2-89

2-89

Belgische Senaat

Parlementaire handelingen

DONDERDAG 18 JANUARI 2001 - NAMIDDAGVERGADERING

(Vervolg)

In memoriam de heer Paul Vanden Boeynants, minister van Staat

De voorzitter (voor de staande vergadering). - Geachte Collega's, een van de markantste figuren van de naoorlogse Belgische politiek heeft ons verlaten: de heer Paul Vanden Boeynants is overleden.

Geboren te Vorst op 22 mei 1919, speelde hij een halve eeuw lang een zeer opvallende rol in het politieke leven van het land en van de hoofdstad.

Zijn grootvader was ploegbaas in het arsenaal van Mechelen. Zijn vader was slager.

Nadat deze laatste zich in het begin van de eeuw in Brussel heeft gevestigd, wordt hij op beroepsvlak snel succesvol en laat hij zijn zoon onderwijs volgen bij de paters jezuïeten van het "Collège Saint-Michel".

De jonge Paul geeft echter meteen blijk van zijn voorliefde voor actie en zijn ouders krijgen de raad om hem in de zakenwereld binnen te brengen. Hij begint dus met een opleiding in het slagersvak, eerst bij zijn vader en vervolgens aan de slagersschool van Antwerpen. Later vervolmaakt hij zich door stages te volgen in Luik, Amsterdam en Leuven.

Op zijn zestiende sluit hij zich aan bij Union Saint-Gilloise, waarvan hij zijn verdere leven een vurig supporter zal blijven. Door zijn passie voor voetbal, zijn fysieke aanleg en zijn speltechniek is hij een van de jonge beloftes van het stadion. Een verwonding aan de knie ontneemt hem echter alle kansen op een voetbalcarrière.

De oorlog maakt een einde aan zijn jeugd. Na te hebben deelgenomen aan de achttiendaagse veldtocht wordt hij gevangengenomen en naar een kamp in Oost-Pruisen gestuurd.

Na zijn vrijlating in 1941 huwt hij met de zus van Gaston Deurinck, die de gangmaker zal zijn van de "Belgische Dienst opvoering productiviteit" en van de Stichting Industrie-Universiteit. Uit het huwelijk worden twee dochters en een zoon geboren.

Paul Vanden Boeynants helpt de zaak van zijn vader uitbouwen. Dankzij zijn inspanningen wordt het familiebedrijf in de loop der jaren een naamloze vennootschap, die tot 250 werknemers telt. Sinds de bevrijding is hij voorzitter van het Brusselse Verbond van beenhouwers, dat hij tot op de laatste dag trouw zal blijven.

Nog voor zijn dertigste verjaardag kan hij een zekere invloed laten gelden in middenstandskringen en bekleedt hij de functie van secretaris-generaal van het Verbond van Ambachten en Neringen.

Zijn sociale en zijn beroepsactiviteiten duwen hem bijna onweerstaanbaar in de richting van de politiek. Op advies van vrienden, onder wie enkele journalisten, gaat hij inderdaad actief aan politiek doen en treedt hij toe tot de Parti Social Chrétien, waar zijn kwaliteiten als organisator en redenaar onmiddellijk de aandacht trekken.

In 1949 richt hij samen met Jo Gérard een comité op voor het herstel van de PSC. Hij is een realist, een pragmaticus en onvermoeibaar in het werven van leden voor zijn partij, en zo wordt hij, ondanks zijn negende plaats op de lijst bij de Kamerverkiezingen van 1949 volksvertegenwoordiger voor Brussel, een mandaat dat hij tot 1985 zou behouden.

Op zijn dertigste begint hij dus aan een schitterende politieke carrière, waarin hij de steun van de beroepsverenigingen, zijn onmiskenbare persoonlijke capaciteiten en zijn talent voor rechtstreekse en overtuigende oproepen tot de kiezer uitstekend weet uit te spelen.

In de Kamer van volksvertegenwoordigers wordt hij lid van de commissie voor Economische Zaken en Middenstand, en daarna, vanaf 1950 van de commissie voor Financiën.

Vanaf dan pleit hij voor de oprichting van een Ministerie van Middenstand, waarvan de portefeuille acht jaar later uiteraard naar hemzelf gaat.

Zijn hele loopbaan lang verdedigt hij met vuur de belangen van de sociale klasse waarvan hij de natuurlijke vertegenwoordiger is en die in zijn ogen een sterke actieve bevolkingsgroep is, die zorgt voor rijkdom en welvaart.

De bespreking in 1950 van het wetsontwerp dat een einde maakt aan de "Koningskwestie", geeft hem de gelegenheid om zijn oprechte en diepe verknochtheid aan de monarchie en aan de persoon van Koning Leopold III te tonen.

Zijn dadendrang komt uiteraard niet alleen tot uiting in het Parlement. In 1953 wordt hij gemeenteraadslid en schepen van Handel in de stad Brussel.

Het jaar daarna wordt hij bestuurder van de Wereldtentoonstelling, waarbij hij vooral belast is met de technische en commerciële problemen die de organisatie van dit buitengewone evenement met zich meebrengt. Zoals hij zelf zegt, was deze ervaring voor hem een fantastische les.

Veel later wordt de Heizelvlakte opnieuw lange tijd het werkterrein van de onstuimige Brusselaar, wanneer hij voorzitter wordt van de Internationale Jaarbeurs van Brussel en van het Tentoonstellingspark.

In het België van na de Wereldtentoonstelling, een land in volle economische ontwikkeling, kan Paul Vanden Boeynants overal en altijd zijn buitengewone talenten ontplooien als manager, in wiens persoon het noodzakelijke onderscheid tussen de politiek en het zakenmilieu geleidelijk zal vervagen omdat hij vindt dat die twee elkaar kunnen steunen.

Na zijn persoonlijke succes bij de verkiezingen van 1958, wordt hij, die dan al bekend is onder de initialen van zijn familienaam, Minister van Middenstand in de regering van Gaston Eyskens. In die functie zorgt hij voor de goedkeuring van maatregelen ten gunste van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen, zoals de verplichte wekelijkse rustdag, een hervorming waarop hij steeds terecht trots is gebleven.

Deze dynamische ondernemer introduceert in politieke kringen een nieuwe stijl, ingevoerd uit de Verenigde Staten, een land dat hem grenzeloos fascineert en waar hij de communicatietechnieken en de verkiezingscampagnes grondig heeft bestudeerd.

Zoals generaal De Gaulle in Frankrijk, is hij in België waarschijnlijk de eerste politicus die beseft hoe belangrijk de televisie is voor het politieke bedrijf.

Na de verkiezingen van 1961 wordt Paul Vanden Boeynants voorzitter van de PSC-CVP.

Door zijn unitaire kijk op België zal hij in 1962 een nieuw en voor hem noodzakelijk "Pact der Belgen" verdedigen. Als grote voorstander van de verzoening wordt hij pleitbezorger van de autonomie van onze gemeenschappen in combinatie met een sterk centraal gezag. In 1963 en 1964 werkt hij overigens mee aan de voorbereiding van de grondwetsherziening door de regering Lefèvre-Spaak.

In maart 1966 bereikt Paul Vanden Boeynants de top van zijn politieke loopbaan en wordt hij Eerste Minister van België. Zijn regering die al gauw de regering Vanden Boeynants-De Clercq wordt genoemd, is zeer populair.

Van bij het begin maakt hij duidelijk dat het zijn ambitie is goed te besturen en bij voorrang de economische en financiële problemen aan te pakken, waarbij de communautaire problemen van de agenda worden afgevoerd.

Die strategie blijkt rampzalig, want al heel snel komt het probleem van de splitsing van de Leuvense universiteit scherp op de voorgrond. Dit Belgische trauma veroorzaakt in 1968 de val van zijn regering. Die mislukking kwetst hem diep. Op het einde van zijn leven zal hij nog verklaren dat hij nooit begrepen heeft waarom de christenen de grootste katholieke universiteit ter wereld hebben willen afbreken, alleen maar omdat sommigen Nederlands spraken en anderen Frans. Het gedwongen vertrek van de Franstalige professoren en studenten uit Leuven brengt België op communautair en institutioneel gebied in een stroomversnelling.

De partij van de zeer unitaristisch denkende Paul Vanden Boeynants is de eerste die in twee onafhankelijke taalvleugels wordt opgesplitst. Maar zoals alle grote politici weet Paul Vanden Boeynants zijn mislukking om te zetten in een verkiezingsoverwinning. Bij de parlementsverkiezingen van 1968 krijgt hij een overweldigend aantal stemmen op zijn naam.

Paul Vanden Boeynants keert dan terug naar zijn eerste liefde. Hij wordt opnieuw schepen van Handel en Openbare Werken van de stad Brussel en wordt door de Koning benoemd tot Minister van Staat.

Na een korte tocht door de woestijn, tijdens welke hij zich bezig houdt met zijn geboortestad, wordt hij drie jaar later minister van Landsverdediging. Die functie zal hij meer dan zeven jaar uitoefenen en in die periode werkt hij aan zijn plan tot hervorming en modernisering van het leger, dat vooral gekenmerkt wordt door een grondige vernieuwing van het materieel.

In de periode 1967 tot 1979 is deze gewiekste onderhandelaar, deze onvermoeibare vechter, ook nog informateur, vier keer formateur, minister van Brusselse Aangelegenheden, twee keer Vice-Eerste minister en een tweede maal Eerste Minister.

In oktober 1979 wordt hij een tweede keer verkozen tot voorzitter van de PSC, een ambt waaruit hij evenwel in 1981 ontslag neemt.

Paul Vanden Boeynants verlaat de Kamer van volksvertegen-woordigers in 1985 na een lange loopbaan van zesendertig jaar. "Het Parlement was mijn thuis geworden" vertrouwde hij een journalist toe.

Ook al had hij zich uit het openbare leven teruggetrokken, hij liet zijn interesse voor de politieke wereld niet varen, aangezien hij de leiding nam van het zeer vermaarde "hebdo satirique du jeudi".

Paul Vanden Boeynants had de gave mensen te leiden. Zijn politieke visie was uitgesproken modernistisch. Zijn fascinatie voor Amerika gaf in de Brusselse stadsplanning nochtans niet altijd de meest geslaagde resultaten.

Hij leefde in een jachtig tempo, maar streefde altijd naar een evenwicht tussen lichaam en geest. Zo deed hij elke dag gymnastiek, vaak in het gezelschap van zijn vriend Henri Simonet, in een sportzaal op het Vossenplein in de Marollen of speelde hij tennis met Jules Everaert, een van zijn trouwe medewerkers, die militair bevelhebber werd van het Paleis der Natie.

Onverzettelijk was hij, zoals blijkt uit zijn houding tijdens de onwaarschijnlijke ontvoering waarvan hij in 1989 het slachtoffer was.

Paul Vanden Boeynants hield van Brussel en had wellicht graag zijn ambt van eerste minister gegeven om burgemeester van zijn Hoofdstad te worden.

Maar hij hield op de eerste plaats van België. Had hij immers niet dezelfde eigenschappen als zijn landgenoten? Liefde voor het vak en voor de arbeid, verenigingsgeest, gezond verstand, gehechtheid aan zijn wortels. Het hoeft geen verbazing te wekken dat de Belgen zich in Paul Vanden Boeynants konden herkennen door de zo sappige tweetaligheid waarin hij zich op zijn gemak voelde met al zijn landgenoten.

Een bladzijde van onze nationale geschiedenis is thans omgeslagen. Wij zullen van Paul Vanden Boeynants de herinnering bewaren aan een toegewijde vertegenwoordiger van de middenstand en aan een edelmoedige, pragmatische, efficiënte eerste minister die dicht bij de mensen stond. Hij was er trots op Belg te zijn.

Namens de Senaat en in mijn persoonlijke naam wens ik zijn familie en verwanten onze oprechte deelneming te betuigen.

De heer Guy Verhofstadt, eerste minister. - In naam van de regering sluit ik me aan bij de blijken van medeleven ter nagedachtenis van gewezen eerste minister en minister van Staat de heer Paul Vanden Boeynants.

A bien des égards, Paul Vanden Boeynants a joué un rôle majeur dans la politique belge. C'était un homme politique exceptionnel, en tant que premier ministre de 1966 à 1968 et en 1978, en tant que ministre de la Défense nationale, ministre des Classes moyennes, échevin de Bruxelles et ministre des Affaires bruxelloises. Il fut également député et président de son parti alors encore unitaire CVP-PSC, puis du PSC. Il a marqué de son empreinte la Belgique politique durant le troisième quart du vingtième siècle. Au nom du gouvernement, j'ai transmis mes condoléances à la famille.

(De vergadering neemt een minuut stilte in acht.)