1-899/1

1-899/1

Belgische Senaat

ZITTING 1997-1998

5 MAART 1998


HERZIENING VAN DE GRONDWET


Herziening van artikel 125 van de Grondwet

(Verklaring van de wetgevende macht
zie Belgisch Staatsblad nr. 74 van 12 april 1995)


VOORSTEL VAN DE HEER VANDENBERGHE C.S.


TOELICHTING


In de Kamer van volksvertegenwoordigers heeft mevrouw de T'Serclaes een voorstel tot herziening van artikel 103 van de Grondwet ingediend (Stuk Kamer, nr. 1258/1 - 97/98). Dit voorstel is het resultaat van de werkzaamheden van een subcommissie, opgericht ter bespreking van diverse voorstellen rond deze problematiek. In het kader van die werkzaamheden werd tevens overleg gepleegd met de commissie voor de Institutionele Aangelegenheden van de Senaat, zodat de subcommissie met de inzichten van de senatoren rekening heeft kunnen houden.

Tevens werd afgesproken dat de herziening van artikel 125 van de Grondwet in de Senaat zou aanvangen.

Dit voorstel herneemt bijgevolg de principes van het voorgestelde artikel 103 van de Grondwet, maar past ze toe op de leden van de gemeenschaps- en gewestregeringen.

Het betreft volgende regels :

1. Toepasselijke criteria :

Het voorgestelde nieuwe regime zal van toepassing zijn op :

a) een lid van een gemeenschaps- of gewestregering, tijdens de uitoefening van zijn ambt, voor misdrijven gepleegd in de uitoefening van het ambt;

b) een gewezen lid van een gemeenschaps- of gewestregering, voor misdrijven gepleegd in de uitoefening van het ambt;

c) een lid van een gemeenschaps- of gewestregering, tijdens de uitoefening van zijn ambt, voor misdrijven gepleegd buiten de uitoefening van het ambt. Hiermee zijn gelijk te stellen, de misdrijven gepleegd vr de uitoefening van het ambt, die worden berecht tijdens de ambtsuitoefening.

Het gemeen recht is bijgevolg van toepassing op :

a) een gewezen lid van een gemeenschaps- of gewestregering, voor misdrijven gepleegd buiten de uitoefening van zijn ambt;

b) de misdrijven gepleegd vr de uitoefening van het ambt en vervolgd na de ambtsuitoefening.

Het zou te eenvoudig zou zijn om als criterium enkel het in functie zijn te weerhouden en het bijzonder regime van het voorgestelde artikel 125 van de Grondwet enkel van toepassing te maken op misdrijven gepleegd tijdens de uitoefening van het ambt, ongeacht of het gaat om misdrijven gepleegd in de uitoefening van het ambt dan wel om misdrijven gepleegd buiten de uitoefening van het ambt. Dit zou immers meebrengen dat op gewezen leden van gemeenschaps- of gewestregeringen in alle gevallen het gemeen recht van toepassing zou zijn, wat zou betekenen dat het interessanter zou worden te wachten met de vervolging van de leden van gemeenschaps- of gewestregeringen tot na de ambtsuitoefening, vermits zij dan zonder enige belemmering vervolgd zouden kunnen worden zelfs voor misdrijven gepleegd in de uitoefening van het ambt.

2. De tussenkomst van een politiek orgaan :

Er wordt geopteerd voor de tussenkomst van de Gemeenschaps- of Gewestraden onder vorm van een verlof voor de vordering van het bevoegde openbaar ministerie tot regeling van de rechtspleging voor de kamer van inbeschuldigingstelling, voor de rechtstreekse dagvaarding voor het hof van beroep en voor de aanhouding. De vereiste van een verlof voor de regeling van de rechtspleging betekent dat verlof van de Raad vereist is zowel indien het bevoegde openbaar ministerie de buitenvervolgingstelling vordert als indien het de verwijzing naar het bevoegde hof van beroep vordert. Eenmaal verlof is gegeven, kan de zaak aanhangig worden gemaakt bij de bevoegde kamer van inbeschuldigingstelling, die uiteraard vrij is om hetzij de buitenvervolgingstelling uit te spreken, hetzij de verwijzing naar het bevoegde vonnisgerecht en dit ongeacht de eindvordering van het bevoegde openbaar ministerie.

Het instellen van de strafvordering, evenals de leiding ervan, wordt voorbehouden aan de leden van het openbaar ministerie bij het bevoegde hof van beroep.

3. De bevoegde instantie :

Na afweging van diverse alternatieven, wordt geopteerd voor het regime van voorrecht van rechtsmacht, waarvan de filosofie, zoals verwoord door het Arbitragehof in een arrest van 7 november 1996, perfect toepasbaar lijkt op leden van Gemeenschaps- of Gewestregeringen.

4. De cumulproblematiek :

Het voorstel wil een oplossing bieden voor de problematiek van de mogelijke cumulatieve toepassing van :

artikel 125 en artikel 120 of artikel 59 van de Grondwet. Er wordt voorgesteld primauteit te verlenen aan artikel 125 van de Grondwet.

de mogelijke cumulatie binnen artikel 125 van de Grondwet. Vermits men tegelijk gemeenschaps- en gewestminister, kan zijn, is de hypothese denkbaar dat men kan worden vervolgd voor misdrijven gepleegd in de uitoefening van het ambt van gemeenschapsminister maar buiten het ambt van gewestminister (of omgekeerd). Tevens kan men als gemeenschapsminister in functie worden vervolgd voor misdrijven gepleegd in de uitoefening van het ambt van gewestminister, ofschoon men niet langer gewestminister is (en omgekeerd).

Hiervoor wordt in het zesde lid verwezen naar de wet.

De mogelijke cumulatie van artikel 125 van de Grondwet en artikel 103 van de Grondwet vermits men als gemeenschaps- of gewestminister kan worden vervolgd voor misdrijven gepleegd in de uitoefening van het ambt van federaal minister (en omgekeerd). Ook hier wordt verwezen naar de wet.

5. De burgerlijke aansprakelijkheid van de leden van Gemeenschaps- of Gewestregeringen :

Gelet op de complexiteit van deze problematiek wordt verwezen naar de wet die zal bepalen in welke gevallen en volgens welke regels benadeelde partijen een burgerlijke vordering kunnen instellen. De hier aangeduide aansprakelijkheid betreft zowel de burgerrechtelijke aansprakelijkheid voortvoeiend uit misdrijven, als de gewone burgerrechtelijke aansprakelijkheid. (Zie aanvullend verslag bij het voorstel tot herziening van artikel 103 van de Grondwet, Stuk Kamer, 1997-1998, nr. 1258/8).

6. Overgangsbepaling :

De overgangsbepaling vertrekt van het principe dat het huidige artikel 125 van de Grondwet en de bijzondere wet van 28 februari 1997 houdende tijdelijke en gedeeltelijke uitvoering van artikel 125 van de Grondwet, van toepassing blijft zowel op leden van de gemeenschaps- of gewestregeringen die reeds zijn verwezen naar het Hof van Cassatie, evenals op feiten die hetzij reeds in onderzoek zijn bij een raadsheer in het Hof van Cassatie of het voorwerp uitmaken van de opsporingsdaden, gesteld door of op vordering van de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie, met toepassing van de tijdelijke bijzondere wet van 28 februari 1997. De regel is dus dat een zaak wordt afgehandeld in de procedure waarin ze gestart is.

Tevens betekent deze overgangsbepaling dat, zolang de uitvoeringswet van het nieuw voorgestelde artikel 125 van de Grondwet, niet van kracht is, het huidige artikel 125 van de Grondwet en de tijdelijke uitvoeringswet blijven gelden.

Voor verdere toelichting bij dit voorstel wordt verwezen naar het voorstel tot herziening van artikel 103 van de Grondwet, zoals ingediend door mevrouw de T'Serclaes.

Hugo VANDENBERGHE.

VOORSTEL


Enig artikel

Artikel 125 van de Grondwet wordt vervangen als volgt :

Art. 125. De leden van een Gemeenschaps- of Gewestregering worden voor de misdrijven die zij in de uitoefening van hun ambt mochten hebben gepleegd, uitsluitend berecht door het hof van beroep. Hetzelfde geldt voor de misdrijven die de leden van een Gemeenschaps- of Gewestregering buiten de uitoefening van hun ambt mochten hebben gepleegd en waarvoor zij worden berecht tijdens hun ambtstermijn. De artikelen 120 en 59 zijn in voorkomend geval niet van toepassing.

De wet bepaalt op welke wijze tegen hen in rechte wordt opgetreden, zowel bij de vervolging als bij de berechting.

De wet wijst het bevoegde hof van beroep aan dat in algemene vergadering zitting houdt en bepaalt de samenstelling ervan. Tegen de arresten van het hof van beroep is beroep mogelijk bij het Hof van Cassatie, in verenigde kamers, dat niet in de beoordeling van de zaken zelf treedt.

De vervolging in strafzaken van een lid van een Gemeenschaps- of Gewestregering kan enkel worden ingesteld en geleid door het openbaar ministerie bij het bevoegde hof van beroep.

Voor elke vordering tot regeling van de rechtspleging, voor iedere rechtstreekse dagvaarding voor het hof van beroep en voor iedere aanhouding, behalve bij ontdekking op heterdaad, is het verlof van de Gemeenschaps- of Gewestraad, ieder wat hem betreft, vereist.

De wet regelt de samenloop van de vervolging van de leden van een Gemeenschaps- of Gewestregering in de gevallen bedoeld in het eerste lid, met de vervolging van leden of gewezen leden van andere Gemeenschaps- of Gewestregeringen, of in artikel 103 bedoelde leden of gewezen leden van de federale Regering.

Aan een overeenkomstig het eerste lid veroordeeld lid van een Gemeenschaps- of Gewestregering kan geen genade worden verleend dan op verzoek van betrokken Gemeenschaps- of Gewestraad.

De wet bepaalt in welke gevallen en volgens welke regels de benadeelde partijen een burgerlijke rechtsvordering kunnen instellen.

De wetten, bedoeld in dit artikel, moeten worden aangenomen met de meerderheid bepaald in artikel 4, laatste lid.

Overgangsbepaling

Dit artikel is niet van toepassing op feiten waarvoor daden van opsporing werden verricht en op vervolgingen ingesteld vr de inwerkingtreding van de wet tot uitvoering ervan.

In dit geval geldt de volgende regel : de Gemeenschaps- en de Gewestraden hebben het recht de leden van hun Regering in beschuldiging te stellen en hen te brengen voor het Hof van Cassatie. Dit alleen is bevoegd om hen te berechten, in verenigde kamers, in de gevallen en met toepassing van de straffen die in de strafwetten zijn bepaald. De bijzondere wet van 28 februari 1997 houdende tijdelijke en gedeeltelijke uitvoering van artikel 125 van de Grondwet blijft terzake gelden.

Hugo VANDENBERGHE.
Roger LALLEMAND.
Frederik ERDMAN.
Magdeleine WILLAME-BOONEN.