Tweetalige printerversie Eentalige printerversie

Schriftelijke vraag nr. 5-10208

van Philippe Mahoux (PS) d.d. 24 oktober 2013

aan de vice-eersteminister en minister van Landsverdediging

Pensioenen van de burgerlijke oorlogsslachtoffers - Herziening van de wet van 5 maart 1954 - Vereniging van afkomstigen uit BelgiŽ in IsraŽl - Resolutie

slachtoffer onder burgerbevolking
vergoedingspensioen
misdaad tegen de menselijkheid

Chronologie

24/10/2013 Verzending vraag
28/11/2013 Antwoord

Vraag nr. 5-10208 d.d. 24 oktober 2013 : (Vraag gesteld in het Frans)

De Vereniging van Afkomstigen uit BelgiŽ in IsraŽl (OBI) is sedert 2011 de opvolger van de Belgische Vereniging Het Ondergedoken Kind en heeft in haar statuten de verdediging van de slachtoffers van de Shoah opgenomen.

Op de algemene vergadering van OBI, die plaatsvond op 2 juni 2013, werd een resolutie aangenomen waarin gepleit wordt voor een herziening van de wet van maart 1954 betreffende de herstelpensioenen voor de burgerlijke slachtoffers van de oorlog.

De resolutie eist de afschaffing van de voorwaarde dat de rechthebbenden op 1 januari 1960 de Belgische nationaliteit moesten bezitten en zonder onderbreking hun gewone verblijfplaats in BelgiŽ hebben gehad sedert het einde van de vervolging.

Bovendien strekt ze ertoe om in de invaliditeitscommissie de aanwezigheid te waarborgen van een vertegenwoordiger van de verenigingen van joodse slachtoffers van raciale vervolging gedurende het nazi-regime, naast de vertegenwoordiger van de vaderlandslievende verenigingen.

Werd er gevolg gegeven aan die resolutie?

Antwoord ontvangen op 28 november 2013 :

Het geachte lid gelieve hierna het antwoord te willen vinden op de door hem gestelde vragen.

Deze resolutie gaat uit van een privé-organisatie, de Vereniging van Afkomstigen uit België in Israël (OBI).

Daarnaast is er in de Belgische Senaat een voorstel van resolutie van 24 januari 2013 strekkende om de verantwoordelijkheid van de Belgische overheid te erkennen voor de Jodenvervolging in België tijdens de tweede wereldoorlog. Hierop zal ik verder ingaan.

Wat betreft de opheffing van de voorwaarde van Belgische nationaliteit op 1 januari 1960 en de voorwaarde van de permanente verplichte woonplaats in België sinds de periode van de vervolgingen, verwijs ik het geachte lid naar mijn antwoord op de mondelinge vraag nr. 19751 van Mevrouw de volksvertegenwoordigster Kattrin JADIN (CRIV 53 COM 826, blz 35).

Wat betreft de aanwezigheid van een vertegenwoordiger van de verenigingen van joodse slachtoffers van raciale vervolging door de nazi’s in de Burgerlijke Invaliditeitscommissie, op dezelfde wijze als er een vertegenwoordiger van de vaderlandslievende verenigingen in zetelt, kan ik eraan herinneren dat een vertegenwoordiger van de vaderlandslievende verenigingen er toe gehouden wordt, zelfs wanneer hij voorgesteld werd door een specifieke vereniging, gedurende de commissie alle categorieën van slachtoffers te verdedigen en niet slechts de categorie tot welke hij behoort.