Vragen en Antwoorden

Belgische Senaat


Bulletin 2-52

ZITTING 2001-2002

Vragen van de Senatoren en antwoorden van de Ministers

(N.): Vraag gesteld in 't Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in 't Frans


Minister van Telecommunicatie en Overheidsbedrijven en Participaties belast met Middenstand (Telecommunicatie)

Vraag nr. 1953 van de heer Van Quickenborne d.d. 8 maart 2002 (N.) :
Elektronische certificatie ­ Vrije markt ­ Uitvoeringsbesluiten.

De Belgian Post Group e-services, een filiaal van de Belgian Post Group, start met het proefproject « Postbox » in drie gemeenten. De dienst garandeert beveiligde en geļdentificeerde e-mail.

De Postbox is vergelijkbaar met diensten als Yahoo of Hotmail, maar garandeert de identiteit van de afzender. Iedere burger en elk bedrijf kan gratis zo'n e-mailadres aanvragen, maar moet zich persoonlijk melden bij een « geaccrediteerde registratie-instantie ».

Ondanks de snelle ontwikkeling van de communicatiemiddelen wordt e-mail zelden gebruikt voor administratieve post. Oorzaak is het gebrek aan identificatie en veiligheid. Postbox garandeert een persoonlijke brievenbus voor het leven, de identiteit van de correspondent, de integriteit van de boodschap, de datum en het uur.

De Belgian Post Group neemt een aanzienlijke voorsprong op de concurrentie in gecertificeerde elektronische zendingen. De Belgian Post Group heeft deze voorsprong echter niet te danken aan haar technologische voorsprong doch veeleer aan het wettelijk kader.

Zo is er de wet op de overheidsbedrijven uit 1991 die aan De Post een alleenrecht toekent op elektronische aangetekende zendingen in een administratieve en gerechtelijke context. Hierdoor wordt een monopolie ingesteld dat De Post toelaat om een aanzienlijke voorsprong uit te bouwen op de concurrentie.

Een tweede wettelijke belemmering die de monopoliepositie bestendigt is het uitblijven van de uitvoeringsbesluiten van de wet op de certificatiediensten van 9 juli 2001. Die wet vormt het echte kader voor het organiseren van veilige elektronische transacties in Belgiė.

Het Belpic-project voor de elektronische identiteitskaart, dat elke inwoner een digitale handtekening zou bezorgen zou de markt kunnen opentrekken, doch ook hier dient men eerst de wet te wijzigen.

In dit kader had ik dan ook graag de volgende vragen gesteld aan de geachte minister :

1. Is hij bereid de nodige wetswijzigingen door te voeren in de wet op de overheidsbedrijven om het monopolie inzake de elektronische aangetekende zendingen in administratieve en gerechtelijke context op te heffen, gezien dit de vrije marktwerking ondermijnt en gezien de schade die dit toebrengt aan de sector ? Zo ja, kan hij dan aangeven binnen welke termijn hij deze wijziging zal doorvoeren, daar elk uitstel in dit dossier de dominante positie van de Belgian Post Group bestendigt ? Zo neen, kan hij dit dan uitvoerig toelichten en aangeven op welke andere wijze hij de markt van de elektronische certificatie gaat openstellen ?

2. Denkt hij niet dat de huidige regelgeving die een monopolie toekent aan de Belgian Post Group strijdig is met de Europese regelgeving en kan hij tevens uitvoerig aangeven of hij niet vreest dat deze regeling zal leiden tot een veroordeling door de Europese Commissie ?

3. Kan hij aangeven binnen welke termijn de uitvoeringsbesluiten van de wet op de certificatiediensten zullen worden ingesteld ?

Antwoord : 1. In antwoord op de eerste vraag van het geachte lid, zal ik verwijzen naar de inlichtingen die op 27 februari 2002 aan de Europese Commissie werden gegeven in naam van Belgiė.

Ter herinnering, door de goedkeuring van de koninklijk besluit van 9 juni 1999 tot omzetting van de verplichtingen die voortvloeien uit de kracht zijnde richtlijn 97/67/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 1997 betreffende gemeenschappelijke regels voor de ontwikkeling van de interne markt voor postdiensten in de Gemeenschap en de verbetering van de kwaliteit van de dienst, heeft de Belgische regering geoordeeld dat de essentiėle redenen en de vereisten van publieke orde die het postmonopolie uitbreiden met elektronische aangetekende zendingen in het kader van administratieve of gerechtelijke procedures identiek zijn aan degene die de diensteverlening van de klassieke aangetekende zendingen voorbehouden aan De Post rechtvaardigen.

Net deze rechtvaardiging wordt door de Europese Commissie betwist. Ze is van oordeel dat, « aangezien aangetekende elektronische post een dienst is waarvan de kenmerken wezenlijk verschillen van aangetekende briefpost, moet een afdoende rechtvaardiging van de betrokken maatregel specifiek aangeven naar welke vereisten van openbare orde wordt verwezen alsook welke de specifieke redenen zijn waarom die vereisten tevens toepasselijk zijn op een dienst zoals aangetekende elektronische post die geen postdienst is ».

De Europese Commissie verwerpt de redenering in het verslag aan de Koning aangaande het bovengenoemde koninklijk besluit van 9 juni 1999 dat de basis vormt van het voorbehoud van diensten. Volgens dit verslag « (i) is De Post aangewezen als enige operator voor vele gebruiksmogelijkheden van aangetekende zendigen zodat mogelijkerwijs juridische en administratieve complicaties kunnen ontstaan wanneer een andere operator wordt toegestaan die diensten te verstrekken, en (ii) beschikt De Post over een specifieke ervaring met deze activiteit hetgeen garandeert dat zij de dienst op de best mogelijke wijze zal verrichten ».

De Europese Commissie voegt eraan toe dat de « instrumenten die door de operatoren worden gebruikt om de veiligheid, de betrouwvaarheid en de vertouwelijkheid van elektronische berichten te garanderen compleet verschillen van die welke worden gebruikt voor aangetekende zendingen. De grotere ervaring van De Post als operator van de aangetekende briefpostdienst betekent helemaal niet dat De Post beter geplaatst zou zijn dan andere operatoren om de veiligheid, de betrouwbaarheid en de vertrouwelijkheid van de aangetekende elektronische post in gerechtelijke en administratieve procedures te garanderen. De Post was zelfs niet actief op de markt van de aangetekende elektronische post toen het koninklijk besluit werd aangenomen in 1999. Zij is dit nog steeds niet, terwijl andere operatoren (inzonderheid Hypertrust) die diensten reeds verstrekken buiten de gerechtelijke en administratieve procedures en klaar staan om die diensten in die nieuwe context te verstrekken zodra de wet (van 20 oktober 2000 tot invoering van het gebruik van telecommunicatiemiddelen en van de elektronische handtekening in de gerechtelijke en de buitengerechtelijke procedure) in werking zal treden ».

Uit deze vaststellingen heb ik afgeleid dat, om de uitbreiding met de elektronische aangetekende zendingen van het postmonopolie van De Post te kunnen rechtvaardigen, er moest aangetoond worden dat deze postonderneming over de een grotere ervaring ter zake beschikt dan de andere operatoren die deze diensten reeds aanbieden. Aangezien De Post enkel op het punt staat zulke diensten te lanceren, kan dit bewijs niet aangebracht worden.

Gegeven dat er geen andere elementen van rechtvaardiging kunnen aangevoerd worden dan degene die uiteengezet werden in de brief van 17 juli 2001, elementen die door de Europese Commissie onaanvaardbaar geacht werden, ben ik van plan uit artikel 144octies, § 2, van de wet van 21 maart 1991 tot hervorming van bepaalde economische overheidsondernemingen volgende woorden te schrappen : « en dat ongeacht de drager ervan ». Indien dergelijke wijziging door de Europese Commissie als voldoende beschouwd wordt, zal ik onmiddellijk het initiatief nemen om een voorontwerp van wet in die zin in te dienen. De gehele wetgevende procedure kan nog maanden in beslag nemen vooraleer een dergelijke wetswijziging uiteindelijk aanvaard wordt.

2. In antwoord op de derde vraag, verwijs ik naar de wet van 9 juli 2001 houdende vaststelling van bepaalde regels in verband met het juridisch kader voor de elektronische handtekeningen en certificatiediensten, die aan het ministerie van Economische Zaken de taken toevertrouwt inzake de accreditering en controle van de verleners van certificatiediensten. Uw vraag is derhalve naar het ministerie van Economie doorgestuurd.