Tweetalige printerversie Eentalige printerversie

Schriftelijke vraag nr. 6-1063

van Christie Morreale (PS) d.d. 14 oktober 2016

aan de minister van Middenstand, Zelfstandigen, KMO's, Landbouw en Maatschappelijke Integratie

Federaal erkenningscomité voor gewasbeschermingsmiddelen - Samenstelling - Deskundigheid - Erkenningsmethoden

fytosanitair product
verdelgingsmiddel
milieubescherming
farmaceutische industrie
verkoopvergunning

Chronologie

14/10/2016 Verzending vraag (Einde van de antwoordtermijn: 17/11/2016 )
14/11/2016 Antwoord

Vraag nr. 6-1063 d.d. 14 oktober 2016 : (Vraag gesteld in het Frans)

In september 2015 verleende de Conseil supérieur wallon de la Conservation de la Nature (CSWCN) een advies over een voorontwerp van Waals decreet houdende wijziging van het decreet van 10 juli 2013 tot vaststelling van een kader ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van pesticiden en tot wijziging van Boek I van het Milieuwetboek, Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt, de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen en het decreet van 12 juli 2001 betreffende de beroepsopleiding in de landbouw. In dat advies werd gesteld dat het Comité dat op het federale niveau belast is met de erkenning van gewasbeschermingsmiddelen momenteel niet over voldoende deskundigheid beschikt, gelet op de verschillende vormen van impact op het milieu en de biodiversiteit van pesticiden.

Deze vragen vallen binnen de bevoegdheid van de Senaat omdat ze gaan over een federale aangelegenheid die van invloed is op de bevoegdheden van de deelgebieden met betrekking tot landbouw, volksgezondheid, milieu, welzijn, ...

We weten dat als het over de toelating van pesticiden gaat, Europa de opdracht heeft om de actieve stoffen te erkennen en de federale staat bevoegd is om de producten te erkennen. Het Erkenningscomité van gewasbeschermingsmiddelen hangt af van de FOD Volksgezondheid en moet advies uitbrengen over de commerciële producten die actieve stoffen bevatten die op Europees niveau zijn toegelaten. Dat comité vervult dus een essentiële rol. Momenteel bestaat het comité uit twaalf experts: drie experts van het Directoraat-generaal Dier, Plant en Voeding van de FOD Volksgezondheid, één expert van het Directoraat-generaal Leefmilieu van de FOD Volksgezondheid, twee experts van het Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid, één expert van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen, één expert van het Centrum voor Onderzoek in Diergeneeskunde en Agrochemie, één expert van de FOD Werk en één expert van elk Gewest.

Wat is uw standpunt met betrekking tot die belangrijke opdracht en de kritiek daarop?

Ik stel mij ook vragen bij de werkmethode die dit Comité hanteert. Blijkbaar neemt het beslissingen op basis van resultaten die door de bedrijven zijn gebruikt in de toelatingsprocedure op het Europese niveau. Er zou geen enkele bijkomende studie gevraagd worden door het Erkenningscomité. Kunt u dat bevestigen? Kunt u mij zeggen op welke gegevens het Comité zich baseert om die adviezen uit te brengen?

Antwoord ontvangen op 14 november 2016 :

Uit het desbetreffende advies van de Conseil Supérieur Wallon de la Conservation de la Nature (CSWCN) blijkt niet waarop deze instantie zich baseert om te stellen dat het Erkenningscomité voor de bestrijdingsmiddelen voor landbouwkundig gebruik niet beschikt over een voldoende expertise inzake de impact van gewasbeschermingsmiddelen op het leefmilieu en op de biodiversiteit.  

Het Comité vergadert ongeveer eens per maand. Het geeft advies over elke aanvraag tot toelating van een gewasbeschermingsmiddel en over elke aanvraag tot wijziging of vernieuwing van een bestaande toelating. Per vergadering buigt het Comité zich over enkele tientallen aanvragen. Elk van deze aanvragen gaat vergezeld van een omvangrijk dossier samengesteld uit talrijke wetenschappelijke studies in de volgende domeinen: fysische en chemische eigenschappen, ontledingsmethoden, toxicologie, residuen in het voedsel, gedrag in het leefmilieu, ecotoxicologie en doeltreffendheid.  

Het zal duidelijk zijn dat de 12 leden van het Erkenningscomité niet in staat zijn om zelf een dergelijke hoeveelheid studies ten gronde te analyseren. Dit is de taak van experts, waarvan de meeste deel uitmaken van de Dienst Gewasbeschermingsmiddelen en Meststoffen van de Federale Overheidsdienst (FOD) Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu. Enkele van deze experts behoren niet tot deze Dienst maar werken ofwel voor het Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid (expertisedomein toxicologie) ofwel voor het Centre wallon de Recherches Agronomiques te Gembloux (expertisedomein doeltreffendheid). De experts stellen uitgebreide rapporten op over hun analyse van de studies en stellen deze ter beschikking van de leden van het Erkenningscomité. Zij zijn ook aanwezig op de vergaderingen van het Comité om hun rapporten zo nodig toe te lichten en vragen van de leden van het Comité te beantwoorden. De leden van het Comité komen vervolgens op grond van de rapporten van alle experts tot een eindconclusie voor elke aanvraag. De leden van het Erkenningscomité beschikken wel degelijk over de nodige kennis en ervaring om de verslagen van de experts op een correcte manier te interpreteren en te beoordelen, en om te komen tot een gebalanceerd advies dat alle bijdragen van de experts integreert. 

Op het vlak van het gedrag in het leefmilieu en de ecotoxicologie (met inbegrip van de biodiversiteit) beschikt de Dienst Gewasbeschermingsmiddelen en Meststoffen over 12 experts. Zij hebben alle nodige expertise om de effecten van gewasbeschermingsmiddelen op het leefmilieu en op de biodiversiteit te beoordelen overeenkomstig de op Europese Unie (EU)-niveau ter zake geldende regels (zoals vastgelegd in de Verordening (EU) nr. 546/2011 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad wat uniforme beginselen voor de evaluatie en de toelating van gewasbeschermingsmiddelen betreft, en in technische en wetenschappelijke richtsnoeren waarin deze beginselen verder worden uitgewerkt).

De gegevensvereisten zijn eveneens vastgesteld op EU-niveau (de Verordeningen (EU) nr. 283/2013 en nr. 284/2013, respectievelijk voor wat de werkzame stof en het gewasbeschermingsmiddel betreft). Deze Verordeningen beschrijven in detail welke studies moeten worden ingediend door de aanvrager van een toelating. Alle studies die verband houden met de veiligheid voor de gezondheid van mens of dier of voor het leefmilieu moeten worden uitgevoerd met inachtneming van de Goede Laboratoriumpraktijken (GLP; zoals vastgelegd in Richtlijn 2004/10/EG). Bovendien moeten, naast deze doorgaans door de aanvrager gefinancierde GLP-studies, ook alle relevante gegevens uit de openbare aan collegiale toetsing onderworpen wetenschappelijke literatuur over de werkzame stof, metabolieten en afbraak- of reactieproducten en gewasbeschermingsmiddelen die de werkzame stof bevatten en over de neveneffecten voor de menselijke gezondheid, het milieu en organismen van niet-doelsoorten worden vermeld. Er moet een samenvatting van deze gegevens worden voorgelegd.

De gegevensvereisten zijn zeer uitgebreid (de 2 verordeningen samen tellen 152 bladzijden) en volstaan om een grondige evaluatie van alle effecten van het gewasbeschermingsmiddel te kunnen verrichten. De lidstaten worden niet geacht bijkomende gegevensvereisten vast te stellen naast deze die gelden op EU-niveau. Verordening (EG) nr. 1107/2009 voorziet immers in een systeem van verplichte wederzijdse erkenning van nationale toelatingen (althans binnen zones waarin de omstandigheden vergelijkbaar zijn), en zo’n systeem kan uiteraard slechts functioneren voor zover de gegevensvereisten zijn geharmoniseerd. 

De Dienst Gewasbeschermingsmiddelen en Meststoffen verstrekt via zijn website (www.fytoweb.be) uitgebreide informatie voor een juiste interpretatie van de gegevensvereisten. De bedoeling is de aanvragers toe te laten hun dossier op een correcte manier samen te stellen zodat het niet nodig is om na de evaluatie ervan bijkomende informatie te vragen. Niettemin moet worden vastgesteld dat het Erkenningscomité op elke vergadering voor een significant aandeel van de aanvragen niet tot een advies kan komen wegens onvolledigheid van het dossier. Bij voorbeeld, tijdens de vergadering die plaatsvond in januari ’16 heeft het Comité 40 dossiers onderzocht. Voor 15 aanvragen kon het Comité geen advies geven omdat het oordeelde dat de voorliggende informatie onvoldoende was. Het is dus beslist onjuist dat het Erkenningscomité nooit aanvullende studies vraagt.