Tweetalige printerversie Eentalige printerversie

Schriftelijke vraag nr. 6-1006

van Jean-Jacques De Gucht (Open Vld) d.d. 12 juli 2016

aan de minister van Justitie

Terrorismegedetineerden - Jihadisme - Deradicalisering - Cijfers

gedetineerde
reclassering
extremisme
terrorisme
statistiek

Chronologie

12/7/2016 Verzending vraag (Einde van de antwoordtermijn: 11/8/2016 )
24/11/2016 Rappel
20/4/2017 Antwoord

Vraag nr. 6-1006 d.d. 12 juli 2016 : (Vraag gesteld in het Nederlands)

Hoewel steeds meer experts het belang van toezicht en begeleiding bij de re-integratie van gedetineerden met een extremistische achtergrond benoemen, is de wetenschappelijke kennis voor verdere uitwerking van dergelijke claims vooralsnog beperkt (Mullins 2010; Horgan & Braddock 2010). Dit is gezien de oplopende aantallen nochtans cruciaal, willen we toekomstige aanslagen of ronselpraktijken voorkomen door in te zetten op deradicalisering bij de gedetineerden met een jihadistische achtergrond.

De Nederlandse Onderzoekers B.A. de Graaf en D. Weggemans verrichten onlangs onderzoek naar het omgaan vanwege de overheid met (voormalige) terrorismegedetineerden.

Wat betreft transversaal karakter : de verschillende regeringen en schakels in de veiligheidsketen zijn het eens over de fenomenen die de komende vier jaar prioritair moeten worden aangepakt. Die staan gedefinieerd in de kadernota Integrale Veiligheid en het Nationaal Veiligheidsplan voor de periode 2016Ė2019, en werden besproken tijdens een InterministeriŽle Conferentie, waarop ook de politionele en justitiŽle spelers aanwezig waren. Het fenomeen van de strijd tegen het terrorisme en de radicalisering is ťťn van de grote prioriteiten. Deze vraag is een transversale gemeenschapsaangelegenheid betreffende de strijd tegen radicalisering en de deradicalisering.

Ik had dan ook graag een antwoord gekregen op de volgende vragen :

1) Kan de geachte minister aangeven hoeveel terrorismegedetineerden momenteel in de cel zitten?

2) Kan hij aangeven hoeveel voormalige terrorismegedetineerden momenteel onder elektronisch toezicht staan?

3) Kan hij aangeven en cijfermatig toelichten hoeveel terrorismegedetineerden achteraf terug criminele feiten begaan? Hoeveel bedraagt met andere woorden de recidivegraad bij hen en is deze vergelijkbaar met de andere voormalige gedetineerden? Kan hij dit gedetailleerd toelichten?

4) Welke factoren tijdens en na detentie dragen volgens hem bij aan succesvolle of onsuccesvolle re-integratie van personen die gedetineerden waren op verdenking van gewelddadig extremisme? Hoe vertaalt hij dit beleidsmatig en kan u dit concreet toelichten?

Antwoord ontvangen op 20 april 2017 :

1) De gevraagde cijfers worden in de bijgevoegde tabel weergegeven.

2) Op dit ogenblik zijn er 5 terro-gedetineerden onder elektronisch toezicht (ET), van wie :
 - één veroordeeld voor extreem rechts gedachtengoed, ET toegekend door de strafuitvoeringsrechtbank;
 - de vier overige worden verdacht van religieus geïnspireerd terrorisme en hebben ET in het kader van de voorlopige hechtenis verkregen.

Gedetineerden onder ET als autonome straf zijn hier niet inbegrepen.
3) Wat betreft recidivecijfers in België, is het nodig een aantal algemene vaststellingen te noteren:
- in België zijn, buiten een recente maar meer algemene studie van het Nationaal Instituut voor Criminalistiek en Criminologie (2015), geen globale recidivecijfers over de gevangenispopulatie voorhanden;
- hoe dan ook stellen we vast dat verschillende landen verschillende manieren gebruiken om recidive te meten waardoor voorzichtigheid met het omgaan met deze vergelijkingen geboden is. 

Wat deze specifieke populatie betreft, geldt bovendien dat het om een vrij recent fenomeen gaat dat bovendien onderhevig is aan snelle evoluties. Het fenomeen heeft tevens een bij uitstek grensoverschrijdend karakter waardoor de reconstructie van dergelijke criminele carrières, en dus ook eventuele recidive, bemoeilijkt wordt.
Een recente vaststelling is wel dat de laatste golf aan plegers of verdachten reeds gekend waren voor allerlei feiten (gewelddelicten, banditisme) en in dat opzicht dus recidivisten zijn waarbij een escalatie in de criminele carrière opvalt (de aard van de gepleegde feiten gaat crescendo, gaande van bv. drugsfeiten, naar diefstallen, diefstallen met geweld om uiteindelijk feiten van gewelddadig extremisme/terrorisme te plegen).

4) De elementen die ons inziens moeten bijdragen in de aanpak van deze gedetineerden zijn beschreven in het actieplan Aanpak radicalisering in gevangenissen van 11 maart 2015. Dit plan beschrijft 10 actiepunten die zich laten clusteren rond volgende thema’s:

-       het verbeteren van de algemene leefomstandigheden in de gevangenissen;

-       het optimaliseren van informatiedoorstroming tussen de bevoegde diensten en een doorgedreven risicoanalyse en plaatsingsbeleid op basis van een uitdeinende expertise met betrekking tot het thema en

-       het opzetten van specifieke disengagementprogramma’s. 

Het eerste thema is dan wel van toepassing op het geheel van de gedetineerden maar niettemin belangrijk omdat men er alles moet aan doen om door de wijze van invulling van de detentie geen bijkomende prikkels mag organiseren die een radicaliseringsproces in stand houden of versterken. Het ligt voor de hand dat dit een omvangrijke operatie is gelet de algemene toestand waarin tal van onze gevangenissen zich bevinden en wij enkel stapsgewijs, binnen de grenzen van de beschikbare budgetten, hier vooruitgang kunnen boeken. Ook het masterplan III, dat per definitie ook een meerjarenplan is, kadert in deze aanpak. 

De intensieve samenwerking tussen de diensten van de gevangenissen en deze van informatie- en inlichtingendiensten hebben er toe bijgedragen dat de omvang in kwantiteit en in kwaliteit van het fenomeen van de radicalisering binnen de gevangenissen goed in kaart is gebracht. Deze kennis, waarbij de inlichtingen uit dat netwerk met deze uit screeningmethodiek van de psychosociale diensten van de gevangenissen worden aangevuld, heeft tevens bijgedragen tot de spreiding van deze populatie over gewone gevangenissen, satellietgevangenissen en Deradex-afdelingen in functie van de aard van de informatie en de ernst van de dreiging. 

In samenwerking met de diensten van de gemeenschappen en de islamconsulenten worden steeds meer geradicaliseerde gedetineerden ook op individueel niveau opgevolgd teneinde in te schatten welke types van begeleiding kunnen bijdragen tot disengagement. Hierbij is het van belang dat deze interventies niet beperkt blijven tot de individuele gedetineerde maar dat ook zijn sociaal/familiaal netwerk aangesproken wordt. Wat disengagement betreft, merken we dat in alle landen die met het fenomeen van radicalisering/extremisme  te kampen hebben deze pijler nog het meest gekenmerkt wordt door strategieën van trial and error en er geen kant en klare recepten beschikbaar zijn. Dat de netwerken waarbinnen radicalisering en terrorisme, zoals reeds aangegeven, zich grensoverschrijdend ontwikkelen, dwingt ons om met realiteitszin naar de beïnvloedbaarheid van deze gedetineerden te kijken.

Gent

3

1

1

1

6


Hasselt

5

1

7

0

13

9

Hoogstraten

0

0

0

0

0


Ieper

0

0

0

0

0


Leuven-Centraal

0

0

0

0

0


Leuven Hulp

1

0

0

0

0


Mechelen

0

0

1

1

2


Merksplas

0

0

0

0

0


Oudenaarde

0

2

0

0

2


Ruiselede

0

0

0

0

0


Sint-Gillis

7

3

3

1

14


Turnhout

2

1

1

0

4


Wortel

0

0

0

0

0


TOTAAL Noord

26

14

22

7

69

9








Andenne

3

1

2

2

8


Arlon

1

1

0

1

3


Berkendael

1

0

2

0

3


Dinant

0

0

0

0

0


Forest

0

0

1

0

1


Huy

0

0

0

0

0


Ittre

4

4

10

2

10

14

Jamioulx

2

2

5

1

10


Lantin

4

1

2

2

9


Leuze-en-Hainaut

5

1

4

1

11


Marche-en-Famenne

4

0

2

1

7


Marneffe

0

0

0

0

0


Mons

4

1

5

2

12


Namur

0

1

2

0

3


Nivelles

1

1

2

0

4


Saint-Hubert

0

0

0

0

0


Tournai

1

1

1

0

3


Totaal Zuid

Total Sud

30

14

38

12

94

14








Totaal nationaal

Total national

56

28

60

19

163

23