1-57/1 | 1-57/1 |
13 JULI 1995
In onze huidige samenleving, nu steeds meer vrouwen buitenshuis werken, is het aantal instellingen voor de opvang van jonge kinderen sterk toegenomen. Al deze voorschoolse opvangmilieus, zowel de kinderdagverblijven als de kindertehuizen en de diensten voor onthaalmoeders nemen evenwel, om besmettingsgevaar te vermijden, uitsluitend gezonde kinderen op.
Dit heeft tot gevolg dat voor de buitenshuis werkende ouders, grote moeilijkheden rijzen wanneer hun kind ziek wordt, zelfs wanneer het slechts een doodgewone griep of verkoudheid met lichte koorts betreft.
De kinderdagverblijven beschikken weliswaar over één of twee isolatiekamertjes, maar deze worden slechts in uiterste nood gebruikt, voornamelijk wanneer een baby overdag plots ziek wordt. Dan wordt het kind hier afgezonderd totdat de ouders het komen afhalen. Dit kind wordt dan slechts terug opgenomen wanneer uit een medisch attest blijkt dat het genezen is.
Bovendien moet men er terdege rekening mee houden dat het beschikbare personeel te beperkt is om aan het zieke kind, dat precies meer dan andere behoefte heeft aan voortdurende aandacht (medicatie, voeding en verzorging) alle nodige extra zorgen te verlenen. Het personeel dat krachtens de reglementaire bepalingen tot vaststelling van de voorwaarden voor het toekennen van tegemoetkomingen in de werkingskosten van de door Kind en Gezin erkende kinderdagverblijven, in aanmerking komt voor subsidies kan enkel in de meest dringende minimumbehoeften voorzien.
Ofschoon onthaalmoeders doorgaans soepeler zijn zij nemen ook kinderen op met een verkoudheid of een lichte kinderziekte houdt dergelijke opname, ofschoon gemakkelijker voor de ouders, ook gevaren in. Het zieke kind kan immers de andere kinderen besmetten die onder de hoede van de onthaalmoeder staan, temeer daar niet van in het begin duidelijk is of de kwaal al dan niet ernstig of besmettelijk is.
Om deze noden te verhelpen hebben sommigen heil gezien in de kinderziekenhuizen. Diit lijkt ons om tal van redenen een slechte oplossing te zijn.
Vooreerst zullen dergelijke instellingen zeer zware meeruitgaven met zich brengen (voor bouw, uitrusting en personeel) en dit op een ogenblik dat de ziekteverzekering en de sociale zekerheid met zeer ernstige tekorten kampen.
Bovendien pleiten ook psychologische motieven tegen dergelijke kinderziekenhuizen.
Een ziek kind heeft immers meer dan ooit behoefte aan de geborgenheid van een vertrouwde omgeving, terwijl ook voor de moeder het overbrengen van haar kind naar een ziekenhuis om psychologische redenen slechts kan overwogen worden wanneer het werkelijk niet anders meer kan.
Een oplossing voor de zieke kinderen van buitenshuis werkende ouders werd ook gezocht in de diensten voor sociale zorg ten huize, veelal gegroeid uit initiatieven van gemeentebesturen en O.C.M.W.'s. Hierbij komt de gezinshelpster aan huis en zorgt voor het zieke kind en de huishouding. Ook al verdienen dergelijke initiatieven alle waardering, toch is ook dit slechts een noodoplossing. Het zieke kind blijft immers weliswaar in een vertrouwde omgeving maar het mist zijn ouders. Bereidwillige grootouders, familieleden of buren kunnen deze niet vervangen.
Uit verschillende enquêtes is gebleken dat de ouders zich van de noden van het zieke kind bewust zijn. Zij zouden meestal graag thuis blijven om hun kind zelf te verzorgen maar hierin voorziet onze huidige wetgeving niet. Het gebeurt dan ook niet zelden dat een hulpvaardige dokter de moeder in dergelijke omstandigheden ziek verklaart wat andermaal én voor de werkgever én voor de Z.I.V. nieuwe uitgaven meebrengt.
Om al deze redenen stellen wij dan ook voor dat aan de ouders van zieke kinderen verlof zonder wedde zou kunnen worden toegekend. Het wil ons voorkomen dat een dergelijke maatregel kostenbesparend is, vermits men afziet van dure kinderklinieken en meeruitgaven voor aanwerving van bijkomend personeel in de instellingen voor kinderopvang.
Op deze wijze worden de ouders in staat gesteld om zelf te zorgen voor hun zieke kinderen, zonder dat dit ten laste valt van de Z.I.V. of van de werkgever. Opdat dit systeem geen aanleiding zou geven tot misbruiken, in casu langdurig absenteïsme op het werk, wordt voorgesteld dat de afwezigheid niet langer dan een maand zou duren en negentig dagen per jaar niet zou overschrijden. Uiteraard spreekt het ook vanzelf dat de noodzaak van dergelijke afwezigheid, hetzij van vader, hetzij van moeder, moet worden bewezen door een doktersattest.
| Christiaan VANDENBROEKE. |
Artikel 1
Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Art. 2
Artikel 28 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten wordt aangevuld als volgt :
« 5º gedurende de tijd dat de werknemer afwezig is om zijn ziek kind op te passen.
Dit onbezoldigd verlof mag niet langer duren dan één maand en ten hoogste negentig afwezigheidsdagen per jaar.
De noodzaak van de aanwezigheid thuis moet worden bewezen door een doktersattest. »
| Christiaan VANDENBROEKE. Bert ANCIAUX. Jan LOONES. |
(1) Dit wetsvoorstel werd in de Senaat reeds ingediend op 14 januari 1992, onder het nummer 80-1 (B.Z. 1991-1992).