Tweetalige printerversie Eentalige printerversie

Schriftelijke vraag nr. 6-1818

van Martine Taelman (Open Vld) d.d. 30 maart 2018

aan de staatssecretaris voor Armoedebestrijding, Gelijke Kansen, Personen met een beperking, en Wetenschapsbeleid, belast met Grote Steden, toegevoegd aan de Minister van Financiën

Antisemitisme - Beleid - Cijfers - Tendensen - Nationale coördinator bestrijding antisemitisme

antisemitisme
officiële statistiek

Chronologie

30/3/2018 Verzending vraag (Einde van de antwoordtermijn: 4/5/2018 )
9/12/2018 Dossier gesloten

Ook gesteld aan : schriftelijke vraag 6-1816
Ook gesteld aan : schriftelijke vraag 6-1817

Vraag nr. 6-1818 d.d. 30 maart 2018 : (Vraag gesteld in het Nederlands)

Frankrijk werd onlangs opgeschrikt door een zoveelste bijzonder zware daad van antisemitisme. Mevrouw Mireille Knoll werd op 23 maart 2018 vermoord met een mes door twee personen, waarbij haar dertien messteken werden toegediend en ze vervolgens in brand werd gestoken. Zij overleefde als klein meisje de grote razzia van « Vel d'hiv » en trouwde met een overlevende van de Shoah. In Frankrijk neemt het aantal aanvallen op joden jaar na jaar toe. In 2017 waren er 97 gevallen van geweld met antisemitisch karakter. In 2016 vonden er 77 geweldsdelicten met antisemitisch karakter plaats.

In 2016 ontving Unia maar liefst 109 meldingen van antisemitische feiten, wat een verdubbeling inhield ten opzichte van 2015.

Gezien in veel van onze buurlanden sprake is van een toename van het aantal geweldsdelicten met antisemitisch karakter meen ik dat het belangrijk is dat we dit ook in ons land in kaart brengen. Ik weet dat Justitie meedeelt geen gedetailleerde cijfers te kunnen geven van misdrijven met een antisemitisch karakter en dit gezien de gevoelige aard van bepaalde gegevens die een inbreuk vormen op de persoonlijke levenssfeer, maar meten is weten. In het kader van de handhaving en ook de preventie is het belangrijk om over effectieve cijfers te beschikken. Dit kan perfect binnen de grenzen van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Ik wijs tevens op mijn nog steeds niet beantwoorde schriftelijke vragen betreffende de werkdefinitie die wordt toegepast bij Justitie en politie bij het in kaart brengen en het vervolgen van antisemitisme (schriftelijke vragen nrs. 6-1522, 6-1523 en 6-1524).

Deze vraag betreft een transversale aangelegenheid met de Gemeenschappen en de Gewesten. Het Centrum voor racismebestrijding werd immers in 2014 « geïnterfederaliseerd ». Het werd daarbij bevoegd voor gewest- en gemeenschapsmateries. Om hun taak te kunnen volbrengen, moeten zij over alle indicatoren betreffende racisme beschikken. De strijd tegen antisemitisme is hierbij een kerntaak, maar zonder cijfers vliegt men blind. Ook biedt samenwerking veel kansen om dit efficiënt aan te pakken en dit zowel wat preventie als wat handhaving betreft .

Ik had u graag volgende vragen voorgelegd :

1) Bent u het met me eens dat delicten met antisemitisch karakter duidelijk in kaart moeten worden gebracht ? Zo neen, waarom niet ? Kunt u dit toelichten en meedelen hoe u waar nodig uw beleid kan bijsturen wat betreft antisemitisme ? Zo ja, kunt u concreet de inhoud en de cijfers toelichten ?

2) Kunt u meedelen hoe u vanuit de handhaving het aantal misdrijven met antisemitisch karakter in kaart brengt en opvolgt en dit teneinde betrouwbare cijfers te verkrijgen om tendensen af te leiden, en een sterk preventie- en handhavingsbeleid te voeren ? Kunt u dit zeer gedetailleerd toelichten en de tendensen weergeven ?

3) Kunt u meedelen of er vanuit de informatie waarover u beschikt, effectief ook in ons land en / of in bepaalde steden sprake is van een toename van het aantal delicten met een antisemitisch karakter ? Kunt u dit concreet toelichten en meedelen waar de meeste delicten plaatsvinden ?

4) Bent u bereid een nationale « coördinator bestrijding antisemitisme » te benoemen ? Zo neen, waarom niet ? Zo ja, kunt u concreet de timing, de taken en de voorziene middelen toelichten ?

5) Kunt u meedelen welke concrete maatregelen u hebt getroffen betreffende het opsporings- en vervolgingsbeleid inzake delicten met een antisemitisch karakter ? Hoe vertaalt dit zich in het aantal veroordelingen ?