Nations unies n'ont jamais autant de moyens que les parties;

­ politiquement : si les Nations unies recourent à la force, elles prennent parti (ne sont plus neutres) » (524b).

De twee andere oplossingen die Noterdaeme voorstelde, waren de versterking van de rol van de heer Booh Booh en van generaal Dallaire.

Hoewel het Secretariaat-generaal theoretisch niet tegen deze alternatieve praktijkoplossing gekant was, werd niets verricht om het politieke of militaire gewicht van deze twee personen te versterken.

Ook minister Delcroix, die van 10 tot 13 maart 1994 (samen met 15 parlementsleden) in Rwanda is geweest, had zijn gesprekspartners gewezen op de einddatum van 5 april 1994.

« À moins qu'une nouvelle dynamique n'intervienne d'ici là, on ne pourra plus éluder une remise en question approfondie de l'opportunité de poursuivre l'intervention de l'ONU. Le ministre Delcroix a laissé entrevoir une autre possibilité, à savoir celle d'une révision et d'un assouplissement du mandat pour donner au commandement de la MINUAR à Kigali une liberté d'action plus grande (la possibilité d'agir de manière plus dissuasive) sans l'obliger à attendre systématiquement les instructions de New York » (525b).

Hoewel België geen lid van de Veiligheidsraad was, was de politieke houding van de minister van Buitenlandse Zaken ­ zoals trouwens ook van Secretariaat-generaal van de VN ­ dat de hernieuwing van het mandaat de gelegenheid bood om door middel van een versterking van het mandaat en een strikte beperking van de duur ervan, president Habyarimana en de partijen bij het conflict in Rwanda een duidelijk politiek signaal te geven.

Er bestond een « Belgische optie » die tijdens een trilateraal overleg (F, B, USA) op 22 maart 1994 tegenover de twee permanente leden van de Veiligheidsraad verdedigd werd. Deze optie had de volgende inhoud :

« ­ la mission de la MINUAR est prolongée pour une période brève (p.e. trois mois) au moyen d'une « résolution dure », après quoi le SG doit soumettre un rapport d'évaluation approfondi sur la base duquel le CS peut prendre de nouvelles décisions, comme celle de réduire l'effectif de la MINUAR;

­ nous souhaitions en outre renforcer le mandat de la MINUAR.

La France était favorable à l'option belge, mais sans renforcement du mandat, ce que les partenaires jugeaient irréaliste. Washington souhaitait uniquement une prolongation pour une période courte, éventuellement avec un ultimatum. Cette dernière solution a été rejetée par la Belgique et la France : on sait d'expérience que les parties en présence ne remplissent qu'une partie des conditions imposées par le CS, ce qui place ce dernier dans une situation difficile » (526b).

Generaal Dallaire stelde de heer Boutros Boutros-Ghali voor het mandaat met slechts twee maanden te verlengen (527b). De DPKO wenste eveneens een verlenging met hoogstens 60 dagen, maar de heer Boutros Boutros-Ghali « schrapte de derde paragraaf met een pennetrek en stelt nu voor het mandaat van UNAMIR met zes maanden te verlengen. » Op deze beslissing werd op het Secretariaat van de VN « ontsteld » gereageerd omdat er niet het gewenste politieke signaal van uitging.

Ambassadeur Noterdaeme was van oordeel dat de houding van het Secretariaat-generaal « indruiste tegen de mening van de Verenigde Staten, Frankrijk en België ». Zij was strijdig met de verklaringen van de Secretaris-generaal zelf, dat wil zeggen met sommige van zijn uitspraken in zijn rapport van 30 maart 1994 aan de Veiligheidsraad en met sommige van zijn verklaringen aan president Habyarimana, met name dat de internationale gemeenschap niet langer tolereerde dat er geen vooruitgang geboekt werd (528b). Ten gevolge van het protest van de Franse voorzitter van de Veiligheidsraad zal de Veiligheidsraad als compromis een verlenging met zes maanden voorstellen, met een nieuwe beoordeling van de toestand na twee maanden (529b).

Het Secretariaat-generaal had financiële redenen om zes maanden voor te stellen (budgettaire moeilijkheden). Uiteindelijk wordt in resolutie 909 van 5 april 1994, ten gevolge van de druk die de Verenigde Staten uitgeoefend had, beslist dat het mandaat met vier maanden verlengd wordt (tot 29 juli 1994) en dat er na zes weken een nieuwe beoordeling zou komen.

Een nieuwe verlenging was aan de volgende voorwaarden gebonden :

a) het oprichten van overgangsinstellingen;

b) voldoende vooruitgang wat de inwerkingtreding van fase 2 van het plan van de Secretariaat-generaal betreft.

Daaruit volgt dat men de Belgische optie gedeeltelijk gevolgd heeft maar zonder de gewenste versterking van het mandaat, een versterking die niet in de voorstellen van de Secretaris-generaal voorkwam (a) en die verworpen werd door de permanente leden van de Veiligheidsraad (b).

De pogingen van de minister van Buitenlandse Zaken, vanaf januari 1994 tot het uitbreken van de genocide, om een verruiming van het mandaat of van de ROE, of minstens een versterking van de troepenmacht of een versoepeling van de manoeuvreerruimte van generaal Dallaire te verkrijgen, zijn dus niet geslaagd.

3.5. DE GEBEURTENISSEN VAN 6 EN 7 APRIL 1994

3.5.1. De aanslag op het presidentiële vliegtuig

Verscheidene getuigen merken op dat er geen werk werd en wordt gemaakt van enig onderzoek naar de omstandigheden waarin op 6 april het presidentiële vliegtuig werd neergehaald. Op de vraag om een overzicht te geven van alle onderzoeken naar de aanslag op het vliegtuig van de president verklaarde professor Reyntjens : « Het antwoord op uw vraag is zeer kort : geen (530b). Voor zover ik weet zijn er geen onderzoeken gedaan. De ICAO heeft geen onderzoek gedaan, hoewel de Belgische regering daarom had gevraagd. De voormalige Rwandese regering heeft niets gedaan behalve het recupereren van de twee lanceerbuizen van de SAM 16's. Het nieuwe bewind heeft ook geen onderzoek gedaan en alleen het puin geruimd dat in de tuin van president Habyarimana lag. Burundi heeft evenmin iets gedaan, hoewel de Burundese president en twee ministers bij die aanslag zijn gestorven. Kortom, er is geen enkel officieel onderzoek gebeurd » (531b). Als argument voor het achterwege blijven van enig onderzoek stelde de heer Faustin Twagiramungu, gewezen Eerste minister van Rwanda : « Jamais on n'a fait allusion à la réalisation d'une enquête. La réponse du gouvernement rwandais était la suivante : « M. Habyarimana n'était pas plus important que toutes les autres personnes qui sont décédées. » C'était vrai, mais il me semble que le sens de l'État doit également prévaloir. Le gouvernement burundais a introduit une demande mais n'a pas obtenu de réponse. La famille du président Habyarimana a également introduit une demande auprès des Nations unies mais n'a pas non plus obtenu de réponse. » (532b)

De heer Dismas Nsengiyaremye, gewezen Eerste minister van Rwanda wees onze commissie op het belang van een dergelijk onderzoek : « J'ai refusé d'avoir une version. Je suis très surpris du fait qu'un événement aussi important et aussi lourd de conséquences ait été négligé à ce point. Je ne comprends pas pourquoi ni les Nations unies ni la MINUAR ni les puissances occidentales intervenues pour évacuer les ressortissants n'aient rien fait jusqu'à présent pour établir la lumière à ce sujet. Même si des problèmes existaient par rapport au président rwandais, étant donné que le président burundais a également péri, je ne comprends pas que l'on n'ait pas cherché à connaître la vérité et à informer les autorités burundaises. Pourquoi le gouvernement actuel n'enquêtet-il pas au sujet de cet événement ­ Tout le monde se dérobe ... Je me dis que si les gens agissent ainsi, c'est qu'ils savent quelque chose. Il existe quelque part des gens qui savent et qui ne veulent rien dire. Je n'ai pas la capacité de les approcher. Une enquête pourrait toutefois être menée par les personnes plus ou moins concernées par cet attentat et qui se trouvent au plus haut niveau de l'État rwandais actuel, par les Nations unies ou par les puissances intervenues notamment pour procéder aux évacuations et qui ont certainement eu accès à certaines informations. Je demande que la lumière soit faite au sujet de cet événement. En effet, on ne pourra pas expliquer l'ampleur et la gravité du génocide si ce point n'est pas élucidé. Apparemment, nous sommes confrontés à une conspiration du silence... » (533b)

De heer Degni-Segui sluit zich bij deze verklaring aan : « Concernant l'attaque de l'avion présidentiel, c'est finalement le noeud gordien de la chose. Dès que j'ai pris mes fonctions, je me suis rendu à Genève. J'ai eu en audience l'ambassadeur de France parce que mon mandat spécifiait bien que je devais faire la lumière sur ce sujet. J'ai demandé si la France pouvait mettre à ma disposition la boîte noire de l'avion présidentiel. Il m'a dit : « J'ai compris, je vais m'en référer à mon gouvernement. » Par la suite, il m'a indiqué que le gouvernement n'avait pas cette boîte noire. Je me suis alors rendu à Kigali, où j'ai rencontré l'état-major militaire. Je leur ai demandé : « Est-ce que je peux avoir la boîte noire ? » Il y avait là quatre militaires, le chef d'état-major et d'autres. Vous savez ce qu'ils m'ont répondu ­ Le chef d'état-major m'a dit : « la boîte noire se trouve chez les militaires. » Je lui ai dit : « Mais vous-mêmes, vous êtes des militaires. » Et finalement, il m'a dit : « On ne l'a pas, il faut voir avec la France. » J'ai donc été renvoyé de l'un à l'autre, et finalement, il y a eu un certain capitaine Baril qui a prétendu avoir la boîte ­ vous avez dû suivre cela dans les journaux ­ et j'ai demandé aux Nations unies de mettre à ma disposition une commission d'enquête avec un expert en balistique, en vue de faire les recherches. En effet, entre-temps, on a dit que l'OACI ne pouvait pas faire l'enquête, parce que l'avion n'était pas un avion civil, mais un avion militaire. Et il fallait donc une commission d'enquête. Je l'ai demandée aux Nations unies, et l'on m'a répondu qu'il n'y avait pas de budget pour cela. Le gouvernement rwandais m'avait demandé également de tout tenter pour faire la lumière à ce sujet. Et dans l'un de mes rapports, je rappelle justement, je tire la sonnette d'alarme, pour dire de faire vite avant qu'il ne soit trop tard. Je crains même qu'il ne soit trop tard maintenant. Si bien que, jusqu'ici, je n'ai pas accompli l'une de mes missions avant que l'on me dise de partir. » (534b)

De heer Van Winsen, emeritus krijgsauditeur bij de krijgsraad, vermeldt het bestaan van een onderzoek naar het neerschieten van het vliegtuig omdat « er een verband bestond tussen het neerschieten van het vliegtuig en wat er met de para's was gebeurd voor het wachtlokaal van het kamp Kigali. » Maar « ik heb ook geen positief resultaat bekomen ! Ik weet nog niet wat er precies is gebeurd. Ik heb wel een persoonlijke mening over de zaak, maar in het kader van het onderzoek zelf heb ik enkel twaalf of dertien hypothesen kunnen formuleren. Dat is alles. Misschien moet daaraan nog een veertiende hypothese worden toegevoegd, namelijk deze van Colette Braeckman, die oppert dat de daders zich van doel zouden vergist hebben en eigenlijk een C-130 wilden neerschieten. Deze hypothese had ik nog niet en ze werd ook geformuleerd na de periode van mijn onderzoek » (535b).

Aan het eind van zijn onderzoek heeft de heer Van Winsen de toelating gekregen om naar Rwanda te gaan, waar hij talrijke contacten heeft gehad, onder meer met de toenmalige gezagsdragers. Over de medewerking met de lokale autoriteiten in dit verband is de heer Van Winsen zeer duidelijk : « In mijn satellietonderzoek naar het neerschieten van het vliegtuig heb ik echter heel veel problemen gehad. Men zei mij altijd dat ik mij daar niets van moest aantrekken, dat dat mijn zaak niet was. Ik sprak dit uiteraard tegen, omdat ik precies wilde weten of er een oorzakelijk verband bestond tussen de twee. Ik vroeg dan ook om de resultaten van het onderzoek naar deze gebeurtenis. Er is echter nooit een onderzoek ingesteld, noch door oude, noch door de nieuwe regering, noch door UNAMIR. Een Russische kolonel, wiens naam mij nu ontsnapt, heeft wel een klein onderzoek ingesteld naar de moord op de tien para's, maar rond het neerschieten van het vliegtuig is er niets gebeurd. Toen ik ter plaatse was, had ik problemen met de mensen die het nu nog voor het zeggen hebben. Ik mocht het wrak niet zien. Ik vroeg stalen van het vliegtuig te nemen op de plaats van de inslag, om uit te maken met welk projectiel we te maken hadden, maar ik heb ze niet gekregen. » (536b) (...) « Het weigeren van medewerking, zowel van de vroegere als van de huidige Rwandese regering, als van om het even wie, doet mij denken dat er een coalitie bestond waarin men het eens was de persoon in kwestie te laten verdwijnen. Dat is een vaag idee van mij. Maar ik kan onmogelijk zeggen dat het om die groep, die nationaliteit of die vereniging gaat. Ik zie wel één zaak, dat is dat iedereen het eenparig eens is om geen onderzoek te doen. (...) Generaal Dallaire heeft echter geen onderzoek gedaan. Ik werd gewoon van het kastje naar de muur gezonden, maar ik kreeg geen toelating mijn onderzoek voort te zetten. De eenparigheid langs beide kanten doet bij mij de vraag rijzen of het geen afspraak was tussen iedereen. Ik kan tot geen ander idee komen. » (537b)

De commissie wijst op de wenselijkheid dat werk zou worden gemaakt van zo'n onderzoek omdat het de enige mogelijkheid is om één of meerdere van de gangbare hypotheses te bevestigen of te ontkrachten. Wanneer we immers kennis zouden hebben over de gegevens omtrent de moord op de president, zou er ook een duidelijker beeld en een duidelijker interpretatie kunnen worden gegeven van de gebeurtenissen die erna hebben plaatsgevonden, zowel m.b.t. de moord op de blauwhelmen als op de genocide. De aanslag op het presidentiële vliegtuig is immers een aanzet geweest, tot die latere gebeurtenissen.

Tijdens haar werkzaamheden heeft de commissie kennis genomen van een telex die uitging van de 15e Transport Wing van de Luchtmacht, en die via C Ops aan KIBAT II werd overgezonden.

Die telex, op datum van 5 april, stelde KIBAT II in kennis van het feit dat de C130, die in Kigali moest aankomen op 6 april, uitgerust zou zijn met « electronic countermeasures » (ECM), wegens de vrees voor aanvallen met luchtdoelraketten tegen onze C130's met opdracht in Afrika.

De commissie heeft het nuttig geacht na te gaan of er enige band bestond tussen die vrees voor een antiluchtdoeldreiging en de aanslag tegen het presidentieel vliegtuig.

Met dat doel heeft de commissie commandant De Troy van de luchtmacht gehoord (538b).

Uit die getuigenis blijkt dat in het raam van het uitrustingsprogramma voor ECM van alle C130 vliegtuigen van de 15e Wing, twee ervan destijds met ECM uitgerust waren. Een van de vliegtuigen was gereserveerd voor de opdrachten in Sarajevo. Toen een tweede beschikbaar werd, besloot men het logischerwijze voor Kigali te gebruiken, wegens een algemene dreiging van aanvallen met luchtdoelraketten in Afrika, en niet specifiek in Kigali of in Rwanda.

3.5.2. De moord op de tien paracommando's

De commissie verwijst voor het relaas van de gebeurtenissen naar het rapport van 8 mei 1996 van de auditeur-generaal bij het Militair Gerechtshof dat naar het oordeel van de commissie de meest nauwgezette weergave is van de dramatische feiten die zich op de ochtend van 7 april 1994 hebben voorgedaan (539b). En die het leven gekost hebben aan : Cpl Bruno Bassine, Cpl Alain Debatty, Cpl Christophe Dupont, Cpl Stéphane Lhoir, Cpl Bruno Meaux, Cpl Louis Plescia, Cpl Christophe Renwa, Cpl Marc Uyttebroeck, 1 Sgt Yannick Leroy et Lt Thierry Lotin.

De betrokken passage (enkel beschikbaar in het Frans) wordt hieronder weergegeven :

« C. Désignation de la section Mortiers

En exécution des instructions données par le général Dallaire lors de la réunion à l'état-major des FAR, le colonel Marchal réinstaure les patrouilles et escortes qui avaient été supprimées dans le cadre de l'alerte « stade rouge ». Il confie dans le même temps par radio l'escorte de protection du Premier ministre Agathe au contingent belge ainsi que la protection du site de Radio-Rwanda (V 1574; D 1502; A 223).

D'après les directives en vigueur le commandant de secteur est en effet le seul habilité à détacher les escortes (V 1311-1319). Une note du secteur du 23 mars 1994 avait par ailleurs confié au bataillon belge la responsabilité de l'escorte permanente de Mme Agathe; d'autres escortes étaient exécutées par le bataillon bengali (Rutbat); les patrouilles quant à elles étaient effectuées tant par Rutbat que par Byubat (V 1313-1377).


Une discussion s'engage alors sur le réseau bataillon entre le Lt Col Dewez et le Col Marchal quant au rétablissement de ces escortes (C 1307).

Opposé à l'appréciation de la situation par son supérieur, le Lt Col Dewez lui fait observer que l'escorte pour Mme Agathe est une mission difficilement réalisable vu les difficultés de mouvement des patrouilles et la présence de barrages. Le Lt Col Dewez prétend qu'il était conscient que la situation était tendue et qu'instaurer une escorte cette nuit-là prenait une autre dimension que précédemment. Il avait de sérieux doutes quant à la réalisation de cette mission (C 1307 ­ V 1287).

Le Maj Timsonet adjoint du Lt Col Dewez affirme que la mesure visant à supprimer les escortes lui semblait logique au vu des événements (IV 998). Il a été surpris que le secteur réinstaure les escortes car il craignait que la situation ne se détériore (A 143). Le Col Marchal répond que l'ordre lui avait été donné par le QG de la Force. Suite aux directives du Gén Dallaire relatives à la protection de Mme Agathe, confirme à 01 h 18 le maintenir de cette escorte (V 1287).

D. Départ de la section Mortiers

À 02 h 16 le Lt Lotin, commandant du peloton Mortiers, qui se trouve à l'aéroport avec ses jeeps pour y faire le plein d'essence, se voit attribuer cette mission.

Sur ordre du Lt Col Dewez, l'escorte sera toutefois doublée et comportera quatre jeeps.


Les véhicules reviennent à ce moment d'une mission plus touristique qu'opérationnelle (V 1375; IV 886; A 428).

En théorie les jeeps sont équipées d'affûts de manière à pouvoir monter des mitrailleuses automatiques MAG (IV 896; V 1375; C 1308). Il était par ailleurs prévu, qu'en cas d'absence d'affûts, les MAG devaient être emportées sans être fixées (V 1328).

L'enquête n'a toutefois pas pu déterminer avec certitude si, en quittant l'aéroport, les jeeps du Lt Lotin étaient équipées d'affûts pour MAG (V 1228).


Au départ de la mission, le dispositif des forces opérationnelles du contingent belge est le suivant : le bataillon est dispersé en 14 cantonnements allant de l'école abritant 90 militaires jusqu'à une villa privée de 5 militaires.

Ce dispositif, conçu pour une situation de « Peace-keeping » et non pour une situation de guerre civile, préoccupait le Lt Col Dewez qui après une reconnaissance sur place avait fait part à l'état-major général du problème d'insécurité que la dispersion des moyens et du personnel pouvait constituer. L'opération de regroupement à l'aéroport devait débuter le 15 avril 1994 (C 1306; A 272).


À 02 h 40 le Lt Lotin quitte l'aéroport en compagnie du Cpl Lhoir avec leurs deux jeeps. Il signale qu'il se rend chez Mme Agathe.

Les hommes sont porteurs de leur armement individuel et répartis dans les jeeps comme suit : Lt Lotin Thierry et Cpl Dupont Christophe; 1 Sgt Leroy Yannick, Cpl Meaux Bruno, Cpl Plescia Louis; Cpl Debatty Alain, Cpl Uyttebroeck Marc et Cpl Renwa Christophe; Cpl Lhoir Stéphane et Cpl Bassine Bruno (VI 1756).

Durant le parcours, le Lt Lotin passe par Viking, le cantonnement du peloton Mortiers et y récupère les jeeps du 1 Sgt Leroy et du Cpl Debatty.


Étant donné que le Lt Lotin indique qu'il doit franchir différents barrages aux carrefours, le Lt Col Dewez décide à 03 h 16 de lui envoyer le Capt Marchal et deux jeeps afin de l'aider à franchir un barrage situé avenue de la Republique.

Une demi-heure plus tard, soit à 03 h 45, le Capt Marchal indique que la mission Radio-Rwanda devient impossible vu la présence de blindés qui bloquent le passage.

Vers 05 h 00, cet officier rejoint le Lt Lotin pour lui indiquer le chemin à suivre pour se rendre chez Mme Agathe. Entre-temps les tirs se sont intensifiés de tous côtés, à tel point que la section du Capt Marchal, se voyant encerclée et menacée par une mitrailleuse en batterie devant elle, obtient à sa demande à 05 h 19 l'autorisation de se dégager.

À 05 h 30 le peloton Mortiers signale un contact avec Mme Agathe.

E. Arrivée à la résidence du Premier ministre

Il y trouve cinq soldats ghanéens affectés à la sécurité interne du Premier ministre à son domicile.

À 05 h 37 le Lt Lotin indique qu'il n'est plus question de se rendre à Radio-Rwanda. Ordre lui est donné de prendre une position défensive et le secteur est informé.

À 06 h 03 le peloton Mortiers fait savoir que deux des quatre jeeps sont inutilisables et qu'ils sont soumis à des tirs depuis deux heures.

À 06 h 55 le Lt Lotin signale qu'il est encerclé par une vingtaine de militaires rwandais, armés de fusils et de grenades, et que des membres de la garde présidentielle lui demandent de déposer les armes. Le Lt Col Dewez répond de ne pas rendre les armes mais de maintenir le dialogue.


D'après le carnet de veille du bataillon la fuite du Premier ministre de son domicile est signalée à 08 h 34 tandis que d'après des témoignages de volontaires des Nations unies, cette fuite se situe à 07 h 40 (farde 24, p. 115 à 148).

Mme Agathe prend la fuite en compagnie de gendarmes affectés à sa sécurité qui vont la cacher dans la maison d'un voisin M. Daff, volontaire de l'ONU. Elle y est découverte par des membres de la garde présidentielle qui la ramènent à son domicile où elle sera tuée vers 11 h 45 ainsi que son mari (VII 138, 145; B 622, 650, 891; A 177).


À 08 h 32 le bataillon demande des directives au secteur. Sur ordre du Lt Col Dewez ­ le Lt Lotin est déchargé à 08 h 43 de sa mission d'assurer la protection de Mme Agathe.

Tandis que le Lt Lotin indique que ses antagonistes lui demandent de rendre les armes, le Lt Col Dewez s'adresse à 08 h 44 une nouvelle fois au secteur pour obtenir des directives. Le Lt Lotin fait part de l'agressivité des militaires autour de lui et de frictions avec la garde présidentielle.

À 08 h 49 le Lt Col Dewez enjoint Lotin de ne pas se laisser désarmer et de négocier « à l'Africaine ». Le Lt Lotin rétorque qu'il est trop tard car il a déjà quatre hommes désarmés à terre (V 122 1).

Le Lt Col Dewez répond au Lt Lotin que dans ces circonstances il l'autorise à rendre les armes s'il le juge nécessaire. Le Col Marchal, à l'écoute sur le réseau bataillon, intervient dans les termes suivants: « Tu es sur place, c'est à toi d'apprécier la situation ».


D'après les témoignages du Cpl Emmanuel Doe et du Sgt Georges Aboagye, tous deux appartenant au contingent ghanéen, la résidence du Premier ministre fut encerclée par des soldats rwandais porteurs de bérets noirs et rouges, armés de fusils et de grenades. Les cinq Ghanéens et les dix Belges furent désarmés sans résistance possible et conduits, les mains en l'air, sous la menace des armes, vers un minibus VW qui attendait à l'extérieur (farde 24, p. 127-138).

D'après l'enquête de l'ONU, un véhicule des FAR avait été appelé par radio sur instruction de l'état-major rwandais pour se rendre au domicile du Premier ministre (B 89 1 ­ 893) ­ (VIII 117).

Dans le véhicule auraient pris place, outre le chauffeur, un militaire rwandais armé assis à l'arrière et le Maj Ntuyahaga de l'état-major de l'armée, qui aurait affirmé aux occupants qu'il les emmenait dans un endroit sûr (B ­ 689-1647 et farde 24 p. 119-130-234).

F. Massacre de la section Mortiers au camp de Kigali

En arrivant à destination ­ soit au camp militaire de Kigali ­ les quinze militaires auraient été obligés, sur ordre du Maj Ntuyahaga, de quitter le véhicule et de s'asseoir sur le tarmac situé à l'entrée du camp.

Immédiatement le major rwandais aurait fait circuler la rumeur parmi les militaires FAR rassemblés dans le camp que les soldats belges avaient abattu l'avion présidentiel (B. 619). Sur place l'Adj-chef Sebutiyongera, secrétaire à la présidence, aurait répandu la même rumeur (VII 47).

Ceci aurait rapidement engendré une mutinerie et un soulèvement général pour le lynchage des militaires belges.


À l'entrée du camp le Lt Lotin rencontre l'observateur de l'ONU, le Capt togolais Apedo. Ensemble ils rejoignent le bureau de l'observateur où le Lt Lotin utilise à 09 h 06, le poste de radio Motorola du Capitaine pour informer le Lt Col Dewez que son équipe a été emmenée dans un endroit inconnu et que deux de ses hommes se font tabasser et lyncher.

Après avoir demandé au Lt Lotin s'il n'exagère pas, le Lt Col Dewez met le secteur au courant des faits et demande une intervention des FAR ou de Rutbat pour dégager les Mortiers. N'obtenant pas de réaction le Lt Col Dewez interpelle par radio à 09 h 08 le Capt Schepkens, officier de liaison auprès du secteur, en lui demandant si le Col Marchal est conscient de la gravité de la situation et demande les mesures envisagées (IV 992; V 1223).

Le Capt Apedo contacte le coordinateur Milob du secteur pour le tenir informé de la situation. À 09 h 10 le secteur indique au bataillon le lieu de détention des Mortiers (V 1223; C 978).


Entre-temps, des soldats rwandais parmi lesquels des handicapés de guerre se sont rués sur les militaires de l'ONU et les frappent à coups de crosses, béquilles, pierres, râteaux ou les piquent à l'aide de baïonnettes de fusil chinois, jusqu'à ce que quatre militaires belges succombent rapidement des suites de leurs blessures (VII 48-55; B 691-693; A 176).

Les magasins d'armement du camp, dont la Minuar avait la responsabilité, sont entre-temps fracturés (VII 137; V 1312).

Le Capt Apedo qui a quitté son bureau tente en vain de s'interposer pour arrêter les tueries.

Le Col Nubaha, commandant du camp, accouru sur les lieux en compagnie d'autres officiers, tente d'empêcher les Rwandais de pénétrer dans le local de permanence ONU où le Lt Lotin s'est réfugié avec quatre militaires belges qui l'avaient rejoint en profitant d'un moment de confusion.

De nombreux militaires rwandais qui s'interposent sont blessés (B 700).

Un cinquième militaire belge parvient bientôt à rejoindre le groupe Lotin en rampant sous un véhicule.

Suite aux conseils du Capt Apedo, le groupe Lotin composé de six militaires belges et les cinq ghanéens se réfugient dans un local annexe à celui de la permanence ONU.

Quelques instants plus tard, un militaire belge est tué par un tir d'arme à feu provenant de l'extérieur.

Le Capt Apedo qui se trouve parmi le groupe Lotin est extrait du local et obligé de suivre les Rwandais. Menacé de mort dans un premier temps, il est relâché et conduit à l'E.S.M. (école supérieur militaire) d'où il entend siffler les balles provenant du camp de Kigali.

Le local où sont réfugiés les militaires ONU est pris sous le tir des armes des Rwandais, obligeant les Belges et les Ghanéens à se jeter sous les lits qui s'y trouvent et à se protéger derrière le cadavre du soldat belge décédé.

Ayant arrêté les tirs pour un moment, les Rwandais ordonnent aux Ghanéens de quitter le local par une fenêtre qu'ils ont cassée. Sous escorte les cinq Ghanéens rejoignent le Capt Apedo à l'E.S.M. où ils y rencontrent vers midi le Gén Dallaire et le Maj Maggen. Après avoir informé le général que les militaires belges sont frappés et lapidés, les Ghanéens sont reconduits sur ordre du général en véhicule à l'état-major de la Minuar où ils arrivent vers 12 h 30.

Entre-temps un caporal rwandais non identifié, voulant pénétrer dans le local des Belges, se fait arracher son fusil Kalashnikov par le Lt Lotin qui le tue à l'aide de son revolver (A 176 ­ B 636).

L'attaque redouble de violence contre les militaires belges qui appellent le Col Nubaha au secours (B 649). Des bombes lacrymogènes sont lancées dans le local tandis que les Belges tirèrent avec la Kalashnikov.

Un fusil lance-grenades est amené sur place. Le Cpl Twahirwa aurait alors escaladé le toit du local pour y lancer, d'un trou pratiqué dans ce toit, des grenades défensives (A 176 ­ B623). Le Capt Hategikimana, surnommé « Power » et le Lt Uzabakiriho, appartenant au bataillon de reconnaissance, auraient contribué à cette action.


D'après des témoins, la résistance belge s'arrête entre 12 h 00 et 14 h 00 (VII 47; A 176; B 618-636; 652; 882).

L'Adj-chef Sebutiyongera prétend avoir quitté les lieux entre 12 h 00 et 13 h 00 à un moment où il y avait déjà cinq victimes belges (B 697).

G. Réunion à l'école supérieure militaire

Durant ces tragiques événements se déroule dans les locaux voisins de l'ESM la réunion convenue le soir précédent entre différents responsables politiques et militaires.

Initialement prévue chez l'ambassadeur des États-Unis, cette réunion se tiendra dès 10 h 00 dans un quartier militaire en raison de la présence de barrages en ville (V 1403).


Le Gén Dallaire quitte vers 10 h 00 son QG en véhicule en compagnie du Maj Maggen pour s'y rendre. Le Maj Maggen signale qu'il a entendu avant le départ une conversation entre le Gén Dallaire et un de ses adjoints, concernant le décès de deux ou trois observateurs ONU au camp de Kigali (A 216-335).

En cours de route, à hauteur du cabinet du ministre de la Défense nationale, ils changent de véhicule et montent dans une voiture conduite par un major de la gendarmerie rwandaise.

En passant devant l'entrée du camp de Kigali, le Gén Dallaire constate la présence de quelques militaires revêtus de l'uniforme belge allongés sur le sol. Il déclare qu'il a ordonné au chauffeur d'arrêter le véhicule en vue de se rendre sur place, ce qui lui fut refusé par le chauffeur prétextant que les troupes au camp étaient hors de contrôle et que leur sécurité serait en danger (D 1472; A 216).

Vers 11 h 15, ils rejoignent la réunion à l'E.S.M., bâtiment situé à 200 mètres du camp de Kigali.


La réunion est présidée par le Col Bagosora, directeur du cabinet du ministre de la Défense, qui a été informé dès 10 h 30 par le Col Nubaha, commandant du camp de Kigali, de la tension qui y régnait (B 687).

Le Col Bagosora promet de se rendre sur place et demande au Col Nubaha de retourner au camp pour « calmer les esprits ».

Une dizaine de minutes après le départ du Col Nubaha, les participants entendent des coups de feu provenant du camp. Certains se rendent à l'extérieur pour apprécier la situation (B 630).

Le nommé Ntamagezo, qui se trouvait dans la salle d'opérations à l'état-major, déclarera qu'en regardant par dessus le mur de l'enceinte, il avait constaté la présence de corps qui jonchaient le sol devant le bureau du commandant du camp. Il a alors téléphoné à l'E.S.M. où le centraliste lui a répondu que les participants à la réunion étaient au courant (B 695).


D'après le Gén Ndindiliyimana, le Gén Dallaire a rejoint la réunion environ 15 minutes après les coups de feu et fut informé de la situation générale par le Col Bagosora (D 873). À la fin de la réunion vers midi, le Gén Dallaire rencontre à l'extérieur du bâtiment les cinq Ghanéens et le Capt Apedo qui le mettent au courant des faits, à savoir que des militaires belges et ghanéens, transférés au camp de Kigali. avaient été frappés et lapidés (24 p. 10 doss 57/95).

Sur instruction du Gén Dallaire, ces 6 militaires sont emmenés dans son véhicule, en sa compagnie, vers le QG de la MINUAR où ils arrivent vers 12 h 30.

Le Gén Dallaire déclare qu'il est retourné ensuite au Ministère de la Défense où il a participé au comité de crise. Malgré ses demandes d'obtenir des renseignements sur le sort des Belges et de pouvoir se rendre sur place, il affirme qu'il n'a obtenu aucun renseignement concret, mais qu'interdiction lui fut donnée de se rendre au camp vu l'état de mutinerie qui y régnait (V 1382).

Le Maj Rugambaye prétend qu'à 15 h 00 on est venu lui dire que tout était terminé. Il a vu comment on a retiré quatre cadavres du local ONU et comment les victimes furent pillées (A 623).

Le Gén Dallaire croit qu'en début d'après-midi il fut averti par le Col Marchal que 13 Belges avaient été tués au camp de Kigali. Cette information ne pouvait à ce moment être vérifiée (D 1476).

Il précise également que vers 21 h 00 le Gén Ndindiliyimana a eu confirmation du décès des Belges et qu'en sa compagnie il s'est rendu à l'hôpital de Kigali où il découvre vers 23 h 15 les corps entremêlés de militaires belges qu'il croit correspondre à 11 dépouilles mortelles. La manière dont les corps étaient entassés ne lui aurait pas permis de déterminer le nombre exact de victimes, à savoir dix ou onze (B 875). »

Alvorens op grond van dit relaas tot een aantal vaststellingen over te gaan en enkele cruciale punten aan een nauwkeurig onderzoek te onderwerpen, wil de commissie twee preciseringen bij dit relaas aanbrengen :

­ vooreerst, m.b.t. de vraag of de groep Lotin bij het uitvoeren van zijn escorte-opdracht in de ochtend van 7 april al dan niet beschikte over hun MAG-mitrailleurs verklaart kapitein Marchal, die luitenant Lotin bij een versperring nog ontmoette : « Parce que les jeeps étaient ouvertes et qu'on voyait ce qu'il y avait dans les jeeps. Si les mitrailleuses sont en super structure, dès qu'elles sont dessus, on les voit. C'est clair. Maintenant, quand les quatre véhicules de Thierry Lotin étaient arrêtés au niveau du carrefour des Milles Collines, j'ai parlé avec Thierry Lotin, je suis allé vers lui, on a discuté, on a dialogué. J'ai vu un peu ce qu'il y avait dans ces véhicules et j'ai le sentiment qu'il ne les avait pas. » (540b) De verklaring kan gezocht worden in het « dubbelzinnige » bevel van de commandant dat hij geen mitrailleurs meer wou zien : « Le commandant de bataillon a signalé ne plus vouloir voir les MAC et les MINIMI sur les véhicules dorénavant. Les commandants de compagnies n'étaient pas très d'accord. Après discussion, le commandant de bataillon est resté sur sa position. Il invoquait la raison, s'encadrant dans le contexte dont nous avons parlé, selon laquelle ces armes étaient trop agressives pour la population. Dewez a donné l'ordre de les enlever des véhicules. C'est ici que se trouve l'ambiguïté. L'ordre est venu tel que je vous le décris. Je l'ai transmis aux compagnies. J'ai présenté la version du commandant de bataillon. Un des mes chefs de peloton, le plus ancien, est monté au créneau et m'a dit : « Mais, capitaine, c'est comme envoyer des pompiers au feu sans les lances d'incendie. » J'étais d'accord avec lui. Par honnêteté intellectuelle vis-à-vis de mon commandant de bataillon, je lui ai dit : « Je ne veux plus voir les MAC et les MINIMI, mais cela ne t'empêche pas d'avoir les mitrailleuses et les munitions dans tes véhicules en cas de besoin. » Voilà une interprétation personnelle. Je trouve l'ordre ambigu. (...) Il existe, à mon sens, une certaine marge d'interprétation. C'est à cet égard que joue, peut-être par l'expérience mais en tout cas l'ancienneté et le feeling. Je suis certain qu'un autre commandant de compagnie a agi comme moi. Le capitaine Lemaire, comme moi, a toujours gardé les moyens dont il disposait à l'intérieur des véhicules. Le lieutenant Lotin était plus jeune. Je ne sais pas comment il a interprété l'ambiguïté ou en tout cas, la marge d'interprétation qu'on lui laissait. » (541b)

­ ten tweede de vraag hoe het komt dat de groep Lotin belast werd met de escorteopdracht van Eerste minister Agathe Uwilingiyimana, daar waar de avond voordien deze taak was toegewezen aan één van de secties van de 16de compagnie.

Kapitein Theunissen getuigt : « De opdracht werd eerst aan onze compagnie gegeven. Ze werd rond middernacht « gecanceled ». Vervolgens en rond 1 uur werd de opdracht aan het peloton Mortieren overgedragen. » (542b)

Kolonel Dewez verklaart zijn beslissing : « ... je n'ai jamais désigné le lieutenant Lotin pour escorter Mme Agathe. A un certain moment, plusieurs escortes devaient être faites. Le lieutenant Lotin se trouvait avec une autre équipe à l'aérodrome pour faire le plein; le commandant de compagnie avait gardé ces hommes pour renforcer son dispositif. Pour ma part, je devais récupérer les gens du peloton Mortier comme réserve et pour assurer des escortes éventuelles. Le commandant de compagnie m'a répondu que ce n'était pas possible car son dispositif serait déforcé. Nous avons fait un compromis et je lui ai dit qu'il pouvait garder une équipe ­ il y avait quatre jeeps ­ mais que l'autre, soit l'équivalent d'une escorte, devait rentrer, car je devais pouvoir compter dessus. C'est en fonction de ce premier ordre que le lieutenant Lotin a décidé de laisser le sergent Pauwels ­ je crois ­ et son équipe à l'aérodrome et que lui-même est revenu vers Viking. Plus tard, j'ai dit au lieutenant Lotin que le peloton Mortiers devait escorter Mme Agathe de sa maison jusqu'à celle de la radio et que, vu les circonstances, j'exigeais une double escorte. C'est tout ce que j'ai dit. » (543b)

Op basis van de getuigenverklaringen die voor de commissie werden afgelegd, onderzocht de commissie drie cruciale punten :

1. de vraag naar de planning van de moord op de 10 para's.

2. de houding van de militairen.

3. de vraag of de 10 para's hadden kunnen worden ontzet.

1. De commissie heeft vooreerst de vraag onderzocht of de moord op de tien Belgische paracommando's moet beschouwd worden als een gebeurtenis die het gevolg was van een samenloop van omstandigheden, dan wel als een onderdeel van een plan, waarbij de beschuldiging aan het adres van de Belgen dat zij verantwoordelijk waren voor de aanslag op het presidentiële vliegtuig als voorwendsel diende om de terugtrekking van de Belgische troepen die de ruggengraat van UNAMIR vormden, te provoceren.

Tijdens de hoorzittingen werden door getuigen elementen aangedragen voor de drie hypotheses. Kolonel Vincent bijvoorbeeld, het hoofd van de militair-technische-samenwerking zegt : « Ik heb nooit gedacht aan wat op 6 april 1994 zou gebeuren. De moord op de president had niemand voorspeld en nochtans heeft die gebeurtenis in Rwanda de balans naar geweld doen omslaan. » (544b)

Kolonel Marchal schrijft in zijn confidentiële nota : « L'assassinat de nos dix hommes demeure pour moi un fait qui sort totalement du cadre des bonnes relations que nous avions toujours entretenues avec le FAR et qui prévalaient toujours au moment des troubles. C'est dans cet état d'esprit que nous nous trouvions le 7 avril au matin. » (545b)

Volledigheidshalve wijst de commissie op het bestaan van een andere hypothese over de dood van de 10 blauwhelmen. Volgens de heren Prunier en Rusatira werden zij gedood omdat zij getuigen waren van de moord op mevrouw Agathe. De commissie wijst er echter op dat de blauwhelmen helemaal geen getuige zijn geweest van deze moord. En zelfs in deze hypothese blijft de vraag bestaan waarom majoor Bernard Ntuyahaga de blauwhelmen meenam, wanneer hij ter plekke kon vaststellen dat mevrouw Agathe Uwilingiyimana zich niet meer bij hen bevond.

Volgens majoor Choffray daarentegen die ten tijde van de UNAMIR-operatie als S3 bij KIBAT II belast was met de operaties, was de moord op de Belgische paracommando's het gevolg van een vooropgezet politiek plan. « Donc, pour moi, l'assassinat du président rwandais a permis l'enchaînement des faits suivants, à savoir : attiser un peu plus la colère de la population et de l'armée et cela, par l'intermédiaire de la radio des Mille Collines; attribuer l'attentat du président, via cette radio, aux militaires belges de l'ONU et, naturellement par voie de conséquence, réaliser le souhait du pouvoir en place, c'est-à-dire marquer par une action brutale « le retrait du détachement belge », en lui portant directement atteinte. Ce départ des militaires belges a naturellement laissé les mains libres aux extrémistes que nous connaissons bien et cela pour régler le problème rwandais, c'est-à-dire le problème Tutsi, etc. » (546b). Dat is ook de overtuiging van kapitein Lemaire : « En ce qui concerne la question numéro deux, je réponds, mais je ne peux le dire qu'après avoir lu une série de livres par la suite, que, pour moi, la mort des dix mortiers était programmée. Il fallait que la MINUAR se replie et que les gens qui allaient prendre le pouvoir aient le champ libre. » (547b).

De commissie vond zes belangrijke aanwijzingen die in de richting wijzen van deze derde hypothese, in het bijzonder dat het gaat om een vooropgesteld plan.

­ De heer Scheers verklaarde voor de commissie dat hij kennis kreeg over de opleiding in de streek van Luik van een groep huurlingen of Belgische para's om een aanslag te plegen op de president : « Ik heb Nahimana de eerste keer ontmoet in december 1993. Die studeerde op dat ogenblik en studeert misschien nu nog in Waver. Ik heb toen tegen Habyarimana gezegd : « Kijk mijn vriend, die historie heeft mij tot nu toe al enorm veel geld gekost. Een ticket Brussel-Kigali is niet goedkoop en ook faxen is duur. Kan ik geen kanaal hebben in Brussel of kunt u mijn kosten terugbetalen ? » Hij heeft mij toen Eugène Nahimana voorgesteld. Over hem ben ik later ernstige twijfels gaan koesteren. De president had hem voorgesteld als tussenpersoon in België omdat hij liever niet had dat ik telkens via de officiële ambassadeur van Rwanda in België passeerde. Als ik terugkijk op wat er allemaal gebeurd is, dan weet ik het niet zo goed of ik opnieuw op dezelfde manier zou werken. Nahimana heeft mij rond half maart, een goede drie weken voor de aanslag van 6-7 april, opgebeld. ... « Notre président, il y a des lourdes menaces qui pèsent sur sa tête. » Ik zeg dan : « Monsieur Nahimana, vous devez vous expliquer; dites-moi de qui il s'agit ? » ... Wij hebben gehoord, zo zei hij, dat er in de streek van Luik een groep huurlingen of Belgische militaire opgeleid worden om een aanslag te plegen op de president. ­ Vraag : Wanneer was dat precies ? ­ Dat was rond half maart. Ik kan de juiste datum nog terugvinden in mijn notaboekje. Vandaag vraag ik me af of ik niet door welbepaalde mensen werd gemanipuleerd. Men wist dat ik in België een aantal politieke contacten had, eerst met Willy Kuijpers en nadien ook nog met andere politici. Men wist waarschijnlijk dat ik bepaalde informaties kon laten doorsijpelen, informaties die misschien perfect pasten in de politiek tegen de Belgische Staat en tegen de Belgische para's, die in die periode in Rwanda meer en meer vorm kreeg. » (548b)

De heer Jacques Collet, persfotograaf, verklaart aan de militaire auditeur : « Ce sont des militaires belges qui ont abattu l'avion, cinq ont été abattus sur place et 5 autres le seraient par après. La personne précisait que ces militaires avaient été dénoncés par des casques bleus du Bangladesh. »

­ Op 8 juni 1997 richtte dezelfde persoon een brief aan de commissie, waarin hij dit verhaal grotendeels herneemt :

« ... En effet, je suis journaliste photographe, et ayant appris la chute de l'avion du Président Habyarimana, le 6 avril vers minuit, je me suis rendu le lendemain vers 10 heures à l'ambassade du Rwanda, afin d'y prendre le visa nécessaire pour me rendre à Kigali pour couvrir l'événement comme la plupart de mes confrères.

Arrivé à l'ambassade, alors que j'étais en train de remplir les formulaires, j'ai été frappé par une conversation entre un groupe de rwandais. Ceux-ci qui m'ont dit par la suite être des stagiaires à l'École Royale Militaire, sortaient des bureaux de l'ambassade, disant que c'était confirmé, que c'était bien des paras belges qui avaient abattu l'avion du Président rwandais. Ensuite, ils ont déclaré, que les soldats belges avaient été vus et dénoncés par des soldats bengladeshis de la MINUAR, et que trois d'entre eux avaient été abattus.

Il faut vous dire que je parle couramment le Kinyarwanda, ce qui m'a permis de suivre aisément la conversation. »

Ensuite, M. Eugène Nahimana est sorti à son tour des bureaux et a annoncé la mort de 10 paras belges. Comme j'avais eu l'occasion de rencontrer M. Nahimana auparavant, je me suis adressé à lui en lui faisant part de mon étonnement, et mettant sa parole en doute quant à l'implication des Belges dans cet attentat, et m'étonnais aussi que 10 soldats aient pu être exécuté par l'armée rwandaise. M. Nahimana et les autres Rwandais présents ont monté le ton me disant que c'était normal qu'ils soient tués vu que c'était bien eux qui avaient abattu l'avion de leur Président.

Je n'ai pas cru nécessaire de prolonger le débat, je me suis rendu à l'agence Belga, j'ai fait part de la conversation à un journaliste de l'agence, et ensemble avons décidé de ne pas tenir compte d'une information qui nous paraissait des plus fantaisiste. Il était à ce moment-là environ 11 heures du matin ce 7 avril 1994 .

De inhoud van deze brief wordt op één belangrijk punt na, volledig bevestigd door de getuigenis van de heer Johan Scheers : « Heel vroeg in de ochtend van 7 april om 4 uur kreeg ik een telefoon van een vriend uit Kigali, die ik had leren kennen tijdens de vele keren dat ik in Rwanda was geweest. Die zei mij het volgende : « Johan, sais-tu ce qu'il s'est passé ? J'ai dit : « Mais non, explique ». Ik vroeg hem dan « Jean-Baptiste, pourquoi me téléphones-tu à cette heure ci ? Tu sais quelle heure il est, ici, à Bruxelles ? On dort encore ... J'espère que tu me réveilles avec une bonne raison. » « Oui, mais » zegt hij « on vient de tuer le président ». ­ Vraag : Il était quelle heure ? ­ Antwoord : Il était, madame, quand il m'a téléphoné, environ 4 ou 5 heures du matin ... ­ Vraag : En Belgique ­ Mais là-bas ? Antwoord : Il y a une heure de différence. In de loop van dezelfde ochtend belt Eugène Nahimana mij op. Hij zegt mij : « Ziet ge wel dat ik gelijk had. Gij hebt mij nooit willen geloven en ge hebt geen enkel initiatief genomen. Vandaag is het zo ver de president is vermoord door de Belgische para's. » ­ Vraag : ­ Hoe laat was dat ongeveer ? Antwoord : Ik vermoed dat het toen 10 30 à 11 uur was, alleszins het einde van de voormiddag.­ Vraag : C'était toujours le 7 ? Antwoord : En effet. Ik heb hem toen onmiddellijk gevraagd hoe hij dat wist. Hij zei mij : « Parce qu'on les a. Il faut déposer une plainte à La Haye contre la Belgique, parce que ce sont les Belges qui l'ont tué ». Ik heb hem gezegd : « Si vous avez les paras faites-moi un plaisir, il faut bien veiller à leur sécurité et les maintenir surtout en vie qu'on puisse les interroger pour savoir qui est derrière tout ça. » Hij heeft mij in de loop van die namiddag opnieuw opgebeld, ik weet niet meer precies hoe laat. Het is ondertussen immers al drie jaar geleden. Ik herinner mij wel dat hij mij die dag twee of driemaal heeft opgebeld. In de loop van de namiddag zei hij mij : « Wij hebben ze, de para's, ze hebben geprobeerd te ontsnappen en ze zijn vermoord » (549b).

Er blijft onduidelijkheid bestaan over het tijdstip waarop de heer Nahimana (550b) de moord op de para's meldde.

De heer Eugène Nahimana bevestigt voor de commissie dat hij op 7 april 's morgens op de Rwandese ambassade in Brussel was maar ontkent dat hij reeds 's morgens op de hoogte was van de dood van de 10 para's. « Le matin du 7 par la radio BBC, je crois. Les Américains et les radios ont d'abord parlé de trois observateurs militaires sans fixer leur nationalité. » ­ Vraag : Quand avez-vous appris la mort de nos dix paras ? « Le 7, dans l'aprèsmidi. » (551b)

Geconfronteerd met het verhaal van de heer Collet in verband met de aankondiging van de moord op de 10 para's antwoordt hij : « Je le nie, c'est clair. L'information venait des militaires, ce n'était pas à moi d'annoncer la mort des dix casques bleus. Beaucoup de choses se trament autour de moi. Comment peut-on envoyer un dossier à l'UNO et remarquer qu'on s'est trompé de personne? Il y a un complot, une conspiration contre moi. » (552b)

Hoe dan ook de commissie acht het hoogst verwonderlijk dat reeds op dat ogenblik de Rwandese ambassade op de hoogte was van het drama dat zich in Rwanda afspeelde.

­ Generaal Rusatira verklaart : « Ik weet niet of ze (NVDR : Majoor Ntuyahaga en kolonel Bagosora) met elkaar hebben gesproken. De versie van de majoor lijkt mij echter onwaarschijnlijk, want de woonplaats van de Eerste minister lag niet op zijn weg. Bovendien heeft hij de para's geëvacueerd en heeft hij ze ongewapend in het kamp achtergelaten, ook al waren zij slecht onthaald. Ik heb daaruit afgeleid dat de majoor bevelen had gekregen om de veiligheidsmaatregelen ten gunste van mevrouw Agathe op te heffen en de getuigen uit te schakelen. » (553b)

­ Kapitein Apedo, VN-waarnemer in het kamp Kigali, verklaarde dat majoor Bernard Ntuyahaga mensen opzweepte en beweerde dat de Belgen het