Tweetalige printerversie Eentalige printerversie

Schriftelijke vraag nr. 6-1045

van Christie Morreale (PS) d.d. 3 oktober 2016

aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid

Centra voor gezinsplanning - Anticonceptiepil en morning-afterpil - Machtiging tot verstrekken - Eventuele wijziging van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967

gezinsplanning
anticonceptie
vroedvrouw
recht op gezondheid

Chronologie

3/10/2016 Verzending vraag (Einde van de antwoordtermijn: 3/11/2016 )
22/11/2016 Antwoord

Vraag nr. 6-1045 d.d. 3 oktober 2016 : (Vraag gesteld in het Frans)

De problematiek van de verkrijgbaarheid van de anticonceptiepil, en in het bijzonder van de morning-afterpil, in de centra voor gezinsplanning beroert al maandenlang het Parlement van het Waals Gewest. In september 2014 stelde de Waalse administratie immers dat de praktijk van de centra niet strookte met de federale wetgeving en in het bijzonder met het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen.

Deze vraag valt onder de bevoegdheid van de Senaat voor zover ze betrekking heeft op een federale materie die invloed heeft op de bevoegdheden van de deelgebieden inzake volksgezondheid, gelijke kansen, welzijn, doordat de centra voor gezinsplanning erkend zijn door het Waals Gewest.

Na een parlementaire vraag (zie mondelinge vraag van de heer André Frédéric nr. 54-6516, Kamer, CRIV 54 COM 254, p. 32), kondigde u aan dat u open stond voor de idee dat verplegers die morning-afterpil zouden afleveren. Deze oplossing werd ook al geopperd bij uw collega bevoegd voor Maatschappelijk werk en Gezondheid in het Waals Gewest.

Ik verheug me over het belang dat u hecht aan deze problematiek, maar ik wil u om toelichting vragen bij het voorstel dat u zelf deed. Conform de wettelijke bepalingen ter zake kunnen de centra voor gezinsplanning inderdaad verplegers in dienst nemen, maar in de praktijk gaat dat over zeer weinig aanstellingen. In werkelijkheid zijn er zeer weinig verplegers aanwezig in de centra voor gezinsplanning. Aan het verplegend personeel de toelating geven om de pil en de morning-afterpil te verstrekken lijkt dus geen goede oplossing voor het probleem.

Welke andere mogelijkheden worden overwogen? Is de wijziging van het koninklijk besluit nr. 78 aan de orde? Moet die bepaling niet worden uitgebreid zodat het personeel van de centra voor gezinsplanning, dat beroepshalve uitgebreid informeert over contraceptie, ook ongewenste zwangerschappen kan voorkomen?

Antwoord ontvangen op 22 november 2016 :

Ik heb inderdaad tijdens een eerder debat aangegeven dat het KB nr. 78 in de toekomst moet worden gemoderniseerd om de taken en bevoegdheden van de gezondheidswerkers, waarvoor ik bevoegd ben, te herzien.

Want ik kan begrijpen dat in bepaalde sectoren en onder bepaalde omstandigheden het verstrekken van bepaalde medicatie, zoals de morning-afterpil of de anticonceptiepil in de centra voor gezinsplanning, moeilijk alleen aan apothekers en artsen kan worden voorbehouden.

Ik heb dan ook onderzocht of een uitbreiding van de bevoegdheden van de vroedvrouwen te mogelijks een veilige oplossing zou zijn, daar dit in andere landen een doeltreffende oplossing is gebleken. f

Ik beschik over een recent advies van de Federale Raad voor Vroedvrouwen, die vragende partij is voor een uitbreiding van die bevoegdheden. Naar aanleiding van dit advies heb ik een adviesaanvraag geformuleerd aan de Hoge Raad van artsen-specialisten en van huisartsen. Deze Raad verschafte een negatief advies, hoofdzakelijk gebaseerd op de vrees dat de opleiding van de vroedvrouwen niet voldoende is.

Ik citeer een passage uit dit advies:

“Het voorschrijven van contraceptiva op elk ogenblik (ook buiten de beperkte context

van drie maand na de bevalling van een gezonde vrouw), behoort duidelijk tot de

competenties van medici.

Zonder medische opleiding kan men de interacties tussen een pathologie bij de vrouw

(die al moet herkend worden) en het contraceptivum niet inschatten.

Het contraceptivum kan een effect hebben op de ziekte, zoals bijvoorbeeld op lupus, op

multiple sclerose en uiteraard zijn er de meer klassieke nevenwerkingen van langere

toedieningen van contraceptiva.

Geneesmiddelen voorgeschreven voor een bepaalde pathologie bij een vrouw, kunnen

interacties veroorzaken op de effectiviteit van de contraceptie.

Het herkennen en kennen van heel diverse pathologiën en van medicamenteuze

interacties behoren niet tot het competentieprofiel van de vroedvrouw.”

Zoals u aangeeft beschikken de centra over onvoldoende verpleegkundigen. In de inleiding van het wetsvoorstel van mevr. Winckel wordt aangegeven dat de meeste centra niet permanent beschikken over een arts en er ook niet altijd een verpleegkundige aanwezig is. De westvoorstellen die nu ter bespreking in de commissie volksgezondheid voorliggen, stellen echter geen eisen wat minimale opleiding betreft van de personen die in naam van de centra deze medicatie kunnen afleveren. Ik ben van mening we met eventuele afwijkingen op de strikte regelgeving bijzonder voorzichtig moeten omgaan. De bestaande regelgeving is immers zeer fundamenteel en heeft sterke bestaansredenen.

De toegankelijkheid van anticonceptie en noodanticonceptie wordt vanuit de federale bevoegdheid gemaximaliseerd door de toegankelijkheid van de officina, die 24 uur op 24 uur toegang garandeerd dankzij het wachtsysteem. Daarnaast trad op 1 oktober 2013 het Koninklijk besluit ter vaststelling van een specifieke tegemoetkoming in de kostprijs van contraceptiva voor vrouwen jonger dan 21 jaar, in werking. Hierdoor zijn bepaalde contraceptiva volledig terugbetaald, ook voor één noodpil rest er geen remgeld voor deze doelgroep.

Verder wil ik u herinnneren dat de organisatie van de centra voor gezinsplanning de bevoegdheid is van de gemeenschappen. Ik ben uiteraard steeds bereid tot overleg met de gemeenschappen inzake deze problematiek.