Tweetalige printerversie Eentalige printerversie

Schriftelijke vraag nr. 6-441

van Jean-Jacques De Gucht (Open Vld) d.d. 13 februari 2015

aan de minister van Justitie

Persoonsgegevens verwerkt door de inlichtingendiensten - Archiefwet - Bewaartermijn

archief
staatsveiligheid
geheime dienst
persoonlijke gegevens

Chronologie

13/2/2015 Verzending vraag (Einde van de antwoordtermijn: 19/3/2015 )
19/6/2015 Rappel
23/6/2015 Antwoord

Vraag nr. 6-441 d.d. 13 februari 2015 : (Vraag gesteld in het Nederlands)

Ik verwijs naar het jaarverslag van het Vast Comité I van 2013. Betreffende de bewaarplicht lees ik het volgende: "Artikel 21 W.I&V bepaalt dat persoonsgegevens verwerkt door inlichtingendiensten slechts mogen bewaard worden 'voor een duur die niet langer mag zijn dan die welke noodzakelijk is om de doeleinden waarvoor ze opgeslagen worden, met uitzondering van de gegevens die een door het Rijksarchief erkend historisch karakter hebben' en dat ze pas mogen worden 'vernietigd na een zekere termijn volgende op de laatste verwerking waarvan zij het voorwerp zijn geweest'." De bewaartermijnen en de procedure met betrekking tot hun vernietiging dienen - reeds sinds de wet van 30 november 1998! - te worden bepaald bij koninklijk besluit, na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. In 2012 stelde de minister van Justitie een ontwerpbesluit op dat aan het advies van de privacycommissie werd onderworpen. Het advies werd bekendgemaakt op 20 februari 2013. Sindsdien ontving het Comité geen nieuws over het ontwerpbesluit.

Het vastleggen van de bewaartermijn van persoonsgegevens, de voorwaarden en de termijn waarna de gegevens ter beschikking staan voor historisch onderzoek en de wijze waarop deze vernietigd worden, moeten dringend wettelijk verankerd worden.

Privacy en de bescherming ervan is een transversale aangelegenheid. Een totaalbeleid vereist acties van alle overheden op diverse beleidsdomeinen. Het historisch onderzoek van onderwijsinstellingen is gebaat met een duidelijke wettelijke regeling van de bewaarplicht. De onderzoekshandelingen van de hogescholen en de universiteiten die historisch onderzoek doen naar belangrijke en/of bepaalde periodes van de recente politieke geschiedenis van België zijn reeds lang vragende partij voor een wettelijke regeling. Deze onderzoeksinstellingen, die exclusief afhangen van de Gemeenschappen, kunnen diverse concrete periodes van de recente geschiedenis van ons land niet onderzoeken doordat de meest relevante documenten nog in het archief van de Staatsveiligheid zitten en er omtrent het desbetreffende historisch onderzoek nog niets geregeld is.

Graag had ik u dan ook volgende vragen voorgelegd:

1) Welke richtsnoeren zult u hanteren voor de bewaarplicht van documenten van de Staatsveiligheid, hierbij inbegrepen de persoonsgegevens en de daaraan gekoppelde dossiers? Kunt u de inhoud en de termijnen toelichten? Vanaf wanneer zijn de documenten van de Staatsveiligheid en de Algemene Dienst inlichting en veiligheid van de Krijgsmacht toegankelijk voor historisch onderzoek? Welke documenten moeten worden bewaard en waar?

2) Wat is de stand van zaken van het ontwerpbesluit inzake de bewaarplicht en de desgevallende vernietiging van deze documenten? Wanneer zult u het wetsontwerp voorleggen en welke hindernissen moeten nog worden genomen?

3) Hebt u hieromtrent reeds overleg gepland of heeft er al overleg plaatsgevonden met de onderzoeksinstellingen van ons land? Zo ja, kunt u de inhoud en timing toelichten? Zo neen, waarom niet? Kunt u dit uitvoerig toelichten?

Antwoord ontvangen op 23 juni 2015 :

1) en 2) Er moet een onderscheid gemaakt worden tussen documenten van de Veiligheid van de Staat opgesteld in het kader van de uitoefening van haar inlichtingenwerk en documenten opgesteld naar aanleiding van veiligheidsonderzoeken.

Inzake de dossiers over veiligheidsonderzoeken bestaat reeds een wettelijke verplichting om deze te vernietigen, wanneer ze niet langer enig nut hebben.

Voor wat het inlichtingenwerk betreft, is het voor de Veiligheid van Staat een gangbare praktijk om een beroep te doen op dossiers die ouder dan dertig jaar zijn, in het bijzonder wanneer het gaat over materies die aan contraspionage, bescherming van het economisch en wetenschappelijk potentieel, extremisme en religieus fundamentalisme raken.

Daartoe is de bewaring en bescherming van de archieven in kwestie gedurende een voldoende lange periode noodzakelijk, om op die manier de Veiligheid van de Staat toe te laten aan haar nationale en internationale verplichtingen te voldoen.

Het ontwerp van koninklijk besluit tot uitvoering van artikel 21 van de organieke wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten werd voor advies overgemaakt aan de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de Raad van State. De gemaakte opmerkingen worden onderzocht in overleg met Defensie, aangezien de organieke wet van 30 november 1998 ook van toepassing is op de algemene dienst Inlichtingen en Veiligheid van het ministerie van Defensie.

Logischerwijze zal de instelling van een reglementair kader voor de bewaring en vernietiging van de door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten verwerkte persoonsgegevens zich dienen in te schakelen in de door het regeerakkoord voorziene evaluatie van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (meer in het bijzonder, in het luik archieven van of afkomstig van inlichtingen- en veiligheidsdiensten).

3) De archieven van de Veiligheid van de Staat van de jaren 1830 tot 1910 werden reeds overgedragen aan het Algemeen Rijksarchief. De dossiers met betrekking tot de Tweede Wereldoorlog werden vanaf 1990 afgegeven aan het Studie- en Documentatiecentrum Oorlog en Hedendaagse Maatschappij. Op dat vlak loopt de Veiligheid van de Staat voor op de equivalente diensten op Europees niveau.

Voor de periode van 1948 tot heden werd het aan onderzoekers toegelaten om opzoekingen te doen in specifieke dossiers, op voorwaarde dat dit de goede uitvoering van de opdrachten van de Veiligheid van de Staat niet in gevaar zou brengen.