Tweetalige printerversie Eentalige printerversie

Schriftelijke vraag nr. 4-6473

van Wouter Beke (CD&V) d.d. 12 januari 2010

aan de vice-eersteminister en minister van FinanciŽn en Institutionele Hervormingen

Creditrating agencies - Europese regelgeving - Impact in BelgiŽ

kredietinstelling
kort geding
verordening (EU)
financiŽle solvabiliteit

Chronologie

12/1/2010 Verzending vraag (Einde van de antwoordtermijn: 11/2/2010 )
3/2/2010 Antwoord

Herkwalificatie van : vraag om uitleg 4-1328

Vraag nr. 4-6473 d.d. 12 januari 2010 : (Vraag gesteld in het Nederlands)

Naar aanleiding van enkele grote schandalen, zoals onder andere Enron in de Verenigde Staten en Parmalat in Europa, werd het voor de Europese instanties snel duidelijk dat er een regelgeving moest komen voor de ď†creditrating agencies†ď. Toch heeft het nog meer dan vijf jaar geduurd vooraleer er effectief een regelgeving tot stand zou komen. Recent werd een regelgeving ingevoerd met de Europese verordening nr. 1060/2009 van 16 september 2009 inzake de ratingbureaus.

De verordening voorziet vooral voorwaarden voor de kwaliteit van de ratings en het voorkomen van belangenconflicten. Er wordt bovendien voorzien in een systeem van registratie voor de ď†creditrating agencies†ď. De verordening komt tegemoet aan enkele fundamentele problemen met betrekking tot de ď†creditrating agencies†ď. Als er al bezwaren bestonden met betrekking tot deze maatregelen, dan heeft de recente financiŽle crisis deze bezwaren mijn inziens volledig van tafel geveegd. Voor andere problemen, zoals de beperkte competitie binnen de creditrating sector, wordt jammer genoeg nog geen adequaat antwoord geboden.

De verordening komt tegemoet aan de meeste aanbevelingen van de Bijzondere Commissie. De Bijzondere Commissie ging echter op enkele punten verder in haar aanbevelingen. Zo werd onder meer gevraagd dat een vorm van kortgedingprocedure wordt ingevoerd om het mogelijk te maken snel en efficiŽnt op te treden tegen foutieve ratings. De economische schade van een foutieve rating kan immers hoog oplopen.

De Bijzondere Commissie stelde ook duidelijk dat een rating de financiŽle instellingen, die zelf een inschatting moeten maken van het risico, niet ontslaat van hun verantwoordelijkheid inzake de kwaliteit van de producten die ze aanbieden. Het gevaar dreigt immers dat, met het invoeren van een Europese registratieprocedure, nu nog meer dan voorheen, een groot belang wordt gehecht aan externe ratings. Dit is vaak onterecht.

Om deze redenen had ik graag een antwoord gekregen op de volgende vragen:

1) Wat is de impact van deze Europese verordening op de Belgische financiŽle instellingen?

2) Wat is de impact van deze Europese verordening op de Belgische financiŽle toezichthouder? Hoe verloopt de samenwerking op dit vlak met de Committee of European Securities Regulators (CESR)?

3) In welke mate maakt de federale regering zelf gebruik van externe ratings binnen haar verschillende beleidsdomeinen?

4) Wat is het standpunt van de geachte minister met betrekking tot de invoering van een procedure in kortgeding om foutieve ratings aan te vechten? Hoe kan de aansprakelijkheid voor een foutieve rating door een ď†creditrating agency†ď beter worden geregeld? Kan een creditrating onder de vrijheid van meningsuiting vallen zoals in de Verenigde Staten?

5) Hoe kan de eigen verantwoordelijkheid van de financiŽle instellingen voor een kredietbeoordeling worden geconcretiseerd in de Belgische wetgeving?

Antwoord ontvangen op 3 februari 2010 :

Vraag 1

Tijdens de analyse van de oorzaken van de financiële en economische crisis werden onder meer de ratingbureaus met de vinger gewezen. Zo zouden zij ratings hebben toegekend die niet in overeenstemming waren met de risico’s van complexe gestructureerde producten en hebben zij de wijzigende marktomstandigheden niet snel genoeg vertaald in aangepaste ratings. Daarnaast werd er gewezen op de problematiek inzake belangenconflicten tussen ratingbureaus en emittenten en op het gebrek aan transparantie, onder meer inzake de gebruikte ratingmethodologie. Ook de oligopolistische structuur van de markt van ratingbureaus wordt als een probleem ervaren.

De verordening (EG) Nr. 1060/2009 van het Europees parlement en de raad van 16 september 2009 inzake ratingbureaus (de verordening) probeert aan deze bekommernissen tegemoet te komen door een systeem van registratie en toezicht op ratingbureaus in te voeren. Dit moet ervoor zorgen dat de ratings, die gebruikt worden in de gemeenschap voor reglementaire doeleinden, onafhankelijk, objectief en van de hoogst mogelijke kwaliteit zijn.

De aanvraag voor de erkenning van ratingbureaus wordt ingediend bij het Committee of European Securities Supervisors (CESR), die het dossier aan de nationale markttoezichthouders bezorgd. Binnen een “college van toezichthouders”, onder coördinatie van de “home toezichthouder”, wordt de erkenningsaanvraag behandeld. Een centrale rol in het proces is daarbij weggelegd voor CESR dat moet zorgen voor eenvormige aanpak door de bevoegde autoriteiten. CESR zal daarvoor de nodige richtsnoeren publiceren.

Het ziet ernaar uit dat de rol van CESR, dat in het kader van de nieuwe Europese toezichtsarchitectuur zal omgevormd worden in de European Securities and Markets Authority (ESMA), in de toekomst nog versterkt zal worden. ECOFIN heeft op haar vergadering van 2 december 2009 een principieel akkoord bereikt over een voorstel, waarin bepaald wordt dat ESMA exclusieve toezichtsbevoegdheden zal hebben over de ratingbureaus.

De verordening heeft rechtstreekse werking en zorgt op die wijze voor een zo consistent mogelijke aanpak van de registratie en het toezicht op de ratingbureaus in de gemeenschap. Uiterlijk op 7 juni 2010 dient België een bevoegde autoriteit aan te duiden voor de toepassing van de Verordening.

Vragen 2 en 5

Belgische financiële instellingen gebruiken ratingbureaus bijvoorbeeld bij de berekening en de beoordeling van hun kapitaaltoereikendheid in het kader van de Basel 2 – reglementering. Deze ratings zullen voortaan dus afkomstig zijn van ratingbureaus, die geregistreerd zijn in de gemeenschap en aan permanent toezicht onderhevig zijn. De financiële instellingen zullen als gevolg van de Verordening een beroep kunnen doen op meer betrouwbare ratings.

Het gebruik van ratings afkomstig van in de gemeenschap geregistreerde ratingbureaus ontslaat de Belgische financiële instellingen evenwel niet van hun verantwoordelijkheden om in het kader van een gepast risicobeheer hun eigen due diligence en beoordeling te doen van de verschillende risico's, die ze lopen.

Een noodzakelijke verduidelijking is evenwel dat de verordening niet verbiedt dat financiële instellingen producten aanbieden zonder een rating of met een rating, die afkomstig is van een niet in de gemeenschap geregistreerd ratingbureau. Indien een rating werd toegekend aan effecten, waarvoor een prospectus wordt goedgekeurd, dient in het prospectus enkel aangegeven te worden of deze rating afkomstig is van een in de gemeenschap geregistreerd ratingbureau.

Vraag 3

Wat het gebruik van de externe ratings door de federale regering kan ik melden dat de Thesaurie ratings gebruikt in het kader van het beheer van het kredietrisico van haar tegenpartijen. Zo dient om te worden aanvaard als tegenpartij, een kredietinstelling minimaal een “A”- rating te hebben, hetgeen in de Moody’s classificatie overeenstemt met een waarschijnlijkheid op faling van 0,02 %.. In de praktijk hebben de overgrote meerderheid van de tegenpartijen een rating “AA”).

Daarenboven berekent de Thesaurie voor elke tegenpartij een kredietlimiet die afhankelijk is van de rating, maar ook van het niveau van eigen vermogen van de betrokken instelling.

Vraag 4

De mogelijke invoering van een procedure in kortgeding om “foutieve ratings” aan te vechten is wellicht niet de meest aangewezen manier om tot het gewenste resultaat te bekomen.

Vandaag de dag is het evident om te stellen dat vele ratings toegekend aan “subprime”-leningen verkeerd waren en dat de ratings van vele complexe producten gebaseerd waren op ontoereikende informatie over het risicoprofiel. Het lijkt echter bijzonder moeilijk, zo niet onmogelijk om ex ante een algemene definitie te geven van wat als een “foutieve rating” wordt beschouwd. Het loutere feit dat ratings achteraf dienen herzien te worden is op zich uiteraard geen reden om deze als “foutief” te kwalificeren. Dus behoudens in geval van fraude of bedrieglijk achterhouden van informatie, lijkt het definiëren van wat een “foutieve rating” is onmogelijk.

Meer aangewezen lijkt de keuze die in de verordening werd gezet om ratingbureaus ertoe te dwingen de kwaliteit van de ratings te verbeteren en sancties te voorzien bij niet-naleving van de Verordening. Zo voorziet de verordening dat ratingbureaus “passende risicowaarschuwingen moeten geven…en uitlegt op welke wijze diverse marktontwikkelingen wijzigingen in de ratings kunnen beïnvloeden” en derhalve verantwoordelijk kan worden gehouden bij niet-naleving hiervan.