3-104 | 3-104 |
De heer Luc Willems (VLD), rapporteur. - Het wetsontwerp inzake de gerechtelijke achterstand dat werd overgezonden door de Kamer, en in de voorbije weken in de commissie voor de Justitie is behandeld, betreft drie maatregelen die de gerechtelijke achterstand moeten wegwerken.
Ten eerste vermeld ik in artikel 3 het verplichte wijzen van een eindvonnis of een tussenvonnis binnen een termijn van twee maanden inzake de procedure bedoeld in artikel 216quater van het Wetboek van Strafvordering. De kamercommissie voor de Justitie heeft de oorspronkelijke tekst geamendeerd in die zin dat als er binnen de twee maanden geen eindvonnis of tussenvonnis is, het proces-verbaal onontvankelijk wordt verklaard en de vervolgingen opnieuw worden ingesteld via de rechtstreekse dagvaarding. Verder wordt expliciet bepaald met welke termijn rekening moet worden gehouden bij verzet.
Ten tweede wordt in artikel 4 bepaald dat de alleenstaande rechter in de rechtbank van eerste aanleg, die als assessor wordt aangewezen bij het Hof Assisen, zal kunnen worden vervangen door een plaatsvervangende rechter, die de functie sedert tien jaar uitoefent, of door een plaatsvervangende magistraat die wegens zijn leeftijd op rust is gesteld. Het betreft hier een aanpassing van artikel 195 van het Gerechtelijk Wetboek. Om enigszins rekening te houden met de ervaring is toegevoegd dat de plaatsvervangende rechters ervaring in strafzaken moeten hebben opgedaan in een kamer met drie rechters.
Ten derde heeft de kamercommissie nog een artikel toegevoegd. Momenteel heeft in een beperkt aantal gevallen de rechtbank de verplichting ambtshalve de burgerlijke belangen aan te houden, zelfs bij ontstentenis van de burgerlijke partijstelling, wanneer de zaak wat die belangen betreft, niet in staat van wijzen is. Dat wordt nu uitgebreid tot alle strafzaken. Het slachtoffer krijgt de keuze: een burgerlijke vordering voor de burgerlijke, dan wel voor de strafrechtbank. Het slachtoffer zelf kan naar de burgerlijke rechtbank via een verzoekschrift; er is geen oproeping meer. Verder zal elke belanghebbende partij een tijdskalender voor de procedure kunnen vragen. Tenslotte wordt de aanwezigheid van het openbaar ministerie ter zitting als de strafrechter uitspraak doet inzake burgerlijke belangen, facultatief.
In de discussie hebben verschillende sprekers een link gelegd met de werkzaamheden in het kader van de zogenaamde wet-Franchimont. Er waren vragen over de coherentie, aangezien hier een wetsontwerp voorligt ter wijziging van het Wetboek van Strafvordering.
Er waren ook een aantal inhoudelijke opmerkingen. Zo vroegen sommigen zich af waarom wat betreft de vaststelling van de conclusietermijnen men zich niet kan beperken tot de gewone verwijzing naar de regeling in het Gerechtelijk Wetboek. Er waren ook vragen over het de facto effectief worden van de plaatsvervangende magistraten op het moment dat de hoven van assisen permanent zetelen en de plaatsvervangende rechters dus voortdurend worden ingezet. Daar wordt discriminatie gevreesd.
Een aantal opmerkingen van de experts zijn in het verslag opgenomen.
Het wetsontwerp werd aangenomen met zeven stemmen tegen twee.
Mme Clotilde Nyssens (CDH). - Mon groupe s'abstiendra sur ce projet.
Le titre est prometteur puisqu'il vise la lutte contre l'arriéré en matière pénale, mais il est également ronflant si l'on considère le contenu des trois mesures proposées.
La première, qui aménage les intérêts de la partie civile au pénal, n'a aucun rapport avec l'arriéré pénal, mais j'y souscris.
La deuxième mesure aménage la procédure accélérée et ne devrait pas changer radicalement les choses puisqu'elle ne vise qu'à prévoir un délai permettant au juge de rendre sa décision. Je ne crois pas que ce soit de nature à accélérer le procès pénal.
Enfin, nous condamnons la troisième mesure visant à faire siéger des juges suppléants à la Cour d'assises : pour nous, la Cour d'assises requiert des magistrats professionnels et non des magistrats suppléants.
De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Ik stel vast dat geen enkele minister hier aanwezig is, terwijl we toch een regeringsontwerp bespreken. In een colloquium kunnen arbitraire beslissingen genomen worden. Bij de bespreking van een ontwerp moet het senaatsreglement worden gerespecteerd. Mevrouw de voorzitter, ik dring aan op de aanwezigheid van een minister.
De voorzitter. - De minister van Justitie is al op weg naar de Senaat. In afwachting stel ik voor de vergadering te schorsen.
(De vergadering wordt geschorst om 17.10 uur. Ze wordt hervat om 17.15 uur.)
De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - We hadden vorige week vrijdag in de commissie voor de Institutionele Aangelegenheden een buitengewoon interessante gedachtewisseling met de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie, de voorzitter van de Raad van State, de procureur-generaal, de auditeur-generaal, de eerste voorzitter van het Arbitragehof... Spijtig genoeg waren de parlementsleden op een hand te tellen. Zelfs de meeste commissieleden waren afwezig, hoewel het werk dat we daar verrichten bij uitstek als het normale werk van de Senaat kan worden gezien. Het ging namelijk over wetsevaluatie.
Hoe dan ook, de discussie was interessant. We kregen weer eens te maken met wat een van de sprekers heeft genoemd des lois papillons of vlinderwetten. Het wetsontwerp tot wijziging van diverse wettelijke bepalingen met betrekking tot het strafrecht en de strafrechtspleging, ten einde de gerechtelijke achterstand weg te werken, heeft een titel die helemaal niet onderbouwd wordt door de artikelen die het ontwerp bevat. De paarse regering gebruikt alweer, zoals ze al jaren doet, de tovenaarsmantel: ze gooit over alles wat ze voorstelt een benaming die totaal niet met de inhoud overeenstemt.
Wat ligt hier voor? Laat ik het even hebben over artikel 2. Het lijkt wel een roman van Balzac.
M. Philippe Moureaux (PS). - Intéressante littérature !
M. Hugo Vandenberghe (CD&V). - En effet. Balzac était beaucoup plus expansif que l'article 2. Le texte a l'ambition d'être balzacien, mais cela s'arrête là.
M. Philippe Moureaux (PS). - Vous me rassurez. Ce serait bien la première fois qu'un texte de loi serait littéraire.
De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Zeven alinea's zijn nodig om een procedure te regelen voor het geval dat er een strafvonnis is maar nog geen uitspraak over de burgerlijke kant van de zaak. De procedure had nochtans kunnen worden geregeld met één verwijzing naar één zin van het Burgerlijk Wetboek inzake de regeling van de rechtsplegingstermijnen. Zeven alinea's dat is gewoon slechte wetgevende techniek.
Naast die vormopmerking heb ik ook inhoudelijke bezwaren. Twee arresten van het Europees Hof te Straatsburg zeggen dat eens een strafrechtbank een betrokkene heeft vrijgesproken, er niet meer kan worden geoordeeld over de burgerlijke belangen die voortvloeien uit het dossier. Dat zou strijdig zijn met het vermoeden van onschuld. Als ik dat argument inroep, krijg ik geen antwoord en doet men alsof die rechtspraak van het Europees Hof niet bestaat. Met andere woorden een van de grote punten van betwisting is niet geregeld. Wat als iemand strafrechtelijk onschuldig wordt bevonden maar schuldig kan lijken in burgerrechtelijk opzicht?
Wat artikel 3 betreft, verwijs ik heel even naar het debat over het snelrecht dat we in 2000 hebben gevoerd. Kunnen we het snelrecht een succes noemen? Ik denk van niet.
(Protest van mevrouw Durant)
J'ai voté contre, madame Durant. Vous étiez solidaire de ce gouvernement. Je me souviens vous avoir solennellement demandé si vous étiez d'accord avec le snelrecht.
M. Philippe Moureaux (PS). - Vous n'êtes pas chevaleresque, monsieur Vandenberghe.
De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Uiteindelijk was de regering ook tot het inzicht gekomen dat het snelrecht niet werkt en daarom ook niet kon worden toegepast. Kortom het was alleen vlagvertoon.
Met dit ontwerp voert de regering opnieuw een vorm van snelrecht in. Voor heel eenvoudige zaken is dat niet noodzakelijk verwerpelijk. Spijtig genoeg deugt de technische onderbouw van artikel 3 daarvoor niet.
Artikel 4 is een van de inhoudelijk hoogtepunten van het ontwerp. In artikel 4 staat dat de werkende rechters die zitting hebben in een rechtbank van eerste aanleg, maar moeten zetelen in de hoven van assisen, kunnen worden vervangen door plaatsvervangende rechters die niet moeten geslaagd zijn voor het bekwaamheidsexamen van rechter. En dat voor strafzaken waarvan de vonnissen veel verder reiken dan in burgerlijke zaken!
De trend van de voorbije tien jaar om de toegang tot de magistratuur te koppelen aan het bekwaamheidsexamen wordt met artikel 4 ondermijnd. Dat is negatief voor de rechtsbescherming van de burger.
Om al die redenen zal CD&V tegen het ontwerp stemmen.
De heer Luc Willems (VLD). - Het wetsontwerp dat de Kamer ons toestuurde, bevat enkele concrete maatregelen om de gerechtelijke achterstand weg te werken. In de commissie voor de Justitie van de Senaat wordt ook hard gewerkt aan de wijziging van het Wetboek van Strafvordering, de zogenaamde `Grote Franchimont'. De minister heeft zich geëngageerd om daar in de volgende maanden actief aan mee te werken, zodat we de wijzigingen in de maand juli al kunnen goedkeuren.
Enkele voorgestelde maatregelen van het wetsontwerp zijn zeer positief. Ik denk bijvoorbeeld aan het voorstel om een vaste datum vast te leggen voor de vonnissen in de snelrechtprocedure en aan het inschakelen van plaatsvervangende rechters in rechtbanken waar er tijdelijke tekorten zijn omdat magistraten worden ingeschakeld in het hof van assisen. Het gevaar bestaat echter dat die tijdelijke situatie een permanent karakter krijgt en dat de plaatsvervangende magistraten daar niet meer weggaan.
Wij keuren het wetsontwerp goed, maar hopen ook dat we de wijziging van de wet-Franchimont spoedig tot een goed einde zullen kunnen brengen.
-De algemene bespreking is gesloten.