BELGISCHE SENAAT
________
Zitting 2007-2008
________
30 januari 2008
________
SENAAT Schriftelijke vraag nr. 4-285

de Martine Taelman (Open Vld)

aan de minister van Justitie
________
Rechterlijke orde - Werking - Bruikbaar statistisch materiaal
________
rechterlijke macht
officiële statistiek
statistische methode
gerechtelijke achterstand
________
30/1/2008 Verzending vraag
13/3/2008 Antwoord
________
________
SENAAT Schriftelijke vraag nr. 4-285 d.d. 30 januari 2008 : (Vraag gesteld in het Nederlands)

In een verslag van de Hoge Raad voor de Justitie, namelijk het “Verslag over de algemene werking van de rechterlijke orde. Jaren 2004 en 2005” dat goedgekeurd werd door de algemene vergadering op 27 juni 2007 stelt het hof van beroep dat “het wenselijk is dat er in de toekomst één bron van cijfergegevens wordt gebruikt om alles vlotter leesbaar en interpreteerbaar te maken. De statistische module “Agora” maakt het onmogelijk om te bepalen hoeveel zaken “in staat” raakten gedurende een welomschreven periode. Een duidelijke stand van zaken om een beeld van de evolutie van de gerechtelijke achterstand te krijgen, kan als een vergelijking mogelijk is tussen het aantal zaken die “in staat” werden gedurende een statistische periode en het aantal zaken waarvoor gedurende dezelfde periode een definitief arrest werd gewezen”.

Vandaar mijn vragen aan de geachte minister:

1. Wordt er aan de statistische datagaring gewerkt zodat de gerechtelijke achterstand bijvoorbeeld gemeten kan worden?

2. Stelt hij andere oplossingen voor?

Antwoord ontvangen op 13 maart 2008 :

Binnen de FOD Justitie is het directoraat-generaal Rechterlijke Organisatie, afdeling Statistiek, verantwoordelijk voor de activiteitenstatistiek van de hoven en de rechtbanken. De statistiek van de hoven van beroep, en meer concreet de statistische module AGORA van de burgerlijke zaken, is momenteel één van hun prioriteiten.

Over de behandeling van de burgerlijke zaken door de hoven van beroep vindt u reeds gedetailleerde cijfergegevens op de website van de FOD Justitie. Deze cijfergegevens handelen momenteel over de periode 1999-2006. Ze zijn terug te vinden in de publicatie « Analyse van de statistieken over de periode 1999-2006 ». Deze statistieken dragen er toe bij dat er elementen van de gerechtelijke achterstand in beeld kunnen gebracht worden. Zo zijn er bijvoorbeeld statistieken over de verhouding tussen het aantal nieuwe en het aantal afgehandelde zaken (output).

In samenwerking met de hoven van beroep wordt er sinds 2007 een statistiek uitgewerkt die op eenvoudige en efficiënte wijze ter beschikking is voor de rechtsmachten en andere justitiële actoren. Zo wordt ernaar gestreefd om alle noodzakelijke statistieken in dit instrument te integreren zodat er maar één bron is voor alle cijfergegevens. Daartoe wordt nu een datawarehouse en een statistische webapplicatie ontwikkeld. Zodoende zullen de rechtsmachten hun cijfergegevens online, met behulp van interactieve tabellen en grafieken, kunnen consulteren en creëren. Deze nieuwe webapplicatie dient de statistische module « AGORA » op termijn te vervangen. Deze nieuwe webapplicatie zou de statistische datagaring in functie van de strijd tegen de gerechtelijke achterstand moeten bevorderen.

De ontwikkeling van de statistiek « fixatietermijn », met name de periode tussen de aanvraag van de eerste rechtsdag en de eerste rechtsdag, stond zo in 2007 op het programma van de afdeling Statistiek. Echter, de wet van 26 april 2007 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op het bestrijden van de gerechtelijke achterstand bepaalt dat uiterlijk zes weken na de inleidingszitting een kalenderregeling wordt vastgelegd. De conclusietermijnen worden bepaald door de vroegste rechtsdag die verleend kan worden. Deze wet stipuleert verder dat de periode tussen het einde van de conclusietermijn en de eerste rechtsdag maximum drie maanden bedraagt.

Deze bepalingen ondergraven aldus de relevantie van de statistiek « fixatietermijn » als indicator voor de gerechtelijke achterstand. Sinds de wet van 26 april 2007 ligt immers, behoudens wanneer de conclusiekalender in onderling akkoord tussen de partijen overeengekomen werd, het ogenblik waarop de overlegging van de laatste conclusies plaatsvindt en de zaak derhalve « in staat » is, uiterlijk drie maanden voor de datum waarop ze effectief kan behandeld worden.

Indien de fixatietermijn wordt gehanteerd als indicator voor de gerechtelijke achterstand, zou de gerechtelijke achterstand statistisch gemaskeerd worden door een door de wet opgelegde verlenging van de conclusietermijnen.

Mijn diensten beschouwen de ontwikkeling van de statistiek « fixatietermijn » als indicator voor de gerechtelijke achterstand dan ook niet langer als relevant. Hetzelfde geldt ook, zij het in mindere mate, voor de verhouding van het aantal « nieuw in staat » zaken en het aantal afgehandelde zaken. Ook hier veroorzaakt de wet van 26 april 2007 een statistische scheeftrekking, waarvan de precieze impact evenwel nog moet onderzocht worden.

In samenwerking met de rechtsmachten en andere justitiële actoren dient bijgevolg bepaald te worden welke indicatoren, in het licht van bovenstaande wet, relevant zijn voor het meten van de gerechtelijke achterstand.