Tweetalige printerversie Eentalige printerversie

Schriftelijke vraag nr. 4-1404

van Paul Wille (Open Vld) d.d. 4 september 2008

aan de minister voor Ondernemen en Vereenvoudigen

Bedrijven in strategische sectoren - Buitenlandse investeringen - Bescherming

buitenlandse onderneming
Duitsland
investering
buitenlandse investering
investeringsvoorschriften
protectionisme

Chronologie

4/9/2008 Verzending vraag (Einde van de antwoordtermijn: 9/10/2008 )
12/12/2008 Antwoord

Ook gesteld aan : schriftelijke vraag 4-1403

Vraag nr. 4-1404 d.d. 4 september 2008 : (Vraag gesteld in het Nederlands)

De Duitse regering heeft recent een bedenkelijke wet goedgekeurd die Duitse bedrijven in strategische sectoren moet beschermen tegen buitenlandse investeerders en staatsinvesteringsfonden. Door de nieuwe wet worden buitenlandse participaties in strategische sectoren beperkt tot 25 procent. Een commissie met vertegenwoordigers van vijf ministeries heeft na de verkoop of na de aankondiging van de verkoop vijf maanden tijd om de transactie te onderzoeken en een beslissing te nemen.

De Duitse minister van Economische Zaken, Michael Glos, ontkent met klem dat de wet zich specifiek tegen staatsinvesteringsfondsen richt. De nieuwe wet kan tegen alle investeerders van buiten Europa worden gebruikt. Critici vinden de wet een gevaarlijke zaak voor een land dat wereldrecordhouder is op het vlak van export. De Duitse werkgeversorganisatie BDI waarschuwt haar regering gezien de afhankelijkheid van de Duitse bedrijfseconomie van buitenlandse investeerders, goed voor twee miljoen jobs. De regering garandeert de toepassing van deze nieuwe wet enkel op bedrijven die direct of indirect invloed kunnen hebben op de openbare orde of veiligheid van de Bondsrepubliek. Dit soort maatregelen geven alleszins blijk van een protectionistische agenda en zijn ronduit onrustwekkend.

Gezien het voorgaande kader, enkele vragen aan de geachte minister:

1. Wat vindt de geachte minister van het criterium “cruciaal voor nationale veiligheid” betreffende de vijfentwintig procent-regeling voor bedrijven. Is het hem ook bekend dat in de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk dergelijke maatregelen al bestaan? Welke zijn deze maatregelen in voorgenoemde landen? Wat vindt hij van de verschillende modellen?

2. Wat zijn de pro’s en contra’s van dit systeem?

3. Zijn deze beslissingen geen protectionistische maatregelen onder het mom van bescherming van de nationale veiligheid? Kadert dit in een algehele protectionistische tendens in Europa? Kan hij dit uitvoerig toelichten?

4. Wat is de impact van deze maatregel in België?

5. Kan hij ook zijn beleidsvisie hieromtrent toelichten?

Antwoord ontvangen op 12 december 2008 :

Ik heb de eer het geachte lid het volgende te antwoorden:

1. Het criterium van nationale veiligheid is een notie die in internationale organisaties geen gemeenschappelijke interpretatie kent. Tijdens een eerste bespreking van dit onderwerp binnen de Organisatie voor economische samenwerking en ontwikkeling (OESO) werd door experten zelfs benadrukt dat het niet wenselijk was om hier een algemene definitie voorop te stellen gezien dit voor ieder land erg kan verschillen. Sedertdien wordt deze problematiek nauw opgevolgd binnen het OESO-Investeringscomité waar op systematische wijze de politiek van de diverse OESO-landen, en sommige andere landen, zoals Rusland, wordt gevolgd rond nationale veiligheid en strategische industrieën. Dit alles gebeurt in het kader van de OESO-verklaring inzake internationale investeringen.

Tot zover mij bekend heeft geen enkel land een maatregel die enkel gericht is tegen de investeringen van Staatsfondsen.

In Frankrijk heeft de overheid in 2004 de politiek rond buitenlandse investeringen hervormd en werd eind 2005 een decreet uitgevaardigd dat de lijst opsomt van de elf sectoren waar de Franse minister van Economie het recht heeft om te monitoren en de buitenlandse investeringen te beperken.

In de Verenigde Staten (VS) is er het CFIUS (Committee on Foreign Investment in the US) waar buitenlandse investeringen dienen aangemeld te worden, waar het onderzoek wordt gevoerd en dat de president adviseert in zijn besluit of een investering kan doorgaan of niet. De basis is hier “national security”.

In het Verenigd Koninkrijk voorziet de regering momenteel geen wijzigingen aan haar algemene open politiek ten aanzien van buitenlandse investeringen.

Aangezien België steeds een open land is geweest inzake het aantrekken van buitenlandse investeringen, en er ook een deel van haar economische groei aan te danken heeft zie ik geen nut in het maken van speciale regels voor het beperken van onze buitenlandse investeringen.

Dit is de politiek trouwens van heel wat andere Europese landen.

Dit neemt niet weg dat de evolutie van deze problematiek nauw opgevolgd wordt.

2. De gevolgen van een systeem dat de buitenlandse investeringen zou beperken is sterk afhankelijk van hoe “nationale veiligheid” en “strategische sectoren” wordt gedefinieerd.

3. Zowel de OESO via haar “Code de libéralisation” als de Europese Unie (EU) zien nauwlettend toe op de evolutie. Zo diende de oorspronkelijk geplande Duitse wetgeving aangepast te worden onder druk van de Europese Commissie. Op basis van informatie inzake buitenlandse investeringen in de andere Europese landen kan niet worden besloten dat er plots een algehele protectionistische tendens is.

Voor landen waar het aantal “beschermde” sectoren groot is of een definitie hanteert die vaag is dient de evolutie opgevolgd te worden om te kunnen nagaan of dit protectionistische maatregelen zijn.

4. De impact van deze Duitse maatregel in België is momenteel moeilijk in te schatten. Dit zal bijvoorbeeld één van de punten zijn die besproken worden binnen het OESO Investeringscomité. De concrete invulling van de term “strategische sectoren” is hier van groot belang.

5. België is gediend is met een aantrekkelijk investeringsklimaat, ook voor buitenlandse investeringen. België is steeds een open land geweest op dit vlak en ik zie geen reden om dit algemeen beleid te wijzigen. Hierbij moet vooral binnen de Europese context te worden gewerkt..

Er dient ook rekening gehouden worden met het feit dat artikel 296 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (EG) de Lidstaten toestaat om de regels van de interne markt niet toe te passen wanneer de nationale veiligheid in het gedrang is. In de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economische en Sociaal Comité en het Comité van de regio’s van 5 december 2007 (COM(2007) 764 definitief) worden de maatregelen betreffende de beperkingen van buitenlandse participaties niet zozeer als protectionistisch aanzien, dan wel als één van de redenen van de fragmentering van de Europese (defensie- en veiligheids)markt.

De Commissie zal, onder andere via het European Defense Agency (EDA), onderzoeken hoe in de toekomst de controle van de strategische middelen kan geregeld worden om een evenwicht te vinden tussen enerzijds de bescherming van de veiligheidsbelangen en anderzijds de vrijheid van investeren en het behoud van een concurrerend aanbod op Europees niveau.