Tweetalige printerversie Eentalige printerversie

Schriftelijke vraag nr. 5-1856

van Armand De Decker (MR) d.d. 24 maart 2011

aan de vice-eersteminister en minister van Buitenlandse Zaken en Institutionele Hervormingen

De reactie van BelgiŽ op de vervolging van christenen in de Maghreb en het Midden-Oosten

Maghreb
Midden-Oosten
christen
discriminatie op grond van godsdienst
vrijheid van godsdienst
gespecialiseerde instelling van de VN
politiek asiel

Chronologie

24/3/2011 Verzending vraag
5/5/2011 Antwoord

Herkwalificatie van : vraag om uitleg 5-385

Vraag nr. 5-1856 d.d. 24 maart 2011 : (Vraag gesteld in het Frans)

De jongste weken is de christelijke gemeenschap in de landen van de Maghreb en het Midden-Oosten getroffen door talrijke bloedige gebeurtenissen. Bij de aanval in november van de Syrisch-katholieke kathedraal van Bagdad vielen meer dan vijftig doden. De Egyptische kopten - die een statuut van tweederangsburger hebben - werden in de nacht van 31 december jongstleden getroffen in AlexandriŽ, op het kerkplein voor de al-Qidiseenkerk. De christenen van Bagdad waren het doelwit van een tiental bommen die voor hun huizen waren geplaatst. De Iraanse regering heeft haar campagne tegen de christenen in de Islamitische republiek opgedreven. Ze verrichte daarbij meer dan 100 arrestaties in de loop van de vorige maand, zodat een groot aantal mensen gedwongen was het land te ontvluchten wegens het risico op strafrechtelijke vervolging en een eventuele terdoodveroordeling.

Die "godsdienstige zuivering" in het Midden-Oosten is onaanvaardbaar. Bovendien zorgen de Oosterse christenen in alle landen van die regio voor stabiliteit en verzoening. We mogen de uittocht van de christenen uit die landen niet als onvermijdelijk beschouwen want zij rekenen op lobbying en internationale druk om in alle veiligheid in hun land te kunnen blijven.

Ik zou u deze misdaden graag krachtdadig horen veroordelen. Ik vraag u ook om deze boodschap ondubbelzinnig over te brengen via onze ambassadeurs ter plaatse en via de Europese en VN-instellingen. Zult u dit punt op de agenda van de Raad Buitenlandse Zaken van 31 januari plaatsen, teneinde een door de 27 landen overlegd antwoord voor te bereiden voor het drama van de christenen uit het oosten? Zal deze zaak ook aanhangig gemaakt worden tijdens de zitting van maart van de VN-Mensenrechtenraad in GenŤve?

Hebt u de betrokken ambassadeurs die in Brussel gestationeerd zijn bij u geroepen zodat ze ons ongenoegen over deze toestand zouden overbrengen aan de regeringen die ze vertegenwoordigen? Kunt u de betrokken regeringen via hen niet vragen de religieuze minderheden de rechten en beschermingen te bieden die wij hen in BelgiŽ aanbieden? Moedigen wij die autoriteiten aan om de teksten van het internationaal recht inzake vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst in te schrijven in hun intern recht?

Wij moeten reageren opdat die mensen in hun land zouden kunnen blijven.

Levert de regering naast verklaringen ook inspanningen om de opvang van de gewonden van die aanslagen te organiseren en de rechtstreeks bedreigde mannen en vrouwen de mogelijkheid te bieden hun land te verlaten? Kunnen wij, naar het voorbeeld van Frankrijk, in BelgiŽ de asielaanvragers opvangen die het slachtoffer zijn van ernstige gewelddaden en bedreigingen wegens hun godsdienstige overtuiging?

Kunnen wij de Koerden van Irak helpen om de christelijke medeburgers in goede omstandigheden op te vangen (sinds 2003 hebben ze er 20.000 opgevangen)?

Antwoord ontvangen op 5 mei 2011 :

Eerst en vooral wens ik te verwijzen naar mijn eerdere antwoorden op gelijkaardige vragen die ik op 9 februari 2011 in de commissie Buitenlandse Zaken van de Kamer van volksvertegenwoordigers reeds gaf. Daarnaast verwijs ik naar mijn persverklaringen die op de website van Buitenlandse Zaken kunnen worden geraadpleegd, waarin ik de recente gewelddaden tegen de christelijke gemeenschappen in Irak en in Egypte onvoorwaardelijk veroordeel. Overigens worden al onze diplomatieke posten, en in het bijzonder de diplomatieke posten in de betrokken landen en bij de VN-instellingen en de Europese instellingen, met het oog op hun contacten met de lokale overheden, in kennis gesteld van het duidelijke standpunt dat België inneemt inzake de vrijheid van godsdienst en overtuiging. Daarnaast worden zij gewezen op de plicht die de autoriteiten van alle landen hebben om zonder enige uitzondering alle religieuze minderheden te beschermen.

Ziehier een overzicht van de voornaamste punten uit mijn eerdere antwoorden:

Op 15 januari jongstleden had ik een werkvergadering met de ambassadeurs van de Arabische landen in Brussel. Ik had het met hen over de bezorgdheid van België naar aanleiding van de gewelddadige incidenten waarvan de christelijke gemeenschappen het slachtoffer waren. Ik spoorde de regeringen van deze landen aan hun inspanningen met het oog op de bescherming van de minderheden en de vervolging van de daders van dit geweld op te voeren.

De instanties van de Raad van de Europese Unie hebben een actieplan ontwikkeld ter verdediging en bevordering van de vrijheid van godsdienst en overtuiging, zowel op multilateraal niveau – in de Mensenrechtenraad in Genève en in de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties in New York – als op bilateraal niveau, in de landen waar de vrijheid van godsdienst en overtuiging onder grote druk staat. Dit plan werd trouwens nog onder de aandacht gebracht door de conclusies die de Raad Buitenlandse Zaken van 21 februari jongstleden goedkeurde. In deze conclusies worden de aanvallen tegen de religieuze minderheden eveneens veroordeeld en worden de christenen in het Oosten uitdrukkelijk vermeld.

Ik kan u bevestigen dat de Europese Unie tijdens de zestiende zitting van de Mensenrechtenraad die in Genève plaatsvond, de vrijheid van godsdienst en overtuiging ter sprake heeft gebracht, met name de discriminatie van en gewelddaden tegen religieuze minderheden, waaronder de christelijke minderheid.

Tot slot draagt België in aanzienlijke mate bij aan de programma’s van het UNHCR (tiende grootste donor), dat daadwerkelijk optreedt in het belang van de Iraakse vluchtelingen en interne ontheemden, ook in de Koerdische zone in Irak.

Ik verwijs het geachte lid voor een antwoord op zijn vragen inzake opvang en asiel voor de slachtoffers van deze gewelddaden en, meer in het algemeen, voor personen die zijn gevlucht vanwege hun godsdienst of overtuiging,naar de Staatssecretaris voor Migratie- en Asielbeleid, bevoegd voor deze materie.