1-185/1

1-185/1

Belgische Senaat

ZITTING 1995-1996

30 NOVEMBER 1995


HERZIENING VAN DE GRONDWET


Herziening van artikel 41 van de Grondwet

(Verklaring van de wetgevende macht,
zie « Belgisch Staatsblad » nr. 74
van 12 april 1995)


VOORSTEL VAN DE HEER ERDMAN c.s.


TOELICHTING


De samenvoeging van gemeenten in 1975 ­ en in 1982 wat Antwerpen betreft ­ heeft in sommige gevallen geleid tot het ontstaan van te grote bestuurlijke entiteiten op lokaal vlak.

De democratische tekortkomingen die voortvloeien uit bestuurlijke grootschaligheid zijn genoegzaam bekend : de te grote afstand tussen bestuurde en bestuurder, de afnemende detectie van de noden en behoeften van de lokale bevolking, de problematische informatiedoorstroming naar de inwoners en het gebrek aan democratische inspraak en participatie.

Algemeen wordt nochtans aangenomen dat de gemeente de leerschool van de democratie is en dat het lokale bestuur bij uitstek aangewezen is om bekommernissen en noden van de plaatselijke bevolking te ontdekken. De democratische tekortkomingen van te grote bestuurlijke entiteiten moeten daarom zonder onderscheid weggewerkt worden.

Eerder dan de fusie-operatie als zodanig in vraag te stellen, opteren wij voor een vorm van territoriale decentralisatie binnen grote steden.

In dezelfde geest worden in het regeringsprogramma (hoofdstuk VI.5 « Een verbeterde werking van de democratie ») inspanningen aangekondigd om de maatschappelijke vernieuwing te koppelen aan vernieuwing van het politieke instrumentarium. Hierbij streeft de regering onder meer een grote inspraak van de inwoners na.

De Antwerpse gemeenteraad heeft een reglement aangenomen waardoor districtsraden werden opgericht, doch enkel met adviesbevoegdheid. Dit experiment heeft voldoende de noodzaak van dergelijke vorm van politieke deconcentratie aangetoond binnen een grote agglomeratie als Antwerpen. Ze verdient nu een stevige, juridische basis, zodat ook organen met volwaardige beslissingsbevoegdheid kunnen worden ingesteld.

In het oorspronkelijke voorstel tot herziening van het artikel 31 van de Grondwet (thans artikel 41 van de gecoördineerde tekst van de Grondwet), dat werd ingediend tijdens de vorige zittingsperiode [Gedr. St. Senaat nr. 100-50/1º (B.Z. 1991-1992)], werd ervoor geopteerd om de gemeenteraad de mogelijkheid te geven binnengemeentelijke organen op te richten die bepaalde gemeentelijke taken en bevoegdheden zouden uitoefenen t.a.v. territoriaal afgebakende onderdelen van de gemeente.

Uit de verschillende reacties op dit voorstel bleek echter dat men deze beslissing niet aan de onderscheiden gemeenteraden wilde overlaten, maar dat men wel aan de wetgever wilde toestaan om te beslissen tot de oprichting van binnengemeentelijke territoriale organen.

Onderhavig voorstel heeft tot doel het creëren van een grondwettelijk kader voor deze vorm van territoriale binnengemeentelijke decentralisatie.

Luidens artikel 162, eerste lid, van de gecoördineerde Grondwet worden de gemeentelijke instellingen bij de wet geregeld. Gelet op artikel 162, tweede lid, moet de nationale wetgever nochtans de toepassing verzekeren van het beginsel dat de gemeenteraad bevoegd is voor alles wat van gemeentelijk belang is.

Binnen het huidige grondwettelijke kader is het de wetgever m.a.w. niet toegestaan om enige beslissingsbevoegdheid aan binnengemeentelijke organen toe te kennen. Dergelijke toewijzing van bevoegdheid veronderstelt immers dat bepaalde aangelegenheden van (binnen)gemeentelijk belang die tot de uitsluitende bevoegdheid van de gemeenteraad behoren, zouden toekomen aan een naast de gemeenteraad gecreëerd gemeentelijk orgaan.

De beginselen die worden opgesomd in artikel 162, tweede lid, van de Grondwet moeten worden beschouwd als de grondwettelijke precisering van artikel 41 van de gecoördineerde Grondwet. Krachtens dit artikel worden de uitsluitend gemeentelijke belangen door de gemeenteraden geregeld, volgens de beginselen bij de Grondwet vastgesteld. Eén van deze beginselen betreft, zoals hoger reeds aangehaald, de bevoegdheid van de gemeenteraden voor alles wat van gemeentelijk belang is.

Het komt aan de grondwetgever toe om te oordelen of de beginselen, zoals ze thans zijn vastgesteld, volstaan om de gemeentelijke instellingen te regelen.

In deze context is het toegelaten het voor herziening vatbaar verklaarde artikel 41 van de Grondwet te wijzigen door het aan te vullen met nieuwe leden, houdende een nieuw grondwettelijk beginsel betreffende de gemeentelijke instellingen, met name het beginsel van de binnengemeentelijke territoriale decentralisatie.

Strikt genomen veronderstelt deze aanvulling een impliciete wijziging van artikel 162, tweede lid. De juridische techniek van de impliciete wijziging van de ene constitutionele bepaling door de andere werd in het verleden reeds toegepast, meer nog, in sommige gevallen werd de impliciete wijziging van een grondwettelijke bepaling bekomen door een met bijzondere meerderheid aangenomen wet.

De bevoegdheden, werkingsregels en de wijze van verkiezing van de binnengemeentelijke territoriale organen die aangelegenheden van gemeentelijk belang kunnen regelen, worden bij wet geregeld.

De voorwaarden waaronder en de wijze waarop de binnengemeentelijke territoriale organen worden ingesteld, worden, overeenkomstig een bijzondere wet, bepaald in een bijzonder decreet van de Gewestraad.

De binnengemeentelijke territoriale organen zijn enkel bedoeld voor de grootste stedelijke entiteiten van het Koninkrijk. Voor de oprichtingsvoorwaarden zal dan ook gesteund kunnen worden op het bevolkingscijfer (bv. meer dan 250 000 inwoners) en de uitgestrektheid van de stad.

Bij het oprichten van de binnengemeentelijke territoriale organen worden de betrokken gemeenteraden om advies gevraagd.

De rekeningen van de binnengemeentelijke territoriale organen komen op de centrale begroting, maar de betrokken gemeenten dragen hiervoor middelen over. De leden van deze nieuwe raden zullen rechtstreeks verkozen worden.

Fred ERDMAN.

VOORSTEL


Enig artikel

Artikel 41 van de Grondwet wordt aangevuld met de volgende leden :

« De wet stelt de bevoegdheden, werkingsregels en de wijze van verkiezing vast van de binnengemeentelijke territoriale organen die aangelegenheden van gemeentelijk belang kunnen regelen.

Ter uitvoering van een wet, aangenomen met de in artikel 4, laatste lid, bepaalde meerderheid, regelt het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel de voorwaarden waaronder en de wijze waarop dergelijke binnengemeentelijke territoriale organen kunnen worden opgericht.

Dat decreet en die in artikel 134 bedoelde regel moeten worden aangenomen met een meerderheid van twee derden van de uitgebrachte stemmen, op voorwaarde dat de meerderheid van de leden van de betrokken Raad aanwezig is. »

Fred ERDMAN.
Ludwig CALUWÉ.
Hugo COVELIERS.
Eddy BOUTMANS.
Jan LOONES.