Tweetalige printerversie Eentalige printerversie

Schriftelijke vraag nr. 4-558

van Martine Taelman (Open Vld) d.d. 3 april 2008

aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid

Gezinsbijslag - Holebi - Cumulatie

gezinsuitkering
seksuele minderheid

Chronologie

3/4/2008 Verzending vraag (Einde van de antwoordtermijn: 8/5/2008 )
16/4/2008 Antwoord

Herindiening van : schriftelijke vraag 4-437

Vraag nr. 4-558 d.d. 3 april 2008 : (Vraag gesteld in het Nederlands)

Wat het gezinsbijslag betreft, rijzen er soms nog problemen. Indien in een lesbisch koppel beide partners moeder worden, krijgen ze allebei gezinsbijslag voor een eerste kind. Dit klopt in principe niet, omdat het koppel over twee kinderen beschikt. Kinderen van holebikoppels zouden dus ook moeten kunnen ďcumulerenĒ bij het toekennen van het gezinsbijslag.

Vandaar mijn vragen aan de geachte minister:

1. Hebt u weet van dergelijke problemen?

2. Indien ja, welke oplossingen stelt u voor om dit euvel te verhelpen opdat deze kinderen toch ďgecumuleerdĒ zouden kunnen worden bij het toekennen van het gezinsbijslag?

Antwoord ontvangen op 16 april 2008 :

Ik heb de eer u het hiernavolgend antwoord mede te delen.

Naar aanleiding van een arrest van het Grondwettelijk Hof van 21 juni 2000 heeft de wet van 12 augustus 2000 houdende sociale, budgettaire en andere bepalingen artikel 42 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders aangepast. Overeenkomstig dit artikel wordt, indien er meerdere bijslagtrekkenden zijn, voor de rangbepaling rekening gehouden met het geheel van de rechtgevende kinderen onder de ondermeer volgende voorwaarden :

ę 1ļ de bijslagtrekkenden moeten dezelfde hoofdverblijfplaats hebben in de zin van artikel 3, eerste lid, 5ļ, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, behalve wanneer uit andere daartoe overgelegde officiŽle documenten blijkt dat de bijslagtrekkenden wel degelijk samenwonen;

2ļ de bijslagtrekkenden moeten ofwel echtgenoten zijn ofwel bloed- of aanverwanten in de eerste, tweede of derde graad, ofwel personen die verklaren een feitelijk gezin te vormen. Ľ

Door de nieuwe benadering van wat een gezin is, wordt een feitelijk gezin voortaan gevormd wanneer :

— personen (twee, zelfs meer dan twee) ongeacht hun geslacht;

— die geen bloed- of aanverwanten zijn tot de derde graad;

— samenwonen en in gemeen overleg hun huishoudelijke problemen regelen en daarbij, eventueel zelfs maar gedeeltelijk, hun respectievelijke bestaansmiddelen samenvoegen.

Deze omschrijving biedt het voordeel dat het seksuele leven van de partners niet in aanmerking wordt genomen hetgeen de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de sociaal verzekerden garandeert.

Krachtens het voormelde artikel 42 genieten de bijslagtrekkenden die een feitelijk gezin vormen dus, ongeacht of ze al dan niet tot hetzelfde geslacht behoren, de groepering van de kinderen die ze opvoeden op dezelfde wijze als gehuwden en bloed- en aanverwanten tot de derde graad, echter op voorwaarde dat ze verklaren een dergelijk gezin te vormen.

De noodzaak van een dergelijke verklaring komt voort uit het feit dat een loutere samenwoning van personen — die noch getrouwd zijn noch bloed- of aanverwant zijn tot de derde graad — niet volstaat om het bestaan van een feitelijk gezin vast te stellen : om de kinderen te mogen groeperen moeten deze bijslagtrekkenden hun kinderbijslaginstelling melden dat ze samen hun huishoudelijke problemen regelen en dat ze hun bestaansmiddelen, zelfs gedeeltelijk, samenbrengen.

De drie categorieŽn van bijslagtrekkenden (gehuwd paar, bloed- of aanverwanten tot de derde graad, partners in een feitelijk gezin) dienen zoals in het verleden dezelfde woonplaats te hebben.

De voormelde wet van 12 augustus 2000 heeft nochtans een versoepeling van deze algemene voorwaarde ingevoerd : de daadwerkelijke samenwoning van de bijslagtrekkenden behorende tot de drie categorieŽn van de wet volstaat om de groepering mogelijk te maken wanneer deze samenwoning, die niet opgenomen is in het RNP, bevestigd wordt door andere officiŽle bronnen.

Bij wijze van voorbeeld kan men getuigschriften van gemeenten vermelden waarin wordt gesteld dat personen zich op een bepaalde dag hebben laten domiciliŽren, terwijl dat dit nog niet in het RNP is opgenomen.

Getuigschriften die door de politiediensten worden opgesteld waarin zij hebben vastgesteld dat er samenwoning is, vormen eveneens officiŽle stukken die in aanmerking moeten worden genomen.