1-575/3

1-575/3

Belgische Senaat

ZITTING 1998-1999

1 DECEMBER 1998


Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 620 van het Gerechtelijk Wetboek


VERSLAG

NAMENS DE COMMISSIE VOOR DE JUSTITIE UITGEBRACHT DOOR DE HEER BOURGEOIS


De commissie voor de Justitie heeft dit wetsontwerp besproken tijdens haar vergadering van 1 december 1998.

I. INLEIDENDE UITEENZETTING VAN DE INDIENER VAN HET WETSVOORSTEL

Artikel 617 van het Gerechtelijk Wetboek stelt dat vonnissen in laatste aanleg gewezen worden door de rechtbank van eerste aanleg en de rechtbank van koophandel wanneer het bedrag van de vordering 75 000 frank niet overschrijdt. Voor vonnissen van de vrederechter, of van de politierechtbank inzake de vergoeding van schade volgend uit een verkeersongeval, is dit het geval voor vorderingen waarvan het bedrag 50 000 frank niet overschrijdt.

Met betrekking tot de berekening van deze bedragen bepaalt artikel 620 van het Gerechtelijk Wetboek : « Wanneer de tegenvordering ontstaat uit het contract of het feit dat aan de oorspronkelijke rechtsvordering ten grondslag ligt, ofwel uit de tergende of roekeloze aard van deze vordering, wordt de aanleg bepaald door samenvoeging van het bedrag van de hoofdvordering en het bedrag van de tegenvordering. »

Het bedrag van een tussenvordering daarentegen wordt voor het bepalen van de aanleg niet samengeteld met het bedrag van de hoofdvordering.

Dit volgt uit artikel 621 van het Gerechtelijk Wetboek dat volgens het Hof van Cassatie de individualiteit van de tussenvordering beklemtoont (Cass., 13 april 1989, RW, 1990-1991, 359). Dit maakt dat de beslissing omtrent de hoofdvordering en de tussenvordering niet vatbaar is voor hoger beroep indien deze vorderingen afzonderlijk niet het vereiste bedrag bereiken, alhoewel zij samen wel dat bedrag halen. Zo ook blijft, wanneer de hoofdvordering wel de som van de laatste aanleg overstijgt, een tussenvordering die het vereiste bedrag niet haalt een vordering in laatste aanleg.

Deze regeling leidt tot een zekere ongelijkheid wanneer, zoals inzake verkeersongevallen, zowel de schadelijder als de beweerde schadeveroorzaker schade hebben geleden.

De indiener onderstreept dat de in het voorstel vervatte problematiek werd geactualiseerd door verschillende arresten van het Arbitragehof. Sinds de indiening van het voorstel op 12 maart 1997, werden er immers reeds 5 arresten door het Arbitragehof geveld over deze problematiek. Zo stelde het Arbitragehof in zijn arrest nr. 15/97 van 18 maart 1997 dat de artikelen 620 en 621 van het Gerechtelijk Wetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schenden doordat zij verbieden dat het bedrag van de hoofdvordering wordt samengevoegd met dat van de vordering tot tussenkomst. Ook het arrest nr. 31/97 van 21 mei 1997, het arrest nr. 14/98 van 11 februari 1998, het arrest nr. 81/98 van 7 juli 1998 bevestigen deze stellingname. Het laatste arrest werd geveld op 24 september 1998 (arrest nr. 97/98) en bepaalt dat « de artikelen 620 en 621 van het Gerechtelijk Wetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schenden, doordat zij, om de aanleg te bepalen, toestaan dat het bedrag van de hoofdvordering wordt samengevoegd met dat van de tegenvordering, maar verbieden dat het bedrag van de hoofdvordering wordt samengevoegd met dat van de vordering tot tussenkomst, wanneer de onderscheiden vorderingen hun oorzaak vinden in hetzelfde feit ». De vermelde arresten werden telkens geveld op basis van een prejudiciële vraag. De verantwoording van het amendement (Stuk Senaat, nr. 557/2, amendement nr. 1, cf. infra ) vloeit trouwens voort uit de motivering van het Arbitragehof. Het amendement betreft dus een technische aanpassing aan de rechtspraak van het Arbitragehof.

II. ALGEMENE BESPREKING

Een lid is van oordeel dat artikel 620 van het Gerechtelijk Wetboek inderdaad dient te worden aangepast en kan zich aldus volledig aansluiten bij het wetsvoorstel.

Een ander lid verklaart geen opmerkingen te uiten ten gronde. Nochtans wenst hij volgende verduidelijking. Moeten de woorden « de tegen- en tussenvordering » wel degelijk worden vervangen door de woorden « de tegenvordering en de vordering tot tussenkomst » of bedoelt men eerder « de tegenvordering of de vordering tot tussenkomst ».

De indiener bevestigt dat het woord « en » dient te worden behouden. De tegenvordering en de vordering tot tussenkomst zijn immers twee verschillende vorderingen. Momenteel wordt de tegenvordering wel aanvaard voor de berekening van het bedrag, de vordering tot tussenkomst echter niet.

De minister sluit zich aan bij het voorstel. Indien vijf belangrijke arresten van het Arbitragehof bevestigen dat een bepaling van het Gerechtelijk Wetboek ongrondwettelijk is, is het de taak van de wetgever hieraan tegemoet te komen.

Spreker merkt op dat de verwijzing naar de terminologie van artikel 13 van het Gerechtelijk Wetboek, in de verantwoording van het amendement nr. 1, volkomen terecht is. Dit artikel somt een reeks van tussenvorderingen op, waaruit blijkt dat de term « tussenvordering » de meest algemene benaming is, en zowel de tegenvordering, de uitbreidende vordering, de vordering tot tussenkomst, als de wijzigende vordering dekt. In het wetsvoorstel worden de tegenvordering en de vordering tot tussenkomst beoogd. Artikel 618 van het Gerechtelijk Wetboek maakt duidelijk dat een wijziging van de vordering door de eiser tijdens het geschil of een nieuwe vordering op grond van de feiten vermeld in de dagvaarding, ook in overweging wordt genomen om de aanleg te berekenen en om aldus de mogelijkheid tot beroep te bepalen. Artikel 618 stelt immers dat, indien de vordering in de loop van het geding gewijzigd is, de aanleg bepaalt wordt door de som die in de laatste conclusie wordt gevorderd. Uit dit artikel mag niet a contrario worden afgeleid dat niet alle tussenvorderingen zouden mogen worden opgeteld om de aanleg te berkenen. Het bedrag van de hoofdvordering kan aldus worden samengevoegd met het bedrag van alle tussenvorderingen om de aanleg te bepalen. Het bedrag van de tussenvorderingen, dus ook van de vordering tot tussenkomst, wordt bepaald door de som gevorderd in de laatste conclusie.

Een lid wijst erop dat kamerlid Bourgeois ook een wetsvoorstel heeft ingediend om deze situatie te behelpen (wetsvoorstel van 10 augustus 1998 tot wijziging van artikel 620 van het Gerechtelijk Wetboek; Stuk Kamer, 97/98, nr. 49-1705/1).

Dit wetsvoorstel luidt als volgt :

« Artikel 620 van het Gerechtelijk Wetboek wordt aangevuld met het volgende lid :

« Wanneer de vordering tot tussenkomst ontstaat uit het contract of het feit dat aan de oorspronkelijke rechtsvordering ten grondslag ligt, wordt de aanleg bepaald door samenvoeging van het bedrag van de hoofdvordering en het bedrag van de vordering tot tussenkomst. »

Volgens de minister kan dat voorstel tot verwarring leiden omdat het eerste lid van artikel 620 van het Gerechtelijk Wetboek ongewijzigd blijft. Om zuiver technische redenen lijkt het hem beter zich te houden aan het wetsvoorstel van de heer Vandenberghe, en het eerste lid te wijzigen.

III. ARTIKELSGEWIJZE BESPREKING

Artikel 1

Dit artikel wordt eenparig aangenomen door de acht aanwezige leden.

Artikel 2

De heer Vandenberghe dient een amendement in (Stuk Senaat, nr. 1-575/2, amendement nr. 1), luidende :

« In de voorgestelde tekst van artikel 620 van het Gerechtelijk Wetboek de woorden « de tussenvordering » vervangen door de woorden « de vordering tot tussenkomst » en de woorden « de tegen- en tussenvordering » vervangen door de woorden « de tegenvordering en de vordering tot tussenkomst ».

Verantwoording

De terminologie die wordt gebruikt in het voorgestelde artikel dient te worden aangepast.

Het probleem waaraan het wetsvoorstel wenst te verhelpen stelt zich niet ten aanzien van alle tussenvorderingen (artikel 13 van het Gerechtelijk Wetboek). Wanneer de tussenvordering bijvoorbeeld een uitbreiding van de inleidende vordering betreft is er niets aan de hand.

Bovendien maakt ook de tegenvordering een tussenvordering uit (zie artikel 14 van het Gerechtelijk Wetboek).

Het probleem zal zich enkel voordoen wanneer de tussenvordering een vordering tot tussenkomst betreft, in de betekenis waarin dit begrip voorkomt in de artikelen 621 en 15 van het Gerechtelijk Wetboek.

De tekst van het voorgestelde artikel 5 dient daarom melding te maken van « vordering tot tussenkomst » in plaats van « tussenvordering ».

Voor de bespreking van dit amendement, zie ook supra , algemene bespreking.

Het amendement en het aldus geamendeerde artikel worden eenparig aangenomen door de negen aanwezige leden.

IV. EINDSTEMMING

Het geamendeerde wetsvoorstel in zijn geheel is eenparig aangenomen door de negen aanwezige leden.

Vertrouwen werd geschonken aan de rapporteur voor het opstellen van dit verslag.

De rapporteur,
André BOURGEOIS.
De voorzitter,
Roger LALLEMAND.