1-775/7 | 1-775/7 |
3 DECEMBER 1997
Evocatieprocedure
De commissie heeft artikel 10 van dit wetsontwerp besproken tijdens haar vergadering van 3 december 1997.
De afvloeiingsmaatregelen streven in essentie twee doelstellingen na : de verjonging van de strijdkrachten en een verhoging van de investeringen door een verlaging van de personeelskosten.
Bovendien zullen die maatregelen als positief gevolg hebben dat voor het merendeel uit jonge laaggeschoolde werkzoekenden jonge vrijwilligers worden gerekruteerd.
Om het aandeel van de personeelsuitgaven in de begroting van Defensie te verminderen, zette het herstruktureringsplan voor iedere personeelscategorie een aantal doelstellingen voorop.
Wat de officieren betreft, wordt de doelstelling van 5 000 personeelsleden momenteel met zo'n 500 eenheden overschreden. Er zijn 3 600 onderofficieren meer dan vooropgestelde cijfers van 15 000. Voor de vrijwilligers en de leerlingen liggen de cijfers net onder de vooropgezette doelstelling.
Om de doelstellingen te halen, kunnen twee methodes worden toegepast : minder mensen rekruteren of het aantal mensen dat de Krijgsmacht verlaat verhogen.
Bij gebrek aan afvloeiingsmaatregelen heeft men tot nu toe de overtallen verminderd door voor alle categorieën minder personen te rekruteren. Die methode leidt tot een dramatische vergrijzing van de strijdkrachten en tot een verhoogd tekort aan jonge vrijwilligers.
De afvloeiingsmaatregelen, die alleen op officieren en onderofficieren van toepassing zullen zijn, zullen het mogelijk maken het aantal officieren en onderofficieren en dus de personeelskosten te verminderen en meer jonge militairen, inzonderheid jonge laag- of zeer laaggeschoolden te rekruteren.
Die maatregelen zullen het mogelijk maken beide doelstellingen, namelijk verjonging en investering te halen.
Twee soorten afvloeiingsmaatregelen zijn mogelijk : terbeschikkingstelling van oudere personeelsleden en loopbaanonderbrekingen met betere voorwaarden. Het betreft maatregelen die op basis van vrijwilligheid worden genomen.
Officieren en onderofficieren die binnen vijf jaar pensioengerechtigd zouden zijn en commandanten voor wie dat binnen een jaar het geval zou zijn, kunnen, zo zij dat wensen, ter beschikking worden gesteld; zij ontvangen dan 80 % van hun wedde, of het bedrag van hun pensioen, als dat hoger is dan 80 % van hun wedde.
Deze maatregel kan verplicht worden gemaakt voor officieren die binnen vijf jaar en voor commandanten die binnen een jaar aan hun pensioen toe zijn en die geen promotiemogelijkheden meer hebben.
De verbeterde vorm van loopbaanonderbreking is bedoeld voor officieren en onderofficieren met vijftien jaar anciënniteit. Zij kunnen gedurende negen jaar loopbaanonderbreking nemen. De eerste drie jaar ontvangen zij een premie; die jaren komen in aanmerking voor de berekening van hun pensioen en ze kunnen aanspraak maken op een onvoorwaardelijke herintegratie. De volgende twee jaar blijven meetellen voor de berekening van hun pensioen en tijdens die periode behouden ze hun recht op onvoorwaardelijke herintegratie. De laatste vier jaar behouden zij alleen het recht op herintegratie.
Deze maatregel biedt officieren en onderofficieren de kans de strijdkrachten in goede omstandigheden te verlaten, aangezien de maatregel een vangnet biedt mocht er iets fout lopen.
Naast de afvloeiingsmaatregelen werd bovendien, voor alle categorieën van het personeel de mogelijkheid van deeltijdse arbeid ingevoerd, met dien verstande dat het leger operationeel blijft aangezien de gevechtseenheden buiten die regeling vallen. Zoals elders in het openbaar ambt zullen de militairen aanspraak kunnen maken op een vierdaagse werkweek, op vervroegde halftijdse pensionering en op loopbaanonderbreking.
De belangrijkste doelstelling van deeltijdse arbeid is niet om personeel te doen afvloeien. Dat neemt niet weg dat de vrijgemaakte tijd het mogelijk zal maken de personeelsuitgaven te verminderen en het aantal rekruten op te drijven.
Mochten deze afvloeiingsmaatregelen succesvol blijken, dan zal men een grote stap voorwaarts in de richting van de herstructurering van de strijdkrachten hebben gezet. Deze maatregelen zullen het immers mogelijk maken de investeringen, die de jongste jaren dramatisch geslonken waren, te verhogen en het personeel van Landsverdediging te verjongen en dus opnieuw dynamischer te maken.
Een commissielid constateert dat er, volgens de minister, 500 officieren en 3 600 onderofficieren meer zijn dan de vooropgestelde cijfers van respectievelijk 5 000 en 15 000. Is dat de toestand die ontstaan is na de uitvoering van de herstructureringsplannen of m.a.w. is dat de huidige toestand ? In hoeverre moet de personeelssterkte van het leger nog verder worden verminderd ?
Hetzelfde lid merkt voorts op dat, door de afvloeiing van de hogere kaders, er belangrijke loonmassa's vrijkomen. Van de andere kant is er sprake van de aanwerving van laaggeschoolden. Is het de bedoeling een besparing te realiseren of zal de vrijgekomen loonmassa volledig worden benut voor nieuwe aanwervingen ? Wat is het aantal jongeren dat moet worden aangeworven om het gewenste doel (personeel op peil houden en verjonging van het personeel) te bereiken ?
Het lid vraagt zich voorts af of de aanwerving van laaggeschoolden voor het leger aan een werkelijke behoefte beantwoordt. Vroeger werd erop gewezen dat een te korte legerdienst het onmogelijk maakte de dienstplichtigen afdoende op te leiden. In die tijd beschikte men soms nog over hooggekwalificeerde dienstplichtigen. Nu opteert men klaarblijkelijk voor laaggeschoolden. Hoeveel vrijwilligers (soldaten en korporaals) beoogt men te bereiken ?
De minister bevestigt de streefcijfers van 5 000 officieren en 15 000 onderofficieren, cijfers die in januari 1998 zouden moeten worden bereikt. Daardoor zou het leger een normale leeftijdspiramide hebben.
Door de afvloeiing van de hogere kaders wordt er inderdaad bespaard. Het is de bedoeling 70 % van de besparingen aan te wenden voor de recrutering van laaggeschoolde vrijwilligers die 5 jaar in dienst zullen blijven. Gedurende die tijd zullen deze vrijwilligers een opleiding genieten die hen ook dienstig kan zijn op de arbeidsmarkt.
Hetzelfde lid merkt vervolgens op dat er momenteel ongeveer 19 000 vrijwilligers zijn. Onder hen zijn er ook een aantal ouderen. Is er voor die categorie ook een afvloeiingsregeling of geldt deze alleen voor de officieren en de onderofficieren ?
De minister antwoordt dat er geen vrijwilligers in overtal zijn, integendeel : op de 20 000 voorziene zijn er actueel minder dan 19 000 in de krijgsmacht aanwezig.
Men kan dus geen overtal wegwerken dat er niet is.
De heer Hatry dient een amendement (nr. 7) in dat strekt om het 2º aan te vullen als volgt :
« Artikel 1, 3º, c), van het koninklijk besluit wordt vervangen als volgt :« c) tenminste 51 jaar oud is, voor de vrijwilligers. »
Verantwoording
De mogelijkheid om in disponibiliteit te worden gesteld moet worden uitgebreid tot de oudste vrijwilligers niet-specialisten.
Vanaf 5 jaar (op vijf jaar van hun pensioen dus) moeten de vrijwilligers voor de maatregel in aanmerking kunnen komen.
Bovendien zal het vertrek van die vrijwilligers, die in de hoogste bezoldigingstranche zitten, middelen vrijmaken waarmee jonge vrijwilligers kunnen worden gerekruteerd en zodoende de operationaliteit van de krijgsmacht op peil kan worden gehouden.
De minister bevestigt dat de vrijgekomen loonmassa van de officieren en onderofficieren die afvloeien gedeeltelijk naar de supplementaire aanwerving van jonge vrijwilligers gaat. Dit argument gaat echter niet op voor de afvloeiing van vrijwilligers : de loonwig is immers veel kleiner. Zo zouden zeven oude vrijwilligers moeten afvloeien in disponibiliteit om voldoende ruimte te creëren om één bijkomende jonge vrijwilliger aan te werven. Op die wijze zouden niet te verantwoorden tekorten in het leven worden geroepen.
Het amendement wordt verworpen met 7 stemmen tegen 1 stem.
Het subgeheel van het wetsontwerp, zijnde artikel 10, wordt met dezelfde stemmenverhouding aangenomen.
Vertrouwen werd geschonken aan de rapporteur voor het uitbrengen van dit verslag.
| De rapporteur,
André BOURGEOIS. |
De voorzitter,
Valère VAUTMANS. |
Zie Stuk 1-775/8